Skip to main content

Gehandicaptenzorg niveau 4 theorieboek

Page 1

THEORIEBOEK NIVEAU 4

Gehandicaptenzorg

Deze uitgave Gehandicaptenzorg maakt deel uit van de serie Traject V&V. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande werkprocessen uit het kwalificatiedossier MboVerpleegkundige. P4-K1-W1 Ondersteunt en begeleidt bij het ontwikkelen en behouden van vaardigheden P4-K1-W2 Communiceert met en begeleidt doelgroepen in de GHZ P4-K1-W3 Begeleidt een groep zorgvragers en naastbetrokkenen

verpleegkundige

De leermiddelen uit de serie Traject V&V zijn bestemd voor de opleiding Verzorgende IG (niveau 3) en de opleiding Mbo-Verpleegkundige (niveau 4). Door de thematische opbouw is Traject V&V geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden. Het complete aanbod van Traject V&V bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie of reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent.

Gehandicaptenzorg THEORIEBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorieboeken.

Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject V&V? Kijk dan op: www.thiememeulenhoff.nl/trajectvenv

Auteurs: R.F.A. Schrijver A.C. Verhoef S.M.T. Vogel Onder redactie van: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

9 789006 910452

TB_Gehandicaptenzorg_N4_190x270mm.indd All Pages

19/06/17 13:36


Gehandicaptenzorg NIVEAU 4


THEORIEBOEK

NIVEAU 4

Gehandicaptenzorg verpleegkundige

R.F.A. SCHRIJVER A.C. VERHOEF S.M.T. VOGEL

Onder redactie van: C.A. ABRAHAMSE M.H.A.J. GLOUDEMANS


Colofon Auteurs

Foto’s

R.F.A. Schrijver

ANP © blz. 36, 377

A.C. Verhoef

Andy Cross / The Denver Post via Getty Images) © blz. 170

S.M.T. Vogel

A/Z Grafisch Servicebureau © blz. 164 Bernard van Berg / Getty Images © blz. 208

Redactie

Burger/Phanie/ Getty Images blz. 340

C.A. Abrahamse

Dean Mitchell / Getty Images © blz. 258, 292

M.H.A.J. Gloudemans

Edwin Janssen / Hollandse Hoogte © blz. 69 FatCamera / Getty Images © blz. 185

Vormgeving binnenwerk en omslag

Glenn Koenig / Los Angeles Times via Getty Images © blz. 26

Studio Fraaj, Rotterdam

GlobalStock / Getty images © blz. 236 Hulphond.nl © blz. 203r

Fotografie omslag

Image Source / Getty Images © blz. 213

Peter Bak, Rotterdam

Karin Ligthart Fotografie © blz. 182, 253, 263, 267, 269, 272, 278, 281, 284, 287

Opmaak

Koen Verheijden; / Hollandse Hoogte © blz. 368

Imago Mediabuilders, Amersfoort

Loesje.nl © blz. 35 Mirador Media (Anke Gielen/Koen Bakx/Maria van der

Technisch tekenwerk

Heijden): © blz. 40, 46, 181l, 202, 203l, 204, 218, 219, 225, 227,

Tiekstra Media, Groningen

242, 244, 301, 304, 311, 313, 329, 351, 355, 364, 391 Muriel de Seze / Getty Images © blz. 100

Anatomisch tekenwerk

PeopleImages / Getty Images © blz. 20

Ad Gruter, Nieuwegein 103, 104, 107, 137, 138, 140, 142,

Sake Rijpkema / Hollandse Hoogte © blz. 297

154, 161, 181r, 210, 224

Simonkr / Getty Images © blz. 316

Gemma Stekelenburg 106, 141, 187, 223

Shutterstock © blz. 320 Vinko Murko / Getty Images © blz. 134 touchtotell.com © blz. 201r

Over ThiemeMeulenhoff Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze ThiemeMeulenhoff van educatieve tot een learning Weenbrengen content, leerontwerp en technologie groeiende expertise, ontwikkelt ervaring enzich leeroplossingen zijn uitgeverij we een partner voor scholendesign bij hetcompany. vernieuwen verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samensamen. beter recht Met groeiende expertise, ervaringen enscholen leeroplossingen we dat eenleren partner voorpersoonlijker, scholen bij het vernieuwen en verbeteren doenonze aan de verschillen tussen lerenden en ervoor zijn zorgen steeds effectiever en efficiënter wordt. van onderwijs. Zo kunnen we

samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen.

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

www.thiememeulenhoff.nl ISBN 9789006910452

ISBN 978 90 06 91045 2 Tweede druk, Tweede druk, eerste eersteoplage, oplage,2017 2017 © ThiemeMeulenhoff, ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 © Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke uitgever. toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17

Voor zover het maken uit deze uitgave is toegestaan op grondtevan artikelaan 16BStichting Auteurswet 1912 j°en het Besluit van 23 augustus 1985,(PRO), Stbl. 471 Auteurswet 1912, dient van menkopieën de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen voldoen PublicatieReproductierechten Organisatie Postbus en artikel 1912, dient men de daarvoor verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatieencompilatiewerken Reproductierechten 3060, 213017 KBAuteurswet Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het wettelijk overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere (artikel 16 Organisatie (PRO),men Postbus 3060, 2130 KBteHoofddorp (www.stichting-pro.nl). overnemen van film gedeelte(n) uit deze readers Auteurswet) dient zich tot de uitgever wenden. Voor meer informatie overVoor het het gebruik van muziek, en het maken vanuitgave kopieënininbloemlezingen, het onderwijs zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zichernaar alsnoggestreefd tot de uitgever wenden. De uitgever heeft de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.

Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Deze uitgave is volledig CO -neutraal geproduceerd. Dit betekent dat de bosbouw2 voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Ten geleide

De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor verpleging en verzorging aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. De mbo-verpleegkundige wordt opgeleid om in alle branches van de verpleging en verzorging te werken: ziekenhuis, verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg, de geestelijke gezondheidszorg en de gehandicaptenzorg. De breedte (vier contexten) dient gewaarborgd te zijn om te voldoen aan de Wet BIG. Zij levert vanuit een teamverband vraaggerichte intramurale en/of ambulante en/of semimurale zorg. De werkplek is wisselend en kan ook internationaal zijn. Op de werkplek kunnen zowel de zorgvragers als hun zorgbehoeften snel veranderen. De doelgroep waaraan de mbo-verpleegkundige zorg verleent, is zeer divers. De doelgroep bestaat onder andere uit: oudere zorgvragers met beperkte zelfzorg, waaronder psychogeriatrische en somatische zorgvragers; chronisch zieken; revaliderende zorgvragers; zorgvragers met een handicap; klinische zorgvragers; zorgvragers met psychiatrische ziektes en/of stoornissen; barenden, kraamvrouwen en pasgeborenen; kinderen en jeugdigen met potentiële of feitelijke gezondheids- of bestaansdreiging. Bron: kwalificatiedossier op www.s-bb.nl/kwalificatiedossiers Deze kwalificatiedossiers, uitgewerkt in beroepsspecifieke kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen in de gezondheidszorg. De leermiddelen van Traject V&V zijn ontwikkeld voor, en sluiten aan bij, deze kwalificatiedossiers.

Traject V&V is een leermiddelenaanbod voor de opleidingen Verzorgende IG (kwalificatieniveau 3) en Mbo-Verpleegkundige (kwalificatieniveau 4). Traject V&V is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • De leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs in de gezondheidszorg wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de zorgvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt (zorgsituaties). • Sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten Leerstijl en leerervaringen hangen samen met de kenmerken van de mbo-student en zijn of haar situatie. Traject V&V houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten. • Bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisdelen en de brancheprofielen voor de Verzorgende IG. • Er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Binnen het beroepsgerichte opleiden worden leertrajecten afgestemd op reeds aanwezige competenties bij individuele studenten. Bij het verwerven van competenties staat het zich eigen maken van vakkennis en beroepsvaardigheden, in combinatie met de ontwikkeling van de beroepshouding en de persoonlijke vorming, centraal. De leermiddelen van Traject V&V sluiten daarbij aan.


Traject V&V houdt rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk)voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbostudenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject V&V is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt de docent de ruimte om invulling te geven aan zijn rol van ‘begeleider’ van het leerproces van de mbo-student. Traject V&V sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat aandacht is besteed aan verwerkingsopdrachten bij de theorie en de evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. In Traject V&V, inhoudelijk gebaseerd op de kwalificatiedossiers, worden de werkprocessen en uitstroomverbijzonderingen uitgewerkt in drie onderdelen. Theoretische onderbouwing met verwerkingsopdrachten Het onderdeel ‘theorie’, voor het basisdeel bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij het betreffende werkproces. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten, opgenomen in het werkboek, sluiten aan op de leerstof in de theorieboeken. De theorieboeken en werkboeken voor de branchegerichte profielen gaan verdiepend in op de zorg in de verschillende branches. P1: Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) P2: Gehandicaptenzorg (GHZ) P3: Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) P4: Kraamzorg (KZ)

Beroepswerkelijkheid Het onderdeel ‘praktijksituaties’ is opgenomen in het werkboek en geeft realistische beschrijvingen van zorgsituaties uit de praktijk van de verzorgende. In de praktijksituaties komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van ze verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen. In combinatie met de beroepspraktijkvorming wordt de student op deze manier optimaal ondersteund in zijn professionele ontwikkeling. Deze praktijksituaties bevatten voldoende problemen en dilemma’s om als aangrijpingspunt te dienen voor het zelfstandig leren. Beroepsvaardigheden Het onderdeel ‘vaardigheden’ is eveneens opgenomen in het werkboek en biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden. Deze drie onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject V&V. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Het didactisch concept van Traject V&V gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject V&V kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt. Amersfoort, 2017

Redactie en uitgever


Inhoud

Thema 1 De gehandicaptenzorg 1 1.1 1.2

1.3

1.4

21

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg 22 Inleiding 22 Stoornis, beperking en handicap 22 1.2.1 Stoornis 23 1.2.2 Beperking 23 1.2.3 Handicap 24 1.2.4 Voorkeur voor de term beperking 24 Verstandelijke beperking 24 1.3.1 Indeling in functioneringsniveaus 25 1.3.2 DSM-V 26 1.3.3 Misvattingen over verstandelijke beperkingen 27 Lichamelijke beperking 28 1.4.1 Aangeboren of verworven? 29 1.4.2 Soort stoornis en beperking 31 1.4.3 Zichtbaarheid van een stoornis of beperking 31 1.4.4 Achteruitgang door stoornis of beperking 32

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Geschiedenis van de gehandicaptenzorg en voorzieningen Inleiding 33 Geschiedenis vóór de twintigste eeuw 33 Vanaf de twintigste eeuw 34 Voorzieningen 37

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Van intake tot beëindiging van de hulpverlening 39 Inleiding 39 CIZ en toekenning 39 Zorgprofielen voor mensen met een beperking 40 Beëindiging van de zorgverlening 41

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Verpleegkundig proces 42 Inleiding 42 Ondersteuningsplan en kwaliteit 42 Opzet ondersteuningsplan 43 Inhoud ondersteuningsplan 44 Totstandkoming ondersteuningsplan 45

1 7

33


4.6

4.5.1 Gegevens verzamelen 45 4.5.2 Maken van levensverhaal en persoonsbeeld 46 4.5.3 Formuleren van de zorg en ondersteuningsbehoefte 47 4.5.4 Bepalen van de behoefte aan professionele ondersteuning 4.5.5 Acties uitzetten 50 4.5.6 Rapportage 52 Evaluatie van het ondersteuningsplan 52

Begrippen

49

55

Thema 2 Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking 5 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5

5.6 5.7 5.8 5.9 5.10

6 6.1

Medische zorg 60 Inleiding 60 Ziekte en gezondheid 60 Medische zorgverlening 62 Etiologische diagnostiek 63 5.4.1 Genetische factoren 64 5.4.2 Neurologische factoren 65 5.4.3 Psychische factoren 65 Syndromen 66 5.5.1 Syndroom van Down 66 5.5.2 Fragiele-X-syndroom 67 5.5.3 Syndroom van Cornelia de Lange 67 5.5.4 Syndroom van Prader-Willi 68 5.5.5 Syndroom van Rett 68 Verhoogd voorkomen van andere aandoeningen 70 Ziekteverschijnselen 70 5.7.1 Opsporen van ziekteverschijnselen 71 Diagnostische problemen bij ouderen met een verstandelijke beperking Dementie 72 5.9.1 Verschijnselen van dementie 73 Medische oorzaken van gedragsproblemen 75 5.10.1 Algemene oorzaken van medische aard 76 5.10.2 Stofwisselingsproblemen 76 5.10.3 Stoornissen in de circulatie van het hersenvocht 77 5.10.4 Epilepsie 77 5.10.5 Medicijnen 78 5.10.6 Voedings- en genotmiddelen 78 5.10.7 Psychiatrische aandoeningen 78 5.10.8 Combinaties van aandoeningen 78 Verpleegkundige zorg Inleiding 79

79

1 8

59

72


6.2 6.3

Uitgangspunten bij zorg aan mensen met een verstandelijke beperking 79 Dagelijkse omgang met zorgvragers met een verstandelijk beperking 80 6.3.1 Bejegening 80 6.3.2 Grondregels voor de dagelijkse omgang 82 6.3.3 Groeien naar gelijkwaardigheid en volwaardig burgerschap 84 6.3.4 Levensverhaal 85 6.3.5 Samenleven in groepsverband 85

7 7.1 7.2

Zorg in relatie tot leeftijdsfasen en ontwikkeling 87 Inleiding 87 Leeftijdsfasen 87 7.2.1 De zuigelingenfase 87 7.2.2 Het jongere kind 88 7.2.3 Het schoolgaande kind 88 7.2.4 De volwassene 91 7.2.5 De oudere 91 Zorg en begeleiding in relatie tot lichaamsbeleving, seksualiteit en relatievorming 93 7.3.1 Uitgangspunt voor de zorg en begeleiding 94 7.3.2 Omgangsvormen in relatie tot lichaamsverzorging en lichaamsbeleving 94 7.3.3 Uitingsvormen van lichaams- en seksualiteitsbeleving 95

7.3

Begrippen

98

Thema 3 Zorgvragers met aandoeningen aan de hersenen 8 8.1 8.2 8.3 8.4

Anatomie en fysiologie van de hersenen 102 Inleiding 102 Onderdelen van de hersenen 102 Opbouw en functie van het zenuwstelsel 105 Indeling en functie van de hersenen 106 8.4.1 Indeling in vier gebieden 106 8.4.2 Indeling in witte en grijze stof 108

9 9.1 9.2

Hersenletsel 110 Inleiding 110 Ontstaanswijzen en vormen van hersenletsel 9.2.1 Aangeboren hersenletsel 111 9.2.2 Niet-aangeboren hersenletsel 111 9.2.3 Oorzaken van hersenletsel 112 Symptomen bij hersenletsel 113 9.3.1 Stoornissen bij zorgvragers met letsel 9.3.2 Stoornissen bij zorgvragers met letsel 9.3.3 Stoornissen bij zorgvragers met letsel

9.3

1 9

101

110

in de hersenstam 114 in de kleine hersenen 114 in de grote hersenen 114


9.4 9.5

Diagnostische onderzoeken bij hersenletsel 119 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 120

10 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5

Cerebrale parese 126 Inleiding 126 Cerebrale parese 126 Verschijnselen van cerebrale parese 127 Onderzoek en behandeling 129 Aandachtspunten verpleging en begeleiding

129

Begrippen

132

Thema 4

Zorgvragers met aandoeningen aan het ruggenmerg

11 11.1 11.2

11.3 11.4 12 12.1 12.2

12.3

13 13.1 13.2

135

Anatomie en fysiologie van het perifere zenuwstelsel en het ruggenmerg Inleiding 136 Het zenuwstelsel 136 11.2.1 Indelingen 136 11.2.2 Werking 136 11.2.3 Impulsvoortgeleiding 137 Het perifere zenuwstelsel 138 Het ruggenmerg 139 Multiple sclerose en amyotrofische laterale sclerose 143 Inleiding 143 Multiple sclerose 143 12.2.1 Vormen 144 12.2.2 Oorzaken 144 12.2.3 Diagnose 145 12.2.4 Behandeling 145 12.2.5 Verschijnselen 145 12.2.6 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 146 Zorgvragers met amyotrofische laterale sclerose 150 12.3.1 Vormen 150 12.3.2 Oorzaken 150 12.3.3 Verschijnselen 150 12.3.4 Behandeling 151 12.3.5 Prognose 151 12.3.6 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 151 Spina bifida en dwarslaesie 154 Inleiding 154 Zorgvragers met spina bifida 154 13.2.1 Vormen 154

1 10

136


13.3

13.2.2 Oorzaken 155 13.2.3 Verschijnselen 155 13.2.4 Behandeling 158 13.2.5 Aandachtspunten verpleging en begeleiding Zorgvragers met een dwarslaesie 160 13.3.1 Oorzaken 160 13.3.2 Plaats van de dwarslaesie 160 13.3.3 Compleet of incompleet 161 13.3.4 Spinale shockfase 161 13.3.5 Symptomen 162 13.3.6 Behandeling 163 13.3.7 Aandachtspunten verpleging en begeleiding

Begrippen

158

165

168

Thema 5 Zorgvragers met aandoeningen aan het bewegingsstelsel 14 14.1 14.2

14.3

15 15.1 15.2 15.3 15.4

15.5 15.6

Zorgvragers met spierziekten 172 Inleiding 172 Zorgvragers met spierdystrofie 172 14.2.1 Vormen van spierdystrofie 172 14.2.2 Symptomen bij spierdystrofie 176 14.2.3 Onderzoek 178 14.2.4 Behandeling 178 14.2.5 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 182 Zorgvragers met het complex regionaal pijnsyndroom 186 14.3.1 Oorzaak 187 14.3.2 Symptomen 188 14.3.3 Diagnose 188 14.3.4 Behandeling 189 14.3.5 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 190 Hulpmiddelen bij beperkingen 194 Inleiding 194 Acceptatie 194 Classificatie van hulpmiddelen 195 Prothesen en orthesen 195 15.4.1 Prothese 195 15.4.2 Orthese 198 Hulpmiddelen bij mobiliteit 199 15.5.1 Rolstoel 199 Hulpmiddelen bij communicatie, informatie en signalering 15.6.1 Communicatiemiddelen 201 15.6.2 Optische hulpmiddelen 201

1 11

200

171


15.7 15.8 15.9 15.10

15.6.3 Auditieve hulpmiddelen 202 Hulpmiddelen bij persoonlijke verzorging 202 Hulpmiddelen met betrekking tot de omgeving 203 Hulpmiddelen en tips voor in huis 204 Hoe komt de zorgvrager aan het hulpmiddel? 205

Begrippen

206

Thema 6

Zorgvragers met aandoeningen aan de zintuigen

16 16.1 16.2

16.3 16.4

16.5 16.6 16.7

16.8

17 17.1 17.2

17.3 17.4 17.5 17.6 17.7 17.8

Slechthorendheid en doofheid 210 Inleiding 210 Anatomie van het oor 210 16.2.1 Het uitwendige oor 210 16.2.2 Het middenoor 211 16.2.3 Het binnenoor 211 Het opvangen van informatie door de zintuigen 211 Aandoeningen van het gehoor 212 16.4.1 Oorsuizen 212 16.4.2 Slechthorendheid 212 16.4.3 Doofheid 215 16.4.4 Aandoeningen van het evenwichtsorgaan 216 Oorzaken blijvende slechthorendheid en doofheid 216 Diagnostiek met audiometrie 217 Hoortoestellen 217 16.7.1 Doofheid en verbale beperkingen 220 16.7.2 Communicatie met slechthorende en dove zorgvragers 220 Verpleegkundige aandachtspunten bij de zorg 221 16.8.1 Aandachtspunten bij een verstandelijke beperking 221 Slechtziendheid en blindheid 223 Inleiding 223 Anatomie van het oog 223 17.2.1 Werking van het oog 224 17.2.2 Licht en kleuren 224 Slechtziendheid en blindheid 225 Oogafwijkingen 226 Gevolgen visuele beperking voor ontwikkelingsmogelijkheden Doofblindheid 230 Behandeling van oogaandoeningen 231 Omgang met een slechtziende of blinde zorgvrager 231

Begrippen

235

1 12

230

209


Thema 7

Bijzondere zorg- en begeleidingsvragen

237

18 18.1 18.2 18.3

Een meervoudige beperking 238 Inleiding 238 Mensen met een meervoudige beperking 238 Motorische stoornissen 240 18.3.1 Vormen en oorzaken 240 18.3.2 Diagnostiek en behandeling 241 18.3.3 Verpleegkundige begeleiding 241 18.3.4 Spasticiteit 242

19 19.1 19.2 19.3 19.4 19.5 19.6

Epilepsie 246 Inleiding 246 Omschrijving en deďŹ nitie van epilepsie Oorzaken van epilepsie 247 Symptomen van epilepsie 247 Behandeling van epilepsie 249 Verpleegkundige zorg 251

20 20.1 20.2

Autisme en PDD 253 Inleiding 253 Autisme 253 20.2.1 Oorzaken van autisme 254 20.2.2 Indelingen van autisme 255 20.2.3 W-vragen 259 20.2.4 Omgaan met ďŹ xaties en dwanghandelingen 259 20.2.5 Sluizen, vullen, overgangen, zelfbescherming 260 20.2.6 Begeleiding van mensen met autisme in de woon- en werksituatie Pervasieve ontwikkelingsstoornissen 263

20.3 21 21.1 21.2 21.3

21.4 21.5

21.6

246

Complexe gedragsproblemen en agressie 265 Inleiding 265 Automutilatie 265 Complexe gedragsproblemen en agressie 268 21.3.1 Zorgvragers met gedragsproblemen 268 21.3.2 Agressie van zorgvragers 269 Psychische problemen die samenhangen met de persoonlijkheid Psychosen 271 21.5.1 Mogelijke voortekenen van een psychose 271 21.5.2 Oorzaken van een psychose 271 Stemmingsstoornissen 272 21.6.1 Het depressieve syndroom 272 21.6.2 Het manische syndroom 273

1 13

270

260


22 22.1 22.2

22.3

22.4

22.5

Specifieke begeleidingsvormen 276 Inleiding 276 Begeleidingsvormen die aansluiten op het ontwikkelingsniveau 22.2.1 Basale stimulatie 276 22.2.2 Zintuiglijke stimulering 277 Begeleidingsvormen op relationele basis 280 22.3.1 Hechtingstheorie 280 22.3.2 Tender loving care 282 Begeleidingsvormen bij gedragsproblemen 282 22.4.1 Gentle teaching 283 22.4.2 Zelfcontrolebenadering van Heijkoop 285 Centrum voor consultatie en expertise (CCE) 285

Begrippen

289

Thema 8

Zorgaanbod voor mensen met een beperking

23 23.1 23.2 23.3

23.4 23.5

23.6

24 24.1 24.2

276

293

Wonen, werken en dagbesteding 294 Inleiding 294 Woon- en zorgmogelijkheden: overheidsbeleid 294 Woon(zorg)mogelijkheden verstandelijke gehandicaptenzorg 296 23.3.1 Wonen in een grote woonvoorziening/zorgcentrum 296 23.3.2 Woonvoorzieningen voor groepen 297 23.3.3 Kindergezinsvervangende tehuizen (KGVT’s) 298 23.3.4 Trainingshuizen 298 23.3.5 Wooninitiatieven 298 23.3.6 Ondersteund wonen/begeleid wonen 299 23.3.7 Begeleid zelfstandig wonen 299 Woon(zorg)mogelijkheden lichamelijk gehandicaptenzorg 300 Woonvoorzieningen voor mensen met een lichamelijke beperking 300 23.5.1 Zelfstandige woning eventueel met zorg thuis 300 23.5.2 ADL-clusterwoningen/Fokuswoningen 301 23.5.3 Grote woonvormen voor mensen met een lichamelijke beperking 23.5.4 Kleine woonvormen ofwel GVT’s 301 23.5.5 Revalidatiecentra 302 23.5.6 Verpleeghuizen en andere instellingen 302 Werken, leren en daginvulling 302 23.6.1 Werken 302 23.6.2 Leren 303 23.6.3 Daginvulling 304 Zorgaanbod in relatie tot levensfase 307 Inleiding 307 Zorgaanbod voor baby’s en peuters 307

1 14

301


24.3

24.4

24.2.1 Teams integrale vroeghulp 307 24.2.2 Diagnostiek en vroegtijdige onderkenning 308 24.2.3 Vroeghulp 309 Zorgaanbod voor kleuters, schoolkinderen en jongeren 309 24.3.1 Intensieve pedagogische thuishulp 309 24.3.2 Zorgoppas voor kinderen met een beperking 310 24.3.3 Spelotheken voor kinderen met een beperking 310 24.3.4 Logeeropvang 311 24.3.5 Pleegzorg 311 Zorgaanbod voor volwassenen en ouderen 312 24.4.1 MEE 312 24.4.2 Transmurale thuiszorg 312 24.4.3 Woonzorgzone 313

Begrippen

315

Thema 9

SpeciďŹ eke aandachtsgebieden

25 25.1 25.2

25.3

25.4 25.5

25.6

25.7

26 26.1 26.2 26.3

317

Zorgvragers met pijn 318 Inleiding 318 Wat is pijn? 318 25.2.1 Oorzaak van pijn 319 25.2.2 Indelingen van pijn 319 Pijngewaarwording, pijnbeleving en pijngedrag 320 25.3.1 Pijngewaarwording 320 25.3.2 Pijnbeleving en pijngedrag 321 Effect van pijn 322 Observatie van pijn 322 25.5.1 Pijnanamnese 322 25.5.2 Pijndagboek 323 25.5.3 Pijnobservatie 323 Pijnbehandeling 324 25.6.1 Pijnstillers 324 25.6.2 Andere pijnbehandelingen 325 25.6.3 Hulpmiddelen bij pijnbestrijding 325 Aandachtspunten verzorging en begeleiding 325 25.7.1 BeĂŻnvloeden van pijnbeleving 326 25.7.2 Pijnpolikliniek 327 25.7.3 Pijnkenniscentrum 327 Zorgvragers met een beperking en seksualiteit 328 Inleiding 328 Intimiteit en seksualiteit is niet altijd vanzelfsprekend 328 Seksualiteit in relatie tot een aantal ziektebeelden 329

1 15


26.4 26.5 26.6

26.7

26.3.1 CVA 329 26.3.2 Dwarslaesie 330 26.3.3 Cerebrale parese (spasticiteit) 330 26.3.4 Multiple sclerose 330 26.3.5 Reuma 331 26.3.6 Spierziekten 331 26.3.7 Spina bifida 331 26.3.8 Syndroom van Down 331 26.3.9 Syndroom van Prader-Willi 332 26.3.10 Fragiele-X-syndroom 332 Houding verpleegkundige bij seksualiteitsbeleving 332 Seksuele voorlichting aan zorgvragers 333 Seksueel misbruik 333 26.6.1 Zorgvragers met een verstandelijke beperking en seksueel misbruik 334 26.6.2 Veilig klimaat 335 26.6.3 Beleid seksualiteit 335 26.6.4 Melden van seksueel misbruik 336 Aandachtspunten verpleging en begeleiding 336 26.7.1 Intieme verpleegkundige handelingen 336 26.7.2 Lichamelijk contact 336 26.7.3 Medicatie 337 26.7.4 De tijd nemen 337 26.7.5 Voorbehoedsmiddelen 337 26.7.6 Seksualiteit bevorderende maatregelen 337 26.7.7 Seksualiteit en externe hulpverlening 338

Begrippen

339

Thema 10 Klinisch redeneren, coördinatie, kwaliteitszorg, voorlichting 27 27.1 27.2 27.3

Klinisch redeneren 342 Inleiding 342 Klinisch redeneren 342 Hulpmiddelen bij het klinisch redeneren 27.3.1 VALTIS-model 344 27.3.2 De EWS-score 344

28 28.1 28.2 28.3 28.4

Coördineren en afstemmen 347 Inleiding 347 Waarom coördineren? 347 Taken van de verpleegkundige 348 Coördinatie van zorg en andere disciplines

343

1 16

350

341


29 29.1 29.2

Kwaliteitszorg 353 Inleiding 353 Kwaliteitskader Gehandicaptenzorg 353 29.2.1 Indicatoren voor kwaliteit 355 29.2.2 Intern kwaliteitssysteem 357 29.2.3 Methodieken voor kwaliteitszorg 359

30 30.1 30.2 30.3

Voorlichting, advies en instructie 362 Inleiding 362 Gestructureerde voorlichting 362 Verenigingen en organisaties 365 30.3.1 Belangen goede voorlichting 365 Seksuele voorlichting 366

30.4

Begrippen

Thema 11 31 31.1 31.2 31.3 31.4 31.5 31.6 31.7 32 32.1 32.2 32.3 32.4

33 33.1 33.2

367

Gehandicaptenzorg en samenleving

369

Ouder, wettelijke vertegenwoordiger en participatie 370 Inleiding 370 Democratisering van de zorg 370 Collectieve participatie 371 Individuele participatie 373 31.4.1 Wet medezeggenschap cliĂŤnten zorginstellingen (Wmcz) Ouder- en familieparticipatie 375 CliĂŤntsysteem 377 Bewonersraad 377 Maatschappelijke ontwikkelingen 380 Inleiding 380 Vergrijzing 380 Culturele diversiteit 380 32.3.1 Intercultureel werken 381 Nieuwe media in de zorg 382 32.4.1 Integratie in de maatschappij 383 32.4.2 Openbaar vervoer met beperking 384 Ethische vraagstukken 386 Inleiding 386 Ethische vraagstukken 386 33.2.1 Euthanasie 387 33.2.2 Toepassen van middelen en maatregelen 33.2.3 Macht en onmacht 389

1 17

388

374


33.3

33.4

34 34.1 34.2

34.3

Zingevingsvraagstukken 389 33.3.1 Wel of geen kwaliteit van leven? 390 33.3.2 Levensgeschiedenis 393 33.3.3 Dilemma’s in de samenwerking 393 Dilemma’s tijdens assistentie bij behandelingen 394 33.4.1 Dilemma bij elektro-aversietherapie 394 Wetgeving en financiering 395 Inleiding 395 Overheidsbeleid 395 34.2.1 Veranderde visie: algemeen waar het kan, speciaal waar dat moet 34.2.2 Het beleid op hoofdlijnen 397 Regelgeving 399

Begrippen

401

Bijlage 1 Individueel ondersteuningsplan (IOP)

Register

409

1 18

402

395


1 19


1 1


1 THEMA

De gehandicaptenzorg Meneer De Haan is met zijn 83 jaar de oudste bewoner van het wooncomplex Mariënberg. Deze zorgorganisatie biedt zorg en begeleiding aan mensen met zowel een verstandelijke als een lichamelijke beperking. Meneer De Haan kijkt, in een interview voor de plaatselijke krant, met een verslaggeefster terug op zijn zestigjarige verblijf in de zorg. In het gesprek komen vooral de verschillen ter sprake die hij ervaren heeft in de zorg, en de denkbeelden die men in de loop van de jaren heeft gehad over mensen met een beperking. Woonde hij eerst weggestopt in de bossen, ver van zijn geboorteplaats, nu woont hij in een woonwijk met als buren een jong gezin met kinderen aan de ene kant en een weduwe aan de andere kant. Hij weet nog dat hij als jonge man bestempeld werd als ‘gebrekkige’. En nu? Nu is hij meneer De Haan, de zorgvrager.

1 21


De gehandicaptenzorg

1 Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

1.1

Inleiding

met classificaties (indelingen). Zo heeft de WHO een indeling in ziekten gemaakt. In eerste instantie zaten daar geen ziekten bij die niet volledig genazen, maar met een resttoestand bleven. Er was dus geen indicatie van de gevolgen die een zorgvrager met een dergelijke ziekte in het dagelijks leven ondervond. In 1980 is daarom een aanvullende classificatie ontwikkeld: de internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps, in het Engels: International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH). Deze classificatie bevat een belangrijk ordeningsprincipe voor de gevolgtoestanden van ziekte. Inmiddels is de ICIDH vernieuwd naar de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Het belangrijkste verschil met de ICIDH is dat het totale ‘plaatje’ van een zorgvrager aan bod komt en niet alleen zijn situatie, wat hij niet kan. In de ICF worden de beperkingen van de zorgvrager gezien in relatie met zijn omgeving, want pas dan wordt duidelijk of er zich in de omgeving wel of juist geen problemen voordoen. Het functioneren van de zorgvrager is een wisselwerking van zijn beperkingen en de omgeving waarin hij zich bevindt. De ICF houdt daarmee rekening, dat omgevingsfactoren het functioneren van de zorgvrager beïnvloeden.

Wie zijn de zorgvragers in de gehandicaptenzorg? Wat houdt een verstandelijke beperking in? Wat kan een lichamelijke beperking inhouden? Wat is van invloed op de beleving van de beperking? Een aantal belangrijke vragen die in dit hoofdstuk worden behandeld. Aan bod komen ook belangrijke begrippen die veel gebruikt worden in de gehandicaptenzorg, zoals stoornis, beperking en handicap. Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • stoornis, beperking en handicap; • verstandelijke beperking; • lichamelijke beperking; • geschiedenis van de gehandicaptenzorg en voorzieningen.

1.2

Stoornis, beperking en handicap

In het dagelijkse leven worden de termen ‘handicap’, ‘stoornis’ en ‘beperking’ door elkaar gebruikt. Ieder geeft er weer een andere betekenis aan. Wat de ‘stoornis’ noemt kan de ander ‘handicap’ noemen, of ‘beperking’. In de beroepspraktijk moet de betekenis van deze begrippen duidelijk zijn. Dit bevordert een eenduidige en duidelijke communicatie. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is een organisatie van de Verenigde Naties die zich wereldwijd bezighoudt met de gezondheidszorg, maar ook

1 Voorbeeld Externe factoren kunnen het functioneren van de zorgvrager positief of negatief beïnvloeden. Zo kan Malty, die erg moeilijk loopt door een spierziekte, overal in huis komen omdat alles gelijkvloers is en zonder drempels. En zo kan

1 22


1

andere een motorische stoornis: Heleen is verlamd vanaf haar middel naar beneden. Daarnaast heeft Heleen een stoornis in de hersenen die epilepsie veroorzaakt: schoksgewijze aanvallen. Robert is kort na het behalen van zijn motorrijbewijs met zijn motor betrokken geraakt bij een ongeval. Hierdoor is hij ernstig gewond geraakt en heeft hij een lage dwarslaesie. Door zijn stoornis in het bewegingsapparaat is hij gebonden aan een rolstoel, maar hij voelt zich niet gehandicapt. Hij werkt bij de bank en doet aan rolstoeltennis op hoog niveau.

Benny gewoon zijn werk doen, omdat zijn werkomgeving is aangepast. Benny heeft het syndroom van Prader-Willi. Zijn werkgever heeft een gedegen schema gemaakt, waardoor Benny als conciërge kan werken bij een technisch bureau. Zijn taken zijn: kopiëren, koffie delen en klanten voor het magazijn ontvangen. 1.2.1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

Stoornis

Een stoornis wordt officieel omschreven als ‘de afwezigheid of een afwijking van een psychologische, fysiologische of anatomische structuur of functie’. Met andere woorden: een stoornis is een defect of het ontbreken van een orgaan of orgaanfunctie, rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene. Een stoornis is dus een afwijking op orgaanniveau. Een stoornis is altijd objectief: het kan vastgesteld worden door een arts of psycholoog. Een zorgvrager met een stoornis heeft te maken met tekorten in het uitvoeren van vaardigheden. Zijn functioneren is verstoord. Een stoornis kan optreden op het gebied van cognitie, zintuigen, taal, organen en ledematen.

1.2.2

Beperking

Een beperking kan het gevolg zijn van een stoornis. Beperkingen zijn de moeilijkheden die iemand heeft ten aanzien van gedrag of het uitvoeren van activiteiten. Er is bijvoorbeeld sprake van een mobiliteitsbeperking (beperking in bewegen) waardoor iemand grote moeite heeft of niet in staat is een voorwerp van vijf kilo (zoals een volle boodschappentas) te dragen, niet kan bukken en iets van de grond pakken, of niet 400 meter aan een stuk kan lopen zonder stil te staan. Je kunt beperkingen tot op zekere hoogte compenseren met hulpmiddelen, zoals visuele en auditieve hulpmiddelen (bril, leesloep, hoorapparaat), orthesen (beugels, spalken, steunzolen), aanpassingen in en aan de woning, hulpmiddelen voor de mobiliteit (looprek, rolstoel). Een beperking kan zich voordoen op het gebied van communicatie, verzorging, lichaamsbeweging, vaardigheden en gedrag. Om beperkingen in beeld te brengen heeft de WHO (ten tijde van de ICIDH) een instrument ontwikkeld waarmee je interviews kunt houden om vast te stellen welke beperkingen iemand heeft, op basis van de stoornis(sen). Er bestaat van deze WHO-DAS-II ook een Nederlandse versie (met dezelfde titel). De WHO-DAS II omvat zes domeinen: 1 Begrijpen & communiceren (cognitie) 2 Bewegen & zich verplaatsen (mobiliteit) 3 Zelfverzorging

1 Voorbeelden Joshua is geboren met een afwijking in zijn gehoorgang, waardoor hij minder goed hoort dan andere mensen. Door de jaren heen is hij diverse keren geopereerd, maar de oorzaak is zo complex dat zijn gehoor altijd verstoord zal blijven. Er is duidelijk sprake van een blijvende stoornis. Ondanks het feit dat Joshua een stoornis heeft in zijn gehoor, kan hij zich goed redden, vooral dankzij de modernste technologie. Sinds een aantal jaar beschikt hij over een apparaatje dat geluid omzet in trillingen, waardoor hij toch voldoende kan horen. Heleen is een jonge vrouw met het ontwikkelingsniveau van een kind van drie jaar. Heleen heeft bij haar geboorte korte tijd de navelstreng om haar nek gehad, waardoor de hersenen tijdelijk geen zuurstof hebben gekregen. Hierdoor heeft Heleen diverse stoornissen. Ze heeft onder

1 23


De gehandicaptenzorg

1.2.4

4 Omgaan met anderen 5 Activiteiten (werk en studie) 6 Deelname aan de samenleving (participatie) 1.2.3

Voorkeur voor de term beperking

Iemand met een beperking heeft een aangeboren, dan wel door ziekte of ongeval opgelopen stoornis en wordt daardoor gehinderd in zijn handelingen en/of bewegingen. In een aantal gevallen kan iemand ondanks zijn beperking prima deelnemen aan het maatschappelijke leven met of zonder hulpmiddelen. Hij ervaart dan geen handicap. Als iemand niet goed meer geheel of gedeeltelijk kan deelnemen aan de samenleving, dan wordt er gesproken van een ‘handicap’. Mensen met een beperking zijn steeds vaker in staat om deel te nemen aan de maatschappij en ondervinden steeds minder problemen van hun beperking(en) als het gaat om participatie. De voorkeur gaat dan ook uit naar het woord ‘beperking’ boven ‘handicap’. In de dagelijkse praktijk van de zorg is het onderscheid echter vaak nog niet doorgevoerd en is er nog sprake van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een lichamelijke handicap. Ook op diverse websites worden de begrippen naast elkaar gebruikt.

Handicap

Bij een handicap gaat het om de nadelige positie van iemand met een beperking in de maatschappij. Een handicap is dus een participatieprobleem. Door een stoornis of een beperking is iemand niet in staat om goed aan de samenleving deel te nemen. Niet iedereen met een stoornis (die een beperking veroorzaakt), heeft het gevoel een handicap te hebben. Mensen voelen zich gehandicapt als ze problemen ervaren bij deelname aan de samenleving. Vandaar dat je het een participatieprobleem noemt. Participatieproblemen kunnen zich voordoen op het gebied van scholing, arbeid, het sociale leven en de vrijetijdsbesteding. Mensen met eenzelfde soort beperking kunnen dus in verschillende mate gehandicapt zijn.

1 Voorbeeld Joke is een zelfstandige vrouw van 45 jaar met een sterke persoonlijkheid. Door een lage dwarslaesie (stoornis) kan Joke niet lopen. Ze moet gebruikmaken van een rolstoel (beperking). Haar werk is haar passie: ze maakt beeldhouwwerken. Joke exposeert regelmatig in lokale galeries en maakt soms ook werken op bestelling. Ondanks haar succes ervaart Joke problemen met haar beperking in mobiliteit. Ze vindt het maar niks dat ze hulp nodig heeft bij een deel van haar dagelijks leven, en dat ze niet steeds kan gaan en staan waar ze wil. Zo vindt ze het reizen per trein vooral veel gedoe (handicap); het station in haar woonplaats is niet aangepast aan rolstoelgebruikers. Met het uitvoeren van haar werk in haar eigen atelier ervaart Joke geen handicap, ondanks haar beperking.

1.3

Verstandelijke beperking

Het uitgangspunt voor de definiëring van het begrip ‘verstandelijke beperking’ is het ontwikkelingsniveau van mensen met een verstandelijke beperking. In Nederland bestaat het Nationaal Kompas Volksgezondheid. Op de website is alle informatie over stoornissen en beperkingen samengebracht. Hier is ook informatie te vinden over de Nederlandse kijk op de verstandelijke beperking. Dit sluit aan bij de internationale omschrijving van de American Association of Intellectual and Developmental Disabilities (AAID). Deze organisatie gaat uit van onder andere het IQ (intelligentie). Het IQ wordt weergegeven in een getal waarmee het intellectueel (cognitief) functioneren wordt aangeduid. Je krijgt een beeld van intelligentie door de resultaten van een testpersoon te vergelijken met die van een

1 24


1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

het vlak van sociale vaardigheden, verantwoordelijkheden, communicatie, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. De beperkingen treden op vóór de leeftijd van achttien jaar.

grote (norm)groep anderen. Bij een verstandelijke beperking moet er sprake te zijn van een aantoonbaar lager IQ (lager dan 70-75) in combinatie met beperkingen op het gebied van: • conceptuele vaardigheden, zoals taal, lezen en schrijven; • sociale vaardigheden, zoals de omgang en samenwerking met andere mensen, anderen begrijpen, regels kunnen volgen; • praktische vaardigheden, zoals praktisch handelen, hulpmiddelen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld adl- en hdl-vaardigheden, werken, ontspannen, reizen, gezondheidsgedrag, gebruik van computer of telefoon.

1.3.1

Indeling in functioneringsniveaus

De groep mensen met een verstandelijke beperking is zeer divers. De ernst van de beperking verschilt namelijk en daardoor het niveau van functioneren. In Nederland heeft bijna de helft van de mensen met een verstandelijke beperking een lichte verstandelijke beperking, iets meer dan de helft heeft een matige tot (zeer) ernstige verstandelijke beperking. Om het niveau van functioneren aan te geven van mensen met een verstandelijke beperking is een indeling gemaakt in vijf categorieën.

Een IQ lager dan 70-75 is dus wel een voorwaarde, maar niet voldoende voor de diagnose ‘verstandelijke beperking’. Bij het vaststellen van de verstandelijke beperking wordt gekeken naar meerdere factoren, het IQ alleen zegt op zich ook niet zo heel veel. Er zijn zorgvragers met een verstandelijke beperking met een IQ van 65 die, dankzij een goed sociaal netwerk, heel goed in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. Daarnaast zijn er zorgvragers met een IQ van 105 die het absoluut niet redden. Vandaar dat het van belang is om naast het IQ naar bijkomende omstandigheden als zelfredzaamheid – het vermogen van een individu om zelfzorgactiviteiten uit te voeren zonder de hulp van anderen – te kijken.

Mensen met een lichte verstandelijke beperking Bij mensen met een lichte verstandelijke beperking ligt het IQ tussen de 50-55 en 70. Vaak valt een lichte beperking pas in de schoolleeftijd op, als de ontwikkeling van schoolse vaardigheden achterblijft. Voor die tijd valt de achterstand in de ontwikkeling in veel gevallen nauwelijks op. Een kleine achterstand kan namelijk ook worden verklaard vanuit individuele verschillen in de normale ontwikkelingsgang. Bij het opgroeien ontstaan er echter grotere verschillen in zelfredzaamheid. Sommige mensen met een lichte verstandelijke beperking kunnen een zelfstandig bestaan opbouwen, anderen zijn meer aangewezen op een leven in een min of meer beschermde omgeving. Over het algemeen zijn mensen met een lichte verstandelijke beperking redelijk in staat om zich zelfstandig te redden in de maatschappij. Velen kunnen zich redelijk uitdrukken, lezen en met geld omgaan.

Definitie ‘verstandelijke beperking’ Duidelijke beperking in zowel het intellectuele functioneren als het aanpassingsvermogen. Er is sprake van een IQ dat aantoonbaar lager is dan 70, gecombineerd met beperkingen op het gebied van conceptuele, sociale en praktische vaardigheden. De beperking in het aanpassingsvermogen wil zeggen dat men niet voldoet aan de normen die horen bij de leeftijd op

1 25


THEORIEBOEK NIVEAU 4

Gehandicaptenzorg

Deze uitgave Gehandicaptenzorg maakt deel uit van de serie Traject V&V. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande werkprocessen uit het kwalificatiedossier MboVerpleegkundige. P4-K1-W1 Ondersteunt en begeleidt bij het ontwikkelen en behouden van vaardigheden P4-K1-W2 Communiceert met en begeleidt doelgroepen in de GHZ P4-K1-W3 Begeleidt een groep zorgvragers en naastbetrokkenen

verpleegkundige

De leermiddelen uit de serie Traject V&V zijn bestemd voor de opleiding Verzorgende IG (niveau 3) en de opleiding Mbo-Verpleegkundige (niveau 4). Door de thematische opbouw is Traject V&V geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden. Het complete aanbod van Traject V&V bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie of reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent.

Gehandicaptenzorg THEORIEBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorieboeken.

Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject V&V? Kijk dan op: www.thiememeulenhoff.nl/trajectvenv

Auteurs: R.F.A. Schrijver A.C. Verhoef S.M.T. Vogel Onder redactie van: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

9 789006 910452

TB_Gehandicaptenzorg_N4_190x270mm.indd All Pages

19/06/17 13:36


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Gehandicaptenzorg niveau 4 theorieboek by ThiemeMeulenhoff - Issuu