Skip to main content

Stenvert-Taal_oefenen_Gr6_150dpi_antw

Page 1

Taal oefenen Werkboek


Taal oefenen

Werkboek COLOFON Auteurs Paul Bemelen, Karin Brouwer, Marjo van Gelderen, Jacqueline Klerkx, Marcel de Reuver Ontwerp omslag Eduardo Media Illustraties Egbert Koopmans Opmaak binnenwerk PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31486 1 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


INHOUD 1

plaatjes vullen de gaatjes – Spelling – open en gesloten lettergrepen

5

2

een spelletje op zolder – Spelling – open en gesloten lettergrepen

6

3 gaaf – Spelling – open en gesloten lettergrepen

7

4 madurodam – Taalstructuur – verkleinwoorden

8

5

in volgorde – Taalbetekenis – alfabetiseren

9

6

de speelgoedbeurs – Taalstructuur – telwoorden

10

7

een schoon hok – Taalstructuur – voornaamwoorden

11

8

de speeltuin – Taalstructuur – zelfstandige naamwoorden

12

9

even doordraaien – Spelling – open en gesloten lettergrepen

13

10 de dierentuin – Taalstructuur – meervoud

14

11 dubbeldam – Spelling – open en gesloten lettergrepen

15

12

op grote voet – Spelling – open en gesloten lettergrepen

16

13 toneel – Spelling – open en gesloten lettergrepen

17

14 graven naar letters – Spelling – open en gesloten lettergrepen

18

15 aardig en grappig – Spelling – achtervoegsels

19

16 piraterij – Taalstructuur – voorvoegsels

20

17 wie van de drie? – Spelling – voorvoegsels

21

18 piekerblad 1 – Piekerpagina

22

19 leuke raadsels – Taalstructuur – bijvoeglijke naamwoorden

23

20 de overval – Spelling – voorvoegsels

24

21 de chocoladeboom – Taalfunctie – begrijpend lezen

25

22 ziek – Taalstructuur – voegwoorden

26

23 de eerste ruimtevaarder – Taalfunctie – begrijpend lezen

27

24 mooie rijtjes – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

28

25 meer leuke raadsels – Taalstructuur – bijvoeglijke naamwoorden

29

26 op de rommelmarkt – Taalstructuur – bijvoeglijke naamwoorden

30

27 in de tuin – Spelling – voorvoegsels

31

28 in de war – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

32

29 wat zullen we koken? – Taalstructuur – meervoud

33

30 beroepen – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

34

31 dieren – Taalfunctie – woordenschat

35


32 laden en lossen – Taalstructuur – achtervoegsels

36

33 de modderman – Taalfunctie – begrijpend lezen

37

34 het kookfestijn – Taalstructuur – voornaamwoorden

38

35 hetzelfde – Taalbetekenis – woordenschat

39

36 piekerblad 2 – Piekerpagina

40

37 een jong in gevaar – Taalbetekenis – woordenschat

41

38 huisdieren – Taalfunctie – begrijpend lezen

42

39 kom je ook? – Taalfunctie – begrijpend lezen

43

40 muziek – Taalbetekenis – woordenschat

44

41 bijna hetzelfde – Taalbetekenis – synoniemen

45

42 samen – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

46

43 bevrijd! – Taalbetekenis – woordenschat

47

44 allemaal dieren – Taalbetekenis – woordenschat

48

45 uit de school geklapt – Spelling – achtervoegsels

49

46 oppassen – Taalstructuur – voorvoegsels

50

47 in huis – Taalbetekenis – woordenschat

51

48 puzzelwoorden – Taalstructuur – samenstellingen

52

49 haren – Taalbetekenis – begrijpend lezen

53

50 storm – Taalfunctie – begrijpend lezen

54

51 opgeruimd staat netjes – Taalbetekenis – woordenschat

55

52 de foto – Taalstructuur – trappen van vergelijking

56

53 één + één = één – Taalstructuur – samenstellingen

57

54 piekerblad 3 – Piekerpagina

58

55 de goochelaar – Taalstructuur – voor- en achtervoegsels

59

56 vakantiepret – Taalfunctie – begrijpend lezen

60

57 de dief – Taalbetekenis – woordenschat

61

58 puzzelen – Taalstructuur – achtervoegsels

62

59 natuurlijk – Taalbetekenis – woordenschat

63

60 allemaal klaar? –Registratieblad

64


plaatjes vullen de gaatjes

1

Naam

Kijk naar de tekeningen en schrijf de zinnen helemaal op.

1 De

vangt een

voor de

De jager vangt een vogel voor de koning.

2 Er loopt een

in de

bij de

Er loopt een ezel in de regen bij de schapen.

3 In de

staan twee

op de

In de kamer staan twee vazen op de tafel.

4 er bloeien

rode

bij de

Er bloeien zeven rode rozen bij de molen.

5 Er zitten

grappige

in de

Er zitten negen grappige apen in de bomen,

6 In de

liggen de

in het

In de haven liggen de boten (schepen) in het water.

5


een spelletje op zolder

2

Naam

Stella heeft een spelletje bedacht om samen met Peter de zolder op te ruimen. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘in het midden van mijn naam staan twee dezelfde letters: Stella. En in het midden van jouw naam staat er één: Peter. Elke keer als we iets willen opruimen, zetten we dat woord eerst in het meervoud. Staan er twee dezelfde letters, dan ruim ik het op. Staat er maar één letter in het midden, dan ruim jij het op.’

1

4

3

6

5

9

7

2

8

12

10 11

15

14

17 16

13

18

Eerst even oefenen: Kijk, bij nummer 1 ligt een doos.

Bij nummer 2 zie je een wip

Het meervoud is dozen.

Het meervoud is wippen, die ruimt Stella

Dus die ruimt Peter op.

dus op.

.

Help je even mee? Ga verder bij 3. Zet de woorden steeds in het meervoud bij Peter of Stella. Vul de rijtjes van boven naar beneden in. Peter

Stella

dozen

1e

schalen 5e

wippen 1e

netten 1e

petten 2e

peren

2e

draken

1e

flessen 3e

vlekken 3e

spinnen 1e

zagen

1e

zeven

2e

bedden 2e

tonnen 1e

kronen

3e

graten

2e

rokken

jassen

1e

Vul nu de goede letters uit de antwoorden in. Wat lees je?

6

Peter

d

e

Stella

w

e

z e

r

o

l

d

e

r

n

e

t

j

e

s !

1e


gaaf

3

Naam

Je ziet letters waarin je woorden moet invullen. Kun je deze letterpuzzel helemaal oplossen? Gaaf hoor! r

k

o g e

l

v

e g e

r

v

o g e

l 1 a a p e p p e n u l l e

n a

2

e t

l a

3

e n

l a

4

l

o k e

t

m e

t e

m e n

k

a m e

n

e g e

l e

e r

a t e n g e e r

n

n

s

n

1 Gorilla’s en chimpansees zijn

apen Na de voorstelling mag je hard in je handen

klappen

g

s

veger Er wapperen vier vlaggen in de wind. Tijdens de wielerronde werd er door de

Het getal duizend heeft drie

wiel renners

Eerst sliep Rik bij zijn broer, maar nu heeft

r

3 Wij maken de vloer schoon met blik en

Vijf plus vier is negen

nullen

l

hard gefietst.

Er zaten grote gaten in de kaas.

hij een eigen kamer 4 Een meter 2 Er vliegt een zware kogel uit het kanon. Ik koop een kaartje aan het

loket Het alfabet heeft 26 letters

is precies

100 centimeter. Bij de brand sloegen de

vlammen

uit het dak.

Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht.

Tijdens het vuurwerk hoorde ik harde

knallen 7


madurodam

4

Naam

In Madurodam is Nederland heel klein. Maak de woorden maar af. Kies uit: tje(s) of je(s) of pje(s) of etje(s).

Wat een kleine autoo tjes daar bij dat toren tje

Ze gaan zeker een eind je

rijden. Misschien naar dat vliegtuig je

Zie jij die raam pjes in dit gebouw?

bij dat dorp je

Er hangen geen gordijn tjes voor.

daar.

Je kunt niets zien, want er staan boom pjes voor de gevel tjes

Ik heb nog nooit zoveel kleine ding etjes bij elkaar gezien! Dat jonge tje meis je

Ik zie een mooi kasteel daar. Zie jij ook dat vrouw tje

en dat mann etje ?

Ze lopen langs die huis jes gracht je

aan het

en dat

doen zeker een spell etje

Ze hebben allebei een hoed je hoofd je

en een touw tje

op hun in

hun hand jes

Er loopt een hond je

aan een lijn tje

mee.

Zo lijkt de grote stad wel een stad je uit een sprook je tijd je

8

Ik zou er best een

willen wonen!

,


in volgorde

5

Naam

1 Maak de tekening goed. Trek een lijntje van a naar b, van b naar c, enz. Houd de alfabetische volgorde aan.

2 Schrijf de woorden uit elk rijtje in alfabetische volgorde. kopje

beker

beker

kopje

lepeltje

lepeltje

mok

mok

thee

koffie

koffie

limonade

melk

melk

limonade

thee

bus

auto

auto

bus

taxi

fiets

fiets

taxi

3 Zet in alfabetische volgorde: a enkel, been, voet, dij, knie

been, dij, enkel, knie, voet b oog, neus, wang, kin, voorhoofd

kin, neus, oog, voorhoofd, wang c trui, sokken, broek, hemd, horloge

broek, hemd, horloge, sokken, trui

d dokter, apotheker, leraar, makelaar

apotheker, dokter, leraar, makelaar e buik, broek, bril, been, baard

baard, been, bril, broek, buik f tram, trein, tanker, takelwagen

takelwagen, tanker, tram, trein

9


6

de speelgoedbeurs

Naam

1 Vul bij het verhaal de volgende woorden in: laatste – miljoen – drietjes – duizend – drieëndertig – minstens – minder – helft – honderden – driekwart – tweeën – één – zoveel – zesendertig – veertig – meer Dick en Hanneke gaan met hun vader naar de speelgoedbeurs. Met zijn drietjes zijn ze op zoek naar oud speelgoed. Meer dan de helft

van de hal is gevuld

met allerlei knuffelbeesten. Dick en Hanneke lopen met z’n tweeën door naar de teddyberen. Er liggen wel duizend hij er nog nooit zoveel

miljoen hebben, minstens

schattige beesten. Dick zegt dat

heeft gezien. ‘Het lijkt wel of het er een

zijn,’ zegt hij. Dick wil één

Hij biedt drieëndertig

meteen

klein beertje kopen.

euro, maar de verkoper wil er meer

veertig

voor

euro. ‘Iets minder

,’

roept Dick, maar de verkoper wil zijn prijs niet verlagen. Dick doet dan zijn

laatste

bod: ‘ zesendertig

Intussen is de zaal al voor driekwart

euro,’ maar de koop gaat niet door. volgelopen met mensen. Dick en Hanneke

zijn op zoek naar hun vader. Nog geen meter verder botsen ze tegen hem op. Daar rollen

honderden

knikkers over de vloer. Dat is pech!

2 Een trio, ze zijn met z’n drieën

Een duo, ze zijn met z’n tweeën

Een kwartet, ze zijn met z’n vieren

En zij zijn met z’n achten

10


een schoon hok

7

Naam

Maak de zinnen onder de plaatjes af. Lees eerst de hele zin. Vul dan het goede woord in. Kies uit en streep maar af. ik – ik – ik – mijn – mijn – mijn – mijn – me – me – hij – hij – hij – zijn – zijn – hem – we – we – we – we – we – we – we – onze – onszelf – wij

Munir probeerde Kobus in

zijn hem

Ik zal me even voorstellen:

Ik

mijn

naar de

Munir deed de deur voor me

van

open. Het waaide heel hard. Al het

moeder het hok

vuil werd van mijn

van Kobus schoonmaken.

blik

afgeblazen! Nu konden we

Munir hielp me mee. We

alles op het

vuilnisbak.

konijn.

Gisteren moest ik

klaar

blik en toen liepen we

vriendje en

Kobus is mijn

niet! Toen we

waren, veegden we

ben Sandra. Munir

is mijn

nekvel te pakken. Dat lukte

alles gaan opvegen. O nze

pakten

handen stonken ervan.

stoffer en blik en gingen aan de slag.

Kobus heeft er een hekel aan als zijn hok wordt schoongemaakt. hij steeds in de weg. Als ik veegde, zat hij

We liep

rechts

ook rechts!

brachten het vuil samen naar de

vuilnisbak. Daarna legden we nieuw stro in het hok van Kobus. H ij En wij

was daar heel tevreden mee! waren ook heel tevreden over

onszelf !

11


de speeltuin

8

Naam

Wat zie je in de speeltuin? Zet er de of het voor. Schrijf de woorden in de goede rijtjes. Voorbeeld: het kaboutertje. Eerst opschrijven, dan het plaatje kleuren.

12

1

het kaboutertje

1

de kassa

2

het bootje

2

de reus

3

het loket

3

de vijver

4

het restaurant

4

de achtbaan

5

het ijsje

5

de wip

6

het meisje

6

de vlag

7

het bordje

7

de schommel

8

het jongetje

8

de kinderwagen

9

het raampje

9

de moeder

10

het wolkje

10

de vader

11

enz.

11

enz.

12

12

13

13

14

14

15

15


even doordraaien

9

Naam

Begin bij de startletter. Sla steeds één letter over. Welke drie woorden kun je vinden? Schrijf die op. start

l

k

k z

o

m

e

r

b

e

k

e

r

w

a

t

e

r

e

d

i

n

o

z

ij

n

b

e

v

e

g

r

start

start

p

a

l

i

n

g

e

z

e

l

t

a

f

e

l

13


de dierentuin

10

Naam

Vul het meervoud van de volgende woorden in het juiste dierenhok in: giraffe, zebra, kameel, poema, luipaard, pinda, panter, opa, bizon, aap, wolf, oma, struisvogel, jaguar, slang, lama, foto, tijger, leeuw, ijsbeer, buffel

... en

... s 1

giraffes

2

panters

3

bizons

4

struisvogels

5

jaguars

6

tijgers

7

buffels

... ’s

14

1

zebra’s

2

poema’s

3

pinda’s

4

opa’s

5

oma’s

6

lama’s

7

foto’s

1

kamelen

2

luipaarden

3

apen

4

wolven

5

slangen

6

leeuwen

7

ijsberen


11

dubbeldam

Naam

Dubbeldam is een stadje waar alle woorden twee dezelfde letters in het midden hebben staan. Denk maar aan dubbel. Schrijf alle woorden onder de tekeningen en zet de drie woorden die niet in Dubbeldam thuishoren maar gauw uit het stadje.

Deze drie woorden horen

schommel

ketting

appel

kikker

niet thuis in Dubbeldam.

kegel molen

kegel

ballen

emmer

ladder

trommel

kussen

molen

sokken

druppel

tafel

vissen

botten

kippen

koffer

tafel

15


op grote voet

12

Naam

1 Zet in het meervoud en vul in. 1 boot

Er liggen twee boten

2 knop

Aan die plant zitten heel wat knoppen

3 fles

Die lege flessen

4 haan

Op het erf liepen twee prachtige hanen

5 stem

In het spookslot waren vreemde

stemmen 6 sloot

in de haven.

kun je beter inleveren.

te horen.

Vera loopt niet in zeven sloten tegelijk.

7 muur

Het kasteel had muren

van wel

12 meter hoog. 8 prul

Alle prullen

9 jas

In de winter dragen de kinderen warme jassen

moeten in de papierbak.

10 zwaan Er zwemmen twee witte zwanen

in de vijver.

2 Vul de puzzel in. Wat lees je onder de pijl? grote

16

voeten!

1

Ander woord voor geeuwen.

g

a

p

e

n

2

Een sigaar

r

o

k

e

n

3

Werkt in een restaurant.

o

b

e

r

4

Aan elke voet zitten vijf

t

e

n

e

5

Wij

e

t

e

n

is ongezond.

vanavond friet.

n


toneel

13

Naam

1 Bij de toneel vereniging wordt flink geoefend. Hieronder staan de rollen die worden gespeeld. Maar bij elk woord ontbreken letters. Kun je alle rollen vinden? Maak de woorden maar compleet. ja g

ro v

er

er

vi ss er

o p (m) a

ko n

zwe mm er

a g

ing

schi pp er

ent

ba kk

ri dd er

er

2 Maak de woorden af. De toneelvoorstelling De toneelspelers spel en

een verhaal over drak en

spok en

. Alle kinderen zit ten

span nend

. In de pauze smul len

de bak ker lop en

, trol len

en

op het puntje van hun stoel. Ze vinden het erg ze van heerlijke krentenbol len

heeft gebracht. Ook nem en

die

ze nog wat te drinken. Dan

ze weer terug naar hun plaatsen, zodat het tweede deel kan begin nen

Na afloop klap pen tevred en

.

alle toeschouwers hard in hun handen, want ze zijn erg

. Daarna zet ten

de toneelspelers alle spul len

klaar voor de

volgende dag en gaan dan naar huis. Morgen zul len en drom en

er vast weer veel mensen komen. Maar eerst lekker slap en van het succes van vandaag.

3 De toneelschrijver is nu bezig met dierenverhalen. Zet zijn zinnen maar eens in het meervoud. De zwaan zwemt in de beek. De zwanen zwemmen in de beken. De aap klimt in de boom. De apen klimmen in de bomen. De rat valt in de sloot. De ratten vallen in de sloten. De mus zit op de tak. De mussen zitten op de takken. De beer rent op de weg. De beren rennen op de wegen. De vos loopt in de klem. De vossen lopen in de klemmen.

17


14

graven naar letters

Naam

1 Vul ĂŠĂŠn of twee letters in. 1 l De mo ll

en maken sma ll

e gangen in de grond.

2 t In de gro tt en zitten grote sple t 3 m De vla mm en slaan door de ra m

en. en naar buiten.

4 n Toen hij niet kon wi nn en, huilde hij dikke tra n 5 d Va d

en.

er zet de la dd er tegen de dakrand.

6 p De meisjes ko p 7 r Wij sta r

en schoenen en sta pp en er mee weg.

en naar de ste rr en.

8 g De juffrouw probeerde de vra g

en uit te le gg en.

9 b De arbeiders he bb en de ka b 10 k De trage sla kk en sta k

el vervangen.

en langzaam de weg over.

2 Vul de puzzel in. 1 Ik draag schoenen met heel hoge ...

h

a

k

k

e

e

k

k

e

n

3 Haal eens een grote ... water

e

m m

e

r

4 Ik vind pannenkoeken erg ...

l

e

k

k

e

r

k

k

e

r

6 Onder zijn voetbalschoenen zitten grote ...

n

o

p

p

e

n

7 De boer zaait graan op de ...

a

k

k

e

r

p

p

e

r

2 Als ik gaap, moet ik me ook altijd uit ...

5 De ... haalt de broden uit de over.

8 De ... knipt mijn haar.

r

b

k

a

a

Wat lees je onder de pijl?

heel knap

18

n


aardig en grappig

15

Naam

1 Maak er -ig woorden van! Maar pas op, want soms komt er een extra letter bij. verdriet ď § verdrietig

zon ď § zonnig

haast

haastig

vocht

een vochtig

doekje

grap

grappig

verstand

een verstandig

besluit

jeugd

jeugdig

aandacht

een aandachtig

publiek

kracht

krachtig

angst

een angstig

moment

macht

machtig

geluk

een gelukkig

gevoel

rust

rustig

moed

een moedig

meisje

schuld

schuldig

nut

een nuttig

dier

tijd

tijdig

spoed

een spoedig

herstel

toeval

toevallig

last

een lastig

karwei

2 Vul -ig-woorden in. als het leuk is

g

r

a

p

p

e

u

r

i

g

w

e

i

n

i

e

s

t

i

g

vervelend

l

a

s

t

i

g

heel sjiek

d

e

f

t

i

g

i

g

g

i

e

r

i

g

heel netjes

k

een klein beetje

z

tussen 50 en 70

plezierig als je niets kunt missen

p

r

e

t

t

i

g

g

Wat lees je onder de pijl? geweldig 19


piraterij

16

Naam

Vul be, ge of ver in.

Kapitein Nit en zijn be

manning varen al jaren in een ge

vaarlijk ge

bied.

Ge

lukkig zijn ze niet snel bang. Ze bereiden de reis altijd goed voor en hun kostbare

be

zittingen worden be

waard in goed ge

sloten kisten.

Wat kapitein Nit niet weet, is dat aan boord een verrader verscholen zit! Midden op zee wordt plotseling de doorgang ver

ver

schrikkelijke, tevoorschijn komt.

Ge

wapend met messen en ge

en ge

weld. Ze zijn bang dat ze ge

gooid worden en zullen ver

luid. Een groot schip heeft het piratenschip ge

vallen door de ge

weldige klap in het water.

ge

schrikkelijke, wordt snel

vangen ge

nomen.

Nadat hun leider is ge in leven ge Kapitein Nit be

pakt, geven de nog

bleven piraten zich over. dankt de kapitein van

het grote schip. Nu kan hij ge

ge

lukkig weer met een

rust hart doorvaren.

nauwd wond

drinken. Dan is er ineens een

oorverdovend ge

Chiang, de ver

20

weren bestormen de piraten de boot. Be

geschrokken zien de matrozen dat ge

raken of overboord ge

hinderd als piraat Chiang de

ramd. Veel piraten


wie van de drie?

17

Naam

1 Maak de woorden in orde. Trek een lijn.

1

6

f bek ge-

e begissing

u ge-

andering

g ver-

b ver2

7

o bek ge-

z betallen

l ge-

e ver-

slissing

w ver-

3

8

w bep ge-

manning

t ge-

4

9

12

z beg ge-

zetting

n ver-

5

10

zellig

o ge-

wicht

e ver15 e be-

h ge-

rassing

e ver-

k ge-

keuring

z ver-

13

i ge-

i ver-

beurtenis

s be-

j be-

n beschillend

a be-

e ged ver-

m ver-

t ge-

makkelijk

b ver-

d be-

r be-

14

p be-

v be-

a ver-

j ge-

11

waking

s ge-

r ver-

keer

a ver-

2 Zet de letter van het goede woord in het juiste hokje. Welke zin lees je? 3

w

13

a

8

t

1

b

15

e

10

n

5

i

2

k

9

g

14

o

12

e

4

d

7

z

11

e

6

g !

21


18

piekerblad 1

Naam

Een geheime boodschap Er zijn twee flessen met een geheime boodschap aangespoeld op het strand. Om alles goed te kunnen lezen, zul je het geheimschrift moeten ontcijferen. Elke letter die je ziet staan, moet je eigenlijk een plaatsje vooruitschuiven in het alfabet. Zie je bijvoorbeeld een a, dan lees je een b. Zie je een b, dan lees je een c en bij de laatste letter zie je een z en dan lees je een a. Kun je deze geheime boodschap lezen? Begin met de onderste fles.

Beste Landrotten, Hier een bericht van de piratenhoofdman. Op het eiland van Nico de Verschrikkelijke heb ik mijn grootste schat begraven. Maar let op. Elk eiland wordt bewaakt door een woeste zeerover. Gebruik daarom mijn naam als wachtwoord. Je vindt hem in de kleine fles. Hij staat niet in geheimschrift maar achterstevoren.

kapitein Blauwbaard

22

ADRSD KZMCQNSSDM, GHDQ DDM ADQHBGS UZM CD OHQZSDMGNNECLZM. NO GDS DHKZMC UZM MHBN CD UDQRBGQHJJDKHIJD GDA HJ LHIM FQNNSRSD RBGZS ADFQZUDM. LZZQ KDS NO. DKJ DHKZMC VNQCS ADVZZJS CNNQ DDM VNDRSD YDDQNUDQ. FDAQTHJ CZZQNL LHIM MZZL ZKR VZBGSVNNQC. ID UHMCS GDL HM CD JKDHMD EKDR. GHI RSZZS MHDS HM FDGDHLRBGQHES LZZQ ZBGSDQRSDUNQDM.


leuke raadsels

19

Naam

Los de rebus op. Je hebt dan nog maar een stukje van het woord. Je moet zelf zorgen dat het woord klopt. Kijk naar het aantal vakjes.

een een

s

p

a

n

n

e

n

l

a

s

k

a

r

t

o

n

n

e

n

g

l

a

z

e

n

g

e

som

t

e

r

k

e

koďŹƒe

doos

een

een

i

d verhaal

s

een

t

l

e

u

k

e

juf

schaal

23


de overval

20

Naam

De overvaller overvallen!

Gisteren is in het gemeentehuis van Goirle een man gearresteerd. Hij wilde er met de kas vandoor. Met een geweer in zijn hand stond hij in de hal van het gebouw. Alleen al de gedachte dat iemand daar gewapend stond, gaf de mensen een akelig gevoel. Niemand durfde enig geluid te maken. Plotseling kwam er door de ene deur een man die de geboorte van zijn gezonde baby kwam aangeven. Door de andere deur kwam een zojuist getrouwd bruidspaar naar buiten. Het gejuich van de gelukkige familie zorgde ervoor dat het gebrul van de overvaller niet gehoord werd. Geheel onverwachts kwam de politie binnen. Na een kort gevecht werd de overvaller gepakt. Geboeid werd hij in de politiewagen gestopt die voor de deur gereed stond. In de gevangenis kan onze overvaller nu geduldig over zijn gedrag nadenken.

1 Zoek alle woorden met ge- op en schrijf die hieronder. 1

gemeentehuis

7 gevoel

13 gelukkige

19 geboeid

2

gearresteerd

8 geluid

14 gebrul

20 gestopt

3

geweer

9 geboorte

15 gehoord

21 gereed

4

gebouw

10 gezonde

16 geheel

22 gevangenis

5

gedachte

11 getrouwd

17 gevecht

23 geduldig

6

gewapend

12 gejuich

18 gepakt

24 gedrag

2 Wat hoort erbij?

24

Bij geloven hoort geloof

Bij genieten hoort genot

Bij gebruiken hoort gebruik

Bij gedragen hoort gedrag

Bij gebaren hoort gebaar

Bij genezen hoort genezing


de chocoladeboom

21

Naam

In Zuid-Amerika groeit chocolade aan een boom! Nou moet je niet denken dat je een boom vol met repen ziet hangen daar. Maar daar1 staan wel cacaobomen en daaraan2 groeien cacaobonen. In iedere cacaoboon zitten zo’n 30 tot 40 zaadjes. Als je die zaadjes fijnstampt, krijg je cacaopasta. Die pasta wordt met veel kracht samengeperst, waardoor het vet eruit3 loopt: de cacaoboter. En chocolade wordt gemaakt door cacaopasta, cacaoboter en suiker heel goed door elkaar te roeren.

1 Wat wordt er bedoeld met:

2 Wat groeit er precies aan cacaobomen?

daar1 Zuid-Amerika

cacaobonen

daaraan2 aan de cacaobomen

3 Waar wordt chocolade van gemaakt?

eruit3 uit de cacaopasta

cacaopasta, cacaoboter en suiker

4 Wat hoort er bij elkaar? Schrijf dat op.

Kies uit:

chocolade

snoepen

kraken

koffie

zetten

schillen

bessen

rissen

snoepen

noten

kraken

zetten

boontjes

doppen

rissen

mandarijnen pellen aardappels

schillen

doppen pellen

5 Vul maar in. Kies uit: sporten – meubelen – dranken – plaatsnamen 1

Koffie, thee en chocolademelk noem je dranken

2

Voetbal, schaatsen en volleybal noem je sporten

3

Tafels, stoelen en bedden noem je meubelen

4

Edam, Adorp en Utrecht noem je plaatsnamen

25


ziek

22

Naam

1 Kies uit de volgende woorden: want, en, omdat, hoewel, omdat, maar, zodat 1

Sonita blijft in bed, omdat

ze ziek is.

2

Sonita blijft in bed, want

ze is ziek.

3

Sonita is ziek, zodat

4

Sonita wil uit bed, hoewel

5

Sonita blijft in bed, maar

ze thuis blijft. ze ziek is. ze wil

eigenlijk wel naar school. 6

Sonita mag uit bed, omdat

ze

weer beter is. 7

Sonita is beter en

mag nu

weer naar school.

2 Maak iedere keer van twee zinnen één zin. Let op, want soms verandert de volgorde in de zin. 1 Sonita gaat niet naar school. Ze is ziek.

Sonita gaat niet naar school, omdat zij ziek is. 2 Ze moet in bed blijven. Ze wordt anders nog zieker.

Ze moet in bed blijven, omdat ze anders nog zieker wordt. Ze moet in bed blijven, want anders wordt ze nog zieker. 3 Sonita wil alleen in bed blijven. Moeder leest haar voor.

Sonita wil alleen in bed blijven, als moeder haar voorleest. 4 Moeder leest voor. Sonita valt in slaap.

Moeder leest voor totdat Sonita in slaap valt. Terwijl moeder voorleest, valt Sonita in slaap. 5 Ze wordt wakker. Is nog niet helemaal beter.

Als ze wakker wordt, is ze nog niet helemaal beter. Ze wordt wakker, maar is nog niet helemaal beter. 6 ’s Avonds voelt ze zich beter. Ze kan de volgende dag weer naar school.

’s Avonds voelt ze zich beter, zodat ze de volgende dag weer naar school kan.

26


23

de eerste ruimtevaarder

Naam

In 1957 ging er voor het eerst een levend wezen de ruimte in. De uitverkorene was Laika, een Duitse herder. Ze werd als proefkonijn de ruimte ingestuurd aan boord van een Russisch ruimtevaartuig. Ze keek erg ongelukkig toen ze de ruimte in ging. En dat was terecht, de raket kwam niet meer terug op aarde. Vier jaar later ging de eerste mens de ruimte in: Yoeri Gagarin. En op 20 juli 1969 landden de eerste mensen op de maan. Nu zijn er al ruimtevaarders langer dan een jaar in de ruimte geweest. En er zijn heel veel mensen die graag een ruimtereis willen maken. Dat lijkt hen een spannende vakantie.

1 Hoe heette het dier dat in 1957 de ruimte in ging?

Laika 2 Wat was dat voor een dier? een muis een hond een aap een konijn

5 Wat betekent uitverkoren? gelukkig

3 In welk jaar ging de eerste mens

gelanceerd

de ruimte in?

beroemd

In 1961

uitgekozen

4 Waarom werd er niet een mens als eerste de ruimte ingestuurd?

6 Welke zin is goed? Zet een kruisje in het hokje.

Laika was de uitverkorene

Laika voelde zich geen uitverkorene.

een Duitse herder is niet zo duur

Laika diende als proefkonijn.

het was een bemande raket

Yoeri Gagarin landde in 1961 op de maan.

voor mensen was dat te riskant

Je kunt vakantiereizen naar de maan maken. 27


mooie rijtjes

24

Naam

1 Wat hoort er niet bij? Zet daar een rondje om. Schrijf ook op welk verzamelwoord erbij hoort. Kies uit de verzamelwoorden: huisdieren – drinken – schrijven – spellen – te voet – muziekinstrumenten – bestek – water – haren – dierenverblijven – warm maken – vogels – schoeisel hond

beek

beker

kat

brug

mok

cavia

rivier

kopje

vlo

meer

schoteltje

huisdieren

water

drinken

balpen

muis

trompet

wandelaars

koelkast

vlakgum

spreeuw

fluit

voetgangers

broodrooster

vulpen

mus

pianist

toeristen

magnetron

potlood

ekster

saxofoon

lopers

oven

schrijven

vogels

muziek-

te voet

warm maken

instrumenten schaatsen

hondenhok

wenkbrauw

schaar

schaken

gympjes

kattenbak

wimpers

mes

dammen

sloffen

paardenstal

snor

vork

puzzelen

schoenen

koeienschuur

nagel

lepel

pionnen

schoeisel

dieren-

haren

bestek

verblijven 2 Wat is er eerst en wat komt later? Teken een pijltje.

28

driewieler  fiets

verband  wond

morgen  gisteren

schoon  zeep

smelten  sneeuw

wolken  regen

juni  juli

ei  kuiken

wolken  sneeuw

drinken  dorst

opendoen  aanbellen ongeluk  ziekenauto

rennen  hijgen

verdriet  huilen

middernacht  half één

soep  toetje

eergisteren  gisteren

ijs  vriezen

spellen


meer leuke raadsels

25

Naam

1 Los de rebus maar op. Kijk naar het aantal vakjes.

o

een

een

v

een

e

h

r

e

l

e

a

r

t

l

e

i

n

j

n

z

i

c

h

t

b

a

a

r

insect

een

z

o

n

n

i

g

strand

eiland

k

e

taart

2 Schrijf het goede woord op. Gebruik elk woord ĂŠĂŠn keer. Kies uit: steen, wol, zilver, spannend, verroest, grappig, steil, hout, koud, karton, ernstig, riet, gemeen, koper, vol, antiek Let goed op: steen wordt stenen. 9 een wollen

1 een stenen

huis

2 een verroeste

fiets

10 een spannend

verhaal

3 een koude

winter

11 een rieten

dak

4 een houten

tafel

12 een steile

helling

5 een ernstig

ongeluk

13 een koperen

kandelaar

6 een kartonnen

doos

14 een volle

prullenmand

7 een grappige

clown

15 een gemene

streek

8 een zilveren

ketting

16 een antieke

klok

trui

29


26

op de rommelmarkt

Naam

Op de rommelmarkt zie je een kraampje met oud speelgoed. Vul de woorden goed in. Verander ze zo, dat ze passen in de zin. Bijvoorbeeld:

rond  ronde buis wol  wollen trui

1 hout

13 fraai

Op een 1 houten

2 leuk

14 lang

knuffelbeer met een 3 wollen

jasje aan.

3 wol

15 groot

Daarnaast staat een 4 metalen

auto in een

4 metaal

16 rond

5

5 klein

17 vrolijk

met die 7 rode

6 katoen

18 oud

locomotief en dat 9 blauwe

7 rood

19 gekleurd

Als ik mocht kiezen, kocht ik die 10 grappige

8 wit

20 koper

met die 11 glazen

9 blauw

21 nieuw

12

10 grappig

22 fluweel

prachtig. Voor mijn vriendinnetje koop ik die

11 glas

23 aardig

13

12 mooi

klein

mooi fraaie

krukje zit een 2 leuke

kistje. Zie je ook die 6 katoenen

zak

jojo? Ik vind die 8 witte wagonnetje wel leuk. glijbaan

knikkers. Het geeft een geluid als ze onderaan komen. Dat klinkt

tol met dat 14 lange

Misschien dat mijn vriendje die 15 grote

touw. hoepels

wel leuk vindt. Ze zijn gemaakt van 16 ronde buizen. Op de markt komen er allemaal 17 vrolijke mensen kijken. Ze vinden dat 18 oude

speelgoed

heel leuk om te zien. Misschien hebben ze zelf wel met hoepels en 19 gekleurde mensen kopen 20 koperen

tollen gespeeld. Een paar kandelaars voor een

21

nieuw

poppenhuis. Die zullen mooi staan bij de

22

fluwelen

gordijntjes. Ze lopen snel naar huis om

iemand blij te maken met zo’n 23 aardig

30

cadeautje!


in de tuin

27

Naam

1 Schrijf de woorden uit de bloemen maar op. be-

ver-

begonia

verbouwen

begieten

verplanten

beplanting

vergeet-mij-nietje

besproeien

verzetten

bewolking

verpotten

bemesten

verrotten

begroeien

verdelgen

2 Schrijf de woorden op die met ver- kunnen beginnen. -baar

-dedigen

-zondheid

-zetting

-volking

-zegde

-binding

-brul

-betering

-wegen

-ton

-koopster

-lasting

-andering

-lovig

-koeien

-duld

-sparen

-boorte

-vecht

-roep

-band

-gin

-wapend

-buigen

-driet

verdedigen

verandering

verbinding

verband

verbetering

verdriet

verkoopster

verbuigen

31


in de war

28

Naam

1 De zinnen van het verhaal staan door elkaar. Schrijf het verhaal opnieuw, maar dan in de goede volgorde! Maar eigenwijze Elsje had daar geen zin in.

Het was een bitterkoude winterdag.

‘Doe je muts op en je das om,’ zei moeder.

Elsje zou voor haar moeder een

‘Tja,’ zei haar moeder, ‘Wie niet horen wil, ...’

boodschap doen. ‘Doe je muts op en

Het was een bitterkoude winterdag.

je das om,’ zei moeder. Maar eigenwijze

Na een half uur kwam ze huilend van de kou

Elsje had daar geen zin in. Na een half

weer thuis.

uur kwam ze huilend van de kou weer

Elsje zou voor haar moeder een boodschap

thuis. ‘Tja,’ zei haar moeder.

doen.

‘Wie niet horen wil, ...’

2 Wie niet horen wil, ... Welk stukje zin hoort hierachter? krijgt het koud. moet maar voelen. eigen schuld. moet haar muts opdoen.

3 Wat bedoelt Elsjes moeder met de zin Wie niet horen wil...? Welke zinnen betekenen hetzelfde? Als je je muts op en je das had omgedaan, dan had je het nu niet zo koud gehad! Als je beter naar me geluisterd had, dan had je het nu lekker warm! Als je geen boodschap had gedaan, dan had je het nu niet zo koud gehad! Als je je muts over je oren had getrokken, had je mij niet gehoord.

4 Het was een bitterkoude winterdag. Bitterkoud betekent heel erg koud. Wat hoort bij de volgende woorden Kies uit: peper – pijl – stamp – lood – dood – spot – flinter

32

lood

zwaar

stamp

vol

dood

stil

flinter

dun

peper

duur

pijl

snel

spot

goedkoop


29

wat zullen we koken?

Naam

Bart en Fidan willen een feestmaal maken voor de verjaardag van Roos. Ze lezen in hun kookboek allerlei recept  recepten. Zet jij de andere woorden ook in het meervoud? Voorbeeld: lepel  lepels; kiwi  kiwi’s

Bart

Zet in het meervoud

Fidan

Zet in het meervoud

bij Bart:

recepten

magnetrons

bij Fidan:

recept – aardbei –

aardbeien

kilo’s

magnetron – kilo –

keukenmachine –

keukenmachines

eieren

ei – paprika –

kookwekker –

kookwekkers

paprika’s

mixer – ovenschaal –

pollepel – kiwi –

pollepels

mixers

appel –

ovenschotel – ui –

kiwi’s

ovenschalen

thermometer –

oven – snuifje –

ovenschotels

appels

gram – liter – uur –

braadpan – citroen

uien

thermometers

melkkan

ovens

grammen

snuifjes

liters

braadpannen

uren

citroenen

melkkannen

33


30

beroepen

Naam

1 Wat hoort er bij elkaar? Schrijf het goede woord erachter. Kies uit: afvoerpijp – telefoon – dienblad – thermometer – brief – teugels – huis – preekstoel – kazerne – bekeuring – lasso postbode

brief

dominee

preekstoel

politieagent

bekeuring

ober

dienblad

loodgieter

afvoerpijp

bouwvakker

huis

koetsier

teugels

telefoniste

telefoon

cowboy

lasso

soldaat

kazerne

dokter

thermometer

2 Wie zegt het? Denk aan de beroepen hierboven. ‘Zo nu nog even deze twee pijpen aan elkaar bevestigen, dan kan de kraan weer open.’ Dat zegt de loodgieter ‘Die koe dwaalt veel te ver af.’ Gauw geeft hij zijn paard de sporen en gaat eropaf. Dat zegt de cowboy ‘U rijdt zonder licht in het donker; dit keer blijft het bij een waarschuwing, maar de volgende keer krijgt u een bekeuring. Daar kunt u op rekenen!’ Dat zegt de politieagent ‘Wie heeft er twee koffie, vier limonade en een chocomel besteld?’ Dat zegt de ober ‘Helaas heb je nog koorts, je moet nog maar een paar dagen binnen blijven.’ Dat zegt de dokter (verpleegster)

34


31

dieren

Naam

1 Vul in, kies uit de volgende woorden: zwerm – kudde – nest – span – koppel – school een kudde

schapen

een nest

jonge hondjes

een span

paarden

een zwerm

vogels

een school

vissen

een koppel

ganzen

2 Mensen lijken soms net dieren. Kijk naar de tekeningetjes en vul het goede dier in. zo dom als een ezel

zo sterk als een paard

zo slim als een vos

zo mak als een lam

zo nijdig als een spin

zo bang als een wezel

zo trouw als een hond

zo rood als een kreeft

Welk dier blijft er over? poes/kat 3 Zoek het goede spreekwoord bij de volgende zinnen. Zet de nummers van de zinnen in de hokjes. 1 Zodra de juf even weg is, wordt er door de klas gerend. 2 De buurman schreeuwt wel, maar je hoeft niet bang te zijn. 3 Zijn vader kocht een emmer met een gat erin. 4 Jan Jansen maakt die fout heus niet nog een keer.

3 Een kat in de zak kopen. 1 Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. 4 Een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen. 2 Blaffende honden bijten niet. 35


32

laden en lossen

Naam

Laad de kisten van de firma -heid van het schip in de containers. Voorbeeld: aardig ď § aardigheid. Schrijf op: aardigheid. Laad de kisten van de firma -ing ook in de container. Zo maak je het schip leeg.

-heid

aardigheid

dapperheid

oefening

botsing

snelheid

gladheid

keuring

richting

schoonheid

vrijheid

stijging

rekening

wijsheid

zekerheid

dreiging

wandeling

waarheid

mensheid

ontmoeting

sluiting

aardig snel

36

-ing

oefen

wijs

dapper

dreig

richt

wandel

schoon

stijg

glad

ontmoet

zeker

mens

keur

waar

vrij

bots

reken

sluit


de modderman

33

Naam

Jos en Gert liggen dubbel van het lachen. Die Martijn! Moet je zien hoe hij1 eruitziet. Zijn broek zit helemaal onder de smurrie. Maar Martijn lacht niet mee. ‘Hé joh, wat sta je daar nou!’ roept Jos. ‘Ga een andere broek aantrekken. Dan zal ik2 in het doel gaan staan en mogen Gert en jij3 schieten.’ ‘Ik durf zo niet naar huis,’ zegt Martijn zachtjes. Zijn stem trilt. Jos en Gert hollen naar hem4 toe. ‘Waarom niet?’ vraagt Gert. ‘Je komt toch wel vaker onder de modder thuis?’ ‘Jawel,’ zegt Martijn. ‘Maar dit is geen modder. Ruik maar. Dit is weer hondenpoep, net als gisteren. En kwaad dat mijn moeder toen5 was!’ * 1 Wat zijn Jos, Gert en Martijn

2 Zijn stem trilt. Hieruit kun je opmaken dat Martijn

aan het doen? De jongens

boos is

kwaad is

zijn aan het voetballen

bang is

blij is

3 Wie of wat wordt bedoeld met hij1

Martijn

jij3

Martijn

ik2

Jos

hem4

Martijn

toen5

gisteren

4 ‘... liggen dubbel van het lachen’ betekent dat ze heel erg moeten lachen. In de woorden hieronder zitten vijf woorden verborgen die ook een soort lachen betekenen. Zet daar een rondje om. smiespelen – grijnzen – ploeteren – gniffelen – kwebbelen – glimlachen – puffen schateren – schutteren – giechelen – begeren – genieten

5 Welke zin is goed? smurrie en modder zijn hondenpoep. hondenpoep en modder zijn smurrie. smurrie en hondenpoep zijn modder. * Uit: Rika Vliek De Leeslift Omniboek/Den Haag

37


het kookfestijn

34

Naam

Maak het verhaal in orde. Kies uit de woorden: allemaal, iets, niemand, alles, iemand, elkaar, wat, die, dat, anderen, alle, iedere Sanne, Bouke, Dapne en Jelle hebben een kookclubje. Iedere maken ze iets

lekkers klaar. Wat dat

is, is iedere

weer een verrassing. Wanneer ze bezig zijn, mag niemand

alle

woensdagmiddag

hen storen,

ramen en deuren blijven dicht. Sanne en Bouke helpen elkaar

het schillen van de aardappels. Daphne en Jelle doen alles precies van elkaar

, wat

fijn en doet alles

in een grote pan.

iemand

samen en weten

vinden de anderen

een lekkere worst. Iedere

niets. Ze willen

week nodigt het kookclubje

uit. De laatste keer kwam de oma van Sanne eten. Haar oma houdt van

lekker smikkelen en smullen. Oma neemt een grote hap van de stamppot. ‘Nou, die als worst,’ zegt ze. ‘Nee,’ zegt Jelle, ‘er zit worst in!’ Oma moet hard lachen. ‘ Dat uitdrukking,’ zegt ze, ‘en dat betekent

dat

het heel erg lekker is.’

Nou dat vinden ze ook wel!

38

met

ze moeten doen. Daphne snijdt de boerenkool

Jelle wil er uien door doen, maar dat wel allemaal

keer

is een

boerenkool gaat erin


35

hetzelfde

Naam

1 De volgende woorden passen telkens in twee verschillende zinnen. Vul in: uitslag – noten – weer – stuk – rol – bank 1 Tom speelt muziek uit zijn hoofd; hij kan geen noten 2 Van aardbeien krijgt Elsje altijd uitslag 3 Kom je morgen weer

lezen. op haar armen.

spelen?

4 Jaap ging naar de dokter; hij krijgt morgen de uitslag 5 Nu is het klokje alweer stuk

; morgen koop ik een nieuwe.

6 Wie lust er een stuk

taart?

7 Wil je een rol

drop of pepermunt?

8 Oom Henk ging naar de bank om geld te halen. 9 Eerst kraken, daarna kun je deze

noten

opeten.

10 In dat toneelstuk heeft Roman een prachtige

rol 11 Met zulk slecht weer

hoef je niet

op de fiets! 12 Minou zit op de bank

de krant

te lezen.

2 Sommige woorden klinken hetzelfde, maar toch schrijf je ze verschillend. Geef die woorden steeds twee aan twee dezelfde kleur. 1 ‘Wij zagen een bij op de hei,’ vertelde hij. 2 ‘Ik koop een blouse van zijde,’ zei zij. 3 ‘Wij lopen nooit in de wei,’ lachten zij. 4 Hij vroeg: ‘Help je mij in maart of in mei?’

39


piekerblad 2

36

Naam

Ga je mee op jacht naar de schat van Nico de Verschrikkelijke? Vul maar op de eilandjes in wie er woont: Nico, Paul, Julius, Marcel of Evert. Wat hij drinkt: wijn, rum, port, cola of koffie. Uit welk land hij komt: Frankrijk, Spanje, Italië, Belgie, of Nederland. En wat voor dier hij heeft: papegaai, zeehond, kat, hond of leeuw. Om je te helpen, krijg je een heleboel aanwijzingen. Zo gauw je iets weet, vul je het in!

Zeerover

Marcel

Evert

Julius

Nico

Paul

Land

Italië

Nederland

Spanje

België

Frankrijk

Dier

kat

leeuw

papegaai

zeehond

hond

Drank

wijn

koffie

cola

port

rum

Aanwijzingen 1 Op het derde eiland drinken ze cola. 2 Links van de cola drinker woont iemand uit Nederland. 3 Rechts van die Nederlander woont de Spanjaard.

11 De kat van Marcel heeft nog nooit de koffie op het eiland van de buren gezien. 12 Paul houdt niet van koffie. 13 Nico heeft geen papegaai. 14 Julius is een Spanjaard.

4 De papegaai kan niet van de cola afblijven. 15 De zeehond ziet zijn baasje altijd port 5 Rechts van de papegaai woont een zeehond.

16 Evert is gek op koffie.

6 Op het vijfde eiland drinkt men rum.

17 Paul, Nico en Julius komen niet uit Italië.

7 Marcel woont links van degene die uit

18 De Italiaan drinkt wijn.

Nederland komt. 8 Nico komt uit België. 9 Evert woont op het tweede eiland en komt niet uit Frankrijk. 10 De twee roofdieren wonen naast elkaar en ook de twee ‘honden’ wonen naast elkaar. 40

drinken.

19 Paul woont niet op het derde of vierde eiland. 20 De wijndrinker woont naast de Nederlander.


37

een jong in gevaar

Naam

Maak de zinnen van het verhaal maar goed. Vul het woord in dat het beste past. Kies uit: terwijl – als – maar – zodat – hoewel – nadat – zodra – want – omdat – totdat Masika woont in Afrika. Hoewel

slapen, sluipt Jiri, de tijger, naderbij. Hij

ze nog maar een week oud is, weegt ze

heeft haast, want

al meer dan honderd kilo! Ze leeft

honger! Een jong olifantje lijkt hem

samen met andere olifanten in een

heerlijk! De olifanten horen niets,

kudde. Een uur nadat

omdat

ze

geboren was, kon ze al lopen.

Als

hij heeft

ze slapen. Jiri komt

steeds dichterbij. Hij sluipt naderbij,

de kudde te snel gaat,

totdat

hij vlak bij de kring

geeft ze haar moeder een seintje met

olifanten is. Masika ligt nog steeds te

haar slurf. Zodra

slapen, als

de moeder

Jiri op tien

van Masika dit voelt, loopt ze langzamer. meter afstand is gekomen. De zon Na een halve dag lopen is het hoog tijd

brandt op zijn rug. Plotseling ontwaken

om uit te rusten, want

de olifanten. Zodra

dan

ze de

zijn ze allemaal moe. Masika laat zich in

tijger zien, rennen ze op hem af. Jiri ziet

het zand ploffen.

de geweldige poten op zich afkomen en

En omdat

ze moe is, slaapt ze

zo hard als hij kan, rent hij weg. Het

al gauw. De oudere olifanten gaan om

getrompetter van de olifanten klinkt nog

Masika heen staan, zodat

lang na. Masika is wakker geworden van

beschermd is tegen gevaren.

Hoewel ze in. Terwijl

ze

het kabaal, maar

van het

ze blijven staan, slapen gevaar heeft ze niets gemerkt. In de de olifanten

verte besluipt Jiri zijn volgende prooi...

41


huisdieren

38

Naam

Annabel wil graag een huisdier. Robert vertelt haar dat zijn goudvis een beetje saai is. Je kunt er alleen maar naar kijken. Gelukkig is visvoer niet duur en je hoeft de kom maar 1× per week schoon te maken. Joris heeft een konijn dat je kunt aaien. Eten hoef je niet voor hem te kopen, want hij eet groente-afval en oud brood. Iets minder leuk is dat je elke week zijn hok moet schoonmaken dat ruikt niet zo lekker! Jessica heeft een poes die het liefst bij haar op schoot ligt. Ze is dan net een zacht, warm kussentje. Kattenvoer is niet goedkoop en je moet 2× per week de kattenbak schoonmaken. ‘Maar we hebben geen last meer van muizen!’ verteld ze. Ergün is heel blij met zijn hond. Hij vindt het heerlijk om met hem te rennen en te stoeien. ‘Je moet hem wel 3× per dag uitlaten, maar dat vind ik niet erg,’ zegt hij.

1 Schrijf op wat de voordelen en de nadelen zijn van de dieren. voordelen goudvis

konijn

poes

hond

nadelen

visvoer is niet duur,

saai; je kunt er alleen naar

kom 1× per week schoonmaken.

kijken.

konijn kun je aaien.

je moet het hok elke week

en zijn eten is niet duur.

schoonmaken en dat stinkt.

lekker zacht en warm.

eten is duur. 2× per week

vangt muizen.

kattenbak schoonmaken.

echte vriend: je kunt met

wel 3× per dag uitlaten.

hem rennen en stoeien. 2 Andere vrienden van Annabel hebben ook dieren thuis. hamster Josje

1

Kevin

8

cavia

kip

varken

25

350

1 2

Marianne

42

kanarie

1 Wie heeft er twee cavia's? Kevin

4 Wie heeft er de meeste hamsters? Kevin

2 Hoeveel kanaries heeft Josje? 1

5 Wie woont er op een boerderij? Marianne

3 Hoeveel varkens hebben ze bij Kevin? 0

6 Heb je zelf huisdieren?

Hoeveel?


39

kom je ook?

Naam

Martijn heeft al zijn vrienden uitgenodigd voor een grote picknick op zaterdag. Om te weten hoeveel eten hij daarvoor1 moeten inkopen, wil hij graag van tevoren weten op hoeveel mensen hij2 moet rekenen. Daarom heeft hij gevraagd of iedereen3 wilde laten weten of hij of zij er wel of niet zal zijn. Hij kreeg tien briefjes.

1 Wie of wat wordt er bedoeld met: daarvoor1 voor de picknick hij2 Martijn iedereen3 al zijn vrienden 2 Welke vijf vrienden komen er zeker?

Jasper Rosa Marleen Joost Rachid 3 Wat had Joost ook kunnen schrijven? Omcirkel die woorden. misschien – zeker – ongetwijfeld – waarschijnlijk – eventueel – als ik kan – mogelijk – vast en zeker

43


40

muziek

Naam

1 Schrijf de volgende woorden op de goede plaats in de tekst. Kies uit: applaus – instrumenten – dirigent – publiek – concert – orkest – bezoekers – muziek Gijs houdt erg van pop-muziek. Maar muziek van een groot orkest ook graag. Vanavond mag hij mee naar een concert

instrumenten komt de dirigent

stemmen, is het publiek

hoort hij

. Terwijl de orkestleden hun nogal luidruchtig. Maar dan

op. Hij krijgt een warm applaus

van de

bezoekers

. En dan begint de muziek. Gijs luistert ademloos. Zulke mooie

muziek

heeft hij nog nooit gehoord.

2 Zet de volgende woorden in het goede rijtje: geroezemoes – stilte – herrie – fluisteren – ademloos – zwijgen – kabaal – schreeuwen – muisstil – geritsel – luidruchtig – gemurmel geen geluid

44

beetje geluid

veel geluid

stilte

geroezemoes

herrie

ademloos

fluisteren

kabaal

zwijgen

geritsel

schreeuwen

muisstil

gemurmel

luidruchtig


bijna hetzelfde

41

Naam

1 Sommige woorden betekenen ongeveer hetzelfde. Denk aan aan: de jongens klimmen in de grote boom. En aan: de meisjes klauteren in de grote boom. Klimmen en klauteren noem je synoniemen. Zet de volgende synoniemen op de goede plaats: woning – snel – moeilijk – dokter – beestjes – wandelen – langzaam – kijken – bedroefd – ladder – vrolijk – hollen – troep – uurwerk diertjes

beestjes

lastig

moeilijk

rommel

troep

zien

kijken

gauw

snel

arts

dokter

trap

ladder

huis

woning

blij

vrolijk

triest

bedroefd

traag

langzaam

klokje

uurwerk

rennen

hollen

lopen

wandelen

2 Je kunt de synoniemen ook hieronder gebruiken. Kies het beste woord! 1 We hebben bij die wedstrijd staan kijken 2 Hij woont niet in een kasteel, maar in een huis 3 De brandweer bluste de brand vanaf een ladder 4 De oude zakhorloge is een mooi klokje 5 Waarom rijd je toch altijd zo snel 6 Ik kon hem zien

op de autoweg?

aankomen.

7 Dat ongeluk was een trieste

gebeurtenis.

8 Hij moest laatst voor zijn leven rennen 9 Toen ik ziek was, kwam de dokter 10 In hun huis zit geen vaste trap

naar me kijken. naar zolder.

45


42

samen

Naam

1 Zet het nummer op de goede plaats in de tekening. 1 hiel 2 kuit 3 hals 4 nek

9

10

5 handpalm 6 wreef 7 voetzool

5

8 dij 9 wimper 10 wenkbrauw

4

3

2 Welk woord hoort er niet in het rijtje? oog

hoofd

elleboog

oor

been

pols

neus

enkel

buik

knie

voet

hand

8 6

2 1

7

• Want ik bloosde heel erg.

• Ik kon niets meer zeggen.

• Dat zei ik met grote stelligheid.

• Of ik alles goed had begrepen.

• Ik moest daar aldoor aan denken.

• Ik was er niet bij met

• ‘Kun je niets zeggen?’

mijn gedachten.

3 Welke van bovenstaande zinnen passen er goed in dit verhaaltje? Schrijf ze maar op de goede plaats. Bij taal had ik mijn hoofd er niet bij.

Ik was er niet bij met mijn gedachten. Mijn verjaardag maalde steeds door mijn hoofd.

Ik moest daar aldoor aan denken. Opeens vroeg juf: ‘Heb je je tong verloren?’

mond vol tanden. Ik kon niets meer

zeggen. Ze lachte en vroeg of ik mijn les onder de knie had. Of ik alles goed had

begrepen.

Ze vroeg: ‘Kun je niets zeggen?’

Met de hand op mijn hart verklaarde ik dat

Ik had niets gehoord en kreeg een hoofd als

ik alles snapte.

een biet. Want ik bloosde heel erg.

46

Wat moest ik zeggen? Ik stond met mijn

Dat zei ik met grote stelligheid.


bevrijd!

43

Naam

1 Maak dit verhaal goed. Kies uit de woorden: tuiten – stillen – waarschuwen – omgekomen – roepen – lessen – gered – bevrijdde – gezonken – gekomen – spraken – openen 1 Gisteren hebben een paar kinderen een man gered 2 Ze hoorden uit een grote container om hulp roepen 3 De deuren waren dicht en van binnenuit niet te openen 4 De moed was de man al in de schoenen gezonken 5 Hij was al bijna van honger en dorst omgekomen 6 Maar de kinderen spraken

hem moed in.

7 Een van de kinderen ging de politie waarschuwen 8 Die kwam meteen en bevrijdde

de man.

9 Die ging eerst zijn dorst lessen 10 En daarna wilde hij zijn honger stillen 11 Toen hij op verhaal was gekomen

, bedankte hij iedereen.

12 Van dankbaarheid huilde hij tranen met tuiten

2 De man voelde zich heel erg ongelukkig. Je zegt dan wel: doodongelukkig. Maak zo de volgende woorden af. Kies uit: brood – stok – oer – piep – pik – doods – kei – spier – kurk – splinter – olie – lijk 1

lijk bleek

7

splinter nieuw spier wit

2

stok oud

8

3

brood mager

9

kei hard

4

piep jong

10

oer gezond

5

olie dom

11

pik zwart

6

kurk droog

12

doods bang

47


44

allemaal dieren

Naam

1 Vul de dieren in. 1 Zo sterk als een

beer

pauw

7 Zo gezond als een vis

2 Zo slim als een

vos

hoentje

8 Zo fris als een

hoentje

vis

3 Zo bang als een

wezel

beer

9 Zo doof als een

kwartel

kreeft

4 Zo nijdig als een

spin

vos

10 Zo dom als een

ezel

hond

5 Zo glad als een

aal

spin

11 Zo rood als een

kreeft

kwartel

6 Zo ziek als een

hond

wezel

12 Zo trots als een

pauw

ezel

aal

2 Welke zinnen betekenen hetzelfde? Geef die hokjes dezelfde kleur. Zij gaat altijd vroeg naar bed.

Ze maken altijd ruzie.

Zij wast dat varkentje wel even.

Zij doet een dutje.

Zij leven als kat en hond.

Zij knapt dat zaakje wel op.

Zij knapt een uiltje.

Ze gaat met de kippen op stok.

3 Soms heb je één medeklinker in het midden: kuiken. Soms komt er een dubbele: kikker. Maak er meervoud van en zet ze in de goede rij. Kies uit: kuiken – krab – kip – wesp – specht – slak – mus – mol – hond – geit – eend – vos – giraf – vink – valk – uil – pad – marmot één medeklinker

48

dubbele medeklinker

kuikens

krabben

wespen

kippen

spechten

slakken

honden

mussen

geiten

mollen

eenden

vossen

vinken

giraffen

valken

padden

uilen

marmotten


uit de school geklapt

45

Naam

1 De middelste rij is een beetje door elkaar geraakt. Zoek jij het goede deel erbij? Streep door wat je gehad hebt. vrien- ge

-lijk

vriendelijk

per-

me

-lijk

persoonlijk

waar- te

-lijk

waarschijnlijk

let-

nink

-lijk

letterlijk

ei-

se

-lijk

eigenlijk

ko-

ter

-lijk

koninklijk

mis-

de

-lijk

misselijk

hu-

soon

-lijk

huwelijk

-lijk

makkelijk

ge-

we

-lijk

gevaarlijk

mogelijk

na-

vaar

-lijk

namelijk

mak- gen mo-

schijn -lijk

fees- ke

-lijk

feestelijk

Op school zitten is een tamelijk zwaar leven! Zoals jullie weten, moeten kinderen op school behoorlijk hard werken. Waarschijnlijk zelfs te hard. Bijna elke dag krijgen de meeste kinderen makkelijke, maar vaak ook heel moeilijke sommen. Onmiddellijk daarna moeten ze allerlei schriftelijke opdrachten maken. Soms zijn dat vreselijk onduidelijke opdrachten. Hopelijk zijn op jullie school alleen vriendelijke mannelijke of vrouwelijke leerkrachten die hun werk voortreffelijk doen. Dan doen ze het ook op een begrijpelijke manier. Gelukkig maar dat niet elke dag zo ongelooflijk zwaar is!

2 Zet de -lijk(e) woorden uit het verhaal in de goede rij. -lijk

-lijke

tamelijk

vreselijk

makkelijke

vriendelijke

behoorlijk

hopelijk

moeilijke

mannelijke

waarschijnlijk

voortreffelijk

schriftelijke

vrouwelijke

onmiddellijk

ongelooflijk

onduidelijke

begrijpelijke

49


oppassen

46

Naam

1 Bij de plaatjes hoort steeds één werkwoord. Elk werkwoord begint met aan of met op. Kijk eerst goed naar de plaatjes. Kies dan een werkwoord. Kies uit: houden – bellen – nemen – geven Schrijf de werkwoorden daarna goed op!

ww. bellen

ww. houden 1

aanhouden

1

opbellen

2

ophouden

2

aanbellen

ww. geven

ww. nemen 1

opnemen

1

aangeven

2

aannemen

2

opgeven

2 Weet je er nog meer? Kies uit: aan – op – ge – be – voor – na 1 Bij gevaar moet je oppassen en kleren kun je aan 2 De dieren kregen een nieuwe op

aan

passer. Hij moest eerst een speciaal pak

passen.

3 Toen hij eenmaal gewend was, kon hij seintjes op bedroefd, omdat ze waren ge

meten. Daarna ging hij de kooien

meten.

5 De leeuwen wilden eerst niet in de rij aan elkaar en be

sluiten, later wel. Nu staan ze mooi achter

sluiten rustig naar buiten te gaan.

6 Wil jij een kunstje na 50

vangen van de dieren. Ze waren

vangen.

4 De oppasser liet zich een ander pak aan

op

passen.

doen? Dan zal de oppasser het eerst voor doen!


in huis

47

Naam

1 Wat doe je? 7

u

i

9

e

n

r

u

h

De tafel

a

f

r

de ramen

z

e

m

de kast

o

p

s

c

o

p

d

4

de vloer de was

8

de vaat

m

e

n

i

m

e

m

r

o

b

b

e

h

a

n

g

e

n

o

e

n

i

t

k

l

o

p

p

e

n

u

i

g

e

n

3

5 1

het tafellaken

u

boodschappen

d

o

e

de kamer

s

t

o

f

z

eten

k

o

k

e

n

6

n

10

n 2

Schrijf de letters in het goede hokje. 1

h

2

u

3

i

4

s

5

h

6

o

7

8

u

d

9

e

10

n

2 Ontbijten. Vul de goede woorden in. Kies uit: drink – zet – doe – zet – snijdt – ga – dek – smeert – ruimt Mijn vader zet

koffie.

Mijn moeder zet Ik dek

thee. de tafel.

Mijn moeder smeert Mijn vader snijdt

een boterham. de kaas.

Ik doe

beleg op mijn boterham.

Ik drink

mijn melk.

Mijn moeder ruimt Ik ga

de tafel af.

naar school.

51


puzzelwoorden

48

Naam

1 Maak van de negen woorden in de tekening steeds drie nieuwe woorden.

monteur – kinder –

kamer – les – blok – auto – auto – brand –

boten – boter –

duizend – honderd –

slaap – raam –

worst – bak – zeil –

vracht – boeken –

fluit – weer

kamer – planten –

vijf – schrijver – wagen

ham – verhuur

brandweerauto

boterhamworst

kinderboekenschrijver

slaapkamerraam

kamerplantenbak

vrachtwagenmonteur

blokfluitles

zeilbotenverhuur

vijfhonderdduizend

2 Vul één woord in. Je krijgt daardoor drie woorden. ham room

boter

boterham roomboter

vloot

kamer klok

botervloot

huis

huis

kamer werk

wacht

moes aard

rug

appel

maat vracht

auto

boom

bus

doek

bel

zak

kamer mes

52

plant

deur knop


49

haren

Naam

Weet je hoeveel haren je elke dag verliest? Ongeveer 100! Gelukkig heb je er meer dan 100.000 op je hoofd. En als je blond bent, heb je er misschien zelfs wel 140.000. En al die haren worden geknipt of vallen uit. Maar dan komen er weer nieuwe voor in de plaats. Zonder knippen worden je haren misschien wel 150 centimeter lang. Maar dan moet je wel een meisje zijn en ruim 12 jaar geduld hebben. Ben je een jongen of heb je kroeshaar, dan blijft je haar altijd veel korter. Alleen met steil haar kan je haar heel lang worden.

1 Hoeveel haren raak je ongeveer per dag kwijt? 100

700

150

100.000

2 Welke zinnetjes zijn goed? Kinderen met blond haar hebben meer haren dan kinderen met donker haar. Steil haar kan langer worden dan kroeshaar. Het haar van jongens wordt ongeveer 12 jaar oud. Veel mensen hebben meer dan 100.000 haren.

3 Wat hoort erbij? Kies uit: pot – rol – fles – bos – pak – paar een bos

haar

een paar

wanten

een pot

honing

een paar

schoenen

een fles

wijn

een fles

azijn

een rol

beschuit

een pot

jam

een pak

suiker

een bos

bloemen

een pak

macaroni

een rol

biscuit

53


storm

50

Naam

De vissers luisteren naar het weerbericht. Dat1 voorspelt niet veel goeds. Er is zwaar weer op komst. De vissers kijken bedenkelijk naar de lucht, terwijl ze zich afvragen of ze het erop zullen wagen. De oudste visser zegt: ‘Dat2 moesten we maar niet doen. Daar komen nog ongelukken van.’ De anderen knikken opgelucht, behalve Stoere Harm. Die zegt: ‘Er moet toch brood op de plank komen!’ Ze proberen hem3 nog tegen te houden, maar hij slaat hun waarschuwingen in de wind. En ondanks de hoge golven vaart hij toch het haventje uit. Als na een paar uur lichtkogels worden afgevuurd, weten ze4 wel hoe laat het is. Gelukkig is de reddingsboot snel ter plaatse en loopt alles met een sisser af.

1 Ondanks de hoge golven, vaart hij het haventje uit. Welke zin betekent hetzelfde?

3 Welke zinnen kloppen? Harm wilde geld verdienen.

Hij vaart het haventje uit, omdat er hoge

Met zware storm moet je niet uitvaren.

golven waren.

Alles liep toch nog goed af.

Hoewel er hoge golven zijn, vaart hij toch het haventje uit. Hij vaart het haventje uit, dankzij de hoge

4 Welke zin hoort bij: Hij slaat hun waarschuwingen in de wind.

golven.

Door de wind kon hij het niet horen.

Terwijl de golven niet hoog zijn, vaart hij

Hij wil er niet naar luisteren.

het haventje uit.

Hij is een stoere visser. Hij slaat ze ermee om de oren.

2 Wie of wat wordt er bedoeld met dat1

weerbericht

dat2

uitvaren

hem3 Stoere Harm ze4

vissers

5 Welke zin hoort bij: Ze wisten wel hoe laat het was. Het was een paar uur later. Het schip van Stoere Harm was in nood. Het was veel te laat voor Stoere Harm. Het was nieuwjaar geworden.

54


51

opgeruimd staat netjes

Naam

Ruim de kast eens op. Vind jij de synoniemen? Welk woord blijft er over? eindigen

worstelen

stoeien pakken

grijpen ruiken

snuiven dragen

sjouwen stelen

roven spitten

grijpen

pakken

ruiken

kliederen

piekeren

knoeien

denken

kuchen

hoesten graven

spitten hoesten

kuchen roven

graven

stelen

wandelen

jammeren

lopen grinneken

lachen

snuiven

huilen smijten

gooien

staren

kijken denken

piekeren smullen

smikkelen sjouwen

kijken

staren knoeien

kliederen smikkelen

smullen lachen

grinneken stoeien

worstelen eindigen

dragen gooien

smijten

lopen

wandelen

huilen

jammeren

55


52

de foto

Naam

De fotograaf heeft de vakantiefoto’s van Sabine vergroot. Nu lijkt het net alsof alles groter en mooier is geworden.

Vul het goede woord in. Bijvoorbeeld: hoge  hoger  hoogste. 1 Hoge golven. Die golven zijn hoger Dat zijn de hoogste

golven.

2 De harde wind. Die wind waait harder Daar waait de wint het hardst 3 De zoute

haring. Die haring is zouter.

Dat is de zoutste 4 Het lekkere

haring. ijsje. Dat ijsje is lekkerder.

Dat is het lekkerste

ijsje.

5 De warme zonnestralen. Die zonnestralen zijn warmer De warmste

zonnestralen.

6 De mooie schelp. Die schelp is mooier Dat is de mooiste 7 Het steile

schelp. duinpad. Dat duinpad is steiler.

Dat is het steilste 8 Het prachtige

duinpad. zandkasteel. Dat kasteel is prachtiger.

En dat is het prachtigste

zandkasteel.

9 Diepe kuilen. Dat zijn diepere Dat zijn de diepste 10 Fraaie

kuilen. parasols. Die parasols zijn fraaier

Dat zijn de fraaiste parasols. 56

kuilen.


één + één = één

53

Naam

1 Soms kun je van twee losse woorden één nieuw woord maken. Bijvoorbeeld als je een kan hebt waar je melk in doet, dan heb je een melkkan. Over welke woorden gaat het hieronder? Een klok die bij een kerk hoort, is een kerkklok Een plank waarop je kunt lopen, is een loopplank Een plaats waar je kunt slapen, is een slaapplaats Een toch die je met een boot maakt, is een boottocht Als je zo stil bent als een muis, dan ben je muisstil Acht en tien is samen achttien Een doek om je handen af te drogen, is een handdoek De sleutel van een huis is een huissleutel Een kam die in je zak past, is een zakkam Een doek om je hoofd te beschermen, is een hoofddoek

2 De tekeningen horen twee aan twee bij elkaar. Bij 1 zie je een poot. Daar kan de tafel voor: tafelpoot. Dan schrijf je bij 1 dat woord op. En je kleurt de tafel. Bij 2 zie je een mat. Welk woord komt ervoor? Schrijf dat maar op. 1

tafelpoot

6

schoolbord

2

deurmat

7

zonnebank

3

boekenplank

8

koffiepot

4

theelepel

9

deurknop

5

bloemenvaas

8

3

1 5

4

7

9

2

6

57


piekerblad 3

54

Naam

Hier ben je op het eiland van Nico de Verschrikkelijke. Van de vijf schatkisten op het eiland is er maar eentje echt. Begin bij de letter n. Volg de route van de puzzel en vul de woorden in volgorde in. De laatste letter van een woord is steeds weer de eerste letter van het volgende woord. De letters in de vakjes met een getal vertellen je waar je moet graven. Kun je de echte schatkist vinden? Geef hem maar een kleurtje.

Je ruikt met je ...

1

De koeien staan

a

’s winters op ...

a

Een straat met bomen ...

t

Zij is mijn nicht en hij

a

is mijn ...

a

Wijn schenk je uit een ...

l

r

14

Als je niks hoort, ben je ... In de bioscoop draait een ...

u

f

s t 2

l

e

e

4

s

5

t

e

a

15

3

l

o m

a

a

a 6

n

r t s

o

o

u

r

k

k

o

l

o

a

12

b e 1

o

2

8

r 3

4

5

n a a s t o

6

7

d e

8 10

9

10

11

12

p

13

l

7

a 14

e m

a 15

p a l m b o o m 9

s

e m a

a

o

v

e

a

r

e

l

a m s

t

r

k

Een koe geeft ...

e

Ik ... heel hard in mijn handen.

o

11

l

o

o

n

Twee schoenen noem

58

f l

13

o

d

i

Amsterdam is een grote ...

e

n

je samen een ...

Ik neem een grote ... limonade.

Man die drankjes rondbrengt.

De kleur van aardbeien

Het is geel en je maakt het van

Komt uit de schoorsteen.

is ...

melk.

Een varken heeft in zijn

Geen heer, maar een ...

Niet breed, maar ...

staart een ...

Niet oneven, maar ...

Hier worden schoenen

Niet vroeg maar ...

Aan een notenboom

van gemaakt.

Hij speelt in de harmonie

groeit een ...

Rode bloem die lekker ruikt.

de grote ...

Er ligt een ... druiven

Ligt op de bodem van een

Staat ’s nachts aan de hemel.

op de schaal.

konijnenhok.

r o o d


de goochelaar

55

Naam

De goochelaar goochelt zakdoeken uit zijn hoed! Maar de woorden zijn er afgevallen... Help je even mee om de truc te laten lukken? Kies uit:

plotsel

haal

bloem

winkel

avontur

tuin

zicht

talen

machin

geten

begroei

anderen

jur

makkelijk

bank

houd

gissen

pian

splits heim

loof

juwel

ver ...

... ier

en

vertalen

tuinier

veranderen

juwelier

plotseling

verhaal

winkelier

splitsing

vergeten

avonturier

houding

vergissen

bankier

... ing

begroeiing ... ist ge ...

bloemist

geheim

machinist

gezicht

jurist

gemakkelijk

pianist

geloof

59


56

vakantiepret

Naam

In de voorjaarsvakantie gaat Simone bij haar opa en oma logeren. Die vakantie is dit jaar van 10 tot 17 februari. Op woensdag 12 februari wordt Simone 10 jaar. Om dat te vieren, gaan ze een dagje uit. In de krant staan de volgende advertenties:

1 Waar gaat Simone met haar opa en oma naartoe, denk je?

Wie niet weg is, is gezien 2 Op 18 februari wordt Marius 13 jaar. Hij heeft voor die dag drie vriendjes uitgenodigd. Waar kunnen zij naartoe?

Circus Kariboe Agnes en de rode draak 3 Het Spoorwegmuseum is gesloten vanwege een verbouwing. Dan weet je dat ze daar aan het bouwen zijn. Welk woord hoort zo bij:

60

verlichting licht

vertrouwen trouw

pianiste piano

machinist machine

leerling leren

vreemdeling vreemd

tuinier tuin

verwarming warmte


57

de dief

Naam

1 Welke zinnen betekenen ongeveer hetzelfde? Lees de zinnen onderaan. Schrijf de goede zin er maar onder. 1 Na de inbraak, nam de dief de benen.

De dief rende weg. 2 Maar de sterke arm achtervolgde hem.

De politie ging hem achterna. 3 Die had de buik vol van al die inbraken.

Die had schoon genoeg van dat stelen. 4 Ze zaten hem al dicht op de hielen.

Ze haalden hem bijna in. 5 Ze verloren de dief niet uit het oog.

Ze hielden de dief goed in de gaten. 6 En al gauw hing de tong van de dief op zijn schoenen.

De dief was uitgeput. 7 En kort daarna stond hij met zijn rug tegen de muur.

Hij zag geen uitweg meer. 8 Maar hij was vastbesloten zijn tanden te laten zien.

Hij wilde laten zien dat hij niet bang was. 9 Hij wilde zelfs op de vuist gaan met de agent.

Hij wilde vechten met de agent. 10 Maar die haalde slechts zijn neus op.

Die keek hem minachtend aan. a Die keek hem minachtend aan. b De dief was uitgeput. c Hij zag geen uitweg meer. d Hij wilde laten zien dat hij niet bang was. e Hij wilde vechten met de agent.

h Die had schoon genoeg van dat stelen.

f Die dief rende weg.

i Ze haalden hem bijna in.

g Ze hielden de dief goed in de gaten.

j De politie ging hem achterna.

61


puzzelen

58

Naam

Dat wordt puzzelen! Vul -ing, -lijk, -heid of -ig in en zet ze op de goede plaats: pijn..., leun..., onschuld..., houd..., feest..., last..., moeilijk..., gevaar..., macht..., reken..., natuur..., gezond..., schuld..., waarschijn..., hoeveel..., ongeduld..., gezellig..., onschade..., richt..., leid..., persoon..., werke..., voorzicht..., aanwezig...

p ij l a a n s l f e e s t e l i u n g e v i n g e z e l l e i o n g e d u i n g

o n r s h o 8 o e m a c h 11t i g n l ij k e h e u v n l e 4 w e z i g 10h e i d e n i l m ij k g g e z o n d h e e e 2 7 i i a a r l ij k l d p e ij i g h e i d r k s h 6 o e 1 l d i g v o o r z i c h t i n d l ij k

Welk woord komt er in de vakjes te staan? 1

62

r

2

a

3

a

4

d

5

s

6

e

7

l

8

a

9

c

10

h

11

t

12

i

13

g

o u d i n g 5 s 9 c s c h u l d 12 i g a d w e a r i d l a c ij r k s h t c w i e h 3 n a t u u r l ij k g k n e l 13 l ij g ij k k


natuurlijk

59

Naam

1 Kleur in dit stuk:

Kleur in dit stuk:

Kleur in dit stuk:

de zoogdieren blauw

de zoogdieren geel

de zoogdieren rood

de vogels groen

de vogels rood

de vogels blauw

de vissen geel

de vissen blauw

de vissen geel

de insecten rood

de insecten groen

de insecten groen

sperwer

buizerd

sprinkhaan tor

mol

hond mier

libelle kauw

mestkever

nachtegaal

kip

fuut

schaap

gans

kalf

hen

wolf

mug

os

kieviet

gems pauw haai pauw

hamster

vink

lam

roek haan mol mees vos

gier

das

specht

ezel libelle big

mot

sijs

uil

wolf mees mier

haai beer zalm

vos

paard

hermelijn

kat

grutto

haring

mug

raaf

aal

koekoek

makreel

muis gier wesp

mug wulp

watersnip

bokking

paling

raaf aal

big

tor

bunzing

kip

poes valk

rat

duif

duif

luis

bij

lieveheersbeestje edelhert

ree

roek

geit

hommel

leeuwerik

rups

vlo

mus

kniptor

veulen

hert wesp beer

krekel

vos

krekel eend

egel

kakkerlak mug

bij

eekhoorn

roodborstje

gup reiger

vlieg poes marter zwaluw

Welk woord kun je dan in rode letters lezen? Bioloog

2 Wat hoort er niet in de rijtjes hieronder? Kleur die hokjes. eik

bramen

beukennootje

beuk

frambozen

eikel

den

aardappelen

eik

tulp

perziken

walnoot

roos

akker

forel

rups

zand

baars

wesp

klei

zeehond

vlinder

veen

paling

63


60

allemaal klaar?

Naam

Kleur de rondjes maar van de bladzijden die je klaar hebt.

64


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stenvert-Taal_oefenen_Gr6_150dpi_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu