Taal oefenen Werkboek
Taal oefenen
Werkboek COLOFON Auteurs Paul Bemelen, Karin Brouwer, Marjo van Gelderen, Jacqueline Klerkx, Marcel de Reuver Ontwerp omslag Eduardo Media Illustraties Egbert Koopmans Opmaak binnenwerk PPMP Prepress, Wolvega
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31485 4 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
INHOUD 1
goede reis – Taalbetekenis – woordenschat
2 lachspiegels – Taalstructuur – lidwoorden
5
6
3
in de lucht – Taalstructuur – samenstellingen
7
4
zoek het woord – Taalbetekenis – woordenschat
8
5
de winkelstraat – Taalstructuur –samenstellingen
9
6
de t-tantes – Spelling
10
7
het busreisje – Spelling
11
12
13
10 zin en onzin – Taalfunctie –begrijpend lezen
14
11 de speeltuin – Taalfunctie – begrijpend lezen
15
12 een paar apart – Taalbetekenis – woordenschat
16
13 te koop – Taalfunctie – begrijpend lezen
17
14 hetzelfde – Taalbetekenis – woordenschat
18
15 het weerbericht – Taalfunctie –begrijpend lezen
19
16 poten – Taalbetekenis – taal-denkrelaties
20
17 de haven – Taalfunctie – begrijpend lezen
21
18 piekenblad 1 – Piekerpagina
22
19 vakantie – Taalfunctie – begrijpend lezen
23
20 wat kleeft eraan? – Taalbetekenis – woordenschat
24
21 hengelsport – Taalfunctie – begrijpend lezen
25
22 de oude pauw – Spelling
26
23 plaatjes kijken – Taalbetekenis – pictogrammen
27
24 op woordenjacht – Spelling
28
25 een geeuwende leeuw – Spelling
29
26 de ontsnapping – Spelling
30
27 aan het strand – Spelling
31
28 alleen of dubbel – Spelling
32
29 de lotto – Taalstructuur – telwoorden
33
30 de luchtballon – Taalstructuur –verkleinwoorden
34
31 smakelijk eten – Spelling
35
8 verdwaald – Taalfunctie – begrijpend lezen 9
help de kok – Taalbetekenis – taal-denkrelaties
32 de bibliotheek – Taalstructuur – bijvoeglijke naamwoorden
36
33 de kast – Taalstructuur – voorzetsels
37
34 de lucht in – Taalstructuur – samenstellingen
38
35 de boerderij – Taalstructuur – meervoud
39
36 piekerblad 2 – Piekerpagina
40
37 kleurig – Taalbetekenis –alfabetiseren
41
38 spelen met de trein – Taalstructuur – verkleinwoorden
42
39 gijs op het ijs – Spelling
43
40 winkelpret – Taalstructuur – achtervoegsels
44
41 de molens malen – Spelling
45
46
43 avonturen – Taalstructuur – bijvoeglijke naamwoorden
47
44 de eiffeltoren – Taalstructuur – trappen van vergelijking
48
45 eten – Taalstructuur – voornaamwoorden
49
46 zwem je mee? – Taalstructuur – verkleinwoorden
50
dieren verzorgen – Taalstructuur – voegwoorden
51
48 poes en paard – Taalfunctie – begrijpend lezen
52
49 wat koop je? – Taalbetekenis – woordenschat
53
50 de race – Taalstructuur – voegwoorden
54
51 in het nauw – Taalbetekenis – alfabetiseren
55
52 zwemmen? – Taalfunctie – begrijpend lezen
56
53 er zit muziek in – Taalstructuur – lidwoorden
57
54 piekerblad 3 – Piekerpagina
58
55 leo de leeuw – Spelling
59
56 lust je worst? – Taalfunctie – begrijpend lezen
60
57 soort bij soort – Taalbetekenis – taal-denkrelaties
61
snoep verstandig – Taalfunctie – begrijpend lezen
62
59 na elkaar of tegelijk – Taalbetekenis – taal-denkrelaties
63
60 allemaal klaar? – Registratieblad
64
42
47
58
de verzameling – Taalstructuur – voornaamwoorden
1
goede reis
Naam
Bij elk plaatje horen vier woorden. Zet ze op de goede plek. raket – kade – perron – haven – piloot – rails – ruimte – kapitein – astronaut – water – machinist – lucht – lancering – conducteur – verkeerstoren – landingsbaan
kade
perron
haven
rails
kapitein
machinist
water
conducteur
piloot
raket
lucht
ruimte
verkeerstoren
astronaut
landingsbaan
lancering
5
lachspiegels
2
Naam
Alle woorden staan in de rij om in de lachspiegel te kijken. Waar komen ze te staan? Kies dat zelf. spelletje – zweefmolen – spookhuis – feestneus – snoepkraam – schiettent – lachspiegel – achtbaan – rupsbaan – lunapark – prijsschieten – ijsje – balwerpen – muziekje – wafeltje – knuffelbeer – muntje – botsauto – kegelen – rad van avontuur
spelletje
spookhuis
zweefmolen
feestneus
lunapark
prijsschieten
snoepkraam
schiettent
ijsje
balwerpen
lachspiegel
achtbaan
muziekje
wafeltje
knuffelbeer
rupsbaan
muntje
kegelen
botsauto
rad van avontuur
6
3
in de lucht
Naam
Deze vliegtuigjes hebben allemaal twee slepen. Schrijf de woorden maar op de sleep. En schrijf de woorden nog eens apart helemaal op. Kies uit: kwartier – bad – visie – tomaten – foon – tas – slaap – plein – lijstje – aardappel
kwartier speel
plein slaap
kamer
bad
boodschappen
tas
lijstje visie
tele
foon
tomaten
puree
aardappel
speel kwartier speel plein
boodschappen lijstje
slaap kamer
tele visie
bad kamer
tele foon
tomaten puree
boodschappen tas
aardappel puree
7
zoek het woord
4
Naam
1 Elk woord past in twee zinnen. Vul in. Kies uit: stof – haring – zin – viooltje – tocht Er ligt zoveel stof
pak de zuiger eens.
Wil je de haring
met of zonder uitjes?
Dat kleine paarse bloempje is een viooltje Schrijf deze zin
.
maar in je schrift.
Emma speelt piano, kleine Sander op zijn viooltje Wie heeft zin in een tocht
.
met de boot?
Die mantel is gemaakt van mooie wollen stof Tom heeft zo’n zin
.
in snoep; hij koopt een rol drop.
Doe de deur dicht, want het tocht Laat die haring
.
staan, anders stort de tent in.
2 Schrijf het woord onder de goede tekening. Elk woord hoort bij twee tekeningen. Kies uit: slot – pad – bril – veer – ezel
8
pad
ezel
bril
ezel
veer
bril
slot
pad
veer
slot
5
de winkelstraat
Naam
De woorden zijn aan elkaar gelijmd. Maak jij ze weer los? Het worden steeds weer nieuwe woorden
1 IJswatertorenklokhuiskamer
ijswater
watertoren
torenklok
klokhuis
huiskamer
baksteen
steengoed
goedkoop
handschoen
schoenveter
veterdrop
messteek
steekvlam
veldslag
slagboom
boomtak
spelregel
regelmaat
maatregel
verfwinkel
winkelstraat
straatarm
2 Afwasbaksteengoedkoop
afwas
wasbak
3 Boenwashandschoenveterdrop
boenwas
washand
4 Stokbroodmessteekvlam
stokbrood
broodmes
5 Bromvliegveldslagboomtak
bromvlieg
vliegveld
6 Buskaartspelregelmaatregel
buskaart
kaartspel
7 Busstopverfwinkelstraatarm
busstop
stopverf
9
de t-tantes
6
Naam
Toos, Tini en Truus drinken een kopje thee bij elk woord dat op een t eindigt. kran Maak het woord in je gedachten maar langer: kranten Hoor je een t of een d? Bij een t-woord kleur je het t-kopje. man manden Mand is een d-woord. Het t-kopje blijft wit.
Vul in en kleur de t-kopjes. Wie drinkt er het meest? Toos
Schenk jij even de t in.
10
Welk kopje blijft er
Toos
Tini
Truus
kas t
voe t
paar
draa
stran
schrif t
staar t
fees t
vuis t
moor
boch t
hon
poor t
lin t
hel
bees t
bor
wors t
sloo t
zwaar
her t
mark t
mon
han
nes t
tan
taar t
over? Kleur dat. rui t ka t fou t goe na t wi t
het busreisje
7
Naam
1 De bus van Paul haalt alleen de mensen op die een au-woord in hun koffer hebben. Vul op de koffer in au of ou. Peter
Els Koen
Luuk
Rik
vr ou w
z ou t
Neda
g ou d
Laura
fl au w
g au w
Iris p au w h ou t
tr ou w
Sanne
Niels
Agnes
Jeroen s au s
k ou d
mi au w
st ou t
bl au w
Susan
Amy
Elin l au w
au to
Mark
2 De bus van Paul haalt alleen mensen op die een au-woord in hun koffer hebben. Wie mogen er dus mee? Vul ook in wat er in hun koffertjes zit.
Peter
blauw
Agnes
flauw
Amy
miauw
Niels
pauw
Koen
saus
Elin
lauw
Neda
gauw
Iris
auto
k ou s
3 De koffers met ou-woorden mogen niet mee. Schrijf ze maar in deze koffer.
stout
koud
vrouw
trouw
goud
hout
zout
kous
11
8
verdwaald
Naam
Verdwaald David logeert bij zijn oma. Vandaag mag hij buiten spelen. En nu staat hij te huilen op een hoek. Hij is de weg naar oma’s huis kwijt. Een meneer vraagt: ‘Waar woont je oma?’ David zegt: ‘Kwartelstraat 3, meneer.’ De meneer zegt: ‘Je loopt eerst rechtuit naar de kerk. Daar steek je over en ga je linksaf langs het park. Bij het zwembad ga je rechtsaf en je neemt de eerste straat links. De eerste straat rechts is de Kwartelstraat.’
Teken met kleurpotlood de weg die David naar oma’s huis moet gaan en kleur haar huis.
12
help de kok
9
Naam
1 De kok is een beetje in de war. Hij heeft het recept in de verkeerde volgorde staan. Schrijf het in de goede volgorde.
Wentelteefjes. – Tot slot strooi je er suiker over. – Eerst klop je een ei los met wat melk. – Daarna bak je de sneetjes brood in een pan. – Smakelijk eten! – Dan doop je de sneetjes brood in het eimengsel. Wentelteefjes. 1
Eerst klop je een ei los met wat melk.
2
Dan doop je de sneetjes brood in het eimengsel.
3
Daarna bak je de sneetjes brood in een pan.
4
Tot slot strooi je er suiker over.
5
Smakelijk eten!
2 Help de kok met inkopen doen. Zet een rondje om de dingen die hij nodig heeft voor de wentelteefjes. aardappelen – meel – eieren – melk – water – brood – suiker – appels – zout
3 Bij het recept staat altijd wat je nodig hebt. Hoe noem je dat? conserveren ingrediënten kookgerei geneesmiddelen 13
zin en onzin
10
Naam
1 Hieronder staan tien zinnen. Ze horen twee aan twee bij elkaar. 1
Milja kijkt niet uit bij het oversteken.
6 De auto kan nog net remmen.
2
Iwan speelt zonder jas in de sneeuw.
7 Het wordt donker.
3
Ik vergat boodschappen te doen.
8 We hebben niets te eten.
4
De zon gaat onder.
9 Hij wordt snipverkouden.
5
De vloed komt op.
10 Het zandkasteel verdwijnt onder water.
Welke zinnen horen bij elkaar?
7
zin 1 en zin
6
zin 4 en zin
zin 2 en zin
9
zin 5 en zin 10
zin 3 en zin
8
2 Lees de verhaaltjes. Welke zin hoort niet echt bij het verhaal? Streep die door en schrijf hem eronder. a Achmed fietst naar school. Hij haast zich niet en kijkt goed om zich heen. Hij let heel goed op de vrachtauto’s en de bussen. Alice is morgen jarig. Bij het stoplicht wacht hij rustig tot alle voertuigen voorbijgereden zijn.
Alice is morgen jarig. b Mistislav is een grijze kater, een Russische Blauwe. Een vriendin van hem is Mies; zij is een angorakat. De Siamees heet Willempje. Honden zijn erg waakzaam. Ja, in onze buurt wonen veel soorten poezen.
Honden zijn erg waakzaam. c Ewald en Simon gaan naar het zwembad. Ze hebben hun zwemspulletjes bij zich. En ook een snorkel, zwemvliezen en een zwembril. ‘Vanavond eten we zuurkool’, zegt Simon. De jongens houden erg van zwemmen en snorkelen. Ze gaan bijna elke dag wel een keer naar het zwembad.
‘Vanavond eten we zuurkool’, zegt Simon.
14
de speeltuin
11
Naam
Samira en Danny spelen in de speeltuin. Er komt een oude meneer aanlopen. Vast de opa van een van de kinderen, denkt Samira. Maar wat doet hij1 nu? Ze2 kijkt nog eens goed en stoot Danny aan. De kinderen geloven hun ogen niet. De man klimt op de glijbaan en terwijl hij3 naar beneden glijdt, roept hij: ‘Joepie!’ Ze4 kijken elkaar aan en moeten vreselijk lachen. De volgende dag kijken ze nog verbaasder. Dan zitten er drie bejaarden te schommelen. Danny lacht: ‘Er hangt aan het hek ook geen bordje met Verboden voor bejaarden!’
1 Wat is een goede titel voor dit verhaaltje? Samira en Danny in de speeltuin. Een speeltuin voor jong en oud. De oude meneer.
2 Wat zijn bejaarden? Jarige mensen Oudere mensen Rustige mensen
3 Wie of wat is? hij1
de oude meneer
Ze2
Samira
hij3
de oude meneer
Ze4
Samira en Danny
4 Welk bordje hangt er niet? Kleur dat bordje.
15
een paar apart
12
Naam
1 Maak deze paren compleet. danser
danseres
directrice
directeur
neef
nicht
kokkin
kok
hertog
hertogin
weefster
wever
oom
tante
kunstenares
kunstenaar
graaf
gravin
lerares
leraar
prins
prinses
verkoopster
verkoper
meneer
mevrouw
agente
agent
heer
dame
violiste
violist
schrijfster
schrijver
zuster
broeder
secretaris secretaresse herder
herderin
2 Vul in: De koning en de koningin
Vader Het meisje
en moeder doen de afwas. en de jongen spelen samen.
De boer en de boerin De baron
lopen over het erf. en de barones gaan uit rijden.
Een kapper of een kapster De man en de vrouw Opa en oma Een zangeres en een zanger
16
wonen in een paleis.
knipt je haar. gaan naar de kerk. komen op bezoek. zingen een lied.
13
te koop
Naam
1 Tiffany heeft een nieuwe fiets gekregen voor haar verjaardag. Het is een rode fiets. Haar oude fiets wil ze verkopen. Zij probeert een goede advertentie voor de krant te maken. Welke is de beste? Kleur die advertentie maar.
Ik ben pas jarig geweest en heb een nieuwe fiets gekregen. Het is een rode fiets. Tiffany, telefoon 345887
Te koop een prachtige fiets, in goede staat en niet duur. Tiffany, tel. 345887
Meisjesfiets
Wie heeft mijn fiets gevonden? Het is een meisjesfiets.
te koop in goede staat € 50,– Tiffany, telefoon 345887
BELONING € 50,– Tiffany, telefoon 345887
2 Voor haar verjaardag heeft Tiffany ook nog vijftig euro gekregen. Daarvoor wil zij rolschaatsen kopen. En als ze nog geld over heeft, wil ze ook kniebeschermers kopen. In de krant ziet ze drie advertenties. Naar welke winkel kan ze het beste gaan? Kleur die advertentie maar.
Prachtige rolschaatsen met GRATIS kniebeschermers Van € 69,95 voor € 49,95 Winkel Smits
Wij hebben de allerbeste rolschaatsen vanaf € 54,95 Rolschaatswinkel De Snelle Rijder
ROLSCHAATSEN in allerlei kleuren en maten, niet duur! De regenboogwinkel
17
hetzelfde
14
Naam
1 Soms betekenen twee woorden bijna precies hetzelfde. Denk maar aan: Jos liep heel hard. En aan: Jos liep heel snel. Hard en snel noem je synoniemen. Vul de goede synoniemen hieronder maar in. Kies uit: in orde – gevaar – middernacht – stilletjes – opeens – balend – gehoorzaam – aarzelde – riskant
Het was 12 uur ’s nachts en aardedonker.
middernacht
De dief sloop op zijn tenen door de straat.
stilletjes
Zijn hond volgde hem gedwee.
gehoorzaam
Dreigde er geen onraad?
gevaar
Plotseling zag hij een politieauto.
opeens
Dat was vast niet pluis.
in orde
Hij weifelde en wist niet wat te doen.
aarzelde
Nee, zo was inbreken te link.
riskant
Teleurgesteld keerde de man huiswaarts.
balend
2 Zoek de synoniemen. Verbind ze met een lijntje.
18
plotseling •
• nimmer
nooit
•
• spoedig
stout
•
• geniepig
stiekem
•
• ondeugend
gemeen
•
• ineens
vlijtig
•
• vals
weldra
•
• moedig
dapper
•
• ijverig
15
het weerbericht
Naam
Iedere morgen luistert mevrouw Klereweer naar het weerbericht. Dan weet ze welke kleren ze het beste kan aantrekken.
Welke kleren doet ze aan bij weerbericht 1? Kijk maar naar het plaatje en schrijf dan de goede kleren op. Doe dat ook bij 2, 3 en 4.
1 Wisselvallig weer met af en toe een bui,
3 Een gure dag, geen regen van betekenis.
half bewolkt. De temperatuur kan ’s middags
Harde oostenwind, windkracht 6.
oplopen tot 20 graden.
Temperatuur rond het vriespunt.
kleren: jurk, schoenen, paraplu
kleren: winterjas, wanten, sjaal of das
en muts
2 Het wordt een heerlijke stralende,
4 Zwaarbewolkt weer met veel regen, later
zonnige dag met een zomerse temperatuur
op de dag kans op onweer.
boven de 30 graden.
Temperatuur van 10-12 graden.
kleren: zwempak, zonnebril
kleren: regenpak, laarzen
19
poten
16
Naam
Heb je wel eens een dier gezien met één poot? Vast wel. Want van een huisjesslak zie je altijd één poot. Zijn kop zit eraan vast. En op die ene voet kruipt hij door het gras. Een zeester heeft meestal vijf poten en een spin heeft er acht. Wil je tien poten zien? Dan moet je naar een krab kijken. En een rups heeft er zelfs zestien. En wat denk je van een duizendpoot? Die heeft er geen duizend, maar wel minstens 28. Vogels en mensen hebben allemaal twee poten. Maar bij mensen noem je het geen poten. Je noemt het benen.
1 Hoeveel poten hebben de dieren? Schrijf dat maar bij de plaatjes en zet hun namen eronder.
2 Hoeveel poten hebben ze? spin
8 poten
zeester
5 poten
krab
10 poten
rups
16 poten
hond
1 2 (huisjes)slak
4 poten
5
3 Vul maar in. dier
poten
reiger/ooievaar
8
slak
1
meeuw
2
muis
4
spin
8
krab
10
krab
rups
16
4
duizendpoot
10
(kruis)spin 28 of meer
28 of meer
duizendpoot 16
poedel/hond 20
zeester
rups
17
de haven
Naam
1 Lees de titel. Waarover zal het verhaal gaan? over een vliegveld over vakantie over schepen
De haven Rotterdam is de grootste haven van de wereld. Daar lopen vrachtschepen uit de hele wereld binnen. Ze brengen goederen, zoals auto’s, aardolie en kleren. En ze halen nieuwe lading op. Ze varen allemaal over de Nieuwe Waterweg. Dat is de toegangsweg voor schepen naar de Noordzee. Ze botsen haast nooit tegen elkaar. Want op weg naar de haven komt er een loods aan boord. De loods weet precies hoe het schip moet varen.
2 Wat voor tekst is dit?
5 Wat vervoeren de schepen, in deze tekst?
een sprookje.
goederen
een tekst die vertelt over iets echts.
mensen
een tekst die vertelt wat je moet doen.
dieren
3 Waar gaat de tekst over? over schepen die naar een haven varen. over schepen die tegen elkaar aan varen.
6 Hoe heet de vaarroute van Rotterdam naar de Noordzee?
de Nieuwe Waterweg
over schepen in de nacht.
4 Waarom komt er een loods aan boord? om lading aan boord te brengen. om het schip de juiste weg te wijzen. om te vertellen over de Noordzee. om te kijken of de lading in orde is.
21
18
piekerblad 1
Naam
1 Verander de cijfers in letters.
Basim 5271 verk
Ton 52734 verja
Elske 7032
rdje
Samar 8471 park
Linda 844 paa
Irma 4
7049 a rdag
Stijn 8726 pr et
r Ria 227 ee
2 Wie praat er met wie? Ton praat met Irma over de verjaardag Linda praat met Elske over het paardje Stijn praat met Samar over het pretpark Basim praat met Ria over het verkeer
3 Wie krijg je aan de lijn? 3448 – 02 – 34927 jaap de jager 82674 – 82632 petra petje 54027 vader 9276 – 9748 gert grap 02 – 866 de ptt 97226 – 02 – 97446 greet de graat
22
vakantie
19
Naam
Evelien gaat met haar moeder een weekje kamperen. Ze gaan naar Castricum. Daar1 hebben ze op de camping een plaats gereserveerd. ’s Morgens vroeg gaan ze2 samen met de trein. Ze hebben twee tassen, een koffer en de tent bij zich. Die bagage3 gaat in het rek. De treinreis verloopt heel voorspoedig. Minder voorspoedig gaat het opzetten van de tent. Ze hebben de haringen vergeten! Met takken en touw proberen ze de tent vast te zetten. Wat een verrassing als hun nieuwe buurman zegt dat hij4 nog haringen over heeft. Die5 mogen ze wel lenen. Tien minuten later staat hun tent er goed bij. En dan gaan Evelien en haar moeder lekker naar het strand.
1 Wie of wat wordt er bedoeld met:
2 Wat betekent voorspoedig?
Daar1 Castricum
met tegenslag
ze2 Evelien en haar moeder
zonder problemen
bagage3 twee tassen, een koffer en de tent
gehaast
hij4 hun (nieuwe) buurman
binnenkort
Die5 haringen die over zijn
3 Maak de rijtjes af. Kies uit: vlieger – duinen – kano – mossel Omgeving:
Speelgoed:
strand
bal
zee
schep
golven
emmertje
duinen
vlieger
Vaartuigen:
Zeedieren:
zeilboot
krab
sleepboot
zeester
veerpont
oester
kano
mossel 23
wat kleeft eraan?
20
Naam
1 Vul het goede woord in. Kies uit: maar – alles – eraan – wat – ook – want – ijzer – zal – doordat ‘ Wat
heb je daar, Rob?’ vraagt Selma. ‘Een magneet,’ zegt Rob.
‘Kijk eens wat leuk. Daar1 blijft van alles
aan vastzitten.’ Rob houdt zijn2
magneet bij een mes. En het mes kleeft eraan bij een vork. En ook
die kleeft eraan vast. Rob roept plagend:
‘Ik zal
Maar
vast. Dan houdt Rob het ding3
jou eens pakken.’ Hij houdt de magneet bij Selma’s oor. er gebeurt niets. Dat komt doordat
ijzer is. Want
haar4 oor niet van
alleen met ijzeren dingen gaat het. En daarom gaan Rob en
Selma op zoek naar dingen van ijzer
.
2 Wie of wat wordt bedoeld met: Daar1 (aan) de magneet zijn2 van Rob het ding3 de magneet haar4 van Selma
3 In de gereedschapskist van Robs vader zitten veel ijzeren dingen. Kijk bij de tekeningetjes en schrijf ze alle acht op. bijvoorbeeld:
24
1
spijker (punaise)
5
zaag
2
hamer
6
schroef
3
schroevendraaier
7
sleutel (steeksleutel)
4
nijptang
8
beitel
21
hengelsport
Naam
Op de ark van oom Sam Oom Sam woont op een boot: een ark. Deze ark ligt wel in het water, maar hij vaart niet. Hij zit aan de wal vast met touwen. Oom Sam is dol op vissen. Het dek staat vol met hengels en netten. Nico en Harmen gaan graag naar oom Sam. Dan is het feest aan boord. Ze mogen zelf de vissen bakken die oom heeft gevangen.* Daarna is het smikkelen en smullen. De borden wassen ze af in het kanaal.
1 Wat is een ark?
3 Wie gaan er vis eten?
een woonboot
Sam en Nico
een boomhut
De neefjes van oom Sam
een stoomschip
De kinderen van oom Sam
een kajuit 4 Hoe heten de jongens? 2 Lees de zin met het sterretje.
Nico
en Harmen
Wat is er goed? De jongens hengelen en oom Sam
5 Waarover gaat het verhaal?
bakt de vissen.
Het varen met een ark
Oom Sam heeft gehengeld en
Wie vangt er de meeste vis?
de jongens bakken de vissen.
Een feestmaal op de ark van oom
Als oom Sam gaat vissen, gaan
Afwassen in het kanaal
de jongens bakken. Als de jongens hebben gebakken, gaat oom Sam vissen.
6 Is het waar? Vul in: ja of nee. Oom Sam houdt van vissen. ja Er zijn geen hengels op de ark. nee De jongens vinden vis niet lekker. nee Het kanaal is hun afwasteil. ja
25
de oude pauw
22
Naam
1 Lees het verhaal en vul au of ou in. Kijk, zei de vr ou w. De lucht is bl au w en het is flink k ou d. Maar ik doe niet fl au w en ga g au w naar de p au w. Hij is st ou t, want hij loopt nou helemaal bij het geb ou w naast die stapel h ou t. Zijn veren lijken wel van g ou d. Ik geef hem zijn eten maar r au w zonder z ou t met een klein beetje s au s. Oei, nu loop ik ook nog tegen een t ou w en knoei ik op mijn m ou w. Dat gaat dus helemaal f ou t. Nou p au w, ik denk dat deze oude zeurk ou s morgen maar eens een nieuw hok voor je b ou wt. Want denk maar niet dat ik overal achter j ou aan sj ou w.
2 Geef het kind dat goed had geteld maar een kleurtje. Saud:
Wout:
Laura:
Ik tel elf au-woorden.
Ik tel zes au-woorden.
Ik tel tien au-woorden.
3 Schrijf alle au-woorden en ou-woorden uit het verhaal in de goede rij. ou
vrouw
mouw
blauw
koud
fout
flauw
stout
oude
gauw
gebouw
zeurkous
rauw
nou
oude
saus
hout
bouwt
pauw
goud
jou
zout
sjouw
touw 26
au
23
plaatjes kijken
Naam
Wat betekenen de borden? Schrijf dat er maar onder. Kies uit: 1 kampeerterrein
6 gevonden voorwerpen
11 ingang
2 inlichtingen
7 telefoon
12 ďŹ etsenstalling
3 tram
8 uitgang
13 vergif
4 zoekgeraakte kinderen
9 restaurant
14 autobus
5 eerste hulp
zoekgeraakte
10 taxi
kampeerterrein
kinderen
15 toilet
gevonden voorwerpen
eerste hulp
vergif
ingang
tram
autobus
restaurant
toilet
uitgang
inlichtingen
telefoon
taxi
fietsenstalling
27
op woordenjacht
24
Naam
1 Zoek de ch- en de cht-woorden die hieronder staan in de puzzel en streep ze door. Lees van links naar rechts en van boven naar beneden. Kies uit: vlucht – kuch – richting – toch – richt – kachel – tocht – vracht – pech – gracht – bocht – licht r
v
l
u
c
h
t
p
i
r
i
c
h
t
r
k
c
a
c
k
u
c
h
a
h
c
h
a
c
h
b
c
t
h
t
o
c
h
o
h
i
t
o
c
h
t
c
e
n
i
p
e
c
h
h
l
g
g
r
a
c
h
t
g
2 Welke letters houd je over? Begin bovenaan.
p
r
a
c
h
t
i
g
3 Vul de woorden uit de puzzel hieronder in: De boot vaart door de gracht Ik richt
Die kaars flakkert. Staat hij niet op de
.
tocht
het pijltje precies op
de roos.
Geloof die praatjes toch
Na de inbraak sloeg de dief op de
Ik hoest niet, maar ik kuch
vlucht
.
Het is lekker warm bij de kachel Het wordt al donker. Doe jij het
licht
even aan.
niet! een
beetje.
Als je band lek is, dan heb je pech
28
?
. .
Die pijl wijst in de goede richting Dat is een hele zware vracht De weg maakt een scherpe bocht naar rechts.
. .
een geeuwende leeuw
25
Naam
1 Kies uit en vul in: eeuw – ieuw – uw. Een n ieuw
sbericht. Vandaag las ik de krant. Daar stonden veel leuke dingen in.
In het circus was een l eeuw
eeuw
die zoveel slaap had dat hij niet meer kon schr
en, maar steeds zat te g eeuw
eeuw uw
en. In Denemarken was heel veel sn
gevallen, maar in Spanje was het zo heet dat iedereen in de schad wilde zitten. Bij de bouw van het n ieuw
oude munten die wel drie eeuw het ging over een m eeuw De één was sch uw
e stadhuis vond men
en oud waren. Ook las ik een stukje over vogels, en een spr eeuw
, de ander was sl uw
. .
2 Schrijf de woorden nog eens in het goede rijtje. eeuw
ieuw
uw
leeuw
nieuws
schaduw
schreeuwen
nieuwe
schuw
geeuwen
sluw
sneeuw eeuwen meeuw spreeuw 3 Waar lig ik? Trek lijnen! Brr, Lex ligt in de
•
• een eeuw.
Lianne ligt naast de •
• sneeuw.
Jos ligt in een
•
• leeuw.
Bas ligt in de
•
• nieuw bed
Die steen ligt er al
•
• schaduw.
29
de ontsnapping
26
Naam
Vier boeven zijn ontsnapt. En ze hebben nog heel wat gestolen ook. Welke woorden hebben de dieven uit het verhaal weggenomen? Zoek alle woorden die eindigen op ch – cht – g of gt en schrijf ze in de goede zak. Je mag de woorden kleuren.
zegt ligt droog vraag vlug
krijg
weg
nog
vloog hoog nog nog
nacht
hijgt
vlucht echt gracht bocht dicht acht licht lucht
pech toch
Afgelopen nacht zijn vier boeven op de vlucht geslagen.
lach
Pech voor de bewaker, die zegt dat hij echt goed heeft opgelet. De vier mannen zijn eerst over de gracht gezwommen en toen ze droog waren, vlug op weg gegaan naar een bocht die dicht bij de gevangenis ligt. Toen het om acht uur licht werd, vloog er al een politie-helikopter hoog in de lucht. Toch is er ook nu nog geen enkel spoor gevonden. Of ze de boeven nog te pakken krijgen is de vraag. Maar een agent hijgt met een lach: ik krijg ze nog wel!
30
aan het strand
27
Naam
1 Op dit strand zijn wel tien woorden te vinden met een d op het eind. Zoek er zoveel mogelijk op en schrijf ze op.
1 paard 2 baard 3 brood 4 zand 5 hoed 6 kleed 7 hand 8 hoofd 9 naald 10 bord
2 Zoek het woord. riven + d =
vriend
nerk + t =
krent
ichl + t =
licht
rah + t =
hart
kara + t =
kaart
foho + d =
hoofd
satar +t =
staart
cluh + t =
lucht
3 Zoek de drie woorden waar de d en de t allebei achter kunnen staan. Schrijf ze onderaan op. har
kas
bran
haar
gei
hou
kran
moe
gelui
bloe
1
hard
en hart
2
houd
en hout
3
moed
en moet 31
alleen of dubbel
28
Naam
1 Vul in en schrijf op. d of dd
ste d
en
steden
t of tt
blo t
e
blote
k of kk
a kk er
akker
m of mm
pri m
prima
p of pp
a pp el
appel
l of ll
ba ll
et
ballet
t of tt
bi tt er
bitter
k of kk
lo k
lokaal
k of kk
bli kk en
blikken
m of mm
bro mm er
brommer
s of ss
bu ss en
bussen
z of zz
do z
dozen
l of ll
ki l
m of mm
do mm e
domme
b of bb
du bb el
dubbel
k of kk
ge kk e
gekke
n of nn
ko n
koning
a
aal
en o
ing
kilo
2 Welke woorden zie je getekend? ro k ma n to r
en en ro kk
en
en en ma nn en en en to rr
en
3 Gebruik voor de twee woorden steeds dezelfde letter(s). Je mag kiezen uit deze letters: l – ll k – kk m – mm t – tt ha l
en en ha ll
en
ha k
en en ha kk en
bo m
en en bo mm en
bo t
en en bo tt en
la k
en en la kk en
la t
en en la tt en
ra m
en en ra mm en
ra t
en en ra tt en
ma t
(l)
32
en en ma tt en
(ll)
mo l
(t)
en en mo ll
(tt)
en
de lotto
29
Naam
1 Win jij een prijs in de lotto? Wat is jouw nummer? Kies uit: 33
79
65
22
Ik kies:
2 Schrijf de getallen voluit. Let op: en of ën! Bedenk nog meer getallen en schrijf die op.
33 drieëndertig
49 negenenveertig
29 negentwintig
21 eenentwintig
72 tweeënzeventig
vierenvijftig
45 vijfenveertig
drieënzestig
27 zevenentwintig
negenennegentig
31 eenendertig
tweeëntwintig
3 En de prijs valt op: drieëndertig. Vul deze getallen hieronder maar in: – tweeëntwintig – vierenzestig – tweeënzeventig – achtendertig – negenenveertig 33
22
64
72
38
49
Zit jouw nummer erbij? Dan heb je een prijs in de lotto!
33
30
de luchtballon
Naam
1 Woorden met -etje. Let goed op hoe je ze schrijft. spin netje
man netje
schil letje
bril letje
pil letje
zin netje
vel letje
spel letje
ster retje
pen netje
2 De luchtballonnen zijn hoog in de lucht. Alles beneden is klein geworden. Zet de woorden in de goede ballon. boom – rivier – boot – plein – ballon – kar – fiets – kraam – weg – huis – bal – school – tuin – dorp – worm – raam – slang – kerk – stroom – trein
ballonnetje karretje
bootje
weggetje
fietsje
balletje
huisje
slangetje
dorpje kerkje
34
riviertje
boompje
pleintje
kraampje
schooltje
wormpje
tuintje
raampje
treintje
stroompje
smakelijk eten
31
Naam
Wil je een eitje of een ijsje? Vul hieronder in: ei of ij. Schrijf de woorden helemaal op de borden.
ei-woorden r ij
keizer
kdom
snelh ei
meisje
geheim
t
pal ei
s
t ij
ger
aardb ei
v ij
and
kl ei
ner
v ei
lig
z ei
lboot
ij eiland
d
tap ij
klein
zeren
ei nde
ijs-woorden
snelheid aardbei kleiner
konijn
zeilboot
paleis
vrijdag
veilig
onderwijs
einde
grijs woestijn
k ei
zer
gr ij
m ei
sje
woest ij
kon ij vr ij
s
n
gel ij
k
dag
geh ei
m
ei land onderw ij
s
gelijk
n
kl ei
n
v ij
ftig
vijftig rijkdom
ijzeren tapijt tijger
vijand
35
de bibliotheek
32
Naam
Verander het (woord), zodat de zin past. Voorbeeld: de (laag)
kast: de lage kast.
1 In deze (hoog) hoge Een (aardig) aardige
kast staan veel (dik) dikke mevrouw zet alle (zwaar) zware
met een (blauw) blauwe
smalle
(groen) groene
rand komen onderaan te staan. boeken van de stapel af. Die hebben
niet zo’n (stevig) stevige
rug meer en vallen kapot. Die (kapot)
boeken worden gemaakt. Als (nieuw) nieuwe
exemplaren staan ze dan weer in de (breed) brede boek dat (veel) vele
2
(spannend) spannende
bibliotheek toe? Je kunt er
boeken lenen. Als je er veel leent, neem je een (zwaar)
tas mee naar huis. Dan heb je nog drie (leuk) leuke
weken voor de boeg met (mooi) mooie
verhalen. Soms staan er (raar)
rare
en (gek) gekke
dingen in een boek. Er komen (naar)
nare
en (fijn) fijne
gebeurtenissen in voor. Sommige
schrijvers weten je in een (vrolijk) vrolijke
36
kast. Lees jij wel eens zo’n
keren is uitgeleend?
Ga jij wel eens naar een (groot) grote
zware
boeken
rand op één plank. Alle boeken met een (smal)
Soms vallen er een paar (oud) oude
kapotte
boeken.
stemming te brengen met hun (sterk)
sterke
verhalen. Ken je de Baron Van Münchhausen? Die beleeft (grappig)
grappige
avonturen! Lees ze maar eens.
de kast
33
Naam
1 Gebruik alle woorden maar één keer. Streep ze door als je ze gehad hebt. uit – achter – boven – boven – op – onder – over – met – in – bij – tussen – aan – naast Vul daarna meteen de nummers van de zinnen in het juiste rondje in.
1 Boven
op de kast staat een plant.
2 De bladeren hangen over
de boeken.
3 Tussen
de boeken en de kop en schotels staan de glazen.
4 Uit
de onderste la steekt een tafellaken.
5 Aan
het tafellaken hangt een poes.
6 De poes kruipt bang onder 7 Naast
de kast.
de kast staat een tafeltje.
1
8 Het tafeltje hoort
11
bij
de kast.
9 Op
de tafel
2
staat een vaas.
10
10 In
de vaas
staan mooie bloemen. 11 Achter
de tafel
3 9 8
hangt een spiegel.
7
12 En wie zie je daar? Jijzelf
met
4
de poes
in je armen.
5 2 De eerste letters van de woorden 4
u
10
i
3
t
en
11
a
5
a
7
n
6
zijn weer nieuwe woorden.
37
34
de lucht in
Naam
Alles moet het vliegtuig in! Zoek twee stukken van een woord bij elkaar. Voorbeeld 1 reis, zoek tas erbij. Schrijf die op de lijst. Gebruik alle woorden maar ĂŠĂŠn keer. Streep ze door als je ze gehad hebt. 1 reistas 2 fototoestel 3 maaltijd 4 weerbericht 5 paspoort
12 wolken
1 reis
6 vliegtuig 7 staartstuk 8 bagagewagen 9 landkaart 10 hoofdkussen 11 startbaan
tas dek
wagen
kaart 4 weer
9 land
10 hoofd
6 vlieg tijd
poort
5 pas 8 bagage
bericht
12 wolkendek
7 staart
38
3 maal
stuk 2 foto
11 start toestel
tuig
kussen
baan
de boerderij
35
Naam
1 Vul het meervoud in van de dieren in de tekening. 1 rund – 2 schaap – 3 paard – 4 lam – 5 varken – 6 kalf – 7 ei – 8 stal – 9 kind – 10 big – 11 kip
3 8 9 6
1
4 2
10 5 11 7
1
runderen
5
varkens
9 kinderen
2
schapen
6
kalveren
10 biggen
3
paarden
7
eieren
11 kippen
4
lammeren
8
stallen
2 Eerst één, dan meer. 1 Bij de boerderij staat een stal. Bij de boerderij staan stallen 2 De deur van de stal staat open. De deuren 3 Het paard slaat op hol. De paarden
van de stal staan open. slaan op hol.
4 De hond begint te blaffen. De honden 5 De koe loeit. De koeien 6 De haan kraait. De hanen
.
beginnen te blaffen.
loeien. kraaien.
7 Het varken knort. De varkens 8 De vogel vliegt in de lucht. De vogels 9 Het kind loopt het paard na. De kinderen
knorren. vliegen in de lucht. lopen de paarden
10 Gelukkig is het hek gesloten. Gelukkig zijn de hekken
na.
gesloten. 39
piekerblad 2
36
Naam
Boer Beestje gaat zijn dieren verkopen. Het schaap is nummer 1, die vind je dus bij 1. Streep de letters van dat dier maar door. Als je het goed doet, blijft er een ander dier over. Met die nieuwe dieren wil boer Beestje een dierentuin beginnen.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
s g v k k p k d k r
a
w
a
t
a
m
u
t
a
m
a
k
u
b j k k
a i o
c i a o a i o u r e
l j r i r n n g e e
h n r e m p f i k i
a g t k e p i v k g
v z k k m t f u e i
a e e a o e e a f e
i e e e e e j e e e
s
p
n r n
r n n
t r l r
10
l n n
3 8
n
t n
r 6
r
Welke dieren komen er in de dierentuin? 4
Schrijf die hieronder maar op. 5
1 walvis
7
2 tijger 3 marter 4 toekan 5 kameel
1 9
6 panter 7 buffel 8 jaguar 9 kreeft 10 reiger
40
2
37
kleurig
Naam
1 Welke kleuren passen het beste? Vul die in. Aan de rand van een brede sloot stond een blauwe verderop dreef een witte
reiger te vissen. Even
zwaan, terwijl een zwarte
de lucht vloog. De zon scheen helder aan de blauwe een witte
schimmel te grazen. Het groene
kraai door
hemel. In het weiland liep gras smaakte hem
heerlijk. Op de ďŹ ets naderde Hassan. Die had boodschappen gedaan: gele citroenen, oranje
bruine
sinaasappelen, rode
tomaten en
bonen. Hij zag de zwaan niet. Hij zag de reiger niet. Hij trapte zo hard
hij kon, zodat zijn gezicht vuur rood
was.
2 Trek een lijntje van a naar b, van b naar c, van c naar d, enzovoort. Dat kan twee keer. Je mag de tekening daarna kleuren.
41
spelen met de trein
38
Naam
1 Maak verkleinwoorden: trein – treintje. Kies uit: -je of -tje of -etje Vul de woorden in. e a h
i
k
g
b
j c f
d
l
2
a b
p b
1
c
e
r
r
o
n
n
e
t
r
u
g
g
e
t
j
e
e
i
n
p
a
a
l
a
c
h
i
n
i
o
k
j
e
n
n
e
t
j
e
5
s 8
j
e
t
j
e
s
t
j
e
t
j
e
d
m
e
k
l
f
w
a
g
o
g
s
l
o
o
h
w
a
g
e
n
t
j
e
i
k
o
f
f
e
r
t
j
e
b
o
e
r
d
e
r
ij
t
k
w
e
g
g
e
t
j
l
k
o
e
t
6
j
7 4
3
9
10
11
j
j
e
12
e
e
2 Vul nu het woord hieronder in. De eerste letter is een s. Die zie je bij de c staan. De tweede letter vind je bij de a. Vul alle letters zo in. Welk woord staat er dan? 1
42
s
2
p
3
o
4
o
5
r
6
b
7
a
8
a
9
n
10
t
11
j
12
e
gijs op het ijs
39
Naam
1 Gijs loopt langs alle lange ij-woorden op het ijs. Vul alle letters in. En kleur de weg naar het ijs. kl ei
vr ij sp ij
t
p ij
n
bl ij l ij
f
kl ei t ei
l
n
ei nde l ij
g ei
m ei
t
pal ei
sje
f ei
s
t
karw ei k ei
ster
k ij
k
gr ij
s
w ij
k
kr ij
t
w ij
n
str ij
k
f ij
n
t ij
d
aardb ei
dw ei
l
r ij
m
tr ei
n
br ei
paas ei
v ij
f
pl ei
n
pr ei
r ij
p
n
ei land
IJs
2 Schrijf alle ij-woorden -woorden en de ei-woorden op.
ij-woorden
ei-woorden
vrij
wijn
klei
brein
spijt
grijs
teil
prei
pijn
strijk
klein
meisje
blij
wijk
einde
feit
lijf
fijn
trein
dweil
lijster
rijm
plein
paasei
krijt
vijf
geit
eiland
tijd
rijp
paleis
karwei
aardbei
kei
kijk
43
40
winkelpret
Naam
1 Komt er in het volgend verhaal -ier, -ist of -ing achteraan het woord te staan?
Suzanne gaat naar het winkelcentrum. Iedere winkel ier Er hangt veel versier ing De kruiden ier
houdt uitverkoop.
. Suzanne kijkt vol bewonder ing
rond.
heeft koekjes aan slingers hangen en de tuin ier
heeft een
tekenwedstrijd georganiseerd. Aan iedere muur hangt wel een mooie teken ing Bij de bloem ist
is een lot ing
in de aanbied ing
aan de gang. De drog ist
.
heeft snoepjes
. Suzanne kan snoep winnen als ze een goede schatt ing
maakt van het aantal schuimpjes in een pot. ’s Middags komt een speciale koer ier met de oploss ing
. De spann ing
komt tot de ontdekk ing teleurstell ing Als belon ing
is groot. De koerier kijkt in de brief, maar
dat hij de oploss ing
. Suzanne mag van de drog ist
kwijt is. Dat is een nu zelf alle snoepjes gaan tellen.
daarvoor krijgt ze in ieder geval een lekkere zak snoep.
2 Welke winkelier hoort bij de volgende plaatjes?
bloem ist
tuin ier
44
kruiden ier
drog ist
de molens malen
41
Naam
1 Vul de woorden in met ei, ij, au of ou. Zet de woorden in de goede molen. pl ei
n
p au w
geh ei
bl au w
kw ij
st ou t
h ou t
g au w m t
pr ij
sp ij
s
bedr ij
f
karw ei
t
g ou d
ei nd
t ou w
au to
plein
kwijt
pauw
touw
geheim
prijs
blauw
hout
karwei
bedrijf
gauw
stout
eind
spijt
auto
goud
2 De molenaars moeten heel wat malen. Vul de woorden in en schrijf ze in de goede zak. tr ei
n
g ei
t
vr ou w
m ou w
b ij
l
r ij
m
fl au w
mi au w
m ei
sje
kl ei
w ij
tr ou wen
zw ij
n
n
springt ou w
n
kabelj au w
kl au w
trein
bijl
flauw
vrouw
meisje
zwijn
kabeljauw
mouw
geit
rijm
miauw
trouwen
klein
wijn
klauw
springtouw
45
de verzameling
42
Naam
Meral (M) en Jelle (J) verzamelen flessendoppen. Maak jij hun gesprek af? Kies bij
uit: mijn – jouw – onze – haar – zijn
Kies bij
uit: die/deze of dat/dit
jouw
J: Wat een mooie doppen heb jij; ik vind
mijn
M: En ik vind
J:
kleine schroefdopjes leuk.
dat/dit
Vooral
kleintje daar met
Dat/dit
dat/dit
vind ik zelf ook een van
doppen. Ik heb er nog een paar van
dit/dat
bierdoppen leuk!
gouden randje.
mijn
dit/dat
mooiste merk. Zal ik aan jou
deze/die
rode dopje geven? Of vind je
blauwe
doppen mooier?
dit
M: Allemaal vind ik ze mooi:
Mijn
het maakt niet uit.
deze/die
voor mij
Daar kan ik al
M:
doppen in doen die ik wil ruilen. Bijvoorbeeld
dopje en
mijn
doppen?
dat/dit Dat
deze/die
grote kroonkurk. Wil jij wat ruilen tegen
grote van jou krijg, krijg jij
die/deze
met
blauwe sterretje van mij. vind ik een goed idee! Zo worden
nog mooier. Heb jij nog een kroonkurk met een gouden ster?
46
koffer
doos meegenomen.
mijn
die/deze
dopje,
haar
tante heeft laatst in
dit/dat J: Als ik
dat
dopje of
onze
verzamelingen
avonturen
43
Naam
1 Kies bij het volgende verhaal uit de volgende woorden: avontuurlijke – nieuwe – kleine – gevaarlijke – aardig – enge – pijnlijke – grappig – onzichtbare – lieve – akelige – blauwe – knappe – giftige – onverwachte – spannende Sommige beginletters staan er al.
Suleima is een aardig av ontuurlijke
, g rappig , s pannende
meisje. Ze houdt van dingen. Met haar l ieve
,
k nappe
opa beleeft ze steeds weer n ieuwe
o nverwachte
momenten. Suleima maakt ook wel eens a kelige
e nge
gebeurtenissen mee. Op een keer werd ze gebeten door een
g evaarlijke
, g iftige
de k leine
,
slang. Gelukkig kon haar opa het gif uit
, bijna o nzichtbare
alleen een p ijnlijke
,
wond zuigen. Suleima hield er
, b lauwe
plek aan over.
2 Vul het tegengestelde in.
het scherpe mes
vuile was
het botte
schone was
mes
de zware
wilde kastanje
kar
de lichte kar
tamme kastanje 47
44
de eiffeltoren
Naam
1 Op de eerste verdieping sta je hoog. Op de tweede verdieping sta je hoger, maar op de derde het hoogst! Ga maar met de lift omhoog en vul in:
3 hoogst
3 grootst
3 mooist
2 hoger
2 groter
2 mooier
1 hoog
1 groot
1 mooi
3 snelst
3 blauwst
3 dikst
2 sneller
2 blauwer
2 dikker
1 snel
1 blauw
1 dik
3 goedkoopst
3 verst
3 fraaist
2 goedkoper
2 verder
2 fraaier
1 goedkoop
1 ver
1 fraai
3 rechtst
3 gevaarlijkst
3 duurst
2 rechter
2 gevaarlijker
2 duurder
1 recht
1 gevaarlijk
1 duur
3 leukst
3 boeiendst
3 best
2 leuker
2 boeiender
2 beter
1 leuk
1 boeiend
1 goed
3 Dit is het hoogst.
2 Dit is hoger.
1 Dit is hoog.
48
eten
45
Naam
1 Kies bij het volgende verhaal uit de woorden: iedereen – iedereen – alles – iets – allen – die – dat – ik – ik – jij – hij – hij – ze – ze – ze – mijn – mijn – zijn – onze Ghassan en Azzedine gaan picknicken in het bos met hun ouders. Z e met z’n allen
op de fiets, ie dereen
meegenomen. Als z e
zijn
‘Nee, daar mag ik ie dereen
lekkers
nog maar net in het bos zijn, zegt Ghassan tegen
zusje: ‘M ijn
picknickmand die
heeft iets
gaan
maag knort. Kijk j ij
in de grote
mama heeft gemaakt.’ nog niet in kijken,’ zegt Azzedine. ‘Het moet voor
een verrassing blijven.’
Azzedine wil nog wel eerst spelen. ‘Wie komt er in mijn ‘ Ik
hut?’ roept ze.
,’ roept Ghassan en hij
rent naar de hut toe. ‘Zullen we
meteen wat eten gaan halen,’ zegt Ghassan, ‘om in o nze Ghassan pakt de grote picknickmand. Hij
kan niet meer wachten en haalt
de doek eraf. ‘Bah!’ roept Azzedine, als ze hebben alles
hut op te eten.’
de mand ziet. ‘De mieren
opgegeten!’
Weg verrassing, weg eten. Dat is pech hebben!
2 Lievelingseten. Kies uit: jouw – zijn – hun – haar – jullie – mijn Ik houd van pannenkoeken, dat is mijn Jij houdt van pizza’s, dat is jouw Hij houdt van gehaktballen, dat is zijn
lievelingseten. lievelingseten. lievelingseten.
Zij houdt van mango’s, dat is haar
lievelingseten.
Jullie houden van nasi, dat is jullie
lievelingseten.
Zij houden van shoarma, dat is hun
lievelingseten.
49
46
zwem je mee?
Naam
1 Bij welke dieren horen de woorden thuis? Maak ze eerst klein, zet ze dan in het meervoud. Voorbeeld: garnaal – garnaaltje – garnaaltjes. Zet deze woorden op de goede plaats: stekelbaars – zeester – kwal – kikker – mossel – kikkervis – salamander – schildpad – schol – krokodil – rog – karper – zeehond – bot – watertor – kreeft – krab – makreel – kabeljauw
zee-egeltjes
garnaaltjes
inktvisjes
stekelbaarsjes
kikkertjes
kikkervisjes
mosseltjes
schildpadjes
salamandertjes
zeehondjes
karpertjes
botjes
makreeltjes
kreeftjes
kabeljauwtjes forelletjes
zeesterretjes kwalletjes scholletjes krokodilletjes roggetjes watertorretjes krabbetjes 2 Vul nu deze zin in: Alle verkleinwoorden hebben in het meervoud de letter s
50
op het eind staan.
dieren verzorgen
47
Naam
Maak de zinnen compleet door woorden in te vullen. Kies uit: omdat – want – maar – en – als – daarom – hoewel – zodat – zodra
Ingrid verzorgt haar paard Luuk.
verdwijnt. De ogen en
’s Morgens staat Ingrid vroeg op,
sponst ze af, z odra
w ant
klaar is. H oewel
ze gaat haar paard
verzorgen. Zodra
ze bij de stal is,
de neus ze met rossen ze al een beetje
moe is, gaat ze door met het laatste karweitje.
waar Luuk staat, begint ze met het
De onderkant van de staart krijgt een
schoonkrabben van zijn hoeven. Dat is nodig
sponsbeurt, z odat
o mdat
weer prachtig gaat uitzien. M aar
Daarom
er veel vuil op zit. doet Ingrid lang over
de staart er
dat is nog niet het einde van de
het krabben van alle hoeven.
poetsbeurt, w ant
Daarna pakt ze de harde borstel
Ingrid wrijft met een zachte doek
voor de rug, het hoofd
de vacht mooi glanzend.
en
A ls
de benen
van Luuk. Ze borstelt flink,
zodat
ze het er
warm van krijgt,
maar
dit alles klaar
is, ruimt ze de spullen op en
dan tuigt ze
Luuk op. Ze wil graag een ritje ze gaat door.
maken, w ant
het is
Ze pakt daarna de zachte
mooi weer. Ingrid
rosborstel e n
en
de rubberen roskam.
verdwijnen al gauw tussen de
Ze borstelt haar paard heel
bomen. Je ziet alleen nog
stevig. Ingrid haalt de borstel
m aar
over de kam, zodat
stofwolkje, w ant
het vuil uit de borstel
gaan er in draf vandoor.
Luuk
een ze
51
48
poes en paard
Naam
1 Wat hoort er bij een poes? Schrijf dat maar op. Kies uit: vinnen – nagels – moederdier zoogt jongen – legt eieren – een navel – haren – heeft veren
nagels moederdier zoogt jongen een navel haren 2 Wat hoort er bij een veulen? Schrijf dat maar op. Kies uit: navel – legt eieren – kan vliegen – drinkt melk bij merrie – vinnen – heeft haren – heeft veren
navel drinkt melk bij merrie heeft haren
3 Welke zin is goed? Kleur dat hokje. Poezen en paarden zijn vogels. Poezen en paarden zijn zoogdieren. Poezen en paarden zijn vissen.
4 Kleur de zes zoogdieren maar.
5 Welke zinnen kloppen bij zoogdieren? Kleur het hokje voor die zinnen.
52
De jongen drinken melk bij
De meeste zoogdieren hebben veren.
het moederdier.
De moederdieren zogen de jongen.
Zoogdieren leggen geen eieren,
Alle zoogdieren hebben een navel,
maar krijgen jongen.
net als jij!
wat koop je?
49
Naam
1 je drinkt een beker chocola of een kopje thee. Maar wat koop je? Alle woorden moet je één keer gebruiken. Kies uit: paar – reep – tube – doosje – stukje – zakje – rol – bos – pak – fles – blikje – pot 1 een pot
jam
2 een stukje
zeep
3 een tube
tandpasta
4 een rol
beschuit
5 een fles
limonade
6 een bos
bloemen
7 een pak
suiker
8 een blikje
tomatenpuree
9 een zakje
snoep
10 een reep
chocolade
11 een paar
schoenen
12 een doosje
lucifers
2 Wat hoort bij elkaar? Trek maar een lijntje. brood
•
• stok
fiets
•
• bril
telefoon •
• schaaf
kaas
•
• bak
kap
•
• vloot
planten •
• papier
zonne
•
• toestel
toilet
•
• band
boter
•
• rooster
53
50
de race
Naam
Schrijf de goede ‘voegwoorden’ in de autobusjes. Streep de auto’s door die je gehad hebt. Die kunnen de weg al op. De volgende auto’s staan klaar: totdat – terwijl – omdat – voordat – omdat – want – hoewel – want – hoewel – zodat – als
Voordat de startvlag naar beneden gaat, kijkt Mart nog even naar het publiek. Hij is nerveus voor deze wedstrijd,
omdat
hij misschien kampioen
kan worden. Mart kan bijna niet meer wachten, t otdat
het zover is. T erwijl
zijn motor draait, zwaait hij naar zijn trainer. Dan klinkt het startschot. Mart kijkt nu niet meer om,,
omdat
dat veel te gevaarlijk is.
Hij neemt snelheid terug in de bocht,
want
anders vliegt hij eruit. H oewel
een andere auto net naast hem rijdt,
kan Mart toch als eerste de bocht in. V oordat hij de bocht helemaal heeft genomen, geeft hij weer plankgas. Mart en zijn trainer hebben de weg vooraf goed verkend. H oewel er veel bochten zijn, kan er toch snel gereden worden,de bochten zijn ruim. Mart rijdt voorop, a ls
zijn achterwielen slippen.
Gelukkig is de eindstreep al in zicht, z odat
een andere auto
hem niet in kan halen. Mart gaat juichend over de streep w ant hij heeft gewonnen. Nu is hij kampioen.
54
in het nauw
51
Naam
1 Vul maar in: eeuw – auw – ouw. Er was eens een kleine spr eeuw
auw
en een oude l eeuw
‘Ik lust die vogels r auw Maar de bl auwe
eeuw
, een blauwe p
. De l eeuw
had honger en dacht:
.’ De vogels zaten dus in het n auw p auw
Hij bond het t ouw
, een witte m eeuw
pakte g auw
om de poten van de l eeuw
. een t ouw
.
. Die gaf toen een schr
. Maar de vogels vluchtten weg.
En de l eeuw
? Die k auwde
toen maar op het t ouw
.
2 Trek een lijntje van a naar b, van b naar c, van c naar d, enz. Dat kan twee keer. Je mag de tekening daarna kleuren.
55
52
zwemmen?
Naam
‘Mama, mag ik met Jaap gaan zwemmen?’ ‘Dat kan niet, want oma komt op bezoek.’
3 De hond in de pot vinden betekent:
‘O ja, dat was ik vergeten,’ zegt Bart.
Bart moet de hond
‘Ring-ring,’ de telefoon gaat.
eten geven.
Moeder neemt de hoorn op.
Het eten is op. De hond uitlaten.
‘Nu kan ik toch gaan zwemmen,’ zegt Bart.
Bart moet afwassen.
Hij haalt vliegensvlug zijn zwemspullen en 4 In de laatste zin roept Barts moeder.
zegt tegen zijn moeder: ‘Tot straks,’ terwijl hij de deur uit rent.
Waarom zegt ze het niet gewoon?
‘Zorg dat je uiterlijk om zes uur thuis bent,
Omdat Jaap staat te wachten.
anders vind je de hond in de pot!’ roept ze
Omdat oma ziek is.
hem na.
Omdat ze het leuk vindt. Omdat Bart het anders niet hoort.
1 Welke zin hoort op de
?
Jaap vraagt of hij nog komt.
Vliegensvlug betekent heel erg vlug.
Moeder vraagt of hij komt eten.
Vul in en kies uit: pijl – ijs – mier – piep –
Oma belt dat ze ziek is.
stok – bloed – splinter
Oma belt dat ze eraan komt.
heel erg koud is
ijskoud
heel erg jong is
piepjong
heel erg oud is
stokoud
Niet vroeger dan zes uur.
heel erg heet is
bloedheet
Op zijn laatst om zes uur.
heel erg zoet is
mierzoet
Om zes uur
heel erg nieuw is
precies.
heel erg snel is
2 Wat betekent uiterlijk om zes uur?
Liefst zo vroeg mogelijk.
56
splinternieuw pijlsnel
er zit muziek in
53
Naam
1 Vul in: de, het of een. Of zet een streepje als er niets moet komen te staan. De dirigent In het
orkest wordt veel mooie muziek gemaakt. Iviraldo speelt op een fluit en Dalila slaat op de
Anthony speelt
de
maat van de
kan de
noten op het
blad
dirigent geeft haar extra aanwijzingen. Zonder
dirigent niet zo goed lezen. Zijn bril hangt aan een
nek. Soms raakt de
de
trom. De dirigent slaat
muziek. Maaike kan de
niet zo goed lezen. De
gitaar,
dirigeerstok in de
bril
touwtje om zijn
war met het
touwtje van
kinderen lachen. Gelukkig kan de
bril. Dan moeten alle
dirigent er zelf ook om lachen. Na de
repetitie gaan de
Janneke gaat per
kinderen naar huis. Harza gaat met de
trein naar huis. Ze hoort in de
nog altijd naklinken. Daarna kan ze heerlijk dromen over het
trein de
fiets. muziek
orkest en de
gezellige avond.
2 Wat zie je? Kies uit: draaiorgel – drumstel – koor – viool – fluit – trompet – gitaar – piano Vergeet niet om er de of het voor te zetten.
het draaiorgel
het koor
de piano
de fluit
de viool
het drumstel
de trompet
de gitaar
57
piekerblad 3
54
Naam
1 Welk beroep hebben de mensen uit deze straat? Je kunt het vinden door de letters anders te zetten. Schrijf de beroepen er maar onder.
5
3
6
2 An Mustur
1 Ted Boops
3 Ber Kak
stuurman
postbode
bakker
agent
5
5
5 Els Gar
6 Eli Bomst
bloemist
slager
5
1
b
2
u
3
r
4
g
5
e
6
7
m e
8
9
e
s
10
t
7 Ap Perk
kapper
boswachter
11
e
3
12
r
8 Bo Re
boer
6 3 9 Bas Wroecht
4 Net Ag
2
10 Lot Pio
piloot
6
2 11 Era Ral
leraar
12 Ko Tred
dokter
2 Wie woont er in het middelste huis? Kijk goed naar het nummer in de rondjes. Bij de postbode zie je een 5. Je schrijft dan de vijfde letter van postbode in vakje 1. Dat is dus een b. Ga zo verder met de andere beroepen.
58
leo de leeuw
55
Naam
1 Leo de leeuw is los. Vul op de sporen in: ieuw – uw – eeuw
m eeuw
k ieuw n ieuw
sl uw
n ieuw
sn eeuw
schreeuw s
sch uw
g eeuw
d uw
r uw spr eeuw
2 Kleur de eeuw-woorden om de kooien. Kijk bij welke kooi de meeste eeuw-woorden staan. Teken Leo de leeuw daar maar in. meeuw
sluw
schreeuw
kieuw
nieuw schuw duw sneeuw
nieuw
spreeuw
3 Lees het verhaal en vul de woorden in. gebruik de woorden van de sporen. Leo keek eens naar de wolken. Daar vlogen een witte m eeuw
spreeuw
. ‘Wat lijkt het me heerlijk om vrij te zijn,’ dacht Leo en ontsnapte uit
zijn kooi. De bewaker die het ontdekte gaf een schreeuw
sneeuw
en een zwarte
. Even later was het nieuws
een sluw
en viel voorover in de al overal bekend. Leo bleek
beest te zijn, want niemand kon hem vinden. Maar na een tijdje
kreeg hij honger en ging maar vlug op zoek naar zijn kooi. Plotseling kreeg hij een
duw
in zijn rug. Leo was gevangen. De bewaker deed vlug de kooi op slot en
keek de leeuw streng aan. Leo zat een beetje voor zich uit te kijken. Even later moest hij verschrikkelijk geeuwen een nieuw
en viel in slaap. Waarschijnlijk droomde hij alweer van avontuur.
59
lust je worst?
56
Naam
Opa gaat vlees kopen. Zijn1 hond Lex mag mee. Die kwispelt van plezier, want hij2 krijgt altijd een stukje worst. Bij de slager is het verschrikkelijk druk. Eerst staat Lex geduldig te wachten. Hij snuift de heerlijke worstlucht op. Maar opeens is hij3 het wachten beu. Hij steekt zijn snuit door de gleuf tussen het glas. Zo kan hij net bij de biefstuk. ‘Smak, smak!’ Dat smaakt nog lekkerder dan worst! Zijn baas heeft niets in de gaten, want hij praat met de buurvrouw. Maar als hij4 aan de beurt is, ziet hij dat Lex zijn5 bek aflikt. Oei, wat is opa kwaad! Voor straf mag Lex niet meer mee naar de slager.
1 Wat is de beste titel? Plakje worst? De laatste keer Opa en Lex
2 Zet de zinnen in de goede volgorde en vul in. o Lex is blij. 4 Wat betekent heeft niets in de gaten?
r Lex is ongeduldig. t Lex mag nooit meer mee.
Opa heeft niets door.
w Lex mag mee naar de slager.
Opa weet alles al.
s Lex eet van de biefstuk.
opa kletst met de buurvrouw.
1
w
2
o
3
r
4
s
5
t 5 Wie of wat wordt bedoeld met:
3 Wat betekent het wachten beu? Staat geduldig te wachten Geen zin om langer te wachten. Wil nog eventjes wachten.
60
Zijn1 opa hij2
de hond Lex
hij3
de hond Lex
hij4
opa
zijn5 de hond Lex
57
soort bij soort
Naam
1 Wat hoort er niet bij? Streep dat woord door. Wat voor groep houd je over? Groep
Kies uit de groepen:
bomen
eik – geranium – beuk – iep appel – peer – dropje – banaan
fruit
vork – bord – beker – schoteltje
serviesgoed groente
sla – andijvie – spinazie – yoghurt
beddengoed
deken – vloerkleed – laken – kussen auto –brommer – step – tractor
motorvoertuigen drinkgerei
glas – beker – kopje – bord
serviesgoed groente beddengoed drinkgerei bomen fruit beroepen
hamer – plank – nijptang – zaag
gereedschappen
kapper – bakker – man – slager
beroepen
motorvoertuigen
bloemen
gereedschappen
tulp – roos – spar – iris
bloemen
2 In welke grote groep hoort het? Denk aan de groepen hierboven. Spinazie is een
groente
Een theepot is
serviesgoed
Een autobus is een
motorvoertuig
Een framboos is
fruit
Een laken is
beddengoed
Tandarts is een
beroep
Een boor is
gereedschap
Witlof is een
groente
Een margriet is een
bloem
Een populier is een
boom
61
snoep verstandig
58
Naam
1
Schlomo ligt onder de appelboom. Hij slaapt.
2
Hij droomt van een grote jongen.
3
Die1 heet Yassir en geeft hem2 een oorvijg.
4
‘Au!’ Hij3 schrikt ervan wakker en voelt aan zijn hoofd.
5
Er zit een dikke bult op zijn voorhoofd.
6
Schlomo kijkt om zich heen, maar hij ziet niemand.
7
Maar vlak naast hem ligt een rode appel.
8
Die4 lacht hem viendelijk toe en zegt: ‘Ik ben Yassir.
9
Eet me5 maar lekker op!’
1 Lees de volgende delen van het verhaal. Kan het echt gebeurd zijn? Vul in: ja of nee. regel 1 – 2 – 3
ja
regel 4 – 5 – 6
ja
regel 7 – 8 – 9
nee
2 Wat is een oorvijg? een lapje als je oor pijn doet een klap om de oren een oorlelletje een oorwarmer
4 Welke woorden betekenen hetzelfde als klap? Trek daar een lijn naar toe.
3 Wie of wat is?
62
die1
een grote jongen
hem2
Schlomo
hij3
Schlomo
die4
de appel
me5
de appel
tik
•
• oorvijg
want
•
• schop
pets
•
klap
• dreun
hoofddeksel •
• hand
slag
•
• mep
opdoffer
•
• duw
59
na elkaar of tegelijk
Naam
1 Kijk naar het plaatje Welke twee zinnen passen erbij? Nadat hij een ijsje had gegeten, ging Jaap fietsen. Terwijl Jaap fietste, at hij een ijsje. Hoewel Jaap zijn ijsje nog niet op had, ging hij fietsen. Jaap at eerst een ijsje, voordat hij ging fietsen.
2 Wat voor zinnen zijn het, na elkaar-zinnen of tegelijk-zinnen? Streep het foute door. Voorbeeld: Jaap at een ijsje, nadat hij gefietst had. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want Jaap fietste eerst en at daarna een ijsje. Vul nu in: a Marjo zat te lezen, toen de bel ging. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want de bel ging
terwijl Marjo zat te lezen. b Achmed gleed van de glijbaan, nadat hij had geschommeld. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want Achmed
had eerst geschommeld en gleed daarna van de glijbaan. c Toen het ging regenen, was Uko al droog op school gekomen. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want Uko
was al op school en pas daarna ging het regenen. d Nadat Elise had gegeten, hielp ze met afwassen. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want Elise
had eerst gegeten en daarna hielp ze met afwassen. e Als Erwin in het zwembad duikt, houdt hij zijn ogen dicht. Dit is een na elkaar-zin / tegelijk-zin, want Erwin
houdt zijn ogen dicht, terwijl hij in het zwembad duikt. 63
60
allemaal klaar?
Naam
Kleur de eieren van de paashaas met de nummers van de bladzijden die je klaar hebt.
64