Begrijpend lezen Leesmaatjes A
Begrijpend lezen
Leesmaatjes A COLOFON Auteur Henk Hokke Ontwerp omslag Eduardo Media Illustraties Egbert Koopmans Opmaak PPMP Prepress, Wolvega
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31487 8 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
inhoud 1
speel maar mee
4
2 feest
6
3 sprookjes
8
4
het staat in de krant
10
5
ra, ra, wat is het?
12
6
op is op
14
7 bang
16
8 ziek
18
9
in de tuin
20
10 een boer en een koe
22
11 wie? wat? waar?
24
12
een vis
26
13 wat trek je aan?
28
14
het gezin
30
15
mmm... lekker!
32
16 au, dat doen pijn
34
17
op reis
36
18
de kapper
38
19 waar is de poes?
40
20
ik zie, ik zie...
42
21
het weer
44
22 sint en piet
hoe ver ben je?
46 48
3
speel maar mee
1
tom kijkt door de heg. hij ziet marloes. ze heeft een bril op. en ze draagt een jurk. de jurk is rood en geel. maar... hij is veel te groot. tom kruipt door de heg. marloes, wat doe je? vraagt tom. ik ben de juf, zegt marloes. speel je mee?
1 hoe ziet marloes eruit? kleur het goede hokje blauw.
2 zet de woorden in de goede rij. pet – broek – jas – muts – trui – hoed
wat trek je aan?
4
wat zet je op je hoofd?
broek
pet
jas
muts
trui
hoed
Naam 3 kleur het hokje blauw als de zin goed is. zet een kruisje in het hokje als de zin fout is.
1 marloes heeft een pet op. 2 haar jurk is rood en geel. 3 marloes speelt dat ze juf is. 4 ze vraagt of tom mee wil doen.
4 vul in: hij – zij
hij kijkt door
zij werkt in
zij leest
hij tilt
de heg.
de tuin.
een boek.
een doos.
5 denk je dat tom mee wil doen? kies uit: wel – niet ik denk dat tom eigen keuze
mee wil doen, omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
5
2
feest
1 is het waar of niet waar? zet het er maar bij.
6
1 het feest is zondag.
dat is niet waar
2 paul is nu zes jaar.
dat is niet waar
3 er is snoep op het feest.
dat is waar
4 pap doet een spel.
dat is waar
5 dit is een brief aan marloes.
dat is waar
6 marloes vraagt of paul op haar feest komt.
dat is niet waar
Naam 2 wat is het? kleur het goede hokje blauw.
het is lang. het is snoep. het is bruin. l
a
k
n
het is rond. het is speelgoed. er zit lucht in. u
s
e
t
het dier heeft een staart. het dier vliegt niet. het dier leeft in het bos. m
3
d
o
s
zet de letters in de blauwe hokjes op een rrij.
er staat het woord
kus
4 wat vind je van de kaart van paul? kies uit: mooi – niet mooi ik vind de kaart eigen keuze
omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
7
3
sprookjes tom leest een sprookje. het is heel eng. een heks eet een kind op. tom rilt. brr, kan dat wel? tom holt naar de tuin. daar zit mam op de bank.
1 kleur de heks.
2 wat hoort bij elkaar? trek een lijn. 1 ik bak een taart.
leesboek
2 ik maak een les.
plakboek
3 ik plak iets in.
kookboek
4 ik lees van een heks.
taalboek
3 wat hoort bij het verhaal? kleur dat hokje blauw.
8
Naam 4 wat doet tom? vul het in. kies uit: holt – leest – rilt 1 eerst leest 2 dan rilt 3 en dan
tom. hij.
holt
hij naar mam.
5 welke zin hoort bij het plaatje? trek een lijn. 1 tom zit op de bank. 2 tom zit op de stoel. 3 tom zit op de kruk.
6 wat hoort niet in de rij? zet er een streepje door. 1 heks – prins – kast – draak – reus – dwerg 2 bos – park – gras – boom – wolk – tuin 3 taart – koe – soesje – koek – pizza – brood
7 denk jij dat een heks een kind eet? kies uit: wel – niet ik denk van eigen keuze
, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J 9
4
het staat in de krant 1 schrijf de zinnen onder het goede plaatje. mam leest de krant. marloes pakt de krant. ze geeft hem aan mam.
marloes pakt
ze geeft hem
mam leest
de krant.
aan mam.
de krant.
2 welk woord hoort hier? kleur het goede hokje blauw. tom gooit de bal weg.
pak
jos kijkt hem boos aan.
haal
hem zelf maar op, zegt hij.
marloes loopt op de weg.
fietsbel
ze hoort een
vliegtuig
vlug gaat ze aan de kant.
kerkklok
pap geeft de poes melk.
pak
kom poes, zegt hij.
eet
de melk maar op.
10
gooi
lik
Naam 3 wat is de laatste zin? kleur het goede hokje blauw.
mam leest de krant.
mam leest nog een stuk.
ze kijkt op de klok.
mam staat vlug op.
oei, acht uur al?
mam gaat naar bed.
marloes pakt haar tas.
marloes gaat naar bed.
ze geeft mam een zoen.
marloes gaat in bad.
dag mam zegt ze.
marloes gaat naar school.
4 vul het goede woord in. kies uit: en – want – omdat 1 tom gaapt want
hij is moe.
2 mam leest en
pap wast af.
3 poes rent weg omdat
ze bang is.
5 lees jij de krant wel eens? kies uit: wel eens – nooit ik lees de krant eigen keuze
, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J 11
5
ra, ra, wat is het? ik weet een raadsel, zegt tom. het tikt en het slaat. marloes denkt na. mijn hand, zegt ze. ze geeft tom een tik op zijn rug. dan rent ze weg.
1 wat doet marloes niet? ze denkt na. ze geeft tom een tik. ze weet een raadsel. ze rent hard weg.
2 wat is het? kleur het goede hokje blauw. het piept.
poes
het heeft een staart.
hond
het is dol op kaas.
muis
het is een
het tikt en het slaat. soms is het groen.
het is vaak rond.
soms is het rood.
het hangt aan de muur.
het staat op een paal.
het is een
het is een lamp stoplicht
bal
potlood
klok
haan
12
Naam 3 vul in. kies uit: te laat – op tijd – te vroeg tom moet om zes uur bij de sporthal zijn.
marloes moet om vier uur thuis zijn.
tom is op tijd
marloes is te laat
pap moet om acht uur op zijn werk zijn.
pap is te vroeg
4 vul in. kies uit: stem – oog – oor – neus – tong 1 met je oor
hoor je.
2 met je tong
proef je.
3 met je stem
praat je.
5 ben jij wel eens te laat? kies uit: nooit – altijd – vaak – soms ik ben eigen keuze
te laat, omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed! J
13
6
op is op hier tom, zegt mam. hier is het lijstje. en hier is een tas. kijk goed uit, hoor. tom knikt heel stoer. ha, dit kan hij best. hij loopt de straat uit. op de hoek is een winkel.
1 wat heeft tom bij zich?? kleur die vakjes. een lijstje een zak drop een stuk kaas een tas
2 poeh, wat veel drop! trek een lijn naar het goede woord.
mens ding
dier
14
Naam 3 vul het woord in. kies uit: omdat – of – dus 1 tom kijkt
of
het druk is.
2 tom is klaar
dus
gaat hij naar huis.
3 tom gaat naar huis
omdat
hij klaar is.
4 drink je het of eet je het? schrijf het in de goede rij. kies uit: koek – bier – melk – brood – wijn – kaas – thee – snoep je drinkt het
je eet het
bier
koek
melk
brood
wijn
kaas
thee
snoep
5 hoort snoep in de klas? wat vind jij? kies uit: wel – niet ik vind snoep in de klas eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
goed, want heb je verteld waarom je
J
15
7
bang marloes belt tom. ik ben bang, zegt ze. mam is er niet. en pap is er ook niet. ik hoor steeds een geluid. het komt uit de kast. wat moet ik doen? tom weet het niet. ik kom naar je toe, zegt hij.
1 wat is goed? kleur dat hokje blauw. tom belt marloes. marloes belt tom.
tom is bang. marloes is bang.
het geluid komt uit de kast. het geluid komt uit de tuin.
2 wat is de eerste zin? kleur het goede hokje blauw.
16
het is mooi weer.
hij staat bij een kast.
hij doet het licht aan.
ze zit in het gras.
hij zoekt een boek.
hij zoekt de schep.
marloes is in huis.
tom staat op de stoep.
pap zoekt in de schuur.
marloes is in de tuin.
tom staat in de tuin.
pap zoekt in zijn zak.
marloes is in de klas.
tom staat in de bieb.
pap zoekt in de la.
Naam 3 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes. 1
2
3
4
s
p
i
n
4 kan het wel of kan het niet? 1 een spin die loopt
–
dat kan wel
2 een spin die praat
–
dat kan niet
3 een spin die rent
–
dat kan wel
4 een spin die hangt
–
dat kan wel
5 een spin die lacht
–
dat kan niet
5 ben jij bang voor een spin? 4 kies uit: wel – niet ik ben eigen keuze
bang voor een spin, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
17
8
ziek marloes is ziek. ze ligt in bed. haar keel doet zeer. ze hoest erg. en ze niest heel vaak. het is griep, zegt mam. je kunt niet naar school. ik zorg wel dat juf het weet.
1 kleur het hokje blauw als de zin goed is. zet een kruisje als de zin fout is. marloes hoest erg. marloes heeft griep. marloes heeft buikpijn. marloes ligt op de bank.
2 juf weet nog niet dat marloes ziek is. wat moet mam doen?
3 waar lees je het? maak er een rijmpje van. er was brand.
oma is lief.
de reis van loek.
dat staat in de
dat staat in een
dat staat in een
krant
18
brief
boek
Naam 4 voor wie is de brief en van wie is de brief?
de brief is:
de brief is:
de brief is:
voor opa
voor jan
voor wies
van siep
van lies
van kees
lot ligt in bed. maar... ze is niet echt ziek. ze doet net of ze ziek is. want ze wil niet naar school.
5 wat vind jij daarvan? 4 kies uit: wel – niet dat vind ik eigen keuze
goed, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
19
9
in de tuin
1 welk woord hoort in de zin? kies uit: op – voor – achter – naast – in
20
1 marloes kijkt
in
de schuur.
2 pap staat
voor
het raam.
3 de poes zit
op
de tak.
4 mam ligt
naast
het huis.
5 tom zit verstopt
achter
een struik.
Naam 2 wat zie je nog meer op de plaat?
e
k
2=
b
l
o
e
3=
h
a
r
k
4=
v
a
a
s
e
s
t
1=
b
5=
o
n
m
p
o
t
lees wat er bij het pijltje staat. de jongen bij het hek heet klaas
3 vul het goede woord in. kies uit: hij – naar – hem – zijn tom is in de tuin.
hij
speelt met marloes.
nu heeft marloes zich verstopt. tom zoekt haar ze hoort hem
, maar zij
heeft een mooi plekje.
roepen.
4 waar speel jij graag? kies uit: in huis – op straat – in het bos ik speel graag eigen keuze
, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
21
10
een boer en een koe tom speelt met mark. ik ben een boer, zegt tom en jij bent een koe. mark kijkt boos. ik wil geen koe zijn. marloes komt er ook bij. met haar zusje lot. je bent zelf een koe, zegt mark. dan holt hij weg.
1 wie doen er mee in het verhaal? kleur het hokje als het goed is. lot pap tom mark marloes mam
2 waar of niet waar? waar 1 tom kijkt boos. 2 de zus van lot heet marloes. 3 mark holt weg. 4 tom speelt met mark. 5 lot wil wel een koe zijn. 6 tom is een boer.
22
niet waar
Naam 3 wat hoort bij een koe? kleur de goede antwoorden.
4 man of vrouw? man
vrouw
een boer
een boerin
een stier
een koe
een meester
een juf
een haan
een kip
een opa
een oma
5 welk dier wil jij zijn? ik wil wel een eigen keuze
zijn, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
23
11
wie? wat? waar? 1 wie is het? lees eerst de zinnen goed en zet dan de namen erbij. fons draagt een korte broek.
roos heeft een bril op.
hij is dik.
haar arm zit in het gips.
selma draagt een haarband.
bas heeft een pet op.
ze kijkt heel blij.
hij heeft een hand in zijn zak.
roos
bas
fons
selma
2 waar zijn ze? kies uit: in de tuin – op het strand – op het plein – in het bos
24
tom pakt een schep.
marloes loopt naar els.
hij maakt een kasteel.
els zit op het klimrek.
oei, daar komt een golf!
dan gaat de bel.
tom is op het strand
marloes is op het plein
Naam
lot rent het pad op.
mark pakt een schep.
kom! roept ze.
hij graaft een gat.
ik zag een hert!
hij zet er een plant in.
lot is in het bos
mark is in de tuin
3 wat is het? trek er een lijn naartoe.
het is lang.
het is hoog.
het heeft een punt.
het is van hout.
het is rond.
het is dik.
het is vaak van goud.
het is een dier.
het is een dier. het eet een vlieg.
4 wat zou jij het liefst zijn? kies uit: heel rijk – heel sterk – heel slim ik zou het liefst eigen keuze
zijn, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
25
12
een vis Dag blup! ik had een gup een mooie gup en een kom waarin hij zwom
ik heb een poes een mooie poes die op de tafel klom daar gaat zijn poot...
dag blup mijn liefste gup. blup de gup is dood.
1 goed of fout? 1 de vis is dood.
goed
2 de poes heet blup.
fout
3 de vis was een gup.
goed
4 de kom stond op de kast.
fout
5 de poes is dood.
fout
2 waar zwemt het dier? kies uit: in de sloot – in de zee – in een kom
26
1 een haai zwemt
in de zee
2 een snoek zwemt
in de sloot
3 een walvis zwemt
in de zee
4 een goudvis zwemt
in een kom
5 een eend zwemt
in de sloot
6 een gup zwemt
in een kom
Naam 3 welk woord hoort hier? kies uit: op – in – aan
de vis zit in
de vis ligt op
de vis zit aan
het net.
de grond.
de haak.
4 hoe heet het boek? kies uit: een kip in de tuin – een haai in huis – de hond die op reis ging
een haa
in huis
i
5 welke vis vind jij mooi? ik vind een eigen keuze
mooi, omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
27
13
wat trek je aan? marloes is met mam in de stad. ze (1) wil graag een trui. net zo een als els uit haar klas. de trui van els is groen. ze (2) heeft hem heel vaak aan. mam wijst naar een winkel. ze (3) loopt er naar toe.
1 wie is ze? 1 ze (1)
= marloes
2 ze (2)
= els
3 ze (3)
= mam
2 is het een goed woord? zet er dan een rondje om.
broekriem – broekhemd – broekzool – broekzak – broekspijp
3 welke zin hoort ertussen? kleur het goede hokje blauw.
pap trekt de broek aan.
de broek past goed. de broek past niet.
veel te klein, zegt pap.
tom kijkt naar zijn broek.
de broek is heel vies. de broek ziet er mooi uit.
oei, wat zal mam boos zijn!
28
Naam marloes voelt aan haar sok.
de sok is kletsnat. de sok is kurkdroog.
haar laars is lek!
4 wat is het? kies uit: schoen – jas – muts – trui er zit een mouw aan.
je trekt het aan.
het is vaak van wol.
er zit een zak in.
je loopt er op.
je zet het op je hoofd.
het is een jas
het is een schoen
het is een muts
5 is het van haar of van hem? 1 els heeft een trui
–
de trui is van haar
2 mam heeft een rok.
–
de rok is van haar
3 tom heeft een broek.
–
de broek is van hem
4 marloes heeft een jurk. –
de jurk is van haar
5 pap heeft een hemd.
het hemd is van hem
–
6 wat draag jij graag? ik draag graag een eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom je
J 29
14
het gezin tom speelt bij pim. pim woont in een groot huis. dat moet ook. want pim heeft drie broers. en hij heeft twee zusjes. dan is er ook nog de hond van pim. poe wat druk!
1 hoeveel zijn er? kies uit: één – twee – drie – vier 1 er zijn
vier
broers in huis.
2 pim heeft
één
hond.
3 pim heeft
twee
zusjes.
4 pim heeft
drie
broers.
2 vul het goede woord in. kies uit: slim – klein – dun – lief 1 het huis is niet groot maar klein 2 oma is niet dik, maar dun 3 mijn zusje is niet stout, maar lief 4 zijn broer is niet dom, maar slim
30
Naam 3 man of vrouw? kies uit: broer – mam – tante – oma – neef
man
vrouw
tante
oom
broer
zus
oma
opa
neef
nicht
mam
pap
4 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes. 1
2
3
4
k
i
n
d
5 welk huisdier vind jij leuk? ik vind een eigen keuze
leuk, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
31
15
mmm... lekker! tom en mam zijn bij de bakker. tom ziet een taart. de taart is mooi rond. er staan drie kaarsjes op. tom leest wat er op de taart staat. hoera voor pap! tom voelt aan de taart. hee, wat gek! de taart is niet echt. hij is van karton. tom trekt een vies gezicht.
1 waar zijn mam en tom? bij de dokter op school bij de bakker in huis
2 wat koop je bij de bakker? zet er een rondje om. brood – groente – melk – gebak – koekjes – kaas
3 hoe ziet de taart eruit? kleur het goede hokje blauw.
32
Naam 4 maak zelf de volgorde van de zinnen goed. zet 1, 2 en 3 in de hokjes.
3 ik eet de taart.
3 ik was af.
1 ik pak de appel.
1 ik bak de taart.
2 ik eet.
2 ik pak een mes.
2 ik snij de taart.
1 ik dek de tafel.
3 ik schil de appel.
5 op welk plaatje trekt tom een vies gezicht?
6 welk woord hoort niet bij een taart? zet er een rondje om. zoet – slagroom – bakken – drop – kaarsjes
7 wat lust jij niet? ik lust geen eigen keuze
, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
33
16
au, dat doet pijn! marloes is bij de dokter. hij voelt aan haar been. doet dit zeer? vraagt hij. marloes knikt. hoe kwam het? vraagt de dokter. ik viel, zegt marloes. ik viel van het klimrek. de dokter pakt een verband. dat doet hij om het been.
1 waar gaat het verhaal over? kleur de goede hokjes. marloes valt op haar been. marloes heeft griep. marloes is bij de dokter. marloes wil niet naar school.
2 hoe ziet het been van marloes eruit?
34
Naam 3 welk woord past in de zin? kies uit: om – bij – met – aan – van 1 marloes is bij
de dokter.
2 ze viel van
het klimrek.
3 de dokter voelt aan
haar been.
4 hij doet er een verband om 5 marloes gaat met
. mam weer naar huis.
4 waar hoort het bij? trek een lijn. teen
vinger
oor
5 schrijf op van klein naar groot. been – teen – voet – nagel
nagel – teen – voet – been
6 schrijf op van groot naar klein. nagel – hand – arm – vinger
arm – hand – vinger – nagel
7 waar ga je liever niet heen? 4 kies uit: dokter – tandarts ik ga liever niet naar de
eigen keuze
, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed! J 35
17
op reis
1 lees de kaart goed. kleur nu het goede hokje blauw.
1 voor wie is de kaart? voor lot
voor marloes
voor tom
voor pap en mam
van marloes
van tom
van pap en mam
het is rond
het is klein
engels
spaans
2 van wie is de kaart? van lot
3 hoe ziet het zwembad eruit? het is groot
het is diep
4 welke taal kent marloes een beetje? duits
36
frans
Naam 2 wat is het? kies uit: boot – vliegtuig – trein – auto het is lang en geel.
het heeft een mast.
het rijdt op een spoor.
het vaart op zee.
het is een trein
het is een boot
het heeft een stuur.
het heeft vleugels.
het rijdt in de stad.
het vliegt door de lucht.
het is een auto
het is een vliegtuig
3 trek een lijn naar de goede zin.
het waait.
het is mooi weer.
het is nat.
het onweert.
4 hoe ga jij het liefst op reis? kies uit: de bus – de trein – het vliegtuig – de boot ik reis het liefst met eigen keuze
dit kiest? dan is je antwoord goed!
, want heb je verteld waarom je
J
37
de kapper
18
tom is bij de kapper. hij (1) zit in een stoel. de kapper pakt een schaar. hoe wil je het? vraagt hij (2). pap komt erbij staan. hij (3) lacht. knip hem maar kaal, hoor. tom lacht ook. het is een grapje van pap. of toch niet?
1 wie is hij? kies uit: pap – de kapper – tom 1 hij (1) = tom 2 hij (2) = de kapper 3 hij (3) = pap
2 bij wie hoort het? schrijf het woord in de goede rij. kam – pen – schrift – hark – spiegel – schep – gieter – bord – schaar – gras – haar – school
kapper
38
juf
tuinman
kam
pen
hark
spiegel
schrift
schep
schaar
bord
gieter
haar
school
gras
Naam 3 vul het goede woord in. kies uit: dik – kaal – mager – bloot hij heeft geen haar op zijn hoofd.
zij weegt te veel.
hij is kaal
zij is dik
hij heeft geen kleren aan.
zij eet te weinig.
hij is bloot
zij is mager
4 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes? 1
2
3
4
5
b
r
a
n
d
!
5 zou jij kapper willen zijn? 4 ik zou wel/niet kapper willen zijn, want heb je wel of niet doorgestreept?
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
39
19
waar is de poes? wie heeft mijn poes gezien? ze heet noortje. noortje is zwart. haar staart heeft een witte punt. ik ben haar al een week kwijt. ik woon op nummer tien. marloes
1 voor wie is de brief? voor tom voor de mensen in de buurt voor mam voor noortje
2 van wie is de brief? van noortje van tom van pap van marloes
3 hoe lang is marloes haar poes al kwijt? een dag
een week
4 hoe ziet noortje eruit?
40
een maand
een jaar
Naam 5 welk woord hoort in de zin? 4 kies uit: want – omdat – maar 1 marloes zoekt, omdat
haar poes weg is.
2 marloes zoekt, want
ze wil haar poes terug.
3 marloes zoekt, maar
ze vindt haar poes niet.
6 is het een huisdier of niet? zet ze in de goede rij. hond – nijlpaard – goudvis – poes – leeuw – aap – parkiet – vos – konijn – hert
huisdier
geen huisdier
hond
nijlpaard
goudvis
leeuw
poes
aap
parkiet
vos
konijn
hert
7 is een kip een huisdier? wat vind jij? 4 ik denk dat een kip wel/niet een huisdier is, want heb je wel of niet doorgestreept?
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
41
20
ik zie, ik zie ... ik weet een spel, zegt marloes. ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is... rood. mijn ďŹ ets, zegt tom. mijn trui, zegt fons. nee, zegt marloes. het is mijn neus. ha, dat kan niet! roept els. je kunt je neus niet zien. wel waar, zegt marloes. kijk maar. ze kijk heel scheel.
1 wie doen er mee in het verhaal? tom, fons en marloes
ik zie, ik zie wat jij niet ziet
tom en marloes
ik zie iets wat rood is
marloes, tom en els
ik zie een fiets
marloes, tom, els en fons
ik zie een neus die rood is.
3 welke kleur heeft het? 1 het gras is groen 2 de lucht is blauw 3 je bloed is rood 4 de zon is geel
42
2 hoe heet het spel?
Naam 4 wat is het? kleur het goede hokje blauw.
het is rond. het is van glas. het heeft veel kleuren.
het zit aan een stok. het waait in de wind. het heeft drie kleuren.
het is een klein dier. het vliegt. het is geel met zwart.
5 welke kleur vind jij mooi? 4 ik vind eigen keuze
de mooiste kleur, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
43
het weer
21
dan nu het weer. er valt morgen veel sneeuw. en het wordt glad. kijk dus goed uit. vooral als je op de ďŹ ets moet. er is niet veel zon. en er is haast geen wind.
1 is het waar of niet waar? zet het er maar bij. 1 er valt vandaag veel sneeuw.
dat is niet waar
2 er is veel zon.
dat is niet waar
3 het wordt glad.
dat is waar
4 het waait niet hard.
dat is waar
5 er valt morgen veel sneeuw.
dat is waar
2 wat is de goede volgorde? zet de letter in de hokjes.
44
1
2
3
4
k
o
u
d
Naam 3 welk woord hoort in de zin? kies uit: in – bij – tot – met 1 marloes staat bij
de sneeuwpop.
2 ze speelt met
tom.
3 tom loopt in
de sneeuw.
4 hij rent tot
hij moe is.
4 is het een goed woord? zet er dan een rondje om. sneeuwpop – sneeuwzak – sneeuwbal – sneeuwbos – sneeuwbui – sneeuwhut – sneeuwfles
5 hoe heet het boek? zet het er maar bij. kies uit: gevaar op het ijs – geheim in de mist – een dief in de sneeuw
een dief in
gevaar op
geheim in
de sneeuw
het ijs
de mist
6 welk boek lijkt jou het mooist? 4 ik denk dat eigen keuze
het mooist is, omdat heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J 45
22
sint en piet lieve sint,
ik ben blij dat u komt. ik heb een lijstje gemaakt. dit wil ik graag.
een hond (zwart) een boek (dik) een pen (blauw) een zak drop (zout) een bal (klein)
dag sint!
van fons
1 wat is goed? kleur dat hokje blauw. het lijstje is van sint voor fons
fons wil een dik boek
het lijstje is van fons voor sint
fons wil een dun boek
fons wil een witte hond
fons wil zoute drop
fons wil een zwarte hond
fons wil zoete drop
2 wie is het? zet het eronder. kies uit: de paashaas – sint – de kerstman
sint 46
de paashaas
de kerstman
Naam 3 wat is de eerste zin? kleur dat hokje blauw.
hij leest een naam voor.
hij haalt er een pakje uit.
een meisje staat op.
dat geeft hij aan de sint.
sint loopt naar de boot.
piet pakt de roe.
sint rijdt op het dak.
piet graait in de zak.
sint kijkt in het boek.
piet zit op de schoorsteen.
4 kun je het woord wel of niet maken? kijk naar de letters. ZAK
dat kan wel
STAF
dat kan niet
MIJTER
dat kan wel
MUTS
dat kan wel
ROE
dat kan niet
5 wat vind je leuker, sint of kerst? 4 ik vind eigen keuze
leuker, want heb je verteld waarom je
dit kiest? dan is je antwoord goed!
J
47
hoe ver ben je?
48