Skip to main content

Stenvert-Spelling_Woordenschat_B-150dpi-antw

Page 1

NT2 – Woordenschat B Werkboek


NT2 – Woordenschat B

Werkboek COLOFON Auteurs Werkgroep NT2 o.l.v. Nico van Beusekom Ontwerp omslag Eduardo Media Illustraties Annemiek Moormann Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31479 3 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


INHOUD NT2 – WOORDENSCHAT B   1 Het ontbijt

2

31 Op het strand

34

2 Drinken

5

32 Op de camping

35

3 Eten en drinken (herhaling)

6

33 Op vakantie (herhaling)

36

4 Op de boerderij

4

34 Het ongeluk

37

5 Dieren

8

35 Op straat

38

6 Dieren op de boerderij (herhaling)

9

36 Het verkeer (herhaling)

39

7 Heet

10

37 Dorp en stad

40

8 Schoonmaken

11

38 Er op uit!

41

9 In de keuken (herhaling)

12

39 Buiten wonen (herhaling)

42

10 Lekker smullen!

13

40 In een sprookje

43

11 Een leuke dag!

14

41 Hoe vind je dit?

44

12 Feest (herhaling)

15

42 Is het waar? (herhaling)

45

13 Vogels

16

43 Dik en dun

46

14 Kleine dieren

17

44 Uit je bol

47

15 Op de grond en in de lucht (herhaling)  18

45 Een mens is een mens (herhaling)

48

16 Een blok en een bol

19

46 Kleed je mooi aan!

49

17 Tel maar door

20

47 Geld

50

18 Reken maar! (herhaling)

21

48 Kleren kopen (herhaling)

51

19 Fruit

22

49 Dieren

52

20 Groente

23

50 Slecht weer

53

21 Groente en fruit (herhaling)

24

51 Dieren buiten (herhaling)

54

22 Aan je hand en aan je voet

25

52 In huis

55

23 Hoofd en schouders

26

53 In de kamer

56

24 Van top tot teen (herhaling)

27

54 Hier woon ik! (herhaling)

57

25 Een dag uit je leven

28

55 In de timmerfabriek

58

26 De dagen vliegen voorbij

29

56 Beroepen

59

27 De tijd staat niet stil (herhaling)

30

57 Werken (herhaling)

60

28 Het gezin

31

58 Groot en klein

61

29 Hoe voel je je?

32

59 Oud en nieuw

62

30 Ik voel me thuis (herhaling)

33

60 Hoe ver ben je?

63


Het ontbijt

1

Naam de boterham

1 Schrijf de woorden op. v rk

vork

b t r h m

boterham

b rd

bord

k s

kaas

m s

mes

l p l

lepel

het bord

de lepel

de kaas

het mes

de vork 2 Kruiswoorden.

b v

m b

o

t

e

r

h

s

3 Wat hoort er bij elkaar?

m

r

m

k

r

e

d

k aa s

4 Vul in.

v

es

Er zit boter en kaas op de de boterham

m

ord

Het mes en de vork liggen naast het bord

b

ork

Een boterham met kaas

boter

aas

Ik snij met het mes

k

epel

Ik prik met de vork

l

ham

l Soep eet ik met de lepel

5 Rijmen.

4

a

o

baas

kaas

stam

boterham

word

bord

klepel

lepel

les

mes

hork

vork


Drinken

2

Naam

1 Schrijf de woorden op. gl s

glas

k 

koffie

k pj

kopje

th

thee

b k r

beker

l m n d

limonade

de beker

de thee de limonade

beker

het glas

het kopje

2 De letters staan door elkaar.

glas

de koffie

koffie

3 Wat is het antwoord?

thee

limonade

kopje

4 Vul in.

Van glas: het glas

Er zit warme melk in de beker

Er zit koffie in: het kopje

Wil je koffie of thee

Geen koffie: de thee

Het kopje

In een glas de limonade

Er is thee en koffie

? staat op het schoteltje.

In de es zit limonade Wil je limonade uit een glas

?

5 Zes verborgen woorden b

e

k

e

r

x

c

b

j

o

t

y

c

g

v

z

w

y

f

g

j

l

b

x

g

t

h

ee

u

a

b

k

j

y

e

q

w

s

z

o

k

o

f

f

ie

z

c

p

u

k

l

c

b

x

b

j

l

i

m

o

n

a

d

e 5


Eten en drinken

3 1

2

7

Naam

3

8

4

9

5

10

6

11

12

10

het mes

11

de koffie

4

de boterham

5

de vork

2

het kopje

7

de kaas

8

de beker

1

de limonade

9

de lepel

3

het glas

12

de thee

6

het bord

1 Welk woord hoort erbij? 1 de beker

de boterham 5

2 de vork

de thee 6

3 de lepel

het kopje 7

4 de koffie

de kaas 8

2 Geheimschrift.

6 + 3 + 8 + ? → bord

6 + 2 + 12 + 2 + 8 → beker

7 + ? + 2 + 2 → thee

? + 3 + 8 + 10 → vork

11 + 2 + ? → mes 10 + 3 + 5 + 5 + ? → koffie

3 Wat is het antwoord? Mes en vork Een glas met limonade Een kopje thee Een boterham met kaas 6


Op de boerderij

4

Naam de akker

1 Schrijf de woorden op.  kk r

akker

b  r n

boerin

p t

put

w

wei

b  rd r

boerderij

v g lv rschr kk r

vogelverschrikker

de boerderij de put de boerin de vogelverschrikker

2 Vul in.

de wei

Er zit water in de put De vrouw van de boer is de boerin Wonen op de boerderij Het weiland en de akker De koeien staan in de wei

3 Lees in het rond.

wei

put

akker

boerin

4 Teken elk woord.

de vogelverschrikker

de boerderij

de put

5 Zet een streep tussen de woorden. akkerputweiboerinboerderijvogelverschrikkerweiputboerinakkerput boerinboerderijputvogelverschrikkerweiboerinakkerboerderijputboerderij 7


Dieren

5

Naam het schaap

1 Schrijf de woorden op. m l

mol

k kk r

kikker

sch

schaap

p

l

uil

v s

vis

h

de uil de kikker de haas

haas

s

de mol

de vis

2 Vul in. Het konijn en de haas

De kikker

Onder de grond kruipt de mol

Het schaap

In de sloot zwemt de vis

springt in de sloot. loopt in de wei.

In de boom zit de uil

3 Rijmen

4 Zoek de 6 woorden.

kaas

haas

hsdgjhduhaasxeuikeovishejuejeklkikkerjkjukejieqspcnhu

aap

schaap

dieuipytrfjrjokoschaapkuidfgporspdffjdioqsxmolljsejdcba

vol

mol

nqioepqzapernsldkrixenwopenvfxsfldlsmvlduildmsixjky

5 Lees in het rond.

uil

haas

vis

6 Zes verborgen woorden.

8

h

aa

s

c

g

j

x

v

b

s

c

m

o

l

ch

i

ee

k

r

ui

z

v

b

s

v

i

s

q

w

z

x

c

n

k

i

o

e

f

g

z

v

k

z

x

s

ch aa

p

b

e

z

b

r

s

w

n

y

r

x

ui

l

o

s

b

mol


Dieren op de boerderij

6

de akker

10

de wei

2

de put

9

de haas

6

de vis

5

de uil

3

de boerderij

Naam

1

2

5

3

6

7

4

8

11

de boerin

1

de vogelverschrikker

4

de mol

8

de kikker

7

het schaap

9

10

11

12

12

1 Welk woord hoort erbij? 1

de boerin

7 de kikker

2

de wei

8 de mol

3

de uil

9 de put

4

de vogelverschrikker

10 de akker

5

de vis

11 de boerderij

6

de haas

12 het schaap

2 Wat is het antwoord? De vrouw van de boer: de boerin

Onder de grond: de mol

Een vogel: de uil

De boer woont er: de boerderij

In de sloot: de kikker

Er komt water uit: de put

3 Wat hoort er bij elkaar? ak

ker

kik

rin

p

derij

v

ei

boer

ol

boe

ker

m

ut

w

is

9


Heet

7

Naam

het fornuis

de kachel

de kaars

het vuur

de oven

de lucifer

1 Schrijf de woorden op.

lucifer

k rs

kaars

v n

oven

k ch l

kachel

v r

vuur

f rn

fornuis

l c f r

s

2 Vul in. Het vuur brandt in de kachel Steek de kaars aan met de lucifer De taart bakt in de oven De vlam van de kaars In de kachel brandt het vuur 3 De letters staan door elkaar.

fornuis

kachel

kaars

4 Zes verborgen woorden.

10

oven

vuur

5 Wat hoort er bij elkaar?

x

l

u

c

i

f

e

r

de ka

ornuis

c

b

j

o

e

o

x

n

het f

cifer

k

aa

r

s

z

r

f

h

de lu

chel

a

b

z

s

g

n

j

o

de k

uur

ch

f

u

v

i

ui

e

v

het v

aars

e

z

s

uu

b

s

x

e

l

j

h

r

s

b

m

n

lucifer


Schoonmaken

8

Naam

1 Schrijf de woorden op.

de emmer

k de handdoek

de h ndd

de doek

v g n

vegen

wr v n

wrijven

de mm r

de emmer

de d

de doek

k

wrijven

de handdoek

de bezem

de b z m

vegen

de bezem 2 Wat hoort er bij elkaar? be

oek

em

doek

d

gen

wrij

mer

ve

zem

hand

ven

3 Vul in.

4 Zoek de 6 woorden.

Je veegt met een bezem

hjhehwrijvenhjudjuiyvegenklinsi

Je wrijft met een doek

djykikojejejdoekjenjeujdhwuked

Er zit water in de emmer

femmerkikollgebjdhiehanddoek

Met een doek wrijven

enjdndhujhdnhdhejbezemkwgfr

Met een bezem vegen 5 Kruiswoorden h

a

v b

e

z

e

m

w

r

ij

v

e

n

g

d

e

d

n

oe

k 6 Welk woord hoort erbij?

wrijven

de emmer

de doek

de handdoek 11


In de keuken

9 1

Naam

2

7

3

8

9

4

5

10

het fornuis

8

de oven

de kachel

3

de lucifer

de kaars

6

de bezem

het vuur

10

de doek

6

11

5

de emmer

9

11

de handdoek

2

12

vegen

7

1

wrijven

4

1 Welk woord hoort erbij? 1 de doek

5 de oven

2 de handdoek

6 de kaars

3 de kachel

7 vegen

4 wrijven

8 het fornuis

2 Geheimschrift.

10 + 12 → bezem

9 + 6 → doek

2 + 4 → kachel

11 + 7 → emmer

16 + 9 + 6 → handdoek 5 + 14 → vuur

3 Wat is het antwoord? Met een bezem: vegen Er brandt vuur in: de kachel Je veegt ermee: de bezem Er kan water in: de emmer 12

12


Lekker smullen!

10

de chocola

Naam

de drop

het ijsje

het koekje

het snoep

de taart

1 Schrijf de woorden maar op. t  rt

taart

sj

ijsje

sn  p

snoep

dr p

drop

k  kj

koekje

ch c l

chocola

2 Wat is het antwoord? Zwart: de drop

Een reep: de chocola

Rond: de taart

Bij de thee: het koekje

Koud: het ijsje

Lekker: het snoep

3 Kruiswoorden. s

s

n

n

k oe k

j

e

p

oe

d

r

o

p

4 Zoek de 6 woorden. jkujdshuchocolakjiudktaartebjjenezenjdyuiuedropkelidjedukazeo pekjejehudkoekjejdndhuejksnoepjenjhdkdfkijsjewghjvioewpoedf 5 Lees in het rond.

ijsje

drop

snoep

koekje

taart

chocola 13


Een leuke dag!

11

Naam trouwen

1 Schrijf de woorden op. b ts n

botsen

d

dierentuin

r nt n

dr tr

m l n w n

de kermis

draaimolen trouwen

S nt rkl s

Sinterklaas

k rm s

kermis

de draaimolen

botsen

2 Vul in.

Sinterklaas

Zwarte Piet en Sinterklaas De auto’s botsen

tegen elkaar.

Zij gaan trouwen

op het stadhuis.

Draai maar rond in de draaimolen de dierentuin 3 Geheimschrift. 14 + 9 → trouwen 5 + 10 + 15 → Sinterklaas 12 + 3 → kermis 4 + 7 + 13 → draaimolen 2 + 8 → botsen 1 + 6 + 11 → dierentuin 4 Wat hoort er bij elkaar?

5 Goed of fout. Welke zin is er goed?

die

molen

Sinterklaas is jarig op 1 januari.

draai

terklaas

De draaimolen draait rond.

Sin

rentuin

De leeuw en de leeuwin gaan trouwen.

ker

wen

trou

sen

bot

mis

6 Zoek de 6 woorden. jhsujdraaimolenjehudjdjekermishjjuiobotsenjkdu ijedierentuinkjejdheSinterklaasgdsheyltrouwenj 14


Feest

12

Naam 4

de chocola de drop

10

het ijsje

7

het koekje

8

het snoep

2

de taart

3

botsen

6

de dierentuin

9

de draaimolen

5

de kermis

1

2

5

3

8

7

6

9

4

10

11

12

11 1

Sinterklaas

12

trouwen

1 Welk woord hoort erbij? 1

Sinterklaas

7 het ijsje

2

het snoep

8 het koekje

3

de taart

9 de dierentuin

4

de chocola

10 de drop

5

de draaimolen

11 de kermis

6

botsen

12 trouwen

2 Lees in het rond.

botsen

chocola

snoep

3 Schrijf de woorden op. trwn

trouwen

Sntrkls

Sinterklaas

krms

kermis

drmln

draaimolen

drntn

dierentuin

15


Vogels

13

de duif

Naam de kraal

de meeuw

1 Schrijf de woorden op.

de mus

de snavel

2 Rijmen.

f

duif

kluif

duif

v r

veer

beer

veer

m s

mus

kus

mus

kr

kraai

haai

kraai

w

meeuw

leeuw

meeuw

sn v l

snavel

kavel

snavel

d

m

de veer

3 Wat is het antwoord? Een zwarte vogel: de kraai Een witte vogel: de meeuw Een kleine vogel: de mus Mond van een vogel: de snavel Deze vogel doet mee met wedstrijden: de duif 4 Wat hoort er bij elkaar?

5 Zes verborgen woorden.

sn

eer

i

d

ui

f

e

m

u

s

m

avel

b

o

p

x

m

z

a

n

v

us

b

u

e

r

ee

v

n

a

kr

uif

k

l

c

b

u

m

x

v

m

eeuw

r

f

e

h

w

f

b

e

d

aai

aa

k

y

s

e

n

m

l

i

b

v

ee

r

x

b

m

6 Zoek de 6 woorden. jheyuejqwkzcmjdhueoiskeomusjhsngetesnavelhexduiemveerndxhdtduifhkjndue mdkjneqdkolekdkraaikjuiekrepogkodwfxdfklgsdkwereklfkgpoopdfmeeuwvbfndsx 16


Kleine dieren

14

Naam de mier

1 Schrijf de woorden op. m  r

mier

m g

mug

vl  g

vlieg

w rm

worm

r t

rat

sp n

spin

de vlieg

de spin de mug de rat

2 Vul in.

3 Wat is het antwoord?

In het web zit een spin

Geen poten: de worm

De mug De worm

steekt in mijn rug. Hij vliegt en steekt: de mug kruipt uit de grond. Hij vliegt: de vlieg

Dit kleine dier is een mier De rat

de worm

In een web: de spin lijkt op een muis. Hij lijkt op een muis: de rat

Zij slaat de vlieg

dood. Het rijmt op dier: de mier

4 Geheimschrift

6 + 3 + 8 → mug

9 + 4 + 10 → rat

11 + 5 + 9 + 6 → worm

15 + 12 + 1 + 8 → vlieg

14 + 13 + 2 + 7 → spin 6 + 1 + 9 → mier

5 De letters staan door elkaar.

rat

worm

mug

mier

vlieg

spin 17


15

Op de grond en in de lucht 1

2

Naam

3

6

4 5

7

8

9

10

de duif

6

de kraai

11

de veer

10

de meeuw

1

de mier

de mus

9

de spin

de snavel

2

12

de mug

12

de rat

7

8

de vlieg

3

5

de worm

4

1 Welk woord hoort erbij? 1 de meeuw

5 de spin

2 de snavel

6 de duif

3 de vlieg

7 de rat

4 de worm

8 de mier

2 Zoek de 12 woorden. hysgeheduifjhdueikaxkraaikjeueiemeeuwjhdkjduenbueyemierjeuie spinzsdhezanebahyfemugjhjuehratjhezehdnndzjhevliegjkeueratik doepwormjuekiejuxmuszhnesnavelkenejennebazeveerklohgfrtkjll 3 Lees in het rond.

18

11

meeuw

mus

duif

snavel

kraai

veer


Een blok en een bol

16

Naam recht

1 Schrijf de woorden op. b l

bol

bl k

blok

sch

n

r cht

recht

v r

voor

cht r

voor

schuin

achter

schuin

achter het blok

2 Kruiswoorden

de bol

r

a ch t

v

e

oo

s ch ui

r

t

e

b

l

o

k

o

n

l

3 Vul in. Niet voor, maar achter

Niet achter, maar voor

Niet recht, maar schuin

Niet schuin, maar recht

Geen blok, maar een bol

Geen bol, maar een blok

4 De letters staan door elkaar.

achter

blok

bol

voor

schuin

recht

5 Wat hoort er bij elkaar? v

ok

ach

ter

r

echt

b

uin

bl

oor

sch

ol 19


Tel maar door

17

Naam

1 Schrijf de woorden op. n l

nul

d rt g

dertig

tw nt g

twintig

tw

twaalf

lf

tien

nul

dertig

elf

lf

tien

t n

elf

twaalf

twintig

2 Vul in. Tien min tien is nul

Twintig en tien is dertig

Zes en zes is twaalf

Twaalf min een is elf

Tien en tien is twintig

Elf min een is tien

3 Schrijf maar op de das.

n

ie

e

l

w

t d

f l

f

n

t

i

r

t

aa

w

t

i e

l n

u

t

4 Welk woord hoort erbij?

i

0 nul

12 twaalf

10 tien

20 twintig

11 elf

30 dertig

g g

5 De letters staan door elkaar.

twaalf

dertig

nul

twintig

6 Zoek de 6 woorden. kijhyttwaalfjkuejnetwintighuehdjeudertigjhend huenuljnejntiennjkeijrelfjudfgthijkofpsewdcgihji

20

elf

tien


Reken maar!

18 1

Naam

2

7

4

3

9

8

achter

1

voor

recht

8

het blok

3

6

5

10

11

12

12

nul

6

twaalf

7

schuin

4

tien

5

twintig

9

de bol

11

elf

2

dertig

10

1 Welk woord hoort erbij? 1

achter

5

tien

2

elf

6

nul

3

het blok

7

twaalf

4

schuin

8

recht

2 Lees in het rond.

achter

recht

twaalf

3 Schrijf de woorden op. drtg

dertig

blk

blok

twntg

twintig

twlf

twaalf

4 Wat hoort er bij elkaar? n

lf

sch

ul

tw

uin

e

aalf 21


Fruit

19

Naam de peer

1 Schrijf de woorden op.

appel

pp l kr s n p

kraam

m

sinaasappel

s pp l

peer

r

b n

de kraam de sinaasappel

banaan

n

markt

m rkt

de banaan

2 Wat hoort er bij elkaar? kr

arkt

ap

pel

si

aam

m

naasappel

de markt

de appel

3 Wat is het antwoord? Geel en krom: de banaan Er staan kraampjes: de markt Eerst groen, dan rood: de appel Oranje met schil: de sinaasappel 4 Schrijf maar op de slang.

p b

ee

n

a m

a

k

r aa r

k

n t

s

r

m

n aa s a p p a l

i

a

p

5 Zoek de 6 woorden. jhudfiowphjedfuidjkejibanaanjhsdydjappeliurpiqiuwopisdajfslfpl rwjdfjcuiefojfhpeerwierufofhhsdwqzksshfkglkhfgfdgproibvcnm hhedfrbahujueiekkdsinaasappeljkeusfjhjhgsjlqjfdjhwreuyfdhsjw hjejdmarktjjeuidiuwoijeuidlkeiijeokraamuesllkjrtbjbxjbjrfpoovd

22

aa

p

e

l


Groente

20

Naam

1 Schrijf de woorden op.

de wortel

de boon

s p rm rkt supermarkt b

boon

n

sl

sla

w rt l

wortel

m nd

mand

t m

t

de sla

tomaat

2 Wat is het antwoord?

de tomaat

de mand

Je stopr er iets in: de mand Oranje groente: de wortel Groene groente die je niet kookt: de sla Je koopt er van alles: de supermarkt de supermarkt

3 Geheimschrift

11 + 2 + 6 + 14 → mand 9 + 1 + 11 + 2 + 2 + 9 → tomaat 10 + 1 + 12 + 9 + 4 + 8 → wortel 7 + 8 + 2 → sla 5 + 1 + 1 + 6 → boon

4 Schrijf maar op de das.

b

oo

n

s

l

a

m

a

t w

n

d

o

o r

m

aa

t

t

e

l

s u p e r m a r k

t

5 Zoek de 6 woorden. hyjetomaatjknshshwxbiwortelhujfkdgjertpoxojgpdhjdlwetufsoi uewreoiuoboonoiuwirteoirutiepetfiushjpujgehbexmwpslahjpujb hcvnvcncnmgkdsgfgpoytwembjmandejhujpnsupermarktjnehuip 23


Groente en fruit

21

de appel

1

de banaan

8

de peer

4

de sinaasappel

6

de markt

3

de kraam

5

de boon

11

de sla

7

de tomaat

12

de wortel

10

de mand

2

de supermarkt

9

1

5

Naam 3

2

7

6

9

10

11

v1 Welk woord hoort erbij? 1

de appel

4

de peer

2

de mand

5

de kraam

3

de markt

6

de sinaasappel

2 Zoek de 12 woorden. hyehexappelkdjueiiejkjiubanaanjuhdmarktjkduejlkokraamimjujd huejeuhjdpeerldkeikmandejkidjekklwortelsyejdsupermarktdjek sinaasappelkekjejdueboonjdkiekdgefgtyhuslajuejuehdjtomaatjh 3 De letters staan door elkaar.

24

appel

markt

tomaat

banaan

wortel

mand

4

8

12


Aan je hand en je voet

22 de duim

Naam

de hand

de voet de nagel de vinger de teen

1 Schrijf de woorden op.

2 Vul in.

v t

voet

Aan je voet zit je grote teen

t n

teen

Aan je hand zit je duim

v ng r

vinger

Mama knipt je nagels

d

m

duim

Vijf vingers aan je hand

h nd

hand

Vijf tenen aan je voet

n g l

nagel

3 Rijmen.

4 Welke 2 zinnen zijn er goed?

slinger vinger

Aan mijn voet zit een duim.

been teen

Aan mijn hand zit een teen.

moet voet

Een sok gaat om je hand.

ruim duim

Ik heb 10 vingers.

band hand

Ik heb 20 nagels.

hagel nagel 5 De letters staan door elkaar.

duim

teen

nagel

voet

vinger

hand 25


Hoofd en schouders

23

Naam

1 Schrijf de woorden op. vl cht

vlecht

sch

schouder

d r

n k

nek

br l

bril

h ls

hals

g z cht

gezicht

de vlecht de schouder

3 Rijmen.

Ik doe een bril op mijn hals.

recht

vlecht

Met een bril kun je beter zien.

bek

nek

Bahiya heeft haar haar in een vlecht.

ouder schouder

Ik doe een broek om mijn nek.

wil

bril

Erdal loopt op zijn schouder.

vals

hals

Mijn nek zit aan de achterkant.

nicht

gezicht

Mijn hals zit goed aan mijn voet vast. 4 Kruiswoorden.

h v l n g

e k

z

b

e

r

ch

i

ch

t

v

l

e

s

ch

de vl

der

de schou

echt

de n

ek

het ge

als

de h

zicht

t

ou

d n

e

r

l

5 Wat hoort er bij elkaar?

26

s

a

k

de nek de bril

de hals

2 Welke 3 zinnen zijn er goed?

het gezicht


Van top tot teen

24

1

Naam

2

3

5

4

6

8 10 7

11

9

12

de duim

8

de vinger

6

de bril

1

de nek

7

de hand

5

de teen

3

het gezicht

4

de schouder 10

de nagel

2

de voet

11

de hals

9

de vlecht

12

1 Welk woord hoort erbij? 1

de bril

5

de hand

2

de nagel

6

de vinger

3

de teen

7

de nek

4

het gezicht

8

de duim

2 De letters staan door elkaar.

vlecht

nagel

vinger

3 Zoek de 12 woorden. hdduimkjueikjlohandjknineknejtteenkewjhuejschouderduvlechtr briljehbebngezichtjhjehalsjhehenageljuehdyevingeredjueiuvoetj 4 Wat hoort er bij elkaar? n

zicht

ge

ek

v

oet

schou

der 27


Een dag uit je leven

25

opstaan

de ochtend

de middag

de avond

de nacht

1 Schrijf de woorden op.

2 Wat is het antwoord?

nacht

De wekker gaat: opstaan

pst n

opstaan

‘s Morgens: de ochtend

m dd g

middag

Na 12 uur: de middag

v nd

avond

De zon is weg: de nacht

sl p n

slapen

Ik ben heel moe: slapen

ochtend

Na de middag: de avond

3 Schrijf maar op de slang.

4 Welke zin is er goed?

n cht

cht nd

p

o o

n

s

e

n

dd a

g

t

i a l

In de avond sta ik op.

t aa n

s

ch

m

e

p

Als ik opsta, ga ik slapen. Als de zon schijnt, is het nacht. Na de avond komt de middag.

t

ch

a

d

Als ik opsta, is het ochtend. n

5 Zes verborgen woorden.

28

Naam

6 Zoek de 6 woorden.

o

p

s

t

aa

n

s

e

hjuejenfmriosjheuiejlkiochtendi

ch

g

l

v

z

a

y

u

hjuhjkdujehsyemiddagjehnduen

t

u

a

v

o

n

d

h

kavondxehuhnsagheyhnachthjei

e

j

p

x

v

a

x

m

nuidmeslapenjenjdrptpfdjvnmcs

n

x

e

z

y

ch

b

c

aklkdqwlqodvopstaankdcldnvfdj

d

t

n

x

a

t

u

i

o

x

b

u

e

z

i

o

m

i

d

d

a

g

b

j

slapen


De dagen vliegen voorbij

26

Naam

1 Schrijf de woorden op. v nd j

g

de maand

jaar

r

m

vandaag

nd

m rg n

morgen

w

week

k

g st r n

de week

maand

het jaar

gisteren

gisteren vandaag morgen

2 Wat is het antwoord? Meestal 30 of 31 dagen: de maand

De dag na deze dag: morgen

Zeven dagen: de week

De dag voor deze dag: gisteren

365 of 366 dagen: het jaar

Deze dag: vandaag

3 Welke 3 zinnen zijn er goed? Morgen is het gisteren. Als het vandaag maandag is, is het morgen woensdag. Een jaar heeft 12 maanden. Een week heeft 8 dagen. Als het gisteren zaterdag was, is het vandaag zondag. Als het morgen woensdag is, is het vandaag donderdag. Een maand heeft iets meer dan 4 weken. 4 Zet een streep tussen de woorden. vandaagmorgenmaandweekvandaagmorgenmaandgisterenmorgenmaand jaargisterenvandaagjaarmorgenmorgenweekmorgenweekmaandvandaag morgenweekmorgenmaandvandaagmorgenweekjaargisterenjaargisteren 5 Lees in het rond.

gisteren

maand

vandaag

morgen

29


De tijd staat niet stil

27

opstaan

8

de ochtend

1

de middag

12

de avond

6

de nacht

9

slapen

5

gisteren

3

vandaag

7

morgen

10

de week

2

de maand

4

het jaar

Naam 2

1

5 9

3

6

7

10

11

11

1 Welk woord hoort erbij? 1

de ochtend

7 vandaag

2

de week

8 opstaan

3

gisteren

9 de nacht

4

de maand

10 morgen

5

slapen

11 het jaar

6

de avond

12 de middag

2 Kies het goede woord. 12 maanden: week het jaar dag

jr

jaar

Nacht: opstaan slapen lezen

pstn

opstaan

Na de middag: nacht morgen avond

slpn

slapen

Na vandaag: morgen gisteren avond

gstrn

gisteren

Slapen: nacht ochtend middag

vndg

vandaag

Opstaan: ochtend middag avond

30

3 Schrijf het woord op.

4

8 12


Het gezin

28 papa

Naam

mama

de zoon

1 Schrijf de woorden op.

de dochter

de tweeling

de huiskamer

2 Vul in.

m m

mama

Papa en mama

z n

zoon

De zoon en de dochter

d cht r

dochter

De tweeling

h

sk m r

huiskamer

Mama en papa

tw

l ng

tweeling

De dochter en de zoon

papa

We spelen in de huiskamer

p p

is 8 jaar.

3 Geheimschrift.

7 + 1 + 7 + 1 → mama ? + 2 + 11 + 8 + 3 + 13 → dochter 6 + 1 + 6 + 1 → papa 12 + 2 + 2 + ? → zoon 4 Welke 2 zinnen zijn er goed?

5 Schrijf maar op de muur.

Mama is de zoon.

p

a

a

m

De tweeling is even oud.

m

z

Papa is een vrouw. De zoon is een meisje. Mama is een vrouw

a a

p oo

n

d

o

ch

t

e

t

w

ee

l

i ng

h

ui

s

k

a

r m

e

r

6 De letters staan door elkaar.

dochter

zoon 31


Hoe voel je je?

29

Naam

1 Schrijf de woorden op. b ng

bang

bl

blij

tr  n

traan

boos

v rdr  t g verdrietig z kd  k

zakdoek

b  s

boos

bang

de traan

de zakdoek

2 Vul in. Hij is bang

voor de slang.

Zij snuit in haar zakdoek Ik ben blij

dat het mooi weer is.

Hij is boos

omdat hij niet wint.

Zij is verdrietig

omdat oma ziek is.

blij verdrietig

3 Lees in het rond.

boos

traan

bang

blij

boos

traan

4 De letters staan door elkaar.

verdrietig

zakdoek

5 Zet een streep tussen de woorden. bangblijtraanverdrietigboosblijboosverdrietigverdrietig zakdoekblijboosverdrietigbangboosverdrietigzakdoekblij verdrietigblijboosverdrietigboosverdrietigzakdoektraan

32


Ik voel me thuis

30 1

2

7

8

Naam

3

4

9

10

papa

12

mama

5

de huiskamer

de zoon

3

bang

de dochter

8

blij

5

11

10

de tweeling

6

12

boos

6

1

de traan

2

9

verdrietig

4

de zakdoek

7

11

1 Welk woord hoort erbij? 1

de huiskamer

5

mama

2

de traan

6

boos

3

de zoon

7

de zakdoek

4

verdrietig

8

de dochter

2 De letters staan door elkaar.

papa

dochter

3 Wat hoort er bij elkaar?

tweeling 4 Schrijf de woorden op.

pa

ij

hskmr huiskamer

doch

ling

mm

mama

bl

pa

zn

zoon

twee

ter

bs

boos

33


Op het strand

31

Naam

1 Schrijf de woorden op. str nd

strand

t nt

tent

g lf

golf

gr v n

graven

n t

net

k l

kuil

de kuil golf graven

2 Vul in.

het net

de tent

het strand

3 Schrijf maar op de das.

De kinderen graven een kuil Linda slaapt in de tent

g

Mohammed is een kuil aan het graven

g

o

l

f

r

a

v

e

k

Papa en mama lopen langs het strand

t

e e

n

a

r

n t

l

ui

t

s

n

n

t

4 Zoek de 6 woorden. hdshxebeejnetjeuhejstrandjnfesehduejtentjkeun dkiegravenjektukikuiljuhjenajkjeogolfjheunvduri 5 De letters staan door elkaar.

strand

graven

tent

golf

de golf

graven

6 Welk woord hoort erbij?

de tent 34

het net

d


Op de camping

32

Naam

1 Schrijf de woorden op. sch mm l

schommel

zw mb nd

zwemband

d

duiken

k n

sp

de slaapzak de schommel

de caravan

speeltuin

lt n

sl pz k

slaapzak

c r v n

caravan

duiken

de speeltuin de zwemband

2 Geheimschrift. 6 + 8 → slaapzak 3 + 1 → speeltuin 5 + 2 → duiken 4 + 7 → zwemband 3 Vul in. De jongens duiken

in het zwembad.

De schommel staat in de speeltuin Niho slaapt in haar slaapzak

De caravan

rijdt op wielen.

4 Schrijf maar op de muur. s

l

s

p

p

aa

l

ee

d

ui

z

w

s

ch

o

c

a

r

e

m m a

a

z

t

ui

k

e

b

a

m v

k

n n d

n

l

e a

n

5 Welke 3 zinnen zijn er goed? Ik zwem in de caravan.

De zwemband is rond.

De caravan trekt de auto.

De slaapzak ligt in de caravan.

In de caravan hangt een schommel.

Makasse schommelt in de speeltuin.

Erhal duikt vanaf de schommel. 35


Op vakantie

33

de golf

Naam

8

graven

4

de kuil

6

het net

9

het strand

3

de tent

5

duiken

11

de zwemband

2

de schommel

12

de speeltuin

1

de slaapzak

10

de caravan

7

3

4

1 2

5

7

6

8

10

9

11

1 Welk woord hoort erbij? 1

de speeltuin

7 de caravan

2

de zwemband

8 de golf

3

het strand

9 het net

4

graven

10 de slaapzak

5

de tent

11 duiken

6

de kuil

12 de schommel

2 Schrijf de woorden op. nt

net

grvn

graven

spltn

speeltuin

kl

kuil

schml

schommel

zwmbnd zwemband 3 Schrijf maar op de slang. g

36

r

a

n

e

v

s

t

r

a n

t

e

n

t

d

ui

k

e

d n

12


Het ongeluk

34

Naam

1 Schrijf de woorden op. w

wiel

l

st p

step

st p

stoep

bl d

bloed

str

straat

t

ng l k

de straat de stoep het ongeluk

ongeluk de step

2 Zes verborgen woorden. b

f

y

s

u

b

i

o

x

o

n

g

e

l

u

k

z

c

y

e

s

oe

v

w

b

s

h

j

x

d

v

w

s

t

e

p

z

c

v

ie

k

oe

c

e

g

j

c

l

x

p

n

m

z

v

e

a

p

x

s

t

r

aa

t

c

het wiel het bloed

3 Welke 3 zinnen zijn er goed?

Op de straat reed een wiel.

Op de step lag een stoep.

Een auto heeft 2 wielen.

De step heeft 2 wielen.

Na het ongeluk lag er bloed op straat.

Een auto mag niet op de stoep rijden.

De kleur van bloed is blauw.

4 Vul in. Marjo stept op de s toep

Het wiel

Op de stoep lag de s tep

van de auto.

De politie kwam na het ongeluk

5 Wat hoort er bij elkaar?

6 Zet een streep tussen de woorden.

de str

iel

het on

oep

straatongelukstraatongeluk

de ste

aat

de st

oed

stepstoepwielbloedstep

het w

p

het bl

geluk

bloedstepstoelongeluk

37


Op straat

35

Naam de brug het pad

de bocht

de fietser

de brommer

1 Schrijf de woorden op.

de weg

2 Vul in.

p d

pad

De weg maakt een bocht

w g

weg

Over het water ligt een brug

b cht

bocht

De voetganger loopt op het pad

br g

brug

Iemand die op een fiets rijdt, heet een fietser

f ts r

fietser

br mm r

brommer

3 Lees van rechts naar links. gew

weg

dap

pad

t ch o b

bocht

gurb

brug

4 Welke 2 zinnen zijn er goed? Een brug ligt over het water. De weg maakt een rechte bocht. Een oude man loopt op het pad. Een fietser moet een helm dragen. Een brommer heeft geen motor. 5 De letters staan door elkaar.

bocht

fietser

6 Zoek de 6 woorden. hjeuhjebrugjkdijzukfietserhbdsuekenbochtnhblj ukweghjeuentrabrommerjkudjepadkkedeiorgni 38

brug

weg


Het verkeer

36

Naam 4 2

1

6 5

3 8 9 11

10

7

12

de straat

9

de stoep

8

de brug

4

het ongeluk

2

het wiel

3

de fietser

7

10

de bocht

5

het pad

12

de brommer

6

de weg

11

het bloed de step

1

1 Welk woord hoort erbij? 1 de step

5 de bocht

2 het ongeluk

6 de brommer

3 het wiel

7 de fietser

4 de brug

8 de stoep

2 Geheimschrift. 7 + 15 + 12 → brommer

1 iel

5 b

9 luk

13 b

10 + 1 → wiel

2 str

6 ocht

10 w

14 aat

11 + 4 → stoep

3 on

7 br

11 st

15 om

4 oep

8 ser

12 mer

16 ge

2 + 14 → straat

3 + 16 + 9 → ongeluk

5 + 6 → bocht

3 Teken elk woord.

het wiel

de weg 39


Dorp en stad

37

Naam

1 Schrijf de woorden op. d rp

dorp

b

beek

m

k l nd

eiland

r

meer

k rk

kerk

st d

stad

de kerk

het meer

de beek

2 Wat is het antwoord? Groter dan een dorp: de stad

de stad

Land met water eromheen: het eiland

het dorp

Het heeft een toren: de kerk Kleiner dan een stad: het dorp

het eiland

Water met land eromheen: het meer 3 De letters staan door elkaar.

stad

eiland

beek

kerk

4 Welke 3 zinnen zijn er goed? Het dorp ligt in de stad.

In een stad zijn veel winkels.

Onder het meer ligt water.

Het eiland ligt in zee.

In een stad kun je naar de kerk.

De stad ligt in de beek.

5 Welk woord hoort erbij?

de kerk

40

het eiland

het meer

de stad


Er op uit!

38

het grasveld

tuin

Naam het hek

het plein

1 Schrijf de woorden op.

de poort

2 Wat hoort er bij elkaar?

gr sv ld

grasveld

de vij

ek

t n

tuin

de t

uin

v v r

vijver

het h

ver

pl n

plein

het gras

ein

p

poort

het pl

oort

hek

de p

veld

rt

h k 3 Vul in.

4 Schrijf maar op de das.

De kinderen voetballen op het grasveld

p

Vissen zwemmen in de vijver

p

Om de tuin staat een hek

t

l

g

r

a

n e

s

t

r

ui

h

n

ei

oo

Midden in het dorp is een plein Achter het huis is een tuin

de vijver

k v

e

l

d

5 Welke 3 zinnen zijn er goed? In de vijver is een poort. Je kunt onder een poort doorlopen. In een grasveld kun je vissen. Op het plein kun je lopen. Er ligt een tuin in de vijver. Op het hek zit een tuin. In de vijver zwemmen vissen. 6 Zoek de 6 woorden. jheunhjpleinkxzioeklncmxjrmhekkjkexemvijverj euntuinzsbnehgrasveldsjwkedirfkvpoortdiofjks 41


Buiten wonen

39

2

1

8

7

Naam 3

5

4

9

10

12

11

8

de kerk

10

het hek

9

het dorp

11

de stad

6

het plein

4

de beek

2

het grasveld

12

de poort

5

het meer

7

de tuin

3

de vijver

1

het eiland

1 Welk woord hoord erbij? 1 de vijver

5 de poort

2 de beek

6 de stad

3 de tuin

7 het meer

4 het plein

8 het eiland

2 Lees in het rond.

dorp

kerk

poort

3 Schrijf de woorden op.

42

6

vvr

vijver

prt

poort

grsvld

grasveld

drp

dorp

lnd

eiland

tn

tuin

std

stad

mr

meer

krk

kerk

pln

plein


In een sprookje

40

Naam

1 Schrijf de woorden op. r tovenaar

t v n l k

lakei

r dd r

ridder

k b

de ridder de tovenaar

t r kabouter

k z r

keizer

k st l

kasteel

de lakei

2 Welke 3 zinnen zijn er goed? de keizer

Een kabouter is een ridder. De kabouter is heel groot. In het kasteel woont een ridder. De keizer poetst de schoenen van de lakei. Er staan muren om het kasteel.

het kasteel de kabouter

Een ridder vecht nooit. Een tovenaar kan toveren. 3 Wat hoort er bij elkaar? de ka

teel

de la

der

de kei

bouter

de to

kei

het kas

zer

de rid

venaar

4 Zoek de woorden.

5 Kruiswoorden.

ka

hui

bou

po

ter

zo

kas

te

teel

ko

gui

la

jer

mal

kei

gi

to

ve

blij

naar

va

o

rid

moe

der

kei

ne

ga

zer

tol

k

k

a

t ee

l

b

o

a

ou

v

k

t

e

ei

e

n

r

aa

s

r

43


Hoe vind je dit?

41

varen

Naam

vechten

vliegen

dansen

verstoppen 1 Schrijf de woorden op.

2 Vul in.

vl g n

vliegen

In een bootje: varen

d ns n

dansen

Door de lucht: vliegen

v r n

varen

In het water: zwemmen

v cht n

vechten

Op muziek: dansen

zw mm n

zwemmen

In de oorlog: vechten

v rst pp n

verstoppen

Achter de kast: verstoppen

3 Geheimschrift. 1 + 10 → vechten 7 + 9 → zwemmen 5 + 2 → dansen 6 + 3 → vliegen 4 + 8 → varen 4 Schrijf de woorden op. Ik vecht:

Wij vechten

Ik zwem:

Wij zwemmen

Ik dans:

Wij dansen

5 Schrijf maar op de muur. v a r e n d a n s e n z w e m m e n v l ie g e n v e ch t e n v e r s t o p p e n

44

6 Wat hoort er bij elkaar? va

stoppen

ver

gen

vlie

ren

dan

men

zwem

ten

vech

sen

zwemmen


Is het waar?

42

de kabouter

7

het kasteel

3

de keizer

4

de lakei

10

de ridder

12

de tovenaar

1

dansen

2

varen

6

vechten

9

verstoppen

5

vliegen

Naam

2 1

5

11

zwemmen

8

9

4

3

6

8

7

11

10

12

1 Welk woord hoort erbij? 1

de tovenaar

7 de kabouter

2

dansen

8 zwemmen

3

het kasteel

9 vechten

4

de keizer

10 de lakei

5

verstoppen

11 vliegen

6

varen

12 de ridder

2 Schrijf de woorden op.

3 Zes verborgen woorden.

zwmmn

zwemmen

k

a

b

ou

t

e

r

v

kbtr

kabouter

a

c

x

s

c

x

u

r

kstl

kasteel

s

i

l

z

v

b

d

i

t

o

v

e

n

aa

r

d

ee

h

k

x

w

q

e

d

l

c

l

a

k

ei

r

e

e

f

h

j

z

x

c

r

h

z

w

e

m

m

e

n 45


Dik en dun

43

Naam

1 Schrijf het woord op. m n

man

d n

dun

d k

dik

j ng n

jongen

m

sj

meisje

vr

w

vrouw

de man de vrouw

2 Rijmen. dan

man

jouw

vrouw

het meisje de jongen

zongen jongen reisje

meisje

lik

dik

dik

3 Welke 2 zinnen zijn er goed?

4 Kruiswoorden.

Een vrouw wordt meisje.

d

i

k

o ng e

n

Een vrouw kan een baby krigen.

u

De jongen is ouder dan de man.

m

De man is ouder dan het meisje.

ei

Een man kan mama worden.

s

De vrouw is jonger dan het meisje.

j

Eva weegt bijna niets. Ze is heel dik.

a

n

e

5 Teken elk woord.

46

de man

de vrouw

het meisje

dik

dun


Uit je bol

44 aanwijzen

Naam

glimlachen

niezen

1 Schrijf de woorden op.

krabben

klappen

zwaaien

2 Vul in.

n

zwaaien

Met je vinger

aanwijzen

kr bb n

krabben

In een zakdoek

niezen

kl pp n

klappen

In je handen

klappen

aanwijzen

Met een vlag

zwaaien

n z n

niezen

Met je nagel

krabben

gl ml ch n

glimlachen

Met je mond

glimlachen

zw

nw z n

3 Zoek de woorden.

4 Schrijf maar op de das.

glim

koe

la

zom

chen

der

jul

krab

nee

ben

aan

her

wij

zen

ko

nie

jur

zen

her

min

no

zi

zwaai

ba

en

ko

klap

zon

pen

hen

aa

n

w

k

l

a ie

n k

r

a

b

ij

z

p

p

e

n e

n

z

e

n

b

e

n

5 Schrijf het woord erbij.

aanwijzen

niezen

glimlachen

krabben

zwaaien

klappen 47


Een mens is een mens

45 1

2

7

8

Naam

3

4

5

6

9

10

11

12

de man

2

de jongen

9

niezen

6

het meisje

4

dik

5

krabben

3

12

aanwijzen

8

klappen

1

7

glimlachen

11

zwaaien

10

dun de vrouw

1 Welk woord hoort erbij? 1

klappen

5

dik

2

de man

6

niezen

3

krabben

7

de vrouw

4

het meisje

8

aanwijzen

2 Schrijf de woorden op de muur. m ie

n k

l

n

a

e

z p

a

d

p i

n e

n

k

3 Zoek telkens twee woorden.

aanwijzen 48

meisje

jongen

glimlachen


Kleed je mooi aan!

46

1 Schrijf de woorden op. m

k tt ng

ketting

r

m

riem

sj

l

sjaal

de kraal

de sjaal

pak

p k kr

de ketting

mouw

w

de mouw

kraal

l

2 De letters staan door elkaar.

mouw

pak

e

t

s

j r

t

ng

aa

m

ie

m

ou

p

a

l

w

kraal

4 Vul in. Een kraal

i

de riem

het pak

sjaal

3 Schrijf de woorden op de slang.

k

Naam

van een ketting

Papa trekt zijn pak De mouw

aan. van de jas.

Om zijn middel draagt Erdal een riem Een das en een sjaal

k

Natasja draagt om haar hals een ketting

5 Welke 3 zinnen zijn er goed? Om de sjaal zit een riem. Een riem draag je om je hoofd. Een ketting draag je om je hals. Een pak heeft een broek en een jasje. De kralen van een sjaal. Een jasje heeft twee mouwen.

49


Geld

47 de euro

Naam

twee euro

het vijfje

het tientje

1 Schrijf de woorden maar op.

het twintigje

het vijftigje

2 Wat is het antwoord?

v fj

vijfje

Vijf keer een euro: het vijfje

r

euro

Tien vijfjes: het vijftigje

t ntj

tientje

De munt in Europa: de euro

v ft gj

vijftigje

Twee vijfjes: het tientje

tw

twee euro

Een tientje en twee vijfjes: het twintigje

r

tw nt gj twingtigje 3 Geheimschrift. 6 + 7 → tientje 1 je

3 twintig 5 vijftig

7 tje

8 + 2 → euro

2 ro

4 vijf

8 eu

5 + 1 → vijftigje

6 tien

3 + 1 → twintigje 4 Welk biljet krijg je voor dit geld?

tientje

vijftigje

5 Welke 3 zinnen zijn er goed? Een euro is niets waard. Een vijftigje is meer waard dan een vijfje. Een tientje is 2 vijfjes waard. Een tientje is meer waard dan een twintigje. Een vijfje is vijf euro waard. 50

vijfje

twintigje


Kleren kopen

48

de ketting

1

het pak

4

de mouw

2

de euro

7

twee euro

5

het vijfje

11

de kraal

12

de riem

9

de sjaal

10

het tientje

3

het twintigje

8

het vijftigje

6

Naam

1

2

4

3

6 8 7

5 9

10

11

12

1 Welk woord hoort erbij? 1

de ketting

7 de euro

2

de mouw

8 het twintigje

3

het tientje

9 de riem

4

het pak

10 de sjaal

5

twee euro

11 het vijfje

6

het vijftigje

12 de kraal

2 Wat is het antwoord? Het is net zoveel waard als vijf tientjes: het vijftigje Elke trui heeft er twee: mouw Het is net zoveel waard als twee tientjes: het twintigje Het is net zoveel waard als twee vijfjes: het tientje 3 Schrijf de woorden op. kttng

ketting

mw

mouw

sjl

sjaal

pk

pak 51


Dieren

49

Naam

1 Schrijf de woorden op. p n

pony

b g

big

g  t

geit

b k

bok

h k

hok

z l

ezel

de pony

de ezel

de geit

het hok

2 Vul in de bok

Een jong varken is een big

de big

Een geit en een bok Mahah rijdt op de pony De hond ligt in het hok Een bok en een geit De ezel

heeft grote oren.

3 Lees in het rond.

hok

big

geit

bok

pony

4 Zet een streep tussen de woorden. bigezelgeitezelbokhokezelbokbigezelgeitbokponyhok ezelhokponyezelgeitbokhokponybokezelgeitponygeit ezelgeitezelhokbokbiggeitbokponyhokezelgeitbokhok 5 Geheimschrift.

5 + 2 + 11 → bok

8 + 12 + 6 → geit

1 + 3 + 1 + 10 → ezel

52

5 + 7 + 8 → big

ezel


Slecht weer

50

Naam

de druppel

de bliksem

de wind

het ijs

1 Schrijf de woorden op.

de storm

2 Wat is het antwoord?

w nd

wind

Het waait heel hard: de storm

w lk

wolk

Het waait: de wind

dr pp l

druppel

Het valt uit de wolk: de druppel

bl ks m

bliksem

Het ligt op de sloot: het ijs

ijs

Licht in de lucht: de bliksem

storm

Er komt regen uit: de wolk

s st rm

de wolk

3 De letters staan door elkaar.

wolk

bliksem

ijs

druppel

wind

storm

4 Welke 2 zinnen zijn er goed? De storm waait in de wind. Met wind waait het harder dan met storm. De bliksem kun je in de lucht zien. De wolk valt op het ijs. Regen bestaat uit allemaal druppels. 5 Zoek de 6 woorden. jkeukuhtstormjehuzskjeujxenmnehjexndwolkqensdjjbliksemndn jenmemxjiwhjehejndheydruppelbuwindhexduhijsndcheunjhrea 53


Dieren buiten

51

4

3

2

1

Naam

8

7

9

10

de big

5

het hok

8

de ezel

12

de pony

de geit

2

de bok

6

12

11

het ijs

3

10

de storm

1

de bliksem

7

de wind

9

de druppel

4

de wolk

11

1 Welk woord hoort erbij? 1 de storm

5 de big

2 de geit

6 de bok

3 het ijs

7 de bliksem

4 de druppel

8 het hok

2 Lees in het rond.

ezel

geit

3 Schrijf de woorden op.

54

hk

hok

wlk

wolk

zl

ezel

pn

pony

bk

bok

6

5

pony

bliksem

storm


In huis

52

Naam

1 Schrijf de woorden op. k m r

kamer

b d

bad

g ng

gang

k k n keuken d

ch

de keuken

de douche

de trap

douche

de gang het bad

trap

tr p

de kamer

2 Lees in het rond.

gang

trap

bad

kamer

keuken

douche

3 Vul in. Na de gym ga ik onder de douche Lekker schoon worden in het bad Klim de trap

maar omhoog.

De wc is op de gang 4 Kruiswoorden.

k g

b

b

eu

a ng

k

d

e

a

n

p

a

m

e

t

a

r

d ou ch e

5 Welke 3 zinnen zijn er goed? In de keuken is een bad.

Op de gang is de kapstok.

Koken die je in de keuken.

In de kamer staat een bank.

Je blijft droog onder de douche.

Oya slaapt in het bad.

55


In de kamer

53

het bureau

Naam

de telefoon

het plafond

de televisie

opbellen

de radio

1 Schrijf de woorden op.

2 Vul maar in.

t l f  n telefoon

Kijk omhoog naar het plafond

pl f nd plafond

Wij kijken naar de televisie Wij luisteren naar de radio

bureau

b r

Mag ik oma even opbellen

pb ll n opbellen r d

radio

Er liggen boeken op het bureau

t l v s

televisie

Rrrring, de telefoon

3 Geheimschrift. 1 + 10 → plafond

1 pla

6 foon

11  op

11 + 8 + 12 → opbellen

2 te

7 le

12  len

3 + 9 + 14 → radio

3 ra

8 bel

13  vi

2 + 7 + 13 + 5 → televisie

4 reau

9 di

14  o

5 sie

10 fond

15  bu

2 + 7 + 6 → telefoon

4 Kruiswoorden.

t

e

l

e

f oo n

e

n

e

l o

p

b

e

p l

l

v

a

i

f

s

o

ie

n d

56

15 + 4 → bureau

?

gaat.


Hier woon ik!

54 1

Naam 4

3

2

5

6

11

7

8

de kamer

8

de trap

1

het bureau

11

de telefoon

9

de gang

12

het bad

2

het plafond

3

de televisie

4

de radio

7

opbellen

6

9

5

de keuken

10

de douche 10

12

1 Welk woord hoort erbij? 1 de trap

5 de keuken

2 het bad

6 opbellen

3 het plafond

7 de radio

4 de televisie

8 de kamer

2 Schrijf maar op de das.

p

t o

a

l

p

n

o

f

r

a

d

i

e

l

e

f

b

e

l

l

d

o oo e

n

n

3 Zoek telkens twee woorden.

radio

trap

kamer

keuken 57


In de timmerfabriek

55

Naam

1 Schrijf de woorden op. f br

de machine

fabriek

k

t mm r n

timmeren

sp

spijker

k r

pl nk

plank

m ch n

machine

h m r

hamer

de fabriek

timmeren 2 Zes verborgen woorden.

de hamer

h

a

m

e

r

x

o

v

z

g

i

u

v

s

n

e

p

l

a

nk

o

p

u

m

y

c

b

n

m

ij

e

a

f

a

b

r

ie

k

d

ch

g

u

i

j

n

e

x

i

t

i

m

m

e

r

e

n

c

h

u

w

a

c

n

e

de plank

3 Kruiswoorden.

4 Vul in. Met een hamer timmeren

f

s

p

ij

De machine staat in de fabriek

a

h

b

a

r

m

ie

e

m

r

m

k

e

Een hamer en een spijker

t

a ch

i

l

e

a

r

nk

e

n

e

n 5 Zoek de 6 woorden. juhjtimmerenjkdujefabriekjkufesgijhysehamerjkfkri krspijkerxuhgusdhjduyemachinemjdueolplankzikdf 58

de spijker


Beroepen

56

de agent

Naam

de jager

de machinist

1 Schrijf de woorden op.

de professor

de soldaat

de tandarts

2 Vul in.

j g r

jager

De jager

schiet op het konijn.

m ch n st

machinist

De agent

werkt bij de politie.

pr f ss r

professor

De professor

is heel slim.

s ld

soldaat

De tandarts

kijkt in de mond.

t

De baas van de locomotief is de machinist

tandarts

t nd rts

agent

g nt 3 Rijmen. slager

jager

cent

agent

kwarts

tandarts

laat

soldaat

4 Zoek telkens twee woorden.

professor

agent

5 Zoek de 6 woorden.

machinist

jager

6 De letters staan door elkaar.

hjeyebneneneneagentjuiejefdrghi

fesprosor

professor

jeklehejnduejkeljagerjkjhdferhtkiu

genta

agent

mjnedkeliumachinistjuiekjaxgfkm

gerja

jager

juikjndjjeoprofessorkhjuewevgtdfk

daatsol

soldaat

bndhejeysoldaatjumdjememxpigl

chimanist

machinist

mndjeyuiwnwikotandartsjuiwtdeu

artstand

tandarts 59


Werken

57

4

de fabriek de machine

Naam

1

2

3

4

10

de spijker

6

de agent

9

de machinist 12 de soldaat

1

de hamer

3

de plank

5

timmeren

7

de jager

8

de professor

11

de tandarts

2

6

5

9

7

10

8

12

11

1 Welk woord hoort erbij? 1

de soldaat

7 timmeren

2

de tandarts

8 de jager

3

de hamer

9 de agent

4

de fabriek

10 de machine

5

de plank

11 de professor

6

de spijker

12 de machinist

2 Schrijf de woorden op. tndrts

tandarts

fbrk

fabriek

tmmrn

timmeren

sldt

soldaat

prfssr

professor

3 Schrijf maar op de das.

s f

j

60

d

l

o

b

a

t

aa

r m

ie

k

e

r

h

a

a

g

e

n

t

a

g

e

r


Groot en klein

58

Naam

1 Schrijf de woorden op. l s

los

v st

vast

gr  t groot

leeg

kl  n klein v l

vol

l  g

leeg

vol vast

los

2 Vul in. Niet vol, maar leeg Niet groot, maar klein Niet los, maar vast Niet klein, maar groot

klein

Niet vast, maar los

groot

Niet leeg, maar vol 3 Kruiswoorden.

v

k

o

l

4 Rijmen.

l

ei

n

o ee

g

s

last

vast

veeg

leeg

noot

groot

vos

los

5 De letters staan door elkaar.

vol

vast

groot

klein

6 Zet een streep tussen de woorden. grootleegkleingrootkleinleegvastloskleinvollosvast volleegleegkleingrootkleinleegvolloskleinlosvast leeglosvastlosvastlosvastlosleegkleingrootklein 61


Oud en nieuw

59 oud

nieuw

Naam half

heel

kort

1 Schrijf de woorden op.

2 Vul in.

n   w nieuw

Niet oud, maar nieuw

h lf

half

Niet half, maar heel

k rt

kort

Niet kort, maar lang

l ng

lang

Niet heel, maar half

d

oud

Niet nieuw, maar oud

h  l

heel

Niet lang, maar kort

3 De letters staan door elkaar.

oud

half

nieuw

lang

heel

kort

4 Rijmen. geel

heel

kieuw

nieuw

gort

kort

kalf

half

goud

oud

hang

lang

5 Zet een streep tussen de woorden. oudnieuwhalfheelkortlangheelkortoudnieuwhalfkortlangkortlangheeloud halfkortnieuwlangoudhalfkortnieuwheelkorthalfkortnieuwlanghalfoudlang 62

lang


60

Hoe ver ben je?

Naam

63


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Stenvert-Spelling_Woordenschat_B-150dpi-antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu