Skip to main content

Puzzelen_met_woordsoorten_Gr7-8-WB_antw

Page 1

Puzzelen met woordsoorten


Colofon Auteurs Ofkje Teekens en Eva den Boogert Illustraties Kre-add/Marcel Westervoorde, Alphen a/d Rijn Ontwerp omslag Eduardo Media Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 84087 2 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2006 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatieen Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Introductie aan de leerling

3

Oefening   1 Oefening   2 Oefening   3 Oefening   4 Oefening   5 Oefening   6 Oefening   7 Oefening   8 Oefening   9 Oefening 10 Oefening 11 Oefening 12 Oefening 13 Oefening 14

4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30

werkwoorden zelfstandige naamwoorden en lidwoorden bijvoeglijke naamwoorden bijwoorden voorzetsels telwoorden voegwoorden persoonlijke voornaamwoorden bezittelijke voornaamwoorden wederkerende voornaamwoorden en wederkerige voornaamwoorden vragende voornaamwoorden aanwijzende voornaamwoorden onbepaalde voornaamwoorden betrekkelijke voornaamwoorden

Puzzelmix 1 bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden Puzzelmix 2 persoonlijke voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden

32 34

Puzzelverzamelmix 1 Puzzelverzamelmix 2 Puzzelverzamelmix 3 Puzzelverzamelmix 4 Puzzelverzamelmix 5 Puzzelverzamelmix 6 Puzzelverzamelmix 7

36 38 40 42 44 46 48

Theorie woordsoorten Theorie werkwoorden Theorie zelfstandige naamwoorden Theorie lidwoorden Theorie bijvoeglijke naamwoorden Theorie bijwoorden Theorie voorzetsels Theorie telwoorden Theorie voegwoorden Theorie voornaamwoorden Theorie persoonlijke voornaamwoorden Theorie bezittelijke voornaamwoorden Theorie wederkerende voornaamwoorden Theorie wederkerige voornaamwoorden Theorie vragende voornaamwoorden Theorie aanwijzende voornaamwoorden Theorie onbepaalde voornaamwoorden Theorie betrekkelijke voornaamwoorden

50 51 52 52 53 54 55 56 56 57 57 58 59 60 60 61 61 62


Inhoud


Introductie aan de leerling Voor jullie ligt een boekje waarin uitgelegd wordt hoe het zit met ontleden. Veel leerlingen zien ontleden als een grote berg puzzelstukjes. Ze zien vaak door de bomen het bos niet meer. Als je dit boekje doorwerkt, zul je zien dat al deze puzzelstukjes uiteindelijk op hun plaats vallen. We kunnen het ontleden in twee soorten verdelen: • het redekundig ontleden (zinsdelen), • het taalkundig ontleden (woordsoorten). In dit boek wordt het taalkundig ontleden behandeld. Bij elke woordsoort vind je een oefening met zinnen om te oefenen. Na deze oefeningen vind je twee puzzelmixen. Hier moet je twee woordsoorten benoemen. Aan het eind van de puzzelmixen vind je zeven puzzelverzamelmixen. Dit zijn verzameloefeningen waar je alle woordsoorten in terugvindt. Achter de puzzelverzamelmixen vind je de uitleg per onderdeel. Dit is dus achter in het boek. Als je alle oefeningen gemaakt hebt, is het de bedoeling dat je de stof beheerst. Door het antwoordenboekje te gebruiken, is het mogelijk hier zelfstandig mee aan de slag te gaan. De puzzelverzamelmixen zijn bedoeld om te controleren of je alles hebt begrepen. Veel succes, puzzelen maar! Ofkje Teekens en Eva den Boogert

5


Oefening 1

werkwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 51) Werkwoorden geven een handeling aan. 1 Ze kunnen in de tegenwoordige tijd staan. 2 Ze kunnen in de verleden tijd staan. 3 Ze kunnen in de voltooide tijd staan. Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klank. Voorbeelden: 1 De kat klimt in de boom. 2 De kat klom in de boom. 3 De kat is in de boom geklommen.

Benoem de werkwoorden (ww) en vul die in op de stippellijn. 1

De kokmeeuwen krijsen boven de zee.

ww = krijsen

2

Het roodborstje is op het bankje neergestreken.

ww = is neergestreken

3

Zij heeft genoten van haar ijsje.

ww = heeft genoten

4

Ik zou nog even kunnen gaan sporten.

ww = zou kunnen gaan sporten

5

De ouders van Pim hebben de hele trouwerij gefilmd.

ww = hebben gefilmd 6


6 De brandweermannen spoedden zich naar het brandende huis.

ww = spoedden

7 De leerlingen mochten van de leerkracht al wat eerder naar huis gaan.

ww = mochten gaan

8 De bakker moet al vroeg in de morgen de broden bakken.

ww = moet bakken

9 De zwemleraar gaf de zwemlessen in het buitenbad.

ww = gaf

10 Kom jij vanavond ook naar de hockeytraining?

ww = kom

11 Ik heb de sleutels van mijn fiets in de kleine pauze verloren.

ww = heb verloren

12 De volgende week ga ik kanoën in de Ardennen.

ww = ga kanoën

13 Ik heb de plantjes in de moestuin geplaatst.

ww = heb geplaatst

14 De volgende dag zijn we met de tram naar de stad gegaan.

ww = zijn gegaan

15 Het metaal van mijn fiets is al aardig verroest.

ww = is verwoest

7


Oefening 2

zelfstandige naamwoorden en lidwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 52) 1 Een zelfstandig naamwoord is vaak een mens, dier, plant of ding. Je kunt er bijna altijd een lidwoord voor zetten. 2 Lidwoorden: de, het, een. Voorbeelden: 1 broer, olifant, fiets, oorlog 2 De man heeft een gebroken arm.

Benoem de zelfstandige naamwoorden (zelfst.nw) en de lidwoorden (lw) en vul die in op de stippellijn. 1

De gemaakte televisie stond weer op zijn plaats.

plaats zelfst.nw = = televisie,

lw = de

2

De werkster had mijn werkstuk per ongeluk weggegooid.

werkstuk, ongeluk zelfst.nw = werkster,

lw = de

3

Het meisje was misselijk toen ze voor de eerste keer naar school moest.

keer, school zelfst.nw = meisje,

lw = het, de

4

Zij ging met een vriendin naar de stad om een nieuwe broek te kopen.

stad, broek zelfst.nw = vriendin,

lw = een, de, een

5

Waarom heb je je vriendin geen cadeautje gegeven?

cadeautje zelfst.nw = vriendin,

lw = –

6

De ruzie liep bijna uit de hand.

hand zelfst.nw = ruzie,

lw = de, de 8


7 De benzine van mijn auto is bijna op.

auto zelfst.nw = benzine,

lw = de

8 In de dierentuin was net een olifantje geboren.

olifantje zelfst.nw = dierentuin,

lw = de, een

9 Omdat ze een lekke band had, ging ze maar lopen.

zelfst.nw = band

lw = een

10 Ga je vrijdag met me mee naar de bioscoop?

bioscoop zelfst.nw = vrijdag,

lw = de

11 Mijn moeder leest graag boeken over de liefde.

boeken, liefde zelfst.nw = moeder,

lw = de

12 Het goud in de ring verkleurde na enkele jaren.

ring, jaren zelfst.nw = goud,

lw = het, de

13 Boeken over de liefde vinden zowel kinderen als volwassenen leuk.

liefde, kinderen, volwassenen zelfst.nw = boeken,

lw = de

14 De parachutist maakte uit het vliegtuig een ingewikkelde sprong.

vliegtuig, sprong zelfst.nw = parachutist,

lw = de, het, een

15 In de Grand Canyon in Amerika is een klimmer in een gletsjerspleet terechtgekomen.

Canyon, Amerika, klimmer, gletsjerspleet zelfst.nw = Grand

lw = de, een, een

9


Oefening 3

bijvoeglijke naamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 53) Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Let op! Er kunnen meerdere bijvoeglijke naamwoorden in een zin staan. Voorbeeld: De leuke jongen droeg een blauwe trui.

Benoem de bijvoeglijke naamwoorden (bijv.nw) en vul die in op de stippellijn. 1

De stoere kleuter klom op het hoge rode klimrek.

bijv.nw = stoere, hoge, rode

2

De nette heer vergeet steeds zijn inklapbare paraplu.

bijv.nw = nette, inklapbare

3

De bladderende plafonds in het oude verpleeghuis zijn lelijk.

bijv.nw = bladderende, oude, lelijk

4

Onderweg naar de late bioscoopfilm kwamen we drie dronken mensen tegen.

bijv.nw = late, dronken

5

De gevonden voorwerpen van vorig jaar worden weggegooid.

bijv.nw = gevonden, vorig

6

Er zijn ontelbare flonkerende sterren aan de hemel.

bijv.nw = ontelbare, flonkerende 10


7 De vroegere kennis wordt in de scheepsbouw nog steeds gebruikt.

bijv.nw = vroegere

8 Een geslaagde vriendin kreeg veel vrolijke kaartjes.

bijv.nw = geslaagde, vrolijke

9 De heerlijke taart was voor de eerste keer heel goed gelukt.

bijv.nw = heerlijke

10 Het feest voor je verjaardag was echt spetterend!

bijv.nw = spetterend

11 Door de hete lucht buiten hadden we onlesbare dorst.

bijv.nw = hete, onlesbare

12 Mijn opa heeft voor zijn verjaardag een gave ballonvaart gekregen.

bijv.nw = gave

13 In de donkere ruimte ontwikkelde ik mijn mooie foto’s.

bijv.nw = donkere, mooie

14 In de hoge bergen van Oostenrijk maakten wij de meest beeldschone wandelingen.

bijv.nw = hoge, beeldschone

15 Op het kleine kampeerterreintje stonden families, die allemaal gezellig waren.

bijv.nw = kleine, gezellig

11


Oefening 4

bijwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 54) Een bijwoord is een woord dat iets zegt over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Of het geeft antwoord op de vragen ‘waar?’ en ‘wanneer?’. Voorbeelden: 1 Zij heeft hard gerend. Een heel felle schoen. Dat lukt erg goed. 2 Hier, ergens, vandaag, vaak.

Benoem de bijwoorden (bw) en vul die in op de stippellijn. 1

De meester was heel erg boos op de kinderen.

bw = heel, erg

2

De computerfreak is zeer handig met zijn ingewikkelde apparatuur.

bw = zeer

3

De kleermaker heeft onwijs zijn best gedaan op de jurk voor de prinses.

bw = onwijs

4

Waarschijnlijk drinkt hij daar iets anders dan limonade.

bw = waarschijnlijk, daar

5

In de bijzonder rustige vallei werd zacht gezongen.

bw = bijzonder, zacht

6

Het is vandaag ontzettend mooi weer!

bw = vandaag, ontzettend

12


7 Gisteren heb ik een jongen ontmoet, die te netjes was.

bw = gisteren, te

8 Het huis is weer goed gebeitst van buiten.

bw = weer, goed

9 Wie bekommert zich hier om het hele kleine kalfje?

bw = hier, hele

10 Misschien is dat inderdaad een goed idee voor morgen!

bw = misschien, inderdaad, morgen

11 In de oorlog wordt overal dapper gevochten.

bw = overal, dapper

12 De felle rode vlieger blijft steeds in de boom hangen.

bw = steeds

13 De oogverblindend witte lucht deed zeer aan je ogen.

bw = oogverblindend, zeer

14 Ik heb ergens gelezen dat te veel geld nooit leuk is.

bw = ergens, te, nooit

15 Op de atletiekbaan werd gisteren nog sneller gelopen.

bw = gisteren, nog, sneller

Maak voordat je verder gaat met Oefening 5 eerst Puzzelmix 1 op pagina 32.

13


Oefening 5

voorzetsels

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 55) Een voorzetsel duidt een plaats of een tijd aan en kun je voor de volgende woorden zetten: 1 … de kooi (in, op, door, van) 2 … de oorlog (gedurende, tijdens) 3 … Amerika (bij, boven) 4 … hem (naast, achter) Voorbeelden: 1 De sprei ligt op het logeerbed. 2 Hij is tijdens de rekenles in slaap gevallen. 3 Den Haag ligt boven Rotterdam. 4 Hij staat naast mij.

Benoem de voorzetsels (vz) en vul die in op de stippellijn. 1

Ik loop onder de paraplu.

vz = onder

2

In het kasteel zit de koning op zijn troon.

vz = in, op

3

De koeien in de wei liepen achter het schuurtje.

vz = in, achter

4

Waarom ga je door de achteruitgang naar buiten?

vz = door, naar

5

De stratenmakers legden de weg om de speeltuin heen.

vz = om

14


6 In het boek wordt gesproken over politieke zaken.

vz = in, over

7 De vis in de kom stond op een ronde tafel bij het raam.

vz = in, op, bij

8 De baas schaamt zich voor zijn medewerkers.

vz = voor

9 De leukste programma’s op televisie bekijk ik allemaal.

vz = op

10 Mijn mobieltje was tussen de kasten gevallen.

vz = tussen

11 Tijdens het toernooi zat ik aan de kant.

vz = tijdens, aan

12 De omgevallen boom was op het huis gevallen.

vz = op

13 Door de wind ben ik mijn pet verloren.

vz = door

14 Hij heeft de meterstand opgenomen van de elektriciteit.

vz = van

15 Je mag niet tegen de boom plassen.

vz = tegen

15


Oefening 6

telwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 56) Telwoorden vertellen iets over een aantal óf over de plek in een rij. Voorbeelden: Honderd, weinig, vierde, zoveelste.

Benoem de telwoorden (tw) en vul die in op de stippellijn. Geef steeds aan of het gaat om een onbepaald hoofdtelwoord (onbep.htw), een bepaald hoofdtelwoord (bep.htw), een onbepaald rangtelwoord (onbep.rtw) of een bepaald rangtelwoord (bep.rtw). 1

Ik heb drie dvd’s gehuurd voor het weekend.

tw = drie (bep.htw)

2

De eerste keer dat ik je zag, was ik al verliefd op je.

tw = eerste (bep.rtw)

3

Bij de supermarkt was ik als vijfde pas aan de beurt.

tw = vijfde (bep.rtw)

4

In de pruimenboom in onze tuin zitten heel veel pruimen!

tw = veel (onbep.htw)

5

Voor de hoeveelste keer doe jij mee aan de Nijmeegse Vierdaagse?

tw = hoeveelste (onbep.rtw)

6

Duizend maal excuses voor de vergeten afspraak!

tw = duizend (bep.htw) 16


7 Toen we de laatste keer bij je waren, was je ziek.

tw = laatste (onbep.rtw)

8 Alle eendjes zwemmen in het water.

tw = alle (onbep.htw)

9 Ik hoef die twee happen eten echt niet meer.

tw = twee (bep.htw)

10 In onze groep zaten zesentwintig kinderen.

tw = zesentwintig (bep.htw)

11 Beide keren was ik als enige te laat.

tw = beide (onbep.htw), enige (onbep.htw)

12 Enkele weken voor de vakantie was hij afgehaakt.

tw = enkele (onbep.htw)

13 Zij was maar weinig kilo’s afgevallen, ondanks haar vele inspanningen.

tw = weinig (onbep.htw), vele (onbep.htw)

14 Op de Dam in Amsterdam waren wel duizend mensen bijeengekomen.

tw = duizend (bep.htw)

15 Hij is de honderdste bezoeker van het nieuwe museum.

tw = honderdste (bep.rtw)

17


Oefening 7

voegwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 56) Een voegwoord voegt twee zinnen, twee zinsdelen of twee woorden aan elkaar. Voorbeelden: Maar, want, dankzij, als, en, omdat.

Benoem in elke zin de voegwoorden (vw) en vul die in op de stippellijn. 1

Ik ga niet mee, want ik heb hoofdpijn.

vw = want

2

Ik doe mijn regenpak aan voordat het gaat regenen.

vw = voordat

3

Ik moest stoppen met de wedstrijd, omdat mijn sleutelbeen gebroken was.

vw = omdat

4

Wanneer kan ik je weer verwachten?

vw = wanneer

5

Ik ga mee, tenzij ik me niet lekker voel.

vw = tenzij

6

Toen hij kampioen werd, ontving hij een medaille.

vw = toen 18


7 Ik ben boos omdat je steeds mij de schuld geeft.

vw = omdat

8 Ga je mee stappen als Laurie ook meegaat?

vw = als

9 Ik doe de was terwijl hij kookt.

vw = terwijl

10 Zodra jij je rijbewijs hebt, mag je mijn auto lenen.

vw = zodra

11 Merel en Jeroen zijn niet verliefd, maar gewoon vrienden.

vw = maar

12 Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

vw = zoals

13 Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

vw = dan

14 De schilder begon zijn werk, nadat de timmerman klaar was.

vw = nadat

15 Ik heb boodschappen gedaan, zodat we vanavond lekker kunnen koken.

vw = zodat

19


Oefening 8

persoonlijke voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 57) De naam van een persoon/ding wordt vervangen door een persoonlijk voornaamwoord. Voorbeelden: Hij, het, wij, ons, hen.

Benoem de persoonlijke voornaamwoorden (pers.vnw) en vul die in op de stippellijn. 1

Geef me de chocoladepasta eens aan!

pers.vnw = me

2

Ik wil met jou en hem naar de bioscoop.

pers.vnw = ik, jou, hem

3

We gaan naar de dierentuin in Rotterdam.

pers.vnw = we

4

Zij moet om half drie naar balletles.

pers.vnw = zij

5

Hij moet om vier uur naar zijn training.

pers.vnw = hij

6

Het lukte niet zo goed als we hoopten.

pers.vnw = het, we

20


7 Met jou wil ik niks meer te maken hebben!

pers.vnw = jou, ik

8 Jullie maken er wel weer een potje van!

pers.vnw = jullie

9 Zij hebben de afspraak met ons niet afgezegd.

pers.vnw = zij, ons

10 Toen ik hen over onze vakantie vertelde, luisterden ze aandachtig.

pers.vnw = ik, hen, ze

11 Zij heeft voor de tweede keer de gouden medaille gewonnen.

pers.vnw = zij

12 Ik geef hem voor zijn verjaardag een bioscoopbon.

pers.vnw = ik, hem

13 Waarom duw jij mij van de schommel af?

pers.vnw = jij, mij

14 Hij gaf de collectant van de Nierstichting vijf euro.

pers.vnw = hij

15 In Bangladesh hebben ze niet voldoende schoon drinkwater.

pers.vnw = ze

21


Oefening 9

bezittelijke voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 58) Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie het bezit is. Voorbeeld: Dit is mijn mobieltje.

Benoem de bezittelijke voornaamwoorden (bez.vnw) en vul die in op de stippellijn. 1

Waar heb je mijn rugzak gelaten?

bez.vnw = mijn

2

Ze is weer haar bagage kwijt.

bez.vnw = haar

3

Jouw interpretatie van dit verhaal klopt helemaal niet!

bez.vnw = jouw

4

Jullie moeten je rapport even bij oma laten zien.

bez.vnw = je

5

Mijn koffers zijn in Parijs blijven staan!

bez.vnw = mijn

6

Wilt u even uw paspoort laten zien?

bez.vnw = uw

22


7 Voor deze rekensom heb ik mijn liniaal en mijn potlood nodig.

bez.vnw = mijn, mijn

8 Zij moet nodig haar haar laten knippen bij de kapper.

bez.vnw = haar

9 Het vruchtensap bij mijn tante was bedorven.

bez.vnw = mijn

10 Waar zijn jullie schoolboeken gebleven?

bez.vnw = jullie

11 Ik heb mijn toets uitstekend gemaakt!

bez.vnw = mijn

12 Onze kennissen kwamen we op jouw verjaardag tegen.

bez.vnw = onze, jouw

13 Kunt u mij uw paraplu lenen?

bez.vnw = uw

14 Ik ben per ongeluk op jouw parkietje gaan staan.

bez.vnw = jouw

15 Wij zijn gisteren ons nieuwe parkietje gaan kopen.

bez.vnw = ons

Maak voordat je verder gaat met Oefening 10 eerst Puzzelmix 2 op pagina 34.

23


Oefening 10 wederkerende voornaamwoorden en wederkerige voornaamwoorden Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 59 en 60) 1 Wederkerende voornaamwoorden komen voor in zinnen met wederkerende werkwoorden. Dit zijn werkwoorden met ‘zich’. 2 Wederkerige voornaamwoorden zijn verbasteringen van ‘elkaar’. Voorbeelden: 1 Hij wast zich. Wij wassen ons. 2 Elkaar, mekaar, elkander.

Benoem de wederkerende voornaamwoorden (wedkd.vnw) en de wederkerige voornaamwoorden (wedkg.vnw) en vul die in op de stippellijn. 1

‘Wees goed voor elkander’, zei de dominee.

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = elkander

2

Mijn broer wil zich altijd wassen als ik al bezig ben.

wedkd.vnw = zich

wedkg.vnw = -

3

Mijn vader stond zich voor de spiegel te scheren.

wedkd.vnw = zich

wedkg.vnw = -

4

Wij hebben ons kostelijk geamuseerd.

wedkd.vnw = ons

wedkg.vnw = -

5

Zij hadden elkaar al jaren niet gezien.

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = elkaar

6

De kinderen gaven elkaar cadeautjes met Sinterklaas.

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = elkaar

24


7 De broer en zus hebben mekaar jaren niet aardig gevonden.

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = mekaar

8 Wij hebben ons verbaasd over de nieuwe lesstof.

wedkd.vnw = ons

wedkg.vnw = -

9 Jij moet je schamen voor je gedrag!

wedkd.vnw = je

wedkg.vnw = -

10 Hij hoeft zich niet te generen voor zijn kleding.

wedkd.vnw = zich

wedkg.vnw = -

11 Waarom heb jij je nou vergist met oma’s medicijnen?!

wedkd.vnw = je

wedkg.vnw = -

12 ‘Geef elkaar een hand en sluit weer vriendschap’, zei de meester.

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = elkaar

13 Hebben jullie je geamuseerd in de bioscoop?

wedkd.vnw = je

wedkg.vnw = -

14 De oude man stinkt een beetje; hij moet zich wassen.

wedkd.vnw = zich

wedkg.vnw = -

15 Waarom gaan jullie nooit meer bij elkaar op bezoek?

wedkd.vnw = -

wedkg.vnw = elkaar

25


Oefening 11

vragende voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 60) Een vragend voornaamwoord vraagt naar de naam of het kenmerk van iemand of iets. Voorbeelden: Wie, wat, welke, wat voor één.

Benoem de vragende voornaamwoorden (vra.vnw) en vul die in op de stippellijn.   1 Wie is de gelukkige winnaar?

vra.vnw = wie

2 Wanneer vertel je me welke kant we op gaan?

vra.vnw = -

3 Wat voor een zwembroek heb jij gekocht?

vra.vnw = wat voor een

4 Wie belt mij nou midden in de nacht op?

vra.vnw = wie

5 Wat ga je hem vragen?

vra.vnw = wat

6 Wie heeft je dat verteld?

vra.vnw = wie

7 Ik zal je vertellen wat voor een achtergrond hij heeft.

vra.vnw = wat voor een

8 Kun je mij vertellen op welk adres je woont?

vra.vnw = welk

9 Ik vraag je nog een keer wat hij gezegd heeft.

vra.vnw = wat

10 Weet jij met wie hij verkering heeft?

vra.vnw = wie

11 Welk merk spijkerbroek draag jij het liefst?

vra.vnw = welk

26


12 Wat voor een abonnement heb jij voor je telefoon?

vra.vnw = wat voor een

13 Vertel me eens welke tas jij vergeten bent?

vra.vnw = welke

14 De volgende keer vraag ik wie jij daar ontmoet hebt.

vra.vnw = wie

15 Wat dacht je wel niet, toen je van huis wegliep?

vra.vnw = wat

27


Oefening 12

aanwijzende voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 61) Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets of iemand aan. Voorbeelden: Deze, dat, zo’n.

Benoem de aanwijzende voornaamwoorden (aanw.vnw) en vul die in op de stippellijn. 1

Dat boek heb ik al lang gelezen!

aanw.vnw = dat

2

Ik zou willen dat ik zo’n vriendin had.

aanw.vnw = zo’n

3

Wil je deze papegaai of wil je die valkparkiet?

aanw.vnw = deze, die

4

Van dergelijke opmerkingen ben ik niet langer gediend!

aanw.vnw = dergelijke

5

Ik heb een soortgelijke trui gekocht.

aanw.vnw = soortgelijke

6

Dit programma vond ik bijzonder interessant.

aanw.vnw = dit

28


7 Mijn moeder heeft dezelfde jas als jouw moeder.

aanw.vnw = dezelfde

8 Waarom heb je me dat verhaal niet verteld?

aanw.vnw = dat

9 Die vriendinnen hadden een leuke vakantie met elkaar.

aanw.vnw = die

10 Dat feest was een groot succes!

aanw.vnw = dat

11 Deze mensen heb ik lang niet gezien.

aanw.vnw = deze

12 Waarom wil je dit nou nog een keer horen?

aanw.vnw = dit

13 Doe je mee met dit spel?

aanw.vnw = dit

14 Dit boek heeft veel meer bladzijdes dan dat boek.

aanw.vnw = dit, dat

15 Wil je zulke praatjes nooit meer verkopen?

aanw.vnw = zulke

29


Oefening 13

onbepaalde voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 61) Een onbepaald voornaamwoord gebruik je als je een voorwerp/persoon niet precies kunt of wilt omschrijven. Voorbeelden: Niets, iemand, het, men, mijn oma.

Benoem de onbepaalde voornaamwoorden (onbep.vnw) en vul die in op de stippellijn. 1

Je weet er duidelijk niets van af!

onbep.vnw = niets

2

Hij woonde in een of ander dorp in Frankrijk.

onbep.vnw = een of ander

3

Niemand heeft hem tot nu toe begrepen.

onbep.vnw = niemand

4

Ik heb niets op de markt gekocht.

onbep.vnw = niets

5

Men heeft nog nooit van dit product gehoord.

onbep.vnw = men

6

Ik kwam vandaag iemand tegen bij de friettent.

onbep.vnw = iemand 30


7 Hij weet van deze sport alles af.

onbep.vnw = alles

8 Iemand zal er toch wel iets van begrepen hebben?

onbep.vnw = iemand, iets

9 Menigeen ging winkelen op de koopzondag.

onbep.vnw = menigeen

10 Het sneeuwde de hele kerstvakantie.

onbep.vnw = het

11 Alles wat ik bedacht heb, hebben we uitgevoerd.

onbep.vnw = alles

12 Ik zou niets nieuws aan doen naar dat feest!

onbep.vnw = niets

13 We gaan elk jaar in september op familieweekend.

onbep.vnw = elk

14 Ze gaat niet mee; ze moet naar een of ander feest.

onbep.vnw = een of ander

15 Bij het tuincentrum heeft menigeen enkele planten gekocht.

onbep.vnw = menigeen

31


Oefening 14

betrekkelijke voornaamwoorden

Weet je nog? (voor uitgebreide uitleg zie pagina 62) Een betrekkelijk voornaamwoord wijst terug naar een eerder genoemd woord (het antecedent). Voorbeeld: De oude vrouw, die daar loopt, is mijn oma.

Benoem de betrekkelijke voornaamwoorden (betr.vnw) en vul die in op de stippellijn.   1 Het paard, dat in de wei staat, geef ik straks eten.

betr.vnw = dat

2 Mijn vriend, die vorig jaar zomer verhuisd was, komt deze zomer langs.

betr.vnw = die

3 De hond, die op dierendag geboren is, krijgt een extra botje.

betr.vnw = die

4 De vrouw, van wie ik gescheiden ben, is goed voor de kinderen.

betr.vnw = van wie

5 De inbreker, die zijn slag sloeg, hebben ze opgepakt.

betr.vnw = die

6 Waarom komt de schilder, met wie ik een afspraak heb, niet opdagen?

betr.vnw = met wie

7 De prijs, die hij gaf, was veel te hoog.

betr.vnw = die

8 De vakantie, die in het water is gevallen, doen we gauw over!

betr.vnw = die

9 De postbode, met wie ik op school zat, is verhuisd.

betr.vnw = met wie

10 De trui, die daar ligt, moet ik hebben!

betr.vnw = die

11 De chirurg, bij wie ik stage liep, voert elke operatie perfect uit.

betr.vnw = bij wie 32


12 De bloemen, welke ik geplukt heb, zijn eigenlijk beschermd.

betr.vnw = welke

13 De baby, die geboren is, is zeer welkom.

betr.vnw = die

14 Het huis, dat je daar ziet, wordt volgende week afgebroken.

betr.vnw = dat

15 De bergpassen, welke door sneeuw versperd waren, hebben we vermeden.

betr.vnw = welke

Ga verder met de Puzzelverzamelmixen vanaf pagina 36.

33


Puzzelmix 1

bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden

Benoem de bijvoeglijke naamwoorden (bijv.nw) en de bijwoorden (bw) en vul die in op de stippellijn.   1 Ga je altijd met deze aardige meneer naar het museum?

bijv.nw = aardige

bw = altijd

2 Gisteren zijn we weer gaan schaatsen op de nieuwe ijsbaan.

bijv.nw = nieuwe

bw = gisteren, weer

3 De waterpolowedstrijd van mijn beste vrienden hebben ze ruim gewonnen!

bijv.nw = beste

bw = ruim

4 De halve vakantie hebben we gelogeerd bij mijn oude oma.

bijv.nw = halve, oude

bw = –

5 Die gele gympen van jou zitten heel lekker.

bijv.nw = gele

bw = heel, lekker

6 Deze vriendelijke vrouw ging ontzettend te keer.

bijv.nw = vriendelijke

bw = ontzettend

7 Ik ga nooit meer met jou op vakantie.

bijv.nw = –

bw = nooit, meer

8 Waarom ga je nog steeds niet naar die nieuwe dokter?

bijv.nw = nieuwe

bw = waarom, nog, steeds, niet

9 Op die tropische reis gingen we iedere dag zwemmen.

bijv.nw = tropische

bw = -

10 Een volgende keer maak ik direct een afspraak.

bijv.nw = volgende

bw = direct 34


11 Mijn lieve vriend van vroeger geeft niets uit handen.

bijv.nw = lieve

bw = vroeger, niets

12 Wanneer kom je nou een keertje Thais eten?

bijv.nw = Thais

bw = wanneer, nou

13 De aannemer bouwde een reusachtig hoge flat.

bijv.nw = hoge

bw = reusachtig

14 Wil je een keertje meezeilen op een origineel Friese zeilboot?

bijv.nw = Friese

bw = origineel

15 Ooit zal ik een gepaste oplossing vinden voor dat probleem.

bijv.nw = gepaste

bw = ooit

Puzzel In de puzzel staan van links naar rechts, rechts naar links, boven naar beneden en van beneden naar boven: • • • • •

bijv.nw zin 3 bijv.nw zin 9 bw zin 3 tweede bw zin 8 tweede bw zin 12

• • • • •

tweede bijv.nw zin 4 bijv.nw zin 13 eerste bw zin 7 tweede bw zin 11 bijv.nw zin 5

Streep de woorden door. De letters die overblijven, vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. s

t

e

i

n

o

u

m

b

g

g

o

n

o

o

e

i

e

d

z

o

h

o

g

e

u

s

e

h

c

s

i

p

o

r

t

o

u

d

e

t

g

e

l

e

g o e d z o

Ga verder met Oefening 5 tot en met 9 vanaf pagina 12.

35

!


Puzzelmix 2

ersoonlijke voornaamwoorden en p bezittelijke voornaamwoorden

Benoem de persoonlijke voornaamwoorden (pers.vnw) en bezittelijke voornaamwoorden (bez.vnw) en vul die in op de stippellijn. Let op! Er kunnen meerdere persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden in de zinnen staan. 1

Wil je mij mijn sloffen even aangeven?

pers.vnw = je, mij

bez.vnw = mijn

2

Jouw broer en mijn zus zijn vrienden van elkaar.

pers.vnw = -

bez.vnw = jouw, mijn

3

Dat je zijn schoolboek zo saai vindt, komt doordat jij je niet interesseert voor het vak.

pers.vnw = je, jij, je

bez.vnw = zijn

4

Ga je met mij mee naar huis?

pers.vnw = je, mij

bez.vnw = -

5

Wil je met ons mee op wintersportvakantie?

pers.vnw = je, ons

bez.vnw = -

6

In het winkelcentrum loop ik altijd langs mijn favoriete winkel.

pers.vnw = ik

bez.vnw = mijn

7

Wil je mij de pindakaas eens aangeven?

pers.vnw = je, mij

bez.vnw = -

8

Waar heb je jouw nieuwe avondjurk gekocht?

pers.vnw = je

bez.vnw = jouw

9

Met jullie verrekijker kun je de sterren goed zien.

pers.vnw = je

bez.vnw = jullie

36


10 Mijn zonnebril heb ik per ongeluk in jouw tas gestopt.

pers.vnw = ik

bez.vnw = mijn, jouw

11 Hoe laat vlieg je naar Amerika?

pers.vnw = je

bez.vnw = -

12 In Rotterdam gaan wij een nieuwe sportschool beginnen.

pers.vnw = wij

bez.vnw = -

13 Wij hebben ons huiswerk weer niet gemaakt.

pers.vnw = wij

bez.vnw = ons

14 Op internet vind je mijn mooie website.

pers.vnw = je

bez.vnw = mijn

15 Door jouw fout kom ik in de problemen.

pers.vnw = ik

bez.vnw = jouw

Puzzel Zet een kruis door alle vakjes van de zinnen waar zowel één of meer persoonlijke voornaamwoorden als één of meer bezittelijke voornaamwoorden in zitten. De letters die overblijven, vormen een woord. 10 g

1 k

12 j

4 i

8 n

7 p

13 a

11 p

3 o

15 e

6 d

5 i

9 s

2 e

14 t

j

i

p

p

i

Ga verder met Oefening 10 tot en met 14 vanaf pagina 22.

37

e

!


Puzzelverzamel­ mix 1 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1

Door de heftige storm werden wij vlot vooruit geblazen.

heftige = bijv.nw

vlot = bw

2

De zachtgele verf was schitterend voor de grote woonkamer.

schitterend = bijv.nw

woonkamer = zelfst.nw

3

Het komende najaar verhuist mijn goede vriend naar een kleiner huis.

het = lw

mijn = bez.vnw

4

De kleine kinderen winnen graag met het vaakgespeelde knikkerspel.

winnen

knikkerspel = zelfst.nw

5

De bekende rapper stond op het drukke marktplein te zingen.

drukke = bijv.nw

te = bw

6

De grote beuk in het park aan het eind van onze straat werd gekapt.

in = vz

onze = bez.vnw

7

Op dinsdag en woensdag heb ik tot laat les op school.

op = vz

heb = ww

8

De ruzie met de buurvrouw liep uit de hand.

de = lw

hand = zelfst.nw

9

Wil jij nog wat aanmaakblokjes voor de open haard kopen?

wat = onbep.vnw

voor = vz

= ww

38


10 Gelukkig ging de zon weer een beetje schijnen in het noorden.

gelukkig = bw

beetje = zelfst.nw

11 Het schuurtje in de tuin moet opnieuw geverfd worden.

opnieuw = bw

geverfd = ww

12 Zij zou haar toets over willen doen om een beter cijfer te halen.

zou = ww

beter = bijv.nw

13 De buurman had de botsing niet zien gebeuren.

buurman = zelfst.nw

niet = bw

14 Zou je een boodschap voor mij willen doen?

je = pers.vnw

mij = pers.vnw

15 Kom nou eens een keertje een pizza eten.

nou = bw

eten = ww

Puzzel Kies voor de antwoorden uit de dikgedrukte woorden. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 1: bijv.nw = zin 8: lw = zin 10: bw = zin 5: bijv.nw = zin 4: zelfst.nw = zin 15: ww =

h e

f

t

i d g e d r k n i k e

g e l u k t !

39

e u k e e

k k i g k e r s p e n

l


Puzzelverzamel­ mix 2 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1

Ik heb al verscheidene adviezen gegeven, maar helaas zonder resultaat.

al = bw

zonder = vz

2

Jij bent de zoveelste die dat komt vragen!

zoveelste = onbep.rtw

die = betr.vnw

3

Twee meiden gingen voor de laatste keer samen naar school.

twee = bep.htw

laatste = onbep.rtw

4

Tot de kerstvakantie moet je nog even hard werken.

tot = vz

nog = bw

5 Ga je mee uit eten in dat nieuwe restaurant?

je = pers.nvw

nieuwe = bijv.nw

6

Bemoei je met je eigen zaken!

met = vz

eigen = bijv.nw

7

Op zolder in een stoffige doos ligt mijn dagboek.

stoffige = bijv.nw

mijn = bez.vnw

8

Wil jij met de nieuwe tuinslang de tuin besproeien?

de = lw

tuinslang = zelfst.nw

9

Hoe komt het dat de jongen zo langzaam groeit?

het = onbep.vnw

langzaam = bw 40


10 Het is dus heel goed geweest dat we hoog zijn geklommen.

heel = bw

hoog = bw

11 Overal in Nederland kun je inderdaad ijsjes kopen.

Nederland = zelfst.nw

kopen = ww

12 Wil je trouwens wat vaker wat van je laten horen?

trouwens = bw

van = vz

13 Ik ga nooit meer met jou op vakantie.

nooit = bw

jou = pers.vnw

14 Beide partners hadden genoeg van de relatie.

genoeg = bw

relatie = zelfst.nw

15 Het toneelstuk trok slechts enkele bezoekers.

trok = ww

enkele = onbep.htw

Puzzel Benoem de woordsoorten. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 1: zonder = zin 11: kopen = zin 5: nieuwe = zin 8: tuinslang = zin 13: jou =

v oo r z e w b i j v o e z p e r soo n l i j

t e g e k !

41

s r l l v

e k i f o

l w j s o

o k t r

o n a n

r a n a

d a mw o o r d d i g n a a mw o o r d a mw o o r d


Puzzelverzamel­ mix 3 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1

Ik heb een vacature, omdat Martine onverwacht vertrok.

ik = pers.vnw

onverwacht = bw

2

De vakantie loopt van juni tot augustus.

loopt = ww

juni = zelfst.nw

3

Zodra de storm geweken is, zeilen we naar huis.

storm = zelfst.nw

naar = vz

4

Indien ik een uitnodiging krijg, zie je mij in september weer.

indien = vw

mij = pers.vnw

5

Ik ga naar bed, want ik ben nogal moe.

nogal = bw

moe = bw

6

Mijn agenda heb ik verkeerd ingevuld.

mijn = bez.vnw

ik = pers.vnw

7

Aan mijn huiswerk ben ik niet toegekomen.

ben = ww

toegekomen = ww

8

Mijn vriendin uit Australië neemt een kangoeroe voor mij mee.

uit = vz

mij = pers.vnw

9

De aanbieding was: ‘Twee truien voor de prijs van één’.

twee = bep.htw

de = lw 42


10 De volgende keer kom je bij mij eten!

volgende = bijv.nw

bij = vz

11 De blaadjes aan de eikenboom worden al een beetje bruin.

eikenboom = zelfst.nw

al = bw

12 Tijdens de herfstwandeling kreeg ik een beukennootje op mijn hoofd.

tijdens = vz

op = vz

13 Dennis won de kampioenschappen van het schaatsen.

Dennis = zelfst.nw

van = vz

14 De zwangere vrouw baarde een gezonde baby.

zwangere = bijv.nw

een = lw

15 De cd-roms voor de Franse les zijn leuk om te doen.

leuk = bijv.nw

om = vz

Puzzel Kies voor de antwoorden uit de dikgedrukte woorden. In de puzzel staan van links naar rechts, rechts naar links, boven naar beneden en van beneden naar boven de volgende woorden: • • •

bw zin 1 bijv.nw zin 15 bez.vnw zin 6

• • •

vz zin 10 zelfst.nw zin 2 lw zin 14

• •

vz zin 12 bep.htw zin 9

Streep de woorden door. De letters die overblijven, vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. t

h

c

a

w

r

e

v

n

o

w

s

e

e

n

u

b

i

j

p

e

k

u

e

l

j

u

n

i

e

e

t

i

j

d

e

n

s

m

r

s u p e r

43

!


Puzzelverzamel­ mix 4 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1

Het ging vandaag heel goed op school!

het = pers.vnw

heel = bw

2 De raket vloog met veel lawaai de ruimte in.

raket = zelfst.nw

in = vz

3

De test was voor mij veel te moeilijk.

de = lw

moeilijk = bijv.nw

4

Mijn auto krijgt binnenkort een grote beurt.

mijn = bez.vnw

beurt = zelfst.nw

5

Wil je voortaan voldoende benzine in de auto van je moeder doen?

voortaan = bw

van = vz

6

Strik je je veters goed voordat je het veld op rent?

strik = zelfst.nw

voordat = vw

7

Het meisje viel met een klap van de schommel.

viel = ww

klap = zelfst.nw

8

De ambulance kwam nog net op tijd.

de = lw

op = vz

9

Ik ben vorige week mijn gouden ring verloren.

gouden = bijv.nw

verloren = ww 44


10 De trein, die net weg reed, had ik moeten halen!

trein = zelfst.nw

die = betr.vnw

11 Waar heb jij die nieuwe broek gekocht?

waar = bw

die = aanw.vnw

12 Het verliefde stel omhelsde elkaar innig.

stel = zelfst.nw

elkaar = wedkg.vnw

13 Wat voor een kleur muts is voor mij geschikt, vind jij?

wat voor een = vra.vnw

mij = pers.vnw

14 De volgende keer ga ik met de fiets naar de stad.

ik = pers.vnw

naar = vz

15 De tiende bezoeker mag gratis naar binnen.

tiende = bep.rtw

gratis = bw

Puzzel Kies voor de antwoorden uit de dikgedrukte woorden. Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 1: bw = zin 6: vw = zin 15: bep.rtw = zin 10: zelfst.nw = zin 12: wedkg.vnw =

h v o o t i e t r e l k a

e r n e a

e l d a t d e i n r

!

45


Puzzelverzamel­ mix 5 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1 Geef hem een zoen van me, als je hem ziet!

hem = pers.vnw

als = vw

2

Het varken, dat op stal staat, wordt morgen geslacht.

dat = betr.vnw

morgen = bw

3

Op 30 april 2005 vierde koningin Beatrix haar 25-jarig ambtsjubileum.

op = vz

haar = bez.vnw

4

Ik blijf binnen, want het regent!

want = vw

het = onbep.vnw

5 Deze groene paraplu is van mij.

groene = bijv.nw

mij = pers.vnw

6

Dit was mijn zoveelste vakantie naar de Ardennen.

zoveelste = onbep.rtw

Ardennen = zelfst.nw

7

De orkaan heeft veel huizen verwoest.

veel = onbep.htw

verwoest = ww

8 Erik noch Eva wist wat er aan de hand was.

noch = vw

wat = onbep.vnw

9

Mijn broertje en zusje hebben vaak ruzie met elkaar.

vaak = bw

ruzie = zelfst.nw 46


10 Wil je zijn telefoonnummer nog even opnoemen?

zijn = bez.vnw

telefoonnummer = zelfst.nw

11 Wie is momenteel de rijkste vrouw van Nederland?

wie = vra.vnw

is = ww

12 Jasmijn mocht meedoen, mits ze goed haar best zou doen.

mits = vw

best = zelfst.nw

13 Hij heeft zich al maanden niet gedoucht.

zich = wedkd.vnw

al = bw

14 Ik ga nooit meer met hem mee.

nooit = bw

hem = pers.vnw

15 Sinterklaas was oorspronkelijk op 6 december jarig.

oorspronkelijk = bw

jarig = bijv.nw

Puzzel Benoem de woordsoorten. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan ĂŠĂŠn woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Let op! Kies bij telwoorden uit onbepaald of bepaald en hoofdtelwoord of rangtelwoord (zie theorie). Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord in de dikgedrukte vakjes.

ze l fstand i persoon l i j kv b i j wo b e t r e k k e l i j k v o o r n a a mw o onbepaa l dho v o e gwo vo wede r k e r endv o

zin 10: telefoonnummer = zin 14: hem = zin 9: vaak = zin 2: dat = zin 7: veel = zin 8: noch = zin 3: op = zin 13: zich =

47

g o o o o o o o

n a a mw o o r o r n a a mw o rd rd f dt e l woo rd rzetse l r n a a mw o o !

d ord

rd

rd


Puzzelverzamel­ mix 6 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn. 1

Hij kwam niet op mijn feestje, wat ik niet leuk vond.

niet = bw

ik = pers.vnw

2

Het meisje, dat daar fietst, is mijn buurmeisje.

dat = betr.vnw

mijn = bez.vnw

3 De muziekles was al snel afgelopen.

muziekles = zelfst.nw

snel = bw

4 De verwelkte bloemen stinken een uur in de wind.

verwelkte = bijv.nw

in = vz

5

Bovenop de wasmand lag een vieze trui.

bovenop = vz

een = lw

6

Wil je voortaan de dop op de tandpasta doen?

voortaan = bw

doen = ww

7

De leerkracht had de klas niet in de hand.

de = lw

niet = bw

8

Waarom help jij je moeder niet met tafeldekken?

waarom = bw

tafeldekken = zelfst.nw

9

Met de bokswedstrijd had hij zijn neus gebroken.

met = vz

zijn = bez.vnw 48


10 De tuinman heeft de notenboom gesnoeid.

tuinman = zelfst.nw

gesnoeid = ww

11 In het voorjaar heb ik nieuwe viooltjes geplant in de achtertuin.

nieuwe = bijv.nw

viooltjes = zelfst.nw

12 Waar wil je deze kapstok ophangen?

waar = vra.vnw

deze = aanw.vnw

13 De voetbaltraining gaat door, tenzij het vriest.

tenzij = vw

het = onbep.vnw

14 De bakker geeft gratis krentenbollen aan de scholieren.

geeft = ww

scholieren = zelfst.nw

15 Het baby’tje sliep heel lief in zijn eigen bedje.

heel = bw

in = vz

Puzzel Kies steeds uit de dikgedrukte woorden. In de puzzel staan van links naar rechts, rechts naar links, boven naar beneden en van beneden naar boven de volgende woorden: • • •

betr.vnw zin 2 bw zin 3 pers.vnw zin 1

• • •

bw zin 6 bijv.nw zin 11 zelfst.nw zin 11

• •

aanw.vnw zin 12 vw zin 13

Streep de woorden door. De letters die overblijven, vormen een woord. De letters in de puzzel mogen meerdere keren gebruikt worden. s

e

j

t

l

o

o

i

v

n

i

e

u

w

e

k

n

a

e

p

z

t

e

n

z

i

j

l

e

e

z

e

d

a

t

g

!

n

a

a

t

r

o

o

v

k n a p z e g

49

!


Puzzelverzamel­ mix 7 Alles door elkaar! Benoem de dikgedrukte woordsoorten en vul die in op de stippellijn.   1 In de auto word ik altijd snel misselijk.

ik = pers.vnw

snel = bw

2 De vos at alle kippen van het erf van boer Jansen op.

alle = onbep.htw

Jansen = zelfst.nw

3 Kabouter Plop verloor zijn rode muts.

verloor = ww

rode = bijv.nw

4 Het schaap met vijf poten is een illusie.

vijf = bep.htw

een = lw

5 Welke zender op de televisie is in Nederland het populairst?

welke = vra.vnw

op = vz

6 De vrachtwagenchauffeur was tegen een boom gereden.

vrachtwagenchauffeur = zelfst.nw

tegen = vz

7 Wat een aangebrande lucht komt er uit de keuken!

aangebrande = bijv.nw

er = bw

8 De leidster van de crèche was heel erg ziek thuisgekomen.

heel = bw

erg = bw

9 De computer deed het wonder boven wonder weer goed.

deed = ww

wonder = zelfst.nw

10 De bus, die wij gehuurd hadden, bleek gestolen.

die = betr.vnw

bleek = ww 50


11 Waarom laat je mij in mijn sop gaarkoken?

waarom = bw

mijn = bez.vnw

12 Ondanks de regen, zeemde ik mijn ramen.

ondanks = vw

zeemde = ww

13 Het abonnement van mijn mobiel is volgende maand verlopen.

van = vz

volgende = bijv.nw

14 Van welke chocola houd jij het meeste?

van = vz

welke = vra.vnw

15 Hebben jullie de zinnen een beetje begrepen?

jullie = pers.vnw

beetje = zelfst.nw

Puzzel Benoem de woordsoorten. Schrijf de benamingen voluit. Bestaat het antwoord uit meer dan één woord, dan schrijf je de woorden zonder spatie aan elkaar vast. Let op! Kies bij telwoorden uit onbepaald of bepaald en hoofdtelwoord of rangtelwoord (zie theorie). Wanneer je de juiste antwoorden hebt gegeven, ontstaat er een woord onder de pijl. ↓ zin 2: alle = zin 10: die = zin 8: heel = zin 2: Jansen = zin 12: ondanks = zin 15: jullie = zin 9: wonder = zin 6: tegen = zin 5: welke =

o n b b i z

b e j e v p e z e l v

e t w l o r f o v

p r o f e s s o r

a e o s g o t r a

a k r t w o a z g

l k d a o n n e e

d h o o f d t e l w o o r d e l i j k v o o r n a amw o o r d n o l d t n

51

d r i i s d

i d j g e v

g n a amw o o r d k v o o r n a amw o o r d n a amw o o r d l o o r n a amw o o r d


Theorie woordsoorten Om een zin te bouwen, heb je verschillende woorden nodig. In dit hoofdstuk willen we je leren de woorden te verdelen in verschillende categorieĂŤn. Deze categorieĂŤn noemen we woordsoorten. Ook zie je dat deze woorden die behoren tot bepaalde woordsoorten soms als groep woorden bij elkaar horen. Je zult zien dat ze in een bepaalde volgorde in de zin voorkomen. Als je taalkundig gaat ontleden, ga je dus geen woordgroepen afgrenzen, maar ga je de woorden stuk voor stuk benoemen. In de hieronder beschreven onderdelen van de woordsoorten leren we je tot welke woordsoort ieder woord behoort. Hoe herken je een woordsoort? Een woordsoort kenmerkt zich door bepaalde eigenschappen. In dit boekje zullen we iedere woordsoort uitvoerig uitleggen met daarbij behorende voorbeelden.

52


Theorie werkwoorden Werkwoorden (ww) geven een handeling aan; ze geven aan wat er gedaan wordt. Ze kunnen in een andere tijd gezet worden. Hierbij kan het werkwoord van klank veranderen. Je kunt werkwoorden verdelen in sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden. • Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klank. Voorbeelden: zwemmen – zwom, lopen – liep, komen – kwam. • Zwakke werkwoorden veranderen niet van klank. Voorbeelden: werken – werkte, fietsen – fietste.

Er zijn drie soorten werkwoorden: • Zelfstandige werkwoorden (zww). De zelfstandige werkwoorden kunnen zelfstandig bestaan. Deze geven een handeling aan. Voorbeelden: ik fiets, ik loop, ik zwem. • Hulpwerkwoorden (hww). De hulpwerkwoorden kunnen niet zelfstandig bestaan. Voorbeelden: zijn, hebben, worden, zullen, gaan, willen, kunnen, mogen, moeten. •

Koppelwerkwoorden (kww). Koppelwerkwoorden zijn een onderdeel van het naamwoordelijk gezegde. Er zijn negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

Let op! Hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord in een zin voorkomen. Voorbeelden: Wij zijn in Brazilië. → ‘zijn’ is hier een zww Hij is kapper. → ‘is’ van het ww zijn is hier een kww Zij is gevallen. → ‘is’ van het ww zijn is hier een hww → ‘gevallen’ is hier een zww

53


Theorie zelfstandige naamwoorden Zelfstandige naamwoorden (zelfst.nw) kunnen zelfstandig bestaan. Er zijn drie soorten zelfstandige naamwoorden: • Concrete zelfstandige naamwoorden. De meeste zelfstandige naamwoorden kun je vasthouden en zien. Dit zijn de concrete zelfstandige naamwoorden. Ze zijn tastbaar. Voorbeelden: fietsbel, tuinbank, appeltaart.

• Abstracte zelfstandige naamwoorden. Deze zelfstandige naamwoorden kun je niet zien of vasthouden. Voorbeelden: ruzie, aarzeling, liefde. • De laatste groep zelfstandige naamwoorden zijn eigen namen van mensen, dieren, alle aardrijkskundige namen en de namen van de dagen, maanden en windstreken. Voorbeelden: Alexia, Loekie, Rijn, westen, september, dinsdag. Hoe herken je een zelfstandig naamwoord? Een zelfstandig naamwoord herken je doordat je er bijna altijd een lidwoord voor kunt zetten. Voorbeelden: de angst, het boek, een vulpen, de opa, de zon, een week, Joris, april.

Theorie lidwoorden De lidwoorden (lw) zijn de, het en een. Ze staan voor een zelfstandig naamwoord. • •

De en het zijn bepaalde lidwoorden. Een is een onbepaald lidwoord.

Voorbeelden: de kast, het boek, een stoel.

54


Theorie bijvoeglijke naamwoorden Een bijvoeglijk naamwoord (bijv.nw) zegt iets extra’s over een zelfstandig naamwoord. Het kan bijgevoegd worden bij een zelfstandig naamwoord. Hoe herken je een bijvoeglijk naamwoord? Het voegt iets toe aan een zelfstandig naamwoord. Het kan ervoor of erachter staan. Voorbeelden: • Lekkere walmen stegen op van de barbecue. → lekkere = bijv.nw • Het gekke lied werd gezongen. → gekke = bijv.nw • De roddelende buurvrouw. → roddelende = bijv.nw • Het huis is gigantisch. → gigantisch = bijv.nw

55


Theorie bijwoorden Een bijwoord (bw) zegt iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord of het geeft antwoord op de vragen ‘waar?’ en ‘wanneer?’. Daarnaast zijn er nog restwoorden. Hoe herken je een bijwoord? Er zijn verschillende soorten bijwoorden: • Het zegt iets over een werkwoord. Voorbeeld: Je hebt hard gewerkt.

→ hard = bijwoord

• Het zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord. Voorbeeld: De heel rode schoen. → heel = bijwoord • Het zegt iets over een ander bijwoord. Voorbeeld: Hij heeft onwijs goed opgelet.

→ onwijs = bijwoord

• Het geeft antwoord op de vraag ‘waar?’. Voorbeelden: daar, hier, overal, ergens, nergens. • Het geeft antwoord op de vraag ‘wanneer?’. Voorbeelden: vanmorgen, nu, al, vaak, ooit, nooit, dikwijls, gisteren. • Restwoorden: Voorbeelden: nog, wel, hoe, waarom, toch, misschien, te, niet.

56


Theorie voorzetsels Een voorzetsel (vz) duidt een plaats of een tijd aan en staat voor een zelfstandig naamwoord (wel of niet voorafgegaan door een lidwoord) of voor een persoonlijk voornaamwoord. Een voorzetsel kun je voor de volgende woorden zetten: • … de tafel (in, op, van, tegen) • … de film (gedurende, tijdens) • … Noord-Brabant (bij, boven) • … ons (voor, naast, op) Voorbeelden: • Ik loop onder de ladder door. • Ik pak iets uit de kast. • Hij liep tijdens de voorstelling weg. • Vanaf de verhuizing woon ik bij mijn vader. • Het vliegtuig vloog hoog boven Flevoland. • Zij loopt achter hem.

Let op! Soms hoort een voorzetsel bij een splitsbaar werkwoord. Voorbeelden: • Hij belt de man op. → op is hier een deel van het werkwoord opbellen. • Zij glijdt uit over de bananenschil. → uit is hier een deel van het werkwoord uitglijden.

57


Theorie telwoorden Telwoorden (tw) zijn woorden die iets vertellen over een aantal of over de plek in een rij.

Er zijn twee soorten telwoorden: • Hoofdtelwoorden. Deze geven een aantal aan. – Bepaald hoofdtelwoord: drie, tien, honderd. – Onbepaald hoofdtelwoord: veel, weinig, enkele, sommige. •

Rangtelwoorden. Deze geven een plaats in de rij aan. – Bepaald rangtelwoord: eerste, vierde, tiende, veertigste. – Onbepaald rangtelwoord: hoeveelste, laatste, zoveelste.

Theorie voegwoorden Een voegwoord (vw) voegt twee zinnen, twee zinsdelen of twee woorden aan elkaar. Het meest voorkomende voegwoord is het woord ‘en’.

Hoe herken je een voegwoord? Een voegwoord heeft een vaste plek in de zin. Het kan vooraan de zin staan, direct na de komma, of midden in de zin. Voorbeelden: • Omdat zij haar gymspullen vergeten was, moest zij ze gaan halen → Omdat = vw • Ik ga naar huis, want het regent. → want = vw • Hij loopt als een olifant. → als = vw 58


Theorie voornaamwoorden Er bestaan verschillende soorten voornaamwoorden (vnw). Je kunt de voornaamwoorden in acht groepen onderverdelen: • persoonlijke voornaamwoorden, • bezittelijke voornaamwoorden, • wederkerende voornaamwoorden, • wederkerige voornaamwoorden, • vragende voornaamwoorden, • aanwijzende voornaamwoorden, • onbepaalde voornaamwoorden, • betrekkelijke voornaamwoorden. Hierna worden alle soorten voornaamwoorden behandeld.

Theorie persoonlijke voornaamwoorden Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) gaat over een persoon (eventueel over een dier of ding). De naam van de persoon wordt vervangen door het persoonlijk voornaamwoord. Voorbeelden: • De meester stuurt Jan en Max naar de gang. → Hij stuurt ze naar de gang. • De kinderen lopen naar de gymzaal. → Ze lopen naar de gymzaal. Je kunt persoonlijke voornaamwoorden onderverdelen in drie groepen. Dit zijn de eerste, tweede en derde persoon. Deze groepen kun je bovendien onderverdelen in enkelvoud en meervoud. 1e persoon enkelvoud: 2e persoon enkelvoud: 3e persoon enkelvoud:

ik, mij, me je, jij, jou, u hij, zij, ze, het, hem, haar

1e persoon meervoud: 2e persoon meervoud: 3e persoon meervoud:

wij, we, ons jullie, u zij, ze, hen

59


Theorie bezittelijke voornaamwoorden Bezittelijke voornaamwoorden (bez.vnw) geven aan van wie het bezit is. Het bezit staat achter het bezittelijke voornaamwoord. Het bezittelijk voornaamwoord staat dus altijd rechtstreeks voor een zelfstandig naamwoord of voor een bijvoeglijk naamwoord. Terwijl het persoonlijk voornaamwoord zelfstandig voorkomt. Bij elk persoonlijk voornaamwoord hoort een bezittelijk voornaamwoord.

hij

Let op! Bij jouw en uw niet de w vergeten. Het boek is van jou. → ‘jou’ is hier een pers.vnw Het is jouw boek. → ‘jouw’ is hier een bez.vnw

60


Theorie wederkerende voornaamwoorden Wederkerende voornaamwoorden (wedkd.vnw) komen voor in zinnen met wederkerende werkwoorden. Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden met zich.

Voorbeelden: zich scheren, zich wassen, zich amuseren. Hieronder volgen de wederkerende voornaamwoorden. Enkelvoud Ik was me. Jij wast je. U wast u/zich. Hij wast zich. Zij wast zich. Het wast zich.

Meervoud Wij wassen ons. Jullie wassen je. U wast u/zich. Zij/ze wassen zich.

61


Theorie wederkerige voornaamwoorden Wederkerige voornaamwoorden (wedkg.vnw) zijn verbasteringen van ‘elkaar’: elkaar, elkander, mekaar. Voorbeelden: • De ambtenaar zei: ‘Geef elkaar de rechterhand.’ • De vrienden bleven jaren in elkanders gezelschap. • Opa en oma gaven mekaar een dikke zoen.

Theorie vragende voornaamwoorden Een vragend voornaamwoord (vra.vnw) vraagt naar de naam of het kenmerk van iemand of iets. Er zijn vier vragende voornaamwoorden: wie, wat, welke, wat voor één. Voorbeelden: • Wie heeft dat gedaan? • Wat is de bedoeling hiervan? • Welke windrichting zeilen we nu uit? • Wat voor een mobieltje heb jij?

62


Theorie aanwijzende voornaamwoorden Een aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw) wijst iets of iemand aan. De meest voorkomende aanwijzende voornaamwoorden zijn: dit, deze, dat, die. Voorbeelden: • Wil je deze trui of liever die trui? • Wil je dit nummer horen of dat nummer?

Aanwijzende voornaamwoorden die minder vaak voorkomen zijn: zulke, zo’n, dergelijke, soortgelijke, dezelfde.

Theorie onbepaalde voornaamwoorden Een onbepaald voornaamwoord (onbep.vnw) gebruik je als je een voorwerp of een persoon niet precies kunt of wilt omschrijven.

De meest voorkomende onbepaalde voornaamwoorden zijn: men, iemand, niemand, een of ander, ieder, iedereen, deze of gene, menigeen, elk, iets, niets, alles, wat, enig, geen, zeker, het. Voorbeelden: • Het regent. • Men eet paling in Volendam. • Ik heb niets gekocht. • Zij is lid van een of andere vage club. • Ik heb iemand zien inbreken.

63


Theorie betrekkelijke voornaamwoorden Het betrekkelijke voornaamwoord (betr.vnw) verwijst terug naar een eerder genoemd woord. Het woord waar het betrekking op heeft, heet het antecedent. De betrekkelijke voornaamwoorden zijn: wie, wat, die, dat, welke. Voorbeelden: • De vrouw, met wie ik ruzie zocht, liep weg. • Hetgeen wat hij riep, hoorde ik niet.

• • •

De buurman, die al lang ziek was, is overleden. Het boek, dat daar ligt, is beschadigd. De wegen, welke versperd waren, hebben we omzeild.

64


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Puzzelen_met_woordsoorten_Gr7-8-WB_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu