mb o
dossier Pedagogisch werk. B1-K1-W7
Zorgt voor een veilig pedagogisch klimaat
De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.
De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent.
Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff.nl/trajectwelzijn.
Pedagogisch klimaat PW
pedagogisch werk
PW Pedagogisch klimaat PW THEORIEBOEK
De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie.
TRAJECT WELZIJN
Deze uitgave Pedagogisch klimaat PW maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij het onderstaande werkproces uit het kwalificatie-
THEORIEBOEK NIVEAU 3 &  4
Herz ienin 2020 g
Auteur: M. Baseler Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 858792
MBO_Theorie_190x270mm_PedagogischKlimaatPW.indd All Pages
20/04/20 14:54
Pedagogisch klimaat PW NIVEAU 3 & 4
THEORIEBOEK
NIVEAU 3 & 4
Pedagogisch klimaat PW MARJA BASELER
Onder redactie van: M.H.A.J. GLOUDEMANS R.F.M. VAN MIDDE
pedagogisch werk
Colofon Auteur Marja Baseler
Redactie M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
Taalkundige redactie Perfect Correct, Schijndel
Vormgeving en omslag Studio Fraaj, Rotterdam
Fotografie omslag Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam
Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 3800 ISBN 978 90 068 5879 2 Theorieboek Pedagogisch klimaat PW plus Studentlicentie 1 jaar ISBN 978 90 068 5902 7 Theorieboek Pedagogisch klimaat PW plus Studentvoucher 1 jaar Tweede druk, eerste oplage, 2020 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2020 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Ten geleide
De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor Maatschappelijke zorg, Pedagogisch werk en Sociaal werk aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiedossiers, opgebouwd uit kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen binnen Welzijn. De leermiddelen van Traject Welzijn zijn ontwikkeld voor en sluiten aan bij deze kwalificatiedossiers. De Pedagogisch werker Pedagogisch werkers werken in de kinderopvang, het onderwijs of in een combinatievorm van beide. De student kan kiezen voor het profiel pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd medewerker kinderopvang of onderwijsassistent. De doelgroep van de pedagogisch werker is zeer divers, en bestaat onder andere uit: • kinderen tot twaalf jaar zonder problemen; • kinderen tot twaalf jaar met een achterstand, een leer- of gedragsprobleem; • jongeren vanaf twaalf jaar zonder problemen; • jongeren met gedrags- en opvoedingsproblemen; • kinderen en jongeren met een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperking. Het kwalificatiedossier Pedagogisch werk vormt de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen voor beroepen in dit domein. Het leermiddelenaanbod voor de opleiding Pedagogisch werk – die deel uitmaakt van
Traject Welzijn – is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • de leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs binnen Traject Welzijn wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de ondersteuningsvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt; • sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten. Traject Welzijn houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten; • bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisfase en de profielfase; • er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Het didactisch concept van Traject Welzijn gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Traject Welzijn houdt bovendien rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F voor de basisfase, 3F voor de profielfase niveau 4) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk) voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbo-studenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject Welzijn is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt
de docent de ruimte om zelf invulling te geven aan zijn rol. Traject Welzijn sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat er gewerkt wordt met uitgaven die ingedeeld zijn in thema’s die bestaan uit theorie en de daarbij behorende verwerkingsopdrachten, praktijksituaties en evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. Theoretische onderbouwing Het onderdeel ‘theorie’ voor de basisfase Pedagogisch werk bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij de betreffende werkprocessen. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De theorieboeken voor de profielfase Pedagogisch werk gaan verdiepend in op de verschillende profielen die worden onderscheiden: P1: Pedagogisch medewerker kinderopvang P2: Gespecialiseerd pedagogisch medewerker P3: Onderwijsassistent Werkboeken De werkboeken sluiten, dankzij hun thema- en hoofdstukindeling, naadloos aan bij de leerstof en indeling van de theorie. Dit geldt zowel voor de leermiddelen gericht op de basisfase als voor de leermiddelen gericht op de profielfase. Via de werkboeken kunnen de studenten zich de leerstof eigen maken door middel van: • verwerkingsopdrachten voor de leerstof in de theorie; • praktijksituaties met opdrachten. De praktijksituaties geven realistische beschrijvingen van de praktijk in het Pedagogisch werk. Hierin komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van hen
verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen; • het aanleren van beroepsvaardigheden. Het onderdeel ‘vaardigheden’ biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden; • thema-opdrachten gericht op integrale verwerking van de afzonderlijke thema’s; • evaluatie met behulp van de studiehulp en reflectie. Deze onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject Welzijn. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject Welzijn kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.
Amersfoort, 2020 Redactie en uitgever
Inhoud
Thema 1 Opvoeden en pedagogiek 1 1.1 1.2
1.3
1.4
1.5 1.6 2 2.1 2.2 2.3
2.4
15
Opvoeden en pedagogiek 16 Inleiding 17 Wat is opvoeden? 17 1.2.1 Opvoeden is noodzaak 17 1.2.2 Doel van de opvoeding 18 1.2.3 Rol van de opvoeder 19 Opvoeden in een organisatie 19 1.3.1 Opvoedingsrelatie 20 1.3.2 Professionele afstand 20 Opvattingen over opvoeden 21 1.4.1 Tijd waarin we leven 21 1.4.2 Cultuur waarvan we deel uitmaken 22 1.4.3 Persoonlijke waarden en normen 22 Wat is pedagogiek? 22 1.5.1 Orthopedagogiek 23 Pedagogisch klimaat 23 Pedagogen en hun visie 25 Inleiding 26 Pedagogische visie 26 Pedagogische stromingen 26 2.3.1 Oplossingsgericht opvoeden 2.3.2 Onderwijsvernieuwing 27 Pedagogen over opvoeden 28 2.4.1 Freinet 28 2.4.2 Gordon 29 2.4.3 Korczak 30 2.4.4 Montessori 31 2.4.5 Pikler 33 2.4.6 Reggio Emilia 33 2.4.7 Steiner 35
27
1 7
3 3.1 3.2 3.3
3.4
3.5 3.6
4 4.1 4.2 4.3 4.4
4.5
Opvoeden en begeleiden 36 Inleiding 37 Structuur en grenzen 37 3.2.1 Reflectie 37 Opvoedingsstijlen 38 3.3.1 Persoonlijke opvoedingsstijl 38 3.3.2 Soorten opvoedingsstijlen 38 Pedagogische ondersteuning 40 3.4.1 Emotionele ondersteuning 40 3.4.2 Informatieve ondersteuning 41 3.4.3 Gedragsregulerende ondersteuning Opvoedingsmiddelen 43 3.5.1 Opvoedingsmiddel kiezen 43 Soorten opvoedingsmiddelen 44 3.6.1 Aanmoedigen 44 3.6.2 Grenzen stellen 45 3.6.3 Afleiden 46 3.6.4 Gedrag negeren 47 3.6.5 Gedrag afkeuren 47 3.6.6 Gesprek voeren 48 3.6.7 Time-out 49 3.6.8 Straffen 49 Opvoeding van kinderen en pubers Inleiding 52 Baby’s 52 Peuters 53 Kleuters en schoolkinderen 55 4.4.1 Kleuters 55 4.4.2 Schoolkinderen 55 Pubers 57
Begrippen
60
Thema 2 Diversiteit 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
51
63
Diversiteit in de maatschappij 64 Inleiding 65 Samen verschillend 65 Veranderingen in de maatschappij 66 Culturele verschillen 67 De multiculturele samenleving 68
1 8
42
5.6
5.7
6 6.1 6.2 6.3
6.4
6.5
7 7.1 7.2
7.3
7.4 7.5
Land van herkomst 69 5.6.1 Suriname 69 5.6.2 Antillen 70 5.6.3 Marokko 70 5.6.4 Turkije 71 Mensen en hun levensbeschouwing 5.7.1 Christendom 73 5.7.2 Islam 75 5.7.3 Boeddhisme 78 5.7.4 HindoeĂŻsme 79 5.7.5 Jodendom 81
71
Diversiteit in de organisatie 84 Inleiding 85 De taak van de organisatie 85 Diversiteit in het team 86 6.3.1 Open en gesloten team 87 6.3.2 Homogeen en heterogeen team 87 6.3.3 Diversiteit benutten in het team 88 Je beroepshouding en diversiteit 90 6.4.1 Waarden en normen 90 6.4.2 Jouw referentiekader 91 6.4.3 Respectvolle houding 92 Interculturele communicatie 94 6.5.1 Verbale communicatie 95 6.5.2 Non-verbale communicatie 97 Diversiteit in de groep 99 Inleiding 100 Vertrouwd maken met diversiteit 100 7.2.1 Voorkeur voor het vertrouwde 100 7.2.2 Veiligheid bieden 101 Respectvol omgaan met anderen 101 7.3.1 Interactie stimuleren 101 7.3.2 Sociale vaardigheden 102 Aansluiten bij de belevingswereld 105 Genderbewust opvoeden 106 7.5.1 Verschillen tussen jongens en meisjes 7.5.2 Sekse en gender 109 7.5.3 Genderbewust opvoeden 110
1 9
106
7.6
Omgaan met ouders 112 7.6.1 Gezinnen in soorten en maten 112 7.6.2 Verschil in opvoedingsstijl 112 7.6.3 Samenwerking met ouders 113 7.6.4 Sociale achtergrond van ouders 113 7.6.5 Culturele achtergrond van ouders 114
Begrippen
117
Thema 3 Begeleiden in de groep 8 8.1 8.2 8.3
8.4 8.5
9 9.1 9.2 9.3
9.4
9.5
9.6 9.7 9.8 9.9
121
Een veilige basis 122 Inleiding 123 Een veilig pedagogisch klimaat 123 Basisbehoeften van het kind 124 8.3.1 Behoefte aan relatie: ‘Ik voel me thuis!’ 125 8.3.2 Behoefte aan autonomie: ‘Ik wil het zelf!’ 126 8.3.3 Behoefte aan competentie: ‘Ik kan het!’ 127 Zelfbeeld en identiteit 127 Professionele beroepshouding 128 8.5.1 Voorbeeldfunctie 128 8.5.2 Interactievaardigheden 129 8.5.3 Uiterlijk en persoonlijke hygiëne 133 De groep 134 Inleiding 135 Soorten groepen 135 Rollen in een groep 136 9.3.1 Rollen in een positieve groep 136 9.3.2 Rollen in een negatieve groep 137 Groepsnormen 138 9.4.1 Waarden en normen in een positieve groep 139 9.4.2 Waarden en normen in een negatieve groep 140 Groepsvorming 140 9.5.1 Vormfase 140 9.5.2 Stormfase 142 9.5.3 Normfase 143 9.5.4 Prestatiefase 144 9.5.5 Afscheidsfase 144 Inzicht in de groep 145 9.6.1 Observeren 145 De invloed van de groep 147 De grootte van de groep 147 Ruimte en inrichting 147
1 10
10 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5
10.6
10.7 11 11.1 11.2
11.3
11.4
11.5
11.6
De sfeer in de groep 149 Inleiding 150 Het belang van een goede sfeer 150 Veiligheid, invloed en persoonlijk contact 150 Stimuleren van een goede sfeer 152 10.4.1 Invloed van de pedagogisch werker op de sfeer 152 Sociaal gedrag 154 10.5.1 Sociaal vaardig handelen 154 10.5.2 Sociale vaardigheden voor de sfeer in de groep 154 Sociale vaardigheden leren 156 10.6.1 Groepsgesprek 156 10.6.2 Samenwerken 157 10.6.3 Samenspelen 158 10.6.4 Sport en spel 160 Feesten en rituelen 160 Problemen in de groep 163 Inleiding 164 Storend gedrag 164 11.2.1 Wanneer is gedrag storend? 164 11.2.2 Storend gedrag voorkomen 164 11.2.3 Aanpak van storend gedrag 165 Ruzie 166 11.3.1 Oorzaak van ruzie 167 11.3.2 Ruzie maken als signaal 168 11.3.3 Helpen een ruzie op te lossen 168 Pesten 169 11.4.1 Kenmerken van pesten 170 11.4.2 Pesten voorkomen 171 11.4.3 Aanpak van pesten 171 Agressie 171 11.5.1 Oorzaken van agressie 172 11.5.2 Aanpak van agressief gedrag 173 Verlies 174 11.6.1 Kinderen en verlies 174 11.6.2 Praten over verlies 175 11.6.3 Jouw houding als pedagogisch werker bij verlies
Begrippen
178
1 11
176
Thema 4 12 12.1 12.2
12.3
12.4
13 13.1 13.2
13.3
13.4
14 14.1 14.2 14.3
Opvoeden doe je samen
181
Opvoeding delen 182 Inleiding 183 Samenwerken met ouders 183 12.2.1 Wie doet de opvoeding? 183 12.2.2 Elkaar steunen in de opvoeding 184 12.2.3 Opvoeding afstemmen 184 12.2.4 Het belang van een goed contact 185 Werken aan een goede relatie 187 12.3.1 Vertrouwen opbouwen 187 12.3.2 Actief luisteren 189 12.3.3 Grenzen in het contact 190 Inspraak van ouders 191 12.4.1 Oudercommissie 191 12.4.2 De mening van ouders peilen 192 12.4.3 Omgaan met kritiek 192 12.4.4 Klachtrecht 195 12.4.5 Omgaan met boze ouders 195 Informatie uitwisselen 197 Inleiding 198 Informele contacten 198 13.2.1 Haal- en brengcontacten 198 13.2.2 Het contactschriftje 199 13.2.3 Het groepslogboek 200 13.2.4 Ouderactiviteiten 200 Formele contacten 201 13.3.1 Informatief gesprek 202 13.3.2 Helpend gesprek 204 13.3.3 Slechtnieuwsgesprek 205 Ouders informeren als groep 206 13.4.1 Informatieboekje 207 13.4.2 Nieuwsbrief 207 13.4.3 Website 207 13.4.4 Mededelingenbord 208 13.4.5 Sociale media 208 13.4.6 Ouderavond 210 Opvoedingsproblemen 211 Inleiding 212 Opvoedingsonzekerheid 212 Soorten opvoedingsproblemen 212 14.3.1 Kindermishandeling 213
1 12
14.4
Opvoedingsondersteuning 216 14.4.1 Doel van opvoedingsondersteuning 218 14.4.2 Vormen van opvoedingsondersteuning 219 14.4.3 Waar kunnen ouders terecht? 219 14.4.4 Jouw rol als pedagogisch werker 220
Begrippen
221
Register
223
1 13
1 1
1 THEMA
Opvoeden en pedagogiek Kern
welke opvoedingsmiddelen er zoal zijn en hoe je er optimaal gebruik van maakt, want je doet in een opvoedingssituatie niet zomaar wat je hart je ingeeft, maar je handelt vanuit een bepaalde visie die past bij de organisatie waar je werkt.
Je kiest voor het beroep van pedagogisch werker, omdat je graag in de kinderopvang of in het onderwijs met kinderen of jongeren werkt. Kinderen zijn nog in ontwikkeling. Zij hebben volwassenen nodig die hen begeleiden op hun weg naar zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid. Daarom voed je hen op en bied je ze een plek waar ze zich veilig voelen en waar ze zich kunnen ontplooien en ontwikkelen.
Opvoeden van kinderen en pubers Als pedagogisch werker ondersteun je kinderen bij hun ontwikkeling. Je houdt daarbij rekening met de verschillende ontwikkelingsfases van kinderen en pubers.
Opvoeden en pedagogiek Nadenken over je handelen is een belangrijk onderdeel van je beroep. Als professional in het onderwijs of de kinderopvang zorg je voor een pedagogisch klimaat waarin kinderen kunnen groeien en zich optimaal ontwikkelen. Je hebt daarvoor kennis en vaardigheden nodig.
Oriëntatieopdracht Iedereen is als kind opgevoed tot volwassene. Wat voor soort opvoeding heb jij zelf gehad? Wat is je daarvan vooral bijgebleven? a Zet de belangrijkste woorden op een rij die bij je opkomen bij ‘mijn opvoeding’. b Wat heb je vooral als positief ervaren? c Wat heb je misschien als minder positief ervaren? d Hoe zou je in één woord de stijl omschrijven waarin jij bent opgevoed? Noem een voorbeeld waaruit dit blijkt. e Schrijf een kort verslag (100-200 woorden) met als titel ‘Mijn opvoeding’ en eindig met een conclusie.
Pedagogen en hun visie Door de eeuwen heen hebben veel mensen nagedacht over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. Kennis van de visies van pedagogen vroeger en nu kan je helpen bij het vormen van een eigen visie op opvoeding en onderwijs en het ontwikkelen van een eigen opvoedingsstijl. Opvoeden en begeleiden Als opvoeder heb je bepaalde doelen, je kiest opvoedingsmiddelen om die doelen te bereiken met als einddoel de volwassenheid. Je weet
1 15
1 Opvoeden en pedagogiek Eens per week maakt een van de groepen op basisschool De Saffier iets lekkers. Deze week maken de kinderen van groep 4 samen een fruitsalade. Het fruit snijden ze met een scherp mes. Alles gaat goed totdat Jesse het mes van Yassine afpakt en zich in zijn vingers snijdt. Het is een flinke snee. Zo diep dat de onderwijsassistent zijn ouders belt om met hem naar de dokter te gaan. Op de koffieochtend een week later komen er vragen over. ‘Moeten zulke jonge kinderen al wel “grotemensenkarweitjes” doen die gevaar op kunnen leveren?’, vraagt een van de aanwezige ouders. Meester Jaap geeft antwoord op deze vraag: ‘Als thuis of op school alles alleen maar goed gaat, wil dat niet zeggen dat dit ook altijd het beste is voor het kind. Om groot te worden moeten kinderen ook weerstand ervaren. Er valt op school weleens een kind uit het klimrek en bij een ruzie geven kinderen elkaar af en toe een klap. Dat is niet erg. Pleister en knuffel erop en klaar. Als kinderen niet leren om met tegenslag, pijn en frustratie om te gaan, krijgen ze daar later problemen mee. Ook al zijn jullie kinderen nog jong, laat ze experimenteren. Laat gerust eens iets misgaan, laat ze fouten maken, een keertje kopje onder gaan. Daar leren ze van, ze worden er weerbaar van. Krijgen ze na een paar niet geslaagde pogingen iets toch voor elkaar? Dan zijn ze des te trotser op zichzelf. Een grotere oppepper kun je hun zelfvertrouwen niet geven. Een beetje risico nemen is goed voor kinderen. Zo leren ze met vallen en opstaan. En als het misgaat, dan zijn jullie er als vangnet. Als veilige haven. Bij jullie kunnen ze altijd terecht voor redding en troost.’
1 16
1
1.1
Inleiding
naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.
Opvoeden in een gezin is anders dan opvoeding in de kinderopvang of op school. Als pedagogisch professional heb je een andere band met kinderen dan de ouders. De opvoeding in een organisatie stelt andere eisen, zoals duidelijke regels en afspraken en planmatig werken. Dat moet ook wel als je met kinderen werkt in een grote groep. Hoe zorg je als pedagogisch werker voor omstandigheden waarin een kind zich dan toch zo goed mogelijk kan ontwikkelen en kan leren? Het vertrouwen tussen de pedagogisch werker of onderwijsassistent en het kind is niet vanzelfsprekend, maar iets waar je bewust aan werkt. In dit hoofdstuk leer je aan welke voorwaarden een professionele opvoedingsrelatie moet voldoen.
Opvoeden wil zeggen het verzorgen en begeleiden van kinderen en jongeren naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.
Alleen kinderen worden opgevoed. Volwassenen worden niet opgevoed. Dit heeft te maken met het doel van de opvoeding, namelijk: het kind tot volwassenheid brengen. Ook wanneer je volwassen bent kun je nog ontzettend veel leren, maar je spreekt dan niet meer van opvoeden. Als volwassene kies je namelijk zelf voor wat je wel en wat je niet wilt leren. Je bent er ook zelf verantwoordelijk voor. Bij een kind is de opvoeder verantwoordelijk voor wat hij het kind leert.
Dit hoofdstuk gaat over: • wat is opvoeden?; • opvoeden in een organisatie; • opvattingen over opvoeden; • wat is pedagogiek?; • pedagogisch klimaat.
1.2
Opvoeden en pedagogiek
1.2.1
Opvoeden is noodzaak
Al zolang er mensen bestaan, is er sprake van opvoeding. Wat zou er gebeuren met een kind wanneer het niet wordt opgevoed? Het is weleens voorgekomen dat een kind niet bij mensen, maar bij dieren opgroeide. Het meest bekend zijn de verhalen van wolfskinderen. Uit het voorbeeld in het kader blijkt duidelijk dat het contact met mensen nodig is om mens te worden. Opvoeden is geen luxe, maar noodzaak. Wordt een kind niet opgevoed, dan leidt dat tot onherstelbare schade. Iedereen heeft een opvoeding nodig om zich als mens te kunnen ontwikkelen.
Wat is opvoeden?
Opvoeding vindt plaats in de relatie tussen volwassenen en kinderen. Bij opvoeden gaat het om het handelen van een opvoeder. Je kunt daarbij denken aan: iets voordoen, uitleg geven, het kind aanmoedigen of aangeven wanneer hij de fout in is gegaan. Opvoeden is een bezigheid: de opvoeder houdt zich bezig met het kind en met wat hij op het kind wil overbrengen. Bij opvoeden is een opvoeder betrokken. Iemand kan pas een opvoeder zijn wanneer die persoon volwassen is en gezag uitstraalt naar het kind. Het kind moet wíllen leren van de opvoeder. Het opvoeden van kinderen in een organisatie doe je samen met je collega’s. Je voedt op met een bepaald doel en dat is het kind op weg helpen
Het verhaal van Amala en Kamala In 1920 vindt een dominee twee meisjes bij een wolvenhol in India. Hij noemt de meisjes Amala en Kamala. Beide meisjes gedragen zich als wolven: ze lopen op
1 17
Opvoeden en pedagogiek
Met je opvoedingsdoelen wil je als opvoeder bereiken dat een kind, wanneer het de volwassen leeftijd heeft bereikt, zelfstandig in de maatschappij kan meedoen, zich als een volwassene gedraagt en de hulp van anderen steeds minder nodig heeft. Dit houdt in dat hij: • een eigen identiteit en een eigen mening heeft; • verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag; • respectvol omgaat met anderen en zijn omgeving; • initiatief neemt en zijn talenten gebruikt om een bijdrage te leveren aan de samenleving; • zich aanpast zonder zichzelf te verliezen.
handen en voeten, eten zonder hun handen te gebruiken en slapen opgerold in een hoekje op de grond. Het is opmerkelijk dat ze in het donker goed kunnen zien en dat ze een scherp reukvermogen hebben. Ze hebben ‘typische’ eigenschappen van een wolf. Amala, de jongste, sterft binnen een jaar. Kamala leeft tot 1929. Tijdens die negen jaar blijkt dat het onmogelijk is om haar op te voeden tot een ‘normaal’ mens. Het lukt niet haar te leren praten, op twee benen te lopen of menselijk contact te hebben.
1.2.2
Doel van de opvoeding
1 Voorbeeld
‘Daan, loop je even naar de supermarkt voor een heel volkoren brood en een pot pindakaas?’ Moeder geeft Daan (10) haar bankpasje mee en de boodschappentas. Wanneer Daan boodschappen doet, vraagt dat niet alleen zelfstandigheid van hem in gedrag, maar ook zelfstandigheid in denken. Een boodschap doen vraagt van hem dat hij: • de weg weet naar de winkel en zich niet laat afleiden; • de juiste boodschappen koopt: niet meer en niet minder; • op de bankpas let en weet hoe hij die moet gebruiken.
Ieder kind komt hulpeloos ter wereld en is als baby geheel afhankelijk van zijn ouders. Hij moet door zijn ouders worden gevoed, gekleed, gewassen en heeft liefde nodig om te kunnen overleven. In geen enkel opzicht is er sprake van zelfstandigheid. Maar daar komt al snel verandering in: het kind zet zijn eerste stapjes en zegt zijn eerste woordjes. Op den duur wordt hij steeds zelfstandiger. Opvoeden doe je met een doel.
Het einddoel van de opvoeding is de volwassenheid.
In bovenstaand voorbeeld zie je dat Daan door zelfstandig boodschappen te doen, leert verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen daden. Hij moet zijn handelen, de keuzes die hij maakt, kunnen verantwoorden (bijvoorbeeld: ‘Het volkoren brood was op, daarom heb ik maar wit brood gekocht’) en hij leert te overzien wat de gevolgen zijn van zijn gedrag (bijvoorbeeld: ‘Ik heb chips en ook nog wat snoep gekocht. Is dat oké of moet dat van mijn zakgeld?’).
De Wet Kinderopvang noemt vier opvoedingsdoelen: 1 bieden van een veilige basis; 2 bevorderen van de ontwikkeling van sociale competenties; 3 stimuleren van de ontwikkeling van persoonlijke competenties; 4 overdracht van waarden en normen.
1 18
1
Opvoeden en pedagogiek
1 Voorbeeld Een volwassene is iemand die zichzelf zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid in het leven kan redden. Volwassenheid op: lichamelijk gebied
de eigen lichaamsverzorging ter hand nemen
verstandelijk gebied
een beroepsopleiding volgen en zich ook in het latere leven blijven ontwikkelen
sociaal gebied
relaties en contacten met anderen aangaan en onderhouden
emotioneel gebied
goed met emoties kunnen omgaan
maatschappelijk gebied
een bepaald beroep kiezen en uitoefenen
1.2.3
Rol van de opvoeder Zo bereik je met de opvoeding dat het kind zelfstandig wordt en verantwoordelijkheidsbesef krijgt. Je maakt daarbij vooral gebruik van jezelf als opvoeder. Je zou kunnen zeggen dat je je eigen instrument bent. Je doen en laten, dat is het gereedschap waarover je beschikt. Je kunt een kind aanmoedigen, afleiden, belonen, uitdagen en zo nodig straffen om je doel te bereiken.
Met de opvoeding begeleid je het kind tot zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Je helpt het kind bij zijn ontwikkeling naar volwassenheid. Dit zal pas lukken als het kind vertrouwen in zichzelf heeft én als jij het kind durft los te laten. Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere stappen te zetten in de wereld om zich heen en te vertrouwen op zijn eigen oordeel. Zo wordt een kind zelfstandig. Als opvoeder moet je soms bepaalde risico’s nemen en een kind aanmoedigen nieuwe dingen uit te proberen: ‘Gisteren lukte het een stukje los te fietsen. Probeer vandaag eens of je verder komt.’ Op die manier bereik je stap voor stap uiteindelijk het einddoel van de opvoeding.
1.3
Opvoeden in een kindercentrum, gezinshuis of op school is anders dan opvoeden in een gezin. De omstandigheden waaronder kinderen opgroeien in een organisatie zijn anders dan thuis. In de kinderopvang of op school worden kinderen opgevangen in een groep, in een ruimte die helemaal op hen is ingericht en met begeleiders die er speciaal voor zijn opgeleid en er helemaal voor hen zijn. Soms verblijven ze er elke dag, zoals op school. Soms komen ze een aantal dagdelen in de week, zoals bij een kinderdagverblijf en soms gaat het om 24-uursopvang, zoals in een leefgroep in een gezinshuis. Je hebt als pedagogisch professional een andere emotionele band met kinderen dan de ouders. Die band is niet vanzelfsprekend zoals in een gezin. Als pedagogisch werker besteed je aandacht aan het opbouwen van vertrouwen en zorg je ervoor dat een kind zich prettig en veilig voelt bij jou.
Figuur 1.1 Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere stappen te zetten
Opvoeden in een organisatie
1 19
Opvoeden en pedagogiek
1.3.1
Opvoedingsrelatie
Een kenmerk van een goede opvoedingsrelatie is dat je werkelijk belangstelling hebt voor het kind en zijn unieke persoonlijkheid respecteert. Of een kind nou druk, rustig of moeilijk is, het moet zich bij jou veilig en vertrouwd kunnen voelen. Het kan rekenen op jouw hulp en steun. Je voelt je verantwoordelijk voor het kind en je bent er voor hem in situaties die daarom vragen, bijvoorbeeld wanneer het kind gevaar loopt of dreigt een ander iets aan te doen. Je straalt daarbij een natuurlijk gezag uit.
Jouw relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt. Zonder relatie kun je niet opvoeden en bereiken wat je als opvoeder wilt bereiken. De relatie tussen ouder en kind is anders dan die tussen jou als pedagogisch werker en het kind. Jouw persoonlijke band met het kind gaat minder diep. Het is geen relatie voor het leven, het is een tijdelijke en een professionele relatie. Dat betekent dat je betrokken bent bij het kind, maar dat je tegelijkertijd de nodige afstand kunt nemen zonder afstandelijk te zijn.
Gezag is iets anders dan macht. Gezag is gebaseerd op wederzijds respect. Er is sprake van een natuurlijk overwicht. Bij macht wil je dat het kind doet wat jij zegt. Zo’n houding zal er, zeker bij oudere kinderen, al snel toe leiden dat er een machtsstrijd ontstaat: ‘Eens kijken wie hier de baas is.’
De relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt.
De vertrouwensrelatie die jij hebt met kinderen die je begeleidt, is anders dan de relatie die je hebt met je familie of beste vrienden. De relatie in je werk is functioneel. Je ontmoet kinderen in jouw rol van pedagogisch werker. De sociale afstand is groter dan bij een persoonlijke relatie. Je bent een vertrouwenspersoon voor het kind. Je hebt persoonlijke gesprekken, maar het is niet zo dat je het kind in vertrouwen neemt over jouw persoonlijke dingen. Je laat wel wat zien van jezelf, maar je bent je tegelijk bewust van wat je wel en niet kan en wil vertellen. Wat een kind je in vertrouwen vertelt, blijft tussen jullie.
Ook de relaties tussen kinderen onderling hebben invloed op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van het kind. Zowel in positieve als in negatieve zin kunnen kinderen elkaar beïnvloeden. Zijn de onderlinge relaties goed, dan is er een sfeer waarin kinderen kunnen groeien en iets nieuws durven uitproberen. Ze kunnen leren van elkaar. Een negatieve sfeer kan tot pesten leiden of de angst om iets te durven of doen. 1.3.2
Professionele afstand
In een opvoedingssituatie heb je als pedagogisch werker een warme, persoonlijke relatie met het kind, maar er is toch een zekere afstand tussen jou en het kind. Er is niet de sterke emotionele band die ouders hebben met hun kinderen. Er is sprake van professionele afstand. Een verschil met de opvoeding thuis is ook dat je maar een beperkt gedeelte van de dag voor de kinderen verantwoordelijk bent. Als je werk erop zit, ga je naar huis en kun je afstand nemen. Jij
Figuur 1.2 Je bent een vertrouwenspersoon voor het kind
1 20
1
Opvoeden en pedagogiek
Figuur 1.3 In een groep is er minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind dan thuis
1.4
hoeft ’s nachts je bed niet uit wanneer een kind niet kan slapen. En als je nachtdienst hebt gehad in een leefgroep, kun je de volgende dag je rust weer nemen. Zo kun je steeds fris en energiek blijven voor de kinderen die aan jouw zorg zijn toevertrouwd. Die speciale gerichtheid op kinderen heeft niet alleen voordelen, maar ook nadelen. Kinderen die veel tijd op de opvang doorbrengen, missen de informele dagelijkse dingen thuis. Ze zien minder van de gewone volwassen wereld, zoals boodschappen doen en eten koken. Op de groep is alles ook meer aan regels gebonden, waardoor er minder ruimte is om spontaan iets te ondernemen. Van het leven in een groep leren kinderen veel: het kan een enorme stimulans zijn voor hun sociale ontwikkeling. Maar er is minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind.
Opvattingen over opvoeden
Alle ouders willen dat hun kind gelukkig is. Toch zijn er grote verschillen in opvoeding en in de manier hoe ouders met hun kinderen omgaan. Ook tussen de verschillende organisaties voor de opvang van kinderen en bij de groepsleiding zie je verschillen in aanpak. De opvattingen van mensen over opvoeden, worden beïnvloed door een aantal factoren: • de tijd waarin we leven; • de cultuur waarvan we deel uitmaken; • persoonlijke waarden, normen en opvattingen. 1.4.1
Tijd waarin we leven
Opvattingen over opvoeding waren er vroeger niet echt. Zodra kinderen konden werken, werden ze aan het werk gezet. Baby’s werden vaak uitbesteed aan een vrouw die andermans kinde-
1 21
Opvoeden en pedagogiek
veel belangrijker. In elke samenleving maken kinderen zich andere gewoonten, gebruiken, tradities en gedragsregels eigen.
ren borstvoeding gaf. De gezinnen waren vaak groot, dus iedereen moest meehelpen. Kleine kinderen werden aan de zorg van hun oudere broers en zussen overgelaten. Tegenwoordig gaat de opvoeding totaal anders dan vroeger. Beschouwde men heel vroeger een kind als ‘een volwassene in zakformaat’, tegenwoordig zien we een kind meer als kind en vinden we speciale kinderkleding, een kinderkamer, kinderspeelgoed en kinderboeken heel gewoon.
1.4.3
Geen twee mensen voeden hetzelfde op. Iedere opvoeder heeft eigen ideeën over wat een goede opvoeding inhoudt. Ouders willen belangrijke waarden overdragen op kinderen. Bijvoorbeeld, een ouder met een christelijke of islamitische levensovertuiging wil zijn geloof overbrengen op zijn kinderen. Wanneer je als pedagogisch professional werkt met kinderen, kun je niet zomaar je eigen waarden en normen overdragen. Je moet rekening houden met en je aanpassen aan de waarden, normen en opvattingen die in een organisatie gelden. Op een openbare school is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat jij je opvattingen over jouw eigen geloof overdraagt aan de kinderen in jouw klas.
Belangrijke wetten over opvoeden Als je terugkijkt in de geschiedenis, dan zie je dat het geluk van kinderen niet altijd centraal stond. Vroeger was een kind in Nederland vooral een arbeidskracht die een bijdrage leverde aan het levensonderhoud van het gezin. Het ‘Kinderwetje van Van Houten’ uit 1874 was de eerste wet die in Nederland een einde moest maken aan kinderarbeid. Daarna volgde in 1905 de Leerplichtwet. De Kinderwetten regelden het toezicht op ouder en kind. De staat legde in de regels vast hoe ouders hun kinderen moesten opvoeden. Ouders die zich niet aan die regels hielden, konden uit de ouderlijke macht worden ontzet.
1.4.2
Persoonlijke waarden en normen
1.5
Wat is pedagogiek?
Pedagogiek vormt de basis van het werken met kinderen.
Pedagogiek is de wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert.
Cultuur waarvan we deel uitmaken
Door pedagogisch onderzoek komen wetenschappers op nieuwe ideeën en gedachten over de opvoeding van kinderen. Of er ontstaat discussie over pedagogische opvattingen, bijvoorbeeld: is het wel goed voor jonge kinderen om hele dagen in een kindercentrum door te brengen? Of: hebben kinderen die veel zelfstandig op hun tablet werken wel voldoende contact met elkaar en met hun leerkracht? Veel scholen en kindercentra werken volgens een pedagogische stroming. Je kunt dan een bepaalde pedagogische visie herkennen in de ma-
Ouders in een westerse cultuur voeden hun kinderen anders op en hebben andere ideeën over de opvoeding dan ouders in een niet-westerse cultuur. Denk aan opvattingen over het opvoeden van meisjes en jongens of aan opvattingen over wie het in het gezin voor het zeggen heeft. Elke cultuur heeft zijn eigen waarden en normen. In de ene cultuur hecht men veel waarde aan tradities en gezag, in de andere cultuur vindt men bijvoorbeeld prestaties en zelfontplooiing
1 22
1
nier van werken, de aankleding van de ruimte, de materialen en de manier waarop men kinderen benadert. Van jou als pedagogisch werker wordt verwacht dat jij je verdiept in die pedagogische benadering en dat je je werk op basis van die visie zult doen.
omgevingsfactoren die ervoor zorgen dat een kind zich goed kan ontwikkelen.
Pedagogisch klimaat Alle omgevingsfactoren samen die bijdragen aan het welbevinden van een kind of jongere waardoor deze zich verder kan ontwikkelen. Ook wel: opvoedingsklimaat.
Binnen de pedagogiek ga je ervan uit dat opvoeden een ‘kunde’ is. Je kunt het leren. Opvoeden is niet alleen een kwestie van zomaar je gevoel volgen. Je kunt leren over de opvoeding en over hoe je het beste kunt opvoeden door: • Na te denken over je eigen ervaringen met opvoeden: wat voor soort opvoeding heb je zelf gehad, welke kennis en ervaringen doe je op tijdens je BPV en wat is je mening daarover? • Op de hoogte te blijven van nieuwe inzichten en onderzoek: er zijn veel boeken over opvoeden geschreven en er is op internet en in vaktijdschriften veel actuele informatie te vinden. • Overleg met collega’s: door je werkwijze ter discussie te durven stellen, kun je je sterke en zwakke kanten ontdekken en beter worden in je werk. 1.5.1
Sfeer in de groep Als de sfeer in de groep goed en veilig is, bereik je meer. Opvoeden gaat vanzelfsprekender in een positief opvoedingsklimaat. Je hebt misschien niet eens het gevoel dat je aan het opvoeden bent en het is niet nodig kinderen steeds te waarschuwen of zelfs te straffen. Een opvoeder die in staat is een passend opvoedingsklimaat te scheppen, zal veel meer bereiken dan de opvoeder die dit niet kan. Jouw persoonlijkheid heeft een grote invloed op de sfeer in de groep die je begeleidt. • Je zorgt voor heldere regels. • Je laat kinderen merken dat je vertrouwen hebt in hun mogelijkheden en inzet. • Je geeft kinderen de ruimte om het zelf te doen en ondersteunt ze daar waar dat nodig is. • Er is ruimte voor persoonlijke gesprekken. • Je benadert kinderen op een warme, open en vriendelijke manier. • Je gaat rustig om met conflicten.
Orthopedagogiek
De orthopedagogiek is een specialisatie binnen de pedagogiek. Orthopedagogiek richt zich op de behandeling van kinderen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden.
1.6
Opvoeden en pedagogiek
Inrichting van de ruimte Niet alleen de sfeer in de groep, maar ook de inrichting van de ruimte heeft invloed op hoe kinderen zich gedragen en zich ontwikkelen. In een gezellige, verzorgde ruimte zijn kinderen rustiger dan in een rommelige, ongezellige ruimte. De verlichting beïnvloedt de stemming en de concentratie van de kinderen, voldoende ruimte om eigen keuzes te maken, zorgt ervoor
Pedagogisch klimaat
Opvoeden vindt plaats in een bepaalde sfeer: het pedagogisch klimaat. Dat is de stemming die er in een groep heerst. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een uitgelaten, vrolijke sfeer of een bedrukte, ingehouden sfeer. Het gaat om alle
1 23
Opvoeden en pedagogiek
dat kinderen zin hebben om aan het werk te gaan. Materialen Uitdagende materialen die passen bij het ontwikkelingsniveau van kinderen zorgen ervoor dat ze op onderzoek uitgaan. Zijn de materialen verouderd, saai en versleten, dan zullen kinderen minder geïnspireerd zijn en laten ze zich sneller afleiden. Structuur Ook door structuur aan te brengen in de dag en afspraken te maken over de omgang met elkaar en met de materialen, creëer je rust en veiligheid. Dat merk je aan het gedrag van de kinderen. Ze zijn actief bezig. Er zijn weinig of geen conflicten en kinderen helpen elkaar. Een goed pedagogisch klimaat kun je daarom zien als een voorwaarde voor opvoeden, ontwikkeling en leren, maar ook als een opvoedingsmiddel.
Figuur 1.4 Een positief pedagogisch klimaat herken je aan de sfeer, inrichting en structuur
1 24