Skip to main content

Persoonlijke verzorging MZ werkboek niveau 3 en 4

Page 1

WERKBOEK NIVEAU 3&4

Persoonlijke verzorging MZ

Deze uitgave Persoonlijke verzorging MZ maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaak uit het kwalificatiedossier Maatschappelijke zorg. B1-K1-W2 Ondersteunt de cliĂŤnt bij de persoonlijke verzorging De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.

MZ Persoonlijke verzorging MZ WERKBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie.

m a at s c h a p p e l i j k e zorg

Herz

ien

Auteurs: A.C. Verhoef C. Telman Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde

9 789006 978445

MBO_WB_Welzijn_persoonlijke verzorging_MZ_210x297mm.indd All Pages

27/03/18 09:25


Persoonlijke verzorging MZ Niveau 3 & 4

C. Telman A.C. Verhoef


Colofon

Redactie

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een ThiemeMeulenhoff ontwikkelt van educatieve tot en een learning learning design company. Wezich brengen content, uitgeverij leerontwerp design company. We Met brengen leerontwerp technologie technologie samen. onzecontent, groeiende expertise,enervaring en samen. Met onze groeiende ervaring en leeroplossingen zijn we een partner leeroplossingen zijn expertise, we een partner voor scholen bij het vernieuwen en voor scholenvan bij onderwijs. het vernieuwen en verbeteren vanbeter onderwijs. kunnen verbeteren Zo kunnen we samen rechtZo doen aan we de samen betertussen recht lerenden doen aan en de verschillen en scholen en verschillen scholen entussen ervoorlerenden zorgen dat leren steeds ervoor zorgen effectiever dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. persoonlijker, en efficiënter wordt.

M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde

Samen leren Samen leren vernieuwen. vernieuwen.

Taalkundige redactie

www.thiememeulenhoff.nl www.thiememeulenhoff.nl

Colofon Auteur C. Telman A.C. Verhoef

Tekst 2000, Utrecht

Vormgeving en omslag

ISBN 978 97844 ISBN 978 90 90 06 069 784455 Tweede druk, Tweede druk, eerste eersteoplage, oplage,2018 2018

Studio Fraaj, Rotterdam

© ThiemeMeulenhoff, © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, Amersfoort, 2018 2018

Fotografie omslag

Alle rechten Alle rechten voorbehouden. voorbehouden. Niets Nietsuit uitdeze dezeuitgave uitgavemag magworden worden verveelvoudigd, opgeslagen verveelvoudigd, opgeslagen in in een een geautomatiseerd geautomatiseerdgegevensbestand, gegevensbestand, of of openbaar gemaakt, enige vormofofop openige enigewijze, wijze,hetzij hetzij elektronisch, elektronisch, openbaar gemaakt, in in enige vorm mechanisch, door mechanisch, door fotokopieën, fotokopieën, opnamen, opnamen, of ofenig enigandere anderemanier, manier,zonder zonder voorafgaande schriftelijke voorafgaande schriftelijke toestemming toestemming van van de deuitgever. uitgever.

Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam

Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort

Technisch tekenwerk TiekstraMedia, Groningen

Illustraties Erik Eshuis, pag. 298, 299, 301 Nederlandse Hartstichting, pag. 282

Fotografie Brandwondenstichting, pag. 312 Remko Scheepens Fotografie pag. 307

Voor zover uituit deze uitgave is toegestaan op grond Voor zoverhet hetmaken makenvan vankopieën kopieën deze uitgave is toegestaan op van artikel Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus Stbl. 471 grond van 16B artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 231985, augustus 1985, en artikel 1912, dient 1912, men de daarvoor wettelijk verschuldigde Stbl. 471 17 en Auteurswet artikel 17 Auteurswet dient men de daarvoor wettelijk vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatieen Reproductierechten verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KBPostbus Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Reproductierechten Organisatie (PRO), 3060, 2130 KB Hoofddorp Voor het overnemen vanVoor gedeelte(n) uit deze van uitgave in bloemlezingen, (www.stichting-pro.nl). het overnemen gedeelte(n) uit deze uitgave readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet)(artikel dient men in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken 16 zich tot de uitgever tedient wenden. het gebruik muziek, film Auteurswet) men Voor zich meer tot deinformatie uitgever over te wenden. Voorvan meer en het maken vanhet kopieën in het zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. informatie over gebruik van onderwijs muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die de desondanks menentezekere rechten te De uitgever heeft ernaar gestreefd auteursrechten regelen volgens kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Deze uitgave is volledig -neutraal papier geproduceerd. 2 Het voor deze uitgaveCO gebruikte is voorzien van het FSC®-keurmerk. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekentdat dat bosbouw op verantwoorde een verantwoorde wijze heeft Dit betekent dede bosbouw op een wijze heeft plaatsgevonden. plaatsgevonden.


Rondleiding door dit werkboek Het werkboek is verdeeld in thema’s. Een thema in het werkboek sluit precies aan bij een thema in de theorie. Thema 1 Oriëntatie op het werkveld PW

1

Themaopening Je leest waar het thema over gaat en welke hoofdstukken en onderwerpen aan de orde komen.

Dit thema gaat over welzijnswerk. Welzijnswerk noem je ook wel sociaal-agogisch werk. Welzijn heeft te maken met het welbevinden van mensen, met zich ‘gelukkig’ voelen. In het sociaal-agogisch werk houd je je dus bezig met het welzijn van mensen. Je probeert het gedrag van mensen zo te veranderen dat ze zich gelukkig(er) voelen. Het welzijnswerk heeft drie werkvelden: PW, MZ en SW. Elk werkveld heeft zijn eigen doelgroep en aandachtspunten. • Jij hebt gekozen voor PW. Dat staat voor pedagogisch werk. Je houdt je daar bezig met de opvoeding (pedagogiek) en opvang van kinderen en jongeren tot 23 jaar. Er zijn drie opleidingen op niveau 3 en 4. • Bij MZ (maatschappelijke zorg) draait het om het geven van ondersteuning en zorg aan mensen die dat nodig hebben. Binnen MZ zijn er zes opleidingen op niveau 3 en 4. • De afkorting SW betekent sociaal werk. In dit werkveld word je opgeleid om cliënten actief mee te laten doen in de samenleving en hun maatschappelijke positie te verbeteren. SW heeft twee opleidingen, beide op niveau 4. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Sociaal-agogisch werk • sociaal-agogisch werk = welzijnswerk • beroepen in de welzijnssector - kiezen voor sociaal-agogisch werk • beroepshouding Hoofdstuk 2: Pedagogisch werk • een baan als pedagogisch medewerker • werkvelden

Verwerking Verwerkingsopdrachten

1 Sociaal-agogisch werk 1 1

1

1

Bij sociaal-agogisch werk gaat het om het welzijn van mens en samenleving. a Geef een ander woord voor sociaal-agogisch werk.

8

b

1

In dit werkboek staan verschillende soorten opdrachten. Deze helpen je om je de benodigde vakkennis en beroepsvaardigheden eigen te maken.

2

Wat is het doel van sociaal-agogisch werk?

c

Geef een voorbeeld van PW waarmee je dit doel laat zien.

d

Maak een mindmap met als titel: sociaal-agogisch werk. Een mindmap is een woordweb, waarbij je onderwerpen rondom een thema (in dit geval: sociaalagogisch werk) noteert. Je kunt een mindmap gewoon op papier maken, maar het kan ook op een leuke manier digitaal, via ‘Coggle’. Je kunt inloggen in op www.coggle.it met een Google-account. Coggle is gratis. Het werkt eenvoudig, maar er zijn op YouTube ook instructiefilmpjes te vinden.

De welzijnssector bevat verschillende beroepsgroepen. a Welke drie hoofdgroepen kun je onderscheiden?

Verwerking Verwerkingsopdrachten helpen je de theorie te leren en te begrijpen. Ze zijn geordend per hoofdstuk.

1 9

THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW

Toepassing Praktijksituaties hiermee pas je de theorie toe in realistische praktijkbeschrijvingen.

Toepassing Praktijksituaties Veiligheid en uitdaging De leerlingen van basisschool De Kring hebben hun jaarlijkse sportdag. De kinderen zijn door hun leerkrachten in teams verdeeld. In elk team zit van elke jaargroep een kind. De leeftijdsverschillen zijn dus groot. Dat is bewust gedaan. Kinderen kunnen elkaar zo niet alleen helpen, er ontstaat ook een goede band tussen de verschillende groepen. Naast de activiteiten op de sportdag die elk jaar terugkomen, zijn er ook elk jaar nieuwe activiteiten. Dat maakt de dag voor alle kinderen spannend en uitdagend. Nikki is onderwijsassistent op De Kring. Ze heeft een belangrijk aandeel gehad in de voorbereiding van de jaarlijkse sportdag. Ze zat in de onderzoekscommissie. Een van haar taken was het bedenken van een nieuwe activiteit en de begeleiding ervan op de dag zelf. De leerlingen en hun begeleiders hebben geluk: het is prachtig weer en het belooft een fantastische dag te worden. Nikki begeleidt het spel ‘schat veroveren’. Ze heeft het spel zelf bedacht. Ze legt uit wat de bedoeling is: In het midden van het speelveld staat een kist. Daarin ligt een schat. Aan beide kanten van het veld staat een team achter een lijn, de jongste kinderen vooraan. Op haar fluitsignaal rent het eerste kind van beide teams naar de kist en pakt er een goudstaaf uit. De kinderen rennen terug naar hun team en tikken het volgende kind aan. Pas dan mag die teamgenoot in actie komen om een volgende goudstaaf te veroveren. Als de kist leeg is, is het spel afgelopen en worden de goudstaven geteld. Het team dat het meeste goud heeft veroverd, heeft gewonnen. ‘Duidelijk? Zijn er nog vragen?’ Die zijn er niet, het spel kan beginnen. Als het fluitsignaal klinkt, sprinten de eerste twee kinderen naar het midden van het veld, duiken tegelijkertijd in de kist om een goudstaaf te pakken en knallen met hun koppen tegen elkaar. De EHBO’er kan meteen aan het begin van de dag in actie komen en voor beide kinderen is het voor die dag over en uit. Met een buil op hun hoofd en waarschijnlijk een lichte hersenschudding worden ze vroegtijdig opgehaald door hun ouders. Nikki voelt zich schuldig. Had ze dit kunnen voorkomen?

Vaardigheden om de benodigde beroepsvaardigheden aan te leren. Themaopdrachten grotere opdrachten waarmee je met de kennis en vaardigheden aan de slag gaat. Je werkt dan ook aan belangrijke algemene vaardigheden als samenwerken, informatie zoeken, presenteren, kritisch denken, plannen en problemen oplossen.

1

1

Je maakt de opdracht in een groep van vier studenten. Jullie maken een analyse van de beschreven situatie en jullie bedenken een oplossing waarmee het spel veiliger wordt.

Werkwijze Maak deze analyse aan de hand van de volgende punten en zet je uitkomsten op papier: a Bij deze sportdag is het belangrijk om een goede balans te vinden tussen uitdaging en veiligheid. Geef in je analyse aan waarom die balans belangrijk is.

1 18

THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW

Evaluatie Studiehulp

1 Sociaal-agogisch werk 1

Stelling 1 Een ander woord voor welzijnswerk is sociaal-agogisch werk. 2 Pedagogiek is de wetenschap die zich bezighoudt met het veranderen van het gedrag van mensen. 3 Welzijn is de mate van welbevinden. 4 MZ is de afkorting voor maatschappelijke zorg. 5 MZ bestaat uit zes opleidingen. 6 PW is de afkorting van professioneel werk. 7 Een PW’er kan werken in de kinderopvang. 8 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 9 SW is de afkorting van sociaal werk. 10 De opleiding tot agogisch werker GGZ is een van de opleidingen bij SW. 11 De cliënten waar je werk op is gericht, noem je de doelgroep. 12 Een goede beroepshouding bestaat uit: echtheid, waardering en empathie. 13 Een ander woord voor empathie is inlevingsvermogen. 14 Integer zijn wil zeggen dat je kunt opkomen voor jezelf. 15 Assertief zijn betekent dat je je kunt inleven in de cliënt.

Juist Onjuist

◯ ◯

◯ ◯

◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯

Evaluatie Studiehulp een zelftoets waarmee je controleert of je de theorie kent. Antwoorden zijn op te vragen bij je docent.

Hoeveel vragen heb je goed beantwoord?

1 Pedagogisch werk 2

Stelling 1 Bij PW werk je in de kinderopvang of in het onderwijs. 2 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 3 Onder het bijzonder onderwijs vallen scholen die uitgaan van een bepaalde levensovertuiging. 4 In een kinderdagverblijf komen kinderen van twee tot zes jaar. 5 Peuterspeelzalen zijn er voor kinderen tussen de nul en twee jaar. 6 Een gastouder mag slechts een beperkt aantal kinderen opvangen. 7 Een BSO-plus heeft een thema (zoals sport, kunst of drama) als extra. 8 Een tienercentrum is een vervolg op de buitenschoolse opvang. Er komen jongeren tussen de elf en vijftien jaar. 9 Dagopvang noem je ook wel semiresidentiële of semimurale hulpverlening. 10 24-uursopvang noem je ook wel thuisopvang of ambulante hulpverlening. 11 Een Boddaertcentrum is bedoeld voor kinderen met een meervoudige beperking.

1 28

Juist Onjuist

◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯

Evaluatie evalueren en reflecteren zijn belangrijke vaardigheden voor jouw toekomstige beroep: zet na elk thema op een rij wat je goed beheerst en wat je actiepunten zijn.


THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW

Vaardigheden Een vaardigheid heeft een vaste opbouw: Oefenen Toepassen Transfer Oriënteren

Vaardigheden De juiste beroepshouding tonen Oriënteren

1 1

1 2 3

Bestudeer de theorie over kiezen voor sociaal-agogisch werk en beroepshouding. Zoek drie personeelsadvertenties uit jouw toekomstige werkveld. Geef aan hoe je daarin de beroepshouding terugziet.

4

Zoek op het internet naar het kwalificatiedossier Pedagogisch werk (https://www.s-bb. nl/onderwijs/kwalificeren-en-examineren/kwalificatiedossiers) en bekijk dit. Wat zegt dat dossier over een goede beroepshouding?

5

Oefenen 6 7

Bekijk het reflectieschema hierna. Vul op de lijnen nu zelf een hulpvraag in.

Observatielijsten

Observatielijsten Bij sommige vaardigheden horen observatielijsten. Die vind je direct achter in dit werkboek. De observatielijsten zijn geordend per thema. Bovenaan staat bij welke vaardigheid de observatielijst hoort. Een observatielijst kun je gemakkelijk uit je werkboek halen. Zo kun je ze in de klas of in je BPV laten invullen.

Thema 1 Lichamelijke verzorging

277

Zorgvrager wassen op bed 277 Zorgvrager wassen op bed met wasdoekjes 281 Zorgvrager wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 285 Haren wassen op bed 289 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met een elektrisch scheerapparaat 291 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met scheermes en scheerzeep 293 Tandenpoetsen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 295 Gebitsprothese verzorgen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 297 Mondholte reinigen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 299 Therapeutische elastische kousen met een open teenstuk aantrekken 301 Therapeutische elastische kousen met een gesloten teenstuk aantrekken 303 Therapeutische elastische kousen uittrekken 305 Hygiënische verzorging van een baby 307

Thema 2 Hulp bieden bij de opname van voeding en vocht Hulp bieden aan een zorgvrager die zelf niet kan eten en drinken Flesvoeding geven 311

Thema 3 Hulp bieden bij de uitscheiding

309

1 22

309

313

Hulp bij het gebruik van een po op bed 313 Hulp bij het gebruik van een urinaal op bed 317 Verwisselen van een incontinentiemat 319 Externe katheter of condoomkatheter verwisselen 321 Katheterzak verwisselen 325 Verzorgen van een blaaskatheter 327 Laxerende zetpil toedienen 329 Microklysma (microlax) of fosfaatklysma toedienen 331 Hulp bieden bij het manueel verwijderen van ontlasting 333 Hulp bieden bij het opgeven van sputum 335 Hulp bieden bij braken 337 Hulp bieden bij het inbrengen van een tampon bij menstruatie

339

Thema 4 Hygiënisch en ergonomisch verantwoord werken

341

Handen wassen met (vloeibare) zeep 341 Handen desinfecteren met handalcohol 343 Aan- en uittrekken van steriele handschoenen 345 Creëren van een schoon of steriel werkveld 347

1 275

Iconen helpen je op weg In de kantlijn staan icoontjes. Die geven aan wat je in de opdracht kunt verwachten.

1 1 1 1 1 1 1

geeft aan dat je een deel van de theorie (nog een keer) leest om de vraag te kunnen beantwoorden. bij deze opdracht werk je samen met anderen. bij deze opdracht heb je een computer met internet nodig om informatie op te zoeken. bij deze opdracht werk je aan je schrijfvaardigheden, bijvoorbeeld met het schrijven van een uitgebreid antwoord, verslag of rapport. bij deze opdracht laat je de uitkomsten zien in een mondelinge presentatie. geeft aan dat het gaat om een creatieve opdracht. geeft aan dat deze opdracht op niveau 4 is.

Werken met dit werkboek Vind je het prettig om eerst de theorie te lezen en dan te kijken of je het weet en begrepen hebt? Lees dan eerst de theorie en maak daarna de verwerkingsvragen. Ben je meer iemand die het liefst de theorie doorneemt aan de hand van vragen? Start dan met de verwerkingsvragen en leg je theorieboek ernaast. Werk je het liefst vanuit de praktijk? Begin dan met een praktijksituatie of een themaopdracht en kijk of je de vragen kunt beantwoorden met de informatie uit de theorie.


Inhoudsopgave Thema 1 Beperkingen en aandoeningen

11

Verwerking 12 Verwerkingsopdrachten 12 Hoofdstuk 1 Beperkingen en stoornissen 12 Hoofdstuk 2 Mensen met een verstandelijke beperking 16 Hoofdstuk 3 Mensen met een lichamelijke beperking 23 Hoofdstuk 4 Ziekten en aandoening 28 Toepassing 38 Praktijksituaties 38 De BPV van Jarmila op De Paddestoel 38 Roxy heeft veel bevestiging nodig 40 Annechien is blind 42 Problemen bij de paasbrunch 45 Vaardigheden 47 Empathisch reageren bij aanwezigheid van ziekte of beperking Themaopdrachten 51

47

Evaluatie 53 Studiehulp 53 Hoofdstuk 1 Beperkingen en stoornissen 53 Hoofdstuk 2 Mensen met een verstandelijke beperking 53 Hoofdstuk 3 Mensen met een lichamelijke beperking 54 Hoofdstuk 4 Ziekten en aandoeningen 55 Evaluatie en reflectie 56

Thema 2 Lichamelijke verzorging

58

Verwerking 59 Verwerkingsopdrachten 59 Hoofdstuk 5 Zelfredzaamheid 59 Hoofdstuk 6 Huid, slijmvliezen en gebit 62 Hoofdstuk 7 Hygiënische verzorging 65 Hoofdstuk 8 Lichamelijk welbevinden 68 Toepassing 72 Praktijksituaties 72 (On)zelfstandigheid en afhankelijkheid, een te behulpzame echtgenote Autonomie begrenzen, Loes wil niet uit bed 74 Jeuk: ernstig of niet? 77 Vaardigheden 80 Mondverzorging 80 Cliënt wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 84 Themaopdrachten 88

72


Evaluatie 93 Studiehulp 93 Hoofdstuk 5 Zelfredzaamheid 93 Hoofdstuk 6 Huid, slijmvliezen en gebit 93 Hoofdstuk 7 Hygiënische verzorging 94 Hoofdstuk 8 Lichamelijk welbevinden 95 Evaluatie en reflectie 96

Thema 3 Hulp bieden bij eten en drinken

98

Verwerking 99 Verwerkingsopdrachten 99 Hoofdstuk 9 Spijsvertering 99 Hoofdstuk 10 Gezonde voeding 101 Hoofdstuk 11 Dieetleer 107 Hoofdstuk 12 Ondersteuning bij eten en drinken 110 Hoofdstuk 13 Eten en drinken bij gezondheidsproblemen

112

Toepassing 115 Praktijksituaties 115 Paul eet te weinig 115 Mevrouw Peters wordt geholpen bij het eten 118 Linda heeft eetbuien 121 Vaardigheden 124 Hulp bieden aan een cliënt die zelf niet kan eten en drinken Themaopdrachten 127 Evaluatie 130 Studiehulp 130 Hoofdstuk 9 Spijsvertering 130 Hoofdstuk 10 Gezonde voeding 130 Hoofdstuk 11 Dieetleer 131 Hoofdstuk 12 Ondersteuning bij eten en drinken 131 Hoofdstuk 13 Eten en drinken bij gezondheidsproblemen Evaluatie en reflectie 133

Thema 4 Ondersteuning bij uitscheiding

124

132

135

Verwerking 136 Verwerkingsopdrachten 136 Hoofdstuk 14 Uitscheidingsstelsel 136 Hoofdstuk 15 Urine 140 Hoofdstuk 16 Feces 144 Hoofdstuk 17 Transpiratie, sputum, braken en menstruatie

146


Toepassing 149 Praktijksituaties 149 Meneer Bouwman heeft een longontsteking Menstruatievoorlichting voor Melissa 152 Meneer De Jager heeft diarree 155 Vaardigheden 157 Werken met latex handschoenen 157 Verwisselen van incontinentiemateriaal 160 Hulp bieden bij braken 163 Themaopdrachten 166

149

Evaluatie 171 Studiehulp 171 Hoofdstuk 14 Uitscheidingsstelsel 171 Hoofdstuk 15 Urine 171 Hoofdstuk 16 Feces 172 Hoofdstuk 17 Transpiratie, sputum, braken en menstruatie Evaluatie en reflectie 174

Thema 5 Ondersteuning bij mobiliteitsproblemen

176

Verwerking 177 Verwerkingsopdrachten 177 Hoofdstuk 18 Bewegingsapparaat 177 Hoofdstuk 19 Gezond bewegen 180 Hoofdstuk 20 Hulpmiddelen en houdingen cliënt 183 Hoofdstuk 21 Tillen en verplaatsen van cliënten 185 Toepassing 190 Praktijksituaties 190 Ann is snel vermoeid 190 Marion houdt niet van bewegen maar wil wel dansen 193 Stefanie verplaatst meneer Van Bremen met een tillift 196 Vaardigheden 199 Omhoog verplaatsen van een cliënt in bed 199 Assisteren bij rechtop gaan zitten in stoel 202 Assisteren bij opstaan 205 Assisteren bij gaan zitten 208 Themaopdrachten 211 Evaluatie 215 Studiehulp 215 Hoofdstuk 18 Bewegingsapparaat 215 Hoofdstuk 19 Gezond bewegen 215 Hoofdstuk 20 Hulpmiddelen en houdingen cliënt 216 Hoofdstuk 21 Tillen en verplaatsen van cliënten 217 Evaluatie en reflectie 218

172


Thema 6 Hygiënisch, veilig en ergonomisch werken

220

Verwerking 221 Verwerkingsopdrachten 221 Hoofdstuk 22 Hygiënisch werken 221 Hoofdstuk 23 Veilig werken 225 Hoofdstuk 24 Ergonomisch werken 229 Hoofdstuk 25 Domotica 233 Toepassing 236 Praktijksituaties 236 Ruby geeft advies over de zorg thuis bij Jessy 236 Veilig opbergen van schoonmaakmiddelen 239 Kan mevrouw Hopmans veilig revalideren? 243 Vaardigheden 246 Vertrouwen opbouwen en veiligheid bieden 246 Handreiniging met (vloeibare) zeep 249 Handdesinfectie met handalcohol 253 Werken met een beeldscherm 256 Themaopdrachten 260 Evaluatie 263 Studiehulp 263 Hoofdstuk 22 Hygiënisch werken 263 Hoofdstuk 23 Veilig werken 263 Hoofdstuk 24 Ergonomisch werken 264 Hoofdstuk 25 Domotica 265 Evaluatie en reflectie 266

Thema 7

EHBO 268

Verwerking 269 Verwerkingsopdrachten 269 Hoofdstuk 26 Eerste hulp verlenen: de basis 269 Hoofdstuk 27 Verbandmiddelen en EHBO 274 Hoofdstuk 28 Uitwendige en inwendige verwondingen Hoofdstuk 29 Zorg bij geneesmiddelen 286 Toepassing 290 Praktijksituaties 290 Meneer Assima valt van de trap 290 Erika snijdt zich in haar vinger 292 Meneer Derksen struikelt over een stoeptegel 293 Chris moet medicijnen slikken van de dokter 295

278


Vaardigheden 296 Rautekgreep vanaf de grond 296 Van de buik op de rug draaien 298 Stabiele zijligging 300 Eerste hulp bij ernstige bloeding 303 Mitella aanleggen 306 Eerste hulp bij kleine verwondingen 308 Eerste hulp bij brandwonden 312 Aanleggen van drukverband bij verstuiking of kneuzing 314 Themaopdrachten 318 Evaluatie 323 Studiehulp 323 Hoofdstuk 26 Eerste hulp verlenen: de basis 323 Hoofdstuk 27 Verbandmiddelen en EHBO 323 Hoofdstuk 28 Uitwendige en inwendige verwondingen Hoofdstuk 29 Zorg bij geneesmiddelen 325 Evaluatie en reectie 326

Observatielijsten

328

324


Thema 1 Beperkingen en aandoeningen

1

Als beroepskracht MZ kun je gaan werken met mensen die ziek zijn en/of een stoornis of beperking hebben. Allerlei beperkingen, stoornissen, ziekten en aandoeningen kunnen voorkomen. Iedere beperking of aandoening is weer anders. Toch zijn er algemene zaken over te zeggen, zoals oorzaken, verschijnselen en aandachtspunten voor omgang en ondersteuning. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Beperkingen en stoornissen • stoornis, beperking, handicap en ziekte • vormen van beperkingen Hoofdstuk 2: Mensen met een verstandelijke beperking • mensen met een verstandelijke beperking • indelingen van mensen met een verstandelijke beperking • doelgroepen met een specifieke benadering • een andere ontwikkeling Hoofdstuk 3: Mensen met een lichamelijke beperking • mensen met een lichamelijke beperking • leven met een lichamelijk beperking • functiebeperkingen op lichamelijk gebied • mensen met een motorische beperking • mensen met een zintuiglijke beperking • mensen met een orgaanbeperking • niet-aangeboren hersenletsel • bewustzijnsstoornissen • geheugenstoornissen • spraak- en taalstoornissen Hoofdstuk 4: Ziekten en aandoeningen • oorzaken van ziekten en aandoeningen • infectieleer • veelvoorkomende infectieziekten • ziekten veroorzaakt door macro-organismen • leeftijdgebonden ziekten • welvaartsziekten

1 11


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

Verwerking Verwerkingsopdrachten

1 Beperkingen en stoornissen 1 1

1

CliĂŤnten met een beperking zijn een belangrijke doelgroep in de maatschappelijke zorg. Vorm groepen van vier studenten en bespreek in de groep de volgende vragen: 1 Welke ervaringen heb jij met mensen met een lichamelijke beperking? Vertel hier eens iets over.

2

Welke ervaringen heb jij met mensen met een verstandelijke beperking? Vertel hier eens iets over.

3

Welke ervaringen heb jij met mensen met een meervoudige beperking? Vertel hier eens iets over.

4

Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een lichamelijke beperking? Waarom (niet)?

5

Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een verstandelijke beperking? Waarom (niet)?

6

Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een meervoudige beperking? Waarom (niet)?

1 12


Verwerkingsopdrachten

2

De WHO heeft een begrippenkader gemaakt om het functioneren van mensen en hun problemen daarbij te beschrijven. a Wat is een stoornis? Kies het juiste antwoord. a Situatie waarbij iemand een eenvoudig inzicht in zichzelf, in anderen en in de situatie heeft en in staat is een redelijke mate van zelfredzaamheid te ontwikkelen. b Je spreekt van een stoornis wanneer het lichaam niet meer vatbaar is voor de micro-organismen die deze ziekte hebben veroorzaakt. c Je spreekt van een stoornis wanneer een orgaan of lichaamsfunctie ontbreekt, afwijkingen vertoont of beschadigd is. d Vaste combinatie van symptomen, die horen bij een bepaald ziektebeeld of afwijking. b Wat zijn voorbeelden van zintuiglijke stoornissen? Kies de juiste antwoorden. a Blindheid b Vervetting van de lever c Slechtziendheid d Doofheid e Nierziekte f Slechthorendheid c Wat zijn voorbeelden van orgaanstoornissen? Kies de juiste antwoorden. a Angststoornis b Hartaanval c Gebroken been d Diabetes e Nierziekte f Syndroom van Down g Vermoeidheid d Geef twee eigen voorbeelden van beperkingen. Geef hierbij aan op welk gebied zich de beperking voordoet.

e

3

1 Beperkingen en stoornissen

Mensen kunnen hun beperkingen vaak compenseren met hulpmiddelen. Leg deze zin uit met een eigen voorbeeld.

Een beperking is een moeilijkheid of onmogelijkheid om bepaalde normale menselijke activiteit uit te voeren. Het is handig beperkingen in te delen. a Welke twee indelingen van beperkingen zijn gangbaar? Vul de juiste woorden in. Indeling naar

: dan maak je verschil tussen lichamelijke,

verstandelijke en meervoudige beperkingen. : dan maak je verschil tussen aangeboren

Indeling naar en niet-aangeboren beperkingen.

1 13


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

4

1

5

b

Geef twee eigen voorbeelden van motorische beperkingen.

c

Welke uitspraken zijn juist? Kies de juiste antwoorden. a Aangeboren beperkingen zijn altijd erfelijk. b Een aangeboren beperking ontstaat altijd voor de geboorte. c Een kind met een aangeboren beperking kan zich alleen goed ontwikkelen als het extra gestimuleerd wordt. d Zuurstoftekort tijdens de geboorte kan een oorzaak zijn van een aangeboren beperking.

Beperkingen op lichamelijk gebied kunnen aangeboren en niet-aangeboren zijn. a Anky is geboren met een open ruggetje. Hierdoor kan ze niet lopen en is ze incontinent (urine en feces). Kies het juiste woord. Anky heeft een aangeboren /niet-aangeboren beperking. b Is het voor een beroepskracht MZ belangrijk om te weten of Anky een aangeboren of niet-aangeboren beperking heeft? Licht je antwoord toe.

c

Leg uit waarom de beperking van Anky een nadelige invloed kan hebben op haar sociale ontwikkeling.

d

Leg uit waarom de beperking van Anky een nadelige invloed kan hebben op haar persoonlijkheidsontwikkeling.

Als beroepsbeoefenaar moet je het begrip handicap zorgvuldig gebruiken. a Wat is een handicap? Kies het juiste antwoord. a Een handicap is een moeilijkheid of onmogelijkheid om bepaalde normale menselijke activiteit uit te voeren. b Een handicap is een ziekte die het gevolg is van een afwijking in het erfelijkheidsmateriaal. c Een handicap is een ziekte waarbij een orgaan of lichaamsfunctie ontbreekt, afwijkingen vertoont of beschadigd is, rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene. d Bij een handicap is sprake van een verlies van mogelijkheden om op normale wijze deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.

1 14


Verwerkingsopdrachten

b

1 Beperkingen en stoornissen

Is de uitspraak juist of onjuist? Kies het juiste antwoord.

Een lichte mate van slechtziendheid is een voorbeeld van een stoornis die ook handicap is.

Juist / Onjuist

Een handicap is een participatieprobleem, omdat iemand die een handicap heeft niet (goed) in staat is deel te nemen aan de samenleving.

Juist / Onjuist

In de samenleving zijn weinig voorzieningen voor jongeren met een beperking.

Juist / Onjuist

De overheid wil dat mensen met een beperking zoveel mogelijk Juist / Onjuist deelnemen aan gewone voorzieningen. Goede voorzieningen maken de kans kleiner dat een beperking een handicap wordt.

Juist / Onjuist

c

Geef twee voorbeelden van stoornissen die zelden of nooit een handicap zijn. Licht je antwoord toe.

d

Heb je een handicap als je een vinger mist of slechthorend bent? Kies het juiste antwoord. a Alleen als je een vinger mist. b Alleen als je slechthorend bent. c Alleen als je erdoor beperkt bent bij deelname aan de maatschappij. d Ja, bij beide kun je spreken van een handicap. Is de uitspraak juist of onjuist?

e

Een beperking is meer een onveranderlijke toestand, een ziekte heeft een bepaald verloop.

Juist / Onjuist

Wie ziek is, wil meestal voor vol aangezien worden. Wie een beperking heeft, wil meestal graag ontzien worden.

Juist / Onjuist

Een beperking is meestal blijvend. Een ziekte is (meestal) tijdelijk.

Juist / Onjuist

Een ziekte brengt vaak lijden (pijn) met zich mee. Iemand die een beperking heeft, voelt zich vaak goed.

Juist / Onjuist

1 15


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

f

g

Wat is een aandoening? Kies het juiste antwoord. a Een beperking die iemand heeft in het intellectuele funtioneren en het aanpassingsvermogen. b Een overkoepelend begrip voor het geheel van symptomen, ziekteverschijnselen, ziekten, beperkingen en letsels. c Een verstoorde werking van een of meer organen. d Motorische beperkingen, zintuigelijke beperkingen, orgaanbeperkingen en spraak- en taalstoornissen. Noem twee voorbeelden van aandoeningen.

1 Mensen met een verstandelijke beperking 2

1

Er bestaan nogal wat verschillende definities van wat een verstandelijke beperking is. a Welke uitspraken zijn juist? Kies de juiste antwoorden. Bij een verstandelijke beperking: a is er sprake van beperkingen in het aanpassingsvermogen. b is er sprake van beperkingen in het intellectuele functioneren. c is er sprake van beperkingen in het lichamelijke functioneren. d treden de beperkingen op vóór de leeftijd van twaalf jaar. b Hoe uit zich de beperking in het aanpassingsvermogen bij een persoon met een verstandelijke beperking in het verkeer? Licht je antwoord toe.

c

2

Hoe uit zich de beperking in het aanpassingsvermogen bij een persoon met een verstandelijke beperking bij het boodschappen doen? Licht je antwoord toe.

De oudste indeling van mensen met een verstandelijke beperking is debiel, imbeciel en idioot. a Als iemand een IQ heeft van 50, wat wil dat dan zeggen? Kies het juiste antwoord. a Diegene heeft een score die gemiddeld is voor mensen van deze leeftijd. b Diegene heeft een score behaald die half zo hoog ligt als de score die mensen gewoonlijk op deze leeftijd hebben. c Diegene heeft een verstandelijke ontwikkeling van een kind van vijf jaar. d Voor iemand met deze score gebruiken we tegenwoordig de term ‘debiel’.

1 16


Verwerkingsopdrachten

b

3

2 Mensen met een verstandelijke beperking

In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking gebruikt men de indeling ‘debiel, imbeciel en idioot’ niet meer. Waarom niet? Noem twee redenen.

De volgende vragen gaan over Bart, die een matige verstandelijke beperking heeft. a Lees eerst de situatieschets en beantwoord daarna de vraag.

Bart heeft een matige verstandelijke beperking. Hij is in het ziekenhuis opgenomen geweest, omdat diabetes is vastgesteld. Nu is hij weer terug op het woonbegeleidingscentrum. Inge werkt daar als beroepskracht MZ. Ze ziet dat Bart maar heel kort blij was weer thuis te zijn. Bart lijkt verdrietig. Als Inge hem daarnaar vraagt, zegt hij: ‘Mijn hoofd doet het niet goed en nou is ook mijn lichaam nog kapot.’

Welke gevoelens zullen er bij Bart leven nadat bij hem de diagnose diabetes is vastgesteld? Licht je antwoord toe.

b

4

Op welke manier zou jij hem kunnen begeleiden bij het nieuws over de diagnose diabetes in combinatie met zijn verstandelijke beperking? Licht je antwoord toe.

In de communicatie met cliënten met een verstandelijke beperking is het nodig gebruik te maken van totale communicatie. a Wat is totale communicatie? Zet de woorden op de juiste plek. Kies uit: filmpjes – gebaren – lichaamscontact – speelgoed – taal – voorlezen – voorwerpen – woorden Let op: je hoeft niet alle woorden te gebruiken. Totale communicatie houdt in dat je niet alleen met communiceert, maar ook via

, door te maken.

laten zien en door b

te

Hoe kun je via totale communicatie duidelijk maken aan een cliënt dat het tijd is om thee te gaan drinken?

1 17


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

5

c

Hoe kun je via totale communicatie duidelijk maken aan een cliënt dat het tijd is om naar bed te gaan?

d

Welke uitspraken zijn waar? Kies de juiste antwoorden. Als verbale communicatie niet goed mogelijk is, dan is het goed om tijdens zorgmomenten: a je mond te houden, omdat het kind je toch niet begrijpt. b wel te praten, omdat praten en contact maken een ontspannen sfeer stimuleert waarin je betrokken bent bij elkaar. c wel te praten, omdat uit de intonatie iets opgemaakt kan worden dat het kind wel begrijpt. d zingen en neuriën achterwege te laten, omdat het frustrerend is voor een kind als het de woorden van een liedje niet begrijpt.

Sommige cliënten met een verstandelijke beperking hebben een specifiek syndroom. a Wat is een syndroom? Kies het juiste antwoord. a Een syndroom is een aangeboren chromosomale afwijking met als gevolg onder meer een verstandelijke beperking. Ook wel: trisomie 21. b Bij een syndroom is er sprake van een vast symptoom, dat behoort bij een bepaald ziektebeeld, afwijking of stoornis. c Bij een syndroom is er sprake van een vaste combinatie van symptomen, die horen bij een bepaald ziektebeeld, afwijking of stoornis. b Hoort het kenmerk bij het fragiele-X-syndroom of bij het syndroom van Down? Kies het juiste antwoord.

De oorzaak is een chromosoomafwijking, er is een chromosoom te veel.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

Dit is de meest voorkomende erfelijk bepaalde verstandelijke beperking.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

Dit syndroom heeft altijd een verstandelijke beperking tot gevolg.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

Hierbij is sprake van een afwijking aan het geslachtschromosoom.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

Cliënten met dit syndroom zijn vrijwel altijd te herkennen aan hun uiterlijk.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

Overerving vindt plaats via de vader van de moeder en de moeder zelf.

Fragiele-X-syndroom / Syndroom van Down

1 18


Verwerkingsopdrachten

6

2 Mensen met een verstandelijke beperking

Bij een meervoudige beperking is de combinatie van beperkingen meer dan een optelsom. a Geef een voorbeeld van een meervoudige beperking en leg uit waarom de combinatie van beperkingen meer dan een optelsom is.

b

Lees de situatieschets van Theo en beantwoord daarna de vraag.

Theo is doof en blind. Stel zijn ouders vragen jou om advies: laten we hem eerst een school voor doven en slechthorenden bezoeken zodat hij gebarentaal kan leren, of is het verstandiger hem eerst braille te laten leren op een school voor blinden en slechtzienden?

Wat zou jij de ouders dan adviseren? Denk goed na voordat je antwoord geeft.

7

Kinderen met een autismespectrumstoornis spelen soms maar met één ding, bijvoorbeeld een knikkerbaan. a Welke uitspraken zijn waar? Kies de juiste antwoorden. Kinderen met een autismespectrumstoornis: a willen het liefst de hele tijd bij je op schoot zitten. b houden van spanning en sensatie. c verwerken wat ze zien, horen en ruiken anders. d vervallen vaak in obsessies, rituelen en dwangmatig gedrag. b Kinderen met een autismespectrumstoornis vertonen stereotiep gedrag. Kies de juiste woorden. Met stereotiep gedrag wordt bedoeld het telkens herhalen / niet willen uitvoeren / opnieuw aanleren van dezelfde beweging. c Vul de juiste woorden in. Structuur en

maken de wereld voor de cliënt met een

autismespectrumstoornis overzichtelijk en d

.

Waarom is het belangrijk om enige variatie te bieden aan een cliënt met een autismespectrumstoornis? Licht je antwoord toe.

1 19


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

8

Cliënten met ADHD en gedragsstoornissen hebben een grote behoefte aan structuur. a Martijn (20 jaar) heeft een matige verstandelijke beperking. Hij heeft ook ADHD. Helpt de maatregel Martijn om tot rust te komen voor hij naar bed gaat?

b

Belangrijk is geen wilde spelletjes te doen vlak voor het slapengaan. Herinner hem eraan dat hij over een kwartier naar bed gaat en ook vijf minuten tevoren moet je hem daar nog aan herinneren.

Ja / Nee

Zijn slaapkamer mag vol ingericht zijn. Zolang het maar lekker donker is, is het voor Martijn goed.

Ja / Nee

Je mag van vaste rituelen rondom het naar bed afwijken, anders wordt het te voorspelbaar voor Martijn.

Ja / Nee

Lees de tekst waarin Henk Bos aan het woord komt.

‘Ik heb brand gesticht in mijn kamer. Ze wisten niet of het psychisch was of geestelijk gestoord. Dat weten ze nog steeds niet. Eerst zat ik in een tehuis, toen ben ik gaan zwerven, vanaf een jaar of zestien of zo. Vanuit de kroeg ging ik met mensen mee en daar bleef ik dan weer een tijdje. Toen las ik over het gebod “Gij zult niet weerspannig zijn” en ik voelde het branden aan mijn benen. Toen heb ik de boel in de fik gestoken, ik dacht: ik ga toch naar de hel, dan ben ik er vast.’ Henk Bos liep brandend in de armen van de begeleiders op de afdeling van een psychiatrische inrichting waar hij destijds zat. Nu vertelt hij zijn verhaal op een video van stichting De Brug in Zwammerdam, afdeling Behandeling en Intensieve Begeleiding, waar hij na de brandstichting is opgenomen. Bron: I. van der Linde, ‘Onzichtbare groep’, Maandblad Markant

Wat zal Henk bedoelen met: ‘Ze wisten niet of het psychisch was of geestelijk gestoord’? Licht je antwoord toe.

c

Lees de tekst eventueel nog een keer. Wat zal het meest waarschijnlijke antwoord op de vraag ‘Ze wisten niet of het psychisch was of geestelijk gestoord’ zijn? Licht je antwoord toe.

1 20


Verwerkingsopdrachten

9

Bij mensen met een verstandelijke beperking is sprake van een andere ontwikkeling. a Waarom is het belangrijk een kind met een verstandelijke beperking te stimuleren in zijn ontwikkeling? Kies het juiste antwoord. a Om te bereiken dat de ontwikkeling op dezelfde manier verloopt als bij andere kinderen. b Om te bereiken dat het kind zich naar beste kunnen ontwikkelt. c Om te bereiken dat een kind een voorsprong krijgt in zijn ontwikkeling. b Wat zijn belangrijke aandachtspunten als je een persoon met een verstandelijke beperking iets wilt leren? Kies de juiste antwoorden. a kleine stapjes b weinig herhaling c veel aanmoediging d gericht oefenen e handelen vanuit medelijden c Het is nodig een goede balans te vinden tussen overvraging en overbescherming. Waarom? Licht je antwoord toe.

10

Medelijden met de cliënt is verkeerd. a Leg in eigen woorden uit waarom medelijden met mensen met een verstandelijke beperking verkeerd is. Licht je antwoord toe.

b

1

2 Mensen met een verstandelijke beperking

11

Is medelijden ook verkeerd bij cliënten met een lichamelijke beperking? Licht je antwoord toe.

Hierna staan twee stellingen. Met welke stelling ben jij het het meest eens? Licht je antwoord toe. 1 Cliënten met een verstandelijke beperking moet je niet indelen in groepen. Doe je dat wel, dan benadruk je te veel dat ze een beperking hebben en dat ze anders zijn. Je gaat te veel uit van wat ze niet kunnen en te weinig van hun uniekheid, van hun mens-zijn (net als jij en ik). Een indeling in niveaus suggereert dat je cliënten met een verstandelijke beperking van hetzelfde niveau op dezelfde manier kunt aanpakken en begeleiden. In werkelijkheid is dit niet zo.

1 21


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

2

1

12

Het is noodzakelijk om cliënten met een verstandelijke beperking in te delen in groepen. Natuurlijk vereenvoudigt het de werkelijkheid, maar in de begeleiding van cliënten met een verstandelijke beperking geeft zo’n indeling houvast. Je weet nu zo’n beetje wat je kunt verwachten en hoe je het best kunt omgaan met deze cliënt met een verstandelijke beperking.

Vaak komt een lichte verstandelijke beperking pas tot uiting wanneer het kind in groep 2 of 3 zit. a Is de uitspraak waar of niet waar? Kies het juiste antwoord.

Iemand met een lichte verstandelijke beperking maakt vooral een vertraagde ontwikkeling door.

Waar / Niet waar

Het is verstandig om een kind met een lichte verstandelijke beperking in groep 2 of 3 een jaartje te laten zitten.

Waar / Niet waar

Cliënten met een lichte verstandelijke beperking zijn gemakkelijk te beïnvloeden. Daar moet je als beroepskracht MZ rekening mee houden.

Waar / Niet waar

Cliënten met een lichte verstandelijke beperking zijn vaak erg egoïstisch.

Waar / Niet waar

Vaak komt een lichte verstandelijke beperking pas tot uiting als het kind in groep 2 of 3 zit, omdat er dan pas het nodige wordt verwacht op cognitief gebied.

Waar / Niet waar

b

Kunnen mensen met een matige en lichte verstandelijke beperking zich gemakkelijker of moeilijker staande houden in de maatschappij dan zo’n veertig jaar geleden? Licht je antwoord toe.

c

Mensen met een lichte verstandelijke beperking staan vaak nogal egocentrisch in de wereld. Welke uitspraak hierover is juist? Kies het juiste antwoord. a Dat ze vooral en eerst aan zichzelf denken. Het is een soort egoïsme. b Dat ze vooral en eerst aan zichzelf denken. Dat komt door hun onvermogen. c Dat ze vooral en eerst aan zichzelf denken. Dat komt omdat ze als kind veel aandacht hebben gekregen.

1 22


Verwerkingsopdrachten

3 Mensen met een lichamelijke beperking

1 Mensen met een lichamelijke beperking 3

1

In Nederland woont het grootste deel van de mensen met een lichamelijke beperking zelfstandig. a Lichamelijke beperkingen komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Kun jij dit verklaren? Kies het juiste antwoord. a Vrouwen zijn minder ervaren als het gaat om lichamelijk werk, waardoor ze eerder gewond raken of lichamelijke problemen krijgen. b Vrouwen worden gemiddeld ouder dan mannen. De ernst en het aantal beperkingen stijgt sterk met de leeftijd. c Vrouwen zijn het ‘zwakkere’ geslacht, waardoor ze eerder problemen ondervinden. b Wat is het nadeel van het begrip ‘beperking’? Kies het juiste antwoord. a Het doet vermoeden dat mensen met een lichamelijke beperking ongezond zijn. b Het is een scheldwoord. c Het zegt weinig over de ernst van de beperking. d Veel mensen met een lichamelijke beperking zijn niet blij met het begrip.

2

Lichamelijke beperkingen kunnen heel verschillend zijn. a Is het een motorische beperking of een orgaanbeperking? Kies het juiste antwoord.

b

Amputatie van een onderbeen

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Chronische leverontsteking

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Cystic fibrose (taaislijmziekte)

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Dwarslaesie

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Ziekte van Crohn (darmziekte)

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Ziekte van Duchenne (spierziekte)

Motorische beperking / Orgaanbeperking

Zet het juiste verschijnsel naast de motorische stoornis. Kies uit: ontbreken van lichaamsdelen – aandoeningen van botten en/of gewrichten – spierziekten en spieraandoeningen – stoornissen in de samenwerking van de spieren – verlammingen

Amputatie Halfzijdige verlamming Klompvoetje Spasticiteit Ziekte van Duchenne

1 23


THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen

3

4

Doofheid en slechthorendheid zijn auditieve stoornissen. a Is de uitspraak juist of onjuist? Kies het juiste antwoord.

Juist / Onjuist

Totale communicatie is een vorm van gebarentaal.

Juist / Onjuist

b

Noem drie activiteiten en hobby’s die onmogelijk zijn voor iemand die doof is.

c

Noem drie activiteiten en hobby’s die nog wel mogelijk zijn voor iemand die doof is.

d

Jongeren die slechthorend zijn, ervaren in contacten met anderen vaak frustraties. Geef twee voorbeelden van oorzaken van zulke frustraties.

Blindheid en slechtziendheid zijn visuele stoornissen. a Waarom is het belangrijk dat in de wereld van een blinde de dingen een vaste plaats hebben? Noem twee redenen.

b

5

Gebarentaal is een echte zelfstandige taal met eigen grammatica, uitdrukkingen en humor.

Als iemand op latere leeftijd blind wordt, is dit vrijwel altijd een ramp. Welke activiteiten zijn voor een blinde of slechtziende persoon niet meer mogelijk? Kies de juiste antwoorden. autorijden / deel uitmaken van een praatgroep / piano leren spelen met notenschrift / zelfstandig op de fiets naar de stad gaan / naar muziek luisteren / tv-kijken / zingen

Hierna staan aandachtspunten voor de communicatie met dove/slechthorende en blinde/slechtziende mensen. Is het aandachtspunt belangrijk voor de communicatie met een dove/slechthorende cliënt of voor de communicatie met een blinde/ slechtziende cliënt? Kies telkens tussen 'Doof' en 'Blind'.

1 24


Verwerkingsopdrachten

6

7

3 Mensen met een lichamelijke beperking

Als je contact zoekt, noem dan eerst de naam.

Doof / Blind

Benader de persoon niet van achteren.

Doof / Blind

Ga er niet te snel van uit dat de ander je wel herkent aan je stem.

Doof / Blind

Geef de persoon dingen in handen om te laten betasten.

Doof / Blind

Let op je intonatie.

Doof / Blind

Vraag om aandacht door even lichamelijk contact te maken.

Doof / Blind

Vertel de persoon wat er zoal te zien is.

Doof / Blind

Zorg ervoor dat de persoon je kan aankijken als je spreekt.

Doof / Blind

Zorg voor een goed verlichte ruimte en ga met je gezicht naar het licht toe zitten.

Doof / Blind

Orgaanbeperkingen zijn vaak progressieve ziekten. a Kies de juiste woorden. Een progressieve ziekte is een ziekte die steeds erger / minder erg wordt. De ziekte is vaak niet / wel dodelijk. b Is het wel of niet een progressieve ziekte? Kies het juiste antwoord.

Multiple sclerose (MS)

Wel / Niet

Amputatie

Wel / Niet

Spina biďŹ da

Wel / Niet

Ziekte van Duchenne

Wel / Niet

Hersenletsel heeft vaak zeer ingrijpende gevolgen en kan veel beperkingen met zich meebrengen. a Wat is de functie van de hersenen?

b

Is de uitspraak over een cerebrovasculair accident (CVA) juist of onjuist?

Een CVA is een beroerte.

Juist / Onjuist

Een CVA is de meest voorkomende oorzaak van nietaangeboren hersenletsel.

Juist / Onjuist

Een CVA is een acute aandoening waarbij de bloedvoorziening in de hersenen plotseling ergens onderbroken wordt.

Juist / Onjuist

Bij een CVA gaat het meestal om een hersenbloeding.

Juist / Onjuist

Een TIA is een CVA met blijvende gevolgen.

Juist / Onjuist

1 25


WERKBOEK NIVEAU 3&4

Persoonlijke verzorging MZ

Deze uitgave Persoonlijke verzorging MZ maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaak uit het kwalificatiedossier Maatschappelijke zorg. B1-K1-W2 Ondersteunt de cliĂŤnt bij de persoonlijke verzorging De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.

MZ Persoonlijke verzorging MZ WERKBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie.

m a at s c h a p p e l i j k e zorg

Herz

ien

Auteurs: A.C. Verhoef C. Telman Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde

9 789006 978445

MBO_WB_Welzijn_persoonlijke verzorging_MZ_210x297mm.indd All Pages

27/03/18 09:25


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Persoonlijke verzorging MZ werkboek niveau 3 en 4 by ThiemeMeulenhoff - Issuu