Skip to main content

Stenvert-Werkwoordspelling_Gr7-8_WB_z_antw

Page 1

Werkwoordspelling 2 Werkboek

BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 1

27-02-19 11:52


Werkwoordspelling 2

Werkboek COLOFON Auteur Frank Pollet Illustraties Liza-Beth Valkema Basisvormgeving LS Ontwerpers bno, Groningen Omslag illustratie Metamorfose ontwerpen BNO, Deventer Ontwerp omslag Eduardo Media Ontwerp binnenwerk Aigu Ontwerpstudio, Dronten

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 063 1492 2 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 2

27-02-19 11:52


Tegenwoordige tijd Het juist schrijven van werkwoordsvormen is soms best lastig. Als je de tijd neemt om te onderzoeken welke regels van toepassing zijn, wordt het al een stuk eenvoudiger. De oefeningen in dit boekje bestaan uit grapjes, raadsels en versjes, waarbij jij de juiste werkwoordsvorm moet proberen in te vul­len. Om te weten welke regels je moet toepassen bij het juist schrijven van een werkwoord, moet je eerst weten in welke vorm het werkwoord staat. Als het werkwoord persoonsvorm is in de zin, kun je de regels voor de TEGENWOORDIGE of VERLEDEN TIJD toepassen. persoonsvorm Hoe vind je in een zin de persoonsvorm? Dat doe je zo: maak van de zin een vraagzin. Het eerste werkwoord in de vraagzin is dan de persoonsvorm (pv). Voorbeeldzin: Jaap hoort zijn zusje in de kamer spelen. We maken er een vraagzin van: Hoort Jaap zijn zusje in de kamer spelen? In de voorbeeldzin staan twee werkwoordsvormen. Uit de vraagzin wordt duidelijk, dat hoort pv is en spelen niet. onderwerp Het onderwerp bij de persoonsvorm (wie of wat doet het?) bepaalt de vorm van het werkwoord. In het volgende schema vind je de belangrijkste regels voor de tegenwoordige tijd. ONDERWERP

PERSOONSVORM

TEGENWOORDIGE TIJD

ik

ik-vorm

ik hoor, ik vind

jij of je achter de pv

ik-vorm

hoor jij, vind je

jij of je voor de pv

ik-vorm + t

jij hoort, je vindt

hij, zij, u, het, men,

ik-vorm + t

hij hoort, zij vindt, men neemt,

Jaap, de vrouw

Jaap werkt, de vrouw wacht (hier is één t genoeg)

wij, jullie, zij, ze,

hele werkwoord

wij horen, jullie vinden, zij/ze zeggen,

de mensen, alle vogels

(infinitief)

de mensen werken, alle vogels fluiten

3 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 3

27-02-19 11:52


1

Adelaar-die-uit-de-lucht-valt

1   In het dorpje Melkebeek (gaan)

een indiaan naar het

gemeentehuis omdat hij zijn naam (willen) De ambtenaar (zijn)

laten veranderen. een vriendelijke man. Hij (uitnodigen)

de indiaan

om te gaan zitten, (aanbieden)

hem een kopje thee

en (vragen)

: ‘Meneer de indiaan, hoe (heten)

u nu?’ De man

de beambte recht in de ogen en (antwoorden)

(kijken)

ernstig: ‘Ik (heten) De ambtenaar (noteren) hij de vraag: ‘Hoe (willen)

Adelaar-die-uit-de-lucht-valt.’ het ijverig. Dan (stellen) u eigenlijk heten?’ De indiaan (zeggen)

vastberaden: ‘Plof!’

2   Jessie (wandelen)

met haar man en baby door de winkelstraat.

Opeens (schrikken)

ze hevig. Ze (trekken)

arm van haar man en (gillen)

aan de

: ‘Bert! Bert! Dit (zijn)

ons kindje helemaal niet!’ Bert (lijken) geschrokken, want hij (zeggen) gelijk, Jessie, maar dit (zijn)

niet eens

rustig: ‘Je (hebben) wél een veel

mooiere kinderwagen!’

4 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 4

27-02-19 11:52


Naam 3   Op een dag (binnenlopen)

Koen, een jonge arbeider, met

knikkende knieën het kantoor van de directeur

en (vragen)

: ‘Meneer de directeur, (kunnen) indien het mogelijk (zijn)

ik alstublieft,

, als u me toestemming (willen)

geven, vrijdagmiddag vrij krijgen?’ De directeur (slaan) met vlakke hand op zijn bureau en (brullen) ‘Wat?! Vrijdagmiddag (willen) Wat (mogen)

:

je niet werken?! daarvan dan wel de reden zijn, kerel?’

Koen (slikken)

en (fluisteren)

‘Meneer de directeur, ik (trouwen) en mijn vrouwtje (zeggen)

dan: vrijdag...

dat ze het leuk zou

vinden... als ik erbij kon zijn...’

4   Twee Chinezen (telefoneren) de andere ‘Hallo, met wie?’ De andere (antwoorden)

met elkaar. De ene (opbellen) en (vragen)

:

ogenblikkelijk:

‘Ha Wie, met Lo!’

5 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 5

27-02-19 11:52


2

Dat denk ik niet 1   Een vrachtwagenchauffeur en zijn bijrijder (staan)

met hun

vrachtwagen voor een viaduct. De vrachtwagen (kunnen) hij (blijken)

er niet onder,

vijf centimeter te hoog te zijn. De bijrijder (rondkijken) en (grommen)

: ‘Kom, Harry, er (aankomen)

geen politie

, we (vertrekken)

!’ Harry (zetten) maar die (komen)

de vrachtwagen in beweging, natuurlijk vast te zitten. Even later (arriveren)

de politie. Twee agenten (bestuderen) situatie. Al snel (glunderen)

de ene. Hij (steken)

een wijsvinger in de lucht en (zeggen)

: ‘De oplossing (zijn)

erg eenvoudig: je ((laten) wat leeglopen, dan (loskomen)

gewoon de banden de vrachtwagen zeker

.’ Maar Harry (ophalen) en (mompelen)

de

zijn schouders : ‘Dat (denken)

ik niet, meneer de agent, want die vrachtwagen (vastzitten)

bovenaan

, niet onderaan!’

6 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 6

27-02-19 11:52


Naam 2   Twee ballonnen (lopen)

door

de woestijn. De ene ballon (roepen) ‘Je (moeten)

:

opletten, want hier een cactussssssssssss!’

(staan) De andere ballon (brullen) ‘Dat (zijn)

: geen probleem.

Ik (zijn)

niet BANG!’

3   Na een nachtje stappen (thuiskomen)

een man heel laat

(of (noemen) Natuurlijk (zijn)

jij het vroeg?). zijn vrouw erg boos. Ze (staan) : ‘(Beseffen)

hem woedend op te wachten en (gillen) je wel hoe laat het (zijn)

?!’ De man (wankelen)

op zijn benen. Hij (antwoorden) tong: ‘Natuurlijk (weten)

ik dat, schatje, het (zijn)

nu één uur!’ Nu (worden) Ze (tieren)

met dubbele

: ‘Je (liegen) het!’ ‘Maar, lieveling’, (proberen)

zijn vrouw nog bozer. , en je (weten) de man, ‘Ik

net de kerkklok één uur horen slaan. Dat (hebben)

(hebben)

ik zelfs drie keer gehoord!’

7 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 7

27-02-19 11:52


3

Wéér boerenkool 1   Jack en Hennie (zijn)

goede vrienden. Jack (zijn)

een giraf, Hennie een hondje dat niet (kunnen)

zwemmen. Op een

mooie vakantiedag gaan ze samen naar het zwembad. ‘Ik (vinden) toch griezelig’, (bibberen)

het

Hennie. ‘Geen probleem’, (geruststellen)

Jack hem

, ‘Ik (controleren)

wel even.’ Jack (benen)

het water in. Al gauw

hij alleen nog zijn kop boven water. ‘En?’, (blaffen)

(hebben)

Hennie. ‘Prima, hoor!’, (gieren) ‘Je (hoeven)

Jack terug.

niet bang te zijn, het water (zijn)

niet te diep!’

2   De familie Depauw, een boerengezin uit Groningen, (zitten) tafel. ‘Wat (eten)

aan

we?’, (vragen)

boer Depauw

die de hele ochtend op het land gewerkt (hebben)

. ‘Boerenkool’,

moeder. ‘Wéér boerenkool!’, (tieren)

(antwoorden) de boer. ‘Dat (bikken)

we nu al de hele week.

Ik (willen)

iets anders op mijn bord! Ik (eisen)

ander eten!’ De boerin (buigen)

het hoofd en (zwijgen)

. Maar haar man (razen) ‘Als we dat morgen weer (eten)

door: , dan (gooien)

het door het raam!’ De volgende dag (staan)

er weer boerenkool op het de tirannieke boer de pot met boerenkool

menu. En dus (grabbelen) en (werpen)

ik

hem naar buiten. Meteen (opstaan)

de zoon

, (pakken) hem door het raam. ‘Waarom (doen)

(vragen)

de boer. ‘Eh’, (reageren)

zijn stoel en (gooien) je dat?’, de zoon,

‘ik dacht dat we buiten gingen eten...’

8 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 8

27-02-19 11:52


Naam 3   Voorbij een piepklein eilandje dat geen naam heeft, (varen) passagiersschip. Op het eiland (springen)

een een man in gescheurde

kleren op en neer. Verwoed (zwaaien)

hij met zijn armen. De kapitein

van het passagiersschip (wuiven)

terug en (glimlachen)

. Naast de kapitein (verwonderen)

een passagier

zich over de hele situatie. De kapitein (verklaren) ‘Meneer, u (zien)

:

hier werkelijk de vriendelijkste man die ik (kennen) . Elke keer wanneer we hier (voorbijvaren)

,

die sympathieke kerel naar ons.’

(wuiven)

4   Helga en Cindy, twee vriendinnen, (voeren) ‘(Zijn)

een bijzonder gesprek.

jouw woning echt zo vochtig?’, (vragen)

Helga die Cindy’s verhalen over haar huis nauwelijks (kunnen) Cindy (zuchten)

diep, (steken)

theatraal in de lucht en (huilen)

haar armen : ‘O ja, wat er in ons huis allemaal

, dat (geloven)

(gebeuren)

geloven.

ogen (staan)

geen mens!’ Helga’s

wijd open gesperd. Ze (vrezen)

Cindy elk moment in huilen (zullen) Cindy, ‘mijn huis (zijn) dat we vanmorgen een vis in de muizenval (hebben)

dat

uitbarsten. ‘O, ja’, (schreeuwen) zo verschrikkelijk vochtig gevonden!’

9 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 9

27-02-19 11:52


4

Geen enkel idee 1   Tijdens een bankoverbal (grabbelen) ze maar (kunnen)

Marcel en Udo al het geld dat

vinden bij elkaar. Na een tijdje (teruglopen) ze

naar hun auto en (vertrekken)

met gierende banden. Thuisgekomen (vragen)

Marcel: ‘Wat (denken)

je, Udo, hoeveel (bedragen)

de buit?’ Udo (ophalen)

zijn schouders

, (gaan)

languit op de bank liggen en (antwoorden)

: ‘Ik (hebben)

geen enkel idee, Marcel.’ ‘(Gaan) nog tellen?’, (informeren)

we ons geld

Marcel.

‘Nee’, (geeuwen)

Udo lui.

‘Hoezo, nee?’ ‘We (hoeven)

dat niet te doen, we (lezen)

morgen wel in de krant hoevel onze buit waard (zijn)

2   Een mooi jong meisje (laten)

.’

bij de juwelier een horloge repareren.

De blik van de juwelier (glijden)

langs het horloge steeds weer naar de

diepblauwe ogen van het meisje. De man (zwijgen)

, (bestuderen)

het horloge, maar zijn ogen (komen)

steeds

weer bij de hare terecht. Het meisje (merken)

het en (vinden)

de toestand erg vervelend. Ze (verbreken) stilte met de vraag: ‘Hoeveel (kosten) De juwelier (glimlachen) ‘Eén kusje.’ Eerst (schrikken) ze: ‘Dat (zijn)

de

de reparatie, meneer?’ en (antwoorden)

:

het meisje, maar dan (glunderen) goed. Mijn opa (komen)

zo dadelijk afrekenen...’

10 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 10

27-02-19 11:52


Naam

3   Jos’ buurman (hebben)

pas zijn diploma van timmerman behaald.

Hij (stralen)

van geluk wanneer de jongen hem in zijn atelier

(opzoeken)

.

Jos (informeren)

: ‘Goedemorgen, buurman, hoe (maken) je het?’

De kersverse timmerman (slikken) Jos wantrouwig

, (aanstaren) en (antwoorden)

ik niet, want dan (maken)

4  Wim (ontmoeten)

, en (vragen)

vertegenwoordiger (zijn) ‘O’, (schrikken)

: ‘Hé man,

er aan de hand met jou? Je (kijken) , (slikken)

somber.’ Glen (knikken) (fluisteren)

jij het misschien ook!’

op een dag zijn vriend Glen, die een groot

papierbedrijf (runnen) wat (zijn)

: ‘Dat (zeggen)

: ‘(Vinden)

zo wat weg en je dat gek? Mijn beste

net overleden. Amper drieëndertig...’ Wim, ‘nu (begrijpen)

ik het.

En wat had die man?’ Glen (staren)

in de verte en (mompelen)

:

‘Drenthe en Groningen.’

11 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 11

27-02-19 11:52


Stapelverliefd

5

1  Het (worden) de hoogste tijd voor een gedicht.

DORP

Het (schemeren) en de kerktoren (dragen) opnieuw een sjaal van mist en zon.

‘s Morgens vroeg (hangen)

de dag

laag over het gras. Een oude man (opsluiten)

zich

in zijn duivenhok en (roepen)

En bomen (opladen)

op elke zon.

weer moe

het landschap op een kruiwagen ergens in de verte. Naar Piet Brak uit ‘Wiskunde’ (poëziestichting vers, 1983)

2  Frank (zijn) Moniek. Hij (durven) te vragen. Daarom (bedenken) Hij (wandelen) (stellen) (geloven) of (moeten)

helemaal stapelverliefd op haar echter niet goed hij een list. haar nonchalant voorbij en haar ernstig de vraag: ‘Moniek, jij in liefde op het eerste gezicht ik nog een keer voorbij lopen?’

12 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 12

27-02-19 11:52


Naam 3  Wat (denken)

je van enkele raadsels?

je enig idee waarom een boer liever niet op vakantie

(Hebben) ?

(gaan) Geen idee? Het (zijn)

heel eenvoudig hoor: daar (worden)

de koeien niet blij van!

Waarom (hebben)

een krokodil zo’n grote bek?

Anders (passen)

zijn tanden er niet in!

je hoe ze in Schotland de ziekenhuizen (verwarmen)

(Weten) ?

door de gangen met de patiënten die

De verpleegsters (rijden) hoge koorts (hebben)

Het (hebben)

!

een oranje kleur en (hangen)

misschien aan een boom. Wat (zijn) Het antwoord (luiden)

dat? :

een misschienaasappel!

13 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 13

27-02-19 11:52


Een getraind varken

6

1   Karel Knor (stappen)

met zijn varken in de trein.

Ogenblikkelijk (komen)

er een vrouwelijke conducteur op hem toe.

Zij (roepen)

al van ver: ‘Varkens (mogen)

niet in

de trein!’ Karel (schudden)

het hoofd.

De conducteur (herhalen)

dat varkens in de trein niet toegelaten . ‘Dat (snappen)

(worden)

ik niet’, (brommen)

Karel. ‘Kijk, daar (zitten) en haar hond (houden)

een vrouw in de trein,

haar gezelschap. Dat (mogen)

dus wel?!’ De conducteur (knikken)

en (repliceren)

‘Ja, meneer, een hond in de trein (vormen) dier (zijn) en (knorren) varken ook (zijn)

: geen probleem, want zo’n

afgericht.’ Karel (maken)

zich kwaad

: ‘Mevrouwtje, (weten)

u dat mijn

getraind?’

De conducteur (aankijken)

Karel vertwijfeld

en

(zuchten)

: ‘Meneer, het (spijten)

mij, maar ik

(hebben)

nog nooit van een getraind varken gehoord. U (komen) er niet in met dat beest.’

Karel (volhouden)

echter

en (beweren)

dat hij het bewijs (zullen)

leveren.

u vast niet’, (volharden)

‘Dat (kunnen) conducteur, maar er (klinken) Karel (pakken)

de

twijfel in haar stem. de uniformpet van de conducteur, (gooien)

die op het perron en (gebieden)

het varken:

‘Blijf!’

14 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 14

27-02-19 11:52


Naam 2   Cowboy Kamiel (arriveren)

in een stadje in het Wilde Westen en zijn paard.

(parkeren) Kamiel (observeren)

de omgeving, (glimlachen)

,

een kind vriendelijk toe en (stappen)

(knikken)

een kroeg naar binnen. Daar (bestellen) Hij (achteroverslaan)

hij een biertje. het meteen

en (laten)

er nog een paar aanrukken. Eén voor één (gieten) hij de biertjes in zijn keelgat. Na een tijdje (wankelen) café uit. Even later (benen)

hij vrolijk het

hij echter opnieuw naar binnen. Zijn

gezicht (opzwellen)

helemaal

wanneer hij

:

(brullen) ‘Wie (hebben)

mijn paard gestolen?!’

Het (worden)

ijzig stil.

Niemand (openen)

zijn mond. Niemand (reageren)

Opnieuw (schreeuwen) ‘Ik (vragen)

.

cowboy Kamiel: het nog één keer: wie (zijn)

Weer (opendoen)

niemand zijn mond

Kamiel (knijpen)

de dief?’ .

zijn ogen tot spleetjes en (dreigen) dan: ‘Als mijn paard niet binnen drie minuten terug (zijn) , (gebeuren)

Alle cowboys in het café (aankijken) Eén van hen (ophalen) (vragen) Cowboy Kamiel (zuchten)

er hetzelfde als vorig jaar!’ elkaar zijn schouders

. en

: ‘Wat gebeurde er vorig jaar?’ : ‘Toen (zijn)

ik lopend

naar huis gegaan...’

15 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 15

27-02-19 11:52


Verleden tijd Bij de voorgaande oefeningen moest je de tegenwoordige tijd invullen. Als tweede onderdeel gaan we nu de spelling van de verleden tijd onder de loep nemen. We maken onderscheid tussen zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd niet van klank. Sterke werkwoorden doen dat wel. Dat zie je in de volgende voorbeelden. zwakke werkwoorden:

leren – leerde – geleerd

maken – maakte – gemaakt

sterke werkwoorden:

lopen – liep – gelopen

vinden – vond – gevonden

Sterke werkwoorden Voor sterke werkwoorden is het niet eenvoudig regels aan te geven. Meestal ken je de verleden tijdvorm al. Als dat niet zo is, kun je de verleden tijd in een woordenboek opzoeken bij het hele werkwoord (infinitief / woordenboekvorm). Zwakke werkwoorden Voor zwakke werkwoorden gelden wel duidelijke regels. Bij de verleden tijd is het belangrijk om te bepalen of het onderwerp bij de persoonsvorm enkelvoud is of meervoud. Dat maakt het volgende schema duidelijk. ONDERWERP

PERSOONSVORM

VERLEDEN TIJD

ENKELVOUD:

ik-vorm + de

ik hoorde, hij antwoordde, u bedoelde

ik, jij, je, hij, zij, u, het, men,

OF

Jaap, de vrouw

ik-vorm + te

jij werkte, hij viste, de vrouw wachtte

MEERVOUD:

ik-vorm + den

wij hoorden, zij antwoordden,

wij, julllie, zij, ze, de mensen,

OF

vier apen

ik-vorm + ten

jullie werkten, vier apen lachten

16 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 16

27-02-19 11:52


Dus in het enkelvoud de of te achter de ik-vorm, in het meervoud den of ten. Vaak hoor je duidelijk of er de(n) of te(n) achter de ik-vorm komt. Bij twijfel over d of t kun je de medeklinkers van ’t ex-kof s chip gebruiken. Je moet daarbij uitgaan van het hele werkwoord (infinitief) zonder en. In de volgende zwakke werkwoorden gaat het om de onderstreepte letter: horen, maken, lachen, bedoelen, leven, mixen, racen. Staat die medeklinker in ’t ex-kof s chip, dan heeft de verleden tijd -te(n) achter de ik-vorm: ik maakte, wij lachten, wij mixten, hij racete (s-klank !). Is dat niet het geval, dan heeft de verleden tijd -de(n) achter de ik-vorm: ik hoorde, jullie bedoelden, jij leefde (niet de f van leef telt, maar de v van leven).

17 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 17

27-02-19 11:52


7

Help! 1  Erik (zijn)

gisteren met zijn vrienden aan het voetballen. Op een

bepaald moment (stukschieten)

hij een ruitje van de snoepwinkel

. Erik (voelen)

meteen nattigheid. Hij (zetten)

het ogenblikkelijk op een lopen, maar de winkelier (hebben) hem al gauw bij zijn kraag gevat. De man (zeggen) dat Erik die ruit (moeten)

betalen. Erik (worden)

bang en (bibberen)

: ‘Ja, meneer, natuurlijk meneer, dat is de reden

waarom ik aan het rennen (zijn)

. Ik (willen)

zo

snel mogelijk geld gaan halen!’

2   Twee oenen (liggen)

in een kanaal. ‘Verdrinken wij?’, (vragen)

de ene. ‘Ik denk het wel’, (antwoorden)

de

om hulp te roepen. Maar dat (helpen)

andere. De ene (besluiten) niet. Er (bevinden) buurt. Toen (zien)

zich namelijk niemand in de

de oenen een man. Hij (fietsen)

langs het kanaal. De ene oen (roepen)

heel hard: ‘Help!’ De man

hem niet. Hij (opkijken)

(horen)

niet eens

. Die ene oen (aanstoten) en (zeggen) oenen (beginnen)

de andere : ‘Laten we samen roepen.’ Beide

te gillen: ‘Samen! Samen!!’

18 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 18

27-02-19 11:52


Naam 3  Eergisteren (worden)

kleine Leo’s

opa begraven. Tijdens de begrafenisdienst (snikken) oma onophoudelijk. Toen ze echt heel hard (beginnen)

te huilen, (troosten) Leo zijn oma. Hij (mompelen) : ‘Niet treuren, oma, uw beurt komt

nog wel.’ 4   Vorige week (afleggen)

Wim het examen van buschauffeur

. Wim (zijn)

heel nerveus, zijn handen

aan het stuur. Hij (zweten)

(bibberen)

hevig en

het zweet met zijn zakdoek

(wegwissen) Maar het zweet (blijven)

.

in beekjes van zijn voorhoofd stromen.

Op een gegeven moment (stellen)

de examinator de vraag wat Wim

te moeten doen wanneer hij een bus vol met vakantiegangers

(menen) (vervoeren)

en precies op een onbewaakte overgang zijn remmen

(vastlopen)

. Je (mogen)

er niet aan denken,

natuurlijk, maar tot overmaat van ramp (komen)

in die situatie in de

verte een trein aan gedenderd... Wim (nadenken)

. Wat (doen)

best? Hij (besluiten)

je in zo’n geval het

eerlijk te antwoorden en (zeggen) : ‘In dat geval bel ik mijn broer.’

‘Waarom je broer?’, (vragen) Wim (glimlachen)

de examinator verwonderd. en (mompelen)

:

‘Nou, mijn broer ziet graag ongevallen gebeuren, maar zo een heeft hij vast nog nooit gezien!’

19 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 19

27-02-19 11:52


8

Een merkwaardig excuus 1 Benny (vertellen)

zijn vriend Toni dat hij die nacht acht muggen doodgeslagen. Hij (informeren)

(hebben)

Toni

heel precies dat het vier mannetjes en vier vrouwtjes (zijn) Toni (opkijken)

.

verwonderd

en (stellen)

de vraag: ‘Hoe weet je dat het vier mannetjes en vier vrouwtjes (zijn) Benny (lachen)

?’

.

‘Dat (zijn)

heel duidelijk’, (gieren)

‘Ik (weten)

hij.

het meteen, ik (hoeven)

er niet over na te denken, want vier (hangen) er aan de tv en vier (plakken)

aan de spiegel...’

2 Vorige week (komen)

Joris weer te laat op school. Juf Tierelantijn voor de zoveelste keer waarom hij te laat (zijn)

(vragen)

. Joris (zuchten)

diep. De juf (aankijken)

hem streng

en (stellen)

opnieuw haar vraag. Joris (antwoorden)

: ‘Ik (dromen)

voetbal, juf.’ Juf Tierelantijn (staren) jongen. Ze (vinden)

vannacht over met een verwonderde blik naar de

het maar een merkwaardig excuus. Ze (snappen) niet hoe een droom ervoor (kunnen)

iemand te laat op school (arriveren) Joris, ‘er (zijn)

zorgen dat . ‘O, jawel, juf’, (roepen) verlengingen!’

20 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 20

27-02-19 11:52


Naam 3  Gisteren (zitten)

er twee mussen in onze tuin op een tak.

Ze (babbelen)

over koetjes en kalfjes.

Toen (overvliegen)

er een straaljager

De mussen (krimpen)

.

van schrik in elkaar.

‘Nou, die (kunnen)

gillen’, (piepen)

‘Dat mag je wel zeggen’, (beamen)

de ene mus.

de andere.

Ze (vinden)

het echter wel logisch:

‘Wat (zullen)

jij doen als je staart in brand (staan)

4   Colin, een gierige Schot, (zijn) Hij (hebben)

?!’

vorig jaar op vakantie in Nederland. zich net gewassen in een riviertje toen hij (uitglijden)

. Colin, die een echte kilt (dragen)

, (doen)

wat hij (kunnen)

, maar de stroming (blijken)

te sterk en hij (drijven)

steeds verder naar het

midden van de rivier. op het punt te verdrinken, toen hij door een man uit het

Hij (staan) water (worden)

gehaald. Colin (willen)

redder bedanken en (toesteken)

zijn

hem een briefje van tien euro

. De man die hem gered (hebben)

, nam het bankbiljet in ontvangst en Colin hartelijk.

(bedanken) Maar Colin, die verwacht (hebben)

aanvaarden, (schrikken)

dat de man zijn geld niet (zullen) hiervan en (roepen)

: ‘Ik wil wel een briefje van vijf terug, want ik (zijn) tenslotte al halfdood toen je me uit het water (halen)

!’ 21

BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 21

27-02-19 11:52


9

Knusjes 1  Happy-saus

Een ui, een van het playboy-soort, –  wel knap, dat mag gezegd – (worden)

hopeloos verliefd

op een tomaat met vlecht.

De tomaat, –  al vlug door traantjes overmand – (krijgen) Zaadjes (vlinderen) Wat (vinden)

een leuk blozend snoetje. in haar buik. ze hem een zoetje!

De saus, –  ik kan het echt beamen – (worden) Het paartje (stoven)

er één van de hoogste kwaliteit! knusjes gaar.

Nu zijn ze lekker samen.

Van Moniek Vermeulen uit ‘Het lekkerbekkenalfabet’, uitgeverij Abimo

22 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 22

27-02-19 11:52


Naam 2   Hou je van absurde grappen?

Er (zitten)

twee ijskasten in de boom. Ze (spelen)

eerst verstoppertje, daarna (houden)

ze zich bezig met een spelletje

poker. Op een gegeven ogenblik (komen)

onder de boom een ei voorbij

huppelen. De ene ijskast (kijken)

op haar horloge, (openen)

haar deur en (fluisteren) ‘Het (zijn)

tegen de andere:

daarnet kwart over twee. Heb jij dat ei gezien?’

De andere koelkast (knikken)

met haar pootjes.

De eerste ijskast (roepen)

naar beneden:

‘Hé, ei, doe je mee met een spelletje kaarten?’ Het ei (schrikken)

in zijn dooier, (roeren)

bijna, (herpakken)

zich, (kijken)

zich in de spiegel en

naar boven: ‘Nee, ik kan niet komen meespelen,

(schreeuwen) ik (moeten)

al om twee uur bij de kapper zijn!’

3  Vladimir (rijden)

naar de bakker. Hij (plaatsen)

zijn fiets tegen de gevel, (opentrekken) en (lopen)

de deur

de winkel in. Voor hem (staan)

heel magere mevrouw die zeventien gebakjes (bestellen)

een en ze ter

. Daarbij (smakken)

plekke (opeten) en (boeren)

ze heel luid

ze na elke hap. Toen het Vladimirs beurt (zijn) , (vragen)

de jongen een groen brood. De bakker

(reppen)

zich naar de rekken, (terugkomen)

(zeggen)

: ‘Sorry, Vladimir, de groene broden zijn uitverkocht.

en

We hebben alleen nog oranje broden.’ ‘Geeft niet’, (antwoorden) Vladimir, ‘ik ben toch met de fiets.’

23 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 23

27-02-19 11:52


10

Een feestje of zo? 1   Op een schitterend cruiseschip (werken)

Magic Woody,

een goochelaar. Eigenlijk (heten)

hij Marc van Hout, maar dat (vinden)

hij geen naam om op zo’n chique schip te goochelen. Zijn schuilnaam hem meer aanzien, (denken)

(geven)

Marc,

die altijd met een felgekleurde papegaai (optreden) Die papegaai (zijn)

.

echt een prachtbeest, maar (hebben) één groot nadeel: hij (verklappen)

goocheltrucs. En toen (aanbreken)

alle

de noodlottige dag

waarop het machtige schip tegen een ijsberg (varen) . Dat (gebeuren) goochelaar. Magic Woody (slagen)

en (zinken) tijdens een show van de erin om op tijd in een reddingssloep

te geraken. Zijn papegaai (rondvliegen) en (komen)

eerst wat doelloos toen op de schouder van Magic

Woody zitten. De papegaai (aankijken) en (zuchten)

de goochelaar strak : ‘Oké, ik geef het op. Waar heb je

het schip gelaten?’

2   Vorige week (aanbellen)

Mohammed bij zijn onderbuurman

en (vragen)

of hij de volgende avond de stereo-

installatie van zijn buurman (mogen) (brullen) (schudden) hij. ‘Ik (zullen)

lenen. ‘Hé, natuurlijk, Mo’,

de buurman. ‘Heb je een feestje of zo?’ Mohammed het hoofd. ‘Nee, hoor’, (antwoorden) gewoon weleens een beetje willen slapen...’

24 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 24

27-02-19 11:52


Naam 3   Marc Malloot (vliegen)

voor het eerst in een helikopter. De piloot

en hij (zijn)

de enigen aan boord. Marc (vragen)

uitleg over alle knopjes en metertjes. Hij (willen)

er echt alles van te

weten komen. Op een bepaald moment (informeren) Marc (weten)

de piloot of

waarvoor die grote propeller boven hen (dienen) . ‘Tuurlijk weet ik dat’, (spreken)

airco!’ De piloot (schieten)

Marc. ‘Dat is de

in de lach. ‘Nee, helemaal niet!’, (roepen)

hij. ‘Dat is absoluut geen airco!’ ‘Oh nee?’, (gniffelen) Marc. ‘Wedden dat jij het héél benauwd krijgt als ik dat ding nu afzet?’

4   In Bar Globe (binnenkomen)

een die (brullen)

uurtje geleden een man

: ‘Ik ben Mustafa en ik geef een RONDE!’ De barman (aankijken) vreemd

hem

, (lachen) en (zeggen)

:

‘Nee, het is: ik geef een RONDJE.’ Mustafa (ophalen)

zijn schouders en (knikken)

:

‘Nou, dat is ook goed...’

25 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 25

27-02-19 11:52


Voor negen personen

11

1  Daarnet (stellen)

Geert mij een vraag waarop ik geen antwoord verzinnen. Ik (breken)

(kunnen) erover, maar (komen)

mijn hoofd

niet tot een oplossing. De vraag (zijn) : ‘Hoe noem je iemand die maar praat, praat en praat en naar wie

niemand luistert?’ Ik (hebben)

geen idee. Weet je hoe het antwoord ? ‘Een leraar!’

(luiden)

2   Vorige maand (binnengaan)

een Belg met grote tanden het

paardenverhuurbedrijf Het Huhu HuurPaard

. Hij (rondkijken)

eerst wat alles

, (aanraken)

wat te koop (zijn)

en (knikken)

daarbij voortdurend. Af en toe (hoesten) vervaarlijk. Dan (lijken) (draven)

hij wel te hinniken. Op een bepaald moment hij recht op de kassa af en zei: ‘Goedemorgen, mevrouw, ik

wil graag een paard huren.’ ‘Dat kan’, (prevelen) De Belg (zuchten) (spreken)

hij

, (tellen)

de vrouw. ‘Hoe lang?’ op zijn vingers en

: ‘Voor negen personen.’

26 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 26

27-02-19 11:52


Naam 3   Carla Calle (kunnen) uur (zijn)

moeilijk een keuze maken. Al meer dan een ze op zoek naar een cadeautje voor haar baas die in het

huwelijk (treden)

. Ze (vinden)

het ontstellend

moeilijk een passend presentje voor hem te kopen. Uiteindelijk, na lang twijfelen, (besluiten) ze een parasol te kopen. De verkoper (vragen) of hij het prijskaartje er af (moeten)

halen. ‘Nee!’, (schrikken)

Carla. ‘Het prijskaartje mag blijven, want de parasol is een cadeautje. Wilt u er gewoon nog een nul bijzetten?’

4   Twee koeien (staan)

in de wei. Ze (grazen)

een tijdlang en (gaan)

nadien in elkaars buurt liggen. ‘Heb je het al

gehoord?’, (vragen)

de ene koe. ‘Wat?’, (beantwoorden) de andere die vraag met een wedervraag.

‘Ik (vernemen)

daarnet dat er gekkekoeienziekte in de buurt is.’ ‘BSE?’, de andere. ‘juist’, (gruwelen)

(informeren)

de

eerste weer. ‘Koeien worden met duizenden tegelijk afgeslacht.’ De andere koe (gaan) op haar zij liggen, (loeien) en (fluisteren)

kort, (zuchten) voor zich uit: ‘Dan kunnen we ons

het beste als konijnen vermommen...’

27 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 27

27-02-19 11:52


12

Je bent aangenomen 1   Twee oenen (binnenkomen) Ze (zijn)

een café

.

druk in gesprek. ‘Ik heb een nieuw cijferslot gekocht’, de eerste oen. ‘De code is 7 – 7 – 7.’

(pochen) De andere oen (zwijgen) collega

, (aanstoten)

zijn

en (spreken)

‘Oen! Dat (hebben)

:

je niet moeten zeggen, want nu ken ik jouw code!’

De eerste oen (kijken)

eerst verwonderd, maar (schuddebuiken) toen: ‘Ha, ha... dat (denken)

Ik (zeggen)

je maar...!

het lekker in de verkeerde volgorde...’

2  Debbie (zijn))

een dag afgestudeerd toen zij (solliciteren) bij de plaatselijke slager. De man (vinden)

meisje welbespraakt. Ze (vertellen)

het

over hoe graag ze vlees (eten)

en hoe graag ze in een slagerij (willen) De slager (laten)

werken.

haar ook vlees snijden. Het (lopen) allemaal perfect. Toen (stellen)

de slager de

laatste vraag: ‘Hoeveel grammen gaan er in een pond?’ Debbie (aarzelen) niet, ze (geven) ‘450 gram, meneer.’ ‘Fantastisch!’, (juichen)

spontaan het antwoord: de slager. ‘Je bent

aangenomen!’

28 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 28

27-02-19 11:52


Naam 3   Een nul, die altijd enthousiast (doen)

,

een acht en

(ontmoeten)

meteen verbaasd:

(vragen)

‘Wauw! Heb je een riem gekocht?!’

4  Het (gebeuren)

gisteren om halfzes in een overvolle bus.

Een kleine man en een grote man (staan) aan gedrukt. Ze (houden)

heel erg dicht tegen elkaar allebei een lus in hun hand. Elke keer

wanneer de bus een bocht (nemen)

, (botsen)

de kleine man met zijn neus tegen de oksel van de grote en (trekken) hij een vies gezicht. Na een tijdje (uithouden) Hij (tikken)

de kleine het niet meer

.

tegen de arm van de grote man en (vragen) : ‘Excuseer, meneer, welke deodorant gebruikt u eigenlijk?’

De grote man (verwonderen)

zich over deze vraag en (repliceren)

hautain: ‘Ik gebruik altijd Milde Meeuwen.’ ‘Dan vrees ik’, (grommen)

de kleine man, ‘dat de meeuwen al een

hele tijd dood zijn...’

29 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 29

27-02-19 11:52


Voltooid deelwoord Heb je de eerste twee onderdelen van de werkwoordspelling (tegenwoordige tijd en verleden tijd) voltooid? In dit derde onderdeel kun je oefenen met het voltooid deelwoord. Op de stippellijntjes is plaats voor jouw antwoorden. Noteer ze correct en maak hierbij gebruik van de regels voor het voltooid deelwoord. Sterke werkwoorden Voor het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden geldt hetzelfde als voor de verleden tijd. Of je kent de juiste vorm al, of je kunt het voltooid deelwoord opzoeken in het woordenboek. Zwakke werkwoorden Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord is in de regel als volgt opgebouwd: ge + ik-vorm + t OF

ge + ik-vorm + d

De vorm van de verleden tijd helpt je om de juiste schrijfwijze van het voltooid deelwoord te vinden. Schrijf je de verleden tijd met te(n), dan eindigt het voltooid deelwoord op een t, schrijf je de verleden tijd met de(n), dan eindigt het voltooid deelwoord op een d. Bijvoorbeeld: maakte  → gemaakt

hoorde  →  gehoord

Ook hier kun je bij twijfel (net als bij de verleden tijd) de medeklinkers van ’t ex-kof s chip gebruiken, bijvoorbeeld: mixen  →  mixte

gemixt

leven  →  leefde

geleefd

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar vaak zijn die overduidelijk: opbouwen →  opgebouwd (niet: geopbouwd) lachen

→  gelachen (niet: gelacht)

verdienen →  verdiend (niet: geverdiend)

30 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 30

27-02-19 11:52


Voltooid deelwoord bijvoegelijk gebruikt Het gemetselde muurtje in de pas verbouwde kamer is anderhalve meter hoog. In de voorgaande zin gedragen de voltooid deelwoorden gemetseld en verbouwd zich als een bijvoeglijk naamwoord. In zo’n situatie spreken we van bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden. Het voltooid deelwoord van een sterk werkwoord eindigt meestal op en. Wordt het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan blijft de vorm hetzelfde. Voorbeelden:

de gevallen fiets

het aangeboden cadeau

Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord eindigt meestal op een d of t (zie boven). Wordt het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan komt er een e achter. Net als de andere bijvoeglijke naamwoorden houden de bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden zich aan de gebruikelijke spellingregels. Voorbeelden: een gemiste kans

(zoals een vaste slaap)

– het verdiende loon

(zoals de ronde toren)

het bezette gebied

(zoals de witte muur)

– de gedode ridder

(zoals de rode ridder)

31 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 31

27-02-19 11:52


13

Water in mijn oog 1   Een man heeft zijn buurman (vermoorden)

en is (veroordelen)

. Net voordat hij op de elektrische stoel had (plaatsnemen) , had de gevangenisdirecteur hem naar zijn laatste wens (vragen) . ‘Ja, meneer de directeur’, had de boef (antwoorden)

.

‘Toen ik vroeger zenuwachtig was, heeft mijn moeder altijd mijn handje (vasthouden) . Wilt u dat zo dadelijk ook doen?’

2   Een speld en een naald hadden een wedstrijdje (organiseren) want allebei hadden ze (beweren)

,

het hardst te kunnen zwemmen.

De dag van de wedstrijd had het er lang bewolkt uit (zien) maar uiteindelijk was het mooi weer (worden)

, . De zon heeft (schijnen)

en de wedstrijd heeft veel publiek (lokken) Jammer genoeg is het op een ruzie (uitdraaien) De speld had (winnen)

. .

, maar de naald had de uitslag (betwisten)

. ‘Voor jou was het niet moeilijk om te winnen, want ik heb water in mijn oog (hebben) !’

32 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 32

27-02-19 11:52


Naam

3   Guido heeft zijn auto naar de garage (brengen) ‘Zodra ik vijf meter heb (rijden)

. , heb ik het al (horen)

’, heeft hij tegen de garagehouder (zeggen)

.

‘Die vervelende tik is om gek van te worden!’ Wanneer hij ’s avonds zijn wagen wil ophalen, ziet hij het meteen: de garagehouder heeft de hele wagen compleet uit elkaar (halen)

.

‘Sorry’, zegt de man met een knalrood hoofd. ‘We hebben een beetje pech (hebben) . Uw wagen zal pas morgenavond weer klaar zijn. Wel hebben we de oorzaak van die vervelende tik (vinden)

!’

Meteen verschijnt er een stralende glimlach op Guido’s gezicht. ‘Ja’, zegt de garagehouder, ‘uw zoontje is de oorzaak. Hij heeft een knikker in de asbak !’

(verstoppen)

4   Gert, een vriendelijke jongeman, heeft zich voor zijn eerste werkdag bij de supermarkt . Algauw heeft de manager hem vriendelijk (begroeten)

(melden)

en hem een bezem (overhandigen) die nog niets heeft (zeggen)

. Gert,

, krijgt te horen dat van hem (verwachten)

wordt dat hij voor tien uur het hele gebouw heeft (schoonvegen) .’ Gert kijkt de manager verbaasd aan en stamelt: ‘Meneer, ik ben (afstuderen) (zeggen)

als advocaat!’ ‘Oei, excuseer me, dat heeft niemand me ’, lacht de manager. ‘Geef mij die bezem maar... dan doe ik

het even voor!’

33 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 33

27-02-19 11:52


14

Extra gas

1   Een motorrijder heeft al een hele tijd bijzonder hard over de snelweg (rijden) . Op een bepaald moment wordt hij (inhalen) door een oude man op een fiets. Dat is onmogelijk, denkt de motorrijder. Ik heb me al veel (verbeelden)

,

maar dit... Hij geeft nog wat extra gas. Even later rijdt de oude man hem weer voorbij. Ik ben gek (worden)

, denkt de motorrijder. Wanneer hij even later zijn motor

op een parkeerplaats heeft (parkeren) eveneens halt (houden)

, heeft de oude man op de fiets . De grijsaard, die van zijn fiets (stappen)

is, zegt: ‘Fijn dat u (stoppen)

bent. Mijn bretels

zitten namelijk aan uw motor vast!’

2   Helga heeft vanmiddag haar broertje op een bonbon (trakteren) Het broertje had hem ogenblikkelijk in zijn mond (stoppen) overvloedig (smakken)

. , hij had

en tenslotte (roepen)

:

‘Hmm, zusje! Dat is nog eens een heerlijke bonbon! Daar had ik er wel meer van (lusten) !’ Helga had het hoofd (schudden)

en (melden)

: ‘Daar snap ik echt niets van, broertje, want toen ik hem vanmiddag aan de hond heb (geven)

, heeft die hem meteen weer (uitspugen)

.’

34 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 34

27-02-19 11:53


Naam 3   José was op een middag (thuiskomen)

en had tegen haar man

: ‘Schat, de auto start niet meer. Ik heb het echt (proberen)

(zeggen)

, ik heb mijn best (doen)

, maar gelukkig weet ik

nu wat het probleem is.’ ‘O’, had haar man (antwoorden)

, ‘en wat is er dan aan de hand?’

José had haar ogen tot spleetjes (knijpen)

en (zeggen)

: ‘Erik, er zit water in de carburateur.’ De man had even (nadenken) (opperen) (leren)

, (glimlachen)

en

dat hij haar niet wilde beledigen. ‘Lieveling, waar zou jij hebben wat het verschil tussen een carburateur en een

startmotor is?’ ‘Schat, er is echt water in de carburateur (lopen)

’, had de vrouw

.

(volhouden)

‘Nou goed’, had de man (voorstellen)

, ‘dan ga ik weleens kijken.

Waar staat de auto?’ Toen had José (grommen)

4   Je hebt vast al eens (vernemen)

: ‘In de vijver!’

wat het toppunt van luiheid is.

Maar misschien heb je deze nog niet (horen) Het toppunt van luiheid is tijdens je werk in slaap (vallen) (dromen)

hebben dat je niets hebt (doen)

. zijn en .

35 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 35

27-02-19 11:53


Absoluut rommel

15

1   Patty kwam met haar hondje aan de lijn de bioscoop uit. Een man die haar al enkele honderden meters had (achtervolgen)

, riep: ‘Mevrouw, mevrouw!’

Meteen was Patty (stoppen)

en had ze (informeren)

wat er aan de hand was. De man zei: ‘Ik heb tijdens de film uw hondje in de gaten (houden)

, en het is me (opvallen)

dat het beestje echt ‘in’ de film zat: hij heeft op het juiste moment (huilen) , heeft een beetje heen en weer (bewegen) tijdens de saaie stukken, maar het meest bijzondere was wel, dat hij keihard heeft (lachen) om het leuke gedeelte. Heeft u dat zelf niet heel erg vreemd (vinden) ?’ De vrouw had de man en doodleuk

(aanstaren)

: ‘Ja, nou en of, want

(melden)

het boek vond hij absoluut rommel!’

2   In de stad werd de CashBank (overvallen) bandieten een en ander toch anders (verlopen)

. Daarbij is voor de dan ze (plannen)

hadden. Zo had de bankbediende tegen een van de overvallers (zeggen)

: ‘De directie heeft me (verzoeken)

u te vragen om te glimlachen, want u wordt (filmen)

!’

36 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 36

27-02-19 11:53


Naam 3   Bert had aan zijn vriend André (vragen)

: ‘Weet jij hoeveel koekjes

je kunt eten op een lege maag?’ André had dadelijk aan zijn hoofd (krabbelen) , (twijfelen)

en uiteindelijk (zeggen)

: ‘Eh... tien??’ ‘Fout!’, had Fred (roepen)

‘Je kan er maar één eten, daarna is je maag

niet leeg meer!’ André was onder de indruk van deze grap (raken)

. Toen hij was

, had hij zijn vrouw dezelfde vraag (stellen)

(thuiskomen)

: ‘Hé, lieveling, hoeveel koekjes kun je eten op een lege maag?’ Andrés vrouw had een paar minuten (nadenken)

en uiteindelijk

: ‘Ik denk drie.’ Teleurgesteld had André (zuchten)

(antwoorden)

: ‘Jammer hoor, als je tien had (antwoorden) had ik een hele goeie mop voor je (hebben)

,

!’

4   Agent Haantjes heeft een wandeling langs de gracht (maken) Wanneer hij bijna aan het eind is (komen)

. , ziet hij een man in de

gracht spartelen. Haantjes trekt zijn ogen wijd open: heeft hij dat goed (zien) ? Heeft hij zich niet (vergissen) in het kanaal (sukkelen) Heeft iemand hem erin (duwen) Heb ik dat goed (horen)

? Hoe is die man

? Is hij erin (springen)

?

? In elk geval is de man in overtreding. , vraagt Haantjes zich af. ‘Heeft die man ?’ Hij luistert nauwkeurig. ‘Help, help, ik verdrink!’ Haantjes

(roepen)

haast zich dichterbij en roept: ‘Da’s maar goed ook! Anders had ik je (bekeuren) , want je mag hier niet zwemmen!’

37 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 37

27-02-19 11:53


16

Domme jongen! 1 Barry was vanmiddag hijgend van school .

(thuiskomen) Hij had (pochen)

dat hij twee

zones lang achter de bus had (aanrennen) en zo 3 euro had (uitsparen) . Zijn vader had hem boos en (vermanen)

(aankijken)

: ‘Domme jongen! Als je achter een taxi had (aanlopen)

, had je

wel 12 euro (besparen)

!’

2 Een vertegenwoordiger in stofzuigers was (langsgaan) boerderij. Hij had (aanbellen)

bij een

, de boerin had (opendoen)

. De vertegenwoordiger had netjes (vragen)

of

hij mocht binnenkomen omdat hij graag een schitterend toestel wilde demonstreren. Eenmaal binnen was de man al snel goed op dreef (komen)

:

‘Mevrouwtje, ik ben vertegenwoordiger van hele goede stofzuigers: die zuigen echt alles, maken alles schoon. Ik zie het graag (bewijzen)

, dus maak ik nu uw

tapijt even lekker vuil.’ De vertegenwoordiger had een hele doos vuiligheid over de vloerbedekking (uitkieperen)

en (meedelen)

:

‘Met mijn stofzuiger is dat in een handomdraai weer helemaal (schoonmaken) . Ik heb het al mijn toekomstige klanten (garanderen) en ik garandeer het ook u: elke korrel die blijft liggen, eet ik persoonlijk van de vloer.’ De boerin, die de hele tijd met haar handen op de heupen had (staan) , had meewarig (glimlachen)

toen ze dit had

. ‘Nou, begin dan maar vast te eten’, had ze (gieren)

(vernemen)

van het lachen, ‘want we hebben helemaal geen elektriciteit!’

38 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 38

27-02-19 11:53


Naam 3   Ferdie is de netjes (metselen) muur in de pas (verbouwen) huiskamer aan het verven. Zijn vrouw vraagt bezorgd aan haar (zweten)

man:

‘Ferdie, zou je er geen krant onder leggen?’ ‘Welnee’, zegt Ferdie. ‘Ik kan er zo ook wel bij!’

4   De altijd overvloedig (opmaken)

juffrouw op school vraagt aan

Kelly wat ze later wil worden. ‘Ik wil later een veel (fotograferen) mannequin worden’, zegt Kelly. ‘Wat als je daar nou echt te lelijk voor bent?’, vraagt de (optutten)

juf. Kelly knijpt haar (stiften)

lippen

tot een grimas: ‘Dan kan ik nog altijd schooljuf worden...’

39 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 39

27-02-19 11:53


17

Steek je tong eens uit 1   De pas (afstuderen)

schoolarts vraagt aan Tim, een sterk jongen: ‘Steek je tong eens uit.’ Tim bekijkt verwonderd

(vermageren) de (interesseren)

dokter en antwoordt: ‘Waarom moet ik dat doen?

Ik ben toch niet kwaad op u?’

2   Een zwaar (vermoeien) de maand haar zuur (verdienen)

secretaresse bestudeert aan het eind van salaris. Tot haar verbazing merkt ze

dat er tweehonderd euro te veel is overgeschreven op haar (havenen) bankrekening. Ze besluit er niets van te zeggen. Een maand later heeft diezelfde druk baas haar tweehonderd euro te weinig betaald. Boos stapt

(bezetten) ze op de (verrassen)

man af om zich daarover te beklagen.

De (belagen)

man zegt kalm: ‘Waarom heeft u vorige maand niets

gezegd toen er te veel was overgemaakt?’ De (opwinden)

secretaresse

roept: ‘Eén foutje wilde ik door de vingers zien, maar twee niet (verwachten) domme fouten, dat is me echt te veel!’

40 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 40

27-02-19 11:53


Naam

3  Een (bezweten)

man stapt het pas (vernieuwen) cafeetje De PintenPakker binnen. Hij maakt een salto voorwaarts,

een salto achterwaarts, een flikflak, gaat op de netjes (poetsen) barkruk zitten en bestelt een extra (koelen)

pilsje.

‘Dat is erg knap wat u daar deed’, zegt de (verwonderen)

barman.

‘Hoe kan u dat zo goed?’ De man, die met zijn (wassen)

en (strijken)

zakdoek het zweet van zijn voorhoofd wist, antwoordt: ‘Het circus is in de stad, en daar werk ik bij. Ik ben acrobaat, ziet u.’ Een halfuurtje later komt er weer een man het café binnen. Hij maakt een driedubbele salto en een dubbele flikflak, en gaat op de barkruk zitten. Ook hij bestelt een pilsje.

(schoonmaken) ‘Ongelooflijk’, zegt de (schrikken)

barman die van de schrik een glas laat vallen. De eerste man zegt: ‘Ach, hij is gewoon

(oppoetsen)

een collega van me: samen hebben we een acrobatennummer.’ Een kwartier later komt er weer een man het inmiddels sfeervol (verlichten)

café binnen.

Hij maakt een salto, een flikflak, voorwaarts, achterwaarts en belandt met een (uitbreiden) boog op de rood (verven) lacht zijn grotendeels (verrotten) ook uit dat (bekennen)

barkruk. De barman tanden bloot: ‘Ik snap het al: u komt

circus.’

‘Nee’, zegt de man, ‘je mag weleens een ander deurmatje kopen!’

41 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 41

27-02-19 11:53


18

Olifant achter een grassprietje 1   ‘Michiel, wil je vandaag eerst dat vieze (ophopen)

zand

opruimen?’, vraagt de door zijn knechten (vrezen)

boer die door zijn

klanten geprezen wordt om zijn gunstig (prijzen)

koopwaar.

Michiel antwoordt: ‘Natuurlijk, baas. Maar waar zal ik het (vervuilen) zand laten?’ De boer haalt zijn door reuma (pijnigen)

schouders op en

gromt: ‘Graaf maar een kuil vlak bij de (witten)

muur en gooi het daar

in!’ Michiel kijkt zijn baas aan met een (verwonderen)

gezicht:

‘Waar laat ik dan het zand dat uit die kuil komt?’ De boer vindt het duidelijk een (verwachten) vraag, want hij reageert ogenblikkelijk: ‘Doe niet zo stom, Michiel, je maakt de kuil gewoon wat dieper zodat alles er in één keer in kan!’

2   Tweemaal over olifanten!

In het pas (maaien)

gras staat op twee (beitsen)

palen een groot (vernissen)

bord. Daarop staat in koeien van letters

deze vraag: Ziet u een olifant achter een grassprietje zitten? Alle (verbazen) voorbijgangers kijken vertwijfeld rond en gaan er tenslotte vandoor. Hadden ze het aan jou gevraagd, dan had jij zeker (opwekken) geantwoord: ‘Nee, ik zie hier geen olifant achter een grassprietje zitten. Hij heeft zich wellicht goed (verstoppen)

!’

‘Ik wenste dat ik genoeg geld had om een olifant te kopen...’, mijmerde Vera-met-het-rood(verven)

-haar terwijl ze door het pas (lappen)

raam naar buiten staarde. Haar (verassen) melodietje op een mooi (beschilderen)

vriendin die net een gitaar zat te tokkelen, hield

daarmee op en vroeg: ‘Wat moet jij nou met een olifant?’ Vera keek haar overvloedig (parfumeren)

vriendin aan en zuchtte: ‘Niks, natuurlijk, maar ik kan

het geld zo goed gebruiken...’

42 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 42

27-02-19 11:53


Naam 3   Mevrouw Windey is een weinig (lieven)

dame. Ze is erg streng

tegen haar personeel. Ooit heeft ze een tuinman alle pas (planten) bloembollen weer uit de grond laten halen omdat ze zich bedacht had en liever anders en (kleuren)

(vlekken)

bloemen in haar fors

en van een fikse vijver (voorzien)

(bemesten)

tuin had. Vorig jaar heeft ze haar (verzorgen)

chauffeur ontslagen

omdat die een haartje op de pas (stofzuigen)

achterbank had laten

liggen. ‘Voor mij geen (bevuilen) De (stressen)

auto!’, had mevrouw Windey getierd. chauffeur was huilend weggelopen. Maar vandaag

gebeurt er iets vreemds in de fraai (opknappen)

villa van mevrouw

Windey. Een meisje dat solliciteert als hulpje in het huishouden, heeft een gesprek met de dame. ‘Voordat ik je aanneem’, zucht de (vermoeien)

(omhoogvallen)

mevrouw Windey, ‘wil ik weten of je van honden en katten houdt.’ Het (verrassen)

meisje antwoordt spontaan: ‘Ik lust alles, mevrouw.’

43 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 43

27-02-19 11:53


44 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 44

27-02-19 11:53


Gemengde oefeningen Wanneer naast een werkwoord staat: tt, dan betekent dit dat je het werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegt. Staat er vt, dan maak je er de juiste vorm van in de verleden tijd. Dat vd (voltooid deelwoord) nooit vermeld wordt, heeft te maken met het feit dat je dit meteen zult merken wanneer je aan zo’n zin bezig bent. Het blijkt telkens de enige mogelijkheid te zijn. Let op: soms staat naast een werkwoord géén aanduiding of het werkwoord in tt of vt moet. Dan moet je zélf in de zin of situatie naar aanwijzingen zoeken. Een voorbeeldje:

Annelies (hebben)

vorig jaar nog rood haar; nu (zijn)

het echter groen.

Het stukje ‘vorig jaar’ wijst op verleden tijd en het woordje ‘nu’ op tegenwoordige tijd. Dus: Annelies (hebben) had vorig jaar nog rood haar; nu (zijn) is het echter groen.

45 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 45

27-02-19 11:53


19

Moeilijke vraag 1   Bij dokter Gryploos...

Patiënt Etienne (bezoeken – tt)

dokter Gryploos en (steken – tt)

meteen van wal: ‘O , dokter, wat (gebeuren – tt) er de laatste tijd toch met mij?’ ‘Moeilijke vraag’, (brommen – tt) dokter. ‘Vertel eens, (zijn – tt)

de

er onlangs iets speciaals (gebeuren)

, misschien?’ ‘Dokter, de laatste week (horen – tt) ik maar half.’ Gryploos (schudden – tt) en (fluisteren – tt)

: ‘Dat (kunnen – tt)

niet. Ik zal even een testje (doen – tt) (Nazeggen – tt) Etienne (zeggen – tt)

het hoofd zomaar

. mij maar

: achtenveertig.’

geconcentreerd: ‘Vierentwintig.’

In de wachtkamer van dokter Gryploos (hangen – tt) waarop te lezen (staan – tt) te voorkomen, (zijn – tt)

Gisteren (gaan) (glimlachen) ik (hebben – tt) (Zijn – tt)

een bordje

: Om gaatjes in ons tapijt en in uw longen roken (verbieden)

.

Liese naar dokter Gryploos die ogenblikkelijk en (vragen)

: ‘Dag Liese,

je een hele tijd niet (zien) je soms ziek (zijn)

. ?’

46 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 46

27-02-19 11:53


Naam ‘Dokter, dokter!’, (gillen – vt)

Gina in paniek. ‘Ik (denken – tt)

dat ik een bril nodig (hebben – tt) ‘Dat (veronderstellen – tt)

.’

ik ook, mevrouw’, (antwoorden – vt)

de man. ‘U (bevinden – tt)

Marc Memorie (klagen – vt)

zich in een snackbar!’

bij dokter Gryploos: ‘Ik (hebben – tt)

zo’n last van geheugenverlies...’ De dokter (onderzoeken – vt) hem en (vragen – vt)

: ‘Hoelang (hebben – tt)

u daar al last van, meneer Memorie?’ Marc Memorie (bekijken – vt)

de dokter met grote ogen en : ‘Last? Waarvan?’

(fluisteren – vt)

Goldie, de gouvis, (komen – vt)

bij de dokter. niets te zeggen, want dokter Gryploos

Goldie (hoeven – vt)

meteen

(uitroepen – vt) ‘O! Ik (merken – tt)

:

het al: uit de kom!’

Paul Dekker (stevenen – vt) Gryploos. Die (schrikken – vt) het hoofd en (zeggen – vt) ernstig uit.’ ‘Ja, het (beginnen – vt)

met een kikker op zijn hoofd naar dokter , (schudden – vt) : ‘Dat (zien – tt)

er

met een wratje’, (reageren – vt)

de kikker.

47 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 47

27-02-19 11:53


20

Mondje dicht 1   Vraag & antwoord

Vraag: Wat (zijn – tt)

een skelet in een kast?

Antwoord: Iemand die vroeger (winnen)

(hebben – tt)

met verstoppertje...

Vraag: Wat (zijn – tt)

het verschil tussen een tandarts en een leraar?

Antwoord: Een tandarts (zeggen – tt)

: mondje open en een leraar

: mondje dicht.

(bevelen – tt)

Vraag: Wat (vinden – tt)

je als je een olifant met een mol (kruisen – tt)

? Antwoord: Je (vinden – tt)

Vraag: Wat (zijn – tt)

dan hele grote hopen in de tuin!

het meervoud van boom?

Antwoord: Je (noteren – tt)

Vraag: Wat (zijn – tt)

dat het makkelijkst met drie letters: bos.

een synoniem?

Antwoord: Een woord dat je (gebruiken – tt) niet (kunnen – tt)

Vraag: Wat (zijn – tt)

als je dat andere woord

spellen.

het toppunt van geduld?

Antwoord: Je (tekenen – tt)

eerst een vis op de muur en dan wacht je

tot hij weg (zwemmen – tt)

.

48 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 48

27-02-19 11:53


Naam 2   Dertien ‘levensvragen’ voor beginners...   1 Wat (gebeuren – tt)

er precies als je je tweemaal halfdood ?

(schrikken – tt)   2 Als je een smurf (wurgen – tt)

, welke kleur (krijgen – tt)

hij dan?   3 Hoe (plaatsen – tt)

men de bordjes VERBODEN OP HET GRAS TE

LOPEN op het gazon?   4 Hoe (zullen – vt)

stoelen eruitzien als onze knieën aan de andere

kant (zitten – vt)

?

5 Waarom (krimpen – tt)

een schaap niet als het na een regenbui

weer (opdrogen – tt)

?

6 Als Amerikanen bij een bruiloft rijst (gooien – tt)

, (smijten – tt)

Aziaten dan hotdogs?   7 Als de meeste ongelukken in huis (gebeuren – tt)

, waarom

dan niet iedereen?

(verhuizen – tt)   8 Waarom (hebben – tt)

Noach destijds die twee muggen niet ?

(doodslaan)   9 Hoe (weten – tt)

een thermoskan of een drank warm of koud blijven?

(moeten – tt) 10 (bestaan – tt)

er een ander woord voor synoniem?

11 Als de zwarte doos van een vliegtuig onverwoestbaar (zijn – tt)

,

ze de vliegtuigen dan niet van dat materiaal?

waarom (maken – tt)

12 Als superlijm werkelijk alles (vastlijmen – tt)

, waarom (kleven – tt)

het dan niet aan de binnenkant van de tube? 13 Wat (tellen – tt)

schapen als ze niet (kunnen – tt) slapen?

49 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 49

27-02-19 11:53


21

Strafbaar feit 1   Het (zijn – vt)

midden in de nacht toen Silvia op de kamerdeur van

haar ouders (kloppen – vt)

. ‘Papa, (worden – tt)

wakker! Ik (horen – tt)

een muis piepen!’ Silvia’s vader (reageren – vt) eerst slaapdronken. Hij (slagen – vt)

er

nauwelijks in zijn ogen te openen en (uitstoten – vt) klanken

onverstaanbare

. Silvia (aandringen – vt)

en

: ‘Papa, (willen – tt)

(herhalen – vt)

je alsjeblieft

helpen! (Horen – tt)

hoe die muis (piepen – tt)

Toen (worden – vt)

vader boos: ‘Nou, wat (willen – tt) je dat ik (doen – tt)

? (Moeten – tt)

ik die muis even (gaan – tt)

2   Bert (lezen – vt)

!’

oliën, misschien?!’

de krant. Op een bepaald moment (schudden – vt) hij het hoofd. Zijn vader (hebben – vt) en (vragen – vt)

je het interessant, Bert?’ Bert (schieten – vt)

het (merken) : ‘(Vinden – tt) in de lach: ‘Ik (lezen – tt)

hier net dat Frans Bauer (gaan – tt) mensen in de gevangenis.’ Vader (knikken vt) : ‘Zo (zien – tt)

zingen voor en (glimlachen – vt) je maar dat je goed (moeten – tt)

nadenken voordat je een strafbaar feit (plegen – tt)

!’

50 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 50

27-02-19 11:53


Naam

3   Bonnie (passeren – tt)

een straat waarin juist een stadswerker

putten aan het graven (zijn – tt)

. Tot haar verbazing (komen – tt)

wat later een andere stadswerker en die (beginnen – tt) de putten dicht te gooien. (Verbazen) Bonnie waarom ze dat (doen – tt)

vraagt

. Een van de stadswerkers : ‘Nou, de man die de bomen (moeten – vt)

(antwoorden – tt)

planten (kunnen – vt)

niet komen.’

4   Een blinde man en een vrouw met één been (maken – tt) De man (schelden – tt)

ruzie.

de vrouw de huid vol en zij (reageren – tt) met even gruwelijke uitlatingen. Op een bepaald moment (zeggen – tt) de vrouw met één been woedend: ‘(Maken – tt)

dat je (wegkomen – tt)

of ik (geven – tt)

schop!’ De blinde (schamperen – tt)

je een

: ‘Ah, ja? Dat (zullen – vt)

ik weleens willen zien!’

5   Leentje (draven – tt)

de woonkamer in. Ze (roepen – tt) : ‘Papa, papa!’ Haar vader die net

(opwinden)

met een belangrijke klant, (brullen – tt)

(telefoneren – tt)

boos: ‘Leen, je (weten – tt)

toch dat je alleen

(mogen – tt)

praten als je iets (vragen)

(worden – tt)

!’ ‘Papa, papa!’, (herhalen – tt)

Leen. ‘(Kunnen – tt) (vallen)

u me dan snel vragen of mama van de trap (zijn – tt)

?!’

51 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 51

27-02-19 11:53


22

Daverend applaus 1   In het kleine schooltje van Melkebeek (melden – tt)

meester

Pannenkoeck tijdens de rekenles: ‘Vanaf nu (worden – tt) school met computers (rekenen)

er op deze

!’ Onmiddellijk (bedanken – tt)

de kinderen hem met een daverend applaus. ‘Dus’, (vragen – tt) meester Pannenkoeck, ‘hoeveel (zijn – tt) zeventwintig computers plus vierenveertig computers?’

2   Wat (vinden – tt)

je van deze twee uitspraken van bekende

Nederlanders?

Golfen (zijn – tt)

knikkeren voor rijke mensen die te lui (zijn – tt) om te bukken.

(Youp van het Hek)

Er (gaan – tt)

meer boven je petje dan eronder.

(Toon Hermans)

3   Een galei met roeiers (aankomen – vt)

op een eiland

. Met een diepe zucht en dodelijk vermoeid (neerleggen – vt) de roeiers de riemen

. Allemaal (zijn – vt)

ze bekaf. Ze (zuchten – vt)

diep. De stuurman

voor hen staan en (melden – vt)

(komen – vt) ‘Mannen, ik (hebben – tt) De roeiers (weten – vt)

:

goed nieuws, maar ook slecht nieuws.’ niet wat hun nu weer te wachten (staan – vt)

. Gelaten (afwachten – vt)

ze

. 52 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 52

27-02-19 11:53


Naam De stuurman (vertellen – vt)

: ‘Het goede nieuws (zijn – tt)

dat jullie voor vandaag klaar (zijn – tt) roeien. Wij (gaan – tt)

met

een groot stuk vlees roosteren en lekker veel

rum drinken!!’ De roeiers (brullen – vt)

enthousiast. De stuurman

tot de roeiers (uitrazen)

(wachten – vt)

en (opmerken)

(zijn – vt)

toen

:

‘Het slechte nieuws is dat de kapitein morgen (willen)

gaan

waterskiën!’

4   Piet Friet (worden – tt)

door een politieagent (aanhouden)

. ‘Meneer, u (mogen – tt)

niet doorrijden’,

de agent, ‘want u (rijden – tt)

(zeggen – tt) Audi Quattro en u (inzitten – tt)

in een

er maar in uw eentje

Met (verwonderen)

.’

blik (aanstaren – tt)

politieagent

Piet de

. ‘Wat (zijn – tt)

dat nu voor onzin?’,

Piet. ‘Audi Quattro (zijn – tt)

(knorren – tt) het merk. Dat (betekenen – tt)

gewoon

niet dat je er met zijn vieren in (moeten – tt)

zitten.’ ‘Toch (krijgen – tt) verder te rijden’, (volhouden – tt) Piet (worden – tt)

u geen toestemming om de politieman

.

boos: ‘Als het zo (zitten – tt)

dan (willen – tt)

,

ik weleens even met je chef praten.’ ‘Dat (kunnen – tt) best’, (vinden – tt)

de agent, ‘maar dan

u wel even geduld hebben want mijn chef (aanhouden – tt)

(moeten – tt)

net drie mensen in een Fiat Uno

.’

53 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 53

27-02-19 11:53


23

Wakker worden! 1   Na de voetbaltraining van de Melkebeek Boys (gaan – vt)

de

spelers douchen. Benny, die voor het eerst (meespelen – vt) Boys, (staan – vt)

met de

nog in de kleedkamer terwijl de anderen al . ‘Benny!’, (roepen – vt)

(douchen – vt) jongens. ‘Ik kom!’, (gillen – vt)

de

Benny terug. Even later (komen – vt)

hij te voorschijn. Hij (houden – vt) in zijn hand. Daarmee (gaan – vt)

een paraplu

hij in de warme waterstraal staan

terwijl hij een deuntje (fluiten – vt)

. ‘Maar Benny, waarom jij onder die (opsteken)

(douchen – tt)

paraplu?’,

vroeg één van de jongens. ‘Nou, ik (hebben – tt)

mijn handdoek

.’

(vergeten)

2   Marie (worden – tt)

midden in de nacht wakker. het licht

Ze (aanknippen – tt)

, (bestuderen – tt)

het nachtkastje van haar man en (schudden – tt) hem heen en weer. ‘Jef, Jef, je (moeten – tt) Jef (openen – tt)

wakker worden!’

moeizaam zijn ogen en (vragen – tt) wat er loos is. ‘Je (hebben – tt)

vergeten je

slaappil in te nemen!’

54 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 54

27-02-19 11:53


Naam 3   Aan de tapkast van bar Biepop (zitten – tt)

een man. Hij (drinken – tt)

het ene glas na het andere. Opeens (halen – tt) hij zijn glazen oog uit zijn kas en (gooien – tt)

het keihard tegen de

ruit. Het glazen oog (stuiteren – tt)

terug en de man (stoppen – tt)

het weer op zijn plaats. De vrouw naast hem (hebben – tt) het schouwspel (gadeslaan)

, maar

niet wat er precies (zijn – tt)

(begrijpen – tt)

. ‘Waarom (doen – vt)

(gebeuren)

je dat nou?’,

ze uiteindelijk. De man met het glazen oog (ophalen – tt)

(vragen – tt)

zijn schouders

en (mompelen – tt)

: ‘Ik (kijken – vt)

even of mijn brommer er nog

.’

(staan – tt)

4   De Belgen (lanceren) ‘Nou’, (vragen – tt)

vandaag hun eerste ruimteraket. een Nederlandse verslaggever, ‘waarheen (leiden – tt)

de weg?’ ‘Dat (vinden – tt)

ik een overbodige

vraag’, zegt de Belg. ‘(Vinden – tt)

je dat zelf ook niet? We (hebben – tt)

het in alle kranten (publiceren) pauw (melden – tt)

.’ Trots als een

de Belgische ruimtereiziger: ‘Wij (vliegen – tt) naar de zon!’ ‘Naar de zon?’, (schrikken – tt)

reporter. ‘Dat (kunnen – tt)

de

toch niet? Daar (zijn – tt)

het toch veel te heet! (Zijn – tt)

u niet bang dat u

smelten?’ De Belgische astronaut (knipogen – tt)

(zullen – tt)

naar een collega en (melden – tt) ‘U (kunnen – tt)

gerust zijn, wij (weten – tt)

we (doen – tt)

, hoor. Wij (zijn – tt)

We (gaan – tt)

natuurlijk ’s nachts!’

dan doodleuk: wat niet gek.

55 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 55

27-02-19 11:53


Kukeleku

24

1   Nog een paar ‘levensvragen’...

Als je van zwemmen slank (worden – tt) , wat (doen – tt) walvissen dan verkeerd?

Waarom (lopen – tt)

je

neus, terwijl je voeten (ruiken – tt) ? Hoe eerder je (achteropraken – tt)

met je werk, hoe meer tijd je om het weer in te halen.

(overhouden – tt)

2   Een kip en een haan (lopen – tt)

elkaar tegen het lijf. ‘Kukeleku’,

de haan. ‘Miauw’, (antwoorden – tt)

(zeggen – tt)

de kip enthousiast. De haan (monsteren – tt) kip en (vragen – tt)

de

: ‘Miauw? Wat (krijgen – tt)

we nou?’ ‘Ach’, (melden – tt)

de kip nonchalant, ‘ik (hebben – tt)

een cursus (volgen) talen (komen – tt)

, want zonder vreemde

je tegenwoordig niet meer aan de bak.’

56 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 56

27-02-19 11:53


Naam 3

Het (zijn – tt)

weer tijd voor een gedicht!

eens een potje poëzie.

(Koken – tt)

Een dichter (zijn – tt)

een kok –

eerst (openspreiden – tt) ingrediënten

hij alle ,

dan (snijden – tt)

hij, hij

(bakken – tt) in een wok of in een pan, en (kunnen – tt)

hij enkel hopen

dat iemand (zeggen – tt)

dat van zijn bord

elke hap lekkerder (worden – tt) Een kok (zijn – tt)

. net zoals een dichter –

elk woord (zijn – tt)

van belang,

wat zwaarder of wat lichter, alles (leiden – tt)

tot samenhang.

Wie met zulke woorden (kennismaken – tt)

,

ook hoe fijn een komma (smaken – tt)

(weten – tt)

.

Uit ‘Ik vind je hiëroglief’, abimo, 2003

4

Op het huis van mijn buurman (hangen – tt)

(schrijven)

(staan – tt) bij ons

een bordje waarop : (Inbreken – tt) en (bezorgen – tt)

onze pitbull de dag van z’n leven!

57 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 57

27-02-19 11:53


25

Iets nieuws? 1   De eigenaar van antiekzaak Verleden Tijd (zijn – tt) graag grapjes (maken – tt)

een man die

. Zo (gebeuren – tt)

het geregeld (en het (zijn – tt)

voorheen ook al vaak (gebeuren)

) dat iemand de zaak binnen (wandelen – tt)

en

: ‘Is er nog iets nieuws (binnenkomen)

(vragen – tt)

?’ Het standaardantwoord van de antiquair (luiden – tt) : ‘Iets nieuws? Wat (denken – tt)

u nu zelf?’

2   Hannie en haar moeder (slenteren – vt)

door de winkelstraat

waarbij het meisje de hele tijd (lopen – vt)

te fluiten. Na een tijd

dat Hannies moeder zodanig dat ze (vragen – vt)

(irriteren – vt)

waarom haar dochter dat (doen – vt) (schudden – vt) ‘Mama, dat (zijn – tt) Haar moeder (ophalen – vt) (roepen – vt)

het hoofd en (antwoorden – vt)

:

om de nijlpaarden uit de buurt te houden.’ haar schouders

en

: ‘Hannie, meisje, hier (zijn – tt)

helemaal geen nijlpaarden!’ Het meisje (kijken – vt) (glimlachen – vt)

. Hannie

: ‘Zie je wel dat het (helpen – tt)

triomfantelijk en !’

58 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 58

27-02-19 11:53


Naam 3   Marino (stoppen – tt)

met zijn auto bij een tankstation en aan de bediende hoe duur een druppel benzine (zijn – tt)

(vragen – tt)

. De bediende (aanstaren – tt) grote ogen

Marino met

en (antwoorden – tt)

‘Eén druppel (kosten – tt)

:

helemaal niets, mijnheer.’ Marino (knikken – en (zeggen – tt)

tt)

: ‘(Druppelen – tt)

u dan mijn tank maar eens lekker vol.’

4   Twee ballonnen (zweven – tt)

rond op een feestje. Ze (bewegen – tt)

mee op de muziek en (amuseren – tt)

zich

geweldig. Maar wanneer de ene ballon frisdrank (drinken – tt)

,

hij ogenblikkelijk. De andere ballon (schudden – tt)

(knappen – tt)

: ‘Ik (hebben – tt)

hem nog (waarschuwen)

. Ik (zeggen – vt)

nog nadrukkelijk: (drinken – tt)

nooit frisdrank met prik!’

5   Ik (vragen)

gisteren aan Hanna: ‘(Zijn – tt)

jij bang voor schildpadden?’ Ik (hebben – vt)

het niet (verwachten)

, maar ze (antwoorden – vt) Daar (zijn – vt)

: ‘Ja, heel erg!’

ik toch van (schrikken)

Dus (zeggen – vt)

.

ik: ‘Schildpadden (zijn – tt)

toch heel vreedzame dieren?’ Toen (repliceren – vt) ‘Dat (zullen – tt)

Hanna:

best, maar ik (vertrouwen – tt)

ze niet. Je (weten – tt)

nooit wat ze in hun schild (voeren – tt) !’

59 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 59

27-02-19 11:53


Hoe ver ben je al?

60 BOEK-Stenvert-Spelling_Werkwoordspelling_Gr7-8-WB.indb 60

27-02-19 11:53


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stenvert-Werkwoordspelling_Gr7-8_WB_z_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu