Skip to main content

Taal-Begrijpend_lezen_Gr3B_150dpi_antw

Page 1

Begrijpend lezen Leesmaatjes B


Begrijpend lezen

Leesmaatjes B COLOFON Auteur Henk Hokke Ontwerp omslag Eduardo Media Vormgeving + Lay-out Spil Design, Baarn Illustraties Egbert Koopmans Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31488 5 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


inhoud 1

een kip in de tuin

4

2

mijn vriendje bas

6

3

te koop

8

4

help, een muis!

10

5

wat schrijf je daar?

12

6

er was eens...

14

7

oom bas

16

8

op de markt

18

9

smul je mee?

20

10 op de kermis

22

11 bij de bank

24

12 met de boot

13 ben je ook op mij?

28

14 pak de dief!

30

15 ontbijt op bed

32

bah, wat vies!

34

16

26

17 wat ben je kwijt?

36

een nieuw zusje!

38

18

19 teken maar mee

40

een botsing

42

21 een bril voor kim

44

22 met de slee

46

20

hoe ver ben je?

48


een kip in de tuin

1

kim kijkt uit het raam. hee, er loopt een kip in de tuin! de kip is bruin. ze pikt in het gras. kim holt naar buiten. oei, de kip schrikt heel erg. ze rent de tuin uit. kim gaat weer naar binnen. ze belt haar vriendje omer. samen gaan ze op zoek. op zoek naar de kip.

1 kleur het hokje blauw als de zin goed is. zet een kruisje in het hokje als de zin fout is. de kip is bruin. de kip loopt in huis. kim voert de kip. de kip pikt in het gras.

2 legt het dier een ei of niet? schrijf ze in de goede rij. kies uit: poes – mus – koe – duif – haan – kip – muis – zwaan dit dier legt een ei.

4

dit dier legt geen ei.

mus

poes

duif

koe

kip

haan

zwaan

muis


Naam 3 wat hoort bij een kip? trek er een lijntje naartoe. veren

snor

poten

haren

snavel bek klauwen kam

4 vul het goede woord in. kies uit: op – voor – met 1 kim zit voor

het raam.

2 ze holt met

grote stappen de tuin in.

3 de kip loopt op

het gras.

5 zou jij een kip willen hebben? kies uit: wel – niet ik zou eigen keuze

een kip willen hebben, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

5


2

mijn vriendje bas mam leest kim voor uit een boek. dit staat erin:

mijn vriendje bas

het huis staat leeg, het huis van mijn vriendje bas. een man die ik niet ken maait er nu gras.

de klimboom is al weg, de man maakt er een hek. de hut van bas en mij is nu een kale plek.

ik bel bas elke week, maar vaak is hij er niet. dan speelt hij in het park met zijn nieuwe vriendje piet.

1 is het waar of niet waar? zet het er maar bij.

6

1 bas heeft een nieuw vriendje.

− dat is waar

2 de hut staat er nog.

− dat is niet waar

3 de klimboom is er niet meer.

− dat is waar

4 het huis staat leeg.

− dat is waar

5 bas maait het gras.

− dat is niet waar

6 bas speelt vaak in het park.

− dat is waar


Naam 2 wat hoort niet in de rij? zet er een streepje door. 1 hark – schep – bloempot – snoeischaar – schoffel 2 tulp – berk – beuk – eik – spar 3 bas – tom – jan – els – piet

3 schrijf de zinnen onder het goede plaatje. pap harkt de tuin. bas pakt de hark. hij geeft hem aan pap.

bas pakt de hark.

hij geeft hem aan

pap harkt de tuin.

pap.

4 vul het goede woord in. kies uit: en – maar – want 1 bas en

piet zijn vriendjes.

2 ik bel bas, want

ik mis hem erg.

3 ik bel bas, maar

hij is er niet.

5 help jij wel eens in de tuin? kies uit: vaak – soms – nooit ik help eigen keuze

in de tuin, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

7


3

te koop kim loopt met omer naar school. hee, kijk eens, zegt omer. hij wijst naar een tuin. 1 wat is er te koop?

er staat een bord in.

kleur het goede hokje blauw.

kim leest wat er staat. te koop, zegt ze.

het huis

omer bekijkt de tuin.

de tuin

wat gek, zegt hij.

het bord

wie verkoopt nou zijn tuin?

de school

2 wie doet het? schrijf het op. kies uit: kim – omer 1 wie bekijkt de tuin?

− dat is omer

2 wie leest wat er op het bord staat?

− dat is kim

3 wie wijst naar een tuin?

− dat is omer

3 wat is het? schrijf het goede nummer in de rondjes. kies uit: 1 dak

6 zolder

2 raam

7 trap

3 kelder

8 keuken

4 deur

9 gang

5 muur

10 kamer

1

6

2 7

5 10

4

9

8 3

8


Naam 4 vul in: hij – zij

zij

hij

hangt

de was op.

hij

pakt

zijn fiets.

zij

laat

de hond uit.

gooit

met een bal.

5 wat is het? trek er een lijn naartoe. het is een soort huis.

er zit een steel aan

het is heel hoog.

het staat in de tuin.

Het is van steen.

het is van hout.

er komt rook uit.

het staat om een tuin.

het is van glas. je kijkt erdoor.

6 woon jij in een fijn huis? kies uit: wel – niet ik woon eigen keuze

in een fijn huis, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

9


4

help, een muis! het is stil in groep drie. juf mies loopt rond. kim kijkt op. hee, wat is dat? daar loopt iets door de klas! het is een muis. hij zit nu bij joost. joost gilt heel hard. de muis rent weg. terug naar zijn hol.

1 kan het wel of kan het niet? 1 een muis die een web maakt.

− dat kan niet

2 een muis die piept.

− dat kan wel

3 een muis die springt.

− dat kan wel

4 een muis die klimt.

− dat kan wel

5 een muis die huilt.

− dat kan niet

2 welk plaatje hoort bij het verhaal? kleur dat hokje blauw.

10


Naam 3 welk woord hoort hier? kies uit: naast – op – in

de muis zit in

de muis zit naast

de kast.

de muis zit op

de kast.

de kast.

4 hoe heet het boek? zet het er maar op. kies uit: een muis in de klas – muis gaat op reis – de muis die ziek was

muis gaat

op reis

5 ben jij bang voor een muis? kies uit: wel – niet ik ben eigen keuze

bang voor een muis, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!  J

11


wat schrijf je daar?

5

1 voor wie is de brief en van wie is de brief? vul maar in. de brief is voor oma

en van omer

2 wat lezen ze? schrijf het op. kies uit: de krant – een briefje – een boek – een brief

hij leest

een boek

zij leest

een briefje

hij leest

de krant

12

zij leest

een brief


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: omdat – of – dus 1 omer vraagt of

hij bij oma mag slapen.

2 omer schrijft een brief, omdat

hij oma iets wil vragen.

3 omer wil oma wat vragen, dus

schrijft hij haar een brief.

4 waar zijn ze? kies uit: in de klas – in huis – in de tuin saar helpt pap.

frans leest een boek.

floor snapt de som niet.

ze graaft een gat.

hij ligt op de bank.

juf ziet het.

pap zet er een plant in.

de tv staat ook aan.

ze wijst naar het bord.

saar is in de tuin

frans is in huis

floor is in de klas

5 is het een goed woord? zet er dan een rondje om. leesboek – leeshand – leesbril – leesles – leeskrant– leeslamp

6 schrijf jij wel eens een brief? kies uit: nooit – soms – vaak ik schrijf eigen keuze

een brief, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

13


6

er was eens... juf mies wijst naar het bord. dit staat er:

juf deelt blaadjes uit. wat gebeurt er met de reus? vraagt ze. maak het maar af.

1 wat begint vaak met ‘er was eens...’? kleur het goede hokje blauw. een bericht in de krant een sprookje een les in je taalboek een brief

2 wie is juf mies? lees eerst de zinnen. kleur dan het goede hokje blauw. juf mies heeft lang haar. ze draagt een bril. ze heeft een rok aan.

14


Naam 3 welk woord hoort hier? kleur het goede hokje blauw. kim pakt haar pen.

de reus gaat op reis.

juf mies pakt een

ze kijkt naar het bord.

hij pakt zijn

daarmee schrijft ze een zin op

dan

daarin zitten zijn kleren.

het bord. ze leest de zin voor.

ze te schrijven. gaat

koffer

blaadje

begint

hoed

krijtje

moet

jas

potlood

4 wat is het? schrijf het op. kies uit: puntmuts – puntzak – puntneus – puntdak

puntzak

puntneus

puntmuts

puntdak

5 zou jij een reus willen zijn? kies uit: wel – niet ik zou eigen keuze

een reus willen zijn, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

15


7

oom bas de oom van kim is er. hij heet oom bas. oom bas is de broer van pap. hij kwam met zijn motor. oom bas is heel dik. hij heeft een snor en een baard. dat kriebelt als hij je zoent. oom bas lacht naar kim. kom eens hier snoes, zegt hij. hij noemt kim altijd snoes.

1 wat is goed? kleur dat hokje blauw. oom bas is heel groot.

oom bas is de broer van pap.

oom bas is heel dik.

oom bas is de broer van mam.

oom bas noemt kim altijd snoes. oom bas noemt kim altijd poes.

2 wie is oom bas?

16


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: hij – zij – haar – hem 1 piet huilt, want hij

viel op zijn knie.

2 mam is jarig, dus siep gaf haar

wat moois.

3 rob was brutaal en de meester gaf hem 4 kim lachte toen zij

straf.

het boek kreeg.

4 oom bas kwam met zijn motor. op welk plaatje zie je dat?

5 vul het goede woord in. kies uit: duur – dun – schoon – nat – leeg 1 pap is niet dik, maar dun 2 de fles is niet vol, maar leeg 3 het huis is niet vies, maar schoon 4 de fiets is niet goedkoop, maar duur 5 de stoep is niet droog, maar nat

6 zou jij later op een motor willen rijden? kies uit: wel – niet ik zou later eigen keuze

op een motor willen rijden, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

17


8

op de markt

1 welk woord hoort in de zin? kies uit: achter – voor – naar – in – naast 1 omer loopt naast

kim.

2 hij heeft een hand in 3 achter

zijn zak. hen loopt een hond.

4 er staat een man voor 5 de man wijst naar

18

de snoepkraam. het snoep.


Naam 2 wat is het? trek er een lijn naartoe. het is rond en rood.

het groeit in de grond.

het is gezond.

er zit een punt aan.

Het is paars.

het is lang en krom.

Het is een tros.

het is geel.

het is wit. je moet het koken.

3 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes. 1

2

3

4

d

r

u

k

4 vind jij het leuk op de markt? kies uit: wel – niet ik vind het eigen keuze

leuk op de markt, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

19


9

smul je mee? kim maakt iets lekkers. ze leest in een boek hoe het moet:

wat heb je nodig? • een snee brood • boter • een plak ham • 1 augurk

wat moet je doen? • smeer boter op het brood • leg de ham erop • snijd de augurk in plakjes • leg de plakjes op de ham

1 kim heeft nog iets nodig wat er niet bij staat. wat is dat? kleur het goede hokje blauw. een vork een mes een lepel een kopje

2 in welk boek leest kim? een boek met sprookjes een stripboek een spannend boek een kookboek

20


Naam 3 hoe ziet de snee brood eruit als kim klaar is? kleur het goede hokje blauw.

4 is het vlees of geen vlees? zet de woorden in de goede rij. kies uit: kaas – ham – rookvlees – worst – jam – hagelslag wel vlees

geen vlees

ham

kaas

rookvlees

jam

worst

hagelslag

5 vind jij het lekker wat kim maakt? kies uit: wel – niet ik vind het eigen keuze

lekker wat kim maakt, omdat heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

21


10

op de kermis

1 is het waar of niet waar? kleur steeds het goede hokje blauw. dat is waar 1 omer wint een prijs. 2 omer gooit drie keer. 3 zijn vader gooit ook een keer. 4 in het begin staan er 6 blikken. 5 omer gooit alle blikken eraf. 6 omer heeft nog één bal over.

2 vul het goede woord in. kies uit: wint – groot – raak – lacht 1 omer gooit niet mis, maar raak 2 omer verliest niet, maar hij wint 3 de beer is niet klein, maar groot 4 omer huilt niet, maar hij lacht

22

dat is niet waar


Naam 3 wat zie je op de kermis? kleur de hokjes blauw.

4 op welk plaatje zie je een suikerspin?

5 vind jij de kermis leuk? kies uit: wel – niet ik vind de kermis eigen keuze

leuk, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J 23


11

bij de bank ga je mee, kim? vraagt mam. ik moet naar de bank. ik ben blut. kim en mam lopen naar de bank. het is er niet druk. mam stopt haar pasje in een gleuf. zo, zegt ze als ze klaar is. nu heb ik weer geld. nu ben ik weer rijk.

1 maak de volgorde van de zinnen goed. zet 1, 2 en 3 in de hokjes.

2 ik rijd naar de winkel. 3 ik koop een pak melk. 1 ik pak mijn fiets. 2 ik schrijf een brief. 1 ik pak een pen. 3 ik doe de brief op de post. 3 ik ga naar school. 1 ik sta op. 2 ik eet. 2 welk plaatje hoort bij het verhaal? kleur dat hokje blauw.

24


Naam 3 mam is blut. hoe zeg je dat anders? het geld van mam is op. mams geld zit in een spaarpot. mam is heel rijk. het geld van mam is bijna op.

4 schrijf het goede woord bij het plaatje. kies uit: munt – pasje – biljet – kassa

munt

biljet

pasje

kassa

5 vul het goede woord in. kies uit: zuinig – arm – rijk – gul 1 als je geen geld hebt, ben je arm 2 als je veel weggeeft, ben je gul 3 als je bijna geen geld uitgeeft, ben je zuinig 4 als je heel veel geld hebt, ben je rijk

6 wat zou je doen als je rijk was? als ik rijk was zou ik eigen keuze

heb je verteld waarom je dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

25


12

met de boot omer pakt de krant. dit staat er voorop:

1 waar lees je het? schrijf het op. kies uit: de krant – een taalboek – een leesboek – een gids – een kookboek 1 hoe je iets lekkers maakt, lees je in een kookboek 2 een les die je moet maken, staat in een taalboek 3 een bericht lees je in de krant 4 een mooi verhaal lees je in een leesboek 5 wat er op tv is, staat in een gids

2 wat hoort bij een boot? trek er een lijn naartoe. dak anker

kiel

kelder

stuurhut

roer

dek trapper

26


Naam 3 waar vaar je mee? schrijf het erbij. kies uit: roeiboot – pont – schip – kano – vlot

kano

pont

vlot

schip

roeiboot

4 schrijf op van klein naar groot. zee – vijver – meer – druppel

druppel − vijver − meer − zee 5 schrijf op van groot naar klein. step – auto – fiets – tram

tram − auto − fiets − step 6 wat voor boot vind jij mooi? ik vind eigen keuze

mooi, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

27


13

ben je ook op mij? psst kim! kim kijkt opzij. saar geeft een briefje aan haar. kim leest het:

kim kijkt om. anne steekt een hand naar haar op.

1 voor wie is het briefje? voor anne

van omer

voor saar

van anne

voor juf

van saar

voor kim

van mam

2 waar is kim? thuis in de stad in de klas op het plein

28

van wie is het briefje?


Naam 3 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes. 1

2

3

4

l

i

e

f

4 vul het goede woord in. kies uit: en – dus – omdat 1 kim kijkt op, omdat 2 saar en

saar haar roept. kim zitten in de klas.

3 saar stoot kim aan, dus

kim kijkt opzij.

5 schrijf jij wel eens een briefje in de klas? kies uit: nooit – vaak – soms ik schrijf eigen keuze

een briefje in de klas, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

29


14

pak de dief! kim is met mam in de stad. er loopt een man voor hen. hee, wat is dat? de man rent op een vrouw af. hij grijpt haar tas. vlug rent hij de hoek om! met de tas van de vrouw. mam holt naar de vrouw. help! roept ze heel hard. pak de dief!

1 wie doen er mee in het verhaal? kleur de goede hokjes blauw. kim omer juf mies een dief een vrouw mam

2 welk plaatje hoort bij het verhaal?

30


Naam 3 vul het goede woord in. 1 je bent een dief als je iets s teelt 2 je bent een schrijver als je iets s chrijft 3 je bent een winnaar als je iets w int 4 je bent een domoor als je niet veel w eet 5 je bent een lezer als je iets l eest

4 maak de rijmpjes af. ik zag een dief,

pak de dief!

ik pak een koekje

het was in de nacht.

grijp hem in zijn nek.

zonder dat mam het ziet.

ik hoorde hem niet,

gooi hem op de grond.

is dat stelen?

want hij liep heel

of is dat te

ik denk het

zacht

gek

?

niet

5 wat zou jij doen als je een dief zag? ik zou eigen keuze

want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!  J

31


15

ontbijt op bed kim loopt de trap op. ze draagt een blad. het blad is heel zwaar. er staat een ontbijt op. dat is voor pap en mam. pap is jarig vandaag. op het blad ligt een pakje. dat is voor pap. er zit iets moois in. kim heeft het zelf gemaakt.

1 wat is goed? kleur dat hokje blauw. kim loopt de trap op.

mam is jarig.

kim loopt de trap af.

pap is jarig.

het pakje is voor pap.

het ontbijt is van kim voor pap en mam.

het pakje is voor mam.

het ontbijt is van pap en mam voor kim.

2 wat hoort bij een ontbijt? kleur de goede hokjes blauw.

32


Naam 3 wat is het? kleur het goede hokje blauw. het is lang. het is scherp. je eet ermee.

het is rond. het is fruit. er zit sap in.

het is vierkant. het is zoet. het is wit.

4 maak jij wel eens het ontbijt? kies uit: nooit – soms – vaak ik maak eigen keuze

het ontbijt, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

33


16

bah, wat vies! kim is heel vroeg op school. ze loopt naar het bosje. hee, wie staat daar? het is joop. hij zit in groep acht. joop schrikt als hij kim ziet. er komt rook uit zijn mond. joop holt vlug weg. ba, wat vies! denkt kim. joop rookt!

1 waar speelt het verhaal? kleur het goede hokje blauw. in school in de tuin op straat bij school

waarom schrikt joop? omdat hij stiekem rookt omdat hij bang is voor kim omdat kim boos is omdat kim hem uitlacht

2 wie is joop? lees eerst de zinnen goed. kleur dan het goede hokje blauw. joop is lang en dun. hij draagt een bril. hij heeft een jas aan.

34


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: laat – vlug – lekker 1 niet langzaam, maar vlug 2 niet vies, maar lekker 3 niet vroeg, maar laat

4 wat is het? schrijf het maar op.

p ijp

r ook

a sbak

s igaar

5 ga jij later roken? kies uit: wel – niet – misschien ik ga later eigen keuze

roken, omdat heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

35


17

wat ben je kwijt? omer staat in de gang op school. hij leest een briefje op het prikbord:

wie heeft mijn trui gezien? ik ben hem al een week kwijt. hij is blauw met wit. op de voorkant staat een ster. die is ook wit. de trui heeft lange mouwen.

tes uit groep 4

1 van wie is het briefje? kleur het goede hokje blauw. van kim uit groep drie van tes uit groep vier van tes uit groep drie van kim uit groep vier

hoe lang is ze de trui al kwijt? een dag een week een maand een jaar

2 Welke trui is van tes? kleur het goede hokje blauw.

36


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: bij – van – langs – tot – om 1 er vloog een vogel langs

het raam.

2 omer staat bij

het prikbord.

3 ze loopt een rondje om

het huis.

4 hij fietst tot

hij moe is.

5 de trui is van

tes.

4 welke zin hoort bij het plaatje? trek een lijn. 1 omer leest een boek. 2 omer leest een briefje. 3 omer leest de krant.

5 ben jij wel eens wat kwijt? kies uit: vaak – soms – nooit ik ben eigen keuze

wat kwijt, omdat heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

37


18

een nieuw zusje! mam laat kim een kaartje zien. kim leest het:

1 van wie is liza het zusje?

hoe zwaar is liza?

van kim

vier pond

van pap en mam

vijf pond

van elsje

zes pond

van omer

zeven pond

2 wat hoort bij een baby? trek er een lijn naartoe. luier

brood

melk

tanden

fiets

bril

wieg speen

38


Naam 3 is het waar of niet waar? zet het er maar bij. 1 een baby leest veel.

− dat is niet waar

2 een baby drinkt bier.

− dat is niet waar

3 een baby kan praten.

− dat is niet waar

4 een baby slaapt veel.

− dat is waar

5 een baby plast op een potje.

− dat is niet waar

4 op welk plaatje krijgt de baby melk? kleur het goede hokje blauw.

5 wil jij later een kind? kies uit: wel – niet – misschien ik wil later eigen keuze

een kind, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!

J

39


19

teken maar mee omer zit aan tafel. zijn tong steekt uit zijn mond. hij tekent een kameel. een kameel bij een palmboom. zijn zus komt binnen. wat is dat? vraagt ze (1). een kameel, zegt omer boos. dat zie je toch wel? hij (2) pakt een stift. hij schrijft er ‘kameel’ bij. heel groot en dik.

1 wie is het? vul het maar in. 1 ze (1) = zijn zus 2 hij (2) = omer

40

2 waar is omer?

op wie is omer boos?

in de klas

op zijn broer

in huis

op pap

op straat

op mam

in de tuin

op zijn zus


Naam 3 hoe ziet het eruit als omer klaar is? kleur het goede hokje blauw.

4 wat is de laatste zin? kleur het goede hokje blauw. omer heeft dorst.

kim is heel moe.

hij doet de kast open.

ze geeft pap een zoen.

hij pakt een glas

ik ga naar bed, zegt ze.

hij loopt naar de kraan.

ze rent naar buiten.

hij loopt naar de tuin.

ze sloft de trap op.

hij loopt naar de wc.

ze belt omer op.

5 wat teken jij het liefst? schrijf het maar op. ik teken het liefst eigen keuze

dit kiest? dan is je antwoord goed!

omdat heb je verteld waarom je

J

41


20

een botsing omer is met pap in de stad. ze gaan met de tram. de tram rijdt weg. maar dan... boem! de tram remt heel hard. omer kijkt uit het raam. er reed een ďŹ ets tegen de tram. de ďŹ ets is stuk. een man staat er naast. hij kijkt heel boos.

1 waar zijn omer en pap?

wat gebeurt er?

in huis

een fiets botst op een man.

in de stad

een auto rijdt tegen de tram.

in de tuin

een man valt uit de tram.

in de klas

een fiets rijdt tegen de tram

2 welk plaatje hoort bij het verhaal? kleur het goede hokje blauw.

42


Naam 3 zet 1, 2, 3 en 4 in de hokjes. van langzaam naar snel.

nu van snel naar langzaam.

4 raket

4 step

1 fiets

2 bus

3 trein

1 vliegtuig

2 auto

3 brommer

4 op welk plaatje kijkt de man heel boos? kleur het goede hokje blauw.

5 wanneer word jij heel boos? schrijf het op. ik word boos, als eigen keuze.

dan is je antwoord goed!

heb je verteld waarom je dit kiest?

J

43


21

een bril voor kim kim loopt het plein op. ze draagt een bril. hij is net nieuw. omer holt naar kim toe. wat mooi, zegt hij. zo lijk je op een prinses. kim lacht. dat is lief van omer. dan komt suus eraan. wat zal zij zeggen?

1 wie doen er mee in het verhaal? kleur de goede hokjes blauw. suus

pap

kim

omer

juf mies

mam

2 wat voor bril is het? schrijf het erbij. kies uit: leesbril – skibril – duikbril – stofbril

skibril

duikbril 44

leesbril

stofbril


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: want – of – maar 1 kim wil een rode of

een blauwe bril.

2 kim moet een bril, want 3 kim zag eerst heel slecht, maar

haar ogen zijn slecht. nu heel goed.

4 wat doe je ermee? schrijf het op.

daar r uik

je mee.

daar k ijk

je mee.

daar h oor

je mee.

daar p roef

je mee.

5 wat vindt suus van de bril, denk je? ik denk dat suus eigen keuze.  heb je verteld waarom je dit kiest?

dan is je antwoord goed!  J 45


22

met de slee kim en omer staan op een heuvel. er ligt een pak sneeuw. kim zet de slee neer. ze gaan op de slee zitten. kim zit voorop. daar gaan ze. poe, wat gaat dat hard! de wind suist om hun hoofd. omer houdt kim vast. anders valt hij van de slee.

1 waarom houdt omer kim vast? hij heeft het koud. hij is bang dat hij valt. hij is bang dat kim valt. hij wil niet op de slee.

2 welk plaatje hoort bij het verhaal? kleur het goede hokje blauw.

46


Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: aan – om – bij – met – van 1 kim staat bij

de slee.

2 omer heeft een sjaal om

zijn nek.

3 ze gaan van

de heuvel af.

4 kim heeft een dikke jas aan 5 kim zit met

. omer op de slee.

4 wat heeft kim aan?

2

zet het goede cijfer in het rondje. kies uit: 1 broek 2 muts 3 laars

5

4 jas 5 sjaal 6 want

6

4

3

1

5 vind jij het leuk als er sneeuw ligt? kies uit: wel – niet ik vind het eigen keuze

leuk als er sneeuw ligt, want heb je verteld waarom je

dit kiest? dan is je antwoord goed!  J

47


hoe ver ben je? schrijf de nummers in de vlaggen.

48


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook