Skip to main content

Rekenen_Taalmeesters_Gr5_150dpi_antw

Page 1

Taalmeesters Werkboek


Taalmeesters

Werkboek COLOFON Auteurs Evelien Klok, Michelle Kraak, Hans vermeer Binnenwerk: Aigu Ontwerpstudio, Dronten Ontwerp omslag: Eduardo Media Illustraties Mariëlla van de Beek Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 31491 5 Tweede druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud 1 Starttaal

4

2 Wartaal

6

3 Korttaal

8

4 Dichttaal

10

5 Kaaptaal

12

6 Plaattaal

14

7 Praaltaal

16

8 Priettaal

18

9 Grafitaal

20

10 Groepstaal

22

11 Geheimtaal

24

12 Lijftaal

26

13 Voeltaal

28

14 Fouttaal

30

15 Scheepstaal

32

16 Naamtaal

34

17 Kaarttaal

36

18 Speeltaal

38

19 Graptaal

40

20 Puzzeltaal

42

21 Teltaal

44

22 Tijdtaal

46

23 Kooktaal

48

24 Speltaal

50

25 Stertaal

52

26 Rebustaal

54

27 Diertaal

56

28 Digitaal

58

29 Bouwtaal

60

30 Deeltaal

62

Hoe ver ben je?

64


Starttaal

1

Alles en iedereen heeft een begin. Denk maar aan je geboorte. Of aan het speelkwartier. Als dat niet zou beginnen, zou je almaar moeten doorwerken. En daar is geen beginnen aan!

1 Alle begin is moelijk! Gelukkig is dat vaak niet waar. Zet de goede letter voor de zin die hetzelfde betekent.

n Er is niets met hem te beginnen. r Een goed begin is het halve werk. e Er is geen beginnen aan. t Dat is een begin zonder eind. a Hij begint voor zichzelf. t Bezint eer ge begint! s Alle begin is moeilijk. s De meeste moeilijkheden heb je vaak aan het begin. t Denk goed na voordat je aan iets begint. a Hij start een eigen zaak. r Als je in het begin goed werkt, gaat de rest vaak gemakkelijker. t Je hebt geen idee hoe dit afloopt. e Dat is niet te doen. n Hij is onhandelbaar. Van boven naar beneden lees je een ander woord voor beginnen.

s

4

t

a

r

t

e

n


Naam 2 Een jong dier noem je vaak anders dan het ouderdier. Schrijf de naam van het jong maar onder de tekening.

veulen

big

kitten

welp

kalf

kalf

pup

kuiken

veulen

lammetje

3 Hier zie je Trikkie. Hij is pas geboren. Maak een leuk geboortekaartje dat je naar zijn familie kunt sturen. Schrijft er een versje bij.

Eigen invulling

5


2

Wartaal Professor Watte verzamelt taal. Alles wat hij hoort, schrijft hij op, van goede zinnen tot foute zinnen. Maar hij hoort slecht. Dan vergist hij zich nog wel eens en heb je ... onzinnen!

1 Watte heeft vreemde zinnen gevonden. Welk woord is fout? Zet daar een streep onder. En vervang dit door: appel – appeltje – boontje – ei – bomen 1 Ton heeft over Eric geroddeld. Nu heeft Eric een eitje met Ton te schillen. appeltje 2 Als belangrijke mensen kritiek krijgen, hoor je wel: Hoge huizen vangen veel wind. bomen 3 Hij kocht de auto voor weinig geld, eigenlijk voor een appel en een peer. ei 4 Zela wilde buitenspelen in het prachtige weer, maar eerst moest ze haar huiswerk doen. Ze moest door de zure appelmoes heen bijten. appel 5 Gümur laat zich niet helpen. Hij dopt zijn eigen doperwtjes. boontjes

2 Soms maakt Watte rare fouten. Dan schrijft hij bijvoorbeeld last, maar hij bedoelt stal. Hieronder zie je acht van zijn fouten. Schrijf het goede woord tussen de haakjes. Gebruik alle letters van het schuingedrukte woord. Begin met de dikgedrukte letter. Die oude boer heeft een flinke wei. Om daar te komen gebruikt hij een oude stife (1). De wei is wel 100 meter gnal (2). Dat is flink wat ruimte voor één oke (3). Als er stim (4) hangt, zie je haar gewoon niet meer. En als het regent staat zij onder de kei (5). Ze kan ook in een stalletje schuilen. Dat is gemaakt van een oude aftel (6) en kapotte planken.

6

1 fiets

4 mist

2 lang

5 eik

3 koe

6 tafel


Naam 3 Watte is altijd wel wat kwijt. Vandaag zijn het zijn schoenen. Zoek die even op voor Watte. Je ontdekt die door de letter voor het goede woord te kleuren. Schrijf de letters in de balk. 5 Nada doet bijna niets, dus zit meneer Kees

1 Op het kruispunt ging het maar net goed.

haar achter haar ...

Het scheelde maar een ... k haartje

k vodden

l duimpje

l schoenen

m knoopje

m rug

6 Hoe kom je daar nou bij? Dat is niet waar!

2 Dat hele verhaal is verzonnen.

Dat speldt hij je op de ...

Eelco heeft het uit zijn ... gezogen. e gal

o rug

o duim

a mouw

a slof

j slof

7 Nada werd heel kwaad en schoot uit

3 Samir krijgt altijd de schuld. Daarom

haar ...

was hij boos en spuugde hij zijn ... k lof

s slof

e gal

t laars

u hand

p broek

4 Feiko zag het niet meer zitten.

8 Tom klopt zijn oma weer geld uit de ... n mouw

De moed zonk hem in de ... s mouwen

t zak

l schoenen

r schoen

f handen

De schoenen van Watte vindt hij in de

1

k

2

o

3

e

4

l

5

k

6

a

7

s

8

t

7


3

Korttaal Advertenties in de krant zijn erg kort. Dat komt omdat je elke letter of regel moet betalen. Daarom probeert iedereen met zo weinig mogelijk woorden te vertellen wat hij wil kopen of verkopen. Bijvoorbeeld Te koop: poppenkast. Weinig gebruikt. Met poppen 10 euro. Bel Piet: tel. 076-3764529

1 Schrijf de volgende advertentie in gewone taal. Te koop: sportfiets, 21 versnellingen, zwart/rood; 2 jaar oud; 250 euro. Info: tel. 013-5352687.

Eigen invulling. Bijvoorbeeld: Te koop: een zwart-rode sportfiets met 21 versnellingen van 2 jaar oud voor ₏ 250,–. Voor informatie kun je bellen naar: 013-5352687.

2 Wat wordt er hier bedoeld? Rijwielen en bromfietsen T.koop aang. opoefiets z.g.a.n. slechts 1 jr. gebr.

prijs n.o.t.k. tel. 0322-213785

Te koop aangeboden een opoefiets, zo goed als nieuw. Slechts 1 jaar gebruikt. Prijs nader overeen te komen. Telefoon: 0322-213785.

8


Naam 3 Met de mobiele telefoon kun je berichtjes versturen. Zo’n bericht moet ook kort zijn, dus moet je zuinig met je letters omgaan. Schrijf het volgende bericht eens in gewone taal, dus ook met hoofdletters, komma’s en punten. hoi a3 heb 1 hond gekocht noem haar 11je ben thuis kom je snel kijken grtjs ls.

Hoi Adrie, ik heb een hond gekocht en noem haar Elfje. Ik ben thuis. Kom je snel kijken? Groetjes, Els

4 Schrijf de volgende boodschap van Ravi aan Bart als een bericht. Het moet binnen de hokjes passen, anders is het te lang. Na elk woord moet je een hokje overslaan, ook na elke punt of komma. Let op: het is pas een goed bericht als een ander het snapt! Ravi heeft met Bart afgesproken om zaterdag om 2 uur op het trapveldje te zijn. Hij heeft namelijk nieuwe voetbalschoenen gekocht en wil die uitproberen. Maar: hij kan 2 uur niet halen. Eerst moet hij namelijk een boodschap doen voor zijn moeder. Hij zal dan ook een uurtje later komen.

Bijvoorbeeld h

o

i

o

d

s

o

m

e

l

v

c

r

a

v

h

a

p

3 d

j

u e

.

i

, d

u

o

r b

a

m

o

e

e

n

.

o

p

r

t

t

t

b

o

k

o

m

r

a

p

9


4

Dichttaal Annie M.G. Schmidt heeft veel gedichtjes geschreven. Een van die gedichten gaat over lepeltjes! Lees maar vlug verder ...

1 Lees het eerste stukje van het gedicht. Geef de woorden die op elkaar rijmen dezelfde kleur. Lepeltjes in een doosje. Twee lepeltjes in een doosje die lagen daar zoet en stil Ze lagen daar al een poosje de hele maand april

2 Waar horen deze woorden in dit tweede couplet? dicht verlaten

Ze lagen daar maar te praten met een heel verdrietig gezicht

praten

Ze voelden zich zo verlaten

gezicht

Het doosje bleef altijd dicht

.

.

3 Verzin zelf in elk couplet een zin die past en rijmt.

Bijvoorbeeld Vier lepeltjes in een doosje

ze lagen zij aan zij

10

Vijf lepeltjes in een doosje

door vorkjes aangestaard

Ze lagen daar al een poosje,

Ze lagen daar al een poosje,

in de zonnige maand mei.

in die ijskoude maand maart.


Naam 4 Verder met Annie M.G. Schmidt. De zinnen van de volgende stukjes zijn door elkaar geraakt. Schrijf ze in de goede volgorde. Of ’t kindje pap met ons voeren?

Wie wil er met ons roeren,

in koffie of in thee?

in koffie of in thee?

Wie wil er met ons roeren,

Of ’t kindje pap met ons voeren?

zo riepen ze alletwee.

zo riepen ze alletwee.

met chocolademelk!

En kwam er toen iemand? Ja zeker

en toen, toen mochten ze elk

en toen, toen mochten ze elk

roeren in een beker

roeren in een beker

En kwam er toen iemand? Ja zeker

met chocolademelk!

5 Schrijf zelf een gedicht. Het mag ook een stukje zijn dat past aan het vorige gedicht.

eigen gedichtje

11


Kaaptaal

5

Weet je dat de Nederlandse taal ook in Afrika wordt gesproken? Helemaal onder aan de kaart van het werelddeel Afrika ligt het land Zuid-Afrika. Lang geleden zijn daar veel Nederlanders naartoe verhuisd. En nog steeds lijkt het Afrikaans op Nederlands. Voor Nederlanders klinkt die taal soms heel bekend en soms een beetje vreemd. Toch merk je al gauw dat onze talen familie van elkaar zijn. Kijk maar.

Naar bed, naar bed, zei Duimelot.

Duimpie het een os gekoch.

Eerst nog wat eten, zei Likkepot.

Vingerling het dit huis gebroch.

Waar moet ik dat halen,

Langerman het dit afgeslach.

zei Lange Jaap.

Pierlapooi het wors gemaak.

Uit grootmoeders kastje,

En de Klein Schelmpie het

zei Ringeling.

alles opgeëet.

Dat zal ik verklappen, zei ’t Kleine Ding.

1 Waarom klinkt Zuid-Afrikaans anders en toch bekend? Omdat ze in het Afrikaans vaak letters weglaten die wij wel schrijven: wij schrijven gekocht, in Zuid-Afrika gekoch. Kleur in het Afrikaanse vingerversje 5 woorden waarvan letters zijn weggelaten. Schrijf de namen van de vingers van de handen. Links in het Nederlands, rechts in het Zuid-Afrikaans.

12

1

duim

1

duimpie

2

wijsvinger

2

vingerling

3

middelvinger

3

langerman

4

ringvinger

4

pierlapooi

5

pink

5

schelmpie


Naam 2 Schrijf dit Zuid-Afrikaanse versje in het Nederlands. Jan Pierewiet, Jan Pierewiet,

Jan Pierewiet, Jan Pierewiet

Jan Pierewiet staan stil;

Jan Pierewiet sta stil;

Jan Pierewiet, Jan Pierewiet,

Jan Pierewiet, Jan Pierewiet

Jan Pierewiet staan stil;

Jan Pierewiet sta stil;

Goeie mÔre my vrou,

Goedemorgen mijn vrouw,

Hier’s ‘n soenjie vir jou.

Hier is een zoentje voor jou.

Goeie mÔre my man,

Goedemorgen mijn man,

Daar is koffie in die kan.

Daar is koffie in die kan.

3 Lees het Afrikaanse versje. Nig Sarie van Schalwijk van Poggenpoelplas het ’n veer sonner hoed en ’n knoop sonner jas; ’n leer sonner kous en ’n sool sonner skoen. Dis wragtagwaar naar wat die armoede doen.

Welke 3 fouten staan er in de tekening? 1

een hoed zonder een veer

2

een jas zonder knopen

3

een schoen met kapotte zool

13


6

Plaattaal Met tekeningen kun je soms evenveel zeggen als met woorden. Ook mensen die niet kunnen lezen of die uit het buitenland komen, begrijpen de taal. Kijk maar mee.

5

6

7

3

4 2 1

1 In het verkeer heb je geen tijd om veel te lezen. Daarom gebruiken we verkeersborden. Geef het bord het nummer van de bijbehorende zin. 1 verboden voor al het verkeer, behalve voor voetgangers. 2 pas op: een eindje verderop staan stoplichten. 3 pas op: je rijdt op een weg waar je tegenliggers hebt. 4 het is hier verboden harder te rijden dan vijftig kilometer per uur. 5 het is verboden om hier vanaf deze kant in te rijden. 6 pas op: hier steken voetgangers over. 7 pas op: je hebt kans dat je overstekende dieren tegenkomt.

14


Naam 2 De weerman of weervrouw op tv gebruikt vaak tekeningen om aan te geven wat voor weer we kunnen verwachten. Hier zie je er een aantal. Teken het juiste plaatje bij elke spreekwolk.

het wordt prima

morgenvroeg kan

strandweer; geen

het gaan ijzelen,

wolkje aan de lucht

dus pas op: het kan

en volop zon

glad worden morgen is er kans dat het mistig wordt

morgen wordt een vanavond kans

morgen is het

op onweer

behoorlijk bewolkt,

bewolkte dag, maar het blijft droog

maar de zon zal toch af en toe te zien zijn

morgen wordt een regenachtige dag

het kan gaan sneeuwen

15


7

Praaltaal In de tijd van de ridders waren de mensen niet gelijk. Een ridder was veel belangrijker dan een smid. Een kasteelvrouw was veel belangrijker dan een naaister. Maar in één ding waren ze wel gelijk: ze konden geen van allen lezen of schrijven. Daarom was het belangrijk om goed te kijken.

1 Om te zien of de ene edelman hoger en belangrijker was dan de andere, keek je naar de kroon op zijn hoofd. Hier zie je vijf kronen, van belangrijk naar minder belangrijk.

1 keizer

2 hertog

3 markies

4 graaf

5 baron

Zet in de tekening de nummers bij de juiste personen.

5

3

1

2 4

16


Naam 2 Ieder beroep had in de grote kerk een eigen hoekje. Om te laten zien in welke hoek je moest zijn, hing elke groep daar een bord. Hieronder zie je er een paar. Schrijf onder elk bord bij welk beroep dat hoort. Kies uit: zadelmakers

kleermakers

schoenmakers

vissers

bakkers

knopenmakers

molenaars

hoedenmakers

slagers

handschoenmakers

molenaars

schoenmakers

bakkers

kleermakers

knopenmakers

slagers

hoedenmakers

handschoenmakers

zadelmakers

vissers

17


8

Priettaal Kleine kinderen moeten veel leren, ook taal. Daarbij maken ze vergissingen, maar doen ze ook ontdekkingen. Wat vind je van 'Mama, mijn billen laten een boertje!' De eerste woorden die kleuters gebruiken, zijn vaak geluidjes die ze nabootsen. Bijvoorbeeld een bimbam voor een grote klok. Maar er zijn ook zulke woorden die grote mensen gebruiken. Bijvoorbeeld: fuut. Zo heet die watervogel en dat hoor je hem ook zeggen.

1 Zet een lijntje onder de 10 woorden die grote mensen ook gebruiken. Je mag je woordenboek gebruiken. tiktak – kalkoen – tjiftjaf – tjoektjoek – krekel – wafwaf – tureluur – flipflap – kievit – koekoek – toktok – fluitekruid – krokus – klikklak – pingpong – piefpaf – kikker

2 Schrijf hieronder de 7 woorden zonder lijntje eronder. Schrijf erachter wat ze waarschijnlijk betekenen.

tiktak – klok tjoektjoek – trein wafwaf – hond flipflap – slippers toktok – kip klikklak – hoge hakken piefpaf – pistool

18


Naam 3 Bij leren mag je fouten maken. Maar soms zijn die fouten nog leuker dan het goede antwoord. ‘Barrekoeie’, zegt de 4-jarige Niki als ze barbequen bedoelt. Wat bedoelt Niki? Zet daar hetzelfde cijfer voor. 1 biekieniekie

2

boogschutter

2 boomschudder

9

verkeersagent

3 crècheboom

6

rimpels

4 doosjekaasjecentrum

3

kerstboom

5 kotsbekers

4

documentatiecentrum

6 krimpels

8

smeerworst

7 piejelamaar

5

schokbrekers

8 smerige worst

1

bikini

9 verkeerde vent

7

pyama

4 Bestaan deze dieren? Geef ze dan een kleurtje. Of is het kinderpraat? Zet er dan een rondje om. huisjesslak

naaktslak

graskoe

boorvlieg

waterhoentje

zeemeeuw

glimworm

sambalvliegje

kruisspin

zeeleeuw

19


Grafitaal

9

Grafieken zijn plaatjes met een eigen taal. Als je die taal niet kent, begrijp je er niets van. Hoe staat het met jouw grafitaal?

1 Hier zie je hoe kinderen van groep 5 met grafitaal werken. Ze hebben aangegeven welk huisdier ze hebben. Welk dier vind je bij de meeste kinderen thuis?

De parkiet Welke twee dieren komen even vaak voor?

10

De kat en de hamster

9 8

Er zitten 25 kinderen in deze groep. In de grafiek staan meer dieren. Hoe kan dat?

Sommige kinderen hebben geen huisdieren.

7 6 5

Anderen hebben er wel 2 of 3.

4

3 2 1

huisdieren

20

vis

parkiet

hamster

cavia

kat

0 hond

aantal kinderen


Naam 2 Marijke spaart geurtjes! Alles wat maar lekker ruikt, verzamelt ze. Marijke besluit om alle voorwerpen te tellen en daar een grafiek van te maken. Help haar maar.

soort geurtjes

doosjes flesjes zeepjes

geurkaarsjes geurkaartjes 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

aantal geurtjes

3 Maak nu zelf een grafiek. Vraag aan je klasgenoten in welke maand ze jarig zijn. 6 5 4 3 2 aantal kinderen maanden

1 0 j

f

m

a

m

j

j

a

s

o

n

d

In welke maand zijn je meeste klasgenoten jarig? eigen invulling

21


10

Groepstaal Als de ene soldaat tegen een andere zegt: 'ik ga meuren', begrijpt die dat meteen. Maar had jij begrepen dat die ene soldaat ging slapen? Dat geeft gelukkig niets. Mensen die bij een groep horen, gebruiken nu eenmaal woorden die anderen soms niet begrijpen.

1 Dieven hadden vroeger ook een eigen taaltje: bargoens. Hier zie je een paar bargoense woorden. Kijk naar de omschrijving en vul ze in op de goede plaats. Enkele letters staan al ingevuld. Kies uit: penose – mesjogge – gein – juut – rus – bajes – gajes – snaaien – poen – schlemiel

Van links naar rechts:

8

1 helemaal gek

3

g

e

i

2 gevangenis 5

4 onderwereld

2

p

b

o 1

m

e n

s

6

j u

o

7

g a

g

a

j

e

9

s

i

c

e

h

n

u

j

5 geld

t

e

m

s

i

4

p

e

7 slechte mensen

e

8 stelen

l

9 armoedzaaier 10 rechercheur

10

r

u

l

beneden:

6 agent

22

n a

3 pret

Van boven naar

s

n

o

s

e


Naam 2 Wie zegt het? Zet er het goede nummer onder. 1 de dokter

2 de politieman

3 de caissière

U hebt flinke 4 de piloot

verhoging.

1 We naderen onze

Dat is inderdaad

Dat gaat u geld

We zullen hem in

bestemming.

in de reclame.

kosten, meneer.

de boeien slaan.

4

3

2

2

Airmiles of

We maken een

U gaat op de bon,

De kist is op de

zegeltjes?

rustige vlucht.

meneer.

goede hoogte.

3

4

2

4

De kuur moet u

U wilt het recept

wel afmaken!

herhalen?

1

1

3 Los de rebus op.

Als jij je buurman zit te jennen, laat ik jou flink wat pennen!

23


11

Geheimtaal Als je niet wilt dat iemand een bericht kan lezen, zul je een geheimtaal moeten gebruiken. Casper weer daar alles van, want hij is spion.

1 Casper heeft een briefje gekregen

2 Casper stuurt meteen een

van zijn baas. Wat staat daar op?

berichtje terug. Schrijf het in

Geen idee? Kijk dan onder aan

gewone taal. Als je het echt

de bladzijde voor de sleutel.

niet weet, kijk dan weer onder aan de pagina.

,dneirv gaD teh jib ruu sez mo negroM jim nav ej gjirk ,noitats .reffok ed nav letuels ed ,sejteorG siroB

Hdoti aBnolraips, vIsk mzeoprzg ndmast piwk pelr oblenn. hJfe skdufngt hmje ahzexrckvevnnnmewn earatn udie okpraasndt fognhdjekr Idie crvebcnhttyeuriasrdm. aMaaaakr: kwfart pveoaolra glemhvemicmas Izmibt pekr dibn Idmihe hkcosfafgelr? zCxacsvpvebr

Dag vriend,

Hoi Boris,

Morgen om zes uur bij het

Ik zorg dat ik er ben. Je kunt me

station, krijg je van mij

herkennen aan de krant onder de

de sleutel van de koffer.

rechterarm. Maar: wat voor geheims

Groetjes,

zit er in die koffer?

Boris

Casper

Streep telkens de tweede letter weg. Dus Hdoti  Hoi

Zet maar een spiegel op de zwarte streep.

24


Naam 3 Casper heeft zich aan de aanwijzingen gehouden. Maar: geen Boris, wel een koffer! Met daarin alleen een briefje. En de sleutel van dat briefje. Casper moet wel heel goed nadenken. Maar opeens snapt hij het. Jij ook? Schrijf het dan maar in gewone taal.

een prettige vakantie

25


12

Lijftaal Je hebt niet altijd woorden nodig om anderen iets te laten weten. Je lijf zegt soms al genoeg!

1 In stripverhalen kun je vaak aan de gezichten zien hoe iemand zich voelt. Kijk naar de voorbeelden. Teken de andere gezichten.

boos

lachend

blij

bang

verdrietig

stiekem

verschrikt

slaperig

2 We gebruiken vaak lichaamstekens om anderen iets duidelijk te maken. Lees de zinnen hieronder, welke plaatjes op de volgende bladzijde horen daarbij? 1 Ik weet het niet meer, hoor.

7 Ik wil iets vragen.

2 Kom in mijn armen, schat.

8 Wat een herrie, zeg.

3 Goed gedaan!

9 Je bent niet goed snik.

4 Ik heb daar niets mee te maken.

10 Wat is het warm, hè?

5 Ik wil graag kennis met je maken.

11 Kom eens even hier.

6 Ik ga slapen.

26


Naam

5

10

6

1

4 9

7

2

11

8

3

3 Kijk naar de tekening. Vul dan het ontbrekende lichaamsdeel in.   1 Het scheelde maar een haartje   2 Ik kan geen hand voor ogen

zien.

3 Hij ligt al op één oor   4 Iemand bij de neus

nemen.

5 Zij is niet op haar mondje

gevallen.

6 Iemand met open armen

ontvangen.

7 Het loopt uit de hand   8 Iets uit je duim

zuigen.

9 Ik heb er mijn buik

van vol.

10 Zij is met het verkeerde been 11 Iets onder de knie 12 Voet

uit bed gestapt. hebben.

bij stuk houden. 27


13

Voeltaal Ook blinde mensen kunnen lezen! Ze gebruiken letters die je kunt voelen. De letters bestaan uit puntjes. Die puntjes kunnen ze voelen. Hieronder zijn ze zwart gemaakt.

1 Wat lees je hier? Schrijf dat op.

De meneer die dit heeft uitgevonden, heet Braille.

28


Naam 2 Esra, een blind meisje, voelt de munten van 1, 2, 10, 20 en 50 eurocent. Over welke munten heeft Esra het? Dit is de dikste munt. Het is de 50 cent. Deze munt heeft inkepingen in de rand. Het is de 20 cent. Deze munt heeft een gleufje in de rand. Dit is de 2

cent.

Deze munt is bijna net zo groot als de 20 cent, maar hij heeft een gladde rand: de 5

cent.

Deze munten hebben ribbels in de rand. De 10 en de 50 cent.

3 Welke zinnetjes kloppen er wel over voeltaal? Kleur daarvan het vakje. Bedenk zelf nog een paar zinnen over voeltaal. Blinde mensen voelen de brailleletters als ze lezen. De euromunten zijn lastig te ‘lezen’ door blinde mensen. Alleen blinde kinderen mogen brailleletters leren lezen. Veel blinden vinden het fijn om te fietsen, maar dan achterop een tandem. Een blindegeleide hond helpt zijn baasje met geld tellen.

bijvoorbeeld Veel blinden leven zelfstandig zodat ze maar weinig extra hulp hebben. Veel boeken worden ook in brailleschrift gedrukt, zodat blinden die kunnen lezen. Broertjes en zusjes van blinde kinderen kunnen zelf ook vaak brailleschrift schrijven.

29


14

Fouttaal Iedereen maakt wel eens een fout. Soms zijn die fouten nog grappig ook. Maar dan moet je wel heel goed kijken.

1 Schrijf de schuingedrukte zinnen zo op dat ze kloppen. ‘Er wordt veel gestolen,’ zei

Ik denk dat hij een verkeerde afslag heeft

de winkelier. ‘Iedere dag

gemist.

komen we kleding tegen

Ik denk dat hij een verkeerde afslag heeft

die er niet meer is.’

genomen.

bijvoorbeeld: Iedere dag ontdekken we dat er kleding is gestolen. Koop de nieuwe Stampies, de beste luier voor ouders. Als je aan een katje begint,

Ouders, koop de nieuwe

moet je het ook afmaken.

Stampies: de beste luiers.

moet je ook goed voor hem blijven zorgen. Er zijn mensen die het niet na kunnen laten om van De mensen vinden haar, net als de prins, een knappe vrouw.

De mensen vinden haar knap,

andersmans spullen af te blijven.

om andermans spullen te stelen.

net als de prins. Te koop: zwempakken en bikini’s in alle maten. Nu ook voor heren.

Alle zwemkleding in alle maten, nu ook voor heren!

30


Naam 2 Welk woord in de zin is fout? Onderstreep dat en schrijf het goede woord achter elke zin in het letterblok. Kies uit: onderdeel – lopen – vork – op – op – gebouwd – wassen

Als je juf te hard werkt, neemt ze te veel hooi

v

o

r

k

l

o

p

e

n

o

p

w

a

s

s

e

n

g

e

b

o

u

w

d

o

n

d

e

r

d

e

o

p

op haar schouders.

Laatst zei ze: ‘Jullie kunnen wel alles aan me vragen. Maar nu kunnen jullie even naar de maan ophoepelen’.

Nou, dat lieten we ons geen tweemaal zeggen. We gingen meteen aan de loop.

Als we zo’n opdracht krijgen, willen we dat varkentje graag even schillen.

Op het schoolplein hadden we namelijk een raket verbouwd.

Daaraan ontbrak echter een belangrijk voordeel: de motor.

Dus die raket – o nee, die vlieger – ging niet hoog.

e

l

31


Scheepstaal

15

Op een schip wordt een eigen taaltje gesproken. Zo zegt de kapitein niet rechts, maar stuurboord. En de kok heeft het niet over de keuken, maar over de kombuis. Maar laat je niet in de boot nemen, want dan wordt je voor de gek gehouden!

1 Vroeger was de scheepvaart heel belangrijk. Veel spreekwoorden en uitdrukkingen hebben dan ook te maken met schepen en varen. Het is echte scheepstaal. Wat betekenen de volgende spreekwoorden en uitdrukkingen? Zet de goede letter voor de goede betekenis. i Ik gaf hem een schot voor de boeg.

z Kun jij even opletten?

b Hij heeft nog een flinke afstand voor de boeg.

e Dat is echt te erg.

t Hij zit nog steeds in mijn vaarwater. o Zij heeft het roer in handen.

l Geen paniek, er is niets gebeurd.

e Dat loopt de spuigaten uit.

b Hij moet nog ver reizen.

o Hij vaart voortdurend in mijn kielzog.

o Zij is de baas.

z Kun jij even een oogje in het zeil

o Hij loopt steeds

houden terwijl ik weg ben?

achter me aan.

l Rustig maar, er is geen man overboord, hoor!

Van boven naar beneden lees je

z

32

Ik heb hem een waarschuwing gegeven.

e

i

l

b

o

o

t

t Hij zit me steeds dwars.


Naam 2 Op zee worden tekens gebruikt die je elkaar kunt seinen met een lamp of geluid. Een streep betekent een lang sein, een punt een kort sein. Tussen elke letter staat een schuine streep. Na een woord zie je twee schuine strepen. a

h

n

t

b

i

o

u

c

j

p

v

d

k

q

w

e

l

r

x

f

m

s

y

g

z

Ontcijfer dit briefje van kapitein Memo aan zijn moeder.

mama stuur zo vlug mogelijk mijn oorwarmers

3 Hier zie je een schatkaart. Zet een kruisje waar de schat ligt.

begin bij de berg loop naar de verste rots daar ligt de schat 33


16

Naamtaal Heb je je wel eens afgevraagd waar de namen van steden en dorpen vandaan komen? Rotterdam en Hoenderlo, waarom hebben ze die naam gekregen? Hou de atlas maar bij de hand.

1 De naam Rotterdam heeft te maken met de dam die lang geleden in het riviertje de Rotte werd gebouwd: het plaatsje bij de dam in de Rotte. Later noemden ze die plek Rotterdam. Kijk op de kaart van Zuid-Holland. Schrijf drie plaatsen op die hun naam danken aan een dam.

bijvoorbeeld: Schiedam – Alblasserdam – Giessendam – Zwammerdam – Heerjansdam – Leerdam 2 Zoek in de atlas in Gelderland op de Veluwe de volgende plaatsen op: Hoenderlo, Otterlo en Ermelo. Wat zou het woordstukje lo kunnen betekenen? Kies uit en kleur het goede vakje. plaats aan het water open plek in het bos hoge berg tussen weilanden

Zoek nog 2 andere plaatsen met lo op het eind.

Groenlo – Almelo – Hengelo Hummelo

34


Naam 3 In plaatsnamen zie je soms het woord ‘voorde’. Dit vind je terug in plaatsnamen als Bredevoort, Lichtenvoorde (beide in de Achterhoek) en in Amersfoort (provincie Utrecht). Zoek die plaatsen op, kijk goed waar ze liggen en kleur het goede vakje. Wat is de betekenis van ‘voorde’? plaats aan de voet van de bergen plaats aan de rivier waar je kunt oversteken plaats aan de grens

4 In het Zeeuwse plaatsje Krabbendijke zag je vroeger veel krabben op de dijk. Wat zag je vroeger bij: ’s-Hertogenbosch, in Noord-Brabant.

een bos van de hertog Hazerswoude, in Zuid-Holland.

hazen in een groot bos Zevenhoven, in Zuid-Holland.

zeven boerderijen Wormerveer, in Noord-Holland.

een veerbootje over de rivier de Wormer

Zwartsluis, in Overijssel.

een zwarte sluis Nijkerk, in Gelderland.

een nieuwe kerk Steenbergen, in Drenthe.

een hunebed Valkenburg, in Limburg.

valken in de burcht

35


17

Kaarttaal Een boek kun je lezen. Maar een kaart ook! Als je tenminste de kaarttaal kent. Wat die kaarttaal betekent, staat meestal naast of onder de kaart.

1 Kijk naar de kaart. Onderstreep het goede antwoord. 1 Er komen drie / vier straten uit op de rotonde. 2 Alleen voetgangers kunnen over het spoor heen / onder het spoor door. 3 Auto’s kunnen over het spoor heen / onder het spoor door. 4 Je kunt met de auto wel / niet bij de school komen. 5 Als je vanaf de rotonde naar het zwembad loopt, ligt die aan de rechterkant / linkerkant van de weg.

36


Naam 2 Kijk naar de kaart. Klopt de volgende route? Zet een rondje om het goede antwoord. Je rijdt met je moeder in de auto op de rotonde. Je rijdt richting spoorlijn.

ja / nee

Je gaat de eerste straat links in. En de volgende rechts. Onder het spoor door en weer rechts. Je rijdt nu richting school. Je oma rijdt met de auto op de rotonde. Ze rijdt van het spoor weg.

ja / nee

Ze neemt de tweede straat rechts. Dan de eerste straat rechts. Dan de eerste straat links. Ze komt bij de molen. Je loopt van het zwembad naar de molen. Je vader wacht daar op je met de

ja / nee

auto. Jullie slaan bij de rotonde linksaf en op de T-sprong gaan jullie naar links, onder het spoor door en dan de eerste straat rechts. Bij de Y-sprong stap je uit. Je bent nu bijna bij school.

3 Kleur op de kaart de kortste weg. 1 te voet van de rotonde naar de school (geel). 2 met de auto van de rotonde naar de school (blauw).

4 Welke zinnetjes kloppen wel? Kleur daarvan de vakjes. Het voetgangersgebied ligt vlak bij de spoorlijn. De molen ligt dichterbij de school dan bij het zwembad. De molenaar kan de spoorlijn vast wel zien. Op school kun je de trein wel horen.

37


18

Speeltaal Spelletjes en sporten moet je vooral dóen, maar... zonder taal lukt dat niet!

1 Een spel begint vaak met een aftelversje, bijvoorbeeld:

ikke pikke porretje de meester heeft een snorretje de meester heeft een sik af – ben – ik

Schrijf hieronder een aftelversje dat je kent. Of verzin zo’n versje.

bijvoorbeeld: Iene, miene, mutte 10 pond grutten 10 pond kaas iene, miene, mutte is de baas 2 Hier zie je de spelregels van het damspel. Zet ze in de goede volgorde door de zinnen te nummeren.

3 Schuif om de beurt een steen schuin over de donkere vlakken. 6 Geef de winnaar een hand. 1 Zet je stenen op de onderste vier rijen met donkere vlakken. 2 Wit begint. 4 Je mag een steen van de tegenstander schuin slaan. 5 Je hebt gewonnen als je tegenstander geen stenen meer heeft.

38


Naam 3 Wat hoort er bij elkaar? Vul het nummer van het spel in bij de zin die daarbij hoort.

1 touwtje springen 2 schipper mag ik overvaren 3 ...98, 99, 100... ik kom 1 In, spin, de bocht gaat in.

3 verstoppertje

4 Je moet slaan! 5 Game over. 6 De winnaar mag ze houden. 2 ...moet ik dan een cent betalen...

6 knikkeren

4 dammen 5 computerspel 4 Bij scrabbelen hebben alle letters een letterwaarde. Bijvoorbeeld: a–1

e–1

h–2

k–4

n–1

r–1

b–3

f–5

i–1

l–2

o–1

s–1

d–1

g–2

j–4

m–3

p–3

t–1

Maak met deze letters 8 woorden. En zet erachter hoeveel punten ze waard zijn.

Bijvoorbeeld: jokkebrok – 23 nooit – 5 stam – 6 moeder – 8 familiefeest – 23 knikkerspelfeest – 31 poppenkastpop – 25 koffiepot – 22 kalm – 10 punten

39


19

Graptaal Taal kun je niet missen. Je hebt het elke dag nodig. Maar met taal kun je ook vaak grappige dingen doen. Kijk maar.

1 Sterksel is een plaats. Maar hij komt van Sterksel is een grappige manier om te zeggen dat iemand heel sterk is. Zo zijn er heel wat dorpen in Nederland en BelgiĂŤ die iets bijzonders kunnen betekenen. Probeer dat maar te bedenken. Zet in de rondjes dezelfde cijfers bij de schuingedrukte uitdrukkingen links en hun betekenis rechts.

Hij raakt te Blankenberge.

1 Wij gaan naar Bovekerke. 2 Hij krijgt een Bilderdamse kermis.

2 Hij krijgt een pak voor zijn billen. Hij wordt kaal.

3 Hij is van Halen.

5 Hij heeft altijd haast.

4 Hij komt van Stampersgat.

4 Hij maakt veel lawaai.

5 Hij komt van Haastrecht.

3 Hij is gierig.

6 Zij zijn van Kortrijk.

7 Hij is overleden.

7 Hij is naar Kuilenburg.

6 Zij zijn arm.

8 Hij is van Latem.

8 Hij komt altijd te laat.

9 Hij komt van Domburg.

11 Hij snoept graag.

10 Zij komt van Grimbergen.

9 Hij is niet zo slim.

11 Hij komt van Zoetermeer.

40

1 Wij gaan naar bed.

10 Zij is humeurig.


Naam 2 Ken je de ginarie? Dat is een beest met een lange nek dat prachtig kan zingen! Zo zijn er veel meer dieren te bedenken. Gebruik stukken van de dierennamen en plak die aan elkaar. Maak zo vijf nieuwe dieren met: kanarie – kangoeroe – stekelbaars – adelaar – vleesmuis – dromedaris – giraf – luipaard – hamster – vis

bijvoorbeeld stekelpaard – giroeroe – vleervis – kangoedaris – adelpaard – drommuis 3 Hoe zien je dieren eruit? Teken er twee.

4 Soms moet je heel erg lachen. Dan lach je onbedaarlijk. Maar kun je dan ook bedaarlijk lachen? Onderstreep de on-woorden. En schrijf ze ‘goed’ op. Laatst kwam er een onguur type in onze winkel.  De man was onberispelijk gekleed.

berispelijk

Maar hij gedroeg zich wel heel onbeschoft.  Ongevraagd dook hij in de etalage.

guur

beschoft

gevraagd

Onbeholpen begon hij daarin in te graaien.

beholpen

Zo haalde hij alle onkreukbare overhemden weg.  Onze winkelchef zei onverbiddelijk:  ‘Uw gedrag is onuitstaanbaar.

kreukbare

verbiddelijk

uitstaanbaar

Verlaat onmiddellijk onze winkel!’

middellijk 41


20

Puzzeltaal Veel mensen puzzelen graag. Ze leggen een legpuzzel of lossen kruiswoordraadsels op. Puzzelen is dan ook eigenlijk spelen met taal. Dat vinden ze spannend. Jij ook? 1 Hier zie je een rebus. Schrijf eerst het woord onder de tekening. Ga dan letters van dat woord wegstrepen of erbij schrijven. Schrijf het goede woord ook op de onderste regel.

weet

je

wat

een

heks

vaak

eet

soep

van

spin

met

roest

en

zweet

weet je wat een heks vaak eet? soep van spin met roest en zweet! 42


Naam 2 Maak met de letters in de tekening 8 woorden. Tel steeds de punten bij elkaar. Bij elk woord mag je alle letters gebruiken.

poes

= 9

punten

eigen

=

punten

invulling

=

punten

bijvoorbeeld

=

punten

glas

= 12 punten

glazen

= 16 punten

zand

= 10 punten

land

=

8 punten

3 Streep de volgende woorden door in de puzzel. Ze staan van rechts naar links en van boven naar beneden. giraf

mus

paard

ekster

kanarie

arend

mol

rat

kameel

hond

poes

haai

k

a

n

a

r

i

e

k

p

e

k

s

t

e

r

a

a

k

a

m

u

s

m

m

a

a

h

o

n

d

o

e

r

r

r

a

t

n

l

e

d

e

p

o

e

s

g

l

o

n

e

h

a

a

i

r

o

d

g

i

r

a

f

e

Kijk naar de letters die overblijven. Welk dier vormen die samen?

k

a

n

g

o

e

r

o

e

43


Teltaal

21

De achterkanten van alle euromunten verschillen. Maar de voorkanten zien er precies hetzelfde uit. Een Italiaan zegt duo als een Duitser zwei zegt. En een Fin noemt een twee een kaksi. Allemaal teltaal!

1 Vul de volgende teltaalwoorden in op de goede plaats. een – twee – drie – vier – vijf –zes – zeven – acht – negen – tien

Drie

maal is scheepsrecht.

Zeg, ken jij de zeven

sprong?

Drie keer drie is negen

,

ieder zingt zijn eigen lied. Doe niet zo raar, ben je zes Geef me de vijf

Een uur heeft vier

tig! .

kwartieren.

We maken een ritje in de acht

baan.

Beter één vogel in de hand dan tien Moet ik dan alles twee

44

in de lucht. keer zeggen.


Naam 2 In elke zin zit een telwoord verstopt, bijvoorbeeld Ik lust geen soep – een. Voor de zin staat het telwoord dat je moet zoeken. Zet een streep onder de letters. 1   Ga je morgen mee naar de speeltuin? 2   Aart weet daar veel meer van dan jij denkt. 3   Hij had Riek ook gevraagd om te komen. 4   Volgende week maken we een tochtje langs de rivier. 5   Mijn oma wordt vijfenzeventig jaar.

Ze ventileert elke dag de kamer heel 7   grondig. Wij dachten dat we die tocht wel even 8   zouden kunnen maken. 9   Die rotte appel heeft Anne genomen. 10   Ik wil wel, maar Stien heeft er geen zin in.

6   De rommelmarkt wordt op onze school gehouden.

3 Los de cijferrebussen op. 1

1 verdrietig 2 vijver 3 fles

2

4 dief 5 tentententoonstelling

3

4

5

45


22

Tijdtaal Wie het laatst lacht, lacht het best. Dat zegt het spreekwoord. Maar bij tijdtaal is dat niet altijd zo. Kijk maar naar de sporen.

1 Kijk naar de tekening. Zet daarna een rondje om de woorden die goed zijn. De auto heeft hier gereden voordat / nadat de vogel het pad overstak. Het hert stak het pad eerder / later over dan de vogel. Het spoor van de vogel is ouder / jonger dan dat van het hert. De fiets was hier op een later / vroeger tijdstip dan de vogel. Het oudste spoor is het spoor van het hert / de vogel / de auto / de ďŹ ets.

2 Verderop zien de sporen er anders uit. Omcirkel weer de goede aanduidingen. De fiets reed hier om 10 uur, dus reed de auto daar om 9 uur / 11 uur. Je weet zeker dat de steen hier al lag om 9 uur / 10 uur. De tak ligt daar langer / korter dan de steen. De tak is daar terecht gekomen voor / na 10 uur.

46


Naam 3 De zinnen in de twee verhaaltjes (links en rechts) staan niet in de goede volgorde. Zet een 1 voor de zin die het eerst komt. Nummer zo verder.

2 Dan rijden Elke en haar vriendin in een taxi naar de feestzaal.

1 Elke heeft net haar nieuwe kleren

3 Intussen springt het licht op groen. 2 Terwijl hij wacht, kijkt hij naar het reclamebord naast de weg.

1 De man stopt nog net op tijd voor het

aangetrokken.

3 Het feest begint daar om 9 uur. 5 Na afloop nemen Kim en Elke een taxi terug.

rode licht.

5 Verschrikt kijkt de man op, maar te laat: het licht staat al weer op rood.

4 Tijdens het feest dansen ze heerlijk.

4 De vrouw achter hem toetert om te laten merken, dat hij mag doorrijden.

4 Zoek bij elke uitdrukking uit de eerste rij de betekenis uit de tweede rij. Schrijf de letter in het lege rondje.

h Zij verdoet haar tijd.

o Het is kort dag voor haar.

o Dat is ouderwets.

r Alles bij het oude laten.

r Niets veranderen.

l Voor dag en dauw.

l Heel vroeg.

e Zij is goed bij de tijd.

o Ze heeft nog maar weinig tijd.

h Zij verlummelt haar tijd.

g Het werk hoeft vandaag niet af.

o Dat is uit de tijd.

e Zij is slim.

g Morgen is er weer een dag.

Van boven naar beneden lees je

h

o

r

l

o

g

e

47


23

Kooktaal 1 In kookboeken en keukens wordt kooktaal gebruikt. Hier lees je een recept uit een kookboek. Het is echter door elkaar geraakt. Wat is de goede volgorde? Zet een 1 voor de zin die eerst komt, een 2 voor de zin daarna, enz. Appeltaart

2 Terwijl de oven warm wordt, snijd je de appels in stukken. 5 Doe de appels en het beslag in de vorm. 6 Plaats het gerecht gedurende een half uur in de oven. 4 Smeer de bakvorm in met een dunne laag boter. 1 Zet om te beginnen de oven op 225 graden. 3 Mix melk en bakmeel tot een stevig beslag. 2 Een prachtige keuken. Zet de cijfers op de goede plaats.

9

14 4 3 2 1

7 10

8

11 13

6

5

1 = oven

6 = pollepel

11 = rasp

2 = braadpan

7 = broodrooster

12 = vergiet

3 = magnetron

8 = vaatwasser

13 = zeef

4 = mixer

9 = afzuigkap

14 = trechter

5 = schuimspaan 48

12 15

10 = koelkast

15 = slagroomspuit


Naam 3 Vul in. Kies uit: druppeltje – kommetje – snufje – teentje – kropje – struikje – doosje – bakje – likje

een

een

d

o

o

een

l

i

k

j

e boter

t

e

e

n

t

j

e knoflook

een

k

o

m m

e

t

een

k

r

o

p

j

e sla l

j

e melk

s

j

e eieren

een

d

r

u

p

p

e

een

b

a

k

j

e champignons

een

s

n

u

f

j

e zout

een

s

t

r

u

i

k

j

e

k

t

j

e azijn

e andijvie

Van boven naar beneden lees je

l

e

k

k

e

r

b

4 Los de rebus op. met lange tanden eten

49


24

Speltaal Soms zie je een dier op een grasveldje. Dat lijkt wel een gijtje op een wijtje! Of is het een geitje op een weitje? Lastig hoor, die spelling. Nou ja, soms!

1 Tariq spaart T-woorden, Daphne spaart D-woorden. Maak de woorden maar af en kleur de vakjes. Maak de vakjes van de woorden van Tariq blauw en die van Daphne rood.

d

olfijn

d

ekbed

t

afeltennis

t

heedoek

d

atum

t

ent

d

inosaurus

d

room

d

ichter

t

andarts

t

andem

t

elevisie

2 Tariq en Daphne sparen ook woorden met -t op het eind. En natuurlijk ook met -d op het eind. Dus woorden als hond en kat. Als ze het niet zeker weten, maken ze de woorden langer. Dus hon... – honden. Maak de woorden weer af en geef de vakjes weer de goede kleur. bor

d

draa d

won

d

han

boch t

toch t

woor d

hel

d

staar t

taar

t

kas

50

d

t

sloo t


Naam 3 Soms hoort een woord bij Tariq. En soms ook bij Daphne. Geef de vakjes dan allebei hun kleurtje. Tariq

Daphne

Tariq

t/d ak

Daphne

t/d egen

t/d as d t

empel

iamant

t/d uin

t/d eken t t/d ank

aai

t/d ik

4 Daphne schrijft Tariq een briefje. Maar daar zitten wel wat spelfouten in. Schrijf het briefje maar goed op de schrijfregels.

Dach Tarik, Is ales goet met jau? Met mei is het geweldug! Ik heb een grootte preis gewonen: de hooftprijs! Dus ga ik drie dachen naar een predparruk. Zamen med mein vamielie. Nau snab je warom ik blei ben. Ik sgreiv dan een kaardje naar ju! Tot gou! Daphne Dag Tariq, Is alles goed met jou? Met mij is het geweldig! Ik heb een grote prijs gewonnen: de hoofdprijs! Dus ga ik drie dagen naar een pretpark. Samen met mijn familie. Nou snap je waarom ik blij ben. Ik schrijf dan een kaartje naar je! Tot gauw! Daphne 51


25

Stertaal Overal om je heen is reclame. Ook in deze taak. Maar dan net even anders...

1 Tijs maakt reclame. Daar verzint hij vaak rijmpjes bij. Maar hij is nog niet klaar. Help hem en maak rijmzinnen. Kleur de rondjes die bij elkaar horen hetzelfde.

Bijvoorbeeld Is het bij u thuis een kale boel? Op een fiets van Roel van Neven Wees niet langer sloom en dom, Weet u niets op moederdag te geven? maar koop een brommer van Kees Blom! Wat dacht u van een bloemetje van Van het Reve! Koop bij Henkie een prachtige stoel! Kun je leuke dingen beleven!

2 In reclame kom je vaak overdrijfwoorden tegen. Het is niet gewoon gezellig, nee het is supergezellig. Kleur de 7 overdrijfwoorden in de volgende advertenties.

52


Naam 3 Er komt een circus in jullie buurt. Schrijf en teken een mooie reclame op het bord hieronder. De directeur van het circus wil natuurlijk dat er duizenden mensen komen kijken! Kleur eerst ook hier de 4 overdrijfwoorden in de advertenties.

53


Rebustaal

26

Als je een hartje tekent, weet iedereen wat je bedoelt. Met tekeningen kun je dus ook dingen zeggen. En daar gaat deze taak over.

1 Schrijf de zinnen met de goede woorden op. Lees dan de zin nog eens.

1

je

niet in een

2  In

wonen meer

3 Je bent op staande

4 Ik heb mijn

5  De

ontslagen.

op de

repareert de

6 Heb jij die

7  De

dan

van de

al gelezen?

maakte een

1 Stop je hand niet in een wasmachine. 2 In Nederland wonen meer mensen dan varkens. 3 Je bent op staande voet ontslagen. 4 Ik heb mijn geld op de bank gezet. 5 De monteur repareert de motor van de auto. 6 Heb jij die liefdesbrief al gelezen? 7 De voetballer maakte een doelpunt.

54

gezet.


Naam 2 Schrijf deze brief op in gewone woorden.

Hoi Frits,   dag ga ik mijn  Ik h

er uitproberen.

de dat er dan veel

is.

Ga je mee? We gaan naar het

dje in de

straat.

We nemen b    mee. je me even? Groetjes, Hans

Hoi Frits, Maandag ik mijn vlieger uitproberen. Ik hoorde dat er dan veel wind is. Ga je mee? We gaan naar het veldje in de Molenstraat. We nemen brood mee. Bel je me even? Groetjes, Hans

55


27

Diertaal Veel mensen hebben thuis een dier. We praten dan ook vaak over dieren. En soms lijken mensen wel een beetje op hen. Wanneer? Dat kun je zelf ontdekken.

1 Vul een dierennaam in. Kies uit: varken – hond – aal – vos – kwartel – spin – paard – uil – ezel – lammetje Zo slim als een

vos

Zo glad als een

aal

Zo dom als een

ezel

Zo trouw als een

hond

Zo lui als een

varken

Zo mak als een

lammetje

Zo sterk als een

paard

Zo koppig als een ezel

Zo nijdig als een spin

Zo doof als een

kwartel

2 Welk dier wordt er bedoeld? Kies uit: koekoek – zebra – kangoeroe – kameleon – kanarie – poes

Er loopt een streepje door

Ik maak wel eens rare

me en op straat zie je me ook.

sprongen.

kangoeroe

zebra Ik leg mijn ei in het nest van een ander.

koekoek Ik kan spinnen, maar ben geen spin!

Ik verschiet van kleur.

poes

kameleon Ik zing het hoogste lied.

kanarie

56


Naam 3 Welk geluid hoort bij welk dier? Zet het goede nummer bij het plaatje. Kies uit: 1 hinniken – 2 blaten – 3 blaffen – 4 kakelen – 5 spinnen – 6 kraaien – 7 balken – 8 piepen – 9 knorren – 10 loeien – 11 koeren – 12 kwaken

2

8

10

3 4 9

6

1 7

5

11

12

4 Zoek de woorden in de puzzel en streep ze door. De woorden staan van links naar rechts, van boven naar beneden en omgekeerd. Schrijf de letters die overblijven in het letterblok. Je leest dan de naam van een dier met een mooie pluimstaart. Zwaluw – gier – walvis – olifant –bever - specht – vlieg – mier – mol – mug –bij – kraai Z

W

A

L

U

W

G

M

W

E

M

U

G

I

I

E

A

L

O

M

E

E

K

R

L

H

IJ

R

R

O

O

E

V

B

V

L

I

E

G

V

I

K

R

A

A

I

R

E

S

T

H

C

E

P

S

B

N

T

N

A

F

I

L

O

e

e

k

h

o

o

r

n 57


28

Digitaal Een computer is eigenlijk een heel gehoorzaam ding. Veel gehoorzamer dan een hond! Maar als je niet precies zegt wat hij moet doen, dan weet hij het niet. Soms lijkt het dan of de computer een fout maakt. Maar dat ligt meestal niet aan de computer maar aan zijn ‘baasje’.

1 De kinderen willen op het internet zoeken wat onze koningin doet. Juf zegt dat je veel kunt vinden op www.koninklijkhuis.nl. Dus tikt iedereen dat in. Op het scherm staat dat de computer het niet kan vinden, ‘Geen wonder,’ zegt hun juf. ‘Kijk eens goed wat je hebt ingetikt.’ Doe dat maar en schrijf op wat er fout is gegaan.

Lineke tikt: www.koningklijkhuis.nl

Lineke tikte: koningklijk huis en niet koninklijkhuis Raisa tikt: www.koningshuis.nl

Raisa tikte per ongeluk: koningshuis Ron tikt: ww.koninklijkhuis.nl

Ron vergat een keertje een w aan het begin Hassan tikt: www.koninklijkhuis

Hassan vergat .nl aan het eind.

58


Naam 2 Wat betekenen de dik gedrukte Engelse woorden. Schrijf het goede woord achter de zin. Zet de letter voor het woord in het hokje. Je leest dan van onderen naar boven of je het goed hebt.

Kies uit: n – computer, r – rondkijken, e – sturen, e – afdrukken, n – internet, t – opslaan, t – kletsen, i – verwijzing.

kletsen

t

2 Vergeet niet om me dat berichtje te mailen.

sturen

e

3 Mijn pc staat in de hoek van de huiskamer.

computer

n

4 Als je op het internet aan het surfen ben,

rondkijken

r

5 Kun jij die kleurplaat even voor me printen?

afdrukken

e

6 Als je dat niet wilt kwijtraken, moet je het saven.

opslaan

t

7 Op het web staan leuke computerspellen.

internet

n

8 Soms staat er een link bij naar een andere

verwijzing

i

1 Als ik met mijn vrienden aan het chatten ben, vliegt de tijd.

vind je vaak leuke spelletjes.

bladzijde.

Als ik na school thuiskom, dan ga ik meteen mijn huiswerk maken. Daarna mag ik altijd even surfen op het

i

n

t

e

r

n

e

t

59


Bouwtaal

29

Bij elk beroep hoort een eigen taal. 'Kijk zelf je sommen maar na,' hoort bij een schooljuf of een meester. Als je nieuwe schoenen koopt, vraag de verkoopster: 'Welke maat heb je?' En als je een nieuw huis koopt, hoor je ook een aparte taal: bouwtaal.

1 Vul het goede gereedschap in achter het beroep. Schrijf de letters in de vakjes in de puzzel. Kies uit: winkelhaak – troffel – vlechttang – trekveer – roller – stopverf – schop – buigtang – lastoestel

betonvlechter

l

lasser

a

s

t

o

schilder

s

o

p

e

c

h

e

s

t

e

l

r

o

l

l

e

e

r

f

t

r

e

k

v

e

e

r

w

i

n

k

e

a

n

g

grondwerker

s

c

h

o

p

metselaar

t

r

o

f

f

elektricien timmerman

b

loodgieter

u

i

g

t

Wat is er ook schildersgereedschap? Een

60

l

v

glaszetter

t

v

v

e

r

f

k

w

a

s

t

t

t

a

n

g

l

h

a

a

k

e

l

r


Naam 2 Wie zegt dit? Schrijf het juiste nummer voor de zinnetjes. Kies uit: 1 tapijtverkoper – 2 keukenverkoper – 3 metselaar – 4 dakdekker – 5 elektricien – 6 loodgieter – 7 lampenverkoper

3

Heb je er genoeg zand en water bij gedaan?

5

Je moet de rode draad niet aanraken, dat is gevaarlijk!

4

De pannen sluiten niet goed aan.

6

Volgens mij lekt de afvoerpijp van de wasmachine.

2

Aan welke kant wilt u het aanrecht hebben staan?

1

Deze rol kunt u het beste in de lengte leggen.

7

Je moet die zo ophangen dat hij je niet verblindt.

3 Bouw een mooi kastje. De tekeningen staat door elkaar. Zet ze in de goede volgorde door ze te nummeren.

4

2

5

1 3 61


Deeltaal Op school leer je taal, de Nederlandse taal. Maar die praat lang niet iedereen altijd. In grote delen van Nederland praten de mensen in hun eigen spreektaal; ze praten dialect.

1 In Limburg praten de mensen onder elkaar bijna altijd in dialect. Hier staat een versje uit de Limburgse plaats Valkenburg. Es in Valkeberg de sjnièklökskes bleuje kump de lente, kump de lente. Es in Valkeberg de sjnièklökskes bleuje kump de lente in oos land.

Schrijf dit versje hieronder in het Nederlands.

Als in Valkenburg de sneeuwklokjes bloeien komt de lente, komt de lente. Als in Valkenburg de sneeuwklokjes bloeien komt de lente in ons land.

2 Maak een tekening bij dit Limburgse rijmpje. Ein twiè drie veer. De vrouw tap beer. De man zuup 't oet. En doe bies droet.

Wat is dit? Zet er een rondje om: een gedichtje, een liedje, een versje.

62


Naam 3 Lees dit stukje uit een Fries versje. Schrijf dan op wat er in de tekening niet klopt. Het zijn 3 dingen. De forkâlden fisk Yn de sé fan Pimpompé swom de fisk Hatsjyhatsjé mei in pûdtsje sâlte dropkes en in kopke sipelthé

1 geen thee, maar limonade.

mei in gleone wetterkrûk op syn kâlde fiskebûk,

2 de kruik op zijn rug.

om syn lijf in breidene jas om syn sturt in rutene das.

3 de das gestreept, niet geruit .

4 In Brabant, in de buurt van Tilburg, spreken de mensen Tilburgs. Daar kennen ze veel woorden die iets zeggen over de manier van eten. Zet de woorden maar in de puzzel. Wat lees je in de blauwe vakjes? 1 knoeien met water of melk

semmelen

2 prakken

nirken

3 op een verveelde manier eten

britsen brassen

4 knoeien met aardappelen en groenten

dabben

5 erg langzaam kauwen 6 heel traag eten

pieliën

7 erg gulzig eten met grote scheppen

spaaien

b

4

r

s

7

p

1

d

a

b

b

e

n

2

b

r

i

t

s

e

n

3

p

i

e

l

i

ë

n

n e

l

e

a

s

s

e

n

5

n

i

r

k

e

6

s

e

m m

i

e

n

a

a

n

In Tilburg willen veel mensen een biertje 1

d

2

r

3

i

4

n

5

k

6

e

7

n 63


Hoe ver ben je?

64


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Rekenen_Taalmeesters_Gr5_150dpi_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu