THEORIEBOEK NIVEAU 3 & 4
Pedagogisch klimaat PW
pedagogisch werk
Pedagogisch klimaat PW NIVEAU 3 & 4
THEORIEBOEK
NIVEAU 3 & 4
Pedagogisch klimaat PW MARJA BASELAR Onder redactie van: M.H.A.J. GLOUDEMANS R.F.M. VAN MIDDE
pedagogisch werk
Colofon Auteur Marja Baselar Redactie M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde Taalkundige redactie Mondeljaa, Utrecht Vormgeving en omslag Studio Fraaj, Rotterdam Fotografie omslag Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 62220 1 zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze ThiemeMeulenhoff ontwikkelt Eerste druk, eersteervaring oplage,en2016 groeiende expertise, leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.
© ThiemeMeulenhoff, Samen leren vernieuwen. Amersfoort, 2016 www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 3800
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of ISBN 978 90gemaakt, 066 22201in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder openbaar voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Eerste druk, eerste oplage, 2016 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2016 uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Voor zover het maken van kopieën Stbl. 471 envoorbehouden. artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting PublicatieAlle rechten Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt,en in enige vorm of op enige wijze,Organisatie hetzij elektronisch, door fotokopieën, opnamen, (www.stichting-pro.nl). of enig andere manier, zonder schriftelijke toestemming de Reproductierechten (PRO),mechanisch, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp Voor voorafgaande het overnemen van gedeelte(n) uit van deze uitgever. uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer Voor zover het maken van kopieën deze uitgave is toegestaan grond van artikel Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 informatie over het gebruik vanuit muziek, film en het makenop van kopieën in het16B onderwijs zie1912 www.auteursrechtenonderwijs.nl. Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het van bepalingen. muziek, film en het maken kopieën in het onderwijs zie www. De uitgeverdient heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de gebruik wettelijke Degenen dievan desondanks menen zekere auteursrechtenonderwijs.nl. rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Ten geleide
De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor Maatschappelijke zorg, Pedagogisch werk en Sociaal werk aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiedossiers, opgebouwd uit kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen binnen Welzijn. De leermiddelen van Traject Welzijn zijn ontwikkeld voor en sluiten aan bij deze kwalificatiedossiers. De Pedagogisch werker Pedagogisch werkers werken in de kinderopvang, het onderwijs of in een combinatievorm van beide. De student kan kiezen voor het profiel pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd medewerker kinderopvang of onderwijsassistent. De doelgroep van de pedagogisch werker is zeer divers, en bestaat onder andere uit: • kinderen tot twaalf jaar zonder problemen; • kinderen tot twaalf jaar met een achterstand, een leer- of gedragsprobleem; • jongeren vanaf twaalf jaar zonder problemen; • jongeren met gedrags- en opvoedingsproblemen; • kinderen en jongeren met een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperking. Het kwalificatiedossier Pedagogisch werk vormt de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen voor beroepen in dit domein. Het leermiddelenaanbod voor de opleiding Pedagogisch werk – die deel uitmaakt van
Traject Welzijn – is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • de leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs binnen Traject Welzijn wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de ondersteuningsvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt; • sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten. Traject Welzijn houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten; • bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisfase en de profielfase; • er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Het didactisch concept van Traject Welzijn gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Traject Welzijn houdt bovendien rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F voor de basisfase, 3F voor de profielfase niveau 4) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk) voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbo-studenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject Welzijn is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt
de docent de ruimte om zelf invulling te geven aan zijn rol. Traject Welzijn sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat er gewerkt wordt met uitgaven die ingedeeld zijn in thema’s die bestaan uit theorie en de daarbij behorende verwerkingsopdrachten, praktijksituaties en evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. Theoretische onderbouwing Het onderdeel ‘theorie’ voor de basisfase Pedagogisch werk bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij de betreffende werkprocessen. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De theorieboeken voor de profielfase Pedagogisch werk gaan verdiepend in op de verschillende profielen die worden onderscheiden: P1: Pedagogisch medewerker kinderopvang P2: Gespecialiseerd pedagogisch medewerker P3: Onderwijsassistent Werkboeken De werkboeken sluiten, dankzij hun thema- en hoofdstukindeling, naadloos aan bij de leerstof en indeling van de theorie. Dit geldt zowel voor de leermiddelen gericht op de basisfase als voor de leermiddelen gericht op de profielfase. Via de werkboeken kunnen de studenten zich de leerstof eigen maken door middel van: • verwerkingsopdrachten voor de leerstof in de theorie; • praktijksituaties met opdrachten. De praktijksituaties geven realistische beschrijvingen van de praktijk in het Pedagogisch werk. Hierin komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van hen
verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen; • het aanleren van beroepsvaardigheden. Het onderdeel ‘vaardigheden’ biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden; • thema-opdrachten gericht op integrale verwerking van de afzonderlijke thema’s; • evaluatie met behulp van de studiehulp en reflectie. Deze onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject Welzijn. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject Welzijn kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.
Amersfoort, 2016 Redactie en uitgever
Inhoud
Thema 1 Opvoeden en pedagogiek 1 1.1 1.2
1.3
1.4
1.5 1.6 2 2.1 2.2 2.3
2.4
15
Opvoeden en pedagogiek 16 Inleiding 17 Wat is opvoeden? 17 1.2.1 Opvoeden is noodzaak 17 1.2.2 Doel van de opvoeding 18 1.2.3 Rol van de opvoeder 19 Opvoeden in een organisatie 19 1.3.1 Opvoedingsrelatie 20 1.3.2 Professionele afstand 20 Opvattingen over opvoeden 21 1.4.1 Tijd waarin we leven 21 1.4.2 Cultuur waarvan we deel uitmaken 22 1.4.3 Persoonlijke waarden en normen 22 Wat is pedagogiek? 22 1.5.1 Orthopedagogiek 23 Pedagogisch klimaat 23 Pedagogen en hun visie 25 Inleiding 26 Pedagogische visie 26 Pedagogische stromingen 26 2.3.1 Oplossingsgericht opvoeden 27 2.3.2 21st century skills 27 Pedagogen over hun visie op opvoeden 2.4.1 Freinet 28 2.4.2 Gordon 29 2.4.3 Korczak 30 2.4.4 Montessori 31 2.4.5 Pikler 32 2.4.6 Reggio Emilia 33 2.4.7 Steiner 34
27
1 7
3 3.1 3.2 3.3
3.4
3.5 3.6
4 4.1 4.2 4.3 4.4
4.5
Opvoeden en begeleiden 36 Inleiding 37 Structuur en grenzen 37 3.2.1 Reflectie 37 Opvoedingsstijlen 38 3.3.1 Persoonlijke opvoedingsstijl 38 3.3.2 Soorten opvoedingsstijlen 38 Pedagogische ondersteuning 40 3.4.1 Emotionele ondersteuning 40 3.4.2 Informatieve ondersteuning 41 3.4.3 Gedragsregulerende ondersteuning Opvoedingsmiddelen 43 3.5.1 Opvoedingsmiddel kiezen 43 Soorten opvoedingsmiddelen 44 3.6.1 Aanmoedigen 44 3.6.2 Grenzen stellen 45 3.6.3 Afleiden 46 3.6.4 Gedrag negeren 47 3.6.5 Gedrag afkeuren 47 3.6.6 Gesprek voeren 48 3.6.7 Time-out 49 3.6.8 Straffen 49 Opvoeding van kinderen en pubers Inleiding 52 Baby’s 52 Peuters 53 Kleuters en schoolkinderen 55 4.4.1 Kleuters 55 4.4.2 Schoolkinderen 55 Pubers 57
Begrippen
60
Thema 2 Diversiteit 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
51
63
Diversiteit in de maatschappij 64 Inleiding 65 Samen verschillend 65 Veranderingen in de maatschappij 66 Culturele verschillen 67 De multiculturele samenleving 68
1 8
42
5.6
5.7
6 6.1 6.2 6.3
6.4
6.5
7 7.1 7.2
7.3
7.4 7.5
Land van herkomst 69 5.6.1 Suriname 70 5.6.2 Antillen 70 5.6.3 Marokko 71 5.6.4 Turkije 71 Mensen en hun levensbeschouwing 5.7.1 Christendom 75 5.7.2 Islam 77 5.7.3 Boeddhisme 80 5.7.4 Hindoe誰sme 81 5.7.5 Jodendom 84
72
Diversiteit in de organisatie 86 Inleiding 87 De taak van de organisatie 87 Diversiteit in het team 88 6.3.1 Open en gesloten team 89 6.3.2 Homogeen en heterogeen team 89 6.3.3 Diversiteit benutten in het team 90 Je beroepshouding en diversiteit 92 6.4.1 Waarden en normen 93 6.4.2 Jouw referentiekader 93 6.4.3 Respectvolle houding 95 Interculturele communicatie 96 6.5.1 Verbale communicatie 97 6.5.2 Non-verbale communicatie 99 Diversiteit in de groep 101 Inleiding 102 Vertrouwd maken met diversiteit 102 7.2.1 Voorkeur voor het vertrouwde 102 7.2.2 Veiligheid bieden 103 Respectvol omgaan met anderen 103 7.3.1 Interactie stimuleren 104 7.3.2 Sociale vaardigheden 105 Aansluiten bij de belevingswereld 107 Genderbewust opvoeden 108 7.5.1 Verschillen tussen jongens en meisjes 7.5.2 Sekse en gender 111 7.5.3 Genderbewust opvoeden 112
1 9
109
7.6
Omgaan met ouders 114 7.6.1 Gezinnen in soorten en maten 114 7.6.2 Verschil in opvoedingsstijl 114 7.6.3 Samenwerking met ouders 115 7.6.4 Sociale achtergrond van ouders 115 7.6.5 Culturele achtergrond van ouders 117
Begrippen
120
Thema 3 Begeleiden in de groep 8 8.1 8.2 8.3
8.4 8.5
9 9.1 9.2 9.3
9.4
9.5
9.6 9.7 9.8 9.9
123
Een veilige basis 124 Inleiding 125 Een veilig pedagogisch klimaat 125 Basisbehoeften van het kind 126 8.3.1 Behoefte aan relatie: ‘Ik voel me thuis!’ 127 8.3.2 Behoefte aan autonomie: ‘Ik wil het zelf!’ 128 8.3.3 Behoefte aan competentie: ‘Ik kan het!’ 128 Zelfbeeld en identiteit 129 Professionele beroepshouding 130 8.5.1 Voorbeeldfunctie 130 8.5.2 Interactievaardigheden 130 8.5.3 Uiterlijk 134 De groep 136 Inleiding 137 Soorten groepen 137 Rollen in een groep 138 9.3.1 Rollen in een positieve groep 138 9.3.2 Rollen in een negatieve groep 140 Groepsnormen 140 9.4.1 Waarden en normen in een positieve groep 141 9.4.2 Waarden en normen in een negatieve groep 142 Groepsvorming 142 9.5.1 Vormfase 143 9.5.2 Stormfase 144 9.5.3 Normfase 145 9.5.4 Prestatiefase 146 9.5.5 Afscheidsfase 146 Inzicht in de groep 147 9.6.1 Observeren 147 De invloed van de groep 149 De grootte van de groep 149 Ruimte en inrichting 149
1 10
10 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5
10.6
10.7 11 11.1 11.2
11.3
11.4
11.5
11.6
De sfeer in de groep 151 Inleiding 152 Het belang van een goede sfeer 152 Veiligheid, invloed en persoonlijk contact 152 Stimuleren van een goede sfeer 154 10.4.1 Invloed van de pedagogisch werker op de sfeer 154 Sociaal gedrag 156 10.5.1 Sociaal vaardig handelen 156 10.5.2 Sociale vaardigheden voor de sfeer in de groep 156 Sociale vaardigheden leren 158 10.6.1 Groepsgesprek 158 10.6.2 Samenwerken 159 10.6.3 Samenspelen 160 10.6.4 Sport en spel 162 Feesten en rituelen 162 Problemen in de groep 165 Inleiding 166 Storend gedrag 166 11.2.1 Wanneer is gedrag storend? 166 11.2.2 Storend gedrag voorkomen 166 11.2.3 Aanpak van storend gedrag 167 Ruzie 168 11.3.1 Oorzaak van ruzie 169 11.3.2 Ruzie maken als signaal 169 11.3.3 Helpen een ruzie op te lossen 170 Pesten 171 11.4.1 Kenmerken van pesten 172 11.4.2 Pesten voorkomen 173 11.4.3 Aanpak van pesten 173 Agressie 173 11.5.1 Oorzaken van agressie 174 11.5.2 Aanpak van agressief gedrag 175 Verlies 176 11.6.1 Kinderen en verlies 176 11.6.2 Praten over verlies 178 11.6.3 Jouw houding als pedagogisch werker bij verlies
Begrippen
180
1 11
178
Thema 4 12 12.1 12.2
12.3
12.4
13 13.1 13.2
13.3
13.4
14 14.1 14.2 14.3
Opvoeden doe je samen
183
Opvoeding delen 184 Inleiding 185 Samenwerken met ouders 185 12.2.1 Wie doet de opvoeding? 185 12.2.2 Elkaar steunen in de opvoeding 186 12.2.3 Opvoeding afstemmen 186 12.2.4 Het belang van een goed contact 187 Werken aan een goede relatie 189 12.3.1 Vertrouwen opbouwen 189 12.3.2 Actief luisteren 191 12.3.3 Grenzen in het contact 192 Inspraak van ouders 193 12.4.1 Oudercommissie 193 12.4.2 De mening van ouders peilen 194 12.4.3 Omgaan met kritiek 194 12.4.4 Klachtrecht 196 12.4.5 Omgaan met boze ouders 197 Informatie uitwisselen 199 Inleiding 200 Informele contacten 200 13.2.1 Haal- en brengcontacten 200 13.2.2 Het contactschriftje 201 13.2.3 Het groepslogboek 202 13.2.4 Ouderactiviteiten 202 Formele contacten 203 13.3.1 Informatief gesprek 204 13.3.2 Helpend gesprek 206 13.3.3 Slechtnieuwsgesprek 206 Ouders informeren als groep 208 13.4.1 Informatieboekje 208 13.4.2 Nieuwsbrief 209 13.4.3 Website 209 13.4.4 Mededelingenbord 210 13.4.5 Sociale media 210 13.4.6 Ouderavond 212 Opvoedingsproblemen 213 Inleiding 214 Opvoedingsonzekerheid 214 Soorten opvoedingsproblemen 214 14.3.1 Kindermishandeling 215
1 12
14.4
Opvoedingsondersteuning 218 14.4.1 Doel van opvoedingsondersteuning 219 14.4.2 Vormen van opvoedingsondersteuning 219 14.4.3 Waar kunnen ouders terecht? 220 14.4.4 Jouw rol als pedagogisch werker 221
Begrippen
223
Register
225
1 13
1 1
1 THEMA
Opvoeden en pedagogiek Kern
en hoe je ze daarin het beste kunt begeleiden. Kennis van de visies van anderen helpt bij het vormen van een eigen visie op opvoeding en onderwijs en het ontwikkelen van een eigen opvoedingsstijl.
Je kiest voor het beroep van pedagogisch werker, omdat je graag in de kinderopvang of in het onderwijs met kinderen of pubers werkt. Kinderen zijn nog in ontwikkeling. Zij hebben volwassenen nodig die hen begeleiden op hun weg naar zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid. Daarom voed je hen op. Je biedt kinderen een plek waar ze zich veilig en gewenst voelen, waar ze zich kunnen ontplooien en ontwikkelen.
Opvoeden en begeleiden Als opvoeder heb je bepaalde doelen, je kiest opvoedingsmiddelen om die doelen te bereiken met als einddoel de volwassenheid. Het is van belang te weten welke opvoedingsmiddelen er zoal zijn en hoe je er optimaal gebruik van maakt. Je doet in een opvoedingssituatie niet zomaar wat je hart je ingeeft, maar je handelt vanuit een bepaalde visie die past bij de organisatie waar je werkt. Kritische reectie en overleg met collega’s is een middel om je eigen handelen te verbeteren. Met je collega’s wissel je ervaringen uit, je leert van en met elkaar. Zo zorg je samen voor een optimaal opvoedingsklimaat.
Opvoeden en pedagogiek Nadenken over je handelen is een belangrijk onderdeel van je beroep. Omdat je met kinderen werkt, is het van belang je bewust te zijn van de manier waarop je met hen omgaat. Je bouwt een opvoedingsrelatie op, maar je zorgt tegelijkertijd voor professionele afstand. Een belangrijke taak voor een professional in het onderwijs of de kinderopvang is de zorg voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen kunnen groeien en zich optimaal ontwikkelen. Om te zorgen voor een veilig en positief pedagogisch klimaat, heb je kennis en vaardigheden nodig.
Opvoeden van kinderen en pubers Als pedagogisch werker en professionele opvoeder ondersteun je kinderen bij hun ontwikkeling. Je hebt daarbij aandacht voor het individuele kind en houdt rekening met de verschillende behoeften en ontwikkelingsfases van kinderen. Je stelt jezelf vragen: Wat hebben kinderen in elk van die fases nodig? Wat wil je bereiken? Hoe kun je dat het beste aanpakken?
Pedagogen en hun visie Door de eeuwen heen hebben veel mensen nagedacht over de opvoeding van kinderen en hun gedachten daarover op papier gezet. Je kunt veel leren van de visies die pedagogen vroeger en nu hebben op de ontwikkeling van het kind
1 15
1 Opvoeden en pedagogiek Eens per week bakt een van de groepen op basisschool De Saffier iets lekkers. Deze week bakken de kinderen van groep 2 samen een pizza. De groente snijden ze met een scherp mes. Alles gaat goed totdat Jesse het mes van Yassine afpakt en zich in zijn vingers snijdt. Het is een flinke snee. Zo erg dat zijn ouders worden gebeld om met hem naar de dokter te gaan. Op de koffieochtend een week later komen er vragen over. ‘Moeten zulke jonge kinderen al wel “grotemensenkarweitjes” doen,’ vraagt een van de aanwezige ouders? Meester Jaap geeft antwoord op deze vraag: ‘Als thuis of op school alles alleen maar goed gaat, wil dat niet zeggen dat dit goed is voor het kind. Er valt op school weleens een kind uit het klimrek en bij een ruzie geven kinderen elkaar af en toe een klap. Als kinderen niet leren om met tegenslag, verdriet en frustratie om te gaan, krijgen ze daar later problemen mee. Ook al zijn jullie kinderen nog jong, laat ze experimenteren. Laat gerust eens iets misgaan, laat ze fouten maken, een keertje kopje onder gaan. Daar leren ze van, ze worden er weerbaar van. Krijgen ze, ondanks tegenslag, iets toch voor elkaar? Dan zijn ze des te trotser op zichzelf. Een grotere oppepper kun je hun zelfvertrouwen niet geven. En als het misgaat, dan zijn jullie er als vangnet. Als veilige haven. Bij jullie kunnen ze altijd terecht voor redding en troost.’
1 16
1
1.1
Inleiding
bepaald doel en dat is het kind op weg helpen naar zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en volwassenheid
Opvoeden in een gezin is anders dan opvoeding in de kinderopvang of op school. Als professional heb je een andere band met kinderen dan de ouders. De opvoeding in een organisatie stelt andere eisen, zoals duidelijke regels en afspraken en planmatig werken. Hoe zorg je als pedagogisch werker voor omstandigheden waarin een kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen en kan leren? Het vertrouwen tussen de pedagogisch werker of onderwijsassistent en het kind is niet vanzelfsprekend, maar iets waar je bewust aan werkt. In dit hoofdstuk leer je aan welke voorwaarden een professionele opvoedingsrelatie moet voldoen.
Opvoeden wil zeggen het verzorgen en begeleiden van kinderen en jongeren naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.
Alleen kinderen worden opgevoed. Volwassenen worden niet opgevoed. Dit heeft te maken met het doel van de opvoeding, namelijk: het kind tot volwassenheid brengen. Ook wanneer je volwassen bent kun je nog ontzettend veel leren, maar je spreekt dan niet meer van opvoeden. Als volwassene kies je namelijk zelf voor wat je wel en wat je niet wilt leren. Je bent er ook zelf verantwoordelijk voor. Bij een kind is de opvoeder verantwoordelijk voor wat hij het kind leert.
Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • opvoeden; • doel van de opvoeding; • opvoeden in een organisatie; • opvoedingsrelatie; • professionele afstand; • opvattingen over opvoeden; • pedagogiek; • pedagogisch klimaat.
1.2
Opvoeden en pedagogiek
1.2.1
Opvoeden is noodzaak
Al zolang er mensen bestaan, is er sprake van opvoeding. Wat zou er gebeuren met een kind wanneer het niet wordt opgevoed? Het is weleens voorgekomen dat een kind niet bij mensen, maar bij dieren opgroeide. Het meest bekend zijn de verhalen van wolfskinderen. Uit het voorbeeld in het kader blijkt duidelijk dat het contact met mensen nodig is om mens te worden. Opvoeden is geen luxe, maar noodzaak. Wordt een kind niet opgevoed, dan leidt dat tot onherstelbare schade. Iedereen heeft een opvoeding nodig om zich als mens te kunnen ontwikkelen.
Wat is opvoeden?
Opvoeding vindt plaats in de relatie tussen volwassenen en kinderen. Bij opvoeden gaat het om het handelen van een opvoeder. Je kunt daarbij denken aan: iets voordoen, uitleg geven, het kind aanmoedigen of aangeven wanneer hij de fout in is gegaan. Opvoeden is een bezigheid: de opvoeder houdt zich bezig met het kind en met wat hij op het kind wil overbrengen. Bij opvoeden is een opvoeder betrokken. Iemand kan pas een opvoeder zijn wanneer die persoon volwassen is en gezag uitstraalt naar het kind. Het kind moet wíllen leren van de opvoeder. Het opvoeden van kinderen in een organisatie doe je samen met je collega’s. Je voedt op met een
Het verhaal van Amala en Kamala In 1920 vindt een dominee twee meisjes bij een wolvenhol in India. Hij noemt de meisjes Amala en Kamala. Beide meisjes
1 17
Opvoeden en pedagogiek
Met je opvoedingsdoelen wil je als opvoeder bereiken dat een kind, wanneer het de volwassen leeftijd heeft bereikt, zelfstandig in de maatschappij kan meedoen, zich als een volwassene gedraagt en de hulp van anderen steeds minder nodig heeft. Dit houdt in dat hij: • een eigen identiteit en een eigen mening heeft; • verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag; • respectvol omgaat met anderen en zijn omgeving; • initiatief neemt en zijn talenten gebruikt om een bijdrage te leveren aan de samenleving; • zich aanpast zonder zichzelf te verliezen.
gedragen zich als wolven: ze lopen op handen en voeten, eten zonder hun handen te gebruiken en slapen opgerold in een hoekje. Het is opmerkelijk dat ze in het donker goed kunnen zien en dat ze een scherp reukvermogen hebben. Ze hebben ‘typische’ eigenschappen van een wolf. Amala, de jongste, sterft binnen een jaar. Kamala leeft tot 1929. Tijdens die negen jaar blijkt dat het onmogelijk is om haar op te voeden tot een ‘normaal’ mens. Het lukt niet haar te leren praten, op twee benen te lopen of menselijk contact te hebben.
1.2.2
Doel van de opvoeding
1 Voorbeeld ‘Daan, loop je even naar de supermarkt voor een bruin brood en een pot pindakaas?’ Moeder geeft Daan (7) een briefje van vijf euro en de boodschappentas. Wanneer Daan boodschappen doet, vraagt dat niet alleen zelfstandigheid van hem in gedrag, maar ook zelfstandigheid in denken. Een boodschap doen vraagt van Daan dat hij: • de weg weet en alleen naar de winkel durft te gaan; • de juiste boodschappen koopt: niet meer en niet minder; • op zijn geld let, zowel in de winkel als op weg ernaartoe.
Ieder kind komt hulpeloos ter wereld en is als baby geheel afhankelijk van zijn ouders. Hij moet door zijn ouders worden gevoed, gekleed, gewassen en heeft liefde nodig om te kunnen overleven. In geen enkel opzicht is er sprake van zelfstandigheid. Maar daar komt al snel verandering in: het kind zet zijn eerste pasjes en zegt zijn eerste woordjes. Op den duur is hij zelfstandig: los van anderen vertoont hij gedrag, doet hij dingen. Opvoeden doe je met een doel.
Het einddoel van de opvoeding is de volwassenheid.
In bovenstaand voorbeeld zie je dat Daan door zelfstandig boodschappen te doen, leert verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen daden. Hij moet zijn handelen, de keuzes die hij maakt, kunnen verantwoorden (bijvoorbeeld: ‘Het bruin brood was op, daarom heb ik maar wit brood gekocht’) en hij leert te overzien wat de gevolgen zijn van zijn gedrag (bijvoorbeeld: ‘Ik heb chips en koekjes gekocht en had toen geen geld meer voor brood en pindakaas’).
De Wet Kinderopvang noemt vier opvoedingsdoelen: • bieden van emotionele veiligheid; • stimuleren van de ontwikkeling van sociale competenties; • stimuleren van de ontwikkeling van persoonlijke competenties; • overdracht van waarden en normen.
1 18
1
Opvoeden en pedagogiek
1 Voorbeeld Volwassenheid op:
Zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid:
lichamelijk gebied
de eigen lichaamsverzorging ter hand nemen
verstandelijk gebied
een beroepsopleiding volgen
sociaal gebied
relaties en contacten met anderen aangaan en onderhouden
emotioneel gebied
bepaalde gevoelens uiten
maatschappelijk gebied
een bepaald beroep kiezen en uitoefenen
1.2.3
Rol van de opvoeder
Je wilt met de opvoeding bereiken dat het kind stapje voor stapje zelfstandiger wordt en een groter verantwoordelijkheidsbesef krijgt. Om dit doel te bereiken moet je vooral gebruikmaken van jezelf als opvoeder. Je zou kunnen zeggen dat je je eigen instrument bent. Je doen en laten, dat is het gereedschap waarover je beschikt. Je kunt bijvoorbeeld een kind aanmoedigen, afleiden, belonen, uitdagen en zo nodig straffen.
Met de opvoeding begeleid je het kind tot zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Je helpt het kind bij zijn ontwikkeling naar volwassenheid. Dit zal pas lukken als het kind vertrouwen in zichzelf heeft én als jij het kind durft los te laten. Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere stappen te zetten in de wereld om zich heen en te vertrouwen op zijn eigen oordeel. Zo wordt een kind zelfstandig. Als opvoeder moet je bepaalde risico’s nemen en een kind aanmoedigen: ‘Gisteren lukte het een stukje los te fietsen. Probeer vandaag eens of je verder komt.’ Op die manier wordt met veel kleine stapjes uiteindelijk het einddoel van de opvoeding bereikt.
1.3
Opvoeden in een organisatie
Opvoeden in een kindercentrum of op school is anders dan opvoeden in een gezin. De omstandigheden waaronder kinderen opgroeien in een organisatie zijn anders dan thuis. In de kinderopvang of op school worden kinderen opgevangen in een groep, in een ruimte die helemaal op hen is ingericht en met begeleiders die er helemaal voor hen zijn. Soms verblijven ze er maar een paar uur per week, zoals in de buitenschoolse opvang. Soms komen ze een aantal dagdelen in de week, zoals bij een kinderdagverblijf en soms gaat het om 24-uursopvang, zoals in een leefgroep bij een intramurale instelling. Je hebt als professional een andere emotionele band met kinderen dan de ouders. Als pedagogisch werker besteed je aandacht aan het opbouwen van vertrouwen en zorg je ervoor dat een kind zich veilig voelt.
Figuur 1.1 Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere stappen te zetten
1 19
Opvoeden en pedagogiek
1.3.1
Opvoedingsrelatie
Een kenmerk van een goede opvoedingsrelatie is dat je werkelijk belangstelling hebt voor het kind en zijn unieke persoonlijkheid respecteert. Of een kind nou druk, rustig of moeilijk is, het moet zich bij jou veilig en vertrouwd kunnen voelen. Het kan rekenen op jouw hulp en steun. Je voelt je verantwoordelijk voor het kind en je bent er voor hem in situaties die daarom vragen, bijvoorbeeld wanneer het kind gevaar loopt of dreigt een ander iets aan te doen. Je straalt daarbij een natuurlijk gezag uit.
De relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt. Zonder relatie kun je niet opvoeden en bereiken wat je als opvoeder wilt bereiken. De relatie tussen ouder en kind is anders dan die tussen pedagogisch werker en kind. Jouw persoonlijke band met het kind gaat minder diep. Het is geen relatie voor het leven, het is een tijdelijke en een professionele relatie. Dat betekent dat je betrokken bent bij het kind, maar dat je tegelijkertijd de nodige afstand kunt nemen zonder afstandelijk te zijn.
Gezag is iets anders dan macht. Gezag is gebaseerd op wederzijds respect. Er is sprake van een natuurlijk overwicht. Bij macht wil je dat het kind doet wat jij zegt. Zo’n houding zal er, zeker bij oudere kinderen, al snel toe leiden dat er een machtsstrijd ontstaat: ‘Eens kijken wie hier de baas is.’
De relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt.
De vertrouwensrelatie die jij hebt met kinderen die je begeleidt, is anders dan de relatie die je hebt met je familie of beste vrienden. De relatie in je werk is functioneel. Je ontmoet kinderen in jouw rol van pedagogisch werker. De sociale afstand is groter dan bij een persoonlijke relatie. Je bent een vertrouwenspersoon voor het kind. Je hebt persoonlijke gesprekken, maar het is niet zo dat je het kind in vertrouwen neemt over jouw persoonlijke dingen. Je laat wel wat zien van jezelf, maar je bent je tegelijk bewust van wat je wel en niet kan en wil vertellen. Wat een kind je in vertrouwen vertelt, blijft tussen jullie.
Ook de relaties tussen kinderen onderling hebben invloed op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van het kind. Zijn de onderlinge relaties goed, dan is er een sfeer waarin kinderen kunnen groeien en iets nieuws durven uitproberen. Ze kunnen leren van elkaar. Zowel in positieve als in negatieve zin kunnen kinderen elkaar beïnvloeden. 1.3.2
Professionele afstand
In een opvoedingssituatie heb je als pedagogisch werker een warme, persoonlijke relatie met het kind, maar er is toch een zekere afstand tussen jou en het kind. Er is niet de sterke emotionele band die ouders hebben met hun kinderen. Er is sprake van professionele afstand. Een verschil met de opvoeding thuis is ook dat je maar een beperkt gedeelte van de dag voor de kinderen verantwoordelijk bent. Als je werk erop zit, ga je naar huis en kun je afstand nemen. Jij hoeft ’s nachts je bed niet uit wanneer een kind
Figuur 1.2 Je bent een vertrouwenspersoon voor het kind
1 20
1
Opvoeden en pedagogiek
Figuur 1.3 In een groep is er minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind dan thuis
1.4
niet kan slapen. En als je nachtdienst hebt in een leefgroep, kun je de volgende dag je rust weer pakken. Zo kun je steeds fris en energiek blijven voor de kinderen die aan jouw zorg zijn toevertrouwd. Die speciale gerichtheid op kinderen heeft niet alleen voordelen, maar ook nadelen. Kinderen die veel tijd op de opvang doorbrengen, missen de informele dagelijkse dingen thuis. Ze zien minder van de volwassen wereld, zoals boodschappen doen en eten koken. Alles in hun leven is ook meer aan regels gebonden, waardoor zij minder ruimte hebben voor spontane invallen om iets te ondernemen. Van het leven in een groep leren kinderen veel: het kan een enorme stimulans zijn voor hun brede ontwikkeling. Maar er is minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind.
Opvattingen over opvoeden
Alle ouders willen dat hun kind gelukkig is. Toch zijn er grote verschillen in opvoeding en in de manier hoe ouders met hun kinderen omgaan. Ook tussen de verschillende organisaties voor de opvang van kinderen en bij de groepsleiding zie je verschillen in aanpak. De opvattingen die mensen over opvoeden hebben, worden beïnvloed door een aantal factoren: • de tijd waarin we leven; • de cultuur waar we deel van uitmaken; • persoonlijke waarden, normen en opvattingen. 1.4.1
Tijd waarin we leven
Opvattingen over opvoeding waren er vroeger niet echt. Er was ook niet echt sprake van een opvoeding: zodra kinderen konden werken, werden ze aan het werk gezet. Baby’s werden
1 21
Opvoeden en pedagogiek
zag, in de andere cultuur hecht men waarde aan andere zaken, bijvoorbeeld prestaties en zelfontplooiing. In elke samenleving maken kinderen zich andere gewoonten, gebruiken, tradities en gedragsregels eigen.
vaak uitbesteed aan een vrouw die andermans kinderen borstvoeding gaf. Kleine kinderen werden aan de zorg van hun oudere broers en zussen overgelaten. Tegenwoordig gaat de opvoeding totaal anders dan vroeger. Waren lijfstraffen vroeger heel gewoon, tegenwoordig denken we daar anders over. Beschouwde men heel vroeger een kind als ‘een volwassene in zakformaat’, tegenwoordig zien we een kind meer als kind en zijn speciale kinderkleding, een kinderkamer, kinderspeelgoed en kinderboeken heel gewoon.
1.4.3
Geen twee mensen voeden hetzelfde op. Iedere opvoeder heeft eigen ideeën over wat een goede opvoeding inhoudt. Als opvoeder wil je belangrijke waarden overdragen op het kind. Bijvoorbeeld, een ouder met een christelijke levensovertuiging wil zijn geloof overbrengen op zijn kinderen. Wanneer je als professional werkt met kinderen, kun je niet zomaar je eigen waarden en normen overdragen. Je moet rekening houden en je meestal aanpassen aan de waarden, de normen en de opvattingen die in een organisatie gelden. Op een openbare school is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat jij je opvattingen over jouw eigen geloof overdraagt aan de kinderen in jouw klas.
Belangrijke wetten over opvoeden Als je terugkijkt in de geschiedenis, zie je dat het geluk van kinderen niet altijd centraal stond. Vroeger was een kind in Nederland vooral een arbeidskracht die een bijdrage leverde aan het levensonderhoud van het gezin. Het ‘Kinderwetje van Van Houten’ uit 1874 was de eerste wet die in Nederland een einde moest maken aan kinderarbeid. Daarna volgde in 1905 de Leerplichtwet. De Kinderwetten regelden het toezicht op ouder en kind. De staat legde in de regels vast hoe ouders hun kinderen goed konden opvoeden. Ouders die zich niet aan die regels hielden, konden uit de ouderlijke macht worden ontzet.
1.4.2
Persoonlijke waarden en normen
1.5
Wat is pedagogiek?
Pedagogiek vormt de basis van het werken met kinderen.
Pedagogiek is de wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert.
Cultuur waarvan we deel uitmaken
Door pedagogisch onderzoek komen wetenschappers op nieuwe ideeën en gedachten over de opvoeding van kinderen. Of er ontstaat discussie over pedagogische opvattingen, bijvoorbeeld: is het wel goed voor kinderen om hele dagen in een kindercentrum door te brengen? Of: hebben kinderen op een iPad-school wel voldoende contact met elkaar en met hun leerkracht?
In de westerse cultuur wordt anders opgevoed en bestaan er andere ideeën over de opvoeding dan in een niet-westerse cultuur. Denk aan opvattingen over het opvoeden van meisjes en jongens of aan opvattingen over wie het in het gezin voor het zeggen heeft. Elke cultuur heeft zijn eigen waarden en normen. In de ene cultuur hecht men veel waarde aan tradities en aan ge-
1 22
1
bedrukte, ingehouden sfeer. Deze sfeer is niet steeds hetzelfde, maar wordt beïnvloed door omstandigheden, gebeurtenissen en de aanwezige personen.
Veel scholen en kindercentra werken volgens een pedagogische stroming. Je kunt dan een bepaalde pedagogische visie herkennen in de manier van werken, in de aankleding van de ruimte, in de materialen en in de manier waarop men kinderen benadert. Van jou als pedagogisch werker wordt verwacht dat jij je verdiept in die pedagogische benadering en dat je je werk op basis van die visie zult doen.
Het pedagogisch klimaat is de wijze waarop een sfeer wordt geschapen waarin kinderen zich sociaal, emotioneel en intellectueel kunnen ontwikkelen. Ook wel: opvoedingsklimaat.
Binnen de pedagogiek ga je ervan uit dat opvoeden een ‘kunde’ is. Je kunt het leren. Opvoeden is niet alleen een kwestie van zomaar je gevoel volgen. Je kunt leren over de opvoeding en over hoe je het beste kunt opvoeden door: • Na te denken over je eigen ervaringen met opvoeden: wat voor soort opvoeding heb je zelf gehad, welke ervaringen doe je op tijdens je BPV en wat is je mening daarover? • Op de hoogte te blijven van nieuwe inzichten en onderzoek: er zijn veel boeken over opvoeden geschreven en er is op internet en in vaktijdschriften veel actuele informatie te vinden. • Overleg met collega’s: door je werkwijze ter discussie te durven stellen, kun je je sterke en zwakke kanten ontdekken en beter worden in je werk. 1.5.1
Als de sfeer in de groep goed is, bereik je meer. Opvoeden gaat vanzelfsprekender in een positief opvoedingsklimaat. Je hebt misschien niet eens het gevoel dat je aan het opvoeden bent en het is niet nodig kinderen steeds te waarschuwen of zelfs te straffen. Een opvoeder die in staat is een passend opvoedingsklimaat te scheppen, zal veel meer bereiken dan de opvoeder die dit niet kan. Jouw persoonlijkheid heeft een grote invloed op de sfeer in de groep die je begeleidt. Je laat kinderen merken dat je vertrouwen hebt in hun mogelijkheden en inzet. Je geeft ze de ruimte om het zelf te doen en ondersteunt ze daar waar dat nodig is. Je benadert kinderen op een warme, open en vriendelijke manier. Dat helpt allemaal voor het creëren van een ontspannen sfeer in de groep waarin kinderen zichzelf kunnen zijn. Zo schep je een pedagogisch klimaat waarin een kind zich kan ontwikkelen en kan leren.
Orthopedagogiek
De orthopedagogiek is een specialisatie binnen de pedagogiek. Orthopedagogiek richt zich op de behandeling van kinderen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en mensen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden.
1.6
Opvoeden en pedagogiek
Niet alleen de sfeer in de groep, maar ook de inrichting van de ruimte heeft invloed op hoe kinderen zich gedragen en zich ontwikkelen. In een sfeervolle, verzorgde ruimte zijn kinderen rustiger dan in een rommelige, ongezellige ruimte. De verlichting beïnvloedt de stemming en de concentratie van de kinderen. Voldoende uitdagende speelleermaterialen die passen bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen, en voldoende ruimte om eigen keuzes te maken, zorgen ervoor dat kinderen zin hebben om aan
Pedagogisch klimaat
Opvoeden vindt plaats in een bepaalde sfeer, het pedagogisch klimaat. Dat is de stemming die er in een groep heerst. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een uitgelaten, vrolijke sfeer of een
1 23
Opvoeden en pedagogiek
het werk te gaan. Zijn de materialen verouderd, saai en versleten, dan zullen kinderen minder geïnspireerd zijn en laten ze zich sneller afleiden. Ook door structuur aan te brengen in de dag en afspraken te maken over de omgang met elkaar en met de materialen, creëer je rust en veiligheid. Dat merk je aan het gedrag van de kinderen. Ze zijn actief en constructief bezig. Er zijn weinig of geen conflicten. Een goed pedagogisch klimaat kun je daarom zien als een voorwaarde voor opvoeden, ontwikkeling en leren, maar ook als een opvoedingsmiddel.
Figuur 1.4 Een positief pedagogisch klimaat herken je aan de sfeer en de inrichting
1 24
2 Pedagogen en hun visie Lisanne, studente PW (18): ‘Aan het begin van mijn opleiding had ik eigenlijk geen idee hoe het zou zijn om op de babygroep te werken. Ik vond baby’s wel schattig, maar je kan er nog niks mee. Dus dat leek me een beetje saai. Op het kindercentrum waar ik mijn BPV doe, werken ze volgens de richtlijnen van Pikler. Ik heb er geleerd hoe je het eten geven en aankleden of verschonen kunt gebruiken om contact te maken met een baby. In het begin vond ik dat heel gek en was het echt wel even wennen. Dan sta je daar bij de commode te praten tegen een baby die niks terugzegt. Maar al snel merk je zelf hoe leuk dat toch is. Een baby zegt niks, maar reageert wel. Je ziet dat ze er rustiger van worden en ik geniet er zelf ook heel erg van. Wat ik ook heb geleerd is dat je steeds vertelt wat je doet. Je zegt dan bijvoorbeeld: Zo, nu doe ik je lekker een schone luier aan. Dan ben je weer helemaal fris. En als je dan goed naar het kind kijkt, lijkt het net of hij snapt wat je bedoelt.’
1 25
Opvoeden en pedagogiek
2.1
Inleiding
Elke school of organisatie voor de kinderopvang is verplicht hun visie in een schoolplan of pedagogisch beleidsplan op papier te zetten. Een team functioneert het best als er een gemeenschappelijke visie is. Collega’s in een team kunnen aan de hand daarvan vaste afspraken maken over hoe zij de opvoeding en het onderwijs organiseren en aanpakken. Dat geeft niet alleen duidelijkheid aan de medewerkers, maar ook aan de kinderen. Die weten waar ze aan toe zijn, ook al hebben ze met verschillende professionals te maken. Ouders kunnen de visie van de organisatie inzien. Vaak staat die vermeld in een informatieboekje of op de website. Dat geeft ouders de mogelijkheid een kindercentrum of school te kiezen die past bij hun eigen ideeën over opvoeden. Als er geen keuze is, bijvoorbeeld als er maar één school is in het dorp, weten ouders in ieder geval hoe die school van plan is met hun kind om te gaan.
Opvoeden doe je niet zomaar op de manier die jou het beste lijkt, maar je werkt binnen je organisatie vanuit een visie. In dit hoofdstuk maak je kennis met verschillende pedagogische stromingen en pedagogen die hun visie op opvoeding en onderwijs hebben beschreven. Kennis daarvan helpt je om een eigen visie te ontwikkelen. Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • pedagogische visie; • pedagogische stromingen; • eigen visie op opvoeden; • belangrijke pedagogen visies uit het verleden: Celestin Freinet, Thomas Gordon, Janusz Korczak, Maria Montessori, Emmi Pikler, Reggio Emilia en Rudolf Steiner.
2.2
Pedagogische visie
Ook voor jou als pedagogisch werker is het van belang meer te weten over de visie van de organisatie waar je BPV doet of gaat werken. Past die visie wel bij jouw eigen opvattingen over opvoeding? Voel jij je thuis bij deze benadering en kun je daar op een ontspannen en natuurlijke manier mee omgaan?
Als pedagogisch werker denk je bewust na over opvoeden. Je handelt op basis van een visie.
Een pedagogische visie is een samenhangend geheel van opvattingen over de opvoeding van kinderen.
2.3
Een pedagogische visie zegt iets over het hoe en waarom van je pedagogisch handelen. Welke opvoedingsdoelen wil je bereiken? Welke opvoedingsmiddelen gebruik je daarbij? Wat denk je dat werkt en wat niet? Een visie geeft je een richtlijn voor hoe je het beste kunt handelen in de omgang met kinderen en de taken waar je als team voor staat. Een gezamenlijke visie geeft houvast bij de opvoeding en begeleiding van kinderen.
Pedagogische stromingen
Binnen de pedagogiek bestaan verschillende stromingen. Er is veel geschreven over de opvoeding van kinderen en er zijn door verschillende pedagogen allerlei theorieën bedacht over welke opvoedingsmethode de beste is.
Een pedagogische stroming is een theorie over opvoeding, ontwikkeld door een deskundige.
1 26
2
2.3.2
Onderzoekers houden er verschillende ideeën op na over opvoeding. Bij de ene stroming lees je bijvoorbeeld dat opvoeders vooral één lijn moeten trekken, terwijl een andere stroming stelt dat dat helemaal niet nodig is. Is het beter om strak leiding te geven aan een groep of mogen kinderen zelf bepalen hoe alles loopt? Er valt lang niet altijd simpelweg te zeggen welke manier de beste is. Je moet je dus zelf ook een mening vormen en voor jezelf onderzoeken welke opvoedingsmethode bij jou het beste past. Ook is het belangrijk voortdurend op de hoogte te blijven van nieuwe inzichten en ontwikkelingen op je vakgebied, zoals bijvoorbeeld oplossingsgericht opvoeden en de 21st century skills. 2.3.1
Pedagogen en hun visie
21st century skills
De term 21st century skills duikt steeds vaker op. Dat wil zeggen de kennis en vaardigheden die een kind nodig heeft om goed te kunnen functioneren in de 21e eeuw. Denk daarbij aan vaardigheden zoals probleem oplossen, kritisch denken, creativiteit, samenwerken en omgaan met ict. Internet is altijd en overal beschikbaar, toch maken veel scholen daar nog onvoldoende gebruik van. Uit onderzoek blijkt dat kinderen vooral thuis leren hoe ze met computers en internet moeten omgaan. Het gebruik van internet verschuift steeds meer van plaatsgebonden computers naar de smartphone. Bijna iedere leerling heeft tegenwoordig zijn eigen minicomputer in de tas of broekzak. Het inzetten van de eigen smartphone in de les is heel praktisch. Leerlingen kunnen daarmee gebruikmaken van internet, sociale media en apps, zonder dat daarvoor een computerlokaal beschikbaar hoeft te zijn.
Oplossingsgericht opvoeden
Hoe kun je in de opvoeding zo te werk gaan dat je je laat sturen door de oplossing in plaats van het probleem? Bij oplossingsgericht opvoeden staat één belangrijk idee centraal: praktisch alle problemen kunnen worden opgevat als vaardigheden die nog ontwikkeld moeten worden. Een opvallend kenmerk is het oplossingsgericht taalgebruik tussen opvoeder en kind. Oplossingsgericht taalgebruik bestaat uit vragen die het kind uitnodigen om zijn eigen talenten, oplossingen en doelen te benoemen. Het uitgangspunt is dat een kind het goede antwoord geeft als je hem de juiste vragen stelt. De leerkracht vraagt bijvoorbeeld: ‘Stel dat jij de juf of de meester was, wat zou je dan in de klas anders doen?’ Of je zegt: ‘Emine, ik zie dat je in deze les goed hebt opgelet en je niet afgeleid was. Goed zeg! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’ Door te wijzen op de positieve situatie moedig je de leerling aan om na te denken over zijn eigen competenties. Ook ouders kunnen oplossingsgericht opvoeden. Een ouder die dat doet, vraagt niet: ‘Hoe was het vandaag op school?’, maar: ‘Welke nieuwe dingen heb je vandaag op school geleerd?’
2.4
Pedagogen over hun visie op opvoeden
Een kinderopvangorganisatie of school werkt vanuit een visie op de opvoeding van kinderen. Deze visie bedenkt een organisatie meestal niet helemaal zelf. Vaak ligt de basis ervan bij de visies van bekende pedagogen uit de vorige eeuw zoals Freinet, Pikler en Montessori. Al deze pedagogen hadden één ding gemeen: hun liefde voor het kind. Ze stelden het kind centraal en gingen uit van de manier waarop kinderen denken en voelen. Veel van deze pedagogen hebben in het verleden uitvoerig nagedacht over de opvoeding van kinderen en de werkwijze op scholen. Zij hebben manieren bedacht en vaak ook zelf uitgeprobeerd, om kinderen te begeleiden in hun ontwikkeling. In de loop van de jaren zijn veel van die theorieën over opvoeding en onderwijs beschreven. Van deze pedagogen kun je veel leren.
1 27