Skip to main content

Geestelijke gezondheidszorg 2 niveau 4 werkboek

Page 1

WERKBOEK NIVEAU 4

Geestelijke gezondheidszorg 2

Deze uitgave Geestelijke gezondheidszorg 2 maakt deel uit van de serie Traject V&V. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande werkprocessen uit het kwalificatiedossier Mbo-Verpleegkundige. P3-K1-W1 Biedt een zorgvrager herstelondersteunende zorg P3-K1-W2 Communiceert met zorgvragers gericht op maatschappelijke participatie P3-K1-W3 Begeleidt een groep zorgvragers en naastbetrokkenen

verpleegkundige

De leermiddelen uit de serie Traject V&V zijn bestemd voor de opleiding Verzorgende IG (niveau 3) en de opleiding Mbo-Verpleegkundige (niveau 4). Door de thematische opbouw is Traject V&V geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden. Het complete aanbod van Traject V&V bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie of reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject V&V? Kijk dan op: www.thiememeulenhoff.nl/trajectvenv

Geestelijke gezondheidszorg 2 WERKBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorieboeken.

Auteurs: A. Engeltjes A. Willemse Onder redactie van: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

9 789006 910735

WB_GGZ2_N4_210x297.indd All Pages

24/10/17 15:21


Geestelijke gezondheidszorg 2

A. Engeltjes A. Willemse


Colofon Auteur A. Engeltjes A. Willemse

Redactie C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

Vormgeving en omslag

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning ThiemeMeulenhoff zich vanleerontwerp educatieve en uitgeverij tot een design company. Weontwikkelt brengen content, technologie samen. learning company. Weervaring brengenencontent, leerontwerp en een partner Met onzedesign groeiende expertise, leeroplossingen zijn we technologie Met onze groeiende expertise, ervaringZo enkunnen we voor scholen samen. bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. leeroplossingen zijn we aan een de partner voor scholen bij het vernieuwen en samen beter recht doen verschillen tussen lerenden en scholen en verbeteren vandat onderwijs. Zo kunnen we samen beteren recht doen aan de ervoor zorgen leren steeds persoonlijker, effectiever efficiënter wordt. verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen.

Studio Fraaj, Rotterdam

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

Fotografie omslag

www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 91073 5 Eerste druk, eerste oplage, 2017 ISBN 978 9006 91073 5 Eerste druk, eerste oplage, 2017 2017 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort,

Peter Bak, Rotterdam

Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort

Fotografie © Joost van den Broek / Hollandse Hoogte; Karin Ligthart Fotografie; Shutterstock

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, Alle rechten gemaakt, voorbehouden. Niets uitofdeze uitgave mag worden of openbaar in enige vorm op enige wijze, hetzij elektronisch, verveelvoudigd, opgeslagen in opnamen, een geautomatiseerd gegevensbestand, mechanisch, door fotokopieën, of enig andere manier, zonder of openbaar gemaakt, in enige vorm of opvan enige wijze, hetzij elektronisch, voorafgaande schriftelijke toestemming de uitgever. mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande vanuitgave de uitgever. Voor zover het schriftelijke maken van toestemming kopieën uit deze is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Voor zover maken van kopieën uit deze toegestaan op Stbl. 471 enhet artikel 17 Auteurswet 1912, dientuitgave men deisdaarvoor wettelijk grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j°aan hetStichting Besluit van 23 augustus verschuldigde vergoedingen te voldoen Publicatieen 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, Postbus dient men de 2130 daarvoor wettelijk Reproductierechten Organisatie (PRO), 3060, KB Hoofddorp verschuldigde vergoedingen te overnemen voldoen aanvan Stichting Publicatieen (www.stichting-pro.nl). Voor het gedeelte(n) uit deze Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 (www.stichting-pro.nl). hetde overnemen gedeelte(n) uit deze uitgave Auteurswet) dient menVoor zich tot uitgever tevan wenden. Voor meer informatie in bloemlezingen, readers en film andere compilatiewerken (artikel 16 over het gebruik van muziek, en het maken van kopieën in het Auteurswet) men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer onderwijs ziedient www.auteursrechtenonderwijs.nl. informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie ernaar www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te De uitgever ernaar gestreefd de auteursrechten te wenden. regelen volgens kunnen doenheeft gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave CO2van -neutraal geproduceerd. Deze uitgaveis isvolledig voorzien het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de Het voor deze uitgave gebruikte papier voorzien van het FSC®-keurmerk. bosbouw voor het gebruikte papierisop een verantwoorde wijze heeft Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. plaatsgevonden.


Rondleiding door dit werkboek Het werkboek is verdeeld in thema’s. Een thema in het werkboek sluit precies aan bij een thema in de theorie. Thema 1 Lichamelijke verzorging

1

Themaopening Je leest waar het thema over gaat en welke hoofdstukken en onderwerpen aan de orde komen.

Lichamelijke verzorging is een belangrijk onderdeel van je werk als verzorgende. In dit thema gaat het om de verzorging van de huid, de haren, de slijmvliezen en het gebit. Daarbij is het belangrijk dat je het een en ander weet over de bouw en functies van deze lichaamsdelen. De lichamelijke of hygiënische verzorging is een belangrijk onderdeel van het takenpakket van de verzorgende. In eerste instantie wordt de hygiënische verzorging in de eerste levensjaren van een kind volledig door de mantelzorg gedaan. Naarmate een kind ouder wordt, neemt zijn zelfstandigheid toe, totdat er sprake is van volledige zelfzorg. Soms gaat het mis met de zelfzorg en de mantelzorg. Vaak moet je als verzorgende de hygiënische verzorging dan geheel of gedeeltelijk overnemen. Je hebt hierbij ook de taak om de familie van de zorgvrager in te schakelen. De wens van de zorgvrager komt hierbij altijd op de eerste plaats en daarna die van de familie. Daarnaast zijn er mensen die onvoldoende lichaamsbeweging krijgen om verschillende redenen. Door onvoldoende lichaamsbeweging kunnen allerlei complicaties ontstaan. Ook hier ligt een belangrijke taak voor jou als verzorgende om te weten hoe je bij bepaalde complicaties het beste kunt handelen. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Bouw en functie van huid, slijmvliezen en gebit • huid • slijmvliezen • gebit Hoofdstuk 2: Hygiënische verzorging • doel van de hygiënische verzorging • hygiënische verzorging van de volwassene • de plaats voor hulp • hygiënische verzorging van de baby en het kind Hoofdstuk 3: Complicaties door onvoldoende lichaamsbeweging • decubitus • contracturen • osteoporose • trombose • longontsteking • obstipatie • smetten • blaasontsteking

Verwerking Verwerkingsopdrachten

1 Bouw en functie van huid, slijmvliezen en gebit 1

1

In de theorie staat dat de huid verschillende functies heeft. Een droge, schrale huid gaat eerder stuk, waardoor de huid niet optimaal functioneert. Welke functie van de huid is hier aangetast? a beschermen tegen schadelijke invloeden van buitenaf b lichaamstemperatuur regelen c stoffen uitscheiden d vet opslaan in het onderhuids bindweefsel

2

De huid bestaat uit drie lagen. Hieronder staan zes kenmerken. Vul in de tweede kolom in bij welke huidlaag het kenmerk hoort. Kies uit: opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel.

1 10

Het vet in deze laag zorgt voor warmte-isolatie. Er zitten geen bloedvaten in deze laag.

In dit werkboek staan verschillende soorten opdrachten. Deze helpen je om je de benodigde vakkennis en beroepsvaardigheden eigen te maken.

In deze laag zitten zweetklieren. In deze laag zitten pigmentkorrels. Deze laag is dikker op de billen, bovenbenen en bovenarmen. Deze laag bestaat uit de hoornlaag en de kiemlaag.

3

Verwerking Verwerkingsopdrachten helpen je de theorie te leren en te begrijpen. Ze zijn geordend per hoofdstuk.

De huid vertelt veel over iemand. a Beschrijf wat je aan jouw huid kunt aflezen.

1 11

Toepassing Praktijksituaties hiermee pas je de theorie toe in realistische praktijkbeschrijvingen. Vaardigheden om de benodigde beroepsvaardigheden aan te leren. Themaopdrachten grotere opdrachten waarmee je met de kennis en vaardigheden aan de slag gaat. Je werkt dan ook aan belangrijke algemene vaardigheden als samenwerken, informatie zoeken, presenteren, kritisch denken, plannen en problemen oplossen.

Toepassing Praktijksituaties Het gedrag van Jolanda maakt Chaimaa onzeker tijdens de lichamelijke verzorging Chaimaa Chaimaa is tweedejaarsstudent verzorgende IG. In het eerste leerjaar deed ze BPV in een zorgcentrum. Die BPV werd ruim voldoende beoordeeld. Chaimaa werkt nu een week bij de stichting Adamant. Mensen met een beperking hebben daar een zelfstandige woning in een normale woonwijk. Er is een dienstencentrum van waaruit hulp verleend wordt. Elke woning heeft een communicatielijn met dat centrum. Als een bewoner hulp nodig heeft, belt hij naar het dienstencentrum. In haar eerste week heeft Chaimaa kennisgemaakt met alle bewoners en geholpen bij de hygiënische verzorging. Overleg met Hanneke en Chaimaa Begeleidster Hanneke geeft uitleg over hoe de gegevens van zorgvragers vastgelegd worden in een elektronisch zorgdossier. Sommige bewoners vinden het fijn dat er een uitgebreid zorgplan van hen is. Anderen willen geen of nauwelijks informatie in het dossier. De bewoner bepaalt zelf hoe en wanneer hij verzorgd wordt. Hij is zelf actief in het vragen van hulp. ‘Als iemand besluit om een dag niet gewassen te worden, dan respecteren we dat’, vertelt Hanneke. Chaimaa leest het zorgdossier van Jolanda Dan gaat de telefoon. Hanneke neemt op: ‘Komt in orde, Jolanda. Is het goed dat Chaimaa komt? Ja, dat is dat nieuwe meisje dat vorige week begonnen is. Ik zal zeggen dat ze even moet nalezen hoe moeilijk jij bent, ha ha ha!’ Hanneke legt de telefoon neer en vraagt aan Chaimaa: ‘Durf jij het aan om Jolanda zelfstandig te wassen? Je moet wel eerst even in haar dossier kijken. Niet dat het al compleet is, hoor. Jolanda heeft zelf haar persoonsbeschrijving ingetypt, daar stond ze op. Wat er met de rest van het zorgplan moet gebeuren, daar wil ze nog over denken.’ Chaimaa loopt naar de computer en leest het zorgplan van Jolanda. Dan pakt Chaimaa haar jas en gaat.

1 19

THEMA 1 Lichamelijke verzorging

Evaluatie Studiehulp

1 Bouw en functie van huid, slijmvliezen en gebit 1

Stelling 1 De huid is een van de zintuigorganen. 2 Vitamine C wordt in de huid gevormd onder invloed van zonlicht. 3 Bij een verminderde doorbloeding is de huid rood. 4 De huid is overal even dik. 5 Pigmentkorrels bevinden zich in de opperhuid. 6 De buitenste laag van de lederhuid is de hoornlaag. 7 De talgkliertjes bevinden zich in de lederhuid. 8 Het onderhuids bindweefsel bestaat grotendeels uit vet. 9 De lengtegroei van de nagels vindt plaats vanuit het nagelbed. 10 Een volledig gebit van een volwassene bestaat uit 28 tanden en kiezen. 11 Het tandbeen wordt in zijn geheel bedekt door tandglazuur.

Juist Onjuist

◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯

◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯

Hoeveel vragen heb je goed beantwoord?

1 Hygiënische verzorging 2

Stelling Juist Onjuist 1 De hygiënische verzorging heeft meestal alleen invloed op het lichamelijk ◯ ◯ functioneren. 2 Een zorgvrager was je met lekker warm water. ◯ ◯ 3 Smetten is een huidirritatie die kan ontstaan doordat de huidplooien niet ◯ ◯ goed droog gemaakt worden. 4 In fase 2 van smetten is de huid kapot. ◯ ◯ 5 In fase 3 van smetten breng je zinkoxide FNA op de huid aan. ◯ ◯ 6 Neten zijn eitjes van de hoofdluis. ◯ ◯ 7 Bij aanwezigheid van luizen en neten is het gebruik van een ◯ ◯ bestrijdingsmiddel altijd aan te raden. 8 Als iemand hoofdluizen heeft, is dat een teken van een slechte hygiëne. ◯ ◯ 9 Wanneer je iemand scheert met een elektrisch scheerapparaat met een ◯ ◯ scheerblad, moet je op-en-neergaande bewegingen maken. 10 Een fysiologische zoutoplossing kun je gebruiken om de ogen te reinigen. ◯ ◯ 11 Stomatitis is een ontsteking van het oogslijmvlies. ◯ ◯ 12 De teennagels worden in het algemeen recht afgeknipt. ◯ ◯ 13 De vulva was je van schaamheuvel richting anus. ◯ ◯ 14 Zeep is een goed reinigingsmiddel voor de vulva. ◯ ◯ 15 Wanneer je als verzorgende een vrouw moet wassen die menstrueert, kun je ◯ ◯ het best handschoenen dragen.

1 76

Evaluatie Studiehulp een zelftoets waarmee je controleert of je de theorie kent. Antwoorden zijn op te vragen bij je docent. Evaluatie evalueren en reflecteren zijn belangrijke vaardigheden voor jouw toekomstige beroep: zet na elk thema op een rij wat je goed beheerst en wat je actiepunten zijn.


THEMA 5 Zorg voor de bedden

Vaardigheden Een vaardigheid heeft een vaste opbouw: Oefenen Toepassen Transfer Oriënteren

Vaardigheden Bed opmaken, zonder dat de zorgvrager in bed ligt Oriënteren

1

1 2

Bestudeer de theorie over het opmaken van het bed zonder zorgvrager. Bestudeer de beschrijving van deze vaardigheid. Voorbereiding 1 Vertel de zorgvrager wat er gaat gebeuren. 2 Leg of zet de volgende benodigdheden klaar: - niet-steriele handschoenen, een overschort en een wasmand. Voor een bed in de thuissituatie: - hoeslaken; - dekbedovertrek; - kussenslopen. Voor een hoog-laagbed: - boven- en onderlaken; - steeklaken; - deken; - kussenslopen. 3 Creëer voldoende werkruimte rondom het bed. 4 Zet het bed op werkhoogte. 5 Plaats een of twee stoelen aan het voeteneinde van het bed. 6 Verwijder hand- en polssieraden en was of desinfecteer je handen.

Observatielijsten

Observatielijsten Bij de meeste vaardigheden horen observatielijsten. Die vind je direct achter in dit werkboek. De observatielijsten zijn geordend per thema. Bovenaan staat bij welke vaardigheid de observatielijst hoort. Een observatielijst kun je gemakkelijk uit je werkboek halen. Zo kun je ze in de klas of in je BPV laten invullen.

Thema 1 Lichamelijke verzorging

277

Zorgvrager wassen op bed 277 Zorgvrager wassen op bed met wasdoekjes 281 Zorgvrager wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 285 Haren wassen op bed 289 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met een elektrisch scheerapparaat 291 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met scheermes en scheerzeep 293 Tandenpoetsen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 295 Gebitsprothese verzorgen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 297 Mondholte reinigen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 299 Therapeutische elastische kousen met een open teenstuk aantrekken 301 Therapeutische elastische kousen met een gesloten teenstuk aantrekken 303 Therapeutische elastische kousen uittrekken 305 Hygiënische verzorging van een baby 307

Thema 2 Hulp bieden bij de opname van voeding en vocht Hulp bieden aan een zorgvrager die zelf niet kan eten en drinken Flesvoeding geven 311

Thema 3 Hulp bieden bij de uitscheiding

Uitvoering 7 Trek bij kans op contact met uitscheidingsproducten en bloed handschoenen en/ of overschort aan. 8 Leg de kussens op de stoel(en). 9 Maak sprei en dekens los. 10 Let er tijdens het opmaken van het bed op dat je niet te veel met het beddengoed wappert in verband met hygiëne. 11 Zorg ervoor dat tijdens de werkzaamheden het vuile wasgoed zo min mogelijk in contact met het schone wasgoed komt in verband met hygiëne. 12 Vouw sprei en dekens afzonderlijk in drieën en leg ze over de stoel(en). Het beddengoed mag de vloer niet raken. 13 Doe het bovenlaken in drieën gevouwen in de wasmand. 14 Doe het steeklaken in de wasmand. 15 Leg een eventueel zeil ongevouwen over de stoel(en). 16 Doe het onderlaken in de wasmand. 17 Als je het molton niet verschoont, trek je het glad.

1 260

309

309

313

Hulp bij het gebruik van een po op bed 313 Hulp bij het gebruik van een urinaal op bed 317 Verwisselen van een incontinentiemat 319 Externe katheter of condoomkatheter verwisselen 321 Katheterzak verwisselen 325 Verzorgen van een blaaskatheter 327 Laxerende zetpil toedienen 329 Microklysma (microlax) of fosfaatklysma toedienen 331 Hulp bieden bij het manueel verwijderen van ontlasting 333 Hulp bieden bij het opgeven van sputum 335 Hulp bieden bij braken 337 Hulp bieden bij het inbrengen van een tampon bij menstruatie

339

Thema 4 Hygiënisch en ergonomisch verantwoord werken

341

Handen wassen met (vloeibare) zeep 341 Handen desinfecteren met handalcohol 343 Aan- en uittrekken van steriele handschoenen 345 Creëren van een schoon of steriel werkveld 347

1 275

Iconen helpen je op weg In de kantlijn staan icoontjes. Die geven aan wat je in de opdracht kunt verwachten.

1 1 1 1 1 1

geeft aan dat je een deel van de theorie (nog een keer) leest om de vraag te kunnen beantwoorden. bij deze opdracht werk je samen met anderen. bij deze opdracht heb je een computer met internet nodig om informatie op te zoeken. bij deze opdracht werk je aan je schrijfvaardigheden, bijvoorbeeld met het schrijven van een uitgebreid antwoord, verslag of rapport. bij deze opdracht laat je de uitkomsten zien in een mondelinge presentatie. geeft aan dat het gaat om een creatieve opdracht.

Werken met dit werkboek Vind je het prettig om eerst de theorie te lezen en dan te kijken of je het weet en begrepen hebt? Lees dan eerst de theorie en maak daarna de verwerkingsvragen. Ben je meer iemand die het liefst de theorie doorneemt aan de hand van vragen? Start dan met de verwerkingsvragen en leg je theorieboek ernaast. Werk je het liefst vanuit de praktijk? Begin dan met een praktijksituatie of een themaopdracht en kijk of je de vragen kunt beantwoorden met de informatie uit de theorie.


Inhoudsopgave Thema 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen 10 Verwerking 12 Verwerkingsopdrachten 12 Hoofdstuk 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen 12 Hoofdstuk 2 Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen Hoofdstuk 3 Neurocognitieve stoornissen 17 Toepassing 20 Praktijksituaties 20 Marit heeft ADHD 20 Mevrouw Bos is bang voor de agressie van haar man Pieter wordt opgenomen binnen de Jeugd GGZ 26 Themaopdrachten 29

23

Evaluatie 30 Studiehulp 30 Hoofdstuk 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen 30 Hoofdstuk 2 Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen Hoofdstuk 3 Neurocognitieve stoornissen 31 Evaluatie en reectie 32

Thema 2 Eet- en verslavingsstoornissen

34

Verwerking 35 Verwerkingsopdrachten 35 Hoofdstuk 4 Zorgvragers met een eetstoornis 35 Hoofdstuk 5 Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen Toepassing 40 Praktijksituaties 40 Hoe Josien anorexia nervosa ontwikkelde 40 Vincent is alcoholverslaafd en belandt op straat Vaardigheden 47 Motiverende gespreksvoering 47 Themaopdrachten 50

6

37

44

Evaluatie 52 Studiehulp 52 Hoofdstuk 4 Zorgvragers met een eetstoornis 52 Hoofdstuk 5 Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen Evaluatie en reectie 54

1

14

52

30


Thema 3 Slaap-, waak- en overige stoornissen

56

Verwerking 57 Verwerkingsopdrachten 57 Hoofdstuk 6 Slaap-waakstoornissen 57 Hoofdstuk 7 Overige stoornissen 59 Toepassing 62 Praktijksituaties 62 Als ik maar eens één nacht goed zou kunnen slapen 62 Hinderlijke bijwerkingen 65 Themaopdrachten 68 Evaluatie 70 Studiehulp 70 Hoofdstuk 6 Slaap-waakstoornissen 70 Hoofdstuk 7 Overige stoornissen 70 Evaluatie en reflectie 72

Thema 4 De leefomgeving van de psychiatrische zorgvrager Verwerking 76 Verwerkingsopdrachten 76 Hoofdstuk 8 Woon-/leefmilieu van psychiatrische zorgvragers Hoofdstuk 9 Aspecten van groepen 80 Hoofdstuk 10 Processen binnen groepen 82 Hoofdstuk 11 Organisatie en sturing van groepen 87

74

76

Toepassing 91 Praktijksituaties 91 Kirsten komt in een nieuwe groep terecht en voelt zich erg alleen … Wrijving in de leefgroep 95 Is zorgvrager Karsci te druk voor de groep? 100 Vaardigheden 104 Herkennen van individuele normen in een groep 104 Ondersteunen van een veilig groepsklimaat 106 Communicatiekanalen openhouden 110 Observeren van gedragsrollen 113 Themaopdrachten 115 Evaluatie 116 Studiehulp 116 Hoofdstuk 8 Woon-/leefmilieu van psychiatrische zorgvragers Hoofdstuk 9 Aspecten van groepen 117 Hoofdstuk 10 Processen binnen groepen 117 Hoofdstuk 11 Organisatie en sturing van de groep 118 Evaluatie en reflectie 119

1 7

116

91


Thema 5 Begeleiding van een (leef)groep

121

Verwerking 122 Verwerkingsopdrachten 122 Hoofdstuk 12 Groepen in de psychiatrie en hun begeleiding 122 Hoofdstuk 13 Methodisch begeleiden van (leef)groepen 125 Toepassing 130 Praktijksituaties 130 Verpleegkundige Floortje bespreekt het menu met een groep zorgvragers Samen eten 134 Vaardigheden 138 Coördineren van groepsactiviteiten 138 Omgaan met groepsconflicten 142 Themaopdrachten 146 Evaluatie 147 Studiehulp 147 Hoofdstuk 12 Groepen in de psychiatrie en hun begeleiding 147 Hoofdstuk 13 Methodisch begeleiden van (leef)groepen 147 Evaluatie en reflectie 149

Thema 6 Behandeling bij psychische stoornissen

151

Verwerking 153 Verwerkingsopdrachten 153 Hoofdstuk 14 Behandeling en zorgaanbod bij psychische problemen 153 Hoofdstuk 15 Biologisch georiënteerde behandelmethoden 155 Hoofdstuk 16 Psychologisch georiënteerde behandelmethoden 160 Hoofdstuk 17 Sociaal georiënteerde, complementaire en alternatieve behandelmethoden 163 Toepassing 168 Praktijksituaties 168 Ik voel me zo afschuwelijk, ik denk dat ik stop met de medicijnen … Het gaat niet goed met Achmed 175 Themaopdrachten 179 Evaluatie 180 Studiehulp 180 Hoofdstuk 14 Behandeling en zorgaanbod bij psychische stoornissen Hoofdstuk 15 Biologisch georiënteerde behandelmethoden 181 Hoofdstuk 16 Psychologisch georiënteerde behandelmethoden 182 Hoofdstuk 17 Sociaal georiënteerde, complementaire en alternatieve behandelmethoden 182 Evaluatie en reflectie 184

1 8

168

180

130


Thema 7

Klinisch redeneren, coördinatie, kwaliteitszorg en voorlichting

Verwerking 187 Verwerkingsopdrachten 187 Hoofdstuk 18 Klinisch redeneren 187 Hoofdstuk 19 Coördinatie en continuïteit van zorg 190 Hoofdstuk 20 Kwaliteitszorg 192 Hoofdstuk 21 Voorlichting, advies en instructie 194 Toepassing 198 Praktijksituaties 198 Discussie over kwaliteit 198 Wat is er aan de hand? 201 Twijfels 205 Themaopdrachten 209 Evaluatie 211 Studiehulp 211 Hoofdstuk 18 Klinisch redeneren 211 Hoofdstuk 19 Coördinatie en continuïteit van zorg 211 Hoofdstuk 20 Kwaliteitszorg 212 Hoofdstuk 21 Voorlichting, advies en instructie 212 Evaluatie en reflectie 214

Thema 8 Branche en samenleving

216

Verwerking 217 Verwerkingsopdrachten 217 Hoofdstuk 22 Maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot de GGZ Hoofdstuk 23 Ethiek in de GGZ 219 Hoofdstuk 24 Wetgeving, belangenbehartiging en financiering 221

217

Toepassing 225 Praktijksituaties 225 Maatschappelijk succes 225 Saida is depressief 229 Ajaj wordt niet begrepen 233 Themaopdrachten 236 Evaluatie 238 Studiehulp 238 Hoofdstuk 22 Maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot de GGZ Hoofdstuk 23 Ethiek in de GGZ 238 Hoofdstuk 24 Wetgeving, belangenbehartiging en financiering 239 Evaluatie en reflectie 240

1 9

238

186


Thema 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

1

In dit thema leer je welke neurobiologische ontwikkelingstoornissen er zijn, wat de kenmerken hiervan zijn en welke behandelingen effectief zijn. We staan uitgebreid stil bij ADHD en autisme (ASS) en bij de verpleegkundige aandachtspunten in de zorg aan zorgvragers met deze diagnose. Hierbij maken we onderscheid tussen kinderen en volwassenen. Je vormt je een beeld van de meest voorkomende gedragsstoornissen bij kinderen en volwassenen en de verschillen tussen de stoornissen. Ook van deze stoornissen leer je welke behandelvormen er zijn en welke verpleegkundige aandachtspunten van belang zijn in de zorg aan deze zorgvragers. Ten slotte neem je kennis van neurocognitieve stoornissen. Je leert hoe je deze kunt herkennen en onderscheiden, en wat de oorzaken en gevolgen van deze stoornissen zijn. Omdat de gevolgen zich op verschillende gebieden voordoen, heb je als verpleegkundige verschillende taken, rollen en verantwoordelijkheden. Daarom besteden we veel aandacht aan de verpleegkundige aandachtspunten in de zorg aan deze doelgroep. Deze aandachtspunten hebben betrekking op lichamelijke zorg, psychische zorg, praktische zorg, begeleiden van de omgeving van de zorgvrager, comorbiditeit en zorgcoördinatie. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen • verstandelijke beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis) • autismespectrumstoornis (ASS) • aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) • communicatiestoornissen • specifieke leerstoornissen • motorische stoornissen Hoofdstuk 2: Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen • oppositionele-opstandige stoornis • normoverschrijdend-gedragsstoornis • periodieke explosieve stoornis • pyromanie • kleptomanie • onderscheid tussen impulscontrolestoornis en dwangstoornis

1 10


Hoofdstuk 3: Neurocognitieve stoornissen • neurocognitieve stoornis • delirium • ouderdomsvergeetachtigheid • neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer • vasculaire neurocognitieve stoornis • neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie • neurocognitieve stoornissen door andere niet-traumatische oorzaken • neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel

1 11


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

Verwerking Verwerkingsopdrachten

1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen 1

1

Zorgvragers met een verstandelijke beperking hebben beperkingen in het adaptieve functioneren. a Wat wordt onder ‘het adaptieve functioneren’ verstaan?

b

Op welke gebieden doen deze beperkingen zich voor?

c

Geef van elk gebied een voorbeeld.

2

Welke redenen zijn er waardoor het aantal zorgvragers met een autismespectrumstoornis (ASS) de laatste jaren is toegenomen? a Omdat de criteria van de diagnose ASS zijn verruimd. b Omdat de maatschappij meer eisen stelt aan sociale en communicatieve vaardigheden. c Omdat het tegenwoordig bij het stellen van de diagnose niet meer van belang is of je als kind ook kenmerken van ASS had. d Omdat in het verleden alleen kinderen de diagnose ASS kregen.

3

Op welke twee domeinen heeft een zorgvrager met ASS tekortkomingen?

4

Wat is een belangrijk verpleegkundig aandachtspunt in de communicatie met een zorgvrager met ASS? a Stel zo veel mogelijk open vragen. b Vertel zo veel mogelijk grapjes. c Zeg wat de zorgvrager niet goed doet en doe voor hoe het wel moet. d Zorg voor een plek met weinig prikkels.

1 12


Verwerkingsopdrachten

1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen

5

ADHD wordt ook wel de stoornis van de rem genoemd: de rem op denken, handelen en emoties is er af. Kies de juiste woorden. ADHD begint altijd in de kinderjaren / pubertijd. De kenmerken bij ADHD hebben vaak een chronisch / circulair beloop. De klachten gaan niet / soms over. Neurotransmitters zijn stoffen die ervoor zorgen dat zenuwen goed met elkaar kunnen communiceren. Bij ADHD lijkt er een overschot / tekort te zijn aan die stoffen.

6

ADHD bestaat uit drie hoofdkenmerken: hyperactiviteit (H), onoplettendheid (O) en impulsiviteit (I). Zet de letters van de genoemde hoofdkenmerken achter de omschrijvingen van gedrag.

Omschrijving gedrag

Hoofdkenmerk

Bert luistert niet. Als de meester vraagt of Bert kan herhalen wat er is gezegd, kan Bert dat niet. Fien wipt op haar stoel en kan niet van de spullen die op haar tafel liggen afblijven. Jip is voortdurend zijn schrift en pen kwijt. Ook zijn tas kan hij niet meer terugvinden. Joop valt Mariska voortdurend in de rede; ze kan haar verhaal niet afmaken.

7

Leg uit waarom zorgvragers met ADHD het risico hebben om een depressieve stoornis te ontwikkelen.

8

Welke verpleegkundige aandachtspunten zijn zowel van belang in de zorg aan zorgvragers met ADHD als ASS? a Gebruik van beeldspraak. b Geef positieve feedback. c Zorg voor een prikkelarme omgeving. d Zorg voor structuur en duidelijkheid.

1 13


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

9

Bij het proces waarbij een boodschap wordt overgebracht van de zender naar één of meer ontvangers kan van alles misgaan. Een taalstoornis is een vorm van een communicatiestoornis. a Welke drie kenmerken heeft een taalstoornis? De zorgvrager met een taalstoornis heeft

b

Wat geldt voor zorgvragers met een sociale communicatiestoornis?

Stelling I: Zorgvragers met een sociale communicatiestoornis hebben moeite met het gebruik van verbale communicatie. Stelling II: Zorgvragers met een sociale communicatiestoornis hebben moeite met het gebruik van non-verbale communicatie.

a b c d

Alleen stelling Alleen stelling Stelling I en II Stelling I en II

I is juist. II is juist. zijn beide juist. zijn beide onjuist.

impulsbeheersings- en andere 1 Disruptieve, gedragsstoornissen 2

1

Dit hoofdstuk gaat over disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen. Wat is het kenmerk van een disruptieve stoornis? a ADHD b ASS c Het niet kunnen beheersen van het gedrag d Het niet kunnen beheersen van de impulsen e Verslavingsgedrag

2

De oppositionele-opstandige stoornis is een gedragsstoornis. Geef aan of de genoemde kenmerken wel of niet een kenmerk van de oppositioneleopstandige stoornis zijn.

Kenmerken

Wel

snel geïrriteerd zijn achterdochtig zijn de schuld op zich nemen wraakzuchtig zijn

1 14

Niet


Verwerkingsopdrachten

3

2 Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen

Bij een oppositionele-opstandige stoornis moet worden voorkomen dat de gedragsstoornis zich uitbreidt en er meerdere problemen ontstaan. Vul de juiste woorden in. De behandeling van een oppositionele-opstandige stoornis bestaat uit het verbeteren van de

vaardigheden van ouders, het vergroten van vaardigheden van het kind en het verbeteren van het .

functioneren van het gehele 4

Wat zijn belangrijke verpleegkundige interventies in de zorg aan mensen met een gedragsstoornis? a De zorgvrager aanspreken op zijn verantwoordelijkheid. b De zorgvrager zelf zijn grens laten bepalen. c Het belonen van gewenst gedrag. d In discussie gaan over regels.

5

Lees de situatieschets.

Marcel scheldt Joop, ook een zorgvrager, uit wanneer deze tijdens het eten aan het smakken is. ‘Hé joh, idioot, loop niet zo vies te vreten, mafkees.’

Wat is een juiste reactie van de verpleegkundige? a ‘Ja Joop, ik vind ook dat je niet echt netjes eet.’ b ‘Marcel, bemoei je met je eigen zaken.’ c ‘Marcel, jij eet zelf ook niet al te netjes.’ d ‘Marcel, schelden wordt niet getolereerd, daar moet je mee stoppen.’ 6

Wat is juist over de normoverschrijdend-gedragsstoornis?

Stelling I: Deze stoornis komt het meest voor bij jonge kinderen. Stelling II: Zorgvragers met deze stoornis hebben eerder vaak de diagnose oppositionele- opstandige gedragsstoornis gehad. Stelling III: De normoverschrijdend-gedragsstoornis komt slechts in één situatie voor.

a b c d

Alleen stelling I is juist. Alleen stelling II is juist. Stelling I en III zijn juist. Stelling II en III zijn juist.

1 15


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

7

Een stoornis bestaat uit verschillende kenmerken. Welke kenmerken horen bij welke stoornis? Kies de juiste woorden. Het mishandelen van dieren is een van de kenmerken van een normoverschrijdendgedragsstoornis / kleptomanie. Spijbelen is een kenmerk van een normoverschrijdend-gedragsstoornis / ASS. Zorgvragers met pyromanie stichten bewust / onbewust brand en ze ervaren hierbij boosheid / opwinding.

8

Waarom vindt de behandeling van een normoverschrijdend-gedragsstoornis vaak plaats binnen het forensische circuit?

9

Welke van de stoornissen zijn stoornissen in de impulscontrole? a ASS b oppositionele-opstandige stoornis c periodieke explosieve stoornis d pyromanie

10

De periodieke explosieve stoornis, kleptomanie en pyromanie zijn impulsbeheersingsstoornissen. Combineer de stoornis met de omschrijving ervan.

Omschrijving

11

Stoornis

1

de drang om brand te stichten

a

kleptomanie

2

de drang om dingen te stelen

b

periodieke explosieve stoornis

3

impulsieve agressieve uitbarstingen

c

pyromanie

Drangstoornissen en dwangstoornissen zijn duidelijk verschillend. Welke uitspraken zijn juist over een drangstoornis en een dwangstoornis? a De behandeling voor een drangstoornis lijkt veel op de behandeling voor een dwangstoornis. b Iemand met een drangstoornis heeft een stoornis in impulscontrole. c Iemand met een dwangstoornis heeft een disruptieve stoornis. d Iemand met een dwangstoornis is gespannen en angstig wanneer hij geen dwanghandelingen uitvoert.

1 16


Verwerkingsopdrachten

3 Neurocognitieve stoornissen

1 Neurocognitieve stoornissen 3

1

Welk type neurocognitieve stoornis een zorgvrager heeft, kun je vaststellen op basis van vier stappen. Zet de stappen in de juiste volgorde. Zet een 1 voor de eerste stap, een 2 voor de volgende stap en zo verder. onderscheid maken tussen een beperkte en uitgebreide neurocognitieve stoornis uitsluiten van een delirium vaststellen van de aanwezigheid van wel of geen gedragsproblemen vaststellen van de mogelijke oorzaak van de neurocognitieve stoornis

2

Een delirium wordt ook wel een delier genoemd. Wat is een kenmerk van een delier? a een depressie b een gedragsstoornis c een manie d een stoornis in het bewustzijn

3

Een bepaalde groep mensen heeft een verhoogd risico om een delier te ontwikkelen. Geef aan of de genoemde groep wel of niet een verhoogd risico heeft om een delier te ontwikkelen.

Risicogroep

Wel

Niet

zorgvragers met een blaasontsteking zorgvragers met een gedragsstoornis zorgvragers met koorts zorgvragers met ondervoeding zwangere vrouwen

4

Een neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer kenmerkt zich door drie fasen met bijbehorende kenmerken. Kies de juiste woorden. In de vroege fase valt als eerste op dat de zorgvrager agressief / vergeetachtig wordt. Er is meestal sprake van een beperkte / uitgebreide neurocognitieve stoornis. In de middenfase komt agressief gedrag / terugtrekgedrag vaak voor. Ook hebben zorgvragers hulp nodig bij dagelijkse handelingen / muziek luisteren. In de late fase is de zorgvrager steeds meer afhankelijk / apathisch. Zorgvragers zijn vaak onrustig / vrolijk.

1 17


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

5

Een neurocognitieve stoornis kan onder andere komen door de ziekte van Alzheimer en een vasculaire aandoening. Welke kenmerken horen bij Alzheimer en welke horen bij een vasculaire aandoening? Zet de kenmerken in de juiste kolom. Een kenmerk kan ook in beide kolommen passen. Kies uit: abrupt begin – begint met geheugenproblemen – vaak depressieve stemming – hersendelen sterven af – hersencellen sterven af – grootste groep van neurocognitieve stoornissen – op één na grootste groep van neurocognitieve stoornissen – progressieve aandoening – sluipende achteruitgang – sprongsgewijze achteruitgang

Alzheimer

Vasculaire aandoening

6

Wat is de meest voorkomende oorzaak van een vasculaire neurocognitieve stoornis? a een beroerte b een ongeval c medicatie d middelenmisbruik

7

Waarom moeten zorgvragers die langdurig alcohol gebruiken vitamine B krijgen?

8

Wat is het voornaamste doel van ketenzorg? a De zorg van mantelzorgers overnemen. b De zorg zo veel mogelijk door de zorgvrager laten betalen. c Zorgvragers zo lang mogelijk op een goede manier thuis kunnen laten wonen. d Zorgvragers zo snel mogelijk opnemen.

1 18


Verwerkingsopdrachten

9

3 Neurocognitieve stoornissen

Lees de situatieschets.

Mevrouw AĂŻsa is bekend met manische perioden. Ze gebruikt lithium. Sinds drie jaar heeft ze een neurocognitieve stoornis. Ze wordt steeds vergeetachtiger en is wantrouwend naar de mensen om haar heen. Ze vergeet zelf meestal haar medicatie in te nemen en de verpleegkundige van de thuiszorg vertrouwt ze niet meer. Alleen haar dochter vertrouwt ze nog.

10

a

Welk risico heeft de vergeetachtigheid en het wantrouwen van mevrouw AĂŻsa?

b

Wat kun je doen om dit risico te verkleinen?

Wat geldt over de oorzaak van traumatisch hersenletsel?

Stelling I: Een traumatisch hersenletsel heeft een uitwendige oorzaak. Stelling II: Een traumatisch hersenletsel heeft een inwendige oorzaak.

a b c d 11

Alleen stelling Alleen stelling Stelling I en II Stelling I en II

I is juist. II is juist. zijn beide juist. zijn beide onjuist.

Wat zijn de redenen dat traumatisch hersenletsel vaak gepaard gaat met psychiatrische ziektebeelden? a Omdat psychiatrische ziektebeelden door de hersenbeschadiging zelf kunnen ontstaan. b Omdat psychiatrische ziektebeelden vaak als gevolg van de beperkingen door de hersenbeschadiging ontstaan. c Omdat psychiatrische ziektebeelden vaak leiden tot traumatisch hersenletsel. d Omdat traumatisch hersenletsel altijd ontstaat door een psychiatrisch ziektebeeld.

1 19


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

Toepassing Praktijksituaties Marit heeft ADHD Marit is een 8-jarig meisje. Ze zit in groep 5. Op school heeft ze vaak conflicten met klasgenootjes. Ze praat voor haar beurt en is erg druk. Ze reageert op alles wat haar klasgenootjes doen en zeggen. Meester Jesse wordt moedeloos van het gedrag van Marit. Luisteren doet ze maar niet. Het lijkt wel of ze de regels niet opslaat. Hij heeft van alles geprobeerd: straf geven, het gedrag negeren, boos worden. Niets hielp. Kinderen uit de klas vinden Marit maar stom. Ze pakt spullen af en wil altijd de baas spelen. Ook slaat ze kinderen. Marit merkt dat kinderen haar niet leuk vinden. Ze voelt zich eenzaam en wil met de andere kinderen uit de klas meespelen. Ze reageert boos wanneer ze niet mag meedoen. De maatschappelijk werkster van school neemt contact op met de ouders van Marit. In het gesprek dat ze met elkaar hebben komt het gedrag van Marit naar voren. De moeder van Marit vindt het gedrag van Marit soms ook lastig. Ze moet regels constant herhalen en Marit wordt boos wanneer haar moeder boos op haar wordt. Het is een pittig meisje. De ouders van Marit denken dat het gewoon een fase is en dit gedrag vanzelf over gaat. Dat hebben ze met Job, de broer van Marit, ook meegemaakt. Ze hebben het idee dat kinderen op school Marit buitensluiten en ze daarom zo dwars is. De maatschappelijk werkster stelt voor Marit te laten testen op ADHD. De ouders van Marit schrikken hiervan. ‘ADHD, dat is toch zo een mode diagnose? Ieder druk kind heeft tegenwoordig ADHD. Die kinderen moeten gewoon meer grenzen hebben. Nee hoor, Marit heeft geen ADHD. Ze krijgt geen stempel, dan wordt ze nog meer gepest. Ze zit gewoon in een moeilijke fase en het zou fijn zijn als ze zich op school wat meer geaccepteerd zou voelen’, zegt haar vader. Marit gaat helaas steeds meer agressief gedrag vertonen. Op een dag krijgt ze weer ruzie met een klasgenootje en ze schopt en slaat twee kinderen. Op school is het gedrag van Marit niet meer te hanteren. De ouders van Marit komen weer op gesprek. Vanuit school worden zorgen geuit over haar gedrag. Dan barst moeder in tranen uit. ‘Ik weet ook niet meer wat ik moet doen. Ze volgt de regels niet op en is dwars. Ik laat haar maar achter de iPad, dan is ze rustig en heb ik ook rust. Mijn zus vertelde mij ook dat ze aan ADHD dacht. Hoe kan dat nou, wat hebben we fout gedaan?’ De maatschappelijk werkster legt uit dat ADHD niet ontstaat door foute opvoeding maar dat het een ontwikkelingsstoornis is. Moeder stemt in met een onderzoek naar ADHD. Vader is het hier niet helemaal mee eens, maar stemt toch in. Hij heeft zich nooit gerealiseerd dat de problemen met Marit zo groot

1 20


Praktijksituaties

Marit heeft ADHD

waren. Hij is vaak van huis vanwege zijn werk. Moeder heeft het nooit durven zeggen tegen haar echtgenoot, uit angst dat het aan haar opvoeding lag en ze gefaald had. Marit wordt binnen de GGZ organisatie getest op ADHD. Ze voldoet aan de kenmerken van ADHD. Ze krijgt een behandeling binnen de GGZ. 1

Welke gedragskenmerken van Marit kunnen op ADHD wijzen?

2

Wat zijn de gevolgen van haar gedrag op school?

3

Hoe gaat moeder om met het gedrag van Marit?

4

Hoe zou je ouders die zich schuldig voelen kunnen begeleiden?

5

De maatschappelijk werkster zegt dat ADHD een neurobiologische ontwikkelingsstoornis is. Wat bedoelt zij daarmee?

6

Leg uit waarom het belangrijk is dat Marit wordt getest op ADHD.

7

Marit krijgt een behandeling binnen de GGZ. a Welke behandeling zou jij aanbieden aan Marit?

1 21


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

b

Welke begeleiding en adviezen zou jij aan de ouders van Marit geven?

c

Welke begeleiding en adviezen zou je aan de school geven?

1 22


Praktijksituaties

Mevrouw Bos is bang voor de agressie van haar man

Mevrouw Bos is bang voor de agressie van haar man Meneer Bos heeft een neurocognitieve stoornis Meneer Bos is een 84-jarige zorgvrager die sinds vier jaar bekend is met een neurocognitieve stoornis. Hij is bijna 60 jaar getrouwd. Het echtpaar heeft geen kinderen. Barbra is de casemanager van meneer Bos. Zij coördineert de zorg die het echtpaar Bos ontvangt. Dagelijks komt de thuiszorg om meneer Bos te helpen met wassen en aankleden. Dit kan hij niet meer zelf; hij kan zich niet meer herinneren hoe dit moet. Ook is hij soms verward en weet hij niet meer of het nu ochtend of avond is. Een verpleegkundige verstrekt dagelijks de medicatie. Wekelijks komt er een vrijwilligster langs om iets te doen met meneer Bos, zodat mevrouw Bos een middag voor zichzelf heeft. De buren zijn behulpzaam wanneer er bijvoorbeeld zware boodschappen gedaan moeten worden. Zo gaat het een lange tijd redelijk goed. Meneer Bos wordt achterdochtig en agressief Geleidelijk aan ontwikkelt meneer Bos achterdochtige ideeën. Hij denkt dat er ingebroken wordt en dat de thuiszorgmedewerkster zijn geld steelt. Hij wil haar niet meer binnenlaten. Mevrouw Bos moet van alles uit de kast halen om dit wel voor elkaar te krijgen. Dan wordt meneer Bos agressief. Als hij wordt gewassen deelt hij wel eens een mep uit. De thuiszorg vindt het niet prettig dat meneer Bos agressief reageert. Ook is hij soms agressief naar zijn echtgenote. Als zij hem eten voorzet, scheldt hij haar uit. ‘Ik moet die troep niet, wat heb je erin gedaan?’ Meneer Bos vertrouwt het allemaal niet meer. Hij is op zijn hoede. Op een nacht gaat hij in zijn pyjama naar buiten met een schop. Hij denkt dat er mensen zijn die zijn huis binnen willen en die zal hij wel even neerslaan. Mevrouw Bos wordt angstig van het gedrag van haar echtgenoot. Barbra neemt contact op met een psychiater van de GGZ, die medicatie voorschrijft. Ook wordt meneer Bos aangemeld voor de dagbehandeling. De zorg thuis wordt uitgebreid, zodat mevrouw Bos ontlast wordt. Mevrouw Bos wordt bang voor haar man Aanvankelijk leek dit goed aan te slaan. Meneer Bos werd milder en zijn agressieve gedrag nam ook af. Op een dag komt hij met angst in zijn ogen naar zijn echtgenote toe lopen. ’We moeten hier weg, ze komen er aan.’ Hij pakt een koffer en stopt hier allerlei keukenspullen in. Mevrouw Bos wil hem tegenhouden. Hij duwt haar opzij. Uiteindelijk wordt meneer Bos na een uur weer rustig wanneer zijn echtgenote hem weet af te leiden en hem medicatie geeft. Mevrouw Bos wordt bang voor haar echtgenoot. Zij durft nauwelijks meer te slapen, omdat haar echtgenoot ’s nachts vaak wakker is. Hij lijkt haar soms helemaal niet meer te kennen, is agressief en angstig en heeft allerlei ideeën en belevingen die niet kloppen. Mevrouw Bos heeft steeds minder invloed op zijn gedrag. De medicatie wil hij vaak niet, eten en drinken gaan ook steeds minder. Als mevrouw Bos hem op een dag een glas melk wil geven, slaat hij deze uit haar handen en scheldt hij haar uit. Huilend en wanhopig belt mevrouw Bos Barbra op, die contact zoekt met de GGZ. Een opname is niet meer te voorkomen.

1 23


THEMA 1 Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, gedragsstoornissen en neurocognitieve stoornissen

Meneer Bos wordt opgenomen JosĂŠ is verpleegkundige binnen de ouderenzorg. Meneer Bos wordt opgenomen. Jose heeft samen met het echtpaar Bos en de psychiater van de afdeling een opnamegesprek. Hierin wordt duidelijk hoe moeilijk mevrouw Bos het heeft met de opname van haar echtgenoot. Zij voelt zich enorm schuldig en heeft het idee te hebben gefaald. 1

Meneer Bos is bekend met een neurocognitieve stoornis. a Waaruit blijkt dat? Noem vijf kenmerken.

b

2

Barbra neemt contact op met de GGZ en overlegt over een opname. a Welke drie interventies en acties zijn er eerder ingezet om meneer Bos zo lang mogelijk thuis te laten verblijven?

b

3

Is er bij meneer Bos sprake van een beperkte of uitgebreide neurocognitieve stoornis? Licht je antwoord toe.

Waarom is het een juiste keuze van Barbra om een opname te bespreken? Licht je antwoord toe.

JosĂŠ doet samen met de arts een opnamegesprek. a Leg uit waarom het belangrijk is de echtgenote bij de opname van meneer Bos te betrekken.

b

Op welke manier houd je in het opnamegesprek rekening met de beperkingen van meneer Bos?

1 24


Praktijksituaties

4

Mevrouw Bos is bang voor de agressie van haar man

Meneer Bos heeft verpleegkundige zorg nodig. a Welke structurerende begeleiding zou jij meneer Bos bieden? Licht je antwoord toe.

b

Welke ondersteuning bij zelfzorgactiviteiten zou jij meneer Bos bieden? Noem er drie. Licht je antwoord toe.

5

Meneer Bos vertoont agressief gedrag. Hoe kun je zorgen voor de veiligheid van meneer Bos en medezorgvragers op de afdeling? Noem drie interventies/acties.

6

Mevrouw Bos voelt zich schuldig. Wat zou jij als verpleegkundige kunnen doen om haar te ondersteunen? Noem drie interventies.

1 25


WERKBOEK NIVEAU 4

Geestelijke gezondheidszorg 2

Deze uitgave Geestelijke gezondheidszorg 2 maakt deel uit van de serie Traject V&V. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande werkprocessen uit het kwalificatiedossier Mbo-Verpleegkundige. P3-K1-W1 Biedt een zorgvrager herstelondersteunende zorg P3-K1-W2 Communiceert met zorgvragers gericht op maatschappelijke participatie P3-K1-W3 Begeleidt een groep zorgvragers en naastbetrokkenen

verpleegkundige

De leermiddelen uit de serie Traject V&V zijn bestemd voor de opleiding Verzorgende IG (niveau 3) en de opleiding Mbo-Verpleegkundige (niveau 4). Door de thematische opbouw is Traject V&V geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden. Het complete aanbod van Traject V&V bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie of reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject V&V? Kijk dan op: www.thiememeulenhoff.nl/trajectvenv

Geestelijke gezondheidszorg 2 WERKBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorieboeken.

Auteurs: A. Engeltjes A. Willemse Onder redactie van: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

9 789006 910735

WB_GGZ2_N4_210x297.indd All Pages

24/10/17 15:21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Geestelijke gezondheidszorg 2 niveau 4 werkboek by ThiemeMeulenhoff - Issuu