Skip to main content

Verhaaltjessommen-gr5-WB_antw

Page 1

Verhaaltjessommen Werkboek


Colofon Auteurs Marjanne van Gameren Cokky Stolze Redactie Margreet van der Kleij Omslagontwerp Eduardo Media

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

Opmaak PrePressMediaPartners, Wolvega Illustraties Ruud Bijman

ISBN 978 90 06 84082 7 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2011 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

2


Inhoud Blok 1 Taak 1

In de bibliotheek

4

Taak 2

Kalender en klok

6

Taak 3

Parkeren

Taak 4

Op vakantie

Toets 1

Toetsing blok 1

12

Taak 5

Het zwembad

14

Taak 6

Ik ben jarig

16

Taak 7

Op de fiets

18

Taak 8

In de keuken

Toets 2

Toetsing blok 2

8

10

Blok 2

20

22

Blok 3 Taak 9

Onze straat

24

Taak 10

Het station

26

Taak 11

Boodschappen doen

Taak 12

Een dagje uit

Toets 3

Toetsing blok 3

28

30

32

3


Taak 1 1

In de bibliotheek

Hoeveel samen?

Samen betekent meestal dat je moet optellen.

a Hoeveel boeken over landen en dieren zijn er samen? Met welke getallen moet ik rekenen? Met

38

65

en

Wat moet ik uitrekenen?

Totaal aantal boeken over landen en dieren. Wat moet ik doen? Zet een rondje.  +  −  ×  : Schrijf de som op en reken uit.

38 b

+

= 103 boeken over landen en dieren

65

Hoeveel boeken over landen en dieren en leesboeken zijn er samen? Met welke getallen moet ik rekenen? Met 65

en

38

en

98

Wat moet ik uitrekenen?

Totaal aantal boeken over landen en dieren en leesboeken. Wat moet ik doen? Zet een rondje.  +  −  ×  : Schrijf de som op en reken uit.

38 + 65 + 98 2

= 201 boeken over landen en dieren en leesboeken

Welke som past bij het verhaal? Reken alleen de goede som uit. a

b c

d

3

125 + 35 = 160

Op maandagochtend staan er 125 boeken in de bibliotheek. Er worden ’s middags 35 boeken ingeleverd. Hoeveel boeken zijn er daarna in de bibliotheek?

125 − 35 =   35   :     5 =   7

De ingeleverde boeken worden verdeeld over stapeltjes van 5 boeken. Hoeveel stapeltjes kun je maken met 35 boeken?

35 ×   5 =

Op dinsdagochtend staan er 146 boeken in de bibliotheek. Er worden ’s middags 24 boeken uitgeleend. Hoeveel boeken zijn er daarna nog over?

146 + 24 = 146 − 24 = 122   10 ×   5 =  50

De ingeleverde boeken worden verdeeld over stapeltjes van 5 boeken. Er zijn 10 stapeltjes. Hoeveel boeken zijn er ingeleverd?

10   :     5 =

Openingstijden. a

Hoe lang is de bibliotheek open op maandag? Met welke tijden moet ik rekenen?

2 uur

en

OPENINGSTIJDEN: MAANDAG VAN:

11 10

Wat moet ik uitrekenen?

Hoe lang het duurt van 2 tot 8 uur. 4

WOENSDAG VAN:

1

2 3

8

8 uur DINSDAG VAN:

12

9 7

11 10

6 12

5

1

4

2

9

3 8

7

11 10

6 12

5

1

4

2

9

3 8

7

6

5

4

TOT:

TOT:

TOT:

11 10

12

1

2

9

3 8

7

11 10

6 12

5

1

4

2

9

3 8

7

11 10

6 12

5

1

4

2

9

3 8

7

6

5

4


Teken het. 2 uur

8 uur

Het antwoord is: b

6

uur

Hoe lang is de bibliotheek open op dinsdag? Met welke tijden moet ik rekenen?

2 uur

half 6

en

Wat moet ik uitrekenen?

Hoe lang het duurt van 2 tot half 6. Teken het.

Plaatje ter beoordeling van leerkracht

Het antwoord is: 4

3

uur en

30

minuten Het langste: de meeste uren en minuten. Het kortste: de minste uren en minuten.

Waar of niet waar? a Zet een rondje om het goede antwoord. De openingstijden staan bij opdracht 3. De bibliotheek is op maandag het langste open.

waar / niet waar

De bibliotheek is op woensdag het kortste open.

waar / niet waar

11 10

Verbind het verhaaltje met de goede klok:

7

11 10

1

Het is maandag. Over een kwartier gaat de bibliotheek open.

2

Het is woensdag. Over een half uur gaat de bibliotheek dicht.

3

Het is dinsdag. Een kwartier geleden ging de bibliotheek dicht.

1

2 3

8

b

12

9 6 12

5

1

4

2

9

3 8

7

11 10

6 12

5

1

4

2

9

3 8

5

De timmerman vervangt de planken in de boekenkast.

7

6

5

4

Vul in: + of − en reken uit. Tip! Maak een plaatje van de plank op een kladblaadje, als dat helpt. a

b

De oude plank was 82 centimeter. De nieuwe plank is 18 centimeter langer. De nieuwe plank is: 82

+

18 = 100 centimeter

De oude plank was 75 centimeter. De nieuwe plank is 92 centimeter. Hoeveel centimeter is de nieuwe plank langer dan de oude plank? 92 75

c

d

De nieuwe plank is 3 decimeter langer dan de oude plank. De nieuwe plank is 120 centimeter. Hoe lang was de oude plank?

120

–

30

=

90

centimeter

75 =

17

17

centimeter of

= 92 centimeter

De timmerman heeft een plank van 212 centimeter, maar die is te lang. Hij zaagt er een stuk van 80 centimeter van af. Hoe lang is de plank die overblijft? 212

5

– +

–

80 = 132 centimeter


Taak 2 1

Kalender en klok

De scheurkalender.

Het volgende blaadje: het blaadje dat hierna komt.

Kies het goede antwoord. a b c 2

Welke dag en datum staan op het volgende blaadje van de kalender?   zaterdag 2 juli

donderdag 30 juni

zaterdag 1 augustus

Welke datum is het over een week?   vrijdag 24 juni

vrijdag 8 juli

vrijdag 1 augustus

Soundos is over precies vier weken jarig. Op welke datum is dat?   vrijdag 29 juli

vrijdag 22 juli

dinsdag 1 november

De kalender. Streep door wat fout is.

3

a

Koningsdag (27 april) is op een vrijdag / zaterdag.

b

In deze maand april zitten 4 / 5 zondagen.

c

Ingrid is jarig op 5 april. Dat is op een woensdag / donderdag.

d

Peter is precies twee weken na Ingrid jarig.

Dat is op zondag / donderdag 15 / 19 april.

Waar of niet waar? Zet een rondje om het goede antwoord.

4

a

De dag na 30 juli is 1 augustus.

waar / niet waar

b

Een jaar heeft meestal 366 dagen.

waar / niet waar

c

In een uur zitten 4 kwartieren.

waar / niet waar

d

Juli is de zevende maand.

waar / niet waar

e

In een etmaal zitten 12 uren.

waar / niet waar

f

15.00 uur is 3 uur in de ochtend.

waar / niet waar

g

Januari heeft 31 dagen.

waar / niet waar

Hoeveel dagen of weken?

31 30

a

Hoeveel dagen heeft de maand maart?

b

Hoeveel dagen heeft de maand april?

c

Hoeveel dagen hebben maart en april samen?

Schrijf de som op:

d

Hoeveel dagen zitten er in 3 weken?

Schrijf de som op:

e

De zomervakantie duurt 42 dagen. Hoeveel weken zijn dat?

Schrijf de som op:

31 3 42

+ × :

30 7 7

dagen dagen

=

61

dagen

=

21

dagen

6

=

6

weken


5

Rekenen met tijd.

Drie maanden geleden: je moet drie maanden terug in de tijd.

Kies het goede antwoord.

6

a

Het is nu 3 maart. Over twee weken is het: 5 maart 10 maart 17 maart

b

Het is nu half twaalf. Over een uur is het: half een half elf twaalf uur

c

Het is nu 8 augustus. Drie maanden geleden was het: 8 maart 8 april 8 mei

Hoe laat en hoe lang? a

Ahmed is om acht uur in de wachtkamer van de dokter en wordt om half 9 geholpen. Hoelang heeft hij gewacht?

30 b

minuten

Roza moet om 5 uur bij de training zijn. Van haar huis naar de training is een kwartier fietsen. Hoe laat moet ze vertrekken?

kwart voor vijf c

De film begint om 20.15 uur en is om 22.30 uur afgelopen. Hoelang duurt de film?

2 d

uur en

15

minuten

Onze pauze duurt van twaalf uur tot kwart over 1. Hoelang is dat?

1

uur en

15

minuten.

e

Het is half negen. Twee uur geleden stond ik op, dat was om: half elf half acht half zeven

f

Het is nu dinsdag. Drie dagen geleden had ik een wedstrijd. Dat was op: zaterdag zondag vrijdag

g

De school begint om half negen. Dat is over een half uur. Het is nu: negen uur acht uur half acht

7


Taak 3 1

Parkeren

Hoeveel auto’s? Op het parkeerterrein bij de supermarkt staan 4 rijen met 8 auto’s. Hoeveel auto’s zijn dat totaal? a

Met welke getallen moet ik rekenen? Met

b

4

en

8

Wat moet ik uitrekenen?

Hoeveel auto’s er staan in 4 rijen met 8 auto’s c

Teken het.Ter beoordeling van leerkracht.

d

Wat moet ik doen? Zet een rondje.  +  −  ×  :

e

Schrijf de som op en reken uit.

4 f

8

=

32

De helft van de auto’s rijdt weg. Hoeveel auto’s blijven over?

16 2

×

De helft is hetzelfde als: gedeeld door 2.

auto’s In plaats van per kun je ook lezen: voor elk. Je betaalt dus 3 euro voor elk uur dat je parkeert.

Parkeergeld betalen. Mijn moeder laat haar auto 4 uur in de parkeergarage staan. Hoeveel moet zij betalen? a

Met welke getallen moet ik rekenen? Met

b

Wat moet ik uitrekenen?

3

en

4

Hoeveel mijn moeder betaalt voor 4 uur parkeren als 1 uur € 3,– kost

c

Wat moet ik doen? Zet een rondje.  +  −  ×  :

d

Schrijf de som op en reken uit.

4

×

3

=

12

e Mijn vader parkeert twee keer zo lang in de parkeergarage als mijn moeder. Hoeveel moet hij betalen?

24 euro 8


3

Hoeveel auto’s? a

Hoeveel auto’s waren er doordeweeks in de garage?

Doordeweeks: maandag tot en met vrijdag. In het weekend: zaterdag en zondag.

Wat moet ik doen? Zet een rondje.  + − × : Schrijf de som op en reken uit: 25 + 37 + 42 + 59 + 70 = 233 b

Hoeveel auto’s waren er in het weekend in de garage? Wat moet ik doen? Zet een rondje.  + − × : Schrijf de som op en reken uit: 122 + 47 =169

c

Wat is het verschil tussen het aantal auto’s doordeweeks en in het weekend? Wat moet ik doen? Zet een rondje.  + − × : Schrijf de som op en reken uit: 233 − 169 = 64

Aantal auto’s in de parkeergarage deze week: Maandag: 25 Dinsdag: 37 Woensdag: 42 Donderdag: 59 Vrijdag: 70 Zaterdag: 122 Zondag: 47

Bij het verschil gaat het meestal om een minsom.

Wanneer waren er meer auto’s: doordeweeks of in het weekend? doordeweeks 4

Parkeergeld betalen. a

Mina parkeert haar auto en gaat een half uur later weer weg. Hoeveel moet zij in de parkeermeter doen?

2 × € 0,75 = € 1,50 b Remco parkeert zijn auto en hij doet 3 munten van 1 euro in de parkeermeter. Hoe lang mag hij blijven staan?

€ 3 : € 0,75 = 4 kwartier = 1 uur c

Amanda heeft € 7,50 betaald en komt na 3 uur weer bij haar auto. Heeft zij genoeg betaald? ja / nee

d

Sem parkeert zijn auto om 11 uur en gaat om 14 uur weer weg. Hoeveel moet hij betalen? € 9,00

5

Welke som past bij het verhaal?

Bij blijven er over gaat het meestal om een minsom.

Reken alleen de goede som uit. a

b

c

d

Op maandag rijden er 36 auto’s de parkeergarage in. Er rijden 24 auto’s de parkeergarage uit. Hoeveel auto’s blijven er over?

24 +   36 =

Tussen 9 en 10 uur rijden er 53 auto’s de parkeergarage in. Tussen 10 en 11 uur rijden er 28 auto’s de parkeergarage in. Hoeveel auto’s zijn dat samen?

53 +   28 =  81

Op woensdagochtend stonden er 72 auto’s in de garage. Op donderdagochtend stonden er 39 auto’s meer. Hoeveel auto’s stonden er op donderdagochtend?

72 +   39 = 111

Vrijdagochtend stonden er 49 auto’s. ’s Avonds stonden er 102. Hoeveel auto’s zijn er bij gekomen?

49 + 102 =

9

36 −   24 =  12

53 −   28 =

72 −   39 =

102 −   49 =  53


Taak 4 1

Op vakantie

Rekenen met tijd en geld.

a

De familie De Wilde gaat een week op wintersportvakantie. Hoeveel moeten ze betalen voor de opvang van Minoes, hun kat? De som is:

c

7

×

8

=

b

De familie De Wilde vertrekt op zaterdag 21 februari. Voor welke datum moet Minoes worden ingeënt tegen katten- en niesziekte? Zet een rondje om het goede antwoord. a 24 januari b 30 januari c 6 februari

d

De familie Visser vertrekt op zaterdag 23 juli. Voor welke datum moeten Rauser en Zero worden ingeënt tegen kennelhoest? Zet een rondje om het goede antwoord. a 25 juni b 2 juli c 20 juli

56

De familie Visser gaat 3 weken naar Italië. Hoeveel moeten ze betalen voor de opvang van Rauser en Zero, hun twee honden? Let op! Hier moet je meer sommen maken.

3 × 7 =  21 21 × 2 × 11 = 462

2

Hoeveel moeten ze betalen?

21,00 7 dagen × € 3 = € 21,00 Oma: Caravan: 7 dagen × € 7,50 = € 52,50 7 dagen × € 2,50 = € 17,50 Auto: Samen: € 21 + € 21 + € 52,50 + € 17,50 = 112 7

dagen ×

€3

a

Opa en oma gaan een week op vakantie met hun auto en caravan. Hoeveel moeten ze betalen?

Opa:

b

Jan en Mala kamperen 2 weken in een vouwwagen met hun 3 kinderen: Vaishno (8 jaar), Vani (6 jaar) en Siddhartha (4 jaar). Vaishno slaapt in een bijzettentje. Ze komen met de auto. Hoeveel moeten ze betalen?

Laat zien hoe je rekent: Jan: 14 dagen × € 3 = € 42 Mala: 14 dagen × € 3 = € 42 3 kinderen: 3 × 14   × € 2,50 = € 105 Auto: 14 dagen × € 2,50 = € 35 Vouwwagen: 14 dagen × € 7,50 = € 105 Bijzettentje: 14 dagen × € 4 = € 56 Samen: € 42 + € 42 + € 105 + € 35 + € 105 + € 56 = € 385

c

Oom Taco en tante Annemieke komen op de motor. Ze slapen in een tent. Ze blijven 10 dagen op de camping. Hoeveel moeten ze betalen?

Laat zien hoe je rekent: Taco: 10 dagen × € 3 = € 30 Annemiek: 10 dagen × € 3 = € 30 Tent: 10 dagen × € 7,50 = € 75 Motor: 10 dagen × € 2,50 = € 25 Samen: € 30 + € 30 + € 75 + € 25 = € 160 10

=€


3

Welke som past bij het verhaal? Reken alleen de goede som uit. a b c

d 4

14 +   19 =  33 kilo

De koffer van Lisa weegt 14 kilo en de tas van Tess weegt 19 kilo. Hoeveel kilo is dat samen?

19 −   14 =

kilo

Op zaterdag rijden we 750 kilometer en op zondag 200 kilometer. Hoeveel kilometer reden we op zaterdag meer?

750 − 200 = 550 km

We vertrekken om 6 uur ’s ochtends en komen om 12 uur ’s ochtends aan bij het vakantiehuisje. Hoe lang hebben we gereisd?

12 −    6 =   6 uur

Op de veerboot kunnen 242 personenauto’s. Er staan al 180 auto’s op de boot. Hoeveel auto's kunnen er nog bij?

242 − 180 =  62 auto’s

750 + 200 =   12 +    6 =

180 − 242 =

km uur

auto’s

Tip! Je mag het ook onder elkaar uitrekenen op een kladblaadje, als je dat wilt.

Met de veerboot. De bootreis van Harlingen naar Vlieland duurt ongeveer 45 minuten met de snelle veerboot. a Hoe laat komt Nadine aan als haar boot om kwart over 10 vertrekt?   10 uur   11 uur   kwart voor elf b Hoe laat komt Nadine aan als ze de gewone c Op de veerboot zijn in totaal 660 mensen. veerboot neemt? Die doet er ongeveer Er zijn 280 kinderen. 1 12 uur over. Hoeveel volwassenen zijn er?   kwart voor twaalf   940 volwassenen   11 uur   380 volwassenen   12 uur   280 volwassenen

5

Wintersport.

Pistes in Winterdorf Zwarte piste: 245 meter Rode piste: 250 meter Blauwe piste: 415 meter

Schrijf de som op en reken uit. a

Eline heeft de zwarte piste twee keer geskied. Hoeveel meter is dat?

b

245 245 +

250 415 +

490 c

665

Zakaria heeft alle pistes twee keer geskied. Hoeveel meter is dat?  490 2 × 245 meter = 2 × 250 meter = 2 × 415 meter =

Luuk skiet de rode en de blauwe piste. Hoeveel meter is dat?

500  830

d

Soraya ging met Zakaria mee. Zij heeft de blauwe piste maar één keer gedaan. Hoeveel meter heeft Soraya geskied?

1820  415

+

1405

1820 11

–


Toets 1 1

Welke som past bij het verhaal? Reken alleen de goede som uit. a

2

3

’s Ochtends stonden er 311 boeken in de bibliotheek. ’s Middags worden er 24 boeken ingeleverd. Hoeveel boeken zijn er daarna in de bibliotheek?

311 + 24 = 335 311 − 24 =

b

De ingeleverde boeken worden verdeeld over stapeltjes van 4 boeken.   32   :     4 =   8 Hoeveel stapeltjes kun je maken met 32 boeken?   32 ×   4 =

c

De ingeleverde boeken worden verdeeld over stapeltjes van 3 boeken.    9 ×   3 =  27 Er zijn 9 stapeltjes. Hoeveel boeken zijn er ingeleverd?    9   :     3 =

d

’s Ochtends staan er 235 boeken in de bibliotheek. Er worden ’s middags 36 boeken uitgeleend. Hoeveel boeken zijn er daarna nog over?

235 + 36 = 235 − 36 = 199

Kies het goede antwoord. a

Het is nu 28 december. Drie weken geleden was het:   7 december   21 december   18 januari

b

Het is nu 4 maart. Over 3 maanden is het:   4 april   4 mei   4 juni

c

Het is nu kwart over 12. Over een half uur is het:   kwart voor 12   kwart voor 1   kwart over 1

Parkeergeld betalen.

a

b

Wesley heeft € 4,50 betaald en komt na 2 uur weer bij zijn auto. Heeft hij genoeg betaald?

€ 5 × € 1,50 = € 7,50

ja/nee c

Samet parkeert zijn auto om 9 uur en gaat om half 12 weer weg. Hoeveel moet hij betalen?

d

Shakira parkeert haar auto en gaat over een uur weer weg. Hoeveel moet zij in de parkeermeter doen? € 2 × € 1,50 = € 3,00

Kristy parkeert haar auto en zij doet 6 munten van 50 cent in de parkeermeter. Hoe lang mag zij blijven staan?

€ 3 = 2 × een half uur = 1 uur

12


4

Geld verdienen. Julia verdient als oppas € 4,– per uur. a

Hoeveel verdient Julia als zij 5 uur oppast? Wat moet ik doen? Zet een rondje. + − × : Schrijf de som op en reken uit: 5 × 4 = 20 euro

b

Julia krijgt 16 euro. Hoeveel uur heeft zij opgepast? Wat moet ik doen? Zet een rondje. + − × : Schrijf de som op en reken uit: 16 : 4 = 4 uren

c

Julia past op zaterdagavond 6 uur op en op zondagmiddag twee en een half uur. Op zaterdag verdient Julia: € 24,– Op zondag verdient Julia: € 10,– Hoeveel heeft Julia in dit weekend totaal verdiend? € 34,–

5

Welke som past bij het verhaal? Reken alleen de goede som uit. a

b

c

d

De koffer van mijn opa weegt 24 kilo. De tas van mijn oma weegt 8 kilo zwaarder. Hoeveel kilo is de tas van mijn oma? De familie Blackman rijdt 370 kilometer naar Luxemburg en de familie Koper rijdt 510 kilometer naar Parijs. Hoeveel kilometer rijdt de familie Koper meer?

24 +    8 =  32 kilo   24 −    8 =

kilo

510 − 370 = 140 km 510 + 370 =

km

Ons vliegtuig vertrekt om 1 uur ’s nachts vanaf Schiphol en landt om 12 uur ’s ochtends (Nederlandse tijd) in Bangkok (Thailand). Hoe lang vliegen we?

12 −   1 =

11 uur

12 +   1 =

uur

Op de veerboot kunnen 650 personen. Er zijn al 340 personen op de boot. Hoeveel personen kunnen er nog bij?

650 − 340 = 310 personen

13

650 + 340 =

personen


Taak 5 1

Het zwembad

Lees, schrijf de som op en reken uit.

a

Emile, Janne, Rashid en Aziza gaan naar het zwembad. Het is € 2,75 per persoon. Hoeveel moeten zij bij elkaar betalen?

4 c

×

Bij de glijbaan staan 28 jongens en 34 meisjes te wachten. Hoeveel kinderen zijn dat bij elkaar?

€ 2,75 = €11,–

Het grote zwembad is 50 meter lang en 25 meter breed. Hoeveel meter zwem ik als ik een rondje langs de kanten zwem?

50 + 25 + 50 + 25 2

b

=

28 d

+

34

=

62

Een groep kinderen doet een wedstrijdje. Er zijn 5 startbloken. Achter elk startblok staan 6 kinderen. Hoeveel kinderen zijn dat?

150

5

×

6

=

30

Stel de vraag, schrijf de som op en reken uit. Voorbeeld Bij de startblokken staan 20 kinderen. Er zijn 5 startblokken. Vraag: Hoeveel kinderen staan er bij elk startblok? Som: 20 : 5 = 4 kinderen a

In het peuterbad zijn 26 kleine kinderen en 26 volwassenen. Vraag: Hoeveel mensen zijn dat bij elkaar? Som: 26 + 26 = 52 mensen

b

Voor de duikplank staan 23 kinderen. 11 daarvan zijn jongens. Vraag: Hoeveel meisjes staan er voor de duikplank? Som: 23 − 11 = 12 meisjes

c

Emile, Janne, Rashid en Aziza hebben ieder 3 boterhammen bij zich. Vraag: Hoeveel boterhammen hebben ze samen? Som: 4 × 3 = 12 of: 3 + 3 + 3 + 3 = 12

d

Janne zwemt een lang baantje heen en weer in het grote bad. Tip! Kijk bij opdracht 1c hoe groot het grote bad is. Vraag: Hoeveel meter zwemt Janne? Som: 2 × 50 = 100 meter

14

11 daarvan betekent: 11 van de 23 kinderen.


3

Kies het juiste antwoord. Zet er een rondje omheen. a

Buiten is het 27 graden. Het water is 8 graden kouder. Hoeveel graden is het water? Antwoord 1 Buiten is het 27 graden en het water is 8 graden kouder, dan moet ik 27 − 8 uitrekenen en dat is 19.

b

Antwoord 2 In het verhaal staan de getallen 27 en 8 en die moet ik bij elkaar optellen. 27 + 8. Het water is dus 35 graden.

Bij de waterglijbaan staan 35 kinderen te wachten. 16 daarvan zijn meisjes. Hoeveel jongens wachten bij de waterglijbaan? Antwoord 1 Er staan 35 kinderen te wachten en ook nog 16 meisjes. Dat is samen 51 kinderen.

c

Antwoord 2 Van die 35 kinderen zijn er 16 meisjes. Dus er staan 35 − 16 = 19 jongens te wachten bij de waterglijbaan.

Er staan 10 kinderen klaar om een wedstrijd te doen. Ze staan gelijk verdeeld over de 5 startblokken. Hoeveel kinderen staan achter elk startblok? Antwoord 1 Er staan achter elk startblok 5 kinderen, want er zijn 5 startblokken. 5 + 5 =10

4

Gelijk verdeeld betekent hier: bij elk startblok staan evenveel kinderen.

Antwoord 2 Er zijn 10 kinderen en er zijn 5 startblokken. Achter elk startblok staan 10 : 5 = 2 kinderen.

Welk woord moet er op de lege plek? Kies uit: kinderen – meisjes – meter – cent a

meisjes c

b

Bij de glijbaan staan 42 kinderen. Daarvan zijn er 15 jongens. Er staan dus 42 − 15 = 27

cent

bij de glijbaan. d

25 kinderen doen een wedstrijd. Ze zijn gelijk verdeeld over de startblokken. Er zijn 5 startblokken. Bij elk startblok staan dus 25 : 5 = 5

Bedenk een verhaaltje bij de som en reken uit. 30 : 5 =

6

27 + 34 =

61

4 × 5 =

20

Ter beoordeling van de leerkracht.

15

terug.

Rashid zwemt een baantje heen en weer over de breedte van het grote bad. Hij zwemt 2 × 25 = 50

meter

kinderen 5

Aziza koopt een zakje patat. Dat kost € 2,50. Als zij 3 euro geeft, krijgt zij: 3 − 2,50 = 50


Taak 6 1

Ik ben jarig

Een verjaardagspartijtje. a Senna gaat taartjes versieren. Op elk taartje komen 9 chocolaatjes. Er zijn in totaal 6 kinderen. Hoeveel chocolaatjes moeten er zijn?

9 6 en Wat moet ik uitrekenen? Hoeveel chocolaatjes moeten er zijn?

Welke getallen staan er in het verhaaltje? Wat moet ik doen? Zet een rondje.

+  −  ×  :

9

Schrijf de som op en reken uit.

×

6

=

54

b De kinderen krijgen nog een zakje snoep mee. Er zijn 30 snoepjes te verdelen. Alle 5 de kinderen krijgen evenveel. Hoeveel snoepjes zitten er in elk zakje?

30 5 en Wat moet ik uitrekenen? Hoeveel snoepjes zitten er in elk zakje?

Welke getallen staan er in het verhaaltje? Wat moet ik doen? Zet een rondje.

30

Schrijf de som op en reken uit. 2

+  −  ×  :

:

5

=

6

Wat is de juiste leeftijd? Schrijf de som op. Kijk goed of je plus of min moet doen. a Nils is 9 jaar. Zijn vader is 31 jaar ouder.

b De opa van Nick is 65 jaar. Het zusje van Nick is 58 jaar jonger.

Hoe oud is zijn vader?

Hoe oud is het zusje van Nick?

9 + 31 = 40 jaar

65 − 58 = 7 jaar

c De moeder van Tinke is 2 jaar ouder dan Tinkes vader. Tinkes vader is 40 jaar.

3

d Mijn neef Allan en mijn nicht Myriam zijn samen 20 jaar oud. Allan is 11 jaar.

Hoe oud is de moeder van Tinke?

Hoe oud is Myriam?

40 + 2 = 42 jaar

20 − 11 = 9 jaar

Welke som past bij het verhaal? Kies uit: 3 × 8   6 × 4   10 × 4   18 : 6   10 : 5   10 × 5 Reken de som uit op een kladblaadje. Schrijf de som met het antwoord op. a Er zitten 10 gummen in een pakje. Ik verdeel ze over 5 kinderen. Hoeveel gummen krijgt elk kind?

10 : 5 = 2 gummen

d Met een fles limonade kan ik 6 bekers vullen. Hoeveel flessen heb ik nodig voor 18 bekers?

18 : 6 = 3 flessen

b In elk zakje komen 4 kleurpotloden. Ik heb 6 zakjes. Hoeveel potloden zijn dat bij elkaar?

6 × 4 = 24 potloden

e Elk kind krijgt 5 dropjes. In totaal zijn er 10 kinderen. Hoeveel dropjes zijn dat bij elkaar?

× 5 = 50 dropjes 10 16

c De boterkoek wordt in 8 stukken gesneden. Ik heb 3 boterkoeken. Hoeveel stukken boterkoek heb ik?

3 × 8 = 24 stukken

f Op een stokje zitten 4 druiven. Er zijn 10 stokjes. Hoeveel druiven zijn dat bij elkaar?

10 × 4 = 40 druiven


4

Schrijf de som op en reken uit.

Portie betekent hier: voldoende poffertjes voor 1 persoon.

Hoeveel porties poffertjes kan Kees bakken met 100 gram zelfrijzend bakmeel?

Getallen: 100 en 50

+ − × :

De som: 100 : 50 = 2 porties

Nu jij! a Hoeveel melk heb je nodig voor 3 porties poffertjes? Getallen: b

+ − × :

De som:

3 × 50 = 150

50

en

10

+ − × :

De som:

50 : 10 = 5

6

en

3

+ − × :

De som:

6 × 3 = 18

Hoeveel gram boter heb je nodig als je 5 porties poffertjes maakt? Getallen:

5

3

Hoeveel gram gist heb je nodig als je 6 porties poffertjes maakt? Getallen:

d

en

Als 1 portie ongeveer 10 poffertjes is, hoeveel ml water zit er dan in elk poffertje? Getallen:

c

50

10

en

5

+ − × :

De som:

10 × 5 = 50

Schrijf de som op en reken uit. a In groep 5a zitten 27 kinderen. Shanice deelt jojo’s uit. In een zakje zitten er 9.

Hoeveel zakjes jojo’s moet Shanice kopen? 27 : 9 = 3 zakjes

b In groep 5b zitten 32 kinderen. Denise deelt krentenbollen uit. In een zakje zitten er 8.

Hoeveel zakjes krentenbollen moet Denise kopen? 32 : 8 = 4 zakjes

c Djai wil ijsjes uitdelen. Hij koopt 2 pakjes met 5 ijsjes en 3 pakjes met 6 ijsjes.

Voor hoeveel kinderen heeft hij ijsjes gekocht? 10 + 18 = 28 kinderen

d Tim heeft 4 zakjes met 8 mandarijnen. In zijn klas zitten 31 kinderen. Heeft hij genoeg om iedereen een mandarijn te geven? Hoeveel heeft hij er over? Som: 32 − 31 = 1 Over: 1 mandarijn

17


Taak 7 1

Op de fiets

Hoeveel kilometer? a Mijn kilometerteller staat op 39 kilometer. Ik moet naar Ransdorp, dat is nog 25 kilometer fietsen. Waar staat mijn kilometerteller op als ik in Ransdorp ben? Getallen:

39

en

25

+ − × :

De som:

39 + 25 = 64

b De kilometerteller van Sem staat op 82. Toen hij vertrok stond de teller op 45. Hoeveel kilometer heeft hij gefietst? Getallen:

82

en

45

+ − × :

De som:

82 − 45 = 37

c Joost fietst elke dag 5 kilometer naar school en 5 kilometer weer terug. Hoeveel fietst hij in een week als hij 5 dagen naar school moet? Getallen:

5

5

en

+ − × :

De som:

5 + 5 = 10 5 × 10 = 50

d José fietst zaterdag 75 kilometer en zondag 89 kilometer. Hoeveel kilometer heeft ze totaal gefietst? Getallen:

2

75

en

89

+ − × :

De som:

75 + 89 = 164

Kies het juiste antwoord. Zet een rondje. a Samir fietst 5 kilometer in 20 minuten. Hoeveel kilometer fiets hij in 1 uur? Antwoord 1 In een uur gaan 60 minuten, dat is drie keer zoveel als 20 minuten. 3 × 5 = 15 kilometer

Antwoord 2 In het verhaal staan de getallen 5 en 20 en ik moet 20 door 5 delen en dat is 4. Het antwoord is dus 4 kilometer.

b Thomas heeft na 4 uur 40 kilometer gefietst. Hoeveel kilometer fietst hij in 1 uur? Antwoord 1 Hij fietst 40 kilometer per uur. Dus na 4 uur heeft hij 160 kilometer gefietst. 4 × 40 = 160 kilometer

Antwoord 2 Hij fietst 40 kilometer in 4 uur. Dus 40 delen door 4, dan weet je hoeveel hij per uur fietst. 40  :  4 = 10 kilometer

c Chantal fietst in een half uur 7 kilometer. Hoeveel kilometer heeft ze na 2 uur gefietst? Antwoord 1 Zij fietst 7 kilometer per uur, dus in 2 uur heeft ze 14 kilometer gefietst. 2 × 7 = 14 kilometer

18

Antwoord 2 Zij fietst 7 kilometer in een half uur, dus in een uur fietst ze 14 kilometer. In twee uur fietst ze dus 28 kilometer.


3

Hoeveel kilometer? a In 3 dagen fietst Sammy 27 kilometer. Hoeveel fietst hij op één dag?

27 : 3 = 9

b Kevin heeft na 5 dagen 35 kilometer gefietst. Hoeveel fietst hij per dag?

kilometer

c Charlotte heeft 36 kilometer gefietst na 4 dagen. Hoeveel is dat per dag?

36 : 4 = 9

4

kilometer

d Tjeerd heeft 5 dagen lang 9 kilometer gefietst. Hoeveel kilometer is dat in totaal?

kilometer

e Priya fietst elke dag naar school. Dat is 3 kilometer heen en 3 kilometer terug. Ze fietst 5 dagen. Hoeveel kilometer heeft ze dan gefietst?

3 × 3 × 5 = 30

35 : 5 = 7

5 × 9 = 45

f Meester de Groot woont 7 kilometer bij school vandaan. Hoeveel kilometer fietst hij in een week als hij 3 keer op de fiets komt?

2 × 7 × 3 = 42

kilometer

kilometer

kilometer

Welke som past bij het verhaal? Reken alleen de goede som uit. a

b

c

Jasper fietst in een hele week 78 km. Van maandag tot en met vrijdag fietst hij 59 km. Hoeveel fietst hij in het weekend?

e

200 +   3 = 200 −   3 = 197   78 + 59 =   78 − 59 =  19

Amine fietst naar de training, 5 km heen en 5 km terug. Hoeveel is dat als hij 5 dagen fietst?

d

5

Als we nog 3 km fietsen, hebben we 200 km gefietst. Waar staat de teller nu op?

Cansu en Laila fietsen samen naar school. Dat duurt 30 minuten en is 6 km. Hoeveel kilometer fietsen ze samen als ze ook terug fietsen? Job en Tim fietsen allebei naar school. Job fietst 54 km per week, Tim fietst 48 km per week. Hoeveel kilometer fietst Tim minder?

5 ×   5 =    5 × 10 =  50    2 ×   6 =  12  30 :  6 =   54 − 48 =   6   54 + 48 =

Fietsvakantie. Hoeveel kilometer gefietst in 4 dagen? a Een tocht langs de rivier de Maas: dag 1   38 km dag 2   52 km dag 3   71 km dag 4   59 km + Totaal:

220 km

b Een fietstocht langs de Noordzee: dag 1   69 km dag 2 103 km dag 3   58 km dag 4   50 km + Totaal:

280 km

c De Elfstedentocht op de fiets: dag 1   63 km dag 2   45 km dag 3   71 km dag 4   61 km + Totaal:

19

240 km

d Een rondje om het IJsselmeer: dag 1   89 km dag 2 101 km dag 3   91 km dag 4   61 km + Totaal:

342 km


Taak 8 1

In de keuken

Reken uit. a Voor 4 personen heb ik 400 gram macaroni nodig. Hoeveel gram heb ik nodig voor 8 personen?

800

gram

En voor 12 personen?

1200

gram

b Ik maak macaroni voor 8 personen. Hoeveel gram geraspte kaas heb ik nodig?

200

gram

En voor 16 personen?

voor 2 personen?

400 gram 50 gram

c Oma heeft 500 gram ham gekocht. Voor hoeveel personen kan zij dan macaroni maken?

20

personen

En als ze 300 gram ham heeft?

12

personen

En als ze 200 gram ham én 200 gram geraspte kaas heeft?

8

personen

d In het netje zitten 8 uien. Voor hoeveel personen kan ik dan macaroni maken? 2

32

personen

Hoeveel gram geraspte kaas heb ik dan nodig?

800

gram

En hoeveel gram ham?

800

gram

Schrijf de som op en reken uit. a

Daan heeft een pak suiker van een kilo. Hij heeft voor het bakken van een cake 200 gram suiker nodig. Hoeveel suiker zit er dan nog in het pak? Getallen: 1000 en 200

b

+ − × :  De som:

1 kilo = 1000 gram

1000 − 200 = 800

Ruben heeft een pak meel waar nog 875 gram in zit. Hoeveel gram is er uit als er 1 kilo in zat? Getallen: 1000 en 875

+ − × :  De som:

1000 − 875 = 125

c

In een pak pannenkoekenmix zit 400 gram. Moeder gebruikt de helft.

Hoeveel zit er daarna nog in het pak?

d

Rob bakt twee cakes. Voor elke cake heeft hij 375 gram meel nodig.

Hoeveel heeft hij nodig voor twee cakes?

200 gram

20

750 gram


3

Kies de juiste som en reken uit. a

b

c

d

4

Een pakje boter weegt 250 gram. Oma snijdt er 75 gram vanaf. Hoeveel is er nog over?

gram

250 − 75 = 175 gram

Een pakje boter weegt 250 gram. Er is nog 100 gram over. Hoeveel is er al van de boter gebruikt?

100 + 250 =

gram

150

= 250 gram

100 +

500 − 125 = 375 gram

Van een pak boter van 500 gram wordt 125 gram afgesneden. Hoeveel is er nog over? Van een pak boter van 500 gram is nog 415 gram over. Hoeveel is er al afgesneden?

500 + 125 =

gram

415 + 85 =

500 gram

415 + 500 =

gram

Wat reken ik uit? Het verhaal: a

b

c

d

5

250 + 75 =

Zet een rondje om 1 of 2.

Schrijf de som op:

In een pak suiker zat 1000 gram. Mila heeft nog 750 gram over.

1 Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2 Hoeveel gram er uit het pak is.

1000 − 750 = 250

Van een pak macaroni van 750 gram gebruikt Jane 475 gram.

1 Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2 Hoeveel gram er uit het pak is.

750 − 475 = 275

Een pak rijst weegt 800 gram. Gregory neemt er 375 gram uit.

1 Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2 Hoeveel gram er uit het pak is.

800 − 375 = 425

1 Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2 Hoeveel gram er uit het pak is.

1000 − 645 = 355

In een pak meel van een kilo zit nu nog 645 gram.

Schrijf de som op en reken uit. a

b

Een kilo pinda’s kost € 2,80. Lisa heeft € 1,40 in haar portemonnee. Hoeveel gram pinda’s kan zij kopen?

500 gram c

500 gram gehakt kost € 4,50. Hoeveel gram gehakt kan Amy kopen als ze € 13,50 heeft?

1500 gram

Hoeveel wegen 1 pak suiker van 350 gram en 1 pak meel van 230 gram samen?

580 gram

d

Voor 500 gram tomaten betaalt Regilio € 2,34. Hoeveel moet hij betalen voor 250 gram?

1,17 euro 21


Toets 2 1

Kies het juiste antwoord. Zet er een rondje omheen. a De temperatuur van het badwater is 23 graden. Buiten is het 4 graden warmer. Hoeveel graden is het buiten? Antwoord 1 Buiten is het 23 graden is en het water is 4 graden kouder. Dan moet ik 23 − 4 uitrekenen en dat is 19.

Antwoord 2 Het badwater is 23 graden en buiten is het 4 graden warmer. Dan moet je 23 + 4 uitrekenen en dat is 27.

b Bij de waterglijbaan staan 51 kinderen te wachten. 16 daarvan zijn jongens. Hoeveel meisjes staan er te wachten? Antwoord 1 In totaal zijn er 51 kinderen. 16 daarvan zijn jongens. 51 − 16 = 35. Er staan dus 35 meisjes.

Antwoord 2 In totaal zijn er 51 kinderen. 16 daarvan zijn jongens. 51 + 16 = 67. Er staan dus 67 meisjes.

c Nog een wedstrijdje snel zwemmen. Er zijn 5 startblokken. Achter elk startblok staan 5 kinderen. Hoeveel kinderen doen mee aan de wedstrijd? Antwoord 1 Er staan achter elk startblok 5 kinderen en er zijn 5 startblokken. 5 × 5 = 25 2

Antwoord 2 Er zijn 5 kinderen en 5 startblokken, dus 5 + 5 = 10 kinderen bij elkaar.

Welke som past bij het verhaal? Kies uit: 3×9=

8×6=

35  :  7 =

24  :  3 =

8  :  4 =

10 × 3 =

Reken de som uit op kladblaadje. Schrijf de som en het antwoord op. a Er zitten 8 potloden in een zakje. Lara verdeelt ze over 4 kinderen. Hoeveel potloden krijgt elk kind?

8 : 4 = 2

d Met een fles limonade kan Ali 7 bekers vullen. Hoeveel flessen heeft hij nodig voor 35 bekers?

35 : 7 = 5

b Elk kind krijgt 3 pannenkoeken. In totaal zijn er 9 kinderen. Hoeveel pannenkoeken zijn dat bij elkaar?

3 × 9 = 27

e In elk doosje zitten 8 krijtjes. Ties heeft 6 doosjes. Hoeveel krijtjes zijn dat bij elkaar?

8 × 6 = 48

22

c De appeltaart wordt in 10 stukken gesneden. Ik heb 3 appeltaarten. Hoeveel stukken appeltaart zijn dat samen?

10 × 3 = 30

f Op een stokje kunnen 3 aardbeien. Er zijn 24 aardbeien. Hoeveel stokjes kan ik maken?

24 : 3 = 8


3

Wat moet ik doen? Reken de som ook uit. Het verhaal:

4

Wat moet ik doen?

a

Nick verdeelt 12 snoepjes over 3 zakjes. Hoeveel snoepjes zitten er in elk zakje?

+ − × :

12 : 3 = 4

b

Rowena koopt 4 zakjes met 8 knikkers. Hoeveel knikkers heeft zij?

+ − × :

4 × 8 = 32

c

Sophie heeft 145 voetbalplaatjes. Zij geeft er 17 weg. Hoeveel plaatjes heeft zij nog over?

+ − × :

145 − 17 = 128

d

Djai heeft 54 toverballen. Hij doet er in elk zakje 6. Hoeveel zakjes kan hij vullen?

+ − × :

54 : 6 = 9

e

Nadia heeft een zak met 93 knikkers. Ze wint er 38. Hoeveel knikkers heeft zij nu?

+ − × :

93 + 38 = 131

Hoeveel kilometer? a

In 5 dagen fietst Marvin 100 kilometer. Hoeveel fietst hij op één dag?

b Jona heeft na 4 dagen 76 kilometer gefietst. Hoeveel fietst hij per dag?

100 : 5

=

20

kilometer

c Noer heeft 36 kilometer gefietst na 3 dagen. Hoeveel is dat per dag? 5

Schrijf de som op:

36 : 3

=

12

76 : 4

=

19

kilometer

d Ties heeft 6 dagen lang 12 kilometer gefietst. Hoeveel kilometer is dat in totaal?

kilometer

6 × 12

=

72

kilometer

Wat reken ik uit? Het verhaal:

Zet een rondje om 1 of 2.

a In een pak meel zat 1000 gram. Mila heeft nog 675 gram over.

1  Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2  Hoeveel gram er uit het pak is.

1000 − 675 = 325

b Een pak macaroni weegt 500 gram. Sue neemt er 275 gram uit.

1  Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2  Hoeveel gram er uit het pak is.

500 − 275 = 225

b Van een pak rijst van 800 gram gebruikt Paco 475 gram.

1  Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2  Hoeveel gram er uit het pak is.

800 − 475 = 325

d In een pak suiker van een kilo zit nu nog 435 gram.

1  Hoeveel gram er nog in het pak zit. 2  Hoeveel gram er uit het pak is.

1000 − 435 = 565

23

Schrijf de som op:


Taak 9 1

Onze straat

Schrijf de som op en reken uit. a Sjors en Amber staan in de lift van hun torenflat. Sjors woont op verdieping 36. Op verdieping 19 stapt Amber uit. Hoeveel verdiepingen moet Sjors nog naar boven gaan?

36 − 19

17

=

verdiepingen

c De lift stopt op verdieping 13. Sophie blijft staan, want ze woont nog 18 verdiepingen hoger. Op welke verdieping woont Sophie?

2

13 + 18

=

31ste

36 + 6

=

42ste

verdieping

d Myriam woont twee keer zo hoog als Amber. Op welke verdieping woont Myriam?

verdieping

2 × 19

=

38ste

verdieping

Schrijf de som op en reken uit. a Hoeveel tegels heeft Bert al gelegd?

b Hoeveel tegels moet Bert nog leggen?

4

24

2

×

6

=

c Hoeveel tegels zijn het in totaal?

3

b Jan-Willem woont 6 verdiepingen hoger dan Sjors. Op welke verdieping woont Jan-Willem?

×

6

=

12

6

×

6

=

36

d Bert heeft de tegels gekocht in dozen van 9 stuks. Hoeveel dozen heeft hij gekocht?

of: 24

+

12

=

36

36

:

Kies het goede antwoord.

9

=

4

Omtrek is 2x de lengte en 2x de breedte. Dan heb je de afstand als je er omheen loopt.

a

Onze tuin is 8 meter lang en 5 meter breed. Wat is de omtrek van onze tuin?   26 meter   40 meter

b

Buurman Mo heeft een rechthoekige tuin. De omtrek is 26 meter. De tuin is 7 meter lang. Hoe breed is de tuin?   19 meter   6 meter   7 meter

c

De tuin van buurvrouw Aiazi is vierkant. De breedte is 5 meter. Wat is de omtrek van haar tuin?   20 meter   25 meter

d

Mijn vader heeft 28 meter ijzerdraad gekocht om om onze tuin te spannen. Onze tuin is 4 meter lang en 7 meter breed. Heeft hij voldoende ijzerdraad gekocht?   ja, precies voldoende   nee, te weinig   ja, maar eigenlijk is het te veel

24


4

Schrijf de som op en reken uit.

Evenveel betekent: net zoveel of hetzelfde aantal.

a Aan de linkerkant van de straat staan 13 lantaarnpalen. Aan de rechterkant staan er evenveel. Hoeveel lantaarnpalen staan er in totaal?

13 + 13

=

26

lantaarnpalen

c Op de parkeerplaats bij de Rembrandtlaan kunnen 18 auto’s staan. Op de parkeerplaats bij de Steenlaan kunnen 34 auto’s staan. Wat is het verschil?

34 − 18

5

=

16

b In de Kievitstraat wonen twee keer zoveel kinderen als in de Fuutstraat. In de Kievitstraat wonen 28 kinderen. Hoeveel kinderen wonen in de Fuutstraat?

28 : 2

=

14

kinderen

d Langs de linker- en rechterkant van de straat staan evenveel bomen. Samen zijn het 82 bomen. Hoeveel bomen staan er aan de linkerkant?

auto’s

82 : 2

=

41

bomen

Schrijf de som op en reken uit. Let op! Bij b moet je meer dan één som uitrekenen: eerst drie keersommen en dan moet je de antwoorden bij elkaar optellen. a Op het pleintje liggen 5 rijen van 6 tegels. Hoeveel tegels zijn dat bij elkaar?

5

×

6

=

30

b In onze straat wonen 3 gezinnen met 4 kinderen, 2 gezinnen met 3 kinderen en 5 gezinnen met 2 kinderen. Hoeveel kinderen zijn dat bij elkaar?

tegels

c In de Vogelbuurt wonen 37 jongens en 47 meisjes. Hoeveel kinderen zijn dat samen?

37

+

47

=

84

kinderen

×

4

=

12

2

×

3

=

6

5

×

2

=

10

12

+

6

+

10

=

28

kinderen

d In de Kanaalstraat wonen 32 gezinnen met een auto. 6 van die gezinnen hebben ook een tweede auto. Hoeveel auto’s zijn dat samen?

25

3

32

+

6

=

38

auto’s


Taak 10 1

Het station

Hoelang duurt de reis? a Opa vertrekt uit Amsterdam om 9.30 uur en komt om 10.30 uur aan in Amersfoort. Hoe lang duurt de reis?

1

uur of

60

minuten.

b Susanna vertrekt uit Groningen om 8.00 uur en komt om 10.30 uur aan in Utrecht. Hoe lang duurt de reis?

2

uur en

30

minuten.

c Davy vertrekt uit Maastricht om 11.30 uur en komt om 13.00 uur aan in Breda.

Hoe lang duurt de reis?

1

uur en

30

minuten.

d Nils vertrekt uit Den Haag om 9.45 uur en komt om 11.00 uur aan in Houten. 2

Hoelang duurt de reis?

1

uur en

15

minuten.

Hoe duur is het?

In plaats van een ritje kun je lezen: een reis voor 1 persoon.

Schrijf de som op en reken uit. a 1 ritje kost € 7,50. We reizen met z’n vieren. Hoe duur zijn de ritjes samen?

4 × € 7,50 = € 30

c 1 ritje kost € 22,–. Rick, Kick en Nick reizen met z’n drietjes. Hoe duur is het samen? 3

b

4 ritjes kosten samen € 10,–. Hoe duur is één ritje?

€ 10 : 4 = € 2,50

d 3 ritjes kosten samen € 45,00. Hoe duur is één kaartje?

3 × € 22 = € 66

€ 45 : 3 = € 15

Stel eerst de vraag, schrijf dan de som op en reken uit. Voorbeeld De trein naar Utrecht vertrekt over 5 minuten. Er zitten al 263 mensen in de trein. In de laatste 5 minuten stappen er nog 78 mensen in. Vraag: Hoeveel mensen zitten er dan in de trein? Som: 263 + 78 = 341 mensen. a

De trein stopt op Utrecht Centraal. Er zitten 341 mensen in de trein. Er stappen er 129 uit.

Vraag: Hoeveel mensen zitten er dan nog in de trein? Som: 341 − 129 = 212 mensen b

Op perron 6 staan 139 mensen te wachten. Als de trein naar Schiphol aankomt stappen er 67 mensen van perron 6 in.

Vraag: Hoeveel mensen blijven er op perron 6 staan? Som: 139 − 67 = 72 mensen

26


c

In de trein naar Amsterdam zitten 293 mensen. Op station Leiden stappen er 45 mensen uit, én 67 mensen in de trein. Vraag: Hoeveel mensen zitten er dan in de trein? Som: 293 − 45 = 248

d

248 + 67 = 315 mensen

In de trein naar Groningen zitten 174 volwassenen en 89 kinderen. Vraag: Hoeveel mensen zijn dat bij elkaar? Som: 174 + 89 = 263 mensen

4

Hoeveel personen zitten er in de dubbeldekker? Tip! Je mag de som ook onder elkaar uitrekenen op een kladblaadje. Let op! Soms moet je meer dan 1 som uitrekenen om tot het antwoord te komen. a

b

Alle zitplaatsen in de trein zijn bezet. Hoeveel mensen zijn dat bij elkaar?

500 − 277 = 223 mensen

277 + 319 = 596 mensen c

d

In de dubbeldekker zitten boven 250 mensen en onder zijn er nog 119 plaatsen vrij. Hoeveel mensen zitten er in de trein?

Er zitten 376 mensen in de trein. Op station Arnhem stappen er 59 mensen uit en stappen er 42 mensen in. Hoeveel mensen zitten er nu in de trein?

376 − 59 = 317 317 + 42 = 359 mensen

onder: 319 − 119 = 200 250 + 200 = 450 mensen 5

Er zitten 500 mensen in de trein. Boven is het helemaal vol. Hoeveel mensen zitten er onder in de trein?

Welke som hoort erbij? Schrijf ook het antwoord op.

4 × € 5,50 = € 22 totaal

€ 27,50 : 5 = € 18 : 4 = € 22,50 : 3 = € 5,50 per persoon € 4,50 per persoon € 7,50 per persoon

27


Taak 11 1

Boodschappen doen

Bij de supermarkt. Laat zien hoe je het uitrekent. a

b

c

2

Cees gaat naar de supermarkt. Hij koopt appels, tomaten, 4 hamburgers en yoghurt. Hoeveel geld moet Cees betalen?

€ 8,43

Eva gaat naar de supermarkt met 10 euro. Kan zij dit allemaal kopen: tomaten, brood, 4 hamburgers en toiletpapier? Hoeveel houdt ze over / komt ze tekort?

€ 10,63 Eva komt 63 cent tekort.

Ilse koopt de 3 goedkoopste producten. Hoeveel geld moet ze betalen?

€ 3,67

Betalen maar. Kijk naar prijzen in de reclamefolder van opdracht 1 en beantwoord de vragen. Je mag een kladblaadje gebruiken. a

Farid koopt 1 brood, 2 pakken melk en yoghurt. Hij betaalt met een briefje van 10 euro. Hoeveel geld krijgt hij terug?

b

€ 5,44 c

Heeft hij te kort betekent: ‘heeft hij te weinig’ of, ‘zou hij er nog bij moeten hebben’.

Micha heeft een briefje van 5 euro. Kan hij 4 hamburgers en 1 brood kopen? Hoeveel geld houdt hij over / heeft hij te kort?

Micha houdt 11 cent over. d

Oeps, we zijn de melk vergeten. Ik betaal met 1 euro en krijg maar 1 munt terug. Welke munt is dat?

Een munt van 10 cent. 3

Goedkoopste betekent: ‘het minst duur’ of, ‘met de laagste prijs’.

Lex wil alle aanbiedingen kopen. Hoeveel geld moet hij dan betalen? Hij krijgt 40 cent terug. Met welke twee briefjes heeft hij betaald?

Een briefje van 10 euro en 5 euro.

Wat is het verschil? Kijk naar de reclamefolder van opdracht 1 en reken uit. a

Leyla koopt appels. Hoeveel kost het als het in de aanbieding is? En hoeveel als het niet in de aanbieding is? Hoeveel is de korting?

€ 1,99 of € 2,50 € 2,50 − € 1,99 = € 0,51

b

Tante Trijn koopt tomaten en melk. Hoeveel zou zij moeten betalen als het niet in de aanbieding is?

€ 2,39 + € 1,19 = € 3,58

28


c Greg koopt brood en hamburgers. Hoeveel betaalt hij in de aanbieding minder?

4

d Oma koopt twee pakken toiletpapier. Hoeveel meer moet zij betalen als het niet in de aanbieding is?

€ 5,84 − € 4,89 = € 0,95

€ 9,30 − € 7,18 = € 2,12

Hoeveel kost het? Let goed op of je + − × of  :  moet doen. Tip! Soms moet je twee sommen uitrekenen om het antwoord te vinden. a 10 eieren kosten € 2,50. Hoe duur is 1 ei?

b 5 zakjes snoep kosten € 5,–. Hoeveel kosten 2 zakjes?

€ 2,50 : 10 = € 0,25

c De krentenbollen zijn in de aanbieding! Een zak van 5 kost € 2,50. Hoe duur is 1 krentenbol?

5

€ 2,50 : 5 = € 0,50

€ 5 : 5 = € 1 en 2 × € 1 = € 2

d Een pak melk kost € 0,89. Kan ik met 5 euro 6 pakken melk kopen? Hoeveel houd ik over / kom ik te kort?

6 × € 0,89 = € 5,34 Ik kom € 0,34 tekort.

In voorraad. In voorraad betekent: hoeveel er nog is.

a Er zijn 285 potten pindakaas in voorraad. Na een week zijn er nog 146 potten over. Hoeveel potten zijn er weg?

285 − 146 = 139 potten

c Er zijn 200 doosjes met muisjes. Er worden er 2 × 25 doosjes uit het magazijn gehaald. Hoeveel doosjes blijven er nog over?

b Er worden 23 pakken uit het magazijn gehaald. Aan het begin van de week waren er nog 145. Hoeveel pakken hagelslag zijn er nu?

145 − 23 = 122 pakken

d Van de appelstroop worden er 42 potten uit de voorraad gehaald. Er zijn er nu nog 95. Hoeveel potten waren er aan het begin van de week?

2 × 25 = 50 200 − 50 = 150 doosjes

29

95 + 42 = 137 potten


Taak 12 1

Een dagje uit

Schrijf de som op en reken uit. a Groep 4, 5 en 6 gaan op schoolreis. Groep 4 heeft 27 kinderen, groep 5 heeft 31 kinderen en groep 6 heeft 26 kinderen. Ook zijn er nog 10 begeleiders. Hoeveel zitplaatsen zijn er nodig in de bus?

27 + 31 + 26 + 10 = 94 zitplaatsen

b Elk kind neemt zelf 2 pakjes drinken mee. Hoeveel pakjes heeft groep 5 bij zich?

2 × 31 = 62 pakjes

c De meester gaat met groep 6 het spookhuis in. Je mag met drie mensen tegelijk naar binnen. Hoeveel groepjes van 3 kan de meester maken? Hij wil zelf graag ook mee!

26 + 1 = 27 mensen   27 : 3 = 9 groepjes

d Alle kinderen krijgen na afloop een ijsje. 5 kinderen willen geen ijsje. Hoeveel ijsjes moeten er gekocht worden? 2

27 + 31 + 26 = 84 kinderen   84 − 5 = 79 ijsjes

Schrijf de som op en reken uit. Let op! Soms moet je meer dan één som uitrekenen. b Op school zitten 331 kinderen. Daarvan zijn er 159 meisjes. Hoeveel jongens zitten er op school?

a In groep 5a zitten 27 kinderen. In groep 5b zitten er 4 minder. Hoeveel kinderen zijn dat samen?

27 − 4 = 23 kinderen 23 + 27 = 50 kinderen

d Op onze school zijn 8 groepen. In de groepen 1 t/m 4 zitten in elke groep 25 kinderen. In de groepen 5 t/m 8 zitten in elke groep 30 kinderen. Hoeveel kinderen zitten er op school?

c In groep 4 zitten 14 jongens. Er zitten 5 meisjes meer dan jongens. Hoeveel kinderen zijn dat samen?

14 + 5 = 19 meisjes 14 + 19 = 33 kinderen

3

331 − 159 = 172 jongens

4 × 25 = 100 kinderen 4 × 30 = 120 kinderen Samen: 100 + 120 = 220 kinderen

Hoeveel kan ik kopen? Schrijf de som op en reken uit. b Een pakje drinken kost € 1,50. Abdul heeft € 15,– . Hoeveel pakjes drinken kan hij kopen?

a Een broodje kost € 3,– . Martijn heeft € 15,– . Hoeveel broodjes kan hij kopen?

5 broodjes

30

10 pakjes drinken


c Een bakje patat kost € 2,50. Eva heeft € 15,– . Hoeveel bakjes patat kan zij kopen? 4

d Een knuffelbeertje kost € 5,– . Leyla heeft € 15,– . Hoeveel knuffelbeertjes kan zij kopen?

6 bakjes patat

3 knuffelbeertjes

Met de trein. Je moet steeds twee sommen uitrekenen. Schrijf op en reken uit. a

In de intercity zitten 57 mensen. Er stappen 7 mensen uit en 13 mensen in. Hoeveel mensen zitten er daarna in de trein?

57 − 7 + 13 = 63 mensen

b In de sprinter zitten 109 mensen. Er stappen 14 mensen uit en 8 mensen in. Hoeveel mensen zitten er daarna in de sprinter?

109 − 14 + 8 = 103 mensen

c In de dubbeldekker zitten 278 mensen. Er stappen 25 mensen uit en 56 mensen in. Hoeveel mensen zitten er daarna in de dubbeldekker?

278 − 25 + 56 = 309 mensen

d In de stoptrein zitten 56 mensen. De helft van de mensen stapt uit en er stappen 12 mensen in. Hoeveel mensen zitten er daarna in de stoptrein? 5

56 : 2 = 28   28 + 12 = 40 mensen

Stel de vraag, schrijf de som op en reken uit. Voorbeeld Elk kind eet 1 broodje. Er worden 40 broodjes over 8 tafels verdeeld. Hoeveel kinderen zitten er aan elke tafel? 40  :  8 = 5 kinderen a

Elk kind drinkt 1 pakje. Er worden 36 pakjes drinken over 9 tafels verdeeld.

Hoeveel kinderen zitten er aan elke tafel? 36 : 9 = 4 kinderen

b

Elk kind krijgt een appel. Er zijn 6 tafels met aan iedere tafel 4 kinderen.

Hoeveel appels zijn er nodig? 6 × 4 = 24 appels

c

Er zijn 49 kinderen. Er kunnen 7 kinderen aan een tafel.

Hoeveel tafels zijn er nodig? 49 : 7 = 7 tafels

d

Aan een tafel zitten 6 kinderen. Er zijn 9 tafels.

Hoeveel kinderen zijn er in totaal? 6 × 9 = 54 kinderen

31


Toets Taak30 1

Schrijf de som op en reken uit. a Youssef en Soumia staan in de lift van hun torenflat. Youssef woont op verdieping 33. Op verdieping 17 stapt Soumia uit. Hoeveel verdiepingen moet Youssef nog naar boven gaan?

33 – 16

=

16

verdiepingen

c De lift stopt op verdieping 8. Leonie blijft staan want ze woont nog 14 verdiepingen hoger. Op welke verdieping woont Leonie? 2

14 + 8

=

22ste

verdieping

33 – 6

=

27ste

verdieping

d Leonie woont twee keer zo hoog als Marijke. Op welke verdieping woont Marijke?

22 : 2

= 11e verdieping

Schrijf de som op en reken uit. b De flat in de Van Goghlaan is 8 verdiepingen hoog. Op elke verdieping zijn 9 woningen. Hoeveel woningen zijn er in de flat?

a Aan de linkerkant van de straat staan 17 huizen. Aan de rechterkant staan er evenveel. Hoeveel huizen staan er in totaal?

2 × 17

=

34

huizen

c In de Flinckstraat staan 42 huizen. Daarvan worden 14 huizen gesloopt. Hoeveel huizen blijven er over?

3

b Mark woont 6 verdiepingen lager dan Youssef. Op welke verdieping woont Mark?

42 – 14

=

28

8×9

=

72

woningen

d Langs beide kanten van de straat staan evenveel lantaarnpalen. Samen zijn het 76 lantaarnpalen. Hoeveel lantaarnpalen staan er aan de linkerkant?

huizen

76 : 2

=

38

lantaarnpalen

Stel eerst de vraag, schrijf dan de som op en reken uit. a In de trein naar Maastricht zitten 182 mensen. In Den Bosch stappen er 45 mensen in.

mensen zitten er nu in de trein? Vraag: Hoeveel Som: 182 + 45 = 227 mensen in de trein b Op perron 1 staan 126 mensen te wachten. Als de trein naar Arnhem aankomt, stappen er 56 mensen van perron 1 in. Vraag: Hoeveel mensen blijven er over op het perron? Som: 126 − 56 = 70 mensen op perron 1 c In de trein naar Rotterdam zitten 217 mensen. Op station Delft stappen er 24 mensen uit én 78 mensen in. Vraag: Hoeveel mensen zitten er nu in de trein? Som: 217 − 24 = 193, 193 + 78 = 271 mensen in de trein d In de trein zitten 261 mensen. In de laatste 5 minuten stappen er nog 48 mensen in. Vraag: Hoeveel mensen zitten er nu in de trein? Som: 261 + 48 = 309 mensen in de trein 32


4

Bij de supermarkt. Laat zien hoe je het uitrekent.

a Laurens gaat naar de supermarkt. Hij koopt mandarijnen, aardbeien, brood en ijslollies. Hoeveel geld moet Laurens betalen?

€ 1,59 + € 1,35 + € 1,69 + € 2,19 = € 6,82

b Karin gaat naar de supermarkt met 10 euro. Kan zij dit allemaal kopen: roomboter, appelmoes, wasverzachter en ijslollies? Hoeveel houdt ze over / komt ze te kort? c Samira koopt alleen de goedkoopste drie producten. Hoeveel geld moet ze betalen?

5

€ 1,49 + € 0,85 + € 2,98 + € 2,19 = € 7,51 Ze houdt € 2,49 over.

€ 0,85 + € 1,35 + € 1,49 = € 3,69

Stel eerst de vraag, schrijf dan de som op en reken uit. a Er zijn 4 zakken met broodjes. In elke zak zitten 8 broodjes. Vraag: Hoeveel broodjes zijn dat? Som: 4 × 8 = 32 broodjes b Er zijn 4 pakken melk. Uit 1 pak kun je 5 glazen melk schenken. Vraag: Hoeveel glazen melk kun je schenken? Som: 4 × 5 = 20 glazen c

Er zijn 32 kaarsen en er zijn 8 tafels.

Vraag: Hoeveel kaarsen kunnen er op elke tafel? Som: 32 : 8 = 4 kaarsen d Aan een tafel zitten 6 kinderen. Er zijn 7 tafels. Vraag: Hoeveel kinderen zijn er? Som: 6 × 7 = 42 kinderen 33


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verhaaltjessommen-gr5-WB_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu