Begrijpend lezen Leesmaatjes A
Begrijpend lezen
Leesmaatjes A COLOFON Auteur Henk Hokke Illustraties Egbert Koopmans Omslag Eduardo Media Vormgeving Spil Design. Baarn Opmaak PPMP Prepress, Wolvega
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31489 2 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
inhoud 1 Brand!
4
2
In de klas
6
3
Mijn dier
8
4
Ik maak...
10
5
De dierentuin
12
6
Zet hem op!
14
7
Het vliegt en het steekt...
16
8 Muziek! 9
Ooms en tantes
18 20
10 Met de trein
22
Foto’s
24
11
12 Lach maar mee
26
13 Wat word jij later?
28
14
Ridders
30
15
Straf!
32
16
Wat vliegt daar?
34
17 Vogels
36
18 Speel je mee?
38
Van harte
40
19
20 Brr, wat eng!
42
21 Vriendjes
44
22 Verliefd
46
23 Een held
48
24 Wie durft?
50
25 Allemaal knagers
52
26 Zo rood als...
54
27 Lekker en gezond
56
28
Vakantie!
58
Hoe ver ben je?
60
3
1
Brand! Amir belt bij Heleen aan. ‘Kom mee,’ hijgt hij. ‘Er is brand in de flat om de hoek.’ Ze hollen naar de flat. Uit een raam komt zwarte rook. Een brandweerman rolt een slang uit. Amir en Heleen lopen ernaartoe. ‘Weg daar!’ roept een agent. Vlug doen ze een stapje achteruit. En dan... Dan slaan er vlammen uit het raam!
1 Wie doen er mee in het verhaal? Kleur de goede hokjes blauw. Amir de moeder van Heleen een agent een brandweerman de vader van Amir Heleen
2 Vul het goede woord in. Kies uit: hij – haar – zij – hem Amir gaat naar Heleen. Hij belt bij haar
Een agent is boos. aan.
Heleen haalt Amir in. Ze geeft hem
4
‘Weg daar!’ roept hij
Heleen stopt met rennen. een hand.
Zij
is erg moe.
.
Naam 3 Wie zijn Amir en Heleen?
Naam: Amir
Naam: Heleen
Haar: kort en zwart
Haar: twee staartjes
Kleding: trui, broek en gympen
Kleding: jas, broek, schoenen
Verder nog: een bril
Verder nog: een lint in het haar
4 Zet er een rondje om als het een goed woord is. vuurrood – vuurhuis – vuurpijl – vuurtoren – vuurtuin – vuurvlieg – vuurwapen – vuurwerk
brandschoon – brandwond – brandauto – brandslang – brandkast – brandstof – brandketting – brandsteen
5 Kan het verhaal van de brand echt gebeurd zijn? Kies uit: wel – niet Ik denk van eigen keuze
dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom je dit kiest?
J
5
2
In de klas Juf Maartje staat voor het bord. ‘Let goed op,’ zegt ze. ‘Ik doe voor hoe je de H schrijft. De H van Heleen.’ Ze schrijft een H op het bord. ‘Wat mooi,’ zegt Wim met een zucht. Amir knikt. ‘Wie kan het ook zo?’ vraagt juf. Alle vingers gaan omhoog. ‘Selma, kom maar eens hier,’ zegt juf. Ze geeft Selma het krijtje.
1 Waar speelt het verhaal? in huis
in de klas
in de bieb
in het zwembad
2 Wat is een goede naam voor het verhaal? De schrijfles
De klas
De juf
Het krijtje
3 Met welke letter begint de naam? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
F Amir
6
G H
I
J
Heleen
K
L M N O P Q R Maartje
Wim
S
T
U V W X
Selma
Y
Z
Naam 4 Welk woord is het? De eerste letter staat er al.
bord
s chrift
pen
gum
map
kast
potlood
stift
5 Welk woord hoort in de zin? Kies uit: in – met – door – op 1 Juf maakt het bord schoon met 2 Heleen schrijft op 3 De meester legt de map in
een spons. een blaadje. de la.
6 Vind jij schrijven op school leuk? Kies uit: wel – niet Ik vind schrijven eigen keuze
leuk, want heb je verteld waarom je dit kiest?
dan is je antwoord goed! J
7
3
Mijn dier Heleen heeft een konijn. Het konijn heet Flap. Flap is bijna helemaal wit. Alleen een oor is zwart. Flap woont in een hok. Het hok staat op het gras. Heleen verzorgt Flap elke dag. Ze geeft hem voer en water. Soms mag Flap uit het hok. Dan loopt hij op het gras.
1 Welk konijn is Flap? Kleur het goede hokje blauw.
2 is het waar of niet waar? Zet het er maar bij.
8
1 Heleens konijn heet Flap.
Dat is waar
2 Flap woont in huis.
Dat is niet waar
3 Flap mag vaak uit het hok.
Dat is niet waar
4 Het hok staat op het gras.
Dat is waar
5 Flap heeft een zwart oor.
Dat is waar
Naam 3 Welk woord hoort er niet bij? Zet er een streepje door. 1 Bij een konijn hoort geen
poot − oor − snavel − neus
2 Bij een kip hoort geen
veer − poot − oog − vacht
3 Bij een vis hoort geen
staart − vin − poot − oog
4 Waar leeft het dier? Zet ze in de goede rij. haas − hamster − kip − eekhoorn − varken − hert
in een hok of kooi
in het wild
hamster
haas
kip
eekhoorn
varken
hert
5 Welke dieren hebben een vacht? Zet er een rondje om. cavia − konijn − vis − hond − parkiet − poes − slang − wolf
6 Welk dier zou jij graag in huis willen hebben? Ik zou graag een eigen keuze
in huis willen hebben want heb je verteld waarom
je dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
9
4
Ik maak... Hoe maak je een dropdrankje?
1 Doe dropjes in de glazen pot. 2 Schenk er wat water bij. 3 Draai de deksel erop. 4 Schud een tijdje flink. 5 Draai de deksel eraf. 6 Klaar!
1 Wat heb je nodig voor een dropdrankje? Kleur de goede hokjes blauw. een fles met een draaidop een pot met een deksel dropjes een drankje zuurtjes water
2 Trek lijnen naar de vloeistoffen. water bloed
toffee
brood
vloeistof boter
benzine
3 Welk woord hoort er niet bij? Zet er een streepje door. dropveter – spekje – toverbal – brood – lolly – zuurtje
10
melk
sap
Naam 4 Wat is de goede volgorde? Zet de letters in de hokjes. 1
2
3
4
5
6
o
n
t
b
ij
t
5 Met welke letter begint het woord? Trek een lijn naar het goede hokje. A B C D E
F
G H
b
I
J
m
K
L M N O P Q R
S
T
U V W X
f
Y
Z
k
6 Kook jij wel eens? Kies uit: nooit – soms – vaak Ik kook eigen keuze
dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom je dit kiest?
J
11
5
De dierentuin Ontsnapt!
Uit de dierentuin in Arnhem is vannacht een leeuw ontsnapt. Hij had gewoon met zijn grote muil een stuk uit het hek gehapt.
Nu zwerft hij door de straten, op zoek naar het station. Hij wil terug naar Afrika, naar zijn plekje in de zon.
Als je hem tegenkomt, wijs hem dan de weg naar de trein. Dan kan hij over twee dagen op zijn heerlijke plekje zijn.
Henk Hokke
1 Wat is het voor soort tekst? een echt gebeurd verhaal een gedicht een tekst om iets te maken een sprookje
2 Wanneer is de leeuw ontsnapt? vannacht vorige week vanmorgen dat staat er niet in
12
Naam 3 Wie is de schrijver? Vul het maar in. De schrijver heet Henk Hokke
.
4 Een leeuw lijkt op een kat. Welke dieren nog meer? Zet er een rondje om. tijger − giraf − aap − poema − luipaard − panter − papegaai − olifant
5 Zet een rondje om het goede schuingedrukte woord. 1 De aap zit uit / in de kooi. 2 De vogel zit op / met een tak. 3 De leeuw loopt naar / op het hek. 4 Het nijlpaard slaat tot / met zijn staart op het water. 5 De olifant steekt zijn slurf in / uit de lucht.
6 Maak de rijmpjes af. Ik heb een vacht,
Ik vlieg in de tuin,
ga ’s nachts op jacht.
ben klein en bruin.
Ik leef in het bos,
Dan weet je dus:
ik ben een vos
ik ben een mus
.
.
7 Wat lees jij liever: een gedicht of een verhaal? Ik lees liever een eigen keuze
dan is je antwoord goed!
, omdat heb je verteld waarom je dit kiest?
J
13
6
Zet hem op! 1 Welke zin is goed? Kleur dat hokje blauw. Heleen hoopt dat Amir de beker wint. Amir wil de beker winnen. Amir moedigt Heleen aan met een spandoek. Heleen tennist en Amir hoopt dat ze wint.
2 Wat is de laatste zin? Kleur het goede hokje blauw.
14
Heleen holt achter de bal aan.
‘Hup Heleen!’ roept Amir.
Ze geeft hem een schop.
Hij houdt zijn spandoek omhoog.
De bal rolt naar haar toe.
Hij springt op en neer.
De bal vliegt in het doel.
Hij klapt in zijn handen.
De wedstrijd begint.
Hij zwaait met zijn armen.
Heleen schiet op het doel.
De scheidsrechter pakt de bal op.
Oei, wat een pech!
Hij fluit drie keer heel hard.
De bal komt tegen de paal.
De wedstrijd begint.
De bal gaat in het doel.
Er is een doelpunt gemaakt.
De keeper laat de bal door.
De wedstrijd is afgelopen.
Naam 3 Waarom vindt Bakker Bert dat je bij hem je brood moet kopen? Kleur de goede hokjes blauw. Het brood van Bakker Bert is altijd vers. Bakker Bert begint al heel vroeg met bakken. Bakker Bert vindt zichzelf de beste bakker van het land. Bakker Bert heeft de mooiste winkel. Bij Bakker Bert betaal je het minst. Bij Bakker Bert krijg je een broodje gratis.
4 Vul het goede woord in. Kies uit: maar – of – want – omdat 1 Ik lust geen witbrood, maar
mijn vader wel.
2 Ik neem een boterham, want
ik heb trek.
3 Ik weet niet of 4 Ik drink melk, omdat
ik die jam wel lust. ik dorst heb.
5 Hou jij van sport? Streep één van de schuingedrukte woorden weg. Ik hou wel/niet van sport, want heb je wel of niet doorgestreept?
heb je verteld waarom? dan is je antwoord goed!
J 15
7
Het vliegt en het steekt... Amir doet zijn mouw omhoog. Er zit een rode bult op zijn arm. ‘Van een wesp,’ zegt Amir trots. ‘Hij beet zo in mijn arm.’ Heleen schudt haar hoofd. ‘Een wesp bijt niet,’ zegt ze. ‘Een wesp steekt’. Ze bekijkt de bult eens goed. ‘Waarom stak de wesp jou?’ Amir haalt zijn schouders op. ‘Ik denk omdat ik lekker smaak.’
1 Kleur het hokje blauw als de zin goed is. Zet een kruisje in het hokje als de zin fout is. Amir heeft een bult op zijn been. Er doen twee personen mee in het verhaal. Dit is een sprookje. Amir heeft een schram op zijn arm. Dit is een gedicht. Amir heeft een bult op zijn arm.
2 Steekt het dier of niet? Zet ze in de goede rij. mug − vlieg − horzel − bij − spin − worm − wesp − vlinder Het dier steekt.
16
Het dier steekt niet.
mug
vlieg
horzel
spin
bij
worm
wesp
vlinder
Naam 3 Heleen wil meer weten over wespen. Welk boek kan ze het best kiezen?
4 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
kever
F
G H
I
J
K
sprinkhaan
L M N O P Q R
hommel
libelle
S
T
U V W X
mier
Y
Z
tor
5 Is het goed of fout? Kleur het juiste vakje. goed
fout
1 Een bij knort. 2 Een mug zoemt. 3 Een vlinder fladdert. 4 Een worm sist.
6 Welk insect vind jij heel vervelend? Ik vind een eigen keuze
heel vervelend, omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
17
8
Muziek! Maak zelf een gitaar!
1 Wat je nodig hebt: • een doos van karton • een latje • een potlood • een schaar • elastiekjes
2 Hoe doe je het? De plaatjes staan al in de goede volgorde. Schrijf nu deze vier zinnen op de goede plaats eronder. Schuif het potlood onder de elastiekjes. Plak de lat achterop de doos. Knip een gat in de doos. Doe de elastiekjes om de doos.
18
Knip een
Doe de
Schuif het
Plak de
gat in de
elastiekjes
potlood
lat
doos.
om de
onder de
achterop
doos.
elastiekjes.
de doos.
Naam 3 Wat voor soort tekst is de tekst onderaan opdracht 2? Kleur het goede hokje blauw. een spannend verhaal een sprookje een gedicht een tekst die je leert hoe je iets maakt
4 Wat hoort bij elkaar? Trek er een lijn naartoe.
drumstel viool piano harp triangel
5 Vind jij muziek een leuk vak? Kies uit: wel – niet Ik vind muziek eigen keuze
een leuk vak, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
19
9
Ooms en tantes Tante Els is bij Heleen en mam. Ze zoekt in haar tas. ‘Waar heb ik het nou?’ mompelt ze. Ze schudt haar tas leeg. Er rolt van alles uit. Tante raapt het zuurtje op. Het papier is er al af. Tante geeft het zuurtje aan Heleen. ‘Voor jou,’ zegt ze. Heleen stopt het zuurtje in haar zak. ‘Ik eh... ik bewaar het,’ zegt ze.
1 Tante Els mompelt. Wat betekent dat? Tante Els praat een beetje boos. Tante Els praat een beetje onduidelijk. Tante Els praat een beetje hard.
2 Wie doet het? Kes uit: tante Els – Heleen
20
1 Wie zoekt in haar tas?
Dat is tante Els
2 Wie schudt haar tas leeg?
Dat is tante Els
3 Wie raapt een zuurtje op?
Dat is tante Els
4 Wie geeft het zuurtje aan Heleen?
Dat is tante Els
5 Wie stopt het zuurtje in haar zak?
Dat is Heleen
Wie doet het meest.
Dat is tante Els
Wie is dus de hoofdpersoon?
Dat is tante Els
Naam 3 Wat hoort bij elkaar? Trek er een lijn naartoe. de moeder van je vader
nicht
de zoon van je tante
tante
de zus van je vader
opa
de broer van je moeder
neef
de vader van je moeder
oma
de dochter van je oom
oom
4 Welke tante is het? Schrijf de naam onder het goede plaatje. Tante Jos is klein en dik. Ze draagt een bril en een hoofddoek. Tante Aysa is lang en dun, zonder bril. Ze draagt een tas. Tante Simone is klein en mager. Ze draagt een bril en een mand. Tante Fien is groot en zwaar, zonder bril. Ze draagt een hoedje.
tante Aysa
tante Fien
tante Jos
tante Simone
5 Wie krijg je het liefst op bezoek? Kies uit: opa en oma – ooms en tantes Ik krijg het liefst eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
op bezoek, want heb je verteld waarom je
J
21
10
Met de trein Er zijn veel soorten treinen. Een trein die vaak stopt, is de sprinter. sprinter Dan is er de intercity. intercity Die stopt niet op elk station. Deze trein rijdt tussen grote steden. Van Den Haag naar Zwolle. Of van Utrecht naar Assen.
1 Wat is dit voor soort tekst? Kleur het goede hokje blauw. een tekst die je leert hoe je iets maakt een spannend verhaal een gedicht een tekst waar je iets van leert
2 Welke twee soorten treinen zijn er? Kijk goed naar de tekst. 1 sprinter 2 intercity
22
Naam 3 Wat hoort bij de trein? Trek er lijnen naartoe. wissel
zadel
wagon
conducteur
bel
claxon
machinist
kaartje
4 Wat is de goede volgorde? Zet de letters in de hokjes. 1
2
3
4
5
s
p
o
o
r
5 Welk woord hoort er niet bij? Zet er een streep door. perron − spoor − conducteur − snelweg − kaartje − machinist − sprinter
6 Wat betekent het plaatje? Schrijf het eronder. Kies uit: uitgang – lift – telefoon – ingang
telefoon
ingang
uitgang
lift
7 Welke treinreis lijkt jou het leukst? Kies uit: sprinter – intercity Een reis met de eigen keuze
lijkt mij het leukst, omdat heb je verteld waarom
je dit kiest? dan is je antwoord goed!
J 23
11
Foto’s Beste Amir,
Hier is de foto die ik je heb beloofd. Op de foto ben ik verkleed als een poes. Mijn poezenstaart is gestreept. De vrouw op de foto is mijn tante. En dat jongetje is haar zoontje. Hij heet Robin.
groetjes van Heleen
1 Hoe ziet de foto van Heleen eruit? Kleur het goede hokje blauw.
2 Is het goed of fout? Kleur de juiste hokjes. goed 1 Heleen stuurt Amir een e-mail. 2 Amir krijgt een brief van Heleen per post. 3 Amir stuurt Heleen een e-mail met een foto. 4 Heleen stuurt Amir een e-mail met een foto.
24
fout
Naam 3 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe.
A B C D E
F
G H
I
J
K
L M N O P Q R
S
T
U V W X
Y
Z
foto album e-mail batterij camera dia
Hé, dat is leuk! Dat zijn de eerste zes letters van ons alfabet. Schrijf de letters in de goede volgorde op:
a
b
c
d
e
f
4 Welke woorden horen bij de foto’s? Schrijf het eronder. Kies uit: landschap – portret – stilleven – actie
stilleven
actie
landschap
portret
5 Gebruik jij e-mail om berichten te versturen? Kies uit: wel – geen Ik gebruik eigen keuze
e-mail, omdat heb je verteld waarom je dit kiest?
dan is je antwoord goed! J
25
12
Lach maar mee ‘Moet je horen,’ zegt Heleen tegen Amir. ‘Er zitten twee vissen in een kom. Ze kijken naar buiten.’ ‘Het regent hard,’ zegt de ene vis. ‘Ja,’ zegt de andere vis. ‘Maar goed dat we binnen zitten.’ Heleen kijkt Amir aan. ‘Snap je hem?’ Amir denkt diep na. ‘Eh... ja,’ zegt hij dan. ‘Want eh ... in huis is het droog.’
1 Wat vertelt Heleen aan Amir? een spannend verhaal een mop een sprookje een raadsel
2 Wat is de eerste zin? Kleur het goede hokje blauw.
26
‘Zeg het maar,’ zegt de bakker.
Een jager schiet er één dood.
‘Heeft u ook worteltjestaart?’ vraagt het konijn.
Hoeveel vogels zijn er nog over?
Er komt een man bij de bakker.
Er zitten tien vogels op het dak.
Er komt een konijn bij de bakker.
Een jager loopt in het bos.
Er komt een konijn bij de dokter.
Er staan vijf herten op een rij.
Naam 3 Welk woord vul je in? Kies uit: grinniken – schateren – grijnzen – giechelen 1 Hard lachen is schateren
.
2 Een beetje gemeen lachen is grijnzen 3 Zachtjes lachen is grinniken
. .
4 Met hoge geluidjes lachen is giechelen
.
4 In welk boek zoek je? Vul de goede letter in.
A
B
C
1 Ik houd van paarden.
Ik kies boek B
2 Ik lees graag sprookjes.
Ik kies boek C
3 Ik vind moppen leuk.
Ik kies boek A
4 Ik knutsel graag.
Ik kies boek D
D
5 Vind jij de mop van Heleen leuk? Kies uit: wel – niet Ik vind de mop van Heleen eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
leuk, omdat heb je verteld waarom je
J
27
13
Wat word jij later? ‘Ik word later dokter,’ zegt Heleen. ‘Ik word dokter in Afrika. En jij?’ Amir denkt diep na. ‘Ik word piloot,’ zegt hij. ‘Piloot op een boot.’ Heleen schiet in de lach. ‘Dat kan niet,’ zegt ze. ‘Een piloot vliegt in een vliegtuig.’ Amir loopt boos de tuin uit. ‘Dokter in Afrika kan ook niet,’ roept hij. ‘Dat is veel te ver weg.’
1 Waar zijn Heleen en Amir? in de klas op Heleens kamer in de tuin op Amirs kamer
2 Wat wil Amir worden? piloot op een boot dokter in Afrika tuinman piloot in een vliegtuig
3 Vul het goede woord in. Kies uit: en – want – dus – omdat Heleen wil dokter worden, omdat Ze wil graag naar Afrika, want Ze moet lachen om Amir, dus Hij draait zich om en
28
ze graag mensen wil helpen. daar zijn veel dokters nodig. loopt hij boos weg. roept nog wat.
Naam 4 Dokter kun je worden. Wie hoort er niet bij? Zet er een rondje om. dokter − kapster − brandweerman − meisje − minister − verpleegster − tandarts − schilder
5 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe.
A B C D E
F
G H
I
J
K
L M N O P Q R
S
T
U V W X
Y
Z
kapitein boot piloot matroos dokter juf
6 Noem drie dingen die erbij horen. Kijk naar het voorbeeld. kapitein: boot – (bijvoorbeeld) zee-matroos-zeil-mast-anker-roer-storm-anker juf: (bijvoorbeeld) bord-krijt-kinderen-klas-meester-school-pauze-school-plein
7 Werken ze buiten of binnen? Zet ze in de goede rij. Kies uit: postbode − meester − tuinman − boswachter − bakker − slager − visser − schrijver buiten
binnen
postbode
meester
tuinman
bakker
boswachter
slager
visser
schrijver
8 Werk jij later liever buiten of binnen? Ik werk liever eigen keuze
, omdat heb je verteld waarom je dit kiest?
dan is je antwoord goed! J
29
14
Ridders Amir leest een boek over ridders. Ridders leefden in een kasteel. Om het kasteel lag vaak een gracht. Je kon het kasteel in over een brug. Ridders hielden van de jacht. Ze joegen op vossen en herten. Soms hielden ridders een toernooi. Dan trokken ze een harnas aan. En dan vochten ze tegen elkaar. De winnaar kreeg een prijs. Een mooi zwaard. Of een zak met goud.
1 Wat is een goede naam voor de tekst? Kastelen De jacht Ridders Een toernooi
2 Wat is dit voor soort tekst? een tekst waar je iets van leert een sprookje een gedicht een tekst die je leert hoe iets moet
3 Wat is een harnas? een dikke trui een leren broek een muts met een klep een pak van metaal
30
Naam 4 Vul het goede woord in. Kies uit: naast − onder − achter − voor
De ridder hangt
De ridder staat
De ridder staat
De ridder staat
onder
naast
voor
achter
zijn paard.
zijn paard.
zijn paard.
zijn paard.
5 Wat hoort bij elkaar? Trek er een lijn naartoe.
zwaard kruisboog lans schild dolk
6 Zou jij in een kasteel willen wonen? Kies uit: wel – niet Ik zou eigen keuze
in een kasteel willen wonen, want heb je verteld waarom
je dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
31
15
Straf! Het is pauze. Heleen zit in de klas. De andere kinderen spelen op het plein. Heleen heeft straf. Ze was te laat op school. Heleen kauwt op haar pen. Ze zucht een paar keer. Dan schrijft ze verder. Bah, wat een lange les. Juf komt binnen. ‘Ga nog maar vlug even naar buiten,’ zegt ze. Heleen rent de klas uit.
1 Wie doen mee in het verhaal? juf en Amir
voor schooltijd
Heleen en juf
in de pauze
mam en Heleen
na schooltijd
3 Wat voor straf heeft Heleen?
32
2 Wanneer speelt het verhaal?
4 Waar zit Heleen?
ze moet een les overschrijven
op haar kamer
ze moet sommen maken
op het plein
ze moet de klas aanvegen
in de klas
Naam 5 Wie doet het? Kies uit: Heleen – juf 1 Ze zit in de klas.
Dat is Heleen
2 Ze kauwt op haar pen.
Dat is Heleen
3 Ze zucht.
Dat is Heleen
4 Ze komt de klas binnen.
Dat is juf
5 Ze rent de klas uit.
Dat is Heleen
Wie doet het meest?
Dat is Heleen
Wie is dus de hoofdpersoon?
Dat is Heleen
6 Wat is een straf? Trek er lijnen naar toe. een boek lezen geen tv kijken
straf
strafregels schrijven
niet buiten spelen vroeg naar bed
je voeten vegen
7 Welke straf heb je liever? Kies uit: vroeg naar bed – strafregels schrijven Ik ga liever eigen keuze
je dit kiest? dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom
J
33
Wat vliegt daar?
16
C
B
A
D
1 Zet de letters bij het goede plaatje. A Hij staat op en legt zijn boek neer. B Amir ziet een luchtballon. C Amir leest een boek. D Hij rent de tuin uit.
2 Vul het goede woord in. Kies uit: ze − zijn − haar − hem − hij De oom van Amir gaat vandaag op reis. Hij Spanje. Tante Fatima gaat met hem koffer in haar
gaat met het vliegtuig naar mee. Ze
hand. Amirs oom voelt in zijn
heeft een zak. Daarin
zitten de tickets.
3 Is het een goed woord? Zet er dan een rondje om. luchtband − luchtman − luchtbel − luchtfoto − luchtpen − luchtverkeer − luchtkussen − luchtdier
34
Naam 4 Goed of fout? Kleur de juiste hokjes.
goed fout 1 2 3 4 5 6
5 Wat hoort bij een vliegtuig? Trek er lijnen naartoe. ticket
bel
vleugel
vliegtuig zadel
station
piloot stuurman
vliegveld
6 Durf jij in een luchtballon? Kies uit: wel – niet Ik durf eigen keuze
in een luchtballon, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
35
17
Vogels Amir ligt op zijn buik in de tuin. ‘Wat doe je?’ vraagt Heleen verbaasd. ‘Ssst!’ sist Amir. ‘Ik vang een vogel. Zie je die doos en dat stokje? Als er een vogel komt, hup...’ ‘Wat doe je met de vogel?’ vraagt Heleen. ‘Die laat ik weer los,’ zegt Amir. ‘Maar waarom vang je hem dan?’ ‘Gewoon,’ zegt Amir, ‘omdat het leuk is.’ ‘Ja, voor jou,’ zegt Heleen. ‘Maar niet voor de vogel.’ Amir staat op. ‘Ja, dat is waar. Kom, we gaan spelen.’
1 Hoe vangt Amir een vogel? Kleur het hokje blauw bij het goede antwoord. Hij wacht tot er een vogel onder de doos zit. Dan rent hij naar de doos en trekt het stokje weg. Hij wacht tot er een vogel onder de doos zit. Dan trekt hij met het touw het stokje weg. Hij wacht tot er een vogel onder de doos zit. Dan gooit hij een net over de doos.
36
Naam 2 Wat staat er in het lege praatwolkje? Kleur het goede hokje blauw.
Hoe ziet hij eruit? Hoe laat is het gebeurd? Hoe heet de vogel?
Van wat voor vogel is het? Waar zit het nest? Hoeveel eitjes liggen erin?
3 Met welke letter begint de vogel? Trek er een lijn naartoe. Schrijf de letter op. A B C D E
k oolmees
F
G H
m us
I
J
K
s preeuw
L M N O P Q R
r oodborstje
S
d uif
T
U V W X
l ijster
Y
Z
v ink
4 Wat voor vogel zou jij willen zijn? Vul maar in. Ik zou een eigen keuze
dan is je antwoord goed!
willen zijn, omdat heb je verteld waarom je dit kiest?
J
37
18
Speel je mee? Maak zelf een knikkerspel van luciferdozen.
Knip een
Lijm de
Geef de
Schrijf
Spelen
vierkantje
dozen
dozen een
cijfers op
maar!
uit elke doos.
aan elkaar.
kleurtje.
de dozen.
1 Hoe doe je het? Schrijf de zinnen onder het goede plaatje. Geef de dozen een kleurtje. Spelen maar! Knip een vierkantje uit elke doos. Schrijf nummers op de dozen. Lijm de dozen aan elkaar.
2 De zinnen onder de plaatjes vormen een tekst. Welk soort tekst is het? een sprookje een tekst die je leert hoe je iets maakt. een gedicht een spannend verhaal
38
Naam 3 Wat heb je nodig om het knikkerspel te maken? Kleur de goede hokjes blauw. spiegel
verf
luciferdozen
kwast
schaar
mesje
naald
lijm
stift
knikkers
4 Wat hoort er niet bij? Zet er een streep door. knikkeren − tikkertje − voetballen − verstoppertje − lezen − dammen
5 Speel je het binnen of buiten? Kleur het goede hokje blauw. binnen
buiten
1 een boomhut bouwen 2 tikkertje 3 een computerspel 4 boompje verwisselen 5 stoelendans
6 Speel jij liever binnen of buiten? Vul maar in. Ik speel liever eigen keuze
dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom je dit kiest?
J
39
19
Van harte
1 Is het goed of fout? Kleur de juiste hokjes. waar
niet waar
waar
niet waar
1 Wim Derksen stuurt Heleen een e-mail. 2 Heleen krijgt een brief van Wim Derksen. 3 Heleen krijgt een e-mail van Wim Derksen. 4 Wim Derksen stuurt Heleen een brief.
2 Is het waar of niet waar? Kleur de juiste hokjes.
1 Heleen heeft een prijs gewonnen. 2 De prijs is een boek. 3 Heleen deed mee aan een tekenwedstrijd. 4 De prijs komt ook met de post.
40
Naam 3 Poeh, wat een mooie prijzen! Schrijf de goede woorden onder de plaatjes. Kies uit: vakantie − cd − boek − televisie − auto − stiften
stiften
televisie
auto
vakantie
cd
4 Welk woord hoort er niet bij? Zet er een streep door. Kies uit: in − uit − met − voor − bij 1 Van harte gefeliciteerd met
je prijs.
2 Het staat in
de brief.
3 Bedankt voor
het meedoen.
4 Er hoort ook een prijs bij
.
5 Wat zou jij graag willen winnen? Vul maar in. Ik zou graag een eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
willen winnen, want heb je verteld waarom je
J
41
Brr, wat eng!
20
Mam leest Amir voor. ‘Er was eens een prinses,’ begint ze. ‘Veel te eng,’ moppert Amir. Zijn moeder lacht. ‘Hoe weet je dat nou?’ ‘Ik ken het verhaal al,’ zegt Amir. Zijn moeder slaat de bladzij om. ‘Zal ik dan het einde doen?’ ‘Goed,’ zegt Amir. ‘En ze leefden nog lang en gelukkig,’ zegt mam. ‘Mooi zo,’ zegt Amir tevreden.
1 Wat voor soort tekst leest mam voor? een tekst die je leert hoe je iets maakt een echt gebeurd verhaal een gedicht een sprookje
2 Amir moppert. Wat betekent dat? Amir praat heel snel. Amir zegt iets leuks. Amir zegt iets onaardigs. Amir praat heel langzaam.
3 Wat betekent ongeveer hetzelfde? Trek er een lijn naartoe.
42
eng
kwaad
aardig
heel blij
nors
vriendelijk
boos
griezelig
gelukkig
onaardig
Naam 4 Wat hoort niet bij een sprookje? Zet er een rondje om. draak − reus − dwerg − kasteel − heks − tent − prins − paddestoel
5 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
roodkapje
F
G H
heks
I
J
K
L M N O P Q R
sneeuwwitje
elfje
S
prinses
T
U V W X
kabouter
Y
Z
wolf
6 Welk woord vul je in? Kies uit: haar − zijn 1 De heks klom op haar
bezem.
2 De reus stak zijn
vuist op.
3 De prinses zwaaide naar haar
volk.
4 De koning was boos op zijn
vrouw.
5 De draak liet vuur uit zijn
neus komen.
6 Sneeuwwitje hield van haar
dwergen.
7 Hou jij van enge verhalen? Kies uit: wel – niet Ik hou eigen keuze
van enge verhalen, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
43
21
Vriendjes Er woont een nieuwe jongen in de straat. Hij (1) heet Rob. Amir wil graag met hem spelen. Maar hij (2) durft het niet te vragen. Amir loopt naar zijn vader. ‘Pap, hoe word je vriendjes?’ vraagt hij. Zijn vader kijkt op. Hij (3) legt zijn krant neer. ‘Met wie?’ vraagt hij. ‘Met Rob,’ zegt Amir. ‘Gewoon aardig zijn,’ zegt zijn vader. ‘Goed,’ zegt Amir. ‘Dan doe ik dat morgen.’
1 Wie is Rob? Kleur het hokje blauw bij het goede plaatje. Naam: Rob Haar: korte stekeltjes Kleding: trainingspak Verder nog: heeft altijd een voetbal bij zich
44
Naam 2 Wie is het? Kleur de juiste hokjes blauw. Hij (1)
hij (2)
Hij (3)
Amir
Amir
Amir
Rob
Rob
Rob
Amirs vader
Amirs vader
Amirs vader
3 Kleur de juiste hokjes. goed
fout
1 Rob heeft een broer en een zus. 2 Robs ouders hebben vier kinderen. 3 Mick heeft een zus en een broer. 4 Fiona heeft twee broers en een zus. 5 De zus van Fiona heet Mick
4 Wie is jouw beste vriend of vriendin? Schrijf ook op waarom. Mijn beste vriend/vriendin is eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
, omdat heb je verteld waarom je
J
45
22
Verliefd Verliefd Ik was verliefd op Bas, maar hij was op Marjan. En Marjan was weer op Karel, ik snap het niet hoe dat kan. Ik vond Bas heel leuk, maar hij zag mij niet staan. Hij zag alleen Marjan, maar die zat achter Karel aan. Nu hoef ik Bas niet meer, nu ben ik op Willem-Jan. Maar ja, hij is op Fieneke, zo komt er nooit wat van! Douwe de Vries
1 Wat is het voor soort tekst? een sprookje een tekst die je iets leert een gedicht een spannend verhaal
2 Wie is de schrijver? Vul maar in. De schrijver heet Douwe de Vries
46
Naam 3 Is het waar of niet waar? Kleur het goede hokje. waar
niet waar
1 Bas was verliefd op Marjan. 2 Karel was verliefd op Fieneke. 3 Willem-Jan is op Fieneke. 4 Marjan was verliefd op Karel.
4 Wat is de goede volgorde van de zinnetjes? Schrijf 1, 2 en 3 in de hokjes.
2 Ik schrijf een brief.
3 Dan knikt ze blij.
3 Ik doe hem op de post.
1 Jos geeft Thea een briefje.
1 Ik pak een pen.
2 Ze leest het.
5 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
Marjan
F
Bas
G H
I
J
K
L M N O P Q R
Willem-Jan
Fieneke
S
T
U V W X
Karel
Douwe
Y
Z
6 Denk je dat er iemand verliefd op jou is? Kies uit: wel – niet Ik denk eigen keuze
dat er iemand verliefd is op mij, want heb je verteld
waarom je dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
47
23
Een held ‘Mam, lees eens wat hier staat.’ Mam leest wat Heleen aanwijst.
Meisje redt kleuter Baarn,
Ida de Lange is de held van haar klas. Ze heeft een kleuter gered. Het kind was in een vijver gevallen. Ida zag het gebeuren. Ze sprong er meteen achteraan. De kleuter maakt het goed.
1 Wat laat Heleen aan mam zien?
2 Ida is de held van haar klas.
Kleur het goede antwoord.
Wat betekent dat?
een bladzijde uit de tv-gids
Iedereen vindt haar heel lief.
een verhaal uit een boek
Iedereen vindt haar heel dapper.
een bericht uit de krant
Iedereen vindt haar heel vrolijk.
een brief
Iedereen vindt haar heel sterk.
3 Schrijf ze op van klein naar groot.
48
1 peuter − baby − kleuter
1
baby − peuter − kleuter
2 kikker − eitje − kikkervisje
2
eitje − kikkervisje − kikker
3 zee − meer − vijver
2
vijver − meer − zee
Naam 4 Wat is de goede volgorde? Zet de letters in de hokjes. 1
2
3
4
5
6
m
o
e
d
i
g
5 Zou jij durven wat Ida durfde? Kies uit: wel – niet Ik zou eigen keuze
durven wat Ida durfde, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!  J
49
24
Wie durft? Juf Maartje blaast op haar uit. Meteen zijn de kinderen stil. Juf wijst naar het klimrek. 'Let goed op,' zegt ze. 'Ik doe het eerst voor.' Pijlsnel klimt ze naar boven. Amir kijkt met open mond toe. Juf draait zich om. Stapje voor stapje komt ze weer naar beneden. Ze springt op de vloer. 'Wie durft dat ook?' vraagt ze. Amir doet een stap naar voren.
1 Juf klimt pijlsnel naar boven. Wat betekent dat? Juf klimt rustig naar boven. Juf klimt langzaam naar boven. Juf klimt heel vlug naar boven. Juf klimt.
2 Welke les geeft juf Maartje?
50
3 Waar geeft juf les?
een gymles
buiten
een taalles
in de klas
een rekenles
in het zwembad
een leesles
in de gymzaal
Naam 4 Welk woord hoort niet in deze rij? Zet er een rondje om. taal − rekenen − gymnastiek − lezen − ballet − schrijven − tekenen − verkeer − aardrijkskunde
5 Wie doet het? Kies uit: juf Maartje − Amir 1 Wie blaast op een fluit?
− Dat is juf Maartje
2 Wie wijst naar het klimrek?
− Dat is juf Maartje
3 Wie klimt naar boven?
− Dat is juf Maartje
4 Wie kijkt met open mond toe?
− Dat is Amir
5 Wie draait zich om?
− Dat is juf Maartje
6 Wie springt op de vloer?
− Dat is juf Maartje
7 Wie doet een stap naar voren?
− Dat is Amir
Wie doet het meest?
− Dat is juf Maartje
Wie is dus de hoofdpersoon?
− Dat is juf Maartje
6 Welke woorden horen erbij? Trek er lijn naartoe. schrift
touwen matten
stoel ringen
gymnastiek
schoolbord
klimrek
hoepel
7 Wat vind jij het leukst bij gym? Vul maar in. Ik vind eigen keuze
dan is je antwoord goed!
het leukst, omdat heb je verteld waarom je dit kiest?
J
51
25
Allemaal knagers Amir zit op de bank met een boek. Het is een boek over cavia's. Lees maar wat erin staat.
1 Wat voor soort tekst leest Amir?
2 Wat is een goede naam voor de tekst?
een gedicht
Ratten en muizen
een tekst die je leert hoe je iets maakt
Knaagdieren
een spannend verhaal
De dwergmuis
een tekst waar je iets van leert
Tanden
3 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
e ekhoorn
52
F
G H
b ever
I
J
K
c avia
L M N O P Q R
h amster
S
k onijn
T
U V W X
r at
Y
m uis
Z
Naam 4 Vul het goede woord in Kies uit: want − of − maar − omdat 1 Is dat een cavia of
een hamster?
2 Amirs cavia is meestal lief, maar 3 Heleen heeft een konijn, omdat
soms niet. zij die heel mooi vindt.
5 Stel je voor dat jij ook een konijn gaat kopen. Welk boek kun je dan het best lezen?
A
Dan kan ik het best boek C
B
C
D
lezen.
6 Zou een eekhoorn een goed huisdier zijn? Kies uit: wel – niet Ik denk van eigen keuze
, want heb je verteld waarom je dit kiest?
dan is je antwoord goed! J
53
26
Zo rood als... Heleen duwt een tak opzij. Ze (1) tuurt naar het huis van mevrouw Van Santen. Dan sluipt ze naar een raam. Voorzichtig kijkt ze (2) naar binnen. Er zit een oude vrouw aan de tafel. Ze (3) leest de krant. Heleen haalt diep adem. Zal ze (4) het vragen? Ze loopt naar de deur en belt aan. Mevrouw Van Santen doet open. Verbaasd kijkt ze (5) Heleen aan. Heleen voelt dat ze (6) rood wordt.
1 Wat is het voor soort tekst? een spannend verhaal een tekst waar je iets van leert een gedicht een tekst die je leert hoe je iets maakt
2 Wie is 'ze'? Kleur het goede hokje. Heleen 1 Ze (1) 2 ze (2) 3 Ze (3) 4 ze (4) 5 ze (5) 6 ze (6)
54
Mevrouw Van Santen
Naam 3 Vul het goede woord in Kies uit: spier − pimpel − pik − vuur heel rood =
vuur rood pik zwart
heel zwart = heel wit = heel paars =
spier wit pimpel paars
4 Wie is mevrouw Van Santen? Kleur het hokje blauw onder het goede plaatje. Naam: mevrouw Van Santen Haar: een knotje Kleding: jurk tot aan de grond Verder nog: een brilletje op de punt van haar neus
5 Krijg jij wel eens een rood hoofd? Kies uit: nooit – soms – vaak Ik krijg eigen keuze
dan is je antwoord goed!
een rood hoofd, want heb je verteld waarom je dit kiest?
J
55
27
Lekker en gezond Maak een heerlijk fruitstokje! wat heb je nodig?
• satéprikkers • fruit (appels, kiwi's, bananen, kersen, aardbeien) • chocoladesaus
1 Wat is het voor soort tekst? Kleur het goede hokje. een gedicht een recept een spannend verhaal een mop
2 De plaatjes staan in de goede volgorde. Schrijf de zinnen onder het goede plaatje. Doe het aan de prikker. Was al het fruit. Giet er saus over. Snij het in stukjes.
56
Was al het
Snij het in
Doe het aan
Giet er
fruit.
stukjes.
de prikker.
saus over.
Naam 3 Groente of fruit? Zet de woorden in de goede rij. perzik – sla – andijvie – framboos – meloen – citroen – prei – witlof groente
fruit
sla
perzik
andijvie
framboos
prei
meloen
witlof
citroen
4 Welk boek heb ik nodig? Vul de goede letter in.
1 Ik wil zelf een cake bakken.
Ik kies boek B
2 Ik wil zelf een toetje maken.
Ik kies boek D
3 Ik wil zelf limonade maken.
Ik kies boek C
4 Ik wil zelf ijs maken.
Ik kies boek A
5 Wat vind jij het lekkerst als toetje? Vul maar in. Ik vind als toetje eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
het lekkerst, omdat heb je verteld waarom je
J
57
28
Vakantie! Amir en Rob lopen van school naar huis. 'Hè hè,' zegt Amir, 'lekker vakantie.' Hij kijkt Rob aan. 'Waar ga jij heen?' 'ik?' zegt Rob. 'O, eh... naar Amerika.' 'Poeh,' zegt Amir, 'wat ver.' Rob kijkt heel stoer. 'En jij dan?' vraagt hij. 'Ik ga naar Limburg,' zegt Amir. 'Met mijn hele familie. We slapen met vijf kinderen op een zolder.' Rob zegt niets meer.
1 Is het goed of fout of staat het er niet in? Kleur het goede hokje. goed 1 Amir en Rob hebben vakantie. 2 Rob gaat met de boot naar Amerika. 3 Amir gaat naar Limburg. 4 Amir gaat in een tent slapen. 5 Rob zou liever met Amir meegaan.
58
fout
dat staat er niet
Naam 2 Met welke letter begint het woord? Trek er een lijn naartoe. A B C D E
Spanje
F
G H
Amerika
I
J
K
Limburg
L M N O P Q R
Frankrijk
België
S
T
U V W X
Nederland
Y
Z
Zeeland
3 Vul het goede woord in. Kies uit: in − tot − bij − op 1 Ik mag bij
een vriendje kamperen.
2 We slapen een nacht in 3 Dan blijven we tot
een tent. twaalf uur wakker.
4 Wat hoort niet in het rijtje? Zet er een rondje om. bus
zolder
deken
vliegtuig
kelder
zwembroek
tent
keuken
laken
auto
tuin
kussen
5 Vind jij kamperen leuk? Kies uit: wel – niet Ik vind kamperen eigen keuze
dan is je antwoord goed!
leuk , want heb je verteld waarom je dit kiest?
J
59
Hoe ver ben je?
60