Skip to main content

Stenvert-Taal_oefenen_Gr3_WB_150dpi_antw

Page 1

Taal oefenen Werkboek


Taal oefenen Werkboek COLOFON Auteurs Paul Bemelen Karin Brouwer Marjo Dekker - van Gelderen Jacqueline Klerckx Marcel de Reuver Ontwerp omslag Eduardo media Illustraties Egbert Koopmans Opmaak binnenwerk PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31483 0 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Taal oefenen   1 bal, bel en bus – Spelling

5

2 kies maar – Spelling

6

3 wat zie je? – Spelling

7

4 met de trein – Spelling

8

5 woorden en plaatjes – Spelling

9

6 op de kinderboerderij – Taalstructuur – telwoorden

10

7 op het strand – Taalstructuur – lidwoorden

11

8 de noot in het bos – Taalstructuur – voorzetsels

12

9 de letterkast – Spelling

13

10 het vogeltje – Taalstructuur – voorzetels

14

11 de schrijfmuur – Taalstructuur – lidwoorden

15

12 rijmen maar – Taalstructuur – meervoud

16

13 de letterboom – Spelling

17

14 puzzelen – Spelling

18

15 alles is klein – Taalstructuur – verkleinwoorden

19

16 verstopte woorden – Spelling

20

17 kleine dieren – Taalstructuur – verkleinwoorden

21

18 piekerblad 1 – Piekerpagina

22

19 bij elkaar – Spelling

23

20 de speelgoedkisten – Taalstructuur – meevoud

24

21 spelen – Taalstructuur – telwoorden

25

22 goed kijken – Spelling

26

23 het slangenspel – Taalstructuur – meervoud

27

24 wie woont er hier? – Spelling

28

25 muizen en riemen – Spelling

29

26 alweer klein – Taalstructuur – verkleinwoorden

30

27 de boerderij – Taalbetekenis – woordenschat

31

28 groot en groter – Taalstructuur – trappen van vergelijking

32

29 de baby – Taalstructuur – verkleinwoorden

33

30 piekerblad 2 – Piekerpagina

34

31 vliegeren – Taalstructuur – samenstellingen

35


Inhoud Taal oefenen 32 het zwembad – Taalstructuur – meervoud

36

33 speeltuin en ijsmuts – Taalstructuur – samenstellingen

37

34 op zee – Taalfunctie – begrijpend lezen

38

35 op reis – Taalstructuur – lidwoorden

39

36 samen – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

40

37 dag en nacht – Taalfunctie – begrijpend lezen

41

38 wat doe je ermee? – Taalbetekenis – woordenschat

42

39 poes en hond – Taalfunctie – begrijpend lezen

43

40 piekerblad 3 – Piekerpagina

44

41 bij elkaar – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

45

42 naar het strand – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

46

43 feest – Taalfunctie – begrijpend lezen

47

44 de hond en de poes – Taalfunctie – begrijpend lezen

48

45 beestenboel – Taalbetekenis – woordenschat

49

46 dat is pech – Taalbetekenis – taal-denken

50

47 aan het werk – Taalfunctie – begrijpend lezen

51

48 wie doet het? – Taalfunctie – begrijpend lezen

52

49 de poes en de muis – Taalfunctie – begrijpend lezen

53

50 wat doe je? – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

54

51 de oom van raja – Taalfunctie – begrijpend lezen

55

52 achter elkaar – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

56

53 fruit – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

57

54 met de fiets – Taalfunctie – begrijpend lezen

58

55 dat is slim – Taalfunctie – begrijpend lezen

59

56 een mooie fiets – Taalfunctie – begrijpend lezen

60

57 eet meer fruit – Taalfunctie – begrijpend lezen

61

58 stoffen en vormen – Taalbetekenis – taal-denkrelaties

62

59 piekerblad 4 – Piekerpagina

63

60 de nummerrups – Registratieblad

64


bal, bel, bus

1

Naam

wat zie je? maak de woorden maar goed.

1

2

3

b a l

h e k

r o k

4

5

6

k

i p

b u s

z o n

7

8

9

m u s

b e l

b o s

10

11

12

p a n

sch

i p

p u t

13

14

15

m e s

w

i p

k a r

5


2

kies maar

Naam

welk woord hoort bij het plaatje? schrijf dat er maar onder.

zon   zak   zat

zak

zin   zon   zak

zon

hok   hek   het

hek

pen   pet   pek

pen

hek   kok   hok

hok 6

mol   mus   mos

mus

tak   dak   mak

dak

pot   pit   pet

pet

kok   kop   kom

kok

lip   kip   wip

wip

tik   tol   tak

tak

tak   ton   tas

ton

vil   vin   vis

vis

kan   kar   kat

kat


wat zie je?

3

Naam

lees de woorden. bij welk plaatje horen ze? schrijf ze er maar onder. put

vis

bot

hek

zon

das

kat

mus

net

pan

hok

wip

big

pet

bal

nek

vis

big

bal

wip

net

pan

hek

das

hok

zon

put

kat

bot

pet

nek

mus 7


4

met de trein

Naam

schrijf het goede woord op.

8

fuut

vuur

schuur

muur

doos

roos

boot

boom

raam

haas

aap

haan

teen

keel

been

zeep


woorden en plaatjes

5

Naam

lees de woorden. bij welk plaatje horen ze? schrijf ze er maar bij. tas

pot

kip

bos

kus

schep

zak

soep

dak

vos

bek

nek

rug

pop

bus

tas

vos

rug

pop

bus

pot

dak

kus

zak

bos

soep

nek

bek

kip

schep

9


6

op de kinderboerderij

Naam

hoeveel tel je er? schrijf dat maar op. kies uit: een – twee – drie – vier – vijf – zes – zeven – acht – negen – tien – elf – twaalf

twee

10

twaalf

tien

drie

vijf

drie

een


op het strand

7

Naam

zijn het de woorden of het woorden? schrijf ze maar op de goede plaats. zand

lucht

kuil

ijs

weer

duin

zee

zon

kind

schip

golf

boot

wolk

strand

vloed

kraam

schep

bad

de lucht

de boot

het zand

het schip

de kuil

de wolk

het ijs

het strand

de zee

de vloed

het weer

het bad

de zon

de kraam

het duin

de golf

de schep

het kind

11


8

de noot in het bos

Naam

maak de zin af. kies uit: op – aan – op – uit – met – bij – in 1 de noot ligt op

de hoed.

2 de noot valt uit

de boom.

3 de noot ligt op

de grond.

4 de noot hangt aan 5 de noot ligt in

een tak. de mand.

6 de steel hoort bij 7 dit is pim met

de hoed. een noot.

4 2

7 1

5

3 6

12


de letterkast

9

Naam

1 de letters op de boeken staan door elkaar. zet de letters maar weer goed.

schrijf de woorden op. 1

5

1 dak   2 schuur   3 haan

6

4 haar

7

9

5 vis   6 doos

2

7 mol

10

8

8 kan   9 pet

haas

10

3

11 rok

4

rat

12

12 11

2 welke woorden rijmen?

geef ze dezelfde kleur

muur

duur

bus

mus

kus

boos

rat

kat

vuur

roos

doos

lat

3 welke woorden rijmen hier?

geef ze dezelfde kleur

kip

tip

reep

zeep

streep

kaas

pop

sop

lip

baas

vaas

kop

13


10

het vogeltje

Naam

1 schrijf de woorden op de goede plaats. dit is pietje. kies uit: voor – naast – op – in – naar – uit

hij zit op

de kooi

pietje zit in

de kooi

hij zit voor

de kooi

hij zit naast

de kooi

hij vliegt naar

de kooi

piet is uit

de kooi

2 maak de zinnen goed. kies een woord.

bijvoorbeeld: piet loopt naar piet zit in piet vliegt uit piet kijkt naar

14

de kooi. de kooi. de kooi. de kooi.


de schrijfmuur

11

Naam

schrijf de woorden maar op de muur. is het een de woord of een het woord? kies uit: muur

wei

steen

blad

poes

kind

gat

dier

oor

melk

land

gras

bal

mus

staart

hond

bijvoorbeeld:

de muur

de wei het blad

de steen

het kind

de poes

het gat het dier

de melk

het land de hond

de mus

de bal de staart het gras

het oor

15


12

rijmen maar

Naam

het zijn er meer. ze rijmen. schrijf het woord erbij. trek een lijntje en kleur ze hetzelfde.

rokken vogels

boeken

broeken

kogels

muizen wippen klokken

knikkers slakken kippen

huizen kikkers 16

takken


de letterboom

13 1

Naam

pluk de letters uit de boom en zet ze op de goede plaats.

g f b

r l s

doo f

l

dee g

b

s t r

oop

muu r

oog

s n m

r

eep

t

aal

vaa s

roo s

v p z

n t k

n

eef

p

op

m

aag

v

os

z

es

boo s

k

eel

bee n

t

oon

2 volg de lijnen en schrijf de woorden hieronder. 1 kast 2 bel 3 knol 4 ster 5 stal 6 brug 7 knop

1 k

r

l

2 b

l

g

a s

3 k n 4 s

8 fles 9 druk

7 k

e

e

a

u

p k

s

t r

e o

n

8 f 9 d

t

t

5 s 6 b

o

r

l l

u

17


14

puzzelen

Naam

kleur de woorden van de puzzel. welk woord blijft er over? schrijf dat woord op.

aap: geel

boek: rood

pet

maan: rood

schuur

18

voet: geel

schaap

vos: geel

mier

mes: geel

hok: rood

wol: rood

vuur: geel

roos

vis: rood

boek

been: geel

reus

buik: rood

boom: geel

jas: rood

vies: geel

haan

dier: rood

school: geel

biet

duur: rood


alles is klein

15

Naam

in dit bos is alles klein. schrijf dat maar op met -je of -tje. schrijf het woord helemaal op.

huis

deur

huisje

deurtje

noot

nootje

ik maak het klein

poot

hek

pootje

hekje

mus

musje

paal

paaltje

veer

veertje

vis

visje

vuur

vuurtje 19


16

verstopte woorden

Naam

welke woorden zie je? trek er maar een lijn naartoe. geef elke lijn een andere kleur.

speuboekoeldeuksiemuistjvuiviereus

20

lokuilsiesoeplrietuiviereusoelpien


17

kleine dieren

Naam

1 vul hun namen maar in. het zijn kleine dieren.

1

3

2

6 5 4 9

8 7 1 2 3

a

11

h

a

t

j

e

t

j

e e

p

j

e

h

e

r

s

j

e

6

e

e

n

d

j

7

k

a

t

j

e

8

m

u

i

s

j

9

v

i

s

j

e

o

n

d

j

e

10

11

f

i

u

10

i

e

a

m

u

g

4 5

d

h

j

e

e

2 welk woord staat onder de pijl?

a

s

j

e

1

d

2

i

3

e

4

r

5

e

6

n

7

t

8

u

9

i

10

n

21


18

piekerblad 1

Naam

welke woorden zie je? streep die maar door. wat houd je over? schrijf dat onder de puzzel.

h

22

b

o

e

k

k

a

m

v

i

s

k

a

a

s

h

e

e

l

a

a

p

m

a

a

n

r

o

k

j

a

s

k

n

a

p

n

e

t

r

o

o

s

v

u

u

r

p

e

t

e

e

l

k

n

a

p


bij elkaar

19 1

Naam

welk woord hoort erbij? schrijf dat op.

schiet

scheur

schat

schuur

schip

schip

schuif

school

school

schoon

schep

schoen

schol

schuin

schuur

schoen

2 vul de goede letter in.

r of t

p of s

muu r

neu s

t

aal

r

eis

poo t k of g

k

aal

g

eit

pa k mu g

p

il

po p

s

ok

l of m paa l

m

aak

la m

l

ip

23


20

24

de speelgoedkisten

Naam

zie je het boek? maak er twee van: boeken.

en de vlieger? maak er twee van.

dat boek komt in de …en-kist.

vliegers. die hoort dus in de …s-kist.

kleur de …en-woorden blauw.

kleur alle …s-woorden rood.

blauw: stoel boek bal dobbelsteen springtouw beer trein

rood: kegel knikker trommel vlieger masker treintje


21

spelen

eerste

Naam

tweede

derde

vierde

vijfde

het derde

kind zit op een fiets.

het tweede

kind springt met een touw.

het eerste

kind gooit een bal.

het vijfde

kind speelt met haar tol.

zesde

zevende

achtste

het tiende

kind staat op zijn kop.

het zesde

het negende

kind speelt met een pop. het zevende

negende

tiende

kind slaat op de trom. kind blaast op de fluit.

25


22

goed kijken

Naam

kijk heel goed.

o

ee

soms is het geen woord.

b o

k

r

vul in wat wel klopt.

p o

t

m ee l

l

p

v ee l

v o

s

w ee k

eu

uu

r eu k

v uu r

p e

t

p

m uu r

m e

s

d eu r

l

n e

k

g eu r

h uu r

l

r

oe

aa

b oe k

v aa s

b

l

s

s

e

r

r

h oe k

k aa l

b oe r

b aa n

u

oo

ie

m u

g

k oo p

g ie t

k u

s

b

v

v

n

b oo s

n ie s

r u

g

k oo l

m ie r

k

k

ui

a

26

n

h a

k

k ui l

h

s

b ui k

t a

s

m ui s

t a

k

p

l


het slangenspel

23

Naam

je ziet steeds vier woorden. maak ze langer. ĂŠĂŠn woord is een ...s-woord. schrijf dat woord op.

arm

pink

hoofd

duim

schouder

nagel

been

teen

schouders

nagels

slang varken schaap paard

varkens touw trein kegel bal

kegels mok

kast

fles

tafel

beker

stoel

kop

bank

bekers

tafels

27


24

wie woont er hier?

Naam

lees het verhaal. schrijf de woorden met ui in het huis. doe zo ook met eu – oe – uu – ie.

huis pluis muis duif

dit is het huis van pluis de muis. er woont ook een duif en een luis.

luis

teun reus jeuk neus

soep boek poes

hier woont loes. ze eet soep. dan leest ze een boek. ze geeft poes een zoen.

zoen

ziek griep ziet

in dit huis is miep. ze is ziek. ze heeft griep. ze ziet zo rood als een biet.

biet

m ie p is z ie k

28

aan zijn neus. dat is niet leuk.

t eu n de r eu s

guus truus muur schuur

dit huis is van guus en truus. er is een muur bij de schuur. het huis is duur

duur

l oe s en p oe s

miep

reus. hij heeft jeuk

leuk

pl ui s de m ui s

loes

hier woont teun de

g uu s en tr uu s


muizen en riemen

25

Naam

1 kleur het woord dat niet kan. muis

vet

raan

boos

buis

vas

rook

been

fuis

vis

reep

seek

huis

vol

roos

kook

2 zoek het woord. kleur dat woord. schrijf het ook op.

biemkloeboekiem

boek

suimuiskluimus

muis

verveirviers

vier

stmeurkleureusps

reus

poesklsoepiloepos

soep

mireusmierneusriem

riem

29


26

alweer klein

Naam

maak alles klein.

je

pje

kijk wat erbij komt. kleur de je-woorden groen.

tje

kleur de pje-woorden blauw. kleur de tje-woorden rood.

30

bezempje

lampje

muisje

touwtje

stoeltje

boekje

hondje

boompje

beertje

duimpje

hertje

raampje


27

de boerderij

Naam

wat zie je op de boerderij? schrijf de namen hieronder. kleur de plaat daarna. 1 boer

6 ton

11

haan

2 dak

7 schuur

12

hek

3 kat / poes

8 geit

13

zaag

4 vuur

9 tak

14

koe

5 hok

10

kip

2

7 8 9 11 14

5

6 3

1

4 13

10 12

31


28

groot en groter

Naam

1 zoek het goede woord erbij. kies uit: klein – kleiner

kleiner

klein

kies uit: breed – breder

breed

breder

kies uit: hoog – hoger

hoger

2 zet het goede woord eronder. kies uit: smal – smaller – smalst

smal

smalst

smaller

mooi

mooist

dik

dikker

kies uit: mooi – mooier – mooist

mooier

kies uit: dik – dikker – dikst

dikst 32

hoog


de baby

29

Naam

het is klein. kies uit je of tje. schrijf de woorden maar op.

1 9

6

3 5 2

12 11

7 4

10

1 sokje

7 buikje

2 oogje

8 beertje

3 teentje

9 knietje

4 beentje

10

speentje

5 neusje

11

voetje

6 oortje

12

flesje

8

33


piekerblad 2

30 1

Naam

kijk maar goed. wie zie je op de plaatjes? schrijf die naam eronder.

• toon is kaal en draagt een bril.

• aagje heeft oorbellen en een hoed.

• ivo heeft krulhaar. hij heeft ook een

• ans heeft staartjes en een bril.

snor en een bril.

• kim heeft een hoed en een bril.

• eli heeft een baard en krulhaar.

• raja heeft staartjes en een hoed.

• stef heeft een baard en een bril.

• linda heeft staartjes en oorbellen.

• hans heeft een snor en is kaal.

dit is

dit is

hans

dit is

eli

dit is

toon

dit is

kim

dit is

ivo

dit is

linda

dit is

ans

aagje

2 zet alle eerste letters hier. wat lees je? 1

34

h

2

e

3

t

4

i

5

s

6

k

7

l

8

a

9

a

10

r

dit is

stef

dit is

raja


31

vliegeren

Naam

elke vlieger heeft twee staarten. schrijf de woorden op de staarten. en schrijf ze los op. kies uit: taart – vlek – plaats – vlieg – neus – muts – vis – goed – beer – fiets

inktvlek

bromvlieg

inktvis

bromfiets

vlek

vlieg

vis

fiets ijstaart

taart

ijsbeer

beer

pla

neus

ats g oe

muts

feestneus

speelplaats

feestmuts

speelgoed

d

35


32

het zwembad

Naam

maak er meer van. hoor je dan …en of …s? schrijf dat maar op. 1 duikplank en

6 schommel s

11 zwembroekje s

2 snorkel s

7 tafel s

12 slipper s

3 trapje s

8 stoel en

13 ijsje s

4 zwemband en

9 tegel s

14 hand en

5 handdoek en

10 badmuts en

15 vogel s

6 13

15

8 7

11

2

9

1 3

12

5 10

14 4

36


33

speeltuin en ijsmuts

Naam

1 wat hoort bij elkaar? teken er een lijn tussen. blok bel

kaars mes

glij bak

bal pijl

klok baan

ijs vet

oor fluit

vuur pen

was huis

brood beer

2 dit is raar, maak het maar goed. schrijf het dan op en teken het.

voetkraan

voet bal

handvuur

hand schoen

hijsschoen

hijs kraan

kampbal

kamp vuur

37


34

op zee

Naam

schrijf de zinnen bij het goede plaatje.

38

je ziet vissen.

het is nacht.

het stormt hard.

de meeuw vliegt.

de zee is kalm.

het schip vaart rustig.

de zon schijnt.

schuim op de golven.

het stormt hard.

je ziet vissen.

het is nacht.

de zee is kalm.

de meeuw vliegt.

de zon schijnt.

schuim op de golven.

het schip vaart rustig.


op reis

35

Naam

vul maar in. kies uit: de – het – een murat is op reis. hij is naar zijn opa en oma. die wonen in een

dorp in turkije.

murat gaat daar met zijn opa naar het ze nemen de

geit van opa mee.

hij maakt de

geit vast aan een

de opa van murat rookt een

de

rook gaat in een

murat speelt een hij speelt met een

het

theehuis.

paal.

waterpijp. wolk door de

lucht.

kaartspel. vriendje van vroeger.

vriendje wint het

spel.

daarna gaan opa en murat weer weg. maar wat is dat?

het

touw is los en de

opa en murat kijken goed in het

de

geit vlucht naar de

murat rent gauw achter het hij vangt de

geit is weg. rond. markt. dier aan.

geit nog net op tijd.

zo komt alles toch nog goed.

39


36

samen

Naam

1 welk woord hoort erbij? trek er een lijn naar toe.

stoel

vork

verf

spijker

schoen

bril

pen

helm

2 schrijf nu op.

40

brommer

en helm

oog

en bril

tafel

en stoel

kwast

en verf

hamer

en spijker

mes

en vork

voet

en schoen

schrift

en pen


dag en nacht

37

Naam

waar hoort het bij? schrijf de woorden onder het goede plaatje. kies uit: maan – droom – licht – slapen – eten – wakker – zon – donker – ster – spelen – bed – school – dekbed – kussen – lezen – springen

licht

donker

spelen

ster

eten

maan

school

bed

wakker

droom

lezen

dekbed

zon

slapen

springen

kussen

41


38

wat doe je ermee?

Naam

wat doe je ermee? schrijf er het goede woord maar onder. hakken – eten – verven – varen – schrijven – drinken knippen – wassen – vegen – snijden – lezen – graven

42

verven

drinken

schrijven

graven

vegen

snijden

lezen

varen

eten

hakken

knippen

wassen


poes en hond

39

Naam

1 kleur het goede plaatje.

de hond zit in zijn hok

de hond zit voor zijn hok

de hond zit naast zijn hok

de poes zit voor de muur

de poes loopt op de muur

de poes zit op de muur

de hond zit op het huis

de hond ligt naast het huis

de hond ligt voor het huis

2

schrijf de goede zin op.

de hond ligt op zijn hek

op de muur zit een poes

door de tuin loopt een hond

naast het hok ligt een hond

poes valt uit de boom

in de tuin zit een hond

in het hok ligt een hond

poes valt van de muur

voor het hok ligt een hond

in het hok ligt een hond

poes valt van de muur

door de tuin loopt een hond

43


piekerblad 3

40

je ziet een

boom

je ziet een

huis

je ziet een

bal

je ziet een

rok

je ziet een

noot

44

Naam b=r

room

s=d

huid

m=s

m=t

boos

boot

ui = aa

h=m

haas

muis

a=o

l=k

bol

bak

k=l

r=k

o = oo

rol

kok

rook

n=b

n=p

oo = e

boot

poot

b=v

val

net


bij elkaar

41

Naam

bij elk plaatje horen twee woorden. schrijf het tweede woord erbij. geef de woorden en het plaatje dezelfde kleur.

kwast

penseel

poes

sjaal

das

kat mama

boot

moeder

schip papa

vader

beker

schip

mok

boot

kat

poes penseel

kwast

straat

das

weg

sjaal

vader

papa mok

beker

weg

straat

moeder

mama 45


42

naar het strand

Naam

1 je gaat naar het strand. wat neem je mee? kleur dat maar.

2 stop alles in de goede tas. neem je het wel of niet mee naar het strand?

wel

niet

bal

bed

emmer

huis

schep

poes

vlieger

klok muts stoel

46


43

feest

Naam

1 kies het goede woord uit de vlaggen.

op tafel staat een taart

zela is jarig. het is feest

met zeven kaarsjes

.

zela wordt zeven jaar jaar in de kamer hangen slingers

. .

. .

zela krijgt veel pakjes lang zal ze leven

. .

2 taart eten. vul maar in. kies uit: veel – alles – niets – weinig het bord is leeg. sam heeft alles

al op.

eefje heeft geen zin. zij eet niets

.

joep pakt nog een stuk. hij eet veel roos wil een klein stukje. zij eet weinig

. .

47


44

de hond en de poes

Naam

schrijf de zin bij het goede plaatje. de hond likt de poes. de poes klimt in de boom. de poes likt de hond. de hond loopt van de boom naar het huis. de hond loopt van het huis naar de boom. de hond zoekt zijn bot.

48

de poes likt

de poes klimt in

de hond loopt van het huis naar

de hond

de boom

de boom

de hond zoekt

de hond likt

de hond loopt van de boom naar

zijn bot

de poes

het huis


45

beestenboel

Naam

1 hier klopt iets niet. maak het maar goed en trek een lijn. de haan

zoemt

de muis

kwaakt

de kikker

kraait

de bij

piept

2 welke dieren horen bij elkaar? teken een lijn van het jong naar de moeder.

wollie het lam dons het kuiken ralf het kalf bettie de big wankel het veulen

3 ken je het geluid? kies uit: varken – poes – koe – paard – hond wie loeit er?

dat is de koe

wie hinnikt er?

dat is het paard

wie blaft er?

dat is de hond

wie knort er?

dat is het varken

wie miauwt er?

dat is de poes

49


46

dat is pech

Naam

wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes.

50

1 –––––––––––––––––– s ––––––––––––––––––  v ––––––––––––––––––  i →

1

v

2

i

3

s

2 –––––––––––––––––– u –––––––––––––––––– s –––––––––––––––––– m →

1

m

2

u

3

s

3 r –––––––––––––––––– e –––––––––––––––––– t –––––––––––––––––– h →

1

h

2

e

3

r

4

t


47

aan het werk

Naam

zoek het goede plaatje bij de zin. kleur dat plaatje.

vader heeft het hek gemaakt.

moeder verft de tuinbank.

vader gaat de afwas doen.

evert dekt de tafel.

51


48

wie doet het?

Naam

1 wie zie je? kies uit: bakker – schilder – dokter – slager – juf – groenteman

groenteman

juf

dokter

bakker

slager

schilder

2 wie zegt het? ‘zucht eens heel diep.’

dat is de dokter

‘heerlijke appels, mooie peren.’

dat is de groenteman

‘hier heb je een plakje worst.’

dat is de slager

‘kijk eens naar het bord.’

dat is de juf

‘die deur heeft een likje verf nodig.’

dat is de schilder

3 kleur het goede plaatje. wie zegt: ‘zal ik je eens heel mooi maken?’

52

dat is de kapper


49

de poes en de muis

Naam

het is warm.

de zon schijnt op de poes.

de zon schijnt.

op de grond zit een muis.

poes ligt in de zon.

hij zit voor zijn hol.

ze ligt op een tak.

ziet de poes de muis?

op een tak in de boom.

nee, poes slaapt.

1 waar is de poes? kleur dat rondje. en waar is de muis? kleur dat rondje ook.

2 welke zin is goed? schrijf die zin op. poes loert naar de muis. de muis kijkt naar de zon.

poes ligt in de boom

poes ligt in de boom.

3 welke zin is goed? schrijf die zin op. de muis zit voor zijn hol.

de muis zit voor zijn hol

op de muur zit een muis. de muis zit in de boom.

53


wat doe je?

50

Naam

1 wat is de goede volgorde? zet de letters in de hokjes. hoe heet het meisje? 1

v

2

3

e

r

4

a

v

a

e

r

2 schrijf in de goede volgorde.

54

ik ga uit bed. 1  ik slaap nog

.

ik kleed mij aan. 2  ik ga uit bed

.

ik slaap nog. 3  ik kleed mij aan

.

ik doe mijn jas aan. 1  ik eet mijn brood

.

ik eet mijn brood. 2  ik doe mijn jas aan

.

ik ga naar school. 3  ik ga naar school

.

thuis drink ik thee. 1  de school gaat uit

.

de school gaat uit. 2  ik ga naar huis

.

ik ga naar huis. 3  thuis drink ik thee

.

ik krijg vla toe. 1  ik ga eten

.

ik ga eten. 2  ik krijg vla toe

.

ik ga naar bed. 3  ik ga naar bed

.


51

de oom van raja

Naam

1 vul het goede woord in. oom bob heeft weinig geld. arm – rijk

hij is niet rijk

.

oom bob heeft wel een huisje. groot – klein

het is een klein

huis.

in de tuin staat een grote boom. oud – jong

die is al heel oud

.

raja verstopt zich achter de boom. dun – dik

zo dik

is de boom!

2 waar woont oom bob? kleur dat plaatje.

hier woont oom bob

3 raja ziet de dieren. en hij hoort ze ook. wie maakt het geluid? vul in. het schaap

blaat.

het varken

knort.

de haan

kraait.

de koe

loeit.

het paard de ezel

hinnikt. balkt.

55


52

achter elkaar

Naam

lees de zinnen. schrijf ze in de goede volgorde. joep huilt

1  joep fietst

joep valt

2  joep valt

joep fietst

3  joep huilt

erik krijgt geen ijs

1 erik krijgt geen ijs

erik is boos

2 erik is boos

selma is blij

1 selma rent hard

selma wint de prijs

2 selma wint de prijs

selma rent hard

3 selma is blij

elif is moe

1 elif is moe

elif slaapt

2 elif slaapt

ronald heeft verdriet 1 ronald voetbalt

56

de bal gaat kapot

2 de bal gaat kapot

ronald voetbalt

3 ronald heeft verdriet

joep heeft honger

1 joep heeft honger

joep eet brood

2 joep eet brood


fruit

53

Naam

1 schrijf in de goede rij.

2 wat hoort niet in het rijtje?

groente ui

fruit

ui

zet er een rondje om. bes

druif

bessen

pruim

pruim

sla

kool

bonen

bes

bes

braam

prei

kersen

peer

wortel

appels

kool

kool peer

peer sla

sla kers

kers boon

boon braam

braam prei

prei

witlof

witlof

appel

appel

3 fruit groeit aan een boom of aan een struik. hang het fruit op de goede plek. kies uit:

peer perzik kers

perzik peer braam kers bes framboos

braam bes framboos

57


54

met de fiets

Naam

1 lees het verhaal. vul het woord aan. 1 joep rijdt op zijn fiets

.

5 met zijn mam zoekt hij het lek

2 er ligt glas op de weg

.

6 ze plakken zijn band

3 pfff, zijn band loopt leeg

.

7 dan pompt

4 joep loopt naar huis

.

8 en joep stapt weer op

. hij de band op.

2 welke zin is er goed? zin 2 1 joep rijdt door een spijker. 2 zijn band is lek. 3 vader plakt zijn band.

3 de plaatjes staan door elkaar. welke vier zinnetjes horen erbij? schrijf die op.

met zijn mam zoekt hij het lek. / ze plakken zijn band.

pfff, zijn band loopt leeg.

joep loopt naar huis.

en joep stapt weer op zijn fiets.

58

.

zijn fiets.


dat is slim

55

Naam

1 wat een knoeiboel. schrijf de woorden maar goed op. 1 ilse speelt in de tuin.

7 ilse is een beetje bang voor dat dier.

2 ze speelt met een bal.

8 ze loopt naar binnen.

3 die gooit ze hoog in de lucht.

9 in de keuken pakt ze een plakje worst.

4 maar waar is die bal nu?

10 ze loopt ermee naar grom.

5 viel hij in de tuin van de buren?

11 en snel pakt ze haar bal.

6 maar daar loop grom, hun hond.

12 dat is mooi gelukt!

1 tuin

7 bang

2 bal

8 binnen

3 lucht

9 worst

4 bal

10

grom

5 tuin

11

bal

6 hond

12

mooi

2 wat is er goed? teken een lijn naar het goede woord. ilse speelt met

de worst

ze loopt snel naar

de hond

de bal

de keuken

de hond

de buren

de bal valt bij

de keuken

grom pakt

de bal

de tuin

de stok

de buren

de worst

daar ziet ze

de hond

de worst

de buren 59


een mooie fiets

56

Naam

1 gijs wil een fiets. in de krant staat: ‘mooie fiets te koop.’ de fiets heeft: een lamp – een pomp – geen mandje – een vlag – twee wielen – een zadel – geen stang – een ketting – een bel – een stuur

welke fiets is het?

a

fiets: b

b

c

2 waar zit het aan de fiets? zet het nummer in het goede rondje. 1 wiel

5 stuur

2 bel

6 lamp

3 zadel

7 spaak

4 ketting

8 trapper

2

3 5

6

schrijf op wat je ziet aan de fiets. 1 wiel

5 stuur

2 bel

6 lamp

3 zadel

7 spaak

4 ketting

8 trapper

1

4 7

3 zet in de goede rij: tafel – boom – stuur – bel – zadel – band – stang – bal – dadel – krant hoort wel bij de fiets

60

hoort niet bij de fiets

stuur

tafel

bel

boom

zadel

bal

band

dadel

stang

krant

8


57

eet meer fruit

Naam

joep ziet de mand. en pakt een appel.

dag, zegt de worm, ik lust ook fruit.

joep pakt een nieuwe appel. deze appel eet hij lekker op.

1 welke zinnen kloppen er wel? kleur daar het vakje voor. een appel is fruit.

de schil zit in de appel.

joep lust de worm wel.

joep vindt pitten lekker.

2 welk fruit ligt er in de mand?

appels

druiven

peren

bananen

kersen 3 welke zinnen zijn er goed? kleur daar het vakje voor. joep eet graag appels. joep eet graag wormen. wormen eten graag appels. joep eet graag pitten. de worm eet graag joep.

61


58

stoffen en vormen

Naam

1 wat kun je doen met:

2 wat is er van leer? zet een rondje om het

wol – hout – leer – glas – steen

goede woord.

vul in:

boom – schoen – tas – trui – riem – glas

ik brei een trui van wol een muur is van steen

3 wat is er van wol? zet een rondje om het

mijn schoen is van leer

goede woord.

de ruit is van glas

kleed – fles – trui – das – kast – sok – schoen

de stoel is van hout

4 zet de woorden onder het goede plaatje. driehoek – rond – rechthoek

rechthoek

rond

5 wat is rond? kleur die plaatjes. zet een blauw rondje om de goede woorden. boek – wiel – zon – kom – huis

6 wat is een rechthoek? kleur die plaatjes. zet een groen rondje om de goede woorden. glas – deur – plant – pen – tafel – boek

62

driehoek


piekerblad 4

59

Naam

rijmen maar. bas heeft een tas en roos heeft een doos schrijf de letter van het plaatje bij de goede naam. doe dat ook hieronder. welke naam lees je?

k

e

e

s

k

r

e

n

t

bas

roos

loek

e

k

mart

e

floor

s

mark

e

r

k

an

s

nel

n

t

e

k

e

ron

n k e

t

r

63


de nummerrups

60

Naam

kleur de rondjes van de bladzijden die je klaar hebt.

3

2

1

22 25 26

27

28

5

30

29

31

48

32

44

51

52

53

34

43

55 59

35

60

15

36

13 14 38

37

39 42 58

57

56 54

12

17

33

46

47

50

64

18

16

45 49

10 11

19

20

9

8

7

6

21

23

24

4

41

40


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stenvert-Taal_oefenen_Gr3_WB_150dpi_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu