Werkwoordspelling 2 Werkboek
Werkwoordspelling 2
Werkboek COLOFON Auteur Frank Pollet Illustraties Liza-Beth Valkema Basisvormgeving LS Ontwerpers bno, Groningen Omslag illustratie Metamorfose ontwerpen BNO, Deventer Ontwerp omslag Eduardo Media Ontwerp binnenwerk Aigu Ontwerpstudio, Dronten
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 063 1492 2 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Tegenwoordige tijd Het juist schrijven van werkwoordsvormen is soms best lastig. Als je de tijd neemt om te onderzoeken welke regels van toepassing zijn, wordt het al een stuk eenvoudiger. De oefeningen in dit boekje bestaan uit grapjes, raadsels en versjes, waarbij jij de juiste werkwoordsvorm moet proberen in te vullen. Om te weten welke regels je moet toepassen bij het juist schrijven van een werkwoord, moet je eerst weten in welke vorm het werkwoord staat. Als het werkwoord persoonsvorm is in de zin, kun je de regels voor de TEGENWOORDIGE of VERLEDEN TIJD toepassen. persoonsvorm Hoe vind je in een zin de persoonsvorm? Dat doe je zo: maak van de zin een vraagzin. Het eerste werkwoord in de vraagzin is dan de persoonsvorm (pv). Voorbeeldzin: Jaap hoort zijn zusje in de kamer spelen. We maken er een vraagzin van: Hoort Jaap zijn zusje in de kamer spelen? In de voorbeeldzin staan twee werkwoordsvormen. Uit de vraagzin wordt duidelijk, dat hoort pv is en spelen niet. onderwerp Het onderwerp bij de persoonsvorm (wie of wat doet het?) bepaalt de vorm van het werkwoord. In het volgende schema vind je de belangrijkste regels voor de tegenwoordige tijd. ONDERWERP
PERSOONSVORM
TEGENWOORDIGE TIJD
ik
ik-vorm
ik hoor, ik vind
jij of je achter de pv
ik-vorm
hoor jij, vind je
jij of je voor de pv
ik-vorm + t
jij hoort, je vindt
hij, zij, u, het, men,
ik-vorm + t
hij hoort, zij vindt, men neemt,
Jaap, de vrouw
Jaap werkt, de vrouw wacht (hier is één t genoeg)
wij, jullie, zij, ze,
hele werkwoord
wij horen, jullie vinden, zij/ze zeggen,
de mensen, alle vogels
(infinitief)
de mensen werken, alle vogels fluiten
3
Adelaar-die-uit-de-lucht-valt
1
1 In het dorpje Melkebeek (gaan) gaat
een indiaan naar het
gemeentehuis omdat hij zijn naam (willen) wil De ambtenaar (zijn) is
laten veranderen.
een vriendelijke man. Hij (uitnodigen)
nodigt
de indiaan uit
biedt
hem een kopje thee aan
vraagt
: ‘Meneer de indiaan, hoe (heten) heet
(kijken) kijkt
antwoordt
ernstig: ‘Ik (heten) heet
hij de vraag: ‘Hoe (willen) wilt
Opeens (schrikken) schrikt arm van haar man en (gillen) gilt
Adelaar-die-uit-de-lucht-valt.’
het ijverig. Dan (stellen) stelt u eigenlijk heten?’ De indiaan (zeggen)
met haar man en baby door de winkelstraat. ze hevig. Ze (trekken) trekt
ons kindje helemaal niet!’ Bert (lijken) lijkt
gelijk, Jessie, maar dit (zijn) is
mooiere kinderwagen!’
4
aan de
: ‘Bert! Bert! Dit (zijn)
geschrokken, want hij (zeggen) zegt
hebt
u nu?’ De man
vastberaden: ‘Plof!’
2 Jessie (wandelen) wandelt
is
en (vragen)
de beambte recht in de ogen en (antwoorden)
De ambtenaar (noteren) noteert
zegt
om te gaan zitten, (aanbieden)
niet eens
rustig: ‘Je (hebben) wél een veel
Naam 3 Op een dag (binnenlopen) loopt
Koen, een jonge arbeider, met
knikkende knieën het kantoor van de directeur binnen
vraagt
en (vragen)
: ‘Meneer de directeur, (kunnen) kan
indien het mogelijk (zijn) is
ik alstublieft,
, als u me toestemming (willen)
wilt
geven, vrijdagmiddag vrij krijgen?’ De directeur (slaan)
slaat
met vlakke hand op zijn bureau en (brullen) brult
‘Wat?! Vrijdagmiddag (willen) wil Wat (mogen) mag
:
je niet werken?! daarvan dan wel de reden zijn, kerel?’
Koen (slikken) slikt
en (fluisteren) fluistert
‘Meneer de directeur, ik (trouwen) trouw en mijn vrouwtje (zeggen) zegt
dan:
vrijdag... dat ze het leuk zou
vinden... als ik erbij kon zijn...’
4 Twee Chinezen (telefoneren) telefoneren
met elkaar. De ene (opbellen)
belt
en (vragen) vraagt
de andere op
‘Hallo, met wie?’ De andere (antwoorden) antwoordt
:
ogenblikkelijk:
‘Ha Wie, met Lo!’
5
Dat denk ik niet
2
1 Een vrachtwagenchauffeur en zijn bijrijder (staan) staan
met hun
vrachtwagen voor een viaduct. De vrachtwagen (kunnen) kan hij (blijken) blijkt
vijf centimeter te hoog te zijn. De bijrijder (rondkijken)
kijkt rond
en (grommen) gromt
komt
geen politie aan
vertrekken
!’ Harry (zetten) zet
maar die (komen) komt
arriveert
: ‘Kom, Harry, er (aankomen) , we (vertrekken) de vrachtwagen in beweging,
natuurlijk vast te zitten. Even later (arriveren)
de politie. Twee agenten (bestuderen) bestuderen
situatie. Al snel (glunderen) glundert
: ‘De oplossing
erg eenvoudig: je ((laten) laat
banden wat leeglopen, dan (loskomen) komt
los
.’ Maar Harry (ophalen) haalt
op
en (mompelen) mompelt
gewoon de de vrachtwagen zeker zijn schouders
: ‘Dat (denken) denk
ik niet, meneer de agent, want die vrachtwagen (vastzitten) zit
vast
6
, niet onderaan!’
de
de ene. Hij (steken) steekt
een wijsvinger in de lucht en (zeggen) zegt (zijn) is
er niet onder,
bovenaan
Naam 2 Twee ballonnen (lopen) lopen
door
de woestijn. De ene ballon (roepen) roept ‘Je (moeten) moet (staan) staat
:
opletten, want hier een cactussssssssssss!’
De andere ballon (brullen) brult ‘Dat (zijn) is Ik (zijn) ben
:
geen probleem. niet BANG!’
3 Na een nachtje stappen (thuiskomen) komt
thuis
(of (noemen) noem
Natuurlijk (zijn) is
een man heel laat jij het vroeg?).
zijn vrouw erg boos. Ze (staan) staat
hem woedend op te wachten en (gillen) gilt
: ‘(Beseffen)
Besef
je wel hoe laat het (zijn) is
wankelt
op zijn benen. Hij (antwoorden) antwoordt
tong: ‘Natuurlijk (weten) weet
is Ze (tieren) tiert
weet (hebben) heb
heb
?!’ De man (wankelen) met dubbele
ik dat, schatje, het (zijn)
nu één uur!’ Nu (worden) wordt : ‘Je (liegen) liegt het!’ ‘Maar, lieveling’, (proberen) probeert
zijn vrouw nog bozer. , en je (weten) de man, ‘Ik
net de kerkklok één uur horen slaan. Dat (hebben) ik zelfs drie keer gehoord!’
7
3
Wéér boerenkool 1 Jack en Hennie (zijn) zijn
goede vrienden. Jack (zijn) is
een giraf, Hennie een hondje dat niet (kunnen) kan
zwemmen. Op een
mooie vakantiedag gaan ze samen naar het zwembad. ‘Ik (vinden) vind toch griezelig’, (bibberen) bibbert
Hennie. ‘Geen probleem’, (geruststellen)
stelt
Jack hem gerust
controleer
wel even.’ Jack (benen) beent
(hebben) heeft
blaft
het
, ‘Ik (controleren) het water in. Al gauw
hij alleen nog zijn kop boven water. ‘En?’, (blaffen) Hennie. ‘Prima, hoor!’, (gieren) giert
‘Je (hoeven) hoeft
Jack terug.
niet bang te zijn, het water (zijn) is
niet te diep!’
2 De familie Depauw, een boerengezin uit Groningen, (zitten) zit tafel. ‘Wat (eten) eten
we?’, (vragen) vraagt
boer Depauw
die de hele ochtend op het land gewerkt (hebben) heeft (antwoorden) antwoordt
we nu al de hele week. iets anders op mijn bord! Ik (eisen) eis
ander eten!’ De boerin (buigen) buigt (zwijgen) zwijgt
het hoofd en
. Maar haar man (razen) raast
‘Als we dat morgen weer (eten) eten
menu. En dus (grabbelen) grabbelt
de zoon op (gooien) gooit dat?’, (vragen) vraagt
ik
er weer boerenkool op het
de tirannieke boer de pot met boerenkool
hem naar buiten. Meteen (opstaan) staat , (pakken) pakt
zijn stoel en
hem door het raam. ‘Waarom (doen) doe de boer. ‘Eh’, (reageren) reageert
zoon, ‘ik dacht dat we buiten gingen eten...’
8
door:
, dan (gooien) gooi
het door het raam!’ De volgende dag (staan) staat
en (werpen) werpt
. ‘Boerenkool’,
moeder. ‘Wéér boerenkool!’, (tieren) tiert
de boer. ‘Dat (bikken) bikken Ik (willen) wil
aan
je de
Naam 3 Voorbij een piepklein eilandje dat geen naam heeft, (varen) vaart passagiersschip. Op het eiland (springen) springt
een man in gescheurde
kleren op en neer. Verwoed (zwaaien) zwaait
hij met zijn armen. De kapitein
van het passagiersschip (wuiven) wuift
glimlacht
terug en (glimlachen)
. Naast de kapitein (verwonderen) verwondert
zich over de hele situatie. De kapitein (verklaren) verklaart ‘Meneer, u (zien) ziet
ken
een
een passagier :
hier werkelijk de vriendelijkste man die ik (kennen)
. Elke keer wanneer we hier (voorbijvaren) voorbijvaren
(wuiven) wuift
die sympathieke kerel naar ons.’
4 Helga en Cindy, twee vriendinnen, (voeren) voeren ‘(Zijn) Is
een bijzonder gesprek.
jouw woning echt zo vochtig?’, (vragen) vraagt
Helga die Cindy’s verhalen over haar huis nauwelijks (kunnen) kan Cindy (zuchten) zucht
diep, (steken) steekt
theatraal in de lucht en (huilen) huilt (gebeuren) gebeurt ogen (staan) staan
geloven. haar armen
: ‘O ja, wat er in ons huis allemaal
, dat (geloven) gelooft
geen mens!’ Helga’s
wijd open gesperd. Ze (vrezen) vreest
Cindy elk moment in huilen (zullen) zal
schreeuwt
,
dat
uitbarsten. ‘O, ja’, (schreeuwen)
Cindy, ‘mijn huis (zijn) is
dat we vanmorgen een vis in de muizenval (hebben) hebben
zo verschrikkelijk vochtig gevonden!’
9
Geen enkel idee
4
1 Tijdens een bankoverbal (grabbelen) grabbelen ze maar (kunnen) kunnen
vinden bij elkaar. Na een tijdje (teruglopen)
lopen
ze terug
vertrekken
met gierende banden.
naar hun auto en (vertrekken)
Thuisgekomen (vragen) vraagt
Marcel: ‘Wat (denken) denk
je, Udo, hoeveel (bedragen) bedraagt
haalt
Marcel en Udo al het geld dat
de buit?’ Udo (ophalen)
zijn schouders op
, (gaan) gaat
languit op de bank liggen en (antwoorden) antwoordt
heb
: ‘Ik (hebben)
geen enkel idee, Marcel.’ ‘(Gaan) Gaan
nog tellen?’, (informeren) informeert ‘Nee’, (geeuwen) geeuwt
we ons geld
Marcel.
Udo lui.
‘Hoezo, nee?’ ‘We (hoeven) hoeven
dat niet te doen, we (lezen) lezen
morgen wel in de krant hoevel onze buit waard (zijn) is
.’
2 Een mooi jong meisje (laten) laat
bij de juwelier een horloge repareren.
De blik van de juwelier (glijden) glijdt
langs het horloge steeds weer naar de
diepblauwe ogen van het meisje. De man (zwijgen) zwijgt
bestudeert
het horloge, maar zijn ogen (komen) komen
weer bij de hare terecht. Het meisje (merken) merkt
vindt
steeds het en (vinden)
de toestand erg vervelend. Ze (verbreken) verbreekt
stilte met de vraag: ‘Hoeveel (kosten) kost De juwelier (glimlachen) glimlacht ‘Eén kusje.’ Eerst (schrikken) schrikt
10
, (bestuderen)
glundert
ze: ‘Dat (zijn) is
komt
zo dadelijk afrekenen...’
de
de reparatie, meneer?’ en (antwoorden) antwoordt het meisje, maar dan (glunderen) goed. Mijn opa (komen)
:
Naam
3 Jos’ buurman (hebben) heeft
pas zijn diploma van timmerman behaald.
Hij (stralen) straalt
van geluk wanneer de jongen hem in zijn atelier
(opzoeken) opzoekt
.
Jos (informeren) infomeert
maak
: ‘Goedemorgen, buurman, hoe (maken)
je het?’
De kersverse timmerman (slikken) slikt Jos wantrouwig aan
zeg
, (aanstaren) staart
en (antwoorden) antwoordt ik niet, want dan (maken) maak
4 Wim (ontmoeten) ontmoet papierbedrijf (runnen) runt wat (zijn) is somber.’ Glen (knikken) knikt (fluisteren) fluistert vertegenwoordiger (zijn) is ‘O’, (schrikken) schrikt
: ‘Dat (zeggen) jij het misschien ook!’
op een dag zijn vriend Glen, die een groot , en (vragen) vraagt
: ‘Hé man,
er aan de hand met jou? Je (kijken) kijkt , (slikken) slikt : ‘(Vinden) Vind
zo wat weg en
je dat gek? Mijn beste
net overleden. Amper drieëndertig...’ Wim, ‘nu (begrijpen) begrijp
ik het.
En wat had die man?’ Glen (staren) staart
in de verte en (mompelen) mompelt
:
‘Drenthe en Groningen.’
11
Stapelverliefd
5
1 Het (worden) wordt de hoogste tijd voor een gedicht.
DORP
Het (schemeren) schemert en de kerktoren (dragen) draagt opnieuw een sjaal van mist en zon.
‘s Morgens vroeg (hangen) hangt
de dag
laag over het gras. Een oude man (opsluiten) sluit
zich op
in zijn duivenhok en (roepen) roept
op elke zon.
En bomen (opladen) laden
weer moe
het landschap op op een kruiwagen ergens in de verte. Naar Piet Brak uit ‘Wiskunde’ (poëziestichting vers, 1983)
2 Frank (zijn) is
helemaal stapelverliefd op
Moniek. Hij (durven) durft
haar echter niet goed
te vragen. Daarom (bedenken) bedenkt Hij (wandelen) wandelt (stellen) stelt (geloven) geloof of (moeten) moet
12
hij een list.
haar nonchalant voorbij en haar ernstig de vraag: ‘Moniek, jij in liefde op het eerste gezicht ik nog een keer voorbij lopen?’
Naam 3 Wat (denken) denk
je van enkele raadsels?
(Hebben) Heb
je enig idee waarom een boer liever niet op vakantie
(gaan) gaat
?
Geen idee? Het (zijn) is
heel eenvoudig hoor: daar (worden) worden
de koeien niet blij van!
Waarom (hebben) heeft
een krokodil zo’n grote bek?
Anders (passen) passen
(Weten) Weet
verwarmen
zijn tanden er niet in!
je hoe ze in Schotland de ziekenhuizen (verwarmen) ?
De verpleegsters (rijden) rijden
door de gangen met de patiënten die
hoge koorts (hebben) hebben
Het (hebben) heeft
!
een oranje kleur en (hangen) hangt
misschien aan een boom. Wat (zijn) is Het antwoord (luiden) luidt
dat? :
een misschienaasappel!
13
Een getraind varken
6
1 Karel Knor (stappen) stapt
met zijn varken in de trein.
Ogenblikkelijk (komen) komt
er een vrouwelijke conducteur op hem toe.
Zij (roepen) roept
al van ver: ‘Varkens (mogen) mogen
niet in
de trein!’ Karel (schudden) schudt
het hoofd.
De conducteur (herhalen) herhaalt (worden) worden
bromt
. ‘Dat (snappen) snap
een vrouw in de trein,
haar gezelschap. Dat (mogen)
dus wel?!’
De conducteur (knikken) knikt
en (repliceren) repliceert
‘Ja, meneer, een hond in de trein (vormen) vormt dier (zijn) is
:
geen probleem, want zo’n
afgericht.’ Karel (maken) maakt
en (knorren) knort
zich kwaad
: ‘Mevrouwtje, (weten) weet
varken ook (zijn) is
u dat mijn
getraind?’
De conducteur (aankijken) kijkt
Karel vertwijfeld aan
en
(zuchten) zucht
: ‘Meneer, het (spijten) spijt
(hebben) heb
nog nooit van een getraind varken gehoord. U (komen)
komt beweert ‘Dat (kunnen) kunt
echter vol
gooit ‘Blijf!’
en (beweren)
dat hij het bewijs (zullen) zal
leveren.
u vast niet’, (volharden) volhardt
conducteur, maar er (klinken) klinkt Karel (pakken) pakt
mij, maar ik
er niet in met dat beest.’
Karel (volhouden) houdt
14
ik niet’, (brommen)
Karel. ‘Kijk, daar (zitten) zit
en haar hond (houden) houdt
mag
dat varkens in de trein niet toegelaten
de
twijfel in haar stem. de uniformpet van de conducteur, (gooien)
die op het perron en (gebieden) gebiedt
het varken:
Naam 2 Cowboy Kamiel (arriveren) arriveert (parkeren) parkeert
in een stadje in het Wilde Westen en
zijn paard.
Kamiel (observeren) observeert (knikken) knikt
de omgeving, (glimlachen) glimlacht
een kind vriendelijk toe en (stappen) stapt
een kroeg naar binnen. Daar (bestellen) bestelt Hij (achteroverslaan) slaat
laat
hij een biertje.
het meteen achterover
en (laten)
er nog een paar aanrukken. Eén voor één (gieten) giet
hij de biertjes in zijn keelgat. Na een tijdje (wankelen) wankelt café uit. Even later (benen) beent gezicht (opzwellen) zwelt (brullen) brult
hij vrolijk het
hij echter opnieuw naar binnen. Zijn helemaal op
wanneer hij
:
‘Wie (hebben) heeft
mijn paard gestolen?!’
Het (worden) wordt
ijzig stil.
Niemand (openen) opent
zijn mond. Niemand (reageren) reageert
Opnieuw (schreeuwen) schreewt ‘Ik (vragen) vraag
.
cowboy Kamiel:
het nog één keer: wie (zijn) is
Weer (opendoen) doet
niemand zijn mond open
Kamiel (knijpen) knijpt
de dief?’ .
zijn ogen tot spleetjes en (dreigen)
dreigt
dan: ‘Als mijn paard niet binnen drie minuten terug (zijn)
is
, (gebeuren) gebeurt
Alle cowboys in het café (aankijken) kijken Eén van hen (ophalen) haalt (vragen) vraagt
,
er hetzelfde als vorig jaar!’ elkaar aan zijn schouders op
. en
: ‘Wat gebeurde er vorig jaar?’
Cowboy Kamiel (zuchten) zucht
: ‘Toen (zijn) ben
ik lopend
naar huis gegaan...’
15
Verleden tijd Bij de voorgaande oefeningen moest je de tegenwoordige tijd invullen. Als tweede onderdeel gaan we nu de spelling van de verleden tijd onder de loep nemen. We maken onderscheid tussen zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd niet van klank. Sterke werkwoorden doen dat wel. Dat zie je in de volgende voorbeelden. zwakke werkwoorden:
leren – leerde – geleerd
maken – maakte – gemaakt
sterke werkwoorden:
lopen – liep – gelopen
vinden – vond – gevonden
Sterke werkwoorden Voor sterke werkwoorden is het niet eenvoudig regels aan te geven. Meestal ken je de verleden tijdvorm al. Als dat niet zo is, kun je de verleden tijd in een woordenboek opzoeken bij het hele werkwoord (infinitief / woordenboekvorm). Zwakke werkwoorden Voor zwakke werkwoorden gelden wel duidelijke regels. Bij de verleden tijd is het belangrijk om te bepalen of het onderwerp bij de persoonsvorm enkelvoud is of meervoud. Dat maakt het volgende schema duidelijk.
16
ONDERWERP
PERSOONSVORM
VERLEDEN TIJD
ENKELVOUD:
ik-vorm + de
ik hoorde, hij antwoordde, u bedoelde
ik, jij, je, hij, zij, u, het, men,
OF
Jaap, de vrouw
ik-vorm + te
jij werkte, hij viste, de vrouw wachtte
MEERVOUD:
ik-vorm + den
wij hoorden, zij antwoordden,
wij, julllie, zij, ze, de mensen,
OF
vier apen
ik-vorm + ten
jullie werkten, vier apen lachten
Dus in het enkelvoud de of te achter de ik-vorm, in het meervoud den of ten. Vaak hoor je duidelijk of er de(n) of te(n) achter de ik-vorm komt. Bij twijfel over d of t kun je de medeklinkers van ’t ex-kof s chip gebruiken. Je moet daarbij uitgaan van het hele werkwoord (infinitief) zonder en. In de volgende zwakke werkwoorden gaat het om de onderstreepte letter: horen, maken, lachen, bedoelen, leven, mixen, racen. Staat die medeklinker in ’t ex-kof s chip, dan heeft de verleden tijd -te(n) achter de ik-vorm: ik maakte, wij lachten, wij mixten, hij racete (s-klank !). Is dat niet het geval, dan heeft de verleden tijd -de(n) achter de ik-vorm: ik hoorde, jullie bedoelden, jij leefde (niet de f van leef telt, maar de v van leven).
17
Help!
7
1 Erik (zijn) was
gisteren met zijn vrienden aan het voetballen. Op een
bepaald moment (stukschieten) schoot
hij een ruitje van de snoepwinkel
stuk
. Erik (voelen) voelde
zette
het ogenblikkelijk op een lopen, maar de winkelier (hebben)
had
hem al gauw bij zijn kraag gevat. De man (zeggen) zei
dat Erik die ruit (moeten) moest bang en (bibberen) bibberde
meteen nattigheid. Hij (zetten)
betalen. Erik (worden) werd : ‘Ja, meneer, natuurlijk meneer, dat is de reden
waarom ik aan het rennen (zijn) was
. Ik (willen) wilde
zo
snel mogelijk geld gaan halen!’
2 Twee oenen (liggen) lagen
vroeg
in een kanaal. ‘Verdrinken wij?’, (vragen)
de ene. ‘Ik denk het wel’, (antwoorden) antwoordde
andere. De ene (besluiten) besloot
hielp
om hulp te roepen. Maar dat (helpen)
niet. Er (bevinden) bevond
buurt. Toen (zien) zagen
zich namelijk niemand in de
de oenen een man. Hij (fietsen) fietste
langs het kanaal. De ene oen (roepen) riep (horen) hoorde
18
heel hard: ‘Help!’ De man
hem niet. Hij (opkijken) keek
op
. Die ene oen (aanstoten) stootte
aan
en (zeggen) zei
oenen (beginnen) begonnen
de
niet eens de andere
: ‘Laten we samen roepen.’ Beide te gillen: ‘Samen! Samen!!’
Naam 3 Eergisteren (worden) werd
kleine Leo’s
opa begraven. Tijdens de begrafenisdienst (snikken)
snikte
oma onophoudelijk. Toen ze echt heel
hard (beginnen) begon
te huilen, (troosten)
troostte
Leo zijn oma. Hij (mompelen)
mompelde
: ‘Niet treuren, oma, uw beurt komt
nog wel.’ 4 Vorige week (afleggen) legde
af
Wim het examen van buschauffeur
. Wim (zijn) was
(bibberen) bibberden
heel nerveus, zijn handen
aan het stuur. Hij (zweten) zweette
(wegwissen) wiste
hevig en
het zweet met zijn zakdoek weg
Maar het zweet (blijven) bleef
in beekjes van zijn voorhoofd stromen.
Op een gegeven moment (stellen) stelde (menen) meende
.
de examinator de vraag wat Wim
te moeten doen wanneer hij een bus vol met vakantiegangers
(vervoeren) vervoerde
en precies op een onbewaakte overgang zijn remmen
(vastlopen) vastliepen
. Je (mogen) mocht
natuurlijk, maar tot overmaat van ramp (komen) kwam
er niet aan denken, in die situatie in de
verte een trein aan gedenderd... Wim (nadenken) dacht na best? Hij (besluiten) besloot
zei
. Wat (doen) deed
je in zo’n geval het
eerlijk te antwoorden en (zeggen)
: ‘In dat geval bel ik mijn broer.’
‘Waarom je broer?’, (vragen) vroeg Wim (glimlachen) glimlachte
de examinator verwonderd. en (mompelen) mompelde
:
‘Nou, mijn broer ziet graag ongevallen gebeuren, maar zo een heeft hij vast nog nooit gezien!’
19
Een merkwaardig excuus
8
1 Benny (vertellen) vertelde (hebben) had
zijn vriend Toni dat hij die nacht acht muggen doodgeslagen. Hij (informeren) informeerde
heel precies dat het vier mannetjes en vier vrouwtjes (zijn) waren Toni (opkijken) keek
stelde
verwonderd op
Toni .
en (stellen)
de vraag:
‘Hoe weet je dat het vier mannetjes en vier vrouwtjes (zijn) waren Benny (lachen) lachte
?’
.
‘Dat (zijn) was
heel duidelijk’, (gieren) gierde
‘Ik (weten) wist
hij.
het meteen, ik (hoeven) hoefde
er niet over na te denken, want vier (hangen) hingen er aan de tv en vier (plakken) plakten
aan de spiegel...’
2 Vorige week (komen) kwam (vragen) vroeg
Joris weer te laat op school. Juf Tierelantijn
voor de zoveelste keer waarom hij te laat (zijn)
was
. Joris (zuchten) zuchtte
keek
hem streng aan
diep. De juf (aankijken) en (stellen) stelde
opnieuw haar vraag. Joris (antwoorden) antwoordde
: ‘Ik (dromen) droomde
voetbal, juf.’ Juf Tierelantijn (staren) staarde jongen. Ze (vinden) vond
snapte
20
met een verwonderde blik naar de
het maar een merkwaardig excuus. Ze (snappen)
niet hoe een droom ervoor (kunnen) kon
iemand te laat op school (arriveren) arriveerde
riep
vannacht over
Joris, ‘er (zijn) waren
zorgen dat
. ‘O, jawel, juf’, (roepen) verlengingen!’
Naam 3 Gisteren (zitten) zaten Ze (babbelen) babbelden
er twee mussen in onze tuin op een tak. over koetjes en kalfjes.
Toen (overvliegen) vloog
er een straaljager over
De mussen (krimpen) krompen
.
van schrik in elkaar.
‘Nou, die (kunnen) kon
gillen’, (piepen) piepte
‘Dat mag je wel zeggen’, (beamen) beaamde
de ene mus.
de andere.
Ze (vinden) vond
het echter wel logisch:
‘Wat (zullen) zou
jij doen als je staart in brand (staan) stond
4 Colin, een gierige Schot, (zijn) was Hij (hebben) had
?!’
vorig jaar op vakantie in Nederland.
zich net gewassen in een riviertje toen hij (uitglijden)
uitgleed
. Colin, die een echte kilt (dragen) droeg
deed
wat hij (kunnen) kon
bleek
te sterk en hij (drijven) dreef
, (doen)
, maar de stroming (blijken) steeds verder naar het
midden van de rivier. Hij (staan) stond
op het punt te verdrinken, toen hij door een man uit het
water (worden) werd
gehaald. Colin (willen) wilde
redder bedanken en (toesteken) stak
toe
zijn
hem een briefje van tien euro
.
De man die hem gered (hebben) had (bedanken) bedankte
, nam het bankbiljet in ontvangst en
Colin hartelijk.
Maar Colin, die verwacht (hebben) had
dat de man zijn geld niet (zullen)
zou
aanvaarden, (schrikken) schrok
riep
: ‘Ik wil wel een briefje van vijf terug, want ik (zijn) was
tenslotte al halfdood toen je me uit het water (halen) haalde
hiervan en (roepen)
!’ 21
9
Knusjes 1 Happy-saus
Een ui, een van het playboy-soort, – wel knap, dat mag gezegd – (worden) werd
hopeloos verliefd
op een tomaat met vlecht.
De tomaat, – al vlug door traantjes overmand – (krijgen) kreeg
een leuk blozend snoetje.
Zaadjes (vlinderen) vlinderden Wat (vinden) vond
in haar buik. ze hem een zoetje!
De saus, – ik kan het echt beamen – (worden) werd Het paartje (stoven) stoofde
er één van de hoogste kwaliteit! knusjes gaar.
Nu zijn ze lekker samen.
Van Moniek Vermeulen uit ‘Het lekkerbekkenalfabet’, uitgeverij Abimo
22
Naam 2 Hou je van absurde grappen?
Er (zitten) zaten
twee ijskasten in de boom. Ze (spelen) speelden
eerst verstoppertje, daarna (houden) hielden
ze zich bezig met een spelletje
poker. Op een gegeven ogenblik (komen) kwam
onder de boom een ei voorbij
huppelen. De ene ijskast (kijken) keek
opende
op haar horloge, (openen)
haar deur en (fluisteren) fluisterde
‘Het (zijn) was
tegen de andere:
daarnet kwart over twee. Heb jij dat ei gezien?’
De andere koelkast (knikken) knikte
met haar pootjes.
De eerste ijskast (roepen) riep
naar beneden:
‘Hé, ei, doe je mee met een spelletje kaarten?’ Het ei (schrikken) schrok
in zijn dooier, (roeren) roerde
bijna, (herpakken) herpakte
zich, (kijken) keek
(schreeuwen) schreeuwde ik (moeten) moest
zich in de spiegel en
naar boven: ‘Nee, ik kan niet komen meespelen, al om twee uur bij de kapper zijn!’
3 Vladimir (rijden) reed
naar de bakker. Hij (plaatsen) plaatste
zijn fiets tegen de gevel, (opentrekken) trok en (lopen) liep
de deur open
de winkel in. Voor hem (staan) stond
heel magere mevrouw die zeventien gebakjes (bestellen) bestelde plekke (opeten) opat en (boeren) boerde
was
een en ze ter
. Daarbij (smakken) smakte
ze heel luid
ze na elke hap. Toen het Vladimirs beurt (zijn) , (vragen) vroeg
de jongen een groen brood. De bakker
(reppen) repte
zich naar de rekken, (terugkomen) kwam terug
(zeggen) zei
: ‘Sorry, Vladimir, de groene broden zijn uitverkocht.
en
We hebben alleen nog oranje broden.’ ‘Geeft niet’, (antwoorden) antwoordde Vladimir, ‘ik ben toch met de fiets.’
23
Een feestje of zo?
10
1 Op een schitterend cruiseschip (werken) werkte een goochelaar. Eigenlijk (heten) heette
vond
Magic Woody, hij Marc van Hout, maar dat (vinden)
hij geen naam om op zo’n chique schip te goochelen. Zijn schuilnaam
(geven) gaf
hem meer aanzien, (denken) dacht
die altijd met een felgekleurde papegaai (optreden) optrad Die papegaai (zijn) was
had
één groot nadeel: hij (verklappen) verklapte
. Dat (gebeuren) gebeurde
goochelaar. Magic Woody (slagen) slaagde te geraken. Zijn papegaai (rondvliegen) vloog en (komen) kwam
Woody zitten. De papegaai (aankijken) keek
aan
en (zuchten) zuchtte
alle
de noodlottige dag aan
waarop het machtige schip tegen een ijsberg (varen) voer
rond
.
echt een prachtbeest, maar (hebben)
goocheltrucs. En toen (aanbreken) brak
zonk
Marc,
en (zinken) tijdens een show van de
erin om op tijd in een reddingssloep eerst wat doelloos toen op de schouder van Magic de goochelaar strak : ‘Oké, ik geef het op. Waar heb je
het schip gelaten?’
2 Vorige week (aanbellen) belde
aan
Mohammed bij zijn onderbuurman
en (vragen) vroeg
installatie van zijn buurman (mogen) mocht (brullen) brulde (schudden) schudde hij. ‘Ik (zullen) zou
24
of hij de volgende avond de stereolenen. ‘Hé, natuurlijk, Mo’,
de buurman. ‘Heb je een feestje of zo?’ Mohammed het hoofd. ‘Nee, hoor’, (antwoorden) antwoordde gewoon weleens een beetje willen slapen...’
Naam 3 Marc Malloot (vliegen) vloog en hij (zijn) waren
voor het eerst in een helikopter. De piloot de enigen aan boord. Marc (vragen) vroeg
uitleg over alle knopjes en metertjes. Hij (willen) wilde
er echt alles van te
weten komen. Op een bepaald moment (informeren) infomeerde Marc (weten) wist
diende
waarvoor die grote propeller boven hen (dienen) . ‘Tuurlijk weet ik dat’, (spreken) sprak
airco!’ De piloot (schieten) schoot (roepen) riep
gniffelde
hij. ‘Dat is absoluut geen airco!’ ‘Oh nee?’, (gniffelen) Marc. ‘Wedden dat jij het héél benauwd krijgt als ik dat ding nu afzet?’
een
uurtje geleden een man binnen
die (brullen)
: ‘Ik ben Mustafa en ik geef een
RONDE!’ De barman (aankijken) keek vreemd aan
lachte
Marc. ‘Dat is de
in de lach. ‘Nee, helemaal niet!’,
4 In Bar Globe (binnenkomen) kwam
brulde
de piloot of
hem
, (lachen) en (zeggen) zei
:
‘Nee, het is: ik geef een RONDJE.’ Mustafa (ophalen) haalde
op
zijn schouders
en (knikken) knikte
:
‘Nou, dat is ook goed...’
25
Voor negen personen
11
1 Daarnet (stellen) stelde (kunnen) kon
Geert mij een vraag waarop ik geen antwoord verzinnen. Ik (breken) brak
erover, maar (komen) kwam
was
niet tot een oplossing. De vraag (zijn)
: ‘Hoe noem je iemand die maar praat, praat en praat en naar wie
niemand luistert?’ Ik (hebben) had (luiden) luidde
geen idee. Weet je hoe het antwoord
? ‘Een leraar!’
2 Vorige maand (binnengaan) ging
een Belg met grote tanden het
paardenverhuurbedrijf Het Huhu HuurPaard binnen
keek alles aan
knikte
eerst wat rond
. Hij (rondkijken) , (aanraken) raakte
wat te koop (zijn) was
(draven) draafde
De Belg (zuchten) zuchtte
hij
hij wel te hinniken. Op een bepaald moment hij recht op de kassa af en zei: ‘Goedemorgen, mevrouw, ik
wil graag een paard huren.’ ‘Dat kan’, (prevelen) prevelde
26
en (knikken)
daarbij voortdurend. Af en toe (hoesten) hoestte
vervaarlijk. Dan (lijken) leek
(spreken) sprak
mijn hoofd
, (tellen) telde : ‘Voor negen personen.’
de vrouw. ‘Hoe lang?’ op zijn vingers en
Naam 3 Carla Calle (kunnen) kon uur (zijn) was
moeilijk een keuze maken. Al meer dan een ze op zoek naar een cadeautje voor haar baas die in het
huwelijk (treden) trad
. Ze (vinden) vond
het ontstellend
moeilijk een passend presentje voor hem te kopen. Uiteindelijk, na lang twijfelen, (besluiten)
besloot
ze een parasol te kopen. De verkoper (vragen) vroeg
of hij het prijskaartje er af (moeten) moest
schrok
halen. ‘Nee!’, (schrikken)
Carla. ‘Het prijskaartje mag blijven, want de parasol is een cadeautje.
Wilt u er gewoon nog een nul bijzetten?’
4 Twee koeien (staan) stonden
in de wei. Ze (grazen) graasden
een tijdlang en (gaan) gingen
nadien in elkaars buurt liggen. ‘Heb je het al
gehoord?’, (vragen) vroeg
beantwoordde
de ene koe. ‘Wat?’, (beantwoorden)
de andere die vraag met een wedervraag.
‘Ik (vernemen) vernam (informeren) informeerde
daarnet dat er gekkekoeienziekte in de buurt is.’ ‘BSE?’, de andere. ‘juist’, (gruwelen) gruwelde
de
eerste weer. ‘Koeien worden met duizenden tegelijk afgeslacht.’ De andere koe (gaan)
ging
op haar zij liggen, (loeien) loeide
zuchtte
en (fluisteren) fluisterde
kort, (zuchten) voor zich uit: ‘Dan kunnen we ons
het beste als konijnen vermommen...’
27
Je bent aangenomen
12
1 Twee oenen (binnenkomen) kwamen Ze (zijn) waren
een café binnen
druk in gesprek. ‘Ik heb een nieuw cijferslot gekocht’,
(pochen) pochte
de eerste oen. ‘De code is 7 – 7 – 7.’
De andere oen (zwijgen) zweeg collega aan
, (aanstoten) stootte
en (spreken) sprak
‘Oen! Dat (hebben) had
eerst verwonderd, maar (schuddebuiken)
een dag afgestudeerd toen zij (solliciteren)
bij de plaatselijke slager. De man (vinden) vond
meisje welbespraakt. Ze (vertellen) vertelde
at De slager (laten) liet
liep
je maar...!
het lekker in de verkeerde volgorde...’
2 Debbie (zijn)) was
solliciteerde
:
toen: ‘Ha, ha... dat (denken) dacht
Ik (zeggen) zei
zijn
je niet moeten zeggen, want nu ken ik jouw code!’
De eerste oen (kijken) keek
schuddebuikte
.
het
over hoe graag ze vlees (eten)
en hoe graag ze in een slagerij (willen) wilde
werken.
haar ook vlees snijden. Het (lopen) allemaal perfect. Toen (stellen) stelde
de slager de
laatste vraag: ‘Hoeveel grammen gaan er in een pond?’ Debbie (aarzelen)
aarzelde
niet, ze (geven) gaf
‘450 gram, meneer.’ ‘Fantastisch!’, (juichen) juichte aangenomen!’
28
spontaan het antwoord: de slager. ‘Je bent
Naam 3 Een nul, die altijd enthousiast (doen) deed (ontmoeten) ontmoette (vragen) vroeg
,
een acht en meteen verbaasd:
‘Wauw! Heb je een riem gekocht?!’
4 Het (gebeuren) gebeurde
gisteren om halfzes in een overvolle bus.
Een kleine man en een grote man (staan) stonden aan gedrukt. Ze (houden) hielden wanneer de bus een bocht (nemen) nam
heel erg dicht tegen elkaar
allebei een lus in hun hand. Elke keer , (botsen) botste
de kleine man met zijn neus tegen de oksel van de grote en (trekken) trok hij een vies gezicht. Na een tijdje (uithouden) hield Hij (tikken) tikte
vroeg
de kleine het niet meer uit tegen de arm van de grote man en (vragen)
: ‘Excuseer, meneer, welke deodorant gebruikt u eigenlijk?’
De grote man (verwonderen) verwonderde
repliceerde
.
zich over deze vraag en (repliceren)
hautain: ‘Ik gebruik altijd Milde Meeuwen.’
‘Dan vrees ik’, (grommen) gromde
de kleine man, ‘dat de meeuwen al een
hele tijd dood zijn...’
29
Voltooid deelwoord Heb je de eerste twee onderdelen van de werkwoordspelling (tegenwoordige tijd en verleden tijd) voltooid? In dit derde onderdeel kun je oefenen met het voltooid deelwoord. Op de stippellijntjes is plaats voor jouw antwoorden. Noteer ze correct en maak hierbij gebruik van de regels voor het voltooid deelwoord. Sterke werkwoorden Voor het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden geldt hetzelfde als voor de verleden tijd. Of je kent de juiste vorm al, of je kunt het voltooid deelwoord opzoeken in het woordenboek. Zwakke werkwoorden Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord is in de regel als volgt opgebouwd: ge + ik-vorm + t OF
ge + ik-vorm + d
De vorm van de verleden tijd helpt je om de juiste schrijfwijze van het voltooid deelwoord te vinden. Schrijf je de verleden tijd met te(n), dan eindigt het voltooid deelwoord op een t, schrijf je de verleden tijd met de(n), dan eindigt het voltooid deelwoord op een d. Bijvoorbeeld: maakte → gemaakt
hoorde → gehoord
Ook hier kun je bij twijfel (net als bij de verleden tijd) de medeklinkers van ’t ex-kof s chip gebruiken, bijvoorbeeld: mixen → mixte
gemixt
leven → leefde
geleefd
Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar vaak zijn die overduidelijk: opbouwen → opgebouwd (niet: geopbouwd) lachen
→ gelachen (niet: gelacht)
verdienen → verdiend (niet: geverdiend)
30
Voltooid deelwoord bijvoegelijk gebruikt Het gemetselde muurtje in de pas verbouwde kamer is anderhalve meter hoog. In de voorgaande zin gedragen de voltooid deelwoorden gemetseld en verbouwd zich als een bijvoeglijk naamwoord. In zo’n situatie spreken we van bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden. Het voltooid deelwoord van een sterk werkwoord eindigt meestal op en. Wordt het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan blijft de vorm hetzelfde. Voorbeelden:
de gevallen fiets
het aangeboden cadeau
Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord eindigt meestal op een d of t (zie boven). Wordt het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan komt er een e achter. Net als de andere bijvoeglijke naamwoorden houden de bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden zich aan de gebruikelijke spellingregels. Voorbeelden: een gemiste kans
(zoals een vaste slaap)
– het verdiende loon
(zoals de ronde toren)
het bezette gebied
(zoals de witte muur)
– de gedode ridder
(zoals de rode ridder)
31
13
Water in mijn oog 1 Een man heeft zijn buurman (vermoorden) vermoord
veroordeeld
en is (veroordelen)
. Net voordat hij op de elektrische stoel had (plaatsnemen)
plaatsgenomen , had de gevangenisdirecteur hem naar zijn laatste wens (vragen) gevraagd
. ‘Ja, meneer de directeur’, had de boef (antwoorden) geantwoord
.
‘Toen ik vroeger zenuwachtig was, heeft mijn moeder altijd mijn handje (vasthouden)
vastgehouden
. Wilt u dat zo dadelijk ook doen?’
2 Een speld en een naald hadden een wedstrijdje (organiseren) georganiseerd want allebei hadden ze (beweren) beweerd
het hardst te kunnen zwemmen.
De dag van de wedstrijd had het er lang bewolkt uit (zien) gezien maar uiteindelijk was het mooi weer (worden) geworden
geschenen
Jammer genoeg is het op een ruzie (uitdraaien) uitgedraaid
betwist
, . De zon heeft (schijnen)
en de wedstrijd heeft veel publiek (lokken) gelokt
De speld had (winnen) gewonnen
.
, maar de naald had de uitslag (betwisten)
.
‘Voor jou was het niet moeilijk om te winnen, want ik heb water in mijn oog (hebben)
gehad
32
!’
,
.
Naam
3 Guido heeft zijn auto naar de garage (brengen) gebracht ‘Zodra ik vijf meter heb (rijden) gereden
gehoord
.
, heb ik het al (horen)
’, heeft hij tegen de garagehouder (zeggen) gezegd
.
‘Die vervelende tik is om gek van te worden!’ Wanneer hij ’s avonds zijn wagen wil ophalen, ziet hij het meteen: de garagehouder heeft de hele wagen compleet uit elkaar (halen) gehaald
.
‘Sorry’, zegt de man met een knalrood hoofd. ‘We hebben een beetje pech (hebben)
gehad
. Uw wagen zal pas morgenavond weer klaar zijn. Wel hebben we de
oorzaak van die vervelende tik (vinden) gevonden
!’
Meteen verschijnt er een stralende glimlach op Guido’s gezicht. ‘Ja’, zegt de garagehouder, ‘uw zoontje is de oorzaak. Hij heeft een knikker in de asbak (verstoppen) verstopt
!’
4 Gert, een vriendelijke jongeman, heeft zich voor zijn eerste werkdag bij de supermarkt (melden) gemeld
begroet
. Algauw heeft de manager hem vriendelijk (begroeten) en hem een bezem (overhandigen) overhandigd
die nog niets heeft (zeggen) gezegd
. Gert,
, krijgt te horen dat van hem (verwachten)
verwacht
wordt dat hij voor tien uur het hele gebouw heeft (schoonvegen)
schoongeveegd
.’ Gert kijkt de manager verbaasd aan en stamelt: ‘Meneer, ik ben
(afstuderen) afgestudeerd (zeggen) gezegd
als advocaat!’ ‘Oei, excuseer me, dat heeft niemand me ’, lacht de manager. ‘Geef mij die bezem maar... dan doe ik
het even voor!’
33
14
Extra gas
1 Een motorrijder heeft al een hele tijd bijzonder hard over de snelweg (rijden)
gereden
. Op een bepaald moment wordt hij (inhalen) ingehaald
door een oude man op een fiets. Dat is onmogelijk, denkt de motorrijder. Ik heb me al veel (verbeelden) verbeeld
,
maar dit... Hij geeft nog wat extra gas. Even later rijdt de oude man hem weer voorbij. Ik ben gek (worden) geworden
, denkt de motorrijder. Wanneer hij even later zijn motor
op een parkeerplaats heeft (parkeren) geparkeerd eveneens halt (houden) gehouden
gestapt
, heeft de oude man op de fiets
. De grijsaard, die van zijn fiets (stappen)
is, zegt: ‘Fijn dat u (stoppen) gestopt
bent. Mijn bretels
zitten namelijk aan uw motor vast!’
2 Helga heeft vanmiddag haar broertje op een bonbon (trakteren) getrakteerd Het broertje had hem ogenblikkelijk in zijn mond (stoppen) gestopt overvloedig (smakken) gesmakt
.
, hij had
en tenslotte (roepen) geroepen
:
‘Hmm, zusje! Dat is nog eens een heerlijke bonbon! Daar had ik er wel meer van (lusten)
gelust
!’ Helga had het hoofd (schudden) geschud
gemeld
: ‘Daar snap ik echt niets van, broertje, want toen ik hem vanmiddag
aan de hond heb (geven) gegeven
uitgespuugd
34
.’
en (melden)
, heeft die hem meteen weer (uitspugen)
Naam 3 José was op een middag (thuiskomen) thuisgekomen (zeggen) gezegd
geprobeerd
en had tegen haar man
: ‘Schat, de auto start niet meer. Ik heb het echt (proberen) , ik heb mijn best (doen) gedaan
, maar gelukkig weet ik
nu wat het probleem is.’ ‘O’, had haar man (antwoorden) geantwoord
, ‘en wat is er dan aan de hand?’
José had haar ogen tot spleetjes (knijpen) geknepen
gezegd
en (zeggen)
: ‘Erik, er zit water in de carburateur.’
De man had even (nadenken) nagedacht (opperen) geopperd (leren) geleerd
, (glimlachen) geglimlacht
en
dat hij haar niet wilde beledigen. ‘Lieveling, waar zou jij hebben wat het verschil tussen een carburateur en een
startmotor is?’ ‘Schat, er is echt water in de carburateur (lopen) gelopen (volhouden) volgehouden
’, had de vrouw
.
‘Nou goed’, had de man (voorstellen) voorgesteld
, ‘dan ga ik weleens kijken.
Waar staat de auto?’ Toen had José (grommen) gegromd
4 Je hebt vast al eens (vernemen) vernomen Maar misschien heb je deze nog niet (horen) gehoord
: ‘In de vijver!’
wat het toppunt van luiheid is. .
Het toppunt van luiheid is tijdens je werk in slaap (vallen) gevallen (dromen) gedroomd
hebben dat je niets hebt (doen) gedaan
zijn en .
35
Absoluut rommel
15
1 Patty kwam met haar hondje aan de lijn de bioscoop uit. Een man die haar al enkele honderden meters had (achtervolgen) achtervolgd Meteen was Patty (stoppen) gestopt
geïnformeerd
, riep: ‘Mevrouw, mevrouw!’
en had ze (informeren)
wat er aan de hand was. De man zei: ‘Ik heb tijdens de film uw hondje
in de gaten (houden) gehouden
, en het is me (opvallen) opgevallen
dat het beestje echt ‘in’ de film zat: hij heeft op het juiste moment (huilen)
gehuild
, heeft een beetje heen en weer (bewegen) bewogen
tijdens de saaie stukken, maar het meest bijzondere was wel, dat hij keihard heeft (lachen)
gelachen
om het leuke gedeelte. Heeft u
dat zelf niet heel erg vreemd (vinden)
gevonden
?’ De vrouw had de man
(aanstaren) aangestaard (melden) gemeld
en doodleuk : ‘Ja, nou en of, want
het boek vond hij absoluut rommel!’
2 In de stad werd de CashBank (overvallen) overvallen
. Daarbij is voor de
bandieten een en ander toch anders (verlopen) verlopen
dan ze (plannen)
gepland (zeggen) gezegd
hadden. Zo had de bankbediende tegen een van de overvallers : ‘De directie heeft me (verzoeken) verzocht
u te vragen om te glimlachen, want u wordt (filmen) gefilmd
36
!’
Naam 3 Bert had aan zijn vriend André (vragen) gevraagd
: ‘Weet jij hoeveel koekjes
je kunt eten op een lege maag?’ André had dadelijk aan zijn hoofd (krabbelen)
gekrabbeld
, (twijfelen) getwijfeld
gezegd
: ‘Eh... tien??’
‘Fout!’, had Fred (roepen) geroepen
en uiteindelijk (zeggen)
‘Je kan er maar één eten, daarna is je maag
niet leeg meer!’ André was onder de indruk van deze grap (raken) geraakt (thuiskomen) thuisgekomen
gesteld
. Toen hij was
, had hij zijn vrouw dezelfde vraag (stellen)
: ‘Hé, lieveling, hoeveel koekjes kun je eten op een lege maag?’
Andrés vrouw had een paar minuten (nadenken) nagedacht (antwoorden) geantwoord
gezucht
en uiteindelijk
: ‘Ik denk drie.’ Teleurgesteld had André (zuchten)
: ‘Jammer hoor, als je tien had (antwoorden) geantwoord
had ik een hele goeie mop voor je (hebben) gehad
,
!’
4 Agent Haantjes heeft een wandeling langs de gracht (maken) gemaakt Wanneer hij bijna aan het eind is (komen) gekomen
.
, ziet hij een man in de
gracht spartelen. Haantjes trekt zijn ogen wijd open: heeft hij dat goed (zien)
gezien
? Heeft hij zich niet (vergissen) vergist
in het kanaal (sukkelen) gesukkeld Heeft iemand hem erin (duwen) geduwd Heb ik dat goed (horen) gehoord (roepen) geroepen
? Hoe is die man
? Is hij erin (springen) gesprongen
?
? In elk geval is de man in overtreding. , vraagt Haantjes zich af. ‘Heeft die man
?’ Hij luistert nauwkeurig. ‘Help, help, ik verdrink!’ Haantjes
haast zich dichterbij en roept: ‘Da’s maar goed ook! Anders had ik je (bekeuren)
bekeurd
, want je mag hier niet zwemmen!’
37
16
Domme jongen! 1 Barry was vanmiddag hijgend van school (thuiskomen) thuisgekomen
.
Hij had (pochen) gepocht
dat hij twee
zones lang achter de bus had (aanrennen)
aangerend
en zo 3 euro had (uitsparen)
uitgespaard
. Zijn vader had hem boos
(aankijken) aangekeken
vermaand
en (vermanen)
: ‘Domme jongen! Als je achter
een taxi had (aanlopen) aangelopen
, had je
wel 12 euro (besparen) bespaard
!’
2 Een vertegenwoordiger in stofzuigers was (langsgaan) langsgegaan boerderij. Hij had (aanbellen) aangebeld
opengedaan
bij een
, de boerin had (opendoen)
. De vertegenwoordiger had netjes (vragen) gevraagd
of
hij mocht binnenkomen omdat hij graag een schitterend toestel wilde demonstreren. Eenmaal binnen was de man al snel goed op dreef (komen) gekomen
:
‘Mevrouwtje, ik ben vertegenwoordiger van hele goede stofzuigers: die zuigen echt alles, maken alles schoon. Ik zie het graag (bewijzen) bewezen
, dus maak ik nu uw
tapijt even lekker vuil.’ De vertegenwoordiger had een hele doos vuiligheid over de vloerbedekking (uitkieperen) uitgekieperd
en (meedelen) meegedeeld
:
‘Met mijn stofzuiger is dat in een handomdraai weer helemaal (schoonmaken)
schoongemaakt
. Ik heb het al mijn toekomstige klanten (garanderen)
gegarandeerd
en ik garandeer het ook u: elke korrel die blijft liggen, eet ik persoonlijk
van de vloer.’ De boerin, die de hele tijd met haar handen op de heupen had (staan)
gestaan
, had meewarig (glimlachen) geglimlacht
(vernemen) vernomen
gegierd
38
toen ze dit had
. ‘Nou, begin dan maar vast te eten’, had ze (gieren)
van het lachen, ‘want we hebben helemaal geen elektriciteit!’
Naam 3 Ferdie is de netjes (metselen) gemetselde muur in de pas (verbouwen) verbouwde huiskamer aan het verven. Zijn vrouw vraagt bezorgd aan haar (zweten) bezwete
man:
‘Ferdie, zou je er geen krant onder leggen?’ ‘Welnee’, zegt Ferdie. ‘Ik kan er zo ook wel bij!’
4 De altijd overvloedig (opmaken) opgemaakte
juffrouw op school vraagt aan
Kelly wat ze later wil worden. ‘Ik wil later een veel (fotograferen) gefotografeerde mannequin worden’, zegt Kelly. ‘Wat als je daar nou echt te lelijk voor bent?’, vraagt de (optutten) opgetutte
juf. Kelly knijpt haar (stiften) gestifte
lippen
tot een grimas: ‘Dan kan ik nog altijd schooljuf worden...’
39
17
Steek je tong eens uit 1 De pas (afstuderen) afgestudeerde (vermageren) vermagerde
schoolarts vraagt aan Tim, een sterk
jongen: ‘Steek je tong eens uit.’ Tim bekijkt verwonderd
de (interesseren) geïntereseerde
dokter en antwoordt: ‘Waarom moet ik dat doen?
Ik ben toch niet kwaad op u?’
2 Een zwaar (vermoeien) vermoeide
secretaresse bestudeert aan het eind van
de maand haar zuur (verdienen) verdiende
salaris. Tot haar verbazing merkt ze
dat er tweehonderd euro te veel is overgeschreven op haar (havenen) gehavende bankrekening. Ze besluit er niets van te zeggen. Een maand later heeft diezelfde druk (bezetten) bezette
baas haar tweehonderd euro te weinig betaald. Boos stapt
ze op de (verrassen) verraste De (belagen) belaagde
man af om zich daarover te beklagen. man zegt kalm: ‘Waarom heeft u vorige maand niets
gezegd toen er te veel was overgemaakt?’ De (opwinden) opgewonden roept: ‘Eén foutje wilde ik door de vingers zien, maar twee niet (verwachten)
verwachte
40
domme fouten, dat is me echt te veel!’
secretaresse
Naam
3 Een (bezweten) bezwete
vernieuwde
man stapt het pas (vernieuwen)
cafeetje De PintenPakker binnen. Hij maakt een salto voorwaarts,
een salto achterwaarts, een flikflak, gaat op de netjes (poetsen) gepoetste barkruk zitten en bestelt een extra (koelen) gekoeld
pilsje.
‘Dat is erg knap wat u daar deed’, zegt de (verwonderen) verwonderde ‘Hoe kan u dat zo goed?’ De man, die met zijn (wassen) gewassen
gestreken
barman. en (strijken)
zakdoek het zweet van zijn voorhoofd wist, antwoordt: ‘Het circus is in
de stad, en daar werk ik bij. Ik ben acrobaat, ziet u.’ Een halfuurtje later komt er weer een man het café binnen. Hij maakt een driedubbele salto en een dubbele flikflak, en gaat op de (schoonmaken) schoongemaakte barkruk zitten. Ook hij bestelt een pilsje. ‘Ongelooflijk’, zegt de (schrikken) geschrokken (oppoetsen) opgepoetst
barman die van de schrik een
glas laat vallen. De eerste man zegt: ‘Ach, hij is gewoon
een collega van me: samen hebben we een acrobatennummer.’ Een kwartier later komt er weer een man het inmiddels sfeervol (verlichten) verlichte
café binnen.
Hij maakt een salto, een flikflak, voorwaarts, achterwaarts en belandt met een (uitbreiden)
uitgebreide
boog op de rood (verven) geverfde
lacht zijn grotendeels (verrotten) verrotte ook uit dat (bekennen) bekende
barkruk. De barman
tanden bloot: ‘Ik snap het al: u komt circus.’
‘Nee’, zegt de man, ‘je mag weleens een ander deurmatje kopen!’
41
18
Olifant achter een grassprietje 1 ‘Michiel, wil je vandaag eerst dat vieze (ophopen) opgehoopte opruimen?’, vraagt de door zijn knechten (vrezen) gevreesde
zand boer die door zijn
klanten geprezen wordt om zijn gunstig (prijzen) geprijsde
koopwaar.
Michiel antwoordt: ‘Natuurlijk, baas. Maar waar zal ik het (vervuilen) vervuilde zand laten?’ De boer haalt zijn door reuma (pijnigen) gepijnigde gromt: ‘Graaf maar een kuil vlak bij de (witten) gewitte
schouders op en muur en gooi het daar
in!’ Michiel kijkt zijn baas aan met een (verwonderen) verwonderd
gezicht:
‘Waar laat ik dan het zand dat uit die kuil komt?’ De boer vindt het duidelijk een (verwachten)
verwachte
vraag, want hij reageert ogenblikkelijk: ‘Doe niet zo stom, Michiel,
je maakt de kuil gewoon wat dieper zodat alles er in één keer in kan!’
2 Tweemaal over olifanten!
In het pas (maaien) gemaaide
gras staat op twee (beitsen) gebeitste
palen een groot (vernissen) gevernist
bord. Daarop staat in koeien van letters
deze vraag: Ziet u een olifant achter een grassprietje zitten? Alle (verbazen)
verbaasde
voorbijgangers kijken vertwijfeld rond en gaan er tenslotte vandoor.
Hadden ze het aan jou gevraagd, dan had jij zeker (opwekken) opgewekt geantwoord: ‘Nee, ik zie hier geen olifant achter een grassprietje zitten. Hij heeft zich wellicht goed (verstoppen) verstopt
!’
‘Ik wenste dat ik genoeg geld had om een olifant te kopen...’, mijmerde Vera-met-het-rood(verven) geverfde
-haar terwijl ze door het pas (lappen) gelapte
raam naar buiten staarde. Haar (verassen) verraste
vriendin die net een
melodietje op een mooi (beschilderen) beschilderde
gitaar zat te tokkelen, hield
daarmee op en vroeg: ‘Wat moet jij nou met een olifant?’ Vera keek haar overvloedig (parfumeren) geparfumeerde het geld zo goed gebruiken...’
42
vriendin aan en zuchtte: ‘Niks, natuurlijk, maar ik kan
Naam 3 Mevrouw Windey is een weinig (lieven) geliefde
dame. Ze is erg streng
tegen haar personeel. Ooit heeft ze een tuinman alle pas (planten) geplante bloembollen weer uit de grond laten halen omdat ze zich bedacht had en liever anders (vlekken) gevlekte
en (kleuren) gekleurde
(bemesten) bemeste
bloemen in haar fors
en van een fikse vijver (voorzien) voorziene
tuin had. Vorig jaar heeft ze haar (verzorgen) verzorgde
chauffeur ontslagen
omdat die een haartje op de pas (stofzuigen) gestofzuigde
achterbank had laten
liggen. ‘Voor mij geen (bevuilen) bevuilde De (stressen) gestreste
auto!’, had mevrouw Windey getierd.
chauffeur was huilend weggelopen. Maar vandaag
gebeurt er iets vreemds in de fraai (opknappen) opgeknapte
villa van mevrouw
Windey. Een meisje dat solliciteert als hulpje in het huishouden, heeft een gesprek met de (omhoogvallen) omhooggevallen
vermoeide
dame. ‘Voordat ik je aanneem’, zucht de (vermoeien)
mevrouw Windey, ‘wil ik weten of je van honden en katten houdt.’
Het (verrassen) verraste
meisje antwoordt spontaan: ‘Ik lust alles, mevrouw.’
43
44
Gemengde oefeningen Wanneer naast een werkwoord staat: tt, dan betekent dit dat je het werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegt. Staat er vt, dan maak je er de juiste vorm van in de verleden tijd. Dat vd (voltooid deelwoord) nooit vermeld wordt, heeft te maken met het feit dat je dit meteen zult merken wanneer je aan zo’n zin bezig bent. Het blijkt telkens de enige mogelijkheid te zijn. Let op: soms staat naast een werkwoord géén aanduiding of het werkwoord in tt of vt moet. Dan moet je zélf in de zin of situatie naar aanwijzingen zoeken. Een voorbeeldje:
Annelies (hebben)
vorig jaar nog rood haar; nu (zijn)
het echter groen.
Het stukje ‘vorig jaar’ wijst op verleden tijd en het woordje ‘nu’ op tegenwoordige tijd. Dus: Annelies (hebben) had vorig jaar nog rood haar; nu (zijn) is het echter groen.
45
19
Moeilijke vraag 1 Bij dokter Gryploos...
Patiënt Etienne (bezoeken – tt) bezoekt
steekt
dokter Gryploos en (steken – tt)
meteen van wal: ‘O , dokter, wat (gebeuren – tt) gebeurt
er de laatste tijd toch met mij?’ ‘Moeilijke vraag’, (brommen – tt) bromt dokter. ‘Vertel eens, (zijn – tt) is
er onlangs iets speciaals (gebeuren)
gebeurd
, misschien?’ ‘Dokter, de laatste week (horen – tt)
hoor
ik maar half.’ Gryploos (schudden – tt) schudt
en (fluisteren – tt) fluistert
de
het hoofd
: ‘Dat (kunnen – tt) kan
niet. Ik zal even een testje (doen – tt) doen (Nazeggen – tt) Zeg
.
mij maar na
Etienne (zeggen – tt) zegt
zomaar
: achtenveertig.’
geconcentreerd: ‘Vierentwintig.’
In de wachtkamer van dokter Gryploos (hangen – tt) hangt waarop te lezen (staan – tt) staat te voorkomen, (zijn – tt) is
Gisteren (gaan) ging (glimlachen) glimlachte ik (hebben – tt) heb (Zijn – tt) Ben
46
een bordje
: Om gaatjes in ons tapijt en in uw longen roken (verbieden) verboden
.
Liese naar dokter Gryploos die ogenblikkelijk en (vragen) vroeg
: ‘Dag Liese,
je een hele tijd niet (zien) gezien je soms ziek (zijn) geweest
. ?’
Naam ‘Dokter, dokter!’, (gillen – vt) gilde
denk
Gina in paniek. ‘Ik (denken – tt)
dat ik een bril nodig (hebben – tt) heb
‘Dat (veronderstellen – tt) veronderstel
antwoordde
.’
ik ook, mevrouw’, (antwoorden – vt)
de man. ‘U (bevinden – tt) bevindt
Marc Memorie (klagen – vt) klaagde
zich in een snackbar!’
bij dokter Gryploos: ‘Ik (hebben – tt)
heb
zo’n last van geheugenverlies...’ De dokter (onderzoeken – vt)
onderzocht
hem en (vragen – vt) vroeg
hebt
u daar al last van, meneer Memorie?’
Marc Memorie (bekijken – vt) bekeek (fluisteren – vt) fluisterde
de dokter met grote ogen en
: ‘Last? Waarvan?’
Goldie, de gouvis, (komen – vt) kwam
bij de dokter.
Goldie (hoeven – vt) hoefde (uitroepen – vt) riep
niets te zeggen, want dokter Gryploos meteen uit
‘O! Ik (merken – tt) merk
:
het al: uit de kom!’
Paul Dekker (stevenen – vt) stevende Gryploos. Die (schrikken – vt) schrok het hoofd en (zeggen – vt) zei ernstig uit.’ ‘Ja, het (beginnen – vt) begon
reageerde
: ‘Hoelang (hebben – tt)
met een kikker op zijn hoofd naar dokter , (schudden – vt) schudde : ‘Dat (zien – tt) ziet
er
met een wratje’, (reageren – vt)
de kikker.
47
20
Mondje dicht 1 Vraag & antwoord
Vraag: Wat (zijn – tt) is
een skelet in een kast?
Antwoord: Iemand die vroeger (winnen) gewonnen
heeft
met verstoppertje...
Vraag: Wat (zijn – tt) is
het verschil tussen een tandarts en een leraar?
Antwoord: Een tandarts (zeggen – tt) zegt (bevelen – tt) beveelt
: mondje open en een leraar
: mondje dicht.
Vraag: Wat (vinden – tt) vind
kruist
je als je een olifant met een mol (kruisen – tt)
?
Antwoord: Je (vinden – tt) vindt
Vraag: Wat (zijn – tt) is
dan hele grote hopen in de tuin!
het meervoud van boom?
Antwoord: Je (noteren – tt) noteert
Vraag: Wat (zijn – tt) is
dat het makkelijkst met drie letters: bos.
een synoniem?
Antwoord: Een woord dat je (gebruiken – tt) gebruikt niet (kunnen – tt) kan
Vraag: Wat (zijn – tt) is
48
(hebben – tt)
als je dat andere woord
spellen.
het toppunt van geduld?
Antwoord: Je (tekenen – tt) tekent
eerst een vis op de muur en dan wacht je
tot hij weg (zwemmen – tt) zwemt
.
Naam 2 Dertien ‘levensvragen’ voor beginners... 1 Wat (gebeuren – tt) gebeurt
er precies als je je tweemaal halfdood
(schrikken – tt) schrikt
?
2 Als je een smurf (wurgen – tt) wurgt
krijgt
, welke kleur (krijgen – tt)
hij dan?
3 Hoe (plaatsen – tt) plaatst
men de bordjes VERBODEN OP HET GRAS TE
LOPEN op het gazon? 4 Hoe (zullen – vt) zouden
stoelen eruitzien als onze knieën aan de andere
kant (zitten – vt) zaten
?
5 Waarom (krimpen – tt) krimpt
een schaap niet als het na een regenbui
weer (opdrogen – tt) opdroogt
?
6 Als Amerikanen bij een bruiloft rijst (gooien – tt) gooien
smijten
, (smijten – tt)
Aziaten dan hotdogs?
7 Als de meeste ongelukken in huis (gebeuren – tt) gebeuren (verhuizen – tt) verhuist
dan niet iedereen?
8 Waarom (hebben – tt) heeft (doodslaan) doodgeslagen 9 Hoe (weten – tt) weet (moeten – tt) moet
, waarom
Noach destijds die twee muggen niet ? een thermoskan of een drank warm of koud blijven?
10 (bestaan – tt) Bestaat
er een ander woord voor synoniem?
11 Als de zwarte doos van een vliegtuig onverwoestbaar (zijn – tt) is waarom (maken – tt) maken
ze de vliegtuigen dan niet van dat materiaal?
12 Als superlijm werkelijk alles (vastlijmen – tt) vastlijmt
kleeft
, waarom (kleven – tt)
het dan niet aan de binnenkant van de tube?
13 Wat (tellen – tt) tellen
kunnen
,
schapen als ze niet (kunnen – tt)
slapen?
49
Strafbaar feit
21
1 Het (zijn – vt) was
midden in de nacht toen Silvia op de kamerdeur van
haar ouders (kloppen – vt) klopte
. ‘Papa, (worden – tt) word
wakker! Ik (horen – tt) hoor
reageerde
een muis piepen!’ Silvia’s vader (reageren – vt)
eerst slaapdronken. Hij (slagen – vt) slaagde
er
nauwelijks in zijn ogen te openen en (uitstoten – vt) stootte klanken uit
. Silvia (aandringen – vt) drong aan
(herhalen – vt) herhaalde
en
: ‘Papa, (willen – tt) wil
je alsjeblieft
helpen! (Horen – tt) Hoor
hoe die muis (piepen – tt) piept
Toen (worden – vt) werd
vader boos: ‘Nou, wat (willen – tt)
wil
je dat ik (doen – tt) doe
Moet
ik die muis even (gaan – tt) gaan
2 Bert (lezen – vt) las
oliën, misschien?!’
de krant. Op een bepaald moment (schudden – vt)
schudde
hij het hoofd. Zijn vader (hebben – vt) had
gemerkt
en (vragen – vt) vroeg
lees
!’
? (Moeten – tt)
in de lach: ‘Ik (lezen – tt)
hier net dat Frans Bauer (gaan – tt) gaat
mensen in de gevangenis.’ Vader (knikken vt) knikte
het (merken)
: ‘(Vinden – tt) Vind
je het interessant, Bert?’ Bert (schieten – vt) schoot
50
onverstaanbare
zingen voor en (glimlachen – vt)
glimlachte
: ‘Zo (zien – tt) zie
moet
nadenken voordat je een strafbaar feit (plegen – tt) pleegt
je maar dat je goed (moeten – tt) !’
Naam
3 Bonnie (passeren – tt) passert
een straat waarin juist een stadswerker
putten aan het graven (zijn – tt) is
. Tot haar verbazing (komen – tt)
komt
wat later een andere stadswerker en die (beginnen – tt)
begint
de putten dicht te gooien. (Verbazen) Verbaasd
Bonnie waarom ze dat (doen – tt) doen (antwoorden – tt) antwoordt
moest
vraagt
. Een van de stadswerkers : ‘Nou, de man die de bomen (moeten – vt)
planten (kunnen – vt) kon
niet komen.’
4 Een blinde man en een vrouw met één been (maken – tt) maken De man (schelden – tt) scheldt
ruzie.
de vrouw de huid vol en zij (reageren – tt)
reageert
met even gruwelijke uitlatingen. Op een bepaald moment (zeggen – tt)
zegt
de vrouw met één been woedend: ‘(Maken – tt) Maak
dat je (wegkomen – tt) wegkomt
of ik (geven – tt) geef
schop!’ De blinde (schamperen – tt) schampert
zou
de woonkamer in. Ze (roepen – tt)
(opwinden) opgewonden
(telefoneren – tt) telefoneert
brult
: ‘Ah, ja? Dat (zullen – vt)
ik weleens willen zien!’
5 Leentje (draven – tt) draaft
roept
je een
: ‘Papa, papa!’ Haar vader die net
met een belangrijke klant, (brullen – tt)
boos: ‘Leen, je (weten – tt) weet
toch dat je alleen
(mogen – tt) mag
praten als je iets (vragen) gevraagd
(worden – tt) wordt
!’ ‘Papa, papa!’, (herhalen – tt) herhaalt
Leen. ‘(Kunnen – tt) Kunt (vallen) gevallen
u me dan snel vragen of mama van de trap (zijn – tt) is
?!’
51
Daverend applaus
22
1 In het kleine schooltje van Melkebeek (melden – tt) meldt
meester
Pannenkoeck tijdens de rekenles: ‘Vanaf nu (worden – tt) wordt school met computers (rekenen) gerekend
er op deze
!’ Onmiddellijk (bedanken – tt)
bedanken
de kinderen hem met een daverend applaus. ‘Dus’, (vragen – tt)
vraagt
meester Pannenkoeck, ‘hoeveel (zijn – tt) is
zeventwintig computers plus vierenveertig computers?’
2 Wat (vinden – tt) vind
je van deze twee uitspraken van bekende
Nederlanders?
Golfen (zijn – tt) is
zijn
knikkeren voor rijke mensen die te lui (zijn – tt) om te bukken.
(Youp van het Hek)
Er (gaan – tt) gaat
meer boven je petje dan eronder.
(Toon Hermans)
3 Een galei met roeiers (aankomen – vt) kwam
aan
. Met een diepe zucht en dodelijk vermoeid (neerleggen – vt)
legden
de roeiers de riemen neer
waren
ze bekaf. Ze (zuchten – vt) zuchtten
(komen – vt) kwam
52
op een eiland
. Allemaal (zijn – vt) diep. De stuurman
voor hen staan en (melden – vt) meldde
‘Mannen, ik (hebben – tt) heb
goed nieuws, maar ook slecht nieuws.’
De roeiers (weten – vt) wisten
niet wat hun nu weer te wachten (staan – vt)
stond
. Gelaten (afwachten – vt) wachtten
af
.
ze
:
Naam De stuurman (vertellen – vt) vertelde
is
: ‘Het goede nieuws (zijn – tt)
dat jullie voor vandaag klaar (zijn – tt) zijn
roeien. Wij (gaan – tt) gaan
een groot stuk vlees roosteren en lekker veel
rum drinken!!’ De roeiers (brullen – vt) brulden (wachten – vt) wachtte
waren
met
enthousiast. De stuurman
tot de roeiers (uitrazen) uitgeraasd
en (opmerken) merkte
(zijn – vt)
toen op
:
‘Het slechte nieuws is dat de kapitein morgen (willen) wil
gaan
waterskiën!’
4 Piet Friet (worden – tt) wordt
aangehouden
door een politieagent (aanhouden)
. ‘Meneer, u (mogen – tt) mag
(zeggen – tt) zegt
de agent, ‘want u (rijden – tt) rijdt
Audi Quattro en u (inzitten – tt) zit
politieagent aan
blik (aanstaren – tt) staart . ‘Wat (zijn – tt) is
(knorren – tt) knort
in een
er maar in uw eentje in
Met (verwonderen) verwonderde
dat nu voor onzin?’,
Piet (worden – tt) wordt dan (willen – tt) wil ‘Dat (kunnen – tt) kan ‘maar dan (moeten – tt) moet (aanhouden – tt) houdt
gewoon
niet dat je er met zijn vieren in (moeten – tt)
zitten.’ ‘Toch (krijgen – tt) krijgt
verder te rijden’, (volhouden – tt) houdt
.’ Piet de
Piet. ‘Audi Quattro (zijn – tt) is
het merk. Dat (betekenen – tt) betekent
moet
niet doorrijden’,
u geen toestemming om de politieman vol
.
boos: ‘Als het zo (zitten – tt) zit
,
ik weleens even met je chef praten.’ best’, (vinden – tt) vindt
de agent,
u wel even geduld hebben want mijn chef net drie mensen in een Fiat Uno aan
.’
53
23
Wakker worden! 1 Na de voetbaltraining van de Melkebeek Boys (gaan – vt) gingen
de
spelers douchen. Benny, die voor het eerst (meespelen – vt) meespeelde Boys, (staan – vt) stond
nog in de kleedkamer terwijl de anderen al
(douchen – vt) douchten
. ‘Benny!’, (roepen – vt) riepen
jongens. ‘Ik kom!’, (gillen – vt) gilde
kwam
Benny terug. Even later (komen – vt)
in zijn hand. Daarmee (gaan – vt) ging
(douchen – tt) douche
. ‘Maar Benny, waarom
jij onder die (opsteken) opgestoken
vroeg één van de jongens. ‘Nou, ik (hebben – tt) heb
Ze (aanknippen – tt) knipt
het licht aan
, (bestuderen – tt)
het nachtkastje van haar man en (schudden – tt) schudt
Jef (openen – tt) opent
54
mijn handdoek
midden in de nacht wakker.
hem heen en weer. ‘Jef, Jef, je (moeten – tt) moet
slaappil in te nemen!’
paraplu?’,
.’
2 Marie (worden – tt) wordt
vraagt
een paraplu
hij in de warme waterstraal staan
terwijl hij een deuntje (fluiten – vt) floot
bestudeert
de
hij te voorschijn. Hij (houden – vt) hield
(vergeten) vergeten
met de
wakker worden!’
moeizaam zijn ogen en (vragen – tt)
wat er loos is. ‘Je (hebben – tt) hebt
vergeten je
Naam 3 Aan de tapkast van bar Biepop (zitten – tt) zit
drinkt
een man. Hij (drinken – tt)
het ene glas na het andere. Opeens (halen – tt) haalt
hij zijn glazen oog uit zijn kas en (gooien – tt) gooit ruit. Het glazen oog (stuiteren – tt) stuitert
het keihard tegen de terug en de man (stoppen – tt)
stopt
het weer op zijn plaats. De vrouw naast hem (hebben – tt)
heeft
het schouwspel (gadeslaan) gadegeslagen
(begrijpen – tt) begrijpt (gebeuren) gebeurd
niet wat er precies (zijn – tt) is . ‘Waarom (doen – vt) deed
(vragen – tt) vraagt
zijn schouders op
mompelt
: ‘Ik (kijken – vt) keek
(staan – tt) staat
een Nederlandse verslaggever, ‘waarheen (leiden – tt)
de weg?’ ‘Dat (vinden – tt) vind
vraag’, zegt de Belg. ‘(Vinden – tt) Vind
knipoogt ‘U (kunnen – tt) kunt
je dat zelf ook niet? We (hebben – tt) .’ Trots als een
de Belgische ruimtereiziger: ‘Wij (vliegen – tt)
naar de zon!’ ‘Naar de zon?’, (schrikken – tt) schrikt
reporter. ‘Dat (kunnen – tt) kan
(zullen – tt) zult
ik een overbodige
het in alle kranten (publiceren) gepubliceerd
pauw (melden – tt) meldt
is
even of mijn brommer er nog
vandaag hun eerste ruimteraket.
‘Nou’, (vragen – tt) vraagt
vliegen
en (mompelen – tt)
.’
4 De Belgen (lanceren) lanceren
hebben
je dat nou?’,
ze uiteindelijk. De man met het glazen oog (ophalen – tt)
haalt
leidt
, maar
de
toch niet? Daar (zijn – tt)
het toch veel te heet! (Zijn – tt) Bent
u niet bang dat u
smelten?’ De Belgische astronaut (knipogen – tt) naar een collega en (melden – tt) meldt gerust zijn, wij (weten – tt) weten
we (doen – tt) doen
, hoor. Wij (zijn – tt) zijn
We (gaan – tt) gaan
natuurlijk ’s nachts!’
dan doodleuk: wat niet gek.
55
Kukeleku
24
1 Nog een paar ‘levensvragen’...
Als je van zwemmen slank (worden – tt)
wordt
, wat (doen – tt)
doen
walvissen dan verkeerd?
Waarom (lopen – tt) loopt
je
neus, terwijl je voeten (ruiken – tt)
ruiken
?
Hoe eerder je (achteropraken – tt) achteropraakt (overhouden – tt) overhoudt
om het weer in te halen.
2 Een kip en een haan (lopen – tt) lopen (zeggen – tt) zegt
antwoordt
de kip enthousiast. De haan (monsteren – tt) monstert
we nou?’ ‘Ach’, (melden – tt) meldt
: ‘Miauw? Wat (krijgen – tt) krijgen de kip nonchalant, ‘ik (hebben – tt)
een cursus (volgen) gevolgd
talen (komen – tt) kom
56
elkaar tegen het lijf. ‘Kukeleku’,
de haan. ‘Miauw’, (antwoorden – tt)
kip en (vragen – tt) vraagt
heb
met je werk, hoe meer tijd je
, want zonder vreemde
je tegenwoordig niet meer aan de bak.’
de
Naam 3
Het (zijn – tt) is
weer tijd voor een gedicht!
(Koken – tt) Kook
eens een potje poëzie.
Een dichter (zijn – tt) is
een kok –
eerst (openspreiden – tt) spreidt ingrediënten open
hij alle ,
dan (snijden – tt) snijdt (bakken – tt) bakt
hij, hij
in een wok of in een pan, en (kunnen – tt) kan
hij enkel hopen
dat iemand (zeggen – tt) zegt
dat van zijn bord
elke hap lekkerder (worden – tt) wordt Een kok (zijn – tt) is
.
net zoals een dichter –
elk woord (zijn – tt) is
van belang,
wat zwaarder of wat lichter, alles (leiden – tt) leidt
tot samenhang.
Wie met zulke woorden (kennismaken – tt) kennismaakt (weten – tt) weet
,
ook hoe fijn een komma (smaken – tt) smaakt
.
Uit ‘Ik vind je hiëroglief’, abimo, 2003
4
Op het huis van mijn buurman (hangen – tt) hangt
(schrijven) geschreven
Breek
bij ons in
(staan – tt) staat
een bordje waarop : (Inbreken – tt)
en (bezorgen – tt) bezorg
onze pitbull de dag van z’n leven!
57
25
Iets nieuws? 1 De eigenaar van antiekzaak Verleden Tijd (zijn – tt) is graag grapjes (maken – tt) maakt
. Zo (gebeuren – tt) gebeurt
het geregeld (en het (zijn – tt) is
gebeurd
een man die
voorheen ook al vaak (gebeuren)
) dat iemand de zaak binnen (wandelen – tt) wandelt
(vragen – tt) vraagt
: ‘Is er nog iets nieuws (binnenkomen)
binnengekomen
?’ Het standaardantwoord van de antiquair (luiden – tt)
luidt
: ‘Iets nieuws? Wat (denken – tt) denkt
u nu zelf?’
2 Hannie en haar moeder (slenteren – vt) slenterden waarbij het meisje de hele tijd (lopen – vt) liep (irriteren – vt) irriteerde
vroeg
door de winkelstraat te fluiten. Na een tijd
dat Hannies moeder zodanig dat ze (vragen – vt)
waarom haar dochter dat (doen – vt) deed
(schudden – vt) schudde
haar schouders op
en
: ‘Hannie, meisje, hier (zijn – tt) zijn
helemaal geen nijlpaarden!’ Het meisje (kijken – vt) keek (glimlachen – vt) glimlachte
:
om de nijlpaarden uit de buurt te houden.’
Haar moeder (ophalen – vt) haalde (roepen – vt) riep
. Hannie
het hoofd en (antwoorden – vt) antwoordde
‘Mama, dat (zijn – tt) is
58
en
triomfantelijk en
: ‘Zie je wel dat het (helpen – tt) helpt
!’
Naam 3 Marino (stoppen – tt) stopt (vragen – tt) vraagt
is
met zijn auto bij een tankstation en aan de bediende hoe duur een druppel benzine (zijn – tt)
. De bediende (aanstaren – tt) staart
grote ogen aan
en (antwoorden – tt) antwoordt
‘Eén druppel (kosten – tt) kost tt) knikt
Druppelt
:
helemaal niets, mijnheer.’ Marino (knikken –
en (zeggen – tt) zegt
: ‘(Druppelen – tt)
u dan mijn tank maar eens lekker vol.’
4 Twee ballonnen (zweven – tt) zweven
bewegen
Marino met
rond op een feestje. Ze (bewegen – tt)
mee op de muziek en (amuseren – tt) amuseren
zich
geweldig. Maar wanneer de ene ballon frisdrank (drinken – tt) drinkt (knappen – tt) knapt
,
hij ogenblikkelijk. De andere ballon (schudden – tt)
schudt
: ‘Ik (hebben – tt) heb
hem nog (waarschuwen)
gewaarschuwd
. Ik (zeggen – vt) zei
nog nadrukkelijk: (drinken – tt)
drink
nooit frisdrank met prik!’
5 Ik (vragen) vroeg
gisteren aan Hanna: ‘(Zijn – tt) Ben
jij bang voor schildpadden?’ Ik (hebben – vt) had
verwacht
, maar ze (antwoorden – vt) antwoordde
Daar (zijn – vt) was
: ‘Ja, heel erg!’
ik toch van (schrikken) geschrokken
Dus (zeggen – vt) zei
.
ik: ‘Schildpadden (zijn – tt) zijn
toch heel vreedzame dieren?’ Toen (repliceren – vt) repliceerde ‘Dat (zullen – tt) zal
Hanna:
best, maar ik (vertrouwen – tt) vertrouw
ze niet. Je (weten – tt) weet
voeren
het niet (verwachten)
nooit wat ze in hun schild (voeren – tt)
!’
59
Hoe ver ben je al?
60