Skip to main content

Puzzelen_met_zinsdelen_Gr7-8_antw

Page 1

Puzzelen met zinsdelen Werkboek


Colofon Auteurs Ofkje Teekens en Eva den Boogert Illustraties Kre–add/Marcel Westervoorde, Alphen a/d Rijn Omslagontwerp Eduardo Media Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 84086 5 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2006 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie– en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting–pro. nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2–neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®–keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Introductie aan de leerling

3

Oefening   1 Oefening   2 Oefening   3 Oefening   4 Oefening   5 Oefening   6 Oefening   7 Oefening   8 Oefening   9 Oefening 10 Oefening 11 Oefening 12 Oefening 13

4 5 7 9 11 12 14 16 18 20 22 24 26

zinsdelen persoonsvorm werkwoordelijk gezegde onderwerp onderwerp lijdend voorwerp lijdend voorwerp meewerkend voorwerp meewerkend voorwerp naamwoordelijk gezegde voorzetselvoorwerp bijwoordelijke bepaling bijvoeglijke bepaling

Puzzelmix   1 persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde Puzzelmix   2 persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde Puzzelmix   3 persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en onderwerp Puzzelmix   4 onderwerp en lijdend voorwerp Puzzelmix   5 lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp Puzzelmix   6 werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde Puzzelmix   7 werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde Puzzelmix   8 meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling Puzzelmix   9 voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling Puzzelmix 10 bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling

28 30 32 35 37 39 41 43 45 47

Puzzelverzamelmix 1 Puzzelverzamelmix 2 Puzzelverzamelmix 3 Puzzelverzamelmix 4 Puzzelverzamelmix 5 Puzzelverzamelmix 6

50 52 54 56 58 60

Theorie zinsdelen Theorie persoonsvorm Theorie werkwoordelijk gezegde Theorie onderwerp Theorie lijdend voorwerp Theorie meewerkend voorwerp Theorie naamwoordelijk gezegde Theorie voorzetselvoorwerp Theorie bijwoordelijke bepaling Theorie bijvoeglijke bepaling

62 63 64 65 65 66 67 68 69 70

3


Oefening 1

zinsdelen

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 62) Zinsdelen kun je vinden door de zin in een andere volgorde te zetten. De woorden of groepjes woorden die dan bij elkaar blijven staan, noem je een zinsdeel.

Voorbeelden: • De leuke jongen | mag | morgen | meedoen | met het darttoernooi. • Mag | de leuke jongen | morgen | meedoen | met het darttoernooi? • Morgen | mag | de leuke jongen | meedoen | met het darttoernooi. • Met het darttoernooi | mag | de leuke jongen | morgen | meedoen. Zet achter elk zinsdeel een verticale streep.   1 Bij het voetballen is de ruit in de achterkamer gebroken.   2 In de vakantie ga ik elke dag zwemmen in het zwembad.   3 De kat vangt in de tuin een vogeltje.   4 In de kinderkamer ligt de baby te slapen.   5 De kinderen uit de derde klas moeten hard werken om goede cijfers te halen.   6 Gisteren in het park zag ik een grote hond met lange haren en een korte staart.   7 Het kleine huisje met bloemetjes op het balkon is van mijn oma.   8 De agent gaf me met een lach op zijn gezicht een bekeuring.   9 Vanmorgen lag de krant van de buren bij ons in de brievenbus. 10 De visser vangt met zijn nieuwe hengel een grote snoek. 11 De zeilboot is gisteren op de Grevelingen omgeslagen. 12 De mountainbiker is met zijn gezicht in de modder gevallen. 13 Waarom ben jij gisteren om half drie niet op tijd op je afspraak gekomen? 14 Ik kom je bezoeken omdat je al een tijd op bed ligt. 15 Wil jij voortaan de badkamer opruimen als je gedoucht hebt?

4


Oefening 2

persoonsvorm

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 63) • Als je de zin vragend maakt, komt de persoonsvorm vooraan te staan. • Als je de zin verandert van tijd, verandert de persoonsvorm. • Als je de zin in het enkelvoud of meervoud zet, verandert de persoonsvorm mee.

Voorbeelden: • Ik ga naar huis → Ga ik naar huis? • Ik ga naar huis → Ik ging naar huis. • Ik ga naar huis → Wij gaan naar huis. Benoem de persoonsvorm (pv) en vul die in op de stippellijn. 1

Vincent ging gisteren naar de film.

pv = ging

2

Bettina zwemt naar de overkant.

pv = zwemt

3

Je moeder moet meteen komen!

pv = moet

4

Heeft prinses Maxima het gebouw geopend?

pv = heeft

5

Morgen ga ik met de hond naar het strand.

pv = ga

6

Waar was jij vorige week?

pv = was

5


7 In het zwembad ging hij kopje onder.

pv = ging

8 Wanneer begint je voetbaltraining?

pv = begint

9 De computer is weer vastgelopen.

pv = is

10 De voorkant van het huis wordt volgende week geschilderd.

pv = wordt

11 Mijn vriendje is drie keer op vakantie geweest.

pv = is

12 Heb je nou al een tv op je kamer?

pv = heb

13 De bakker in het dorp heeft een prijs gekregen.

pv = heeft

14 Ik wil niks meer met dat gezeur te maken hebben.

pv = wil

15 De fietser botste tegen een stilstaande auto.

pv = botste

6


Oefening 3

werkwoordelijk gezegde

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 64) Het werkwoordelijk gezegde vind je door alle werkwoorden uit de zin te halen. Al deze werkwoorden samen noemen we het werkwoordelijk gezegde. Voorbeelden: • Ik moet vandaag een nieuwe jas gaan kopen. • Mijn broer rijdt vandaag voor het eerst op een brommer.

Benoem het werkwoordelijk gezegde (ww.gez) en vul dat in op de stippellijn. 1

Mijn zus werkt bij een kinderdagverblijf.

ww.gez = werkt

2

De poster van haar idool heeft ze direct boven haar bed gehangen.

ww.gez = heeft gehangen

3

De boerendochter moet helpen op de boerderij.

ww.gez = moet helpen

4

Zullen we naar het park gaan?

ww.gez = zullen gaan

5

Boy mag een horloge uitkiezen voor zijn verjaardag.

ww.gez = mag uitkiezen

6

We gaan gezellig samen in het centrum winkelen.

ww.gez = gaan winkelen

7


7 De scholier zou kunnen gaan spijbelen.

ww.gez = zou kunnen gaan spijbelen

8 Heb je de bal expres door het raam geschopt?

ww.gez = heb geschopt

9 Maak jij je werkstuk op de computer?

ww.gez = maak

10 Ga je morgen ook mee zeilen op het meer?

ww.gez = ga zeilen

11 Vanwege de sneeuw hebben we het skiën uitgesteld.

ww.gez = hebben uitgesteld

12 De oude stoelen zouden zeker een nieuw verfje kunnen gebruiken.

ww.gez = zouden kunnen gebruiken

13 Hoe heb je dat nou kunnen denken?!

ww.gez = heb kunnen denken

14 Ik zou die valse kat in m’n eentje nooit eten hebben durven geven.

ww.gez = zou hebben durven geven

15 Op zondag zijn we met oma gaan wandelen.

ww.gez = zijn gaan wandelen

Maak voordat je verder gaat met oefening 4 eerst Puzzelmix 1 en Puzzelmix 2 vanaf pagina 28.

8


Oefening 4

onderwerp

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 65) Zoek eerst het gezegde. Stel dan de vraag: Wie of wat + gezegde? Voorbeelden: • De bakker heeft een appeltaart gebakken  →  Wie heeft gebakken? • Ligt mijn vulpen nog op tafel?  →  Wat ligt?

Benoem het onderwerp (ond) en vul dat in op de stippellijn. 1

De slager op de hoek is gesloten op maandag.

ond = de slager op de hoek

2

Zijn je vader en moeder al gescheiden?

ond = je vader en moeder

3

Mijn opa van mijn moeders kant is jarig.

ond = mijn opa van mijn moeders kant

4

Op mooie dagen ga ik met mijn eigen bootje zeilen.

ond = ik

5

Vorige week zijn mijn moeder en ik naar de stad geweest.

ond = mijn moeder en ik

9


6 Op deze bladzijde van het boek staan vijf spelfouten.

ond = vijf spelfouten

7 De au pair van mijn tante is van de trap gevallen.

ond = de au pair van mijn tante

8 De dokter heeft griep geconstateerd.

ond = de dokter

9 De vakantie van dit jaar is in het water gevallen.

ond = de vakantie van dit jaar

10 Vanaf groep zes ga ik al alleen met de trein naar school.

ond = ik

11 Waarom doe jij je best niet op school?

ond = jij

12 De druiventrossen in Zuid–Frankrijk worden geplukt om wijn van te maken.

ond = de druiventrossen in Zuid–Frankrijk

13 Op straat passeerde een optocht van prinsessen, clowns en goochelaars.

ond = een optocht van prinsessen, clowns en goochelaars

14 Samen met zijn vader deed de jongleur zijn act.

ond = de jongleur

15 De kleine kat kroop weg onder de bank.

ond = de kleine kat

10


Oefening 5

onderwerp

Benoem het onderwerp (ond) en vul dat in op de stippellijn.   1 Het glas cola stond al twee uur op het tafeltje voor de tv.

ond = het glas cola

2 Op straat probeerde een zakkenroller een politieagent te beroven.

ond = een zakkenroller

3 Bij handvaardigheidles zijn bijna alle scharen bot.

ond = alle scharen

4 Familie Van der Steen staat er bekend om te laat te komen op school.

ond = familie Van der Steen

5 Zou het wel goed gaan met het blaffende hondje van de buren?

ond = het

6 Een paar kinderen van groep 8 hangen steeds in het klimrek van de kleuters.

ond = een paar kinderen van groep 8

7 De kermis in de stad is een groot succes.

ond = de kermis in de stad

8 Horen de paperclips in dit laatje van het bureau?

ond = de paperclips

9 De nieuwe boxen van de geluidsinstallatie kunnen veel lawaai maken.

ond = de nieuwe boxen van de geluidsinstallatie

10 Je moet de rotzooi op jouw kamer voortaan beter opruimen!

ond = je

11 Vanaf september zit de ‘r’ weer in de maand.

ond = de ‘r’

12 De nieuwe leerkracht heeft het zwaar te verduren.

ond = de nieuwe leerkracht

13 De hortensia’s in de tuin moeten gesnoeid worden.

ond = de hortensia’s in de tuin

14 Maartens bal vloog over de schutting van de buurman.

ond = Maartens bal

15 Heeft de tuinman de rozen al bemest?

ond = de tuinman

Maak voor je verder gaat met Oefening 6 eerst puzzelmix 3 op pagina 32. 11


Oefening 6

lijdend voorwerp

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 65) Zoek eerst het gezegde en het onderwerp uit de zin. Stel dan de vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp? Voorbeeld: De kleine jongen heeft zijn ijsje laten vallen.  →  Wat heeft de kleine jongen laten vallen?

Benoem het lijdend voorwerp (lv) en vul dat in op de stippellijn. 1

Mike eet een groot stuk appeltaart.

lv = een groot stuk appeltaart

2

Voor elke dag kreeg oma medicijnen voorgeschreven.

lv = medicijnen

3

Ze draagt een ronde zonnebril.

lv = een ronde zonnebril

4

Ik zou de jonge lammetjes kunnen gaan bekijken.

lv = de jonge lammetjes

5

Het kleine meisje drinkt haar limonadeglas leeg.

lv = haar limonadeglas

6

Thomas nam zijn nieuwe skateboard mee.

lv = zijn nieuwe skateboard

12


7 Zijn broertje heeft de moeilijke som kunnen maken.

lv = de moeilijke som

8 De twee oudste broers hebben tien kilometer gelopen.

lv = tien kilometer

9 Heb jij dat gedaan?

lv = dat

10 De voetballer heeft een schitterend doelpunt gemaakt.

lv = een schitterend doelpunt

11 Onderweg naar huis verloor ze weer haar sleutels.

lv = haar sleutels

12 Heb jij je papegaai al eten gegeven vandaag?

lv = eten

13 Op haar verjaardag kreeg ze een mobieltje met een camera van haar ouders.

lv = een mobieltje met een camera

14 Ben je nou nog steeds dat boek aan het lezen?

lv = dat boek

15 Vergeet niet het programma op te nemen!

lv = het programma

13


Oefening 7

lijdend voorwerp

Benoem het lijdend voorwerp (lv) en vul dat in op de stippellijn. Let op! Misschien zit niet in elke zin een lijdend voorwerp!

1

Ik heb het niet goed begrepen met rekenen.

lv = het

2

Waarom wil je me dat niet vertellen?

lv = dat

3

De jongen streepte de fouten aan met een rode vulpen.

lv = de fouten

4

Moeder heeft de boodschappen gedaan bij de supermarkt.

lv = de boodschappen

5

Wil jij mij het recept van de walnoottaart geven?

lv = het recept van de walnoottaart

6

Ik ga even koffie kopen bij de avondwinkel.

lv = koffie

7

Wil jij vanavond warme chocolademelk voor mij maken?

lv = warme chocolademelk

14


8 De auto heeft onderweg een lekke band gekregen.

lv = een lekke band

9 Volgend jaar gaan we verhuizen.

lv = –

10 Verwissel jij de wc–rol de volgende keer?

lv = de wc–rol

11 Ik moet nieuwe batterijen in mijn wekkerradio doen.

lv = nieuwe batterijen

12 Na het sporten drinken we altijd een vitaminedrankje.

lv = een vitaminedrankje

13 Tijdens het wandelen nemen wij een mueslireep.

lv = een mueslireep

14 Ik rijd op mijn nieuwe fiets naar school.

lv = –

15 Mijn leesboek ben ik kwijtgeraakt.

lv = mijn leesboek

Maak voordat je verder gaat met Oefening 8 eerst Puzzelmix 4 op pagina 35.

15


Oefening 8

meewerkend voorwerp

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 66) Het meewerkend voorwerp herken je aan de woorden ‘aan’ en ‘voor’. De woorden ‘aan’ en ‘voor’ moet je toe kunnen voegen of weg kunnen laten. Voorbeelden: •  Pauline geeft haar tante een gele envelop. •  Pauline geeft aan haar tante een gele envelop.

Benoem het meewerkend voorwerp (mv) en vul dat in op de stippellijn. 1

De strenge meester geeft de kinderen vijf bladen huiswerk mee.

mv = de kinderen

2

Mijn buurvrouw gaf aan mijn dochter een ijsje.

mv = aan mijn dochter

3

Hij heeft mij vanmorgen een treinkaartje gegeven.

mv = mij

4

Sjors heeft me haar nieuwe vestje geleend.

mv = me

5

Ik heb dit weekend voor mijn moeder een bloemetje gekocht.

mv = voor mijn moeder

6

Doe je moeder de groeten!

mv = je moeder

16


7 Oscar koopt voor zijn vriend twee gekke bierglazen.

mv = voor zijn vriend

8 De chef deelt de luie werknemer drie opdrachten uit.

mv = de luie werknemer

9 Deze film kan ik je echt aanbevelen!

mv = je

10 Ik heb het laatste kaartje voor het concert aan Kees gegeven.

mv = aan Kees

11 De collega’s schenken de jarige een mooie barbecue op zijn verjaardag.

mv = de jarige

12 De klassendienst deelde de aardrijkskundeboeken uit aan de klas.

mv = aan de klas

13 De eerste les wordt gegeven aan groep 3.

mv = aan groep 3

14 Ik heb Boris een Xbox cadeau gegeven.

mv = Boris

15 Dit bijzondere boek leen ik je alleen deze week uit.

mv = je

17


Oefening 9

meewerkend voorwerp

Benoem het meewerkend voorwerp (mv) en vul dat in op de stippellijn. Let op! Misschien zit niet in elke zin een meewerkend voorwerp! 1

Stuur je mij de volgende keer wel een rekening?

mv = mij

2

Ik heb dit weekend de Duinenmars gewandeld.

mv = –

3

Zij heeft mij de advertentie opgestuurd.

mv = mij

4

Jouw sleutels hangen nu weer aan mijn haakje.

mv = –

5

Het volgende bericht kun je beter aan hem mailen.

mv = aan hem

6

De lotto maakt zeven miljoen over aan mij.

mv = aan mij

7

Schenk jij voor ons even een kopje thee in?

mv = voor ons

8

Wanneer gaan we de wals oefenen?

mv = –

18


9 Ik geef altijd twee euro aan een collecte voor goede doelen.

mv = aan een collecte voor goede doelen

10 De klassendienst is vergeten de planten water te geven.

mv = de planten

11 Ik zal tante Babs eens een mailtje sturen over onze logeerplannen.

mv = tante Babs

12 Ik heb een omelet besteld in het restaurant.

mv = –

13 Geef mij dat cd'tje eens aan?

mv = mij

14 Heb jij het gras al gemaaid sinds twee weken geleden?

mv = –

15 Geeft Jasmijn het konijn eten als we weg zijn dit weekend?

mv = het konijn

Maak voordat je verder gaat met Oefening 10 eerst Puzzelmix 5 op pagina 37.

19


Oefening 10

naamwoordelijk gezegde

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 67) Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel (koppelwerkwoord) en het naamwoordelijk deel (een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord). Koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. Voorbeelden: • Jeroen is dokter. • Jeroen is rustig.

Benoem het naamwoordelijk gezegde (nw.gez) en vul dat in op de stippellijn. 1

Mijn neef wordt ingenieur.

nw.gez = wordt ingenieur

2

Ik ben eindelijk weer blij.

nw.gez = ben blij

3

Stijn en Simon waren brutaal.

nw.gez = waren brutaal

4

De nette man lijkt ontevreden.

nw.gez = lijkt ontevreden

20


5 De vader van mijn vriend is al jaren monteur.

nw.gez = is monteur

6 De groenteboer bleef rustig toen een klant de appels door de winkel gooide.

nw.gez = bleef rustig

7 Mijn tante was heel tevreden over mijn gedrag.

nw.gez = was heel tevreden

8 De vrolijke jongen bleek de beheerder van de kinderboerderij.

nw.gez = bleek de beheerder van de kinderboerderij

9 Zij schijnt een betrouwbare vrouw te zijn.

nw.gez = schijnt een betrouwbare vrouw te zijn

10 Wordt zij na al die jaren studeren eindelijk dokter?

nw.gez = wordt dokter

11 Het was vervelend dat je niet kwam.

nw.gez = was vervelend

12 Bleek hij wel in orde te zijn?

nw.gez = bleek in orde te zijn

13 Waarom bleef de politieagent vriendelijk tegen de onbeleefde man?

nw.gez = bleef vriendelijk

14 Was hij de jongste op het toernooi?

nw.gez = was de jongste

15 Hij werd dronken, nadat hij de fles had leeggedronken.

nw.gez = werd dronken

Maak voordat je verder gaat met Oefening 11 eerst Puzzelmix 6 en Puzzelmix 7 vanaf pagina 39.

21


Oefening 11

voorzetselvoorwerp

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 68) Het voorzetselvoorwerp herken je aan een zin met een werkwoord met een vast voorzetsel: houden van, rekening houden met, vertrouwen op, voldoen aan, etc. Voorbeelden: • Ik hou erg veel van mijn oude oma. • Ik ben erg gesteld op die rode trui.

Benoem het voorzetselvoorwerp (vv) en vul dat in op de stippellijn. 1

Ik hou van chocolade.

vv = van chocolade

2

Zij denkt aan haar vriend, die op vakantie is.

vv = aan haar vriend

3

Ik ben verliefd op de rozen in de tuin.

vv = op de rozen in de tuin

4

Ik vertrouw op jouw goede bedoelingen.

vv = op jouw goede bedoelingen

22


5 De smaak van deze chocola komt precies overeen met de smaak van mijn chocomel.

vv = met de smaak van mijn chocomel

6 Ik herinner je aan onze afspraak om naar de film te gaan.

vv = aan onze afspraak om naar de film te gaan

7 Wil je even ophouden met dat gedraai op je stoel?

vv = met dat gedraai op je stoel

8 Ik doe een beroep op jouw zwijgplicht.

vv = op jouw zwijgplicht

9 Hij voldoet niet aan de eisen.

vv = aan de eisen

10 We gaan over tot de orde van de dag.

vv = tot de orde van de dag

11 Hou je ook rekening met het slechte weer?

vv = met het slechte weer

12 Ik heb een hekel aan koud eten.

vv = aan koud eten

13 Let goed op de verkeersregels.

vv = op de verkeersregels

14 Waarom luister je niet naar mijn adviezen?

vv = naar mijn adviezen

15 Ik heb hem aangespoord tot harder leren.

vv = tot harder leren

23


Oefening 12

bijwoordelijke bepaling

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 69) • • •

De bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vragen: ‘waar’, ‘wanneer’ en ‘hoe’. De bijwoordelijke bepaling zegt iets over een werkwoord of een bijvoeglijke bepaling. De bijwoordelijke bepaling bestaat uit restwoorden.

Voorbeelden: • Om half drie ga ik met de tram naar Amsterdam. • Zij zingt mooi. • Jij hebt ook nog nooit naar mij geluisterd!

Benoem de bijwoordelijke bepalingen (bijw.bep) en vul die in op de stippellijn. Let op! Onder de zin staat tussen haakjes hoeveel bijwoordelijke bepalingen er in de zin staan. 1

Om half drie ga ik naar huis. bijw.bep (2×) = om half drie, naar huis

2

Ik ben al jaren niet bij een dokter geweest. bijw.bep (3×) = al jaren, niet , bij een dokter

3

Overmorgen logeer ik bij mijn vriendin in Friesland. bijw.bep (3×) = overmorgen, bij mijn vriendin, in Friesland

4

Ik ga zelden met de fiets naar de stad. bijw.bep (3×) = zelden, met de fiets, naar de stad

24


5 Vorig jaar zomer zijn we met de auto naar Spanje geweest.

bijw.bep (3×) = vorig jaar zomer, met de auto, naar Spanje

6 Met de ambulance werd de gewonde naar het ziekenhuis vervoerd.

bijw.bep (2×) = met de ambulance, naar het ziekenhuis

7 In de tuin hebben we lekker thee gedronken.

bijw.bep (2×) = in de tuin, lekker

8 Wil jij de taart met het mes aansnijden?

bijw.bep (1×) = met het mes

9 Door de orkaan was het huis compleet verdwenen.

bijw.bep (2×) = door de orkaan, compleet

10 Ik ga nooit meer met de luchtballon varen.

bijw.bep (3×) = nooit, meer, met de luchtballon

11 Hongerig schoof de jongen aan tafel.

bijw.bep (2×) = hongerig, aan tafel

12 Het laatste trimester heb je veel gespijbeld!

bijw.bep (2×) = het

laatste trimester, veel

13 In de sauna kun je het knap heet krijgen.

bijw.bep (2×) = in de sauna, knap

14 Hij is niet tevreden met die berg huiswerk.

bijw.bep (1×) = niet

15 In Kenia zagen we op safari van dichtbij een olifant!

bijw.bep (3×) = in Kenia, op safari, van dichtbij

Maak voordat je verder gaat met Oefening 13 eerst Puzzelmix 8 en Puzzelmix 9 vanaf pagina 43.

25


Oefening 13

bijvoeglijke bepaling

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 70) Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het kan voor en achter het zelfstandig naamwoord staan. Voorbeelden: • Het horloge van goud. • Het gouden horloge.

Benoem de bijvoeglijke bepalingen (bijv.bep) en vul die in op de stippellijn. Let op! Onder de zin staat tussen haakjes hoeveel bijvoeglijke bepalingen er in de zin staan. 1

Ga je mee naar de feestelijke bijeenkomst?

bijv.bep (1×) = feestelijke

2

Ik heb een ontzettend naar gevoel als ik hem zie.

bijv.bep (1×) = naar

3

Karel de Grote was een belangrijke vorst.

bijv.bep (2×) = de Grote, belangrijke

4

Door haar grote inzet is zij kampioen worstelen geworden.

bijv.bep (2×) = grote, worstelen

5

Hoeveel beslag heb ik nodig voor dunne flensjes?

bijv.bep (1×) = dunne

26


6 Wil jij voortaan de open ramen goed sluiten?

bijv.bep (1×) = open

7 Na een natte zomer krijg je vaak een strenge winter.

bijv.bep (2×) = natte, strenge

8 Door de hevige storm vlogen de rode dakpannen door de lucht.

bijv.bep (2×) = hevige, rode

9 Wil je die stereo–installatie van jou wat zachter zetten!

bijv.bep (1×) = van jou

10 Ik baal van jouw slome inzet tijdens de afwas.

bijv.bep (2×) = jouw, slome

11 De rijke buurman reed weg in zijn peperdure rode Ferrari.

bijv.bep (3×) = rijke, peperdure, rode

12 Ik hoop dat Anouk haar lange blonde haar niet heeft afgeknipt.

bijv.bep (2×) = lange, blonde

13 Met de nieuwe vriend van mijn moeder, kan ik het goed vinden.

bijv.bep (2×) = nieuwe, van mijn moeder

14 Door de langdurige stress had zij vaak zware hoofdpijn.

bijv.bep (2×) = langdurige, zware

15 Ik ben de ingewikkelde code van mijn pinpas totaal vergeten.

bijv.bep (2×) = ingewikkelde, van mijn pinpas

Ga verder met Puzzelmix 10 op pagina 47.

27


Puzzelmix 1

persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde

Benoem de persoonsvorm (pv) en het werkwoordelijk gezegde (ww.gez) en vul die in op de stippellijn. 1

Zou je meer willen weten over de snellere versie van dit computerspel?

pv = zou

ww.gez = zou willen weten

2

Alle lekkere koekjes uit de trommel heeft mijn opa opgesnoept.

pv = heeft

ww.gez = heeft opgesnoept

3

De rode voordeur bleek in het weekend geverfd te zijn.

pv = bleek

ww.gez = bleek geverfd te zijn

4

Op de tentoonstelling kon je het schilderij van dichtbij zien.

pv = kon

ww.gez = kon zien

5

De waaghals struikelde over een tak vlak voor de sloot.

pv = struikelde

ww.gez = struikelde

6

De jongen klom omhoog in een hijskraan.

pv = klom

ww.gez = klom

7

Ga onmiddellijk je kamer opruimen!

pv = ga

ww.gez = ga opruimen

8

Ik twijfel aan de opvoeding van je hond.

pv = twijfel

ww.gez = twijfel

9

Vorig jaar had ik de proefwerken beter geleerd.

pv = had

ww.gez = had geleerd 28


10 Waarom laat je de pannenkoeken steeds aanbranden?! pv = laat ww.gez = laat aanbranden 11 Je hebt die plant van mij niet goed verzorgd. pv = hebt ww.gez = hebt verzorgd 12 Het elftal heeft weer verloren van Ajax. pv = heeft ww.gez = heeft verloren 13 Zou je willen helpen in de keuken? pv = zou ww.gez = zou willen helpen 14 Het meisje hoopte de vogel haar stukjes brood te kunnen voeren.

hoopte

pv =

ww.gez = hoopte te kunnen voeren 15 Waarom doe je niet mee met het voorbereiden van de musical? pv = doe ww.gez = doe mee

Puzzel In de puzzel staan van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar beneden en van beneden naar boven de persoonsvormen uit de zinnen: 3, 4, 7, 11, 12 en 15. Streep de woorden door. De letters die overblijven, vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. g

t

h

a

g

r

b

e

o

d

k

e

e

l

b

o

h

f

a

p

n

j

t

a

s

g r a p

j

a s

29

!


Puzzelmix 2

persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde

Benoem de persoonsvorm (pv) en het werkwoordelijk gezegde (ww.gez) en vul die in op de stippellijn. 1

Ga je mee naar de film?

pv = ga

ww.gez = ga mee

2

Mijn moeder heeft mijn rokje korter gemaakt.

pv = heeft

ww.gez = heeft gemaakt

3

Mijn vriendje heeft mij weer uitgenodigd.

pv = heeft

ww.gez = heeft uitgenodigd

4

Waarom doe jij de afwas niet gelijk na het eten?

pv = doe

ww.gez = doe

5

Vorige week hebben we de voetbalwedstrijd weer verloren.

pv = hebben

ww.gez = hebben verloren

6

Ga je volgend jaar mee op vakantie wandelen?

pv = ga

ww.gez = ga wandelen

7

Ik zal in de toekomst beter opletten!

pv = zal

ww.gez = zal opletten

8

Wil je in het vliegtuig mijn hand vasthouden?

pv = wil

ww.gez = wil vasthouden

9

De parasailer is verkeerd naar beneden gekomen.

pv = is

ww.gez = is gekomen 30


10 Op welk moment heb jij je enkel gebroken?

pv = heb

ww.gez = heb gebroken

11 De juwelier poetst het zilver uit zijn winkel op.

pv = poetst

ww.gez = poetst op

12 Kun jij je voortaan aan je afspraak houden?

pv = kun

ww.gez = kun houden

13 Houd jij de hond in de gaten?

pv = houd

ww.gez = houd

14 We gaan binnenkort weer eens een keertje skaten in het park.

pv = gaan

ww.gez = gaan skaten

15 Bel jij oma voortaan eens wat vaker op!

pv = bel

ww.gez = bel op

Puzzel Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ ww.gez zin 7 ww.gez zin 15 ww.gez zin 12 ww.gez zin 9 ww.gez zin 2 ww.gez zin 11

z a

l

o p l e t b e l o k u n h o u d e i s g e k o m h e e p o e t s

t p n e f t

e n

n t g e m a a k t o p

? Ga verder met Oefening 4 en Oefening 5 vanaf pagina 9. 31


Puzzelmix 3

persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en onderwerp

Benoem de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (ww.gez) en het onderwerp (ond) en vul die in op de stippellijn. 1

De haai heeft alweer een slachtoffer gemaakt.

pv = heeft

ww.gez = heeft gemaakt

ond = de haai

2

Waarom heeft mijn grootmoeder mij niets nagelaten na haar dood?

pv = heeft

ww.gez = heeft nagelaten

ond = mijn grootmoeder

3

Op de Dam in Amsterdam heeft de minister–president een krans gelegd.

pv = heeft

ww.gez = heeft gelegd

ond = de minister–president

4

De schilder die de voordeur plamuurde, had niet genoeg plamuur.

pv = had

ww.gez = had

ond = de schilder die de voordeur plamuurde

5

In de hagelbui werden we onderweg naar huis bekogeld met hagelstenen.

pv = werden

ww.gez = werden bekogeld

ond = we

6

Door de wind vloog de pet van de jongen de lucht in.

pv = vloog

ww.gez = vloog

ond = de pet van de jongen

32


7 De zieke kat had al twee dagen geen visjes gegeten.

pv = had

ww.gez = had gegeten

ond = de zieke kat

8 De HEMA verplaatste dit jaar haar winkel naar buiten het centrum.

pv = verplaatste

ww.gez = verplaatste

ond = de HEMA

9 Marita verfde haar fiets oranje.

pv = verfde

ww.gez = verfde

ond = Marita

10 Direct na schooltijd ging ik met mijn vriend zwemmen in het meer.

pv = ging

ww.gez = ging zwemmen

ond = ik

11 De auto’s razen voorbij op de snelweg.

pv = razen

ww.gez = razen

ond = de auto’s

12 De bergbeklimmers rustten uit op de top van de berg.

pv = rustten uit

ww.gez = rustten uit

ond = de bergbeklimmers

13 Heb jij lang gespaard voor die nieuwe scooter?

pv = heb

ww.gez = heb gespaard

ond = jij 33


14 Hij was geraakt door een indianenpijl van een klein kind.

pv = was

ww.gez = was geraakt

ond = hij

15 Zij heeft haar haar laten knippen bij een punkkapper.

pv = heeft

ww.gez = heeft laten knippen

ond = zij

Puzzel Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ ww.gez zin 13 pv zin 11 ond zin 9 ww.gez zin 10 ond zin 1

h e b g e s p r M a r i g i n g z w e m d e h a

a a t m a

a r d z e n a e n i

Ga verder met Oefening 6 en Oefening 7 vanaf pagina 12.

34


Puzzelmix 4

onderwerp en lijdend voorwerp

Benoem het onderwerp (ond) en het lijdend voorwerp (lv) en vul die in op de stippellijn. Let op! Misschien zit niet in elke zin een onderwerp of een lijdend voorwerp! 1

Ik heb een nieuw ontwerp voor een surfplank bedacht.

ond = ik

lv = een nieuw ontwerp voor een surfplank

2

Waarom heb jij die afspraak niet meteen afgezegd?

ond = jij

lv = die afspraak

3

Ik kan het recept voor de macaroni Napolitana niet vinden.

ond = ik

lv = het recept voor de macaroni Napolitana

4

Waarom heb je een latere trein genomen naar opa en oma?

ond = je

lv = een latere trein

5

Ik heb mijn werkstuk dit jaar erg afgeraffeld.

ond = ik

lv = mijn werkstuk

6

Het blad van de tomatenplant raakte verdord.

ond = het blad van de tomatenplant

lv = –

7

De buren vergoedden de schade aan ons dak.

ond = de buren

lv = de schade aan ons dak

8

De trainer kocht appeltaart na de overwinning van het team.

ond = de trainer

lv = appeltaart

9

Geef jij je moeder ook bonbons voor moederdag?

ond = jij

lv = bonbons 35


10 De schrijver schrijft dit jaar zijn twintigste boek. ond = de schrijver lv = zijn twintigste boek 11 Vanuit de luchtballon zien we ons huis liggen. ond = we lv = ons huis 12 In Rome leven de mensen veel op straat. ond = de mensen lv = – 13 Ga onmiddellijk die troep op zolder opruimen! ond = – lv = die troep op zolder 14 Wil je een lekker taartje bij de koffie? ond = je lv = een lekker taartje 15 De kangoeroes in Australië vinden deze zomer weinig voedsel. ond = de kangoeroes in Australië lv = weinig voedsel

Puzzel In de puzzel staat van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar beneden en van beneden naar boven het onderwerp van zin 1, 3, 4, 7, 9 en 11 en het lijdend voorwerp van zin 9 en 11. Streep de woorden door. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. De letters die overblijven vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. s

i

u

h

s

n

o

k

k

i

a

n

j

j

n

e

r

u

b

e

d

b

o

n

b

o

n

s

j

i

j

w

e

e

r

k a n

j

e r

!

Ga verder met Oefening 8 en Oefening 9 vanaf pagina 16. 36


Puzzelmix 5

lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Benoem het lijdend voorwerp (lv) en het meewerkend voorwerp (mv) en vul die in op de stippellijn. Let op! Misschien zit niet in elke zin een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp! 1

De agent deelde tientallen bonnen uit aan de bromfietsers zonder licht.

lv = tientallen bonnen

mv = aan de bromfietsers zonder licht

2

Het gouden horloge werd aan de oudste kleinzoon gegeven.

lv = –

mv = aan de oudste kleinzoon

3

Wil je de brief doorsturen?

lv = de brief

mv = –

4

Moeder geeft de postbode een kopje koffie.

lv = een kopje koffie

mv = de postbode

5

De film vertoonde ons veel spannende momenten.

lv = veel spannende momenten

mv = ons

6

De surfer kocht voor zichzelf een splinternieuwe plank.

lv = een splinternieuwe plank

mv = voor zichzelf

7

Vlak voor haar dood schonk zij mij het schilderij.

lv = het schilderij

mv = mij

8

Geef mij de gepofte aardappels eens aan!

lv = de gepofte aardappels

mv = mij

9

Volgende week ga ik op bezoek bij mijn tante in Duitsland.

lv = –

mv = – 37


10 Op een keer geef ik dat vervelende kind een klap! lv = een klap mv = dat vervelende kind 11 Ik heb de knoop weer aan mijn broek gezet. lv = de knoop mv = – 12 De bibliothecaresse zocht een boek in de bibliotheek. lv = een boek mv = – 13 Doe jij mee met de volgende volleybalwedstrijd? lv = – mv = – 14 We gaan volgende maand een nieuwe auto kopen. lv = een nieuwe auto mv = – 15 Wanneer geef je mij nou eens de oplossing voor dit probleem? lv = de oplossing voor dit probleem mv = mij

Puzzel Kleur de vakjes van de zinnen met een meewerkend voorwerp. De letters die overblijven vormen een woord. 1 k

2 n

3 g

4 a

5 e

6 m

7 i

8 p

9 o

10 f

11 e

12 d

13 z

13 o

15 t

g

o

e

Ga verder met Oefening 10 op pagina 20.

38

d

z

o


Puzzelmix 6

werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde

Benoem het gezegde en vul dat in op de stippellijn. Kijk goed of het een werkwoordelijk gezegde (ww.gez) of een naamwoordelijk gezegde (nw.gez) is. 1

De vriendelijke mevrouw met het kindje bleek de winkeleigenaresse te zijn.

ww.gez = –

nw.gez = bleek de winkeleigenaresse te zijn

2

Zij is met schaatsen op haar hoofd gevallen.

ww.gez = is gevallen

nw.gez = –

3

Hij kreeg een boek aangeboden.

ww.gez = kreeg aangeboden

nw.gez = –

4

Met al die bloemen en planten is de tuin werkelijk prachtig!

ww.gez = –

nw.gez = is prachtig

5

Het bureau was comfortabel om aan te werken.

ww.gez = –

nw.gez = was comfortabel

6

Mijn buurman is een knappe professor.

ww.gez = –

nw.gez = is een knappe professor

7

Ons huis is gisteren verkocht.

ww.gez = is verkocht

nw.gez = –

8

Hij is kunstenaar in hart en nieren.

ww.gez = –

nw.gez = is kunstenaar

9

Ik zou vanmiddag gaan sporten met mijn vader.

ww.gez = zou gaan sporten

nw.gez = – 39


10 Ik heb een kopje thee voor je ingeschonken. ww.gez = heb ingeschonken nw.gez = – 11 Deze les was voor de groep veel te moeilijk. ww.gez = – nw.gez = was veel te moeilijk 12 Het hotel is veel te klein. ww.gez = – nw.gez = is veel te klein 13 Mijn moeder is vorige week geopereerd. ww.gez = is geopereerd nw.gez = – 14 Langs de zee wordt een fietspad aangelegd. ww.gez = wordt aangelegd nw.gez = – 15 Deze gouden ring is erg kostbaar. ww.gez = – nw.gez = is erg kostbaar Puzzel Kleur de vakjes van de zinnen met een naamwoordelijk gezegde. Er ontstaat een patroon.

4

10

11

3

1

7

12

2

8

13

6

14

5

9

15

40


Puzzelmix 7

werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde

Benoem het gezegde en vul dat in op de stippellijn. Kijk goed of het een werkwoordelijk gezegde (ww.gez) of een naamwoordelijk gezegde (nw.gez) is. 1

Ik ga dit jaar weer skiën in Oostenrijk.

ww.gez = ga skiën

nw.gez = –

2

Hij blijkt een behulpzame buurman te zijn.

ww.gez = –

nw.gez = blijkt een behulpzame buurman te zijn

3

Wanneer ga je een keertje mee klimmen?

ww.gez = ga klimmen

nw.gez = –

4

De schroevendraaier ligt op zolder in de kast.

ww.gez = ligt

nw.gez = –

5

Het toneelstuk lijkt me niet zo interessant.

ww.gez = –

nw.gez = lijkt niet zo interessant

6

Breng je me even weg naar de training?

ww.gez = breng weg

nw.gez = –

7

Berend zou het toestel wel kunnen repareren.

ww.gez = zou kunnen repareren

nw.gez = –

8

Het ongeluk van gisteren schijnt ernstig te zijn.

ww.gez = –

nw.gez = schijnt ernstig te zijn

9

Kunnen we na het eten nog even buitenspelen?

ww.gez = kunnen buitenspelen

nw.gez = – 41


10 Ik word gek van dat groepje hangjongeren voor het raam. ww.gez = – nw.gez = word gek 11 Hij lijkt behoorlijk op zijn vader. ww.gez = – nw.gez = lijkt op zijn vader 12 Pepijn is dit jaar heel veel ziek geweest. ww.gez = – nw.gez = is heel veel ziek geweest 13 Ik word later leeuwentemmer! ww.gez = – nw.gez = word leeuwentemmer 14 De nieuwe pennen zijn buigbaar! ww.gez = – nw.gez = zijn buigbaar 15 De arme vogel is tegen de dikke eikenboom aan gevlogen. ww.gez = is gevlogen nw.gez = –

Puzzel Kleur de vakjes van de zinnen met een werkwoordelijk gezegde. De overige letters vormen een woord. 11 p

10 e

3 t

2 r

14 f

15 a

1 u

8 e

6 d

12 c

7 z

13 t

4 f

5 !

9 e

p

e

r

f

e

Ga verder met Oefening 11 en Oefening 12 vanaf pagina 22.

42

c

t

!


Puzzelmix 8

meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Benoem het meewerkend voorwerp (mv) en/of de bijwoordelijke bepalingen (bijw.bep) en vul die in op de stippellijn. Let op! Misschien zit niet in elke zin een meewerkend voorwerp of een bijwoordelijke bepaling. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen in de zinnen staan! 1

Ik heb hem een doos bonbons cadeau gedaan.

mv = hem

bijw.bep = –

2

Vanaf de computer op school mail ik je informatie voor je werkstuk.

mv = je

bijw.bep = vanaf de computer op school

3

Voor de kassa stond een lange rij.

mv = –

bijw.bep = voor de kassa

4

We hebben veel geld geschonken aan de werklozen.

mv = aan de werklozen

bijw.bep = –

5

De bloemen staan onhandig voor de televisie.

mv = –

bijw.bep = onhandig, voor de televisie

6

Voor deze menigte zing ik voor jou een lied.

mv = voor jou

bijw.bep = voor deze menigte

7

Ik heb vanuit Spanje een mailtje gestuurd aan mijn vriend.

mv = aan mijn vriend

bijw.bep = vanuit Spanje

8

Aan haar pols glom een gouden armband.

mv = –

bijw.bep = aan haar pols

9

Er hangen dit jaar veel pruimen aan de boom.

mv = –

bijw.bep = er, dit jaar, aan de boom

43


10 Aan welke kant van de kamer zou jij de tafel neerzetten?

mv = –

bijw.bep = aan welke kant van de kamer

11 Mijn tante heeft een leuk vakantiebaantje voor je geregeld!

mv = voor je

bijw.bep = –

12 Het vogelhuisje hangt aan de zijkant van de schuur.

mv = –

bijw.bep = aan de zijkant van de schuur

13 Voor de volgende afslag geef ik je een waarschuwing.

mv = je

bijw.bep = voor de volgende afslag

14 Joost schrijft aan tafel een brief aan zijn vriendin.

mv = aan zijn vriendin

bijw.bep = aan tafel

15 De politieagent gaf een bekeuring aan de jongen zonder licht.

mv = aan de jongen zonder licht

bijw.bep = –

Puzzel Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ bijw.bep zin 3 mv zin 7 2e bijw.bep zin 9 bijw.bep zin 8 bijw.bep zin 12 mv zin 1 mv zin 15

v o o a a nm i j n v d a a n h a a

r r i a n

d i t a d

e e j r e h a a n d e j o n

k n a p z e g !

44

as d a r o l i j m e n

s a

s k a n t v a nd e s c h u u r z o n d e r l i c h t


Puzzelmix 9

voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling

Benoem het voorzetselvoorwerp (vv) en/of de bijwoordelijke bepalingen (bijw.bep). Let op! Misschien zit niet in elke zin een voorzetselvoorwerp of een bijwoordelijke bepaling. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen in de zinnen staan! 1

De leerkracht moest surveilleren op het plein.

vv = –

bijw.bep = op het plein

2

Op haar kun je het beste vertrouwen.

vv = op haar

bijw.bep = –

3

Jij kunt je voorbereiden op een fijne vakantie.

vv = op een fijne vakantie

bijw.bep = –

4

Kom je nog werken in de tuin vanmiddag?

vv = –

bijw.bep = nog, in de tuin, vanmiddag

5

De twee vriendinnen moeten mee naar het bureau.

vv = –

bijw.bep = naar het bureau

6

In het vliegtuig smeekte de piloot om de nodige hulp.

vv = om de nodige hulp

bijw.bep = in het vliegtuig

7

De oudere man oordeelt vaak negatief over de jongelui.

vv = over de jongelui

bijw.bep = vaak, negatief

8

Heb je het al in het boek opgezocht?

vv = –

bijw.bep = al, in het boek

9

In het rampgebied moeten we overgaan tot evacuatie.

vv = tot evacuatie

bijw.bep = in het rampgebied

45


10 Aan de derde tak vanaf de onderkant van de boom hangt de vlieger.

vv = –

bijw.bep = aan de derde tak vanaf de onderkant van de boom

11 Hij onttrekt zich altijd aan zijn verplichtingen.

vv = aan zijn verplichtingen

bijw.bep = altijd

12 De verklaringen van de ooggetuige kwamen overeen met die van de verdachte.

vv = met die van de verdachte

bijw.bep = –

13 Volgend jaar moet de schilderes ophouden met haar werk.

vv = met haar werk

bijw.bep = volgend jaar

14 Gisteren ontmoette ik een oude kennis in de Vlamingstraat.

vv = –

bijw.bep = gisteren, in de Vlamingstraat

15 Met school brachten we in Deventer een bezoek aan het museum.

vv = –

bijw.bep = met school, in Deventer, aan het museum

Puzzel Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ 2e bijw.bep zin 8 bijw.bep zin 5 vv zin 6 bijw.bep zin 1 vv zin 7

n a a r o m o o

vv zin 2 vv zin 12 2e bijw.bep zin 7

m e t

i h d p v

n e e h e

h t n e r o d i e n e

e b o t d p v g

t u d p e h a a

b r i l j a n t !

Ga verder met Oefening 13 op pagina 26. 46

o e g e o a d i

e a e i n r e e

k u h u l p n g e l u i v e r d a c h t e f


Puzzelmix 10 bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling Benoem de bijwoordelijke bepalingen (bijw.bep) en de bijvoeglijke bepalingen (bijv.bep). Let op! Misschien zit niet in elke zin een bijwoordelijke bepaling of een bijvoeglijke bepaling. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen en/of bijvoeglijke bepalingen in de zinnen staan! 1

De knappe jongen uit Finland werd smoorverliefd op de filmster.

bijw.bep = –

bijv.bep = knappe, uit Finland

2

De vriendelijke gids vertelde een spannende anekdote.

bijw.bep = –

bijv.bep = vriendelijke, spannende

3

Op de laatste koopavond van de maand werd de geblesseerde dief gesnapt.

bijw.bep = op de laatste koopavond van de maand

bijv.bep = laatste, van de maand, geblesseerde

4

In het verre China eten ze rijst met dunne lange stokjes.

bijw.bep = in het verre China, met dunne lange stokjes

bijv.bep = verre, dunne, lange

5

Zij heeft haar krullende haar door een trendy kapper laten modelleren.

bijw.bep = door een trendy kapper

bijv.bep = krullende, trendy

6

Door mijn slechte planning, haalde ik een onvoldoende voor het proefwerk.

bijw.bep = door mijn slechte planning, voor het proefwerk

bijv.bep = slechte

7

Als ik achttien word, mag ik alleen op vakantie.

bijw.bep = alleen, op vakantie

bijv.bep = –

8

Vol aandacht bekeek mijn vader mijn mooie cijfers.

bijw.bep = vol aandacht

bijv.bep = mooie

47


  9 Heb jij ooit wel eens gesurft op het Veerse meer?

bijw.bep = ooit, wel, eens, op het Veerse meer

bijv.bep = Veerse

10 Ga jij ook dit jaar je abonnement opzeggen?

bijw.bep = ook, dit jaar

bijv.bep = dit

11 Op een dag laat ik mijn haar blond verven.

bijw.bep = op een dag, blond

bijv.bep = –

12 Waarom heb je niet het volgende vliegtuig genomen?

bijw.bep = waarom, niet

bijv.bep = volgende

13 Ga je deze laatste week van de vakantie nog wat leuks doen?

bijw.bep = deze laatste week van de vakantie

bijv.bep = laatste, van de vakantie

14 Om half negen begint die leuke film vanavond.

bijw.bep = om half negen, vanavond

bijv.bep = half, leuke

15 Ik hoop dat die lastige overbuurman eindelijk ophoudt met klagen.

bijw.bep = eindelijk, met klagen

bijv.bep = lastige

48


Puzzel In de puzzel staan van links naar rechts, rechts naar links, boven naar beneden en van beneden naar boven de volgende woorden (woordgroepen staan zonder spaties geschreven): • • • • •

eerste bijv.bep zin 2 eerste bijv.bep zin 6 eerste bijv.bep zin 1 laatste bijv.bep zin 4 laatste bijw.bep zin 10

• • • •

laatste bijv.bep zin 14 laatste bijv.bep zin 5 eerste bijw.bep zin 11 eerste bijv.bep zin 15

Streep de woorden door. De letters die overblijven, vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. k

o

p

e

e

n

d

a

g

j

e

e

n

h

d

i

t

j

a

a

r

e

k

b

a

t

d

e

h

p

u

z

z

e

u

l

p

g

o

e

c

l

a

n

g

e

e

d

p

o

p

g

e

g

i

t

s

a

l

e

e

k

j

i

l

e

d

n

e

i

r

v

l

o

s

t

s

!

t

r

e

n

d

y

j

e

d e

p u z z e

l

o p g e

o s t

Ga verder met de Puzzelverzamelmixen vanaf pagina 50.

49

h e b t

l

g o e d !


Puzzelverzamel­ mix 1 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

De orkaan verwoestte de strandhuisjes.

de strandhuisjes = lv

2 Freek behaalde een goed resultaat bij de marathon in New York.

behaalde = pv, ww.gez

3 Philip heeft de rugbywedstrijd gewonnen.

heeft gewonnen = ww.gez

4

IJsbrand plukt de appels uit de boom van de buurvrouw.

uit de boom van de buurvrouw = bijw.bep

5

De coach krijgt het team goed op de rails.

het team = lv

6

De rondvaartboot vervoerde de Japanse toeristen.

de rondvaartboot = ond

7

De jager lokte het zwijn naar hem toe.

lokte = pv, ww.gez

8 Ik verstijfde van schrik toen ik de muis zag.

verstijfde = pv

9

Het meisje heeft prachtige vlechten in het haar.

prachtige vlechten = lv

50


10 De kruiden werden geknipt voor in de soep.

werden geknipt = ww.gez

11 De piloot verloor de macht over het toestel.

de piloot = ond

12 De veearts liet de koe inslapen.

de koe = lv

13 We moeten nog een week wachten op ons nieuwe hondje.

een week = bijw.bep

14 De zon moet eens wat vaker gaan schijnen.

eens = bijw.bep

15 Wanneer kom je nou een keertje pannenkoeken bakken?

pannenkoeken = lv

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 13: een week = zin 15: pannenkoeken = zin 6: de rondvaartboot = zin 3: heeft = zin 12: de koe = zin 10: werden geknipt =

b i j wo o r d e l i j k l i j d e n d v o o o nd e r p e l i j we r kwo o r d e l !

51

e b r w we r s d e i j

e e r o n k

p r p o d g

a l i n g p n s v o rm v o o r we r p e z e g d e


Puzzelverzamel­ mix 2 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

De pasgebakken koekjes zijn genoeg afgekoeld.

genoeg = bijw.bep

2

Het verkeersplein werd verbouwd.

het verkeersplein = ond

3

Het pasteitje was niet helemaal gaar.

was gaar = nw.gez

4

De file veroorzaakte veel oponthoud.

veel oponthoud = lv

5 Ga je volgende week mee naar de bioscoop?

je = ond

6

Wat geef jij Pieter voor Sinterklaas?

Pieter = mv

7

Gemiddeld gaat de Nederlander drie keer per jaar met vakantie.

de Nederlander = ond

8

Wil jij voor mama in de tomatensoep roeren?

in de tomatensoep = bijw.bep

9

De paddenstoelen in het bos zijn bijzonder giftig!

zijn giftig = nw.gez

52


10 De volgende keer moet je mij trakteren op een ijsje.

mij = mv

11 Ik had weer een lekke band met de fiets!

een lekke band = lv

12 De foto van mijn klas is prima gelukt.

de foto van mijn klas = ond

13 Wie is op dit moment jouw beste vriend?

wie = ond

14 De zeilboot is omgewaaid door de storm.

door de storm = bijw.bep

15 De tamme kastanjes liggen op de grond.

liggen = pv, ww.gez

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓

n a a mw o o r d e l i j zin 7: de Nederlander = o n zin 10: mij = me zin 4: veel oponthoud = l i j zin 1: genoeg = b i j wo o r d zin 5: je = o zin 8: in de tomatensoep = b i j wo o r d e zin 15: liggen = we r kwo o r d e l i j zin 3: was gaar =

k d e d e n l k

g e w e l d i g !

53

e r e n i e j e

z e we r k d v j k r w k e z e

g r e o e e b g

d p n o b r e d

e d r e p p e

v o o r we r p we r p p a l i n g a l i n g


Puzzelverzamel­ mix 3 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

De patiënt heeft zich na de operatie heel rustig gehouden.

heeft gehouden = ww.gez

2

Mijn overgrootmoeder vertrouwde mij haar geheim toe.

mij = mw

3

Blijf jij de hele avond bij die wedstrijd?

blijf = pv, ww.gez

4

De nieuwe scooter van mijn zusje is gisterenavond gestolen.

de nieuwe scooter van mijn zusje = ond

5

Het oude havenstadje trekt in de zomer veel bezoekers.

veel bezoekers = lv

6

Vorige zomer is mijn buurman bij een ramp omgekomen.

is = pv

7

De jonge hond heeft mijn nieuwe planten in de tuin kapot getrapt.

mijn nieuwe planten in de tuin = lv

8

Het café tegenover het marktplein is onlangs afgebrand.

onlangs = bijw.bep

9

Gedurende haar wereldreis stuurde ze haar ouders telkens mailtjes.

haar ouders = mv

54


10 De commissievergadering van de voetbalclub duurde tot na middernacht.

tot na middernacht = bijw.bep

11 De gelukkige ouders hebben hun dochtertje afgelopen zondag laten dopen.

hebben laten dopen = ww.gez

12 Mijn broer gaat na deze zomer in Groningen medicijnen studeren.

medicijnen = lv

13 Na het ongeluk stond hij te trillen van de schrik.

hij = ond

14 Is die beslissing van jou nou wel zo goed?

is goed = nw.gez

15 De bergen in Oostenrijk hebben veel te verduren van de skiërs.

de bergen in Oostenrijk = ond

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓

l i j de nd v o o rwe r p zin 15: de bergen in Oostenrijk = on d e rwe r p zin 2: mij = me e w e r k e n d v o o r w e r p zin 7: nieuwe = b i j voeg l i j kebepa l i ng zin 14: is goed = n a a mw o o r d e l i j k g e z e g d e zin 10: tot na middernacht = b i j wo o r d e l i j k e b e p a l i n g zin 5: veel bezoekers =

!

55


Puzzelverzamel­ mix 4 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

Aan de ingenieur werd advies gevraagd.

advies = ond

2

De nieuwe raket steeg de ruimte in.

de ruimte = bijw.bep

3 Mij werd een belangrijk document overhandigd.

werd = pv

4

Jij wint steeds van mij met dit computerspel.

steeds = bijw.bep

5

Die nieuwe outfit die je gisteren hebt gekocht, staat je echt erg goed.

die nieuwe outfit die je gisteren hebt gekocht = ond

6

Voor zijn verjaardag kreeg mijn broer genoeg geld om een brommer te kopen.

kreeg = pv, ww.gez

7

Aan het oude bureau van mijn opa kan ik goed mijn huiswerk maken.

kan maken = ww.gez

8

In Mexico heeft een orkaan het hotel verwoest.

het hotel = lv

9

Het nieuwe model van Audi wordt veelvuldig verkocht.

van Audi = bijv.bep

56


10 Dit jaar gaan we niet op schoolreis.

we = ond

11 De aanbieding van de sportschoenen was geweldig!

was geweldig = nw.gez

12 Wil jij mijn peetoom schrijven dat ik op zijn verjaardag kom?

mijn peetoom = mw

13 Ga je nog mee een straatje om?

ga mee = pv, ww.gez

14 Dat lijkt me een goed idee.

dat = ond

15 Wil je rekening houden met de zomertijd?

met de zomertijd = vv

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 12: mijn peetom = zin 11: was geweldig = zin 7: kan = zin 8: het hotel =

m n a amw o o p e r s o o l i !

57

e r n j

e d s d

w e v e

e l o n

r i r d

k e n d v o o r w e r p j k g e z e g d e m v o o r w e r p


Puzzelverzamel­ mix 5 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

De meester uit groep 7 blijkt vroeger minister te zijn geweest.

blijkt minister te zijn geweest = nw.gez

2

De postbode heeft een pakketje voor mij.

heeft = pv, ww.gez

3

Mijn moeder is erg gehecht aan deze foto.

aan deze foto = vv

4

De machinist van deze trein heeft pas een ongeluk meegemaakt.

de machinist van deze trein = ond

5

De secretaresse geeft de brieven die klaar zijn aan de directeur.

de brieven die klaar zijn = lv

6

Zaterdag heb ik een wedstrijd in Monster.

in Monster = bijw.bep

7

De slimste van de klas vroeg aan de juf om extra rekenuitleg.

aan de juf = mv

8

Is jouw vader zijn hele leven al vrachtwagenchauffeur?

is vrachtwagenchauffeur = nw.gez

9

Tijdens onze vakantie geeft de buurman het konijn eten.

het konijn = mv

58


10 Het meisje werd tijdens de wedstrijd van haar paard gegooid.

tijdens de wedstrijd = bijw.bep

11 Eind augustus zie je de kruisspin overal zijn web maken.

zijn web = lv

12 De onbekende architect mag de nieuwe wijk ontwerpen.

mag ontwerpen = ww.gez

13 Steeds meer mensen zoeken voor recreatie de natuur op.

steeds meer mensen = ond

14 Op de baan kwam de hardloper vijf hindernissen tegen.

vijf hindernissen = lv

15 Sam uit de kleuterklas heeft alweer zijn bril gebroken.

Sam uit de kleuterklas = ond

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓

pe r soons vo rm zin 3: aan deze foto = v oo r z e tse l voo rwe r p zin 2: heeft = we r kwoo r de l i j k g e z e gde zin 9: het konijn = me ewe r k e n d v o o r we r p zin 8: is vrachtwagenchauffeur = n a a mw o o r d e l i j k g e z e g d e zin 5: de brieven die klaar zijn = l i j de ndvoo rwe r p zin 15: Sam uit de kleuterklas = o nd e r we r p zin 7: aan de juf = me ewe r k e n d v o o r we r p zin 8: is =

! 59


Puzzelverzamel­ mix 6 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte zinsdelen en vul die in op de stippellijn. 1

Op vrijdag eten we graag friet met mayonaise bij de snackkar.

friet met mayonaise = lv

2

De verpleegster brengt de zieke dame elke dag een bezoekje.

de zieke dame = mv

3

De buurjongen en Pieter maakten wel drie grappen over de manke eend.

drie grappen = lv

4

We vertrouwen op de buschauffeur.

op de buschauffer = vv

5

Tijdens de stadstour brachten we een bezoek aan het museum.

aan het museum = bijw.bep

6

Het reisbureau heeft ons net op tijd de tickets gestuurd.

heeft = pv

7

Geef jij de katten eten voor je naar je werk gaat?

de katten = mv

8

Drie kleine kinderen hingen aan de rekstok.

aan de rekstok = bijw.bep

9

Het bruidspaar wensen wij veel geluk toe!

wij = ond

60


10 Deze hele week is mijn broer al ziek.

is ziek = nw.gez

11 De apen slingeren in de hoge boom.

hoge = bijv.bep

12 Er werd een groot pak gegeven aan de jarige oma.

werd gegeven = ww.gez

13 Zou je mee willen komen naar mijn kantoor?

je = ond

14 Als dank gaf de moeder de dokter een bloemetje en een zoen.

de dokter = mv

15 Het meest houd ik van spaghetti met witte saus.

van spaghetti met witte saus = vv

Puzzel Benoem de zinsdelen. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 4: op de buschauffeur = zin 10: is ziek = zin 9: wij = zin 12: werd = zin 2: de zieke dame = zin 8: aan de rekstok =

v o o r z e t n a amw o o o n d e r we r p p me e w e r k e b i j wo o r !

61

s e l v o o r w e r p r d e l i j k g e z e g d e e r s o o n s v o rm n d v o o r w e r p d e l i j k e b e p a l i n g


Theorie zinsdelen Als mensen met elkaar praten, maken ze gebruik van zinnen. Nu kun je wel een aantal woorden achter elkaar zetten, maar daarmee heb je nog geen zin. Kijk maar naar deze zin: Mijn het ga broer met zwembad ik naar. Zo klopt de zin niet. Het zou een goede zin zijn als je ervan zou maken: Ik ga met mijn broer naar het zwembad. Of: Ik ga naar het zwembad met mijn broer. De volgorde van de delen van een zin kun je dus veranderen, zonder dat de betekenis verandert. Hoe herken je een zinsdeel? Iedere zin bestaat uit een aantal stukken/delen. Zo’n stuk noemen we een zinsdeel. Een deel van de zin. Zinsdelen kun je vinden door de zin in een andere volgorde te zetten. De woorden of groepjes woorden die dan bij elkaar blijven staan, noem je een zinsdeel. Een zinsdeel kan dus uit een of uit meerdere woorden bestaan. Kijk maar naar deze zinnen: De man | koopt | een cadeautje | voor de jarige. Koopt | de man | voor de jarige | een cadeautje? Voor de jarige | koopt | de man | een cadeautje. Ik | ga | morgen | op vakantie | met Pim | naar Frankrijk. Morgen | ga | ik | naar Frankrijk | op vakantie | met Pim. Met Pim | ga | ik | morgen | op vakantie | naar Frankrijk. De eerste zin bestaat dus uit vier zinsdelen. De tweede zin bestaat uit zes zinsdelen. Ieder zinsdeel krijgt een naam. Bijvoorbeeld ‘persoonsvorm’ of ‘onderwerp’. Hierna vind je er uitleg over en voorin het boek vind je de bijbehorende oefeningen

62


Theorie persoonsvorm Een zin is pas een zin als er een persoonsvorm (pv) in staat. Een persoonsvorm geeft de handeling weer. De persoonsvorm laat zien in welke vorm het werkwoord staat.

Het kan in het enkelvoud of in het meervoud staan. Ook kun je aan de persoonsvorm zien in welke tijd de zin staat, in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd. De persoonsvorm herken je eigenlijk altijd als het eerste werkwoord in de zin. Hoe herken je de persoonsvorm? • Als je de zin vragend maakt, komt de persoonsvorm vooraan te staan. Voorbeeld: Ik ga naar huis.  →  Ga ik naar huis?  →  ga = pv • Als je de zin verandert van tijd, verandert de persoonsvorm. Voorbeeld: Ik ga naar huis.  → Ik ging naar huis.  →  ga = pv • Als je de zin in het enkelvoud of meervoud zet, moet de persoonsvorm mee veranderen. Voorbeeld: Ik ga naar huis.  → Wij gaan naar huis.  →  ga = pv

63


Theorie werkwoordelijk gezegde Het werkwoordelijk gezegde (ww.gez) vind je door alle werkwoorden uit de zin te halen. Al deze werkwoorden samen noemen we het werkwoordelijk gezegde. Wanneer er maar één werkwoord in de zin staat, is dat én persoonsvorm én werkwoordelijk gezegde. Hoe herken je een werkwoordelijk gezegde? Om een werkwoord goed te herkennen, is het belangrijk om te weten wat een werkwoord is. Er zijn drie soorten werkwoorden (ww): • Zelfstandige werkwoorden (zww). De zelfstandige werkwoorden kunnen zelfstandig bestaan. Deze werkwoorden geven een handeling aan. Voorbeelden: fietsen, lopen, timmeren. • Hulpwerkwoorden (hww). De hulpwerkwoorden hebben met alleen het onderwerp te weinig betekenis. Voorbeelden: ik ben, ik heb, ik wil, etc. • Koppelwerkwoorden (kww). Koppelwerkwoorden zijn een onderdeel van het naamwoordelijk gezegde. Er zijn negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

Voorbeelden van een werkwoordelijk gezegde zijn: • Ik ga mijn fiets schilderen.

ga = hww schilderen = zww

• Mijn moeder heeft een mooi cadeau gekregen.

heeft = hww gekregen = zww

• Zij heeft haar fiets moeten laten staan.

heeft = hww moeten = hww laten = hww staan = zww

64


Theorie onderwerp Aan het onderwerp (ond) in de zin, zie je waar de zin over gaat.

Hoe herken je het onderwerp? • Zoek eerst het gezegde. Stel de vraag: Wie of wat + gezegde? Voorbeeld: De bakker bakt een appeltaart. → Wie of wat bakt? → De bakker = ond •

Zoek eerst de persoonsvorm. Wanneer je de persoonsvorm in het enkelvoud/meervoud zet, moet je het onderwerp ook in het enkelvoud/ meervoud zetten. Voorbeeld: De man loopt op straat. → De mannen lopen op straat. → De man = ond

•

Het onderwerp kan uit meer dan één woord bestaan. Voorbeeld: De slager op de hoek is gesloten. → De slager op de hoek = ond

Theorie lijdend voorwerp Het lijdend voorwerp (lv) in de zin ondergaat de handeling. Met het lijdend voorwerp gebeurt iets. Hoe herken je het lijdend voorwerp? • Wie of wat + gezegde + onderwerp? Voorbeeld: Vader schopt de bal ver weg. →  Wat schopt vader? →  de bal = lv

•

Wie of wat wordt + het voltooid deelwoord van de persoonsvorm. Voorbeeld: Moeder bakt een heerlijke slagroomtaart. → Wat wordt gebakken? → een heerlijke slagroomtaart = lv

65


Theorie meewerkend voorwerp Het meewerkend voorwerp (mv) is bijna altijd een persoon die meewerkt om de handeling te verrichten. Een meewerkend voorwerp vind je in zinnen waarbij werkwoorden gebruikt worden zoals: sturen aan, geven aan, schenken aan, overhandigen aan, kopen voor, enz. Hoe herken je het meewerkend voorwerp? Het meewerkend voorwerp herken je aan de woorden ‘aan’ en ‘voor’. De woorden ‘aan’ en ‘voor’ moet je toe kunnen voegen of weg kunnen laten. De volgorde van de zin mag je hierbij veranderen. De zin die overblijft moet een goede zin blijven en de betekenis mag niet veranderen.

Voorbeelden: • Ik geef het boek aan Jan. → Ik geef Jan het boek.  →  ‘aan’ kun je hier weglaten. →  aan Jan = mv •

De appels hangen aan de boom.  →  De appels hangen de boom. →  ‘aan’ kun je hier niet weglaten, dus geen mv. →  aan de boom = bijwoordelijke bepaling van plaats.

66


Theorie naamwoordelijk gezegde Bij het naamwoordelijk gezegde (nw.gez) wordt een werkwoord gekoppeld aan een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Voor een naamwoordelijk gezegde is altijd een koppelwerkwoord nodig. Een naamwoordelijke gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel (kww) en een naamwoordelijk deel. Dit naamwoordelijk deel is het zelfstandig naamwoord of het bijvoeglijk naamwoord.

Hoe herken je naamwoordelijk gezegde? • Zoek het koppelwerkwoord (kww). Er zijn negen koppelwerkwoorden. Dit zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen (de laatste drie worden tegenwoordig weinig gebruikt). • Er moet een relatie zijn tussen het onderwerp en het naamwoordelijk deel. Met andere woorden, het naamwoordelijk deel zegt iets over het onderwerp. • Er staat nooit een lijdend voorwerp in een zin met een naamwoordelijk gezegde. Voorbeelden: • Mijn vader is brandweerman.

is = kww brandweerman = zelfstandig naamwoord

• De winkelier bleef de hele tijd vriendelijk.

bleef = kww vriendelijk = bijvoeglijk naamwoord

• Het nieuwe boek lijkt me interessant.

lijkt = kww interessant = bijvoeglijk naamwoord

Let op! Sommige van deze koppelwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig of als hulpwerkwoord voorkomen. De dikgedrukte woorden in onderstaande zinnen zijn in dit geval géén koppelwerkwoorden. Voorbeelden: • De zon schijnt in mijn ogen. → ‘schijnt’ heeft hier de betekenis van ‘licht geven’. • Ik ben op het strand. → ‘ben’ heeft hier de betekenis van ‘je ergens bevinden’. • Sjors blijft in de boot. → ‘blijft’ heeft hier de betekenis van ‘verblijven’. • Zijn bekentenis blijkt te kloppen. → ‘blijkt’ heeft hier de betekenis van ‘duidelijk worden’.

67


Theorie voorzetselvoorwerp Een voorzetselvoorwerp (vv) is een zinsdeel waarbij het werkwoord gekoppeld is aan een vast voorzetsel. Hoe herken je het voorzetselvoorwerp? • Het voorzetselvoorwerp herken je aan een zin met een werkwoord met een vast voorzetsel. •

Het voorzetselvoorwerp begint met het vaste voorzetsel.

Voorbeelden: houden van, rekening houden met, denken aan, vertrouwen op, voldoen aan… • •

Ik houd van bloemen. → van bloemen = vv Ze denkt aan haar vakantie. → aan haar vakantie = vv

68


Theorie bijwoordelijke bepaling De bijwoordelijke bepaling (bijw.bep) zegt iets extra’s over de voorwerpen die we hiervoor hebben besproken. Het zijn woorden die erbij horen om de zin compleet te maken. De bijwoordelijke bepaling bevat extra informatie. Let op: Hoewel je in een zin maar één onderwerp, één persoonsvorm, één lijdend voorwerp en één meewerkend voorwerp kunt vinden, kunnen er meerdere bijwoordelijke bepalingen voorkomen. De kunst is om ze er allemaal uit te halen.

Hoe herken je de bijwoordelijke bepaling? Er zijn verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen. We geven hieronder verschillende voorbeelden: • Bijwoordelijke bepaling van tijd. De vraag om deze bijwoordelijke bepaling te vinden is: ‘Wanneer?' Voorbeelden: gisteren, om half drie, vorige week, eerst. •

Bijwoordelijke bepaling van plaats. De vraag om deze bijwoordelijke bepaling te vinden is: ‘Waar?' Voorbeelden: op het strand, op zolder, in de tuin, in Cuba.

• Bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid. De vraag om deze bijwoordelijke bepaling te vinden is: ‘Hoe/op wat voor manier?' Voorbeelden: met de tram, hongerig, vol bewondering. •

Bijwoordelijke bepaling van graad. Voorbeelden: heel, erg, zeer.

•

Woorden die iets zeggen over het gezegde of over een bijvoeglijke bepaling. Voorbeelden: – Hij loopt hard. Hard zegt iets over het lopen. → hard = bijw.bep – De Rijn is een sterk vervuilde rivier. Sterk zegt iets over vervuilde → sterk = bijw.bep

•

Korte woordjes. Ze worden ook wel de restwoorden genoemd. Voorbeelden: wel, niet, dan, ook, ooit, nooit.

69


Theorie bijvoeglijke bepaling Een bijvoeglijke bepaling (bijv.bep) is altijd een onderdeel van een ander zinsdeel. Het zegt iets over een zelfstandig naamwoord, het voegt er iets aan toe. Let op: Bij de bijvoeglijke bepaling geldt hetzelfde als bij de bijwoordelijke bepaling. Er kunnen meerdere bijvoeglijke bepalingen in een zin voorkomen! Hoe herken je een bijvoeglijke bepaling? Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord. De bijvoeglijke bepaling kan ervóór en eráchter staan.

Voorbeelden: • Zij is verliefd op die flitsende zonnebril. → flitsende = bijv.bep bij zonnebril. • De nieuwe lens van mijn zus is gevallen. → nieuwe = bijv.bep bij lens. → van mijn zus = bijv.bep bij lens.

70


Eigen aantekeningen

71


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Puzzelen_met_zinsdelen_Gr7-8_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu