Skip to main content

Onderwijsassistent School en didactiek PW theorieboek niveau 4

Page 1

THEORIEBOEK NIVEAU 4

P3-K2-W1 Voert voorwaardelijke werkzaamheden uit ten behoeve van het lesprogramma P3-K2-W2 Voert administratieve taken uit P3-K2-W3 Houdt toezicht en begeleidt buiten de lessen P3-K2-W4 Voert coรถrdinerende taken binnen de school uit

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent.

Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff.nl/trajectwelzijn.

Onderwijsassistent School en didactiek PW

pedagogisch werk

PW Onderwijsassistent School en didactiek PW THEORIEBOEK

De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

TRAJECT WELZIJN

Deze uitgave Onderwijsassistent School en didactiek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaken uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk.

Auteurs: M. Baseler A. Gloudemans G.C. Koomen R.F.M. van Midde Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M van Midde

MBO_Theorie_190x270mm_OWA_school&didactiek_PW.indd All Pages

9 789006 622287

25/07/17 12:47


Onderwijsassistent School en didactiek PW NIVEAU 4


THEORIEBOEK

NIVEAU 4

Onderwijsassistent School en didactiek PW M. BASELER A. GLOUDEMANS G.C. KOOMEN R.F.M. VAN MIDDE

Onder redactie van: M.H.A.J. GLOUDEMANS R.F.M. VAN MIDDE

pedagogisch werk


Colofon Auteurs M. Baseler A. Gloudemans G.C. Koomen R.F.M. van Midde

Redactie M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde

Vormgeving binnenwerk en omslag Studio Fraaj, Rotterdam

Fotografie omslag Mathilde Karrèr

Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze Samen leren vernieuwen. groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.

www.thiememeulenhoff.nl

Samen leren vernieuwen.

ISBN 978 90 06 62228 7 Eerste druk, tweede oplage, 2017

www.thiememeulenhoff.nl ISBN 9789006622287

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017

Eerste druk, eerste oplage, 2017

Alle rechten voorbehouden. Niets © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of

openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige voorafgaande schriftelijke toestemming van mag de uitgever. vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus

Voor maken van kopieën uit deze uitgave toegestaan van artikel 16B verschuldigde Auteurswet 1912 vergoedingen j° het Besluit vante23voldoen augustusaan 1985,Stichting Stbl. 471 Publicatieen artikel 17 1985,zover Stbl.het 471 en artikel 17 Auteurswet 1912,is dient men op de grond daarvoor wettelijk Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 deze uitgave in men bloemlezingen, readers andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) men totvan de kopieën uitgeverinte Auteurswet) dient zich tot de uitgever te en wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek,dient film en het zich maken hetwenden. onderwijsVoor zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen De uitgever heeft gestreefd de wenden. auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere gelden, kunnen zich ernaar alsnog tot de uitgever

rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Ten geleide

De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor Maatschappelijke zorg, Pedagogisch werk en Sociaal werk aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiedossiers, opgebouwd uit kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen binnen Welzijn. De leermiddelen van Traject Welzijn zijn ontwikkeld voor en sluiten aan bij deze kwalificatiedossiers. De Pedagogisch werker Pedagogisch werkers werken in de kinderopvang, het onderwijs of in een combinatievorm van beide. De student kan kiezen voor het profiel pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd medewerker kinderopvang of onderwijsassistent. De doelgroep van de pedagogisch werker is zeer divers, en bestaat onder andere uit: • kinderen tot twaalf jaar zonder problemen; • kinderen tot twaalf jaar met een achterstand, een leer- of gedragsprobleem; • jongeren vanaf twaalf jaar zonder problemen; • jongeren met gedrags- en opvoedingsproblemen; • kinderen en jongeren met een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperking. Het kwalificatiedossier Pedagogisch werk vormt de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen voor beroepen in dit domein. Het leermiddelenaanbod voor de opleiding Pedagogisch werk – die deel uitmaakt van Traject

Welzijn – is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • de leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs binnen Traject Welzijn wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de ondersteuningsvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt; • sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten. Traject Welzijn houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en met de verschillende onderwijsstijlen van docenten; • bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisfase en de profielfase; • er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Het didactisch concept van Traject Welzijn gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Traject Welzijn houdt bovendien rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F voor de basisfase, 3F voor de profielfase niveau 4) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk-) voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbo-studenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject Welzijn is inzetbaar binnen elk didactisch model


en biedt de docent de ruimte om zelf invulling te geven aan zijn rol. Traject Welzijn sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat er gewerkt wordt met uitgaven die ingedeeld zijn in thema’s die bestaan uit theorie en de daarbij behorende verwerkingsopdrachten, praktijksituaties en evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. Theoretische onderbouwing Het onderdeel ‘theorie’ voor de basisfase Pedagogisch werk bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij de betreffende werkprocessen. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De theorieboeken voor de profielfase Pedagogisch werk gaan verdiepend in op de verschillende profielen die worden onderscheiden: P1: Pedagogisch medewerker kinderopvang P2: Gespecialiseerd pedagogisch medewerker P3: Onderwijsassistent Werkboeken De werkboeken sluiten, dankzij hun thema- en hoofdstukindeling, naadloos aan bij de leerstof en indeling van de theorie. Dit geldt zowel voor de leermiddelen gericht op de basisfase als voor de leermiddelen gericht op de profielfase. Via de werkboeken kunnen de studenten zich de leerstof eigen maken door middel van: • verwerkingsopdrachten voor de leerstof in de theorie; • praktijksituaties met opdrachten. De praktijksituaties geven realistische beschrijvingen van de praktijk in de Maatschappelijke zorg. Hierin komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en

waarbij van hen verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen; • het aanleren van beroepsvaardigheden. Het onderdeel ‘vaardigheden’ biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden; • thema-opdrachten gericht op integrale verwerking van de afzonderlijke thema’s; • evaluatie met behulp van de studiehulp en reflectie. Deze onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject Welzijn. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject Welzijn kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.

Amersfoort, 2017 Redactie en uitgever


Inhoud

Thema 1 Onderwijs als werkveld 1 1.1 1.2 1.3

1.4

1.5

1.6

2 2.1 2.2

15

Onderwijs in Nederland 16 Inleiding 17 Het Nederlandse onderwijs door de eeuwen heen 17 Het onderwijssysteem in Nederland 18 1.3.1 Het stelsel 18 1.3.2 Vrijheid van onderwijs 22 1.3.3 Toekomstgericht onderwijs 23 Doelgroepen 25 1.4.1 Ontwikkelingstaken 27 1.4.2 Taal is de basis van ontwikkeling 32 1.4.3 Tweetalige leerlingen 34 1.4.4 Interculturele communicatie 36 1.4.5 Diversiteit 38 1.4.6 Zorgleerlingen 39 Taken van een onderwijsassistent 41 1.5.1 Kerntaken en werkprocessen 41 1.5.2 Professionele relaties 43 Werken in een team 45 1.6.1 Rollen binnen het team 45 1.6.2 De teamcultuur 46 1.6.3 De ervaren collega versus de nieuwkomer 46 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent 48 Inleiding 49 Interactievaardigheden 49 2.2.1 Emotionele ondersteuning bieden 50 2.2.2 Autonomie respecteren 53 2.2.3 Leiding geven en structuur bieden 56 2.2.4 Informatie en uitleg geven 59 2.2.5 Stimuleren van de ontwikkeling 61 2.2.6 Begeleiden van onderlinge interacties 64

1 7


2.3

2.4

ICT-bekwaamheid 68 2.3.1 Pedagogisch-didactisch handelen 68 2.3.2 Werken in de schoolcontext 69 2.3.3 Professionele ontwikkeling 70 2.3.4 Digitale geletterdheid 70 21e-eeuwse vaardigheden 71 2.4.1 Probleemoplossend vermogen 73 2.4.2 Creativiteit 74 2.4.3 Sociale en culturele vaardigheden 75 2.4.4 Vermogen tot samenwerken 75 2.4.5 Zelfregulerend vermogen 76 2.4.6 Kritisch denkvermogen 77 2.4.7 Ondernemendheid 78 2.4.8 Communicatievaardigheid 79 2.4.9 Digivaardigheid 80

Begrippenlijst

87

Thema 2 Didactiek 3 3.1 3.2

3.3

3.4 3.5

3.6

3.7

95

Visie op leren 96 Inleiding 97 Wat is leren? 97 3.2.1 Leren op school 97 3.2.2 De werking van de hersenen 98 3.2.3 Breinvriendelijk leren 101 Factoren die het leren beĂŻnvloeden 102 3.3.1 Een rijke leeromgeving 105 3.3.2 Van passief naar actief leren 107 3.3.3 Meer en minder intensief 108 TheorieĂŤn over leren 109 Leerstijlen 110 3.5.1 Vier leerstijlen van Kolb 111 3.5.2 Meervoudige intelligenties van Gardner 112 Toekomstgericht onderwijs 114 3.6.1 Eigen leerproces sturen 116 3.6.2 Vernieuwende onderwijsconcepten 117 Doorgaande lijn 120 3.7.1 Van kerndoel naar lesinhoud 121 3.7.2 Doorlopende leerlijnen in de praktijk 122 3.7.3 Leerlingvolgsysteem 123

1 8


4 4.1 4.2

4.3

4.4

4.5

4.6

4.7

Didactisch begeleiden 125 Inleiding 126 Didactiek 126 4.2.1 Didactische begeleiding 126 4.2.2 Didactische vaardigheden 127 Didactische vormgeving 128 4.3.1 Didactisch concept 128 4.3.2 Didactisch model 129 4.3.3 Didactische werkvormen 132 4.3.4 Digitaal leren 134 Projectonderwijs 135 4.4.1 Didactisch concept projectonderwijs 135 4.4.2 Didactisch model projectonderwijs 136 Doelgericht begeleiden 139 4.5.1 Instructie geven 139 4.5.2 Het directe-instructiemodel 139 4.5.3 Instructie begeleiden 142 Zelfstandig werken 143 4.6.1 Didactisch concept zelfstandig werken 143 4.6.2 De organisatie van zelfstandig werken 144 4.6.3 GIP-didactisch model 145 4.6.4 Zelfstandig werken begeleiden 148 Samenwerkend leren 151 4.7.1 Didactisch concept samenwerkend leren 151 4.7.2 Samenwerkingsvaardigheden 152 4.7.3 Verschillende rollen bij samenwerken 153 4.7.4 Tutorbegeleiding 154 4.7.5 Samenwerken begeleiden 155

Begrippenlijst

157

Thema 3 Organisatie van het onderwijs 5 5.1 5.2

Klassenmanagement 162 Inleiding 163 De sfeer in de groep 163 5.2.1 Pedagogisch klimaat 164 5.2.2 Ideaal leerklimaat? 166

1 9

161


5.3

5.4

5.5

5.6

5.7

5.8

5.9

De school als leer- en leefomgeving 167 5.3.1 Inrichting en visie 167 5.3.2 Passende leeromgeving 167 5.3.3 Sfeerbepalende inrichting 168 5.3.4 Contextrijke omgeving 168 5.3.5 EfďŹ ciĂŤnt gebruik van de ruimte 169 5.3.6 De school als leefomgeving 171 Onderwijsorganisatievormen 172 5.4.1 De kring 172 5.4.2 Werken in hoeken 173 5.4.3 Tafelgroepen 174 Wisselingen 174 5.5.1 Structureren 175 5.5.2 Opruimen 176 5.5.3 Voorraad bewaken 177 Structureren van leeractiviteiten 178 5.6.1 Onderwijsleerdoel 178 5.6.2 Opbouw 178 5.6.3 Fasen 179 5.6.4 Tijd 179 5.6.5 Werkvorm 179 5.6.6 Leermiddelen 180 5.6.7 Organisatie 180 5.6.8 Terugkoppeling 180 5.6.9 Evaluatie 180 Lesvaardigheden 180 5.7.1 Aandacht 181 5.7.2 Motiveren en inspireren 181 5.7.3 Betrokkenheid 182 5.7.4 Respect 182 Structuur 182 5.8.1 Dag- en weekritme 182 5.8.2 Rituelen 183 5.8.3 Regels 184 Orde houden 185 5.9.1 Motivatie bevorderen 186 5.9.2 Omgaan met ongemotiveerde leerlingen 5.9.3 Ordeproblemen 187 5.9.4 Tips 188

1 10

186


6 6.1 6.2

6.3

6.4

6.5 6.6

7 7.1 7.2

7.3

Toezicht houden buiten de lessen 190 Inleiding 191 Regels 191 6.2.1 Informeren van ouders 191 6.2.2 Toestemming voor deelname 192 6.2.3 Voorbereiding met leerlingen 192 6.2.4 Verzekering 193 6.2.5 Vervoer 193 6.2.6 Calamiteiten 195 Toezicht op het schoolplein 195 6.3.1 De inrichting van het schoolplein 195 6.3.2 Buiten spelen 197 6.3.3 Rol toezichthouders 198 6.3.4 Conicten oplossen 199 Het belang van buitenschoolse activiteiten 200 6.4.1 Ontwikkelkansen 201 6.4.2 Een brug tussen theorie en praktijk 201 6.4.3 School en omgeving verbinden 201 6.4.4 Leerlingen ontdekken waar ze goed in zijn 202 6.4.5 Het sociale element 202 6.4.6 Evenwicht tussen klassikaal leren en buitenschools leren Stages 203 Buitenschoolse activiteiten organiseren 205 6.6.1 Methodisch werken 205 6.6.2 Rekening houden met diversiteit 207

203

Administratie en coĂśrdinatie 209 Inleiding 210 Plannen 210 7.2.1 Groepsplan 211 7.2.2 Werken met een handelingsplan 216 7.2.3 Planning maken 217 7.2.4 Werkzaamheden verdelen 220 Informatieve taken 221 7.3.1 Informatie verzamelen 222 7.3.2 Contact met externen 224 7.3.3 Informatie van en voor ouders 224 7.3.4 Verzamelen van informatie 226 7.3.5 Verschillen verrijken 227 7.3.6 Kennismakingsgesprek 227 7.3.7 Adviesgesprek over ontwikkelingsbevordering van het kind 7.3.8 Opvoedingsondersteuning 228

1 11

228


7.4

7.5

7.6

Administratieve taken 228 7.4.1 Leerlingvolgsystemen 229 7.4.2 Antwoordmodellen 232 7.4.3 Databestanden actueel houden 232 7.4.4 Vertrouwelijke gegevens 232 Procedures 233 7.5.1 Schoolregels 233 7.5.2 Meldcode 235 7.5.3 Pestprotocol 237 7.5.4 Protocol medische handelingen 238 7.5.5 Protocol informatievoorziening bij gescheiden ouders 243 7.5.6 Gedragsprotocol 243 7.5.7 Internet-/socialemediaprotocol 245 7.5.8 Dyslexieprotocol 247 7.5.9 Protocol overblijven 249 7.5.10 Protocol hoofdluiscontroles 250 7.5.11 Protocol vervoer en uitstapjes 250 7.5.12 Protocol zindelijkheid 251 7.5.13 Protocol bij overlijden 252 7.5.14 Wet bescherming persoonsgegevens 255 Coรถrdineren 256 7.6.1 Kennis en ervaring delen en werkzaamheden afstemmen 256 7.6.2 Randvoorwaarden regelen 256 7.6.3 Prioriteiten binnen de werkzaamheden bepalen 257

Begrippenlijst

Register

258

263

Illustratieverantwoording

268

1 12


1 13


1 1


1 THEMA

Onderwijs als werkveld KERN

een school die werkt vanuit een bepaalde onderwijskundige visie. Het openbaar onderwijs is voor iedereen.

Als onderwijsassistent kun je werken in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs of het speciaal onderwijs. Als je meer weet over de achtergrond van deze onderwijsvormen, kun je je werk beter doen. Je gaat bij dit thema nader in op de verschillende onderwijsvormen, de ontwikkelingen die zich daarin voordoen en jouw rol als onderwijsassistent.

Kernvaardigheden van de onderwijsassistent Als onderwijsassistent kun jij dus ook aan de slag binnen al die vormen van onderwijs. Je hebt daar verschillende taken. Je helpt een leerkracht, je ondersteunt leerlingen die extra begeleiding nodig hebben, je signaleert problemen, je houdt toezicht op het speelplein en je begeleidt leerlingen tijdens buitenschoolse activiteiten. Je helpt de leerkracht tijdens ouderavonden en je geeft een presentatie of uitleg.

Onderwijs in Nederland

De meeste kinderen gaan vanaf 4 jaar naar school en vanaf 5 jaar zijn ze dat verplicht. De eerste acht jaar van hun onderwijsloopbaan gaan ze samen naar eenzelfde vorm van onderwijs. Ook kinderen met een beperking kunnen naar een gewone basisschool, maar vaker gaan ze naar het speciaal basisonderwijs of het speciaal onderwijs.

Om een goede onderwijsassistent te kunnen zijn, heb je in ieder geval interactievaardigheden nodig. Interactie betekent het omgaan met leerlingen, ouders en collega’s. Naast interactievaardigheden heb je ook 21eeeuwse vaardigheden nodig. Jouw leerlingen zullen straks als volwassenen hun weg moeten vinden in de maatschappij. Dat vraagt om mensen die goed kunnen omgaan met ICT en creatief, ondernemend, betrokken en mediawijs zijn. Jouw taak als onderwijsassistent is kinderen en jongeren voor te bereiden op het leven en werken in de samenleving in de 21e eeuw. Daarvoor zul je zelf die vaardigheden ook moeten bezitten.

Aan het eind van de basisschool vindt een splitsing plaats en na de brugperiode van één of twee jaar in het voortgezet onderwijs nog een keer. Kinderen met gelijksoortige leermogelijkheden krijgen dan onderwijs dat bij hun niveau past. Iedereen in Nederland kan een school oprichten, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dat kan een school zijn op religieuze grondslag of

1 15


1 Onderwijs in Nederland Mick volgt de opleiding tot onderwijsassistent. Nog een jaartje en dan kan hij gaan solliciteren. Hij weet nog niet precies welk schooltype zijn voorkeur heeft. Het primair onderwijs heeft hij via zijn BPV al goed leren kennen. Vooral de spontaniteit van de kinderen sprak hem hier erg aan. Nu wil hij nog graag een BPV doen in het voortgezet onderwijs. Bij zijn zoektocht naar een leerbedrijf valt het hem op dat niet alle scholen hetzelfde zijn. Het scholenlandschap in Nederland is heel divers: openbaar, roomskatholiek, gereformeerd, islamitisch enzovoort. Zelf heeft Mick op een openbare school gezeten en ook het ROC waar hij zijn opleiding volgt, heeft een openbare identiteit. In advertenties leest Mick vaak dat de scholen van hun medewerkers verlangen dat ze de identiteit van de school onderschrijven. Hij realiseert zich nu dat hij hier ook rekening mee zal moeten houden als hij straks gaat solliciteren.

1 16


1

1.1

Inleiding

scholen te stichten. Ook meisjes kregen toen de mogelijkheid om naar school te gaan. De meeste leerlingen kwamen uit de stedelijke burgerij. Kinderen uit rijke en adellijke families kregen meestal thuisonderwijs van gouvernantes. In de zeventiende eeuw was er voor de meeste kinderen wel een of andere vorm van onderwijs beschikbaar. Toch gingen lang niet alle kinderen naar school. Onderwijs was meestal niet weggelegd voor kinderen die tot een lagere klasse behoorden of op het platteland woonden. Zij maakten lange werkdagen: thuis, op het land of de boerderij. Voor school was geen geld en geen tijd. Tot de achttiende eeuw waren de scholen niet best georganiseerd. Zo waren er geen aparte schoolgebouwen, maar werd er lesgegeven in leegstaande schuren, een kamer of een keuken. Vaak was zo’n ruimte onverwarmd en onverlicht. Veel kinderen werden dan ook ziek op school.

Als je straks gaat solliciteren naar een baan als onderwijsassistent kun je bij verschillende onderwijsinstellingen terecht. De keuze voor een onderwijsinstelling hangt af van je specialisatie en van je eigen belangstelling. Dankzij de vrijheid van onderwijs kunnen scholen erg van elkaar verschillen. Je voelt je op de ene school meer thuis dan op de andere school. Dat is iets om rekening mee te houden als je een baan zoekt in het onderwijs. Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • het Nederlandse onderwijs door de eeuwen heen; • het onderwijssysteem in Nederland; • doelgroepen; • taken van een onderwijsassistent; • werken in een team.

1.2

Onderwijs in Nederland

Kritiek en verandering In de achttiende eeuw ontstonden nieuwe ideeën over de opvoeding van kinderen. Er kwam onder meer kritiek op de bestaande situatie waarin kinderen werden gezien en behandeld als kleine volwassenen. Rond 1800 werd het onderwijs steeds meer een overheidstaak. Allerlei onderwijszaken werden in de wet geregeld. Het begon met de onderwijswet van 1806 die het lager onderwijs regelde. Leraren werden voortaan verplicht om klassikaal les te geven. Onderwijzers moesten voor het eerst ook een lesbevoegdheid hebben. Een landelijke inspectie hield voortaan toezicht op naleving van de regels. In 1820 werden lijfstraffen op scholen min of meer verboden. Tot die tijd was het gebruikelijk om ongehoorzame leerlingen te straffen met een tik op de vingers, draai om de oren of klappen met een roe op de billen. Kinderen die stout waren, kregen van de meester soms ook een ‘pechvogel’ toegeworpen. Als je de pechvogel bij de meester inleverde, kreeg je als ‘dank’ een flinke mep met de plak. Leerlingen die volgens de meester ‘domme’ vragen stelden, werden openlijk voor schut gezet door ze ezelsoren te laten dragen.

Het Nederlandse onderwijs door de eeuwen heen

Het onderwijsstelsel zoals we dat nu kennen, was er niet van de ene op de andere dag. Het is een optelsom van talloze ontwikkelingen en vernieuwingen door de eeuwen heen. De eerste scholen ontstonden hier al in de achtste eeuw. Karel de Grote bepaalde toen dat alle jongens moesten kunnen lezen, schrijven, zingen en bidden. In deze periode ontstonden de eerste kloosterscholen. De kerk drukte een zwaar stempel op het onderwijs. In kloosterscholen werden jongens opgeleid tot monnik of priester. Met de opkomst van de steden nam het aantal scholen toe. In de twaalfde eeuw moest elke parochie een eigen schoolmeester aanstellen. De schoolmeester bracht jongens de basisbeginselen bij van lezen en schrijven. Dit gebeurde goedschiks of kwaadschiks, want lijfstraffen voor ongehoorzame kinderen waren niet ongebruikelijk in die tijd. In de vijftiende eeuw begonnen steden hun eigen

1 17


Onderwijs als werkveld

1.3

Het onderwijssysteem in Nederland

In Nederland moeten kinderen vanaf 5 jaar verplicht naar school. Alle kinderen tussen de 5 en 16 jaar die in Nederland wonen, zijn namelijk leerplichtig. Dit geldt ook voor kinderen met een andere nationaliteit en nieuwkomers (asielzoekers en vreemdelingen). Jongeren die nog geen 18 jaar zijn, zijn verplicht om onderwijs te blijven volgen, totdat ze een startkwalificatie hebben: een havo-, vwo-, mbo-diploma van niveau 2 of hoger. 1.3.1 Figuur 1.1 Lijfstraffen op school waren vroeger gebruikelijk

Het stelsel

In Nederland mogen kinderen vanaf hun vierde verjaardag naar school. Vanaf het moment dat ze 5 jaar zijn, moeten ze naar school. Wel mogen ze zolang ze 5 jaar zijn in overleg met de school nog vijf uur per week thuis zijn. Er lopen proeven waarbij kinderen al vanaf 3 jaar naar de basisschool gaan.

Schoolstrijd De onderwijswet van 1806 regelde alleen het neutraal openbaar onderwijs. Dit was tegen de zin van veel protestanten en katholieken. Zij wilden een katholieke of protestantse opvoeding voor hun kinderen. De school moest dit ondersteunen. Gelovige ouders stuurden hun kinderen daarom niet naar openbare scholen. Protestanten en katholieken stichtten hun eigen scholen: scholen voor bijzonder onderwijs. De nieuwe grondwet uit 1848 bood hiervoor de mogelijkheid, want daarin stond vermeld dat er vrijheid van onderwijs moest zijn. De liberalen vonden dat katholieken en protestanten geen recht hadden op overheidsgeld om hun scholen te bekostigen. Ze moesten hun bijzondere scholen zelf maar betalen. Hierover brak een lange politieke strijd uit die bekend staat als de schoolstrijd. Uiteindelijk werd in 1917 overeenstemming bereikt over financiële gelijkstelling. Dit betekent dat bijzondere scholen in gelijke mate aanspraak maken op overheidssubsidie als openbare scholen. Na de onderwijswet van 1806 volgden meer wetten die het onderwijs in Nederland hebben gevormd tot wat het nu is. Een overzicht hiervan vind je in tabel 1.1.

Alle Rotterdamse peuters zijn welkom in groep 0 Alle peuters in Rotterdam kunnen vanaf hun tweede levensjaar naar school. Tot hun vierde jaar worden ze dan spelenderwijs klaargestoomd voor de basisschool in groep 0. Op die manier moeten kinderen beter aansluiting vinden in het basisonderwijs en wil onderwijswethouder Hugo de Jonge achterstanden in het onderwijs voorkomen. Dat staat in het nieuwe onderwijsbeleidsplan van de gemeente Rotterdam. De peuters van zowel werkende als niet-werkende ouders hebben recht op minimaal twee dagdelen onderwijs, ofwel acht uur. Kinderen die het risico lopen op achterstand in bijvoorbeeld taal en rekenen,

1 18


1

Onderwijs in Nederland

Tabel 1.1

CHRONOLOGISCH OVERZICHT ONDERWIJSWETTEN 1806: onderwijswet

De eerste echte wet met regels voor het lager onderwijs. Klassikaal onderwijs werd verplicht. Onderwijzers moesten een lesbevoegdheid hebben. Een landelijke onderwijsinspectie werd ingevoerd.

1874: kinderwetje van Van Houten

Deze wet bepaalde dat kinderen tot 12 jaar officieel niet meer in fabrieken mochten werken. Dit betekende nog niet dat alle kinderen daardoor in de schoolbanken belandden.

1900: eerste leerplichtwet

Pas met de invoering van de eerste leerplichtwet in 1900 werden kinderen van 6 tot 12 jaar verplicht tot het volgen van onderwijs.

1920: gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs

In de onderwijswet was geregeld dat alleen het openbaar onderwijs subsidie kreeg. Dit leidde tot veel ongenoegen bij voorstanders van bijzonder onderwijs tijdens de zogenaamde ‘schoolstrijd’. Pas met de invoering van de Wet op het Lager onderwijs in 1920 konden ook bijzondere scholen net als de openbare scholen aanspraak maken op overheidssubsidie.

1968: Mammoetwet, wet op het voortgezet onderwijs

In de jaren zestig van de vorige eeuw klonk steeds vaker de roep dat het onderwijs democratischer en toegankelijker moest worden. In 1968 werd de Wet op het voortgezet onderwijs ingevoerd, ook wel Mammoetwet genoemd. Het basisidee achter deze wet was dat alle leerlingen zowel een algemene als een beroepsopleiding zouden moeten volgen. Met deze nieuwe wetgeving verdwenen enkele tot dan toe bestaande schooltypen, zoals de mulo, mms en hbs. Hiervoor in plaats kwamen de mavo, havo en vwo. Op dat moment ontstond ook het lager beroepsonderwijs, lbo. Met de invoering van de Mammoetwet werd het aantal examenvakken behoorlijk ingeperkt.

1969: nieuwe leerplichtwet

Kinderen van 5 tot 16 jaar zijn leerplichtig. Leerplichtambtenaren controleren de naleving van de leerplichtwet.

1985: wet op het basisonderwijs

Met deze wet werd de kleuterschool voor kinderen van 4 en 5 jaar samengevoegd met de lagere school tot de basisschool. Verder werd het begin van de leerplicht vervroegd. Voortaan moesten alle kinderen naar school vanaf de eerste schooldag van de maand na de maand waarin ze 5 jaar worden.

1998: Tweede Fase

In de bovenbouw van havo en vwo verdwenen de vakkenpakketten. Hiervoor in plaats kwamen profielen. Het idee was dat leerlingen zo zelfstandig zouden leren werken en studeren om zo de overstap naar een vervolgopleiding te vergemakkelijken.

1999: vmbo

Samenvoeging van lbo en mavo tot vmbo.

2007: leerplicht gekoppeld aan startkwalificatie

Jongeren die na hun zestiende nog geen startkwalificatie hebben, moeten tot hun achttiende onderwijs volgen. Een startkwalificatie is een diploma havo, vwo of mbo (niveau 2 of hoger).

2014: Wet passend onderwijs

Sinds 1 augustus 2014 hebben scholen een zorgplicht. Dit houdt in dat de school een passende plek moet zoeken, als een kind extra ondersteuning nodig heeft.

worden vastgelegd in een zogeheten kindvolgsysteem dat aansluit op het systeem van de basisschool.

hebben recht op 10 tot 12,5 uur per week voorschoolse opvang. School verantwoordelijk Rotterdam kent nu nog een waaier aan voorzieningen voor peuters, zoals het peuterspeelwerk, kinderopvang en groepen nul. Die worden nu allemaal samengebracht onder de naam voorschoolse opvang en vallen dan onder de verantwoordelijkheid van een basisschool, waar ze de naam groep nul krijgen. De kinderopvang wordt nauw betrokken bij het initiatief. De vaardigheden van het kind

Bron: www.kinderopvangtotaal.nl

In Nederland starten praktisch alle kinderen op vierjarige leeftijd in het basisonderwijs. Veel kinderen gaan daarvoor al naar een kinderopvang, peuterspeelzaal of de voorschool. Na acht jaar basisschool maken leerlingen een keuze voor vervolgonderwijs. Het basisschooladvies speelt

1 19


Onderwijs als werkveld

Primair onderwijs Het primair onderwijs (po) bestaat uit: • regulier basisonderwijs; • speciaal basisonderwijs.

daarbij een leidende rol. De Cito-score heeft vooral een ondersteunende rol bij het basisschooladvies voor het vervolgonderwijs. Kinderen die kiezen voor een praktische leerweg gaan naar het vmbo (basis of kader). Kinderen die op zich weinig moeite hebben met leren, maar zich ook al willen voorbereiden op een beroep kunnen ook kiezen voor de gemengde leerweg van het vmbo. ‘Gemengde leerweg’ betekent dat er een vermenging is van zowel theoretisch als praktisch onderwijs. Kinderen die (nog) theoretischer zijn ingesteld, kiezen voor vmbo theoretische leerweg, havo of vwo.

Vanaf het vierde levensjaar gaan de meeste kinderen naar het regulier basisonderwijs (bao), dat uit acht leerjaren bestaat. Het speciaal basisonderwijs (sbo) is gericht op leerlingen die specialistische zorg en ondersteuning nodig hebben. Het sbo is bedoeld voor kinderen die moeilijk kunnen leren en/of een gedragsstoornis hebben. Na het speciaal (basis)onderwijs stromen de meeste leerlingen door naar het vmbo, het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs.

Het Nederlands onderwijsstelsel kent verschillende schooltypen voor leerlingen met uiteenlopende leeftijden en met een uiteenlopend vermogen tot leren.

Speciaal onderwijs Het speciaal onderwijs (so) kan ook bedoeld zijn voor jonge kinderen, maar is iets anders dan het sbo. Het so is bedoeld voor kinderen die door een beperking geremd worden in hun gewone functioneren. Voor de verschillende beperkingen zijn er tien soorten scholen, verdeeld over vier clusters: • Cluster 1: blinde, slechtziende kinderen; • Cluster 2: dove, slechthorende kinderen;

Voor- en vroegschoolse educatie Voor kinderen jonger dan de leerplichtige leeftijd (jonger dan 4 jaar) zijn er in Nederland voorzieningen voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Deze voorzieningen richten zich op kinderen van 2,5 tot en met 5 jaar die anders een onderwijsachterstand dreigen op te lopen.

Post-initieel Hoger Onderwijs WO Master

MBO 3 vakopleiding MBO 1 entreeopleiding

Praktijkonderwijs

MBO 4 middenkaderopleiding

MBO 4 specialistenopleiding

MBO 2 basisberoepsopleiding

VMBOVMBObasisberoeps- kaderberoepsgerichte gerichte leerweg leerweg

VMBOgemengde leerweg

(Voortgezet) Speciaal Onderwijs

Associate Degree

VMBOtheoretische leerweg

Basisvorming

Basisonderwijs Figuur 1.2 Schema van het Nederlandse onderwijsstelsel

1 20

HBO Master

WO Pre-master

HBO Bachelor

WO Bachelor

Open Universiteit

Propedeuse

HAVO

VWO

VAVOVoortgezet Algemeen Volwassen Onderwijs


1

• Cluster 3: langdurig zieke kinderen en kinderen met een verstandelijke beperking; • Cluster 4: kinderen met stoornissen en gedragsproblemen.

Onderwijs in Nederland

volgt naast de reguliere vwo-vakken ook Latijn en/of Grieks (en in de bovenbouw Klassieke Culturele Vorming). Praktijkonderwijs Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie het vmbo te hoog gegrepen is. In dit type onderwijs geldt geen vastgesteld aantal jaren, maar leerlingen tussen de 12 en 18 jaar kunnen hier naar toe. Bij praktijkonderwijs staat de individuele behoefte van elke leerling centraal. Leerlingen krijgen les in taal, rekenen, informatiekunde en lichamelijke oefening, aangepast aan elke individuele leerling. Naast deze algemene vakken krijgen leerlingen beroepsgerichte vakken. Leerlingen doen hun BPV bij een of meer leerbedrijven om praktijkervaring op te doen voor een echte baan. Om toegelaten te worden op een school voor praktijkonderwijs, moeten leerlingen ouder zijn dan 12 jaar en een indicatie hebben voor het praktijkonderwijs. Een indicatie is een verwijzing van het samenwerkingsverband van scholen. Het samenwerkingsverband van scholen beoordeelt of een leerling gebaat is bij praktijkonderwijs. Hierbij kijkt het samenwerkingsverband naar verschillende gegevens: • de motivering van de school, onderbouwd met het schooladvies van de basisschool; • de mening van de ouders; • de leerachterstand van de leerling. De leerling heeft een achterstand op minimaal twee van de volgende vier terreinen: inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen; • het IQ van de leerling. De leerling heeft een IQ tussen de 55 en 80.

Voortgezet onderwijs De gemiddelde leeftijd waarop kinderen naar het voortgezet onderwijs (vo) gaan, is 12 jaar. Het voortgezet onderwijs bestaat uit drie verschillende niveaus: 1 het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo); 2 het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo); 3 het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Vmbo Het vmbo duurt vier jaar en kent vier leerwegen: • theoretische leerweg (vmbo-tl) voor leerlingen die gemakkelijk studeren en nog geen beroepsopleiding willen kiezen; • gemengde leerweg (vmbo-gl) voor leerlingen die gemakkelijk studeren en zich willen voorbereiden op een beroepsopleiding; • kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-kader) voor leerlingen die graag met hun handen werken; • basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-basis) voor leerlingen die een combinatie van leren en werken prettig vinden. Havo De havo duurt vijf jaar en bereidt leerlingen voor op een studie in het hoger beroepsonderwijs (hbo). Vwo Het vwo duurt zes jaar en bereidt leerlingen voor op een studie aan de universiteit. Het vwo is onder te verdelen in gymnasium en atheneum. Het niveau van deze opleidingen is hetzelfde: zowel een gymnasium- als een atheneumdiploma geeft toegang tot de universiteit. Het verschil zit in het vakkenaanbod. Een gymnasiumleerling

Middelbaar beroepsonderwijs Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) leidt studenten op voor een beroep. Hierbij is er keuze uit meer dan honderd verschillende mboopleidingen. Er zijn twee soorten mbo-scholen: roc’s (regionaal opleidingscentrum) en aoc’s (agrarisch opleidingscentrum). Op een roc

1 21


Onderwijs als werkveld

gree. Hogescholen bieden ook masteropleidingen aan. Bachelor, master en associate degree zijn graden. Dit zijn internationaal erkende titels die je mag gebruiken als je een opleiding aan een hogeschool of universiteit met goed gevolg hebt afgerond.

kunnen studenten opleidingen volgen in de sectoren economie, techniek, bouw, zorg en welzijn. Een aoc biedt ‘groene’ opleidingen aan, zoals landbouw, tuinbouw, natuur en visserij. Kwalificatieniveaus Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent vier kwalificatieniveaus: 1 entreeopleiding (niveau 1); 2 basisberoepsopleiding (niveau 2); 3 vakopleiding (niveau 3); 4 middenkader- en specialistenopleiding (niveau 4).

Wetenschappelijk onderwijs Universiteiten of wetenschappelijk onderwijs (wo) bieden wetenschappelijke opleidingen, waarbij onderzoek en analyse centraal staan, die leiden tot een bachelorgraad of een mastergraad.

Bol en bbl Een mbo-student kan kiezen voor een beroepsopleidende leerweg (bol) of een beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Bij bbl ligt de nadruk op de praktijk (minimaal 60 procent van de totale studieduur vindt dan plaats in de praktijk). Bij bol is het juist omgekeerd. Hier is sprake van een dagopleiding, waarbij je de hele week naar school gaat. Tijdens de opleiding doe je praktijkervaring op wanneer je een BPV doet bij een erkend leerbedrijf. Per opleiding is het verschillend hoe vaak je dit doet. Wel bestaat er een regeling dat ten minste 20 procent van de bolopleiding uit BPV moet bestaan.

1.3.2

Vrijheid van onderwijs

Volwasseneneducatie Volwasseneneducatie (ve) (volwassenenonderwijs) is er voor mensen van 18 jaar en ouder die moeite hebben om de Nederlandse taal en het rekenen te beheersen. Ook mensen zonder diploma die alsnog een diploma voor het voortgezet onderwijs willen halen, kunnen terecht bij het volwassenenonderwijs. Soms kunnen ook 16en 17-jarigen in het volwassenenonderwijs een diploma halen.

Openbaar onderwijs Een openbare school is voor iedereen toegankelijk. Openbaar onderwijs is onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is, onafhankelijk van levensbeschouwelijke of culturele achtergrond. De leerlingen krijgen hier geen godsdienstonderwijs, maar maken wel kennis met geestelijke stromingen. Kinderen krijgen alleen godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs als de ouders daarom vragen.

Hoger beroepsonderwijs Het hoger beroepsonderwijs (hbo) leidt op tot een beroep. Studenten kunnen hier een bachelorgraad halen. Daarnaast zijn er kortere programma's die opleiden tot een associate de-

Bijzonder onderwijs Het bijzonder onderwijs is onderwijs dat uitgaat van een bepaalde levensovertuiging of onderwijsvisie. Dit is bijvoorbeeld het geval is op een katholieke, protestants-christelijke of islamitische

In Nederland is het in principe voor iedereen mogelijk om een school op te richten die past bij de eigen levensbeschouwelijke en onderwijskundige overtuiging. Deze vrijheid van onderwijs is vastgelegd in artikel 23 van de grondwet. Om geld van de overheid te krijgen, moet een school bij de oprichting wel voldoende leerlingen hebben en de docenten moeten bevoegd zijn om les te geven. Het totale aanbod van scholen kun je indelen in twee hoofdgroepen: het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs.

1 22


1

De moderne samenleving vraagt om talloze nieuwe vaardigheden, zoals samenwerken, kritisch denken, creativiteit, communiceren, onderzoeken, argumenteren, problemen oplossen, omgaan met digitale media, zelfsturing en analyseren. Het ontwikkelen van deze zogeheten 21e-eeuwse vaardigheden of 21st century skills bij kinderen is daarom heel belangrijk. Om goed te kunnen functioneren in de voortdurend veranderende samenleving moeten kinderen zulke vaardigheden beheersen.

school. Ook een bijzonder-neutrale school valt hieronder. Dit is een zelfstandig opgerichte school die onderwijs geeft vanuit een bepaalde onderwijskundige visie. Bijvoorbeeld een jenaplanschool of vrijeschool. Soms zijn deze scholen openbaar. Scholen

Openbaar

Onderwijs in Nederland

Bijzonder

21e-eeuwse vaardigheden, of 21st century skills, zijn competenties die leerlingen nodig hebben om succesvol deel te nemen in de maatschappij van de toekomst.

Katholiek Protestants-christelijk Islamitisch Bijzonder-neutraal Figuur 1.3 Openbaar en bijzonder onderwijs

1.3.3

Toekomstgericht onderwijs

Maatschappelijke ontwikkelingen gaan razendsnel. Je moet dan ook voortdurend je kennis op peil houden. Kennis veroudert snel. Neem bijvoorbeeld het werken met de computer. Nauwelijks ben je vertrouwd met een softwareprogramma of er is weer een nieuwe versie verschenen. De tablet die je vandaag koopt, is morgen al weer verouderd. Een nieuwe laptop betekent opnieuw leren hoe je hem bedient, want alles functioneert net even anders dan bij de vorige. Het huidige onderwijs legt meer nadruk op leren zelfstandig leren. Je merkt dat bij je eigen opleiding natuurlijk ook. Aan de hand van opdrachten los je problemen op en maak je je de kennis eigen die daarvoor nodig is. Je doet dat vaak in een groepje. Je leert dan meteen hoe je door samenwerking een probleem oplost. Want ook dat is iets wat deze maatschappij van je vraagt.

Figuur 1.4 Onmisbare vaardigheden voor de 21e eeuw

Platform Onderwijs2032 Het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bereiden leerlingen voor op wat ze later in de maatschappij nodig hebben. Maar de maatschappij verandert voortdurend. Welke kennis en vaardigheden hebben leerlingen in de toekomst nodig? Dat is een vraag die altijd actueel blijft.

1 23


Onderwijs als werkveld

derwijs, ontspanning en ontwikkeling vanuit dezelfde pedagogische visie, binnen één organisatie en met één team worden aangeboden. In Nederland groeien basisonderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang steeds verder naar elkaar toe. Om dit proces richting te geven, hebben bestuurders uit de wereld van onderwijs, lokaal bestuur en kinderopvang zich verenigd in het initiatief Kindcentra 2020. Kindcentra 2020 pleit er voor deze geïntegreerde voorzieningen mogelijk te maken (er zijn nu nogal wat barrières om zo intensief samen te werken). Hierin gaat het om de ontwikkeling en educatie van álle kinderen van 0 t/m 12 jaar met doorlopende ontwikkelingsmogelijkheden, een goed aanbod en kindnabije zorg. Voor ieder kind is er een aanbod op maat. De initiatiefnemers van kindcentra 2020 willen dat in het kindcentrum van morgen gewerkt wordt volgens één pedagogische visie op ontwikkeling en educatie. Samenwerking met welzijn en jeugdhulp is daarbij van groot belang.

De overheid startte daarom een initiatief om hierover een discussie aan te gaan met leerlingen, leraren, ouders, scholen en andere belangstellenden. In 2016 verscheen het eindadvies van Platform Onderwijs2032 dat dient als basis om te komen tot een vernieuwd onderwijsprogramma en een vernieuwing van de kerndoelen en eindtermen. Toekomstgericht onderwijs moet, in de ogen van het Platform, aan de volgende vijf kenmerken voldoen: • Leerlingen doen kennis en vaardigheden op door creatief en nieuwsgierig te zijn. • Leerlingen vormen hun persoonlijkheid. • Leerlingen leren om te gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Ook leren ze over grenzen heen te kijken. • Leerlingen leren de kansen van de digitale wereld te benutten. • Leerlingen krijgen betekenisvol onderwijs op maat.

Uitgangspunten Kindcentra 2020

Volgens het Platform Onderwijs2032 gaat toekomstgericht onderwijs niet alleen om vakinhoudelijke onderwerpen: het stelt ook actuele maatschappelijke vraagstukken en vragen van leerlingen centraal. Het is belangrijk dat leerlingen leren om te denken en te werken over de grenzen van vakken heen. Ze ervaren zo meer samenhang tussen verschillende vakken. Ook werken ze op school aan hun persoonlijke ontwikkeling.

1 Het belang van het kind staat voorop, net als de keuzevrijheid voor ouders. Ook andere belangen van ouders, van de samenleving van nu en die van de toekomst zijn geborgd in het stelsel. 2 Elk kind van nul tot en met twaalf jaar krijgt recht op toegang tot een pedagogische voorziening. Ongeacht de arbeidssituatie van de ouders krijgt een kind recht op toegang tot pedagogische voorzieningen. Deze toegang kent geen financiële drempels; het beschikbare overheidsbudget is stabiel. 3 Kindcentra 2020 zijn voorzieningen voor ontwikkeling en educatie voor álle kinderen van nul tot en met twaalf jaar met doorlopende ontwikkelingslijnen, goede dagarrangementen en kind-

Kindcentra 2020 Er is een ontwikkeling richting brede scholen en IKC’s. Een brede school is een school die verschillende voorzieningen heeft die zijn gericht op kinderen en jongeren die samenwerken, bij voorkeur in één gebouw, met de school als middelpunt. Een IKC is een integraal kindcentrum, soms ook kindcentrum genaamd. Dat is een organisatie waar opvoeding, opvang, on-

1 24


1

4

5

6

7

8

Onderwijs in Nederland

9 Bij Kindcentra 2020 werken pedagogische professionals. Alle professionals vallen onder dezelfde CAO met bijpassende beroepsprofielen. De kwaliteit van het kindcentrum – een lerende organisatie – wordt voortdurend verbeterd, onder andere door te investeren in – de opleiding van – de pedagogische professionals. 10 Kindcentra 2020 zijn eigentijdse voorzieningen en bieden een kernarrangement met openingstijden die ruim voldoende zijn voor de optimale ontwikkeling van kinderen. Ouders die meer uren willen afnemen om hun arbeid en zorg goed te combineren, krijgen die mogelijkheid aangeboden.

nabije zorg. Dit kindcentrum van de toekomst is een ‘inclusieve voorziening’. Voor ieder kind is er aanbod op maat. Kindcentra 2020 werken met één wettelijk en financieel kader. Kinderopvang, peuterspeelzalen en onderwijs kunnen op gelijkwaardige basis en vanuit een vrijwillige keuze in een rechtspersoon samengaan. Het wettelijk kader maakt Kindcentra 2020 mogelijk naast andere voorzieningen. Diversiteit in aanbod blijft bestaan. Ouders kunnen kiezen voor Kindcentra 2020. Er is sprake van een ontwikkelrecht geen -plicht (naast de leerplicht). Ouders zijn partner van het kindcentrum. Er is sprake van één organisatie voor ontwikkeling en educatie voor kinderen van nul tot en met twaalf jaar met één dagprogramma en een breed aanbod aan sport, spel, kunst, cultuur, natuur, wetenschap, techniek en duurzaamheid. Er wordt in Kindcentra 2020 gewerkt volgens één pedagogische visie en er is sprake van doorgaande ontwikkelingslijnen. De huisvesting van een kindcentrum ondersteunt de integraliteit van werken en maakt het concept van één regie, één manier van denken en één team mogelijk. Dat vraagt van gemeenten één integraal huisvestingsplan. De gemeente heeft een regisserende functie bij Kindcentra 2020. De centra vormen een centraal onderdeel van de sociale en pedagogische infrastructuur in gemeenten en zijn in die zin een belangrijke pijler in het integraal jeugdbeleid. Kindcentra 2020 bieden maatwerk en vervullen een belangrijke functie in de sociale cohesie (‘het cement’) van de wijk.

Bron: www.kindcentra2020.nl

1.4

Doelgroepen

Als onderwijsassistent kun je werken met leerlingen uit verschillende leeftijdsgroepen. Elke leeftijdsgroep is anders en vraagt daarom van jou als onderwijsassistent ook iets anders. Kinderen ontwikkelen zich en in elke fase werken ze aan een bepaalde ontwikkelingstaak. Verloopt die taak succesvol, dan hebben ze een goede basis voor de volgende ontwikkelingstaak. Jouw ondersteuning kan bijdragen aan dit succes.

1 Sam is twaalf en gaat naar het voortgezet onderwijs. Van het kleine dorpsschooltje naar een grote scholengemeenschap in de grote stad is een grote stap. Hij komt in een compleet nieuwe wereld terecht. Alles is anders: de omgeving, de manier van lesgeven, de vakken, de leerkrachten en de klasgenoten. Tegelijkertijd gaan zijn hormonen opspelen; hij komt in de puberteit. Die verandering vraagt nieuw gedrag van hem. Hij krijgt te maken met nieuwe ontwikkelingstaken en daar heeft hij nieuwe vaar-

1 25


THEORIEBOEK NIVEAU 4

P3-K2-W1 Voert voorwaardelijke werkzaamheden uit ten behoeve van het lesprogramma P3-K2-W2 Voert administratieve taken uit P3-K2-W3 Houdt toezicht en begeleidt buiten de lessen P3-K2-W4 Voert coรถrdinerende taken binnen de school uit

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent.

Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff.nl/trajectwelzijn.

Onderwijsassistent School en didactiek PW

pedagogisch werk

PW Onderwijsassistent School en didactiek PW THEORIEBOEK

De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

TRAJECT WELZIJN

Deze uitgave Onderwijsassistent School en didactiek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaken uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk.

Auteurs: M. Baseler A. Gloudemans G.C. Koomen R.F.M. van Midde Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M van Midde

MBO_Theorie_190x270mm_OWA_school&didactiek_PW.indd All Pages

9 789006 622287

25/07/17 12:47


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Onderwijsassistent School en didactiek PW theorieboek niveau 4 by ThiemeMeulenhoff - Issuu