De stad Dordrecht, geschilderd aan het eind van de Middeleeuwen.
Naar de stad
Een man klopt aan op de stadspoort van Dordrecht. Hij wil graag naar binnen. Hij draagt een zware zak. Wat zou daarin zitten?
Misschien is het een handelaar. Dordrecht ligt op een knooppunt van drie rivieren. Er werd via deze rivieren met houten schepen van alles aangevoerd. In de stad werd druk gehandeld in wijn, bier, wol en hout.
Zie je de dikke stadsmuur die de inwoners beschermt? En de kerk met de hoge toren? Dordrecht was in de Late Middeleeuwen een rijke stad. Maar wat doet die naakte man daar in de boom? Dat is een ander verhaal.
Waarover gaat dit hoofdstuk?
Utrecht, Hamburg, Brugge, Deventer, Venetië. Deze steden bestaan al meer dan 1500 jaar. Vanaf het jaar 1000 werden steden in Europa groter en rijker. Er kwamen nieuwe steden bij. In de Late Middeleeuwen wilden steeds meer mensen in een stad wonen, net als nu. Daar was meer werk. En er waren winkels, markten, ziekenhuizen, herbergen. In de stad verdienden de meeste mensen hun geld met handelen of met het maken en verkopen van spullen.
De bewoners regelden het bestuur en de verdediging van hun stad zelf. Ze hadden de graaf of hertog niet meer nodig. De adel werd minder machtig. Het bestuur van Nederland ging er daardoor anders uitzien. De rijke steden hadden het nu voor het zeggen.
1.1 Burgers in de stad
De steden in Europa groeiden snel. Steeds meer mensen wilden in een stad wonen, want daar waren ze geen horigen meer van een landheer. Ze moesten zich nu houden aan de regels van de stad.
• Je kunt uitleggen hoe in Europa vanaf het jaar 1000 nieuwe steden ontstonden en bestaande steden groter werden.
• Je kunt beschrijven hoe een middeleeuwse stad werd bestuurd.
Meer oogst…
Na het vertrek van de Romeinen, brak er een onrustige tijd aan. Er werd veel gevochten en steden werden geplunderd. Reizen was enorm onveilig geworden en wegen werden niet meer onderhouden. De handel viel zo goed als stil. Daarom verlieten veel mensen hun stad.
Maar na het jaar 1000 werden de steden die er nog waren, snel groter. En er kwamen nieuwe steden bij. Waarom juist toen? Dit heeft te maken met de landbouw.
Bron 2
Twee boeren ploegen een akker. Wat gaan ze zaaien? Zouden ze al denken aan het geld dat ze met hun oogst kunnen verdienen? Getekend in ongeveer 1340.
Boeren kregen steeds grotere oogsten, omdat ze hadden geleerd om mest te gebruiken. Ook hadden ze betere werktuigen, zoals een keerploeg. Een ploeg is een soort mes dat wordt voortgetrokken door een os of paard (nu: een tractor). Het ploegmes snijdt de grond open. Om groenten te verbouwen moet je veel mest en lucht door de grond mengen. Dat zware werk moest de boer met de hand doen. Met de keerploeg was dat niet meer nodig. Het mes sneed niet alleen de grond open, maar woelde de grond ook om. Nu konden boeren grotere stukken land sneller en beter bewerken om er voedsel op te verbouwen.
… meer handel
De tarwe, kool en wortels die de boeren verbouwden, waren voor henzelf of voor hun dorp. Maar nu brachten de oogsten meer op dan ze zelf nodig hadden. De boeren verkochten dat op de markt. Met het geld dat ze verdienden, kochten ze producten, zoals stof voor een broek of potten en pannen. Er kwamen dus steeds meer handelaren naar de markt, want daar viel wat te verdienen! Ook was het veiliger geworden in Europa. Handelaren konden gemakkelijker en verder reizen. Daardoor kon je op de markt van alles vinden, zoals wijn uit Frankrijk of zijde uit Azië.
Een markt in de middeleeuwse stad. Getekend in 1403.
Handelaren hadden een plek nodig om hun spullen op te slaan. En om te wonen als ze even niet op reis waren. Een goede plek was bij een kruispunt van wegen en rivieren. Je kon dan alle kanten op reizen en er kwamen veel mensen voorbij. Het moest er ook veilig zijn.
Daarom kozen ze vaak een plek in de buurt van een kasteel of klooster. Bij gevaar konden ze daar naartoe vluchten. Op zulke plaatsen ontstonden nieuwe steden.
Maar zo’n stad was veel kleiner dan een grote stad in onze tijd zoals Shanghai of New York. Gent was in de Middeleeuwen een van de grootste steden van Europa. Er woonden 60.000 mensen. Nu zou dat in Nederland een kleine stad zijn, zoiets als Doetinchem of Roermond.
Eigen baas zijn
De inwoners van de stad noemden zich burgers. Een edelman of een bisschop was de baas over het gebied waarin de stad lag. Iedereen moest hem gehoorzamen. Maar toen de steden groter en rijker werden, wilden de burgers natuurlijk eigen baas zijn. Ze vroegen de edelman of bisschop dan om stadsrechten
Dat betekende dat de burgers het recht kregen om zelf hun stad te besturen. In ruil daarvoor moesten ze belasting betalen aan de heer van het gebied. Als een stad eenmaal stadsrechten had, was het pas een echte stad.
De steden kregen zo meer macht. En de adel, die eeuwenlang alles had bepaald, had minder macht en zou die ook niet meer terugkrijgen.
Het bestuur
Hoe was het bestuur van de stad georganiseerd?
• Een raad van burgers dacht mee over wat er allemaal moest gebeuren in de stad. De voorzitter van die raad was de burgemeester. In een grote stad waren er soms meer burgemeesters.
• Er waren ook rechters die bepaalden welke straf iemand kreeg. Die heetten toen schepenen.
• En er was natuurlijk ook politie nodig in de stad. De baas van de politieagenten en de rechters was de schout
De schout, schepenen en burgemeester bestuurden samen de stad. Ze kwamen meestal uit de rijkste families.
HoE gaat Dat nu?
Elke gemeente heeft een eigen bestuur. De bewoners kiezen elke vier jaar hun gemeenteraad. Die is de baas in de gemeente. De leden van de gemeenteraad maken plannen, stellen de regels vast en kiezen de wethouders. Wethouders voeren de besluiten van de gemeenteraad uit. De gemeenteraad wil bijvoorbeeld dat er een nieuwe sporthal komt. De wethouder moet er dan voor zorgen dat die er ook komt. Maar hij mag ook zelf plannen voorstellen aan de gemeenteraad.
De regering benoemt de burgemeester. Hij is de voorzitter van de gemeenteraad en de baas van de politie in de gemeente.
Bron 4 Burgers en bestuurders van een stad. Getekend in 1513.
1.2 Werken in de stad
In de stad kwamen steeds meer winkels. Je kon er brood kopen, maar ook schoenen, sierraden, kleding en meubels. In de stad wist je zeker dat de kwaliteit van deze spullen heel goed was.
Bron 5
Een goudsmid en zijn leerling. Tekening uit de vijftiende eeuw.
• Je kunt uitleggen hoe mensen in de middeleeuwse stad hun geld verdienden.
• Je kun uitleggen wat een gilde is.
• Je kunt uitleggen wat Hanzesteden waren.
Met de hand gemaakt
Een ambacht is een beroep waarbij je producten met de hand maakt, zoals broden, sieraden of kleding. Er waren in de stad veel soorten ambachtslieden, bijvoorbeeld meubelmakers, schoenmakers en zilversmeden. Ze werkten in een kleine werkplaats aan huis en verkochten daar ook hun producten. Maar dat mocht je in de stad niet zomaar doen. Het stadsbestuur stelde daar strenge eisen aan, want het wilde geen slechte kwaliteit of oneerlijke handel. Om iets te mogen verkopen moest je lid zijn van een vereniging, een gilde. Elk ambacht had een eigen gilde. Je had bijvoorbeeld het weversgilde, het bierbrouwersgilde en het smidsgilde. Het gilde zorgde voor de opleiding van de nieuwe gildeleden, controleerde de kwaliteit van de producten en stelde de verkoopprijs vast. Gildeleden hielpen elkaar ook, bijvoorbeeld bij ziekte. En als iemand van het gilde overleed, kreeg zijn gezin vaak hulp.
Lid worden van een gilde
Om lid te worden van een gilde moest je eerst het vak leren bij een meester. Je ging bij hem wonen als leerjongen. In ruil voor eten en onderdak, deed je kleine klusjes. Ging dat goed, dan mocht je bij hem in dienst komen als gezel. Je leerde dan van de meester het vak en je kreeg salaris. Zelf werd je pas meester na de meesterproef, een soort examen. Je maakte dan een werkstuk - een meesterwerk! - waarmee je liet zien dat je een volleerd vakman was.
Wie geen lid was van een gilde, mocht in de stad zijn beroep niet uitoefenen. Gildeleden waren trots op hun ambacht en op hun gilde. Er waren vergaderingen waar de leden samen overlegden over wie er lid mocht worden, hoe een product gemaakt werd en wat de prijs moest zijn.
Regels van het Nijmeegse schoenmakersgilde uit 1523:
• De gildebroeders moeten het feest bijwonen van Sint Crispijn[e1] , een heilige die schoenmakers beschermt.
• Het is verboden een knecht te huren die bij een andere meester zijn contract niet is nagekomen.
• De leerjongens hebben een leertijd van twee jaar. Pas daarna kunnen zij gaan verdienen.
• De werktijd loopt van ’s morgens vijf uur tot ’s avonds acht uur. Langer werken is verboden.
• De meesterproef is verplicht.
• Weduwen van schoenmakers blijven lid van het gilde.
Bron 6
Vrouwen in het gilde
De meeste gildeleden waren mannen. Toch mochten vrouwen soms lid worden. Als een man overleed, zette zijn vrouw het bedrijf vaak voort. En de vrouw van een ambachtsman hielp haar man mee, bijvoorbeeld als bakker of wolspinner. Het was in de middeleeuwen niet zo dat alleen de man een beroep had en de vrouw alleen het huishouden deed. Er bestonden ook gildes waarvan alleen vrouwen lid waren.
Van ruilhandel naar geldhandel
Bron 7
Een vrouw aan het werk in een bakkerij. Afbeelding rond 1500.
Er kwamen steeds meer handelaren en boeren naar de stad om hun producten te verkopen. Daarom organiseerde het stadsbestuur een markt, op een groot plein midden in de stad. Als die marktdag heel bekend was, kwamen daar handelaren uit allerlei gebieden naar toe. In plaats van ruilhandel gebruikten ze steeds vaker geld, dat was veel handiger. Daarom waren er op de markt ook geldwisselaars, want elk gebied had ander geld. Vaak waren dat Joden. Omdat zij geen christen waren, vond het stadsbestuur hen geen burgers van de stad. Ze mochten daarom geen lid worden van een gilde. Voor hen was een beroep als schoenmaker of wever dus niet mogelijk. Veel Joden gingen daarom in de handel of werden geldwisselaar. Deze wisselaars bewaarden ook geld van handelaren of leenden het uit. Zo ontstonden de eerste banken.
De Hanze
Steden in Europa werkten samen om meer handel te krijgen. Ze noemden die samenwerking een Hanze. Kooplieden van Hanzesteden gaven elkaar allerlei voordelen. Ze betaalden bijvoorbeeld minder belasting aan het stadsbestuur van een andere stad van hun Hanze, maakten afspraken over de prijzen of kochten samen goedkoop goederen in. Kooplieden reisden ook vaak samen, dat was een stuk veiliger. In ons land waren vooral steden langs de rivier de IJssel lid van een Hanze, zoals Kampen, Zwolle of Deventer.
8
De stad Antwerpen in de Late Middeleeuwen. Aan de kades liggen handelsschepen.
De meeste mensen in de Middeleeuwen waren christelijk. Ze geloofden dat hun tijd op aarde maar heel kort was. na de dood zouden ze eeuwig verder leven in de hemel. of in de hel, daar waren middeleeuwers erg bang voor.
• Je kunt uitleggen waarom het geloof in de Middeleeuwen zo belangrijk was.
• Je kunt uitleggen waarom middeleeuwers grote kerken bouwden.
• Je kunt uitleggen waarom ridders op kruistocht gingen.
Leven na de dood
In de Middeleeuwen dachten christenen veel na over het leven na de dood. Ze wisten zeker dat ze dan in de hemel of in de hel zouden komen. De hemel was een prachtige plaats waar je altijd gelukkig was en dicht bij God mocht zijn. De hel was de plek waar de duivel woonde. Hij mishandelde mensen: hij kookte ze, gooide ze in het vuur, prikte met zijn vork in hun vel, of hing ze op.
Alleen mensen die goed leefden, kwamen in de hemel. Je moest daarom veel bidden, geld aan de kerk en aan de armen geven en goed voor andere mensen zorgen. Je niet houden aan de regels van de kerk heet een zonde. Een zonde was bijvoorbeeld liegen, stelen of jaloers zijn. Als je dat deed, ging je voor straf na je dood naar de hel, vertelde de priesters aan de mensen. Maar God kon ook eerder straffen. Mensen in de Middeleeuwen dachten dat het de straf van God was als je bijvoorbeeld de pest kreeg, als de oogst mislukte of de stad afbrandde.
Hoger, beter, mooier
De burgers bouwden grote kerken, midden in de stad. Het waren de hoogste gebouwen sinds de piramides. Deze kerken werden gebouwd om God te eren. Daarom moest alles aan de kerk zo groot en mooi zijn als maar kon. Kerken uit de Late Middeleeuwen zijn daarom heel hoog en hebben hoge, spitse bogen. De kerk is van binnen en van buiten prachtig versierd. Deze bouwstijl heet gotiek.
Er was veel geld nodig voor al het bouwmateriaal en voor het loon van de ambachtslieden. Handelaren en gilden betaalden een groot deel van de bouw. Met een grote, mooie kerk kon een stad dus ook laten zien hoe rijk de stad was. Maar als het geld op
Duivels mishandelen mensen in de hel. Tekening uit de twaalfde eeuw.
Bron 10
De bouw van een kathedraal. Tekening uit 1465.
was, lag de bouw jaren stil - soms zelfs eeuwen. De mooiste en grootste kerk stond in de stad waar de bisschop woonde. Deze kerk heet een kathedraal
Op kruistocht
Een andere manier om God te eren, was een bezoek brengen aan een plek die voor het geloof belangrijk is. Dat kon dichtbij zijn, maar ook ver weg. Iemand die op reis gaat voor zijn geloof, noem je een pelgrim. De belangrijkste stad voor een pelgrimstocht was Jeruzalem. Maar rond het jaar 1000 veranderde dat. De Seltsjoeken, een islamitisch volk, veroverden het gebied. Christelijke pelgrims konden Jeruzalem toen niet meer veilig bezoeken. Ook probeerden de Seltsjoeken het christelijke Byzantijnse Rijk te veroveren. De keizer van Byzantium vroeg de paus om hulp. Deze riep de christenen in WestEuropa op tot een kruistocht. Deze kruistocht eindige met de verovering van Jeruzalem. Maar na honderd jaar veroverde de Seltsjoeken de stad opnieuw. Daarna zijn er nog zeven kruistochten vanuit Europa georganiseerd, maar Jeruzalem werd nooit meer veroverd.
Bron 11
In de Franse stad Reims is de kathedraal na duizend jaar nog altijd het middelpunt van de stad. Foto uit onze tijd.
Bron 12
Pelgrims krijgen een slaapplaats in de stad. Op dit soort schilderijen werden de goede daden afgebeeld die christenen konden doen. Schilderij uit de vijftiende eeuw.
1.4 Leven in de stad
Hoe het leven in de middeleeuwse stad precies was, weten we niet. Maar stel je een plek voor met smalle straatjes, kleine huizen, het geluid van kerkklokken, het rumoer van mensen en dieren op straat, en van winkeliers die luidkeels hun producten aanprijzen. LEErDoELEn
• Je kunt het leven in de middeleeuwse stad beschrijven.
• Je kunt uitleggen hoe de burgers van de stad zich verdedigden.
• Je kunt de oorzaak en het gevolg van het uitbreken van de pest noemen.
In de stad
Mensen in een stad wonen vaak klein. Dat was in de Middeleeuwen ook zo. De meeste gezinnen hadden maar één kamer. Ze deelden met de buren een waterput en een wc. In de woning was vaak een werkplaats of winkel. Lange tijd dachten historici dat het in de middeleeuwse stad heel vies was. Er was nog geen riool of kliko. Maar de stadsbewoners gingen naar het badhuis en maakten, net als nu, hun huis schoon. Bovendien was er weinig afval. Plastic bestond niet en een kledingstuk ging mee tot het versleten was.
Mensen met hetzelfde beroep woonden bij elkaar in dezelfde straat. Een klok of wekker hadden ze niet: ze luisterden naar de kerkklokken om de tijd te weten. Als het donker werd, gingen ze slapen. Buiten was het pikdonker en binnen een kaars laten branden was gevaarlijk: in de stad was altijd gevaar voor brand.
Ook was het er druk, want mensen woonden graag in de stad. Er was werk en er waren vaak feesten en markten. En als het donker werd, gingen de stadspoorten dicht. Binnen de muren van de stad voelden de mensen zich dan veilig.
Veilig achter dikke muren?
In elke middeleeuwse stad zorgden de schutters voor de veiligheid. Ze verdedigden de stad tijdens een oorlog of tegen roversbendes. Ze gebruikten pijl-en-boog en vanaf de vijftiende eeuw ook geweren met buskruit. De stad lag goed beschermd achter dikke stadsmuren, met vaak daaromheen nog een gracht. De vijand kon de stad dus niet zomaar binnenvallen. Daarom omsingelden de soldaten van de vijand de stad. Dat betekent dat ze buiten de muren hun legerkamp opzetten. Daarna wachtten ze net zolang tot al het eten in de stad op was. Door de honger moesten de mensen zich dan wel overgeven. Dat kon heel lang duren, soms zelfs jaren! Toch hadden de soldaten dat er wel voor over. Want als een stad zich overgaf, mochten ze die vaak plunderen. Dat was verschrikkelijk voor de inwoners. De soldaten verkrachtten en vermoordden de mensen, stalen al hun bezittingen en staken hun huizen in brand.
De Zwarte Dood
Bron 14
In 1346 trok de vijand de Franse stad Caen binnen. Vooraan krijgt iemand een pijl in zijn bil geschoten.
Afbeelding uit de veertiende eeuw.
In het jaar 1347 namen handelaren uit Azië op hun schepen - zonder dat ze het wisten - een nieuwe, dodelijke ziekte mee: de pest. De ratten op hun schepen droegen de pestbacterie
bij zich. De vlooien op de ratten hadden die bacterie ook en sprongen over op mensen. De ziekte verspreidde zich razendsnel. Wie besmet werd, kreeg overal bulten en was binnen een week dood. Soms zelfs binnen een dag. De ziekte kreeg de bijnaam De Zwarte Dood.
In een paar jaar tijd stierven dertig miljoen mensen, bijna de helft van de mensen die toen in Europa leefden. In sommige steden was acht op de tien mensen dood. Nu zou je de pest makkelijk kunnen genezen met antibiotica, maar in de Middeleeuwen wisten mensen niet dat bacteriën ziektes verspreidden. Ze probeerden de ziekte op allerlei manieren te genezen.
Bijvoorbeeld door een slang in stukken snijden en die over de bulten wrijven. Rijke mensen kochten medicijnen die gemaakt waren van eenhoornpoeder.
Vaardigheid: Gebonden zijn aan tijd en plaats
Hoe je denkt en wat je van iets vindt, heeft altijd te maken met:
• de tijd waarin je leeft;
• je leeftijd;
• je geloof;
• of je een jongen of meisje bent;
• of je arm of rijk bent;
• het land waarin je woont.
We noemen dit: gebonden zijn aan tijd en plaats. Iets wat wij heel gewoon vinden kan in een ander land of in een andere tijd juist heel gek zijn. Als je een bron leest waarin iemand zijn mening geeft, is het belangrijk om hier goed op te letten. Hoe iemand ergens over dacht, heeft te maken met de tijd en plaats waarin hij of zij leefde.
Bron 15
De pest is uitgebroken in de Vlaamse stad Leuven. Schilderij uit 1578.
HoE gaat Dat nu?
1.5 De Eerste kruistocht - Verdieping
Verdieping
Tienduizenden edelen reageerden in 1095 enthousiast op de oproep van paus Urbanus. Hij vroeg hen mee te gaan op kruistocht naar het Heilige Land om Jeruzalem te bevrijden van de Seltsjoeken.
Onderzoeksvraag
Hoe verliep de Eerste Kruistocht?
Wie gingen op kruistocht?
De paus beloofde dat God de zonden van de mensen die op kruistocht gingen, zou vergeven. Bovendien zou iedere kruisvaarder in het Heilige Land een eigen stuk grond krijgen. Daarom sloten bijna honderdduizend mannen en vrouwen zich bij de ridders aan: horigen, vrije boeren en avonturiers. Een jaar later trok een enorm leger vanuit Europa naar Jeruzalem.
16
De route van de Eerste Kruistocht. Onderweg belegerden de kruisvaarders steden, want ze hadden eten nodig. Soms gaf een stad het leger zelf te eten, om een belegering te voorkomen.
Bron 17
Als eerste vertrok een groep arme boeren op weg naar het Heilige land. Ze waren slecht bewapend en gebruikten veel geweld om aan eten te komen. Ook vermoordden ze in Mainz en Regensburg in het Duitse rijk niet-christenen, zoals joden. Na een tocht van zes maanden werden ze verpletterend verslagen in wat nu Turkije is. Tekening uit de 15de eeuw.
Bron
In januari 1098 stierven duizenden kruisvaarders van de honger. Ze zouden uit wanhoop ‘honden en ratten… de huiden van dieren en zaden uit mest’ eten. De prins van Blois schreef aan zijn vrouw: ‘De hele winter leden we onder extreme kou en enorme regenbuien.’
Ook het gevolg van ridder Raymond van Toulouse kreeg te maken met hongersnood. Iemand schreef:
‘Ik aarzel om te zeggen dat velen, gekweld door de gekmakende honger, stukken vlees van lijken afsneden. Deze stukken kookten en aten ze. Ze verslonden het als beesten, terwijl het nog niet eens goed geroosterd was.’
Bron 18
Bron 19
Ridders van een kruistocht noemden zich kruisridders. Hier vallen ze een stad aan tijdens de Eerste Kruistocht (1096-1099). De kruisridders gebruikten veel geweld tegen de bevolking. Tekening uit de veertiende eeuw.
Raymond van Aguilers ging mee met de Eerste Kruistocht. Over de verovering van Jeruzalem door de christenen schreef hij:
”Sommige heidenen werden genadiglijk onthoofd, andere met pijlen doorboord of van een toren gesmeten, terwijl weer andere na langdurige marteling de dood vonden in laaiende vlammen. Bergen hoofden, handen en voeten lagen in de huizen en straten en de soldaten en ridders renden over de lijken heen en weer!”
Naar: een ooggetuigenverslag van Raymond van Aguilers, 1099.
De tijd die wij Late Middeleeuwen noemen, heet in Japan ‘tijd van strijdende provincies’. Die naam laat al zien dat het er vaak oorlog was.
• Je kunt beschrijven hoe de samenleving in Japan eruitzag in de Middeleeuwen.
• Je kunt verschillen tussen het shinto-geloof en het christelijke geloof noemen.
• Je kunt beschrijven volgens welke regels de samoerai leefden en vochten.
De Japanse samenleving in de vijftiende eeuw
Japan bestond in deze tijd uit provincies. Belangrijke steden waren Kyoto en later Edo (dat nu Tokio heet). Er was een keizer, maar die had weinig macht. De hoogste politieke leider in het land was de shogun. Hij was ook de baas van het leger. De bevolking bestond vooral uit boeren en vissers. Er was ook handel, hoewel handelaren weinig aanzien in Japan hadden. Vrouwen werkten mee met hun man, maar telden nauwelijks mee in de samenleving. Er waren wel uitzonderingen. Geisha’s waren vrouwen met een opleiding. Hun taak was het om mannen uit de hogere klassen te vermaken. Zelf kwamen ze meestal uit de lagere klassen. Concubines waren minnaressen van hoge militairen. Zij hadden vaak invloed op politieke en militaire beslissingen.
Geloof
De oudste religie in Japan heet shinto Aanhangers van het shintoïsme geloven in natuurgeesten. Deze geesten, de kami, leven in bijvoorbeeld bomen, bloemen, dieren en bergen. In dit geloof is veel respect voor de natuur. Japanners leefden daardoor zo goed mogelijk samen met de natuur. Het vereren van de goden gebeurde dan ook buiten. Soms werd daarvoor een tempel gebouwd op een bijzondere plek in de natuur, bijvoorbeeld boven op een berg. Bij het shinto-geloof horen geen priesters of hoge geestelijken zoals in de katholieke kerk. Ook is er volgens deze religie geen leven na de dood.
Bron 21
Een boze kami. Tekening uit de 12de eeuw.
Samoerai
Rijke families hadden de macht in de provincies en vochten met elkaar om land. Hun legers werden aangevoerd door speciale krijgers: samoerai. Samoerai-strijders kwamen uit rijke families en ze waren in die tijd een soort supersterren. De meeste samoerai waren man, maar er waren ook vrouwelijke strijders. Een samoerai mocht nooit laten zien dat hij bang was of pijn had. Wanneer hij zich niet aan de regels van de bushido hield, verloor hij zijn eer. De enige oplossing was dan zelfmoord: seppuku. Bij seppuku stak de samoerai zelf zijn zwaard in zijn buik.
De samoerai hielden zich aan een erecode, de bushido. De zeven regels zijn:
1 Een samoerai liegt nooit.
2 Een samoerai is altijd respectvol voor anderen. Hij is zelfs tegen zijn vijanden beleefd.
3 Een samoerai vecht door tot hij of zijn tegenstander sterft.
4 Een samoerai heeft een sterk eergevoel. Bij een fout pleegt hij seppuku
5 Een samoerai staat altijd voor iedereen klaar.
6 Een samoerai doet altijd wat hij belooft.
7 Een samoerai is trouw aan zijn meester.
Bron 22
Bron 23
In de 12de eeuw was er een grote oorlog tussen de families Taira en Minamoto. Deze oorlog duurde vijf jaar. Er vochten ook vrouwelijke strijders mee. Geschilderd tussen 1600 en 1650.
Bron 24
Tomoe Gozen was een beroemde samoerai uit de Tijd van strijdende provincies. Ze vecht met een naginata. Een naginata is een lange stok met daarop een kort zwaard. Bij een gevecht van man tot man gebruikten samoerai een zwaard, de katana. De tekening is uit de zeventiende eeuw.
1.7 afsluiting
1415 Jan Hus wordt als ketter verbrand
1511 de eerste druk van Erasmus’ Lof der zotheid verschijnt 1515 Karel V wordt landsheer van de Nederlanden
LEErDoELEn
• Je kunt uitleggen wat de Renaissance was en waarom die in Italië ontstond.
• Je kunt uitleggen wat het humanisme was.
• Je kunt uitleggen hoe de kritiek op de katholieke kerk leidde tot de Hervorming.
• Je kunt uitleggen hoe de Hervorming leidde tot een splitsing binnen de kerk.
• Je kunt de belangrijkste verschillen tussen Luther en Calvijn noemen.
• Je kunt beschrijven hoe de Habsburgse centralisatiepolitiek leidde tot onrust in de Nederlanden.
• Je kunt beschrijven hoe de Habsburgse religieuze politiek leidde tot onrust in de Nederlanden.
• Je kunt uitleggen welke gevolgen de onrust in de Nederlanden had.
• Je kunt uitleggen welke motieven mensen hadden om mee te doen aan de Opstand.
1555 Filips II volgt Karel V op als landsheer
1566 de edelen bieden het Smeekschrift aan en de Beeldenstorm breekt uit 1568 Willem van Oranje begint de Opstand
1579 de Unie van Utrecht wordt opgericht 1581 de opstandige gewesten besluiten dat Filips II niet meer hun landsheer is 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ontstaat
1648 Spanje en de Republiek sluiten vrede in Münster 1517 de Hervorming begint met Luthers klachtenlijst tegen de aflaathandel
• Je kunt beschrijven hoe de oorlog verliep die voortkwam uit de Opstand.
• Je kunt uitleggen hoe de Republiek ontstond en werd bestuurd.
LEErDoELEn
Wereldgeschiedenis
• Je kunt beschrijven hoe het Ottomaanse Rijk werd bestuurd.
• Je kunt de religieuze politiek van de Ottomaanse sultans beschrijven.
LEErDoELEn
Vaardigheden
• Je kunt motieven herkennen.
• Je kunt standplaatsgebondenheid herkennen.
• Je kunt nagaan hoe betrouwbaar informatie in bronnen is.
• Je kunt gebeurtenissen in chronologische volgorde zetten.
• Je kunt continuïteit en verandering herkennen.
• Je kunt verschillende soorten bronnen herkennen.
Paus urbanus. Paus van 1088 tot 1099. Hij riep mensen op om mee te gaan op kruistocht.
Keuzeopdracht a : De moord op graaf Floris V van Holland
Het is het jaar 1296. Bij kasteel het Muiderslot staat een groep boze boeren. Ze willen hun graaf, graaf Floris V van Holland en Zeeland, bevrijden. Hij is tijdens de jacht door drie edelen ontvoerd en opgesloten in het Muiderslot. Dan horen de boeren paardenhoeven en geschreeuw. Ze vinden graaf Floris bloedend in de sloot. Hij is dood. Later zal uitkomen dat hij 22 keer gestoken is met een mes.
Vrije boer Frans: ”Graaf Floris heeft ervoor gezorgd dat ik een stuk land kreeg. Floris heeft ervoor gezorgd dat mensen zoals ik een iets beter leven kregen.”
Beatrix van Vlaanderen, de vrouw van graaf Floris:
”Waarom kiest mijn man in de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, de kant van de Fransen?” ”Terwijl de Franse koning het graafschap Vlaanderen van mijn vader wil afpakken!”
Edward I, koning van Engeland:
Filips IV de Schone, koning van Frankrijk:
gerard van Velzen, leenman van graaf Floris:
Herman van Woerden, leenman van graaf Floris:
”Floris zit mij altijd dwars. Hij moet aftreden, zodat zijn zoon Jan de nieuwe graaf kan worden. Jan vertrouw ik, want hij is aan mijn hof opgegroeid.”
”Fijn dat Floris nu aan mijn kant staat. Nu kan ik die Engelsen gemakkelijker verslaan.”
”Floris heeft mijn land aan de boeren gegeven. En nu geeft hij die boeren ook allerlei rechten. Dat gaat ten koste van mijn macht.”
”Floris heeft mijn gebied van de bisschop van Utrecht gekocht. Ik had het zelf willen kopen! Ik ben nu verplicht om leenman van Floris te worden.”
gijsbrecht van amstel, leenman van graaf Floris: ”Floris heeft mij gevangen genomen en mij gedwongen om zijn leenman te worden. Toen moest ik hem ook nog eens 2000 florijnen betalen. En dat terwijl ik altijd zo goed voor hem heb gezorgd!”
Frederick, Schout van amsterdam: ”Ik ben zo blij dat graaf Floris ons het tolrecht heeft gegeven. Nu mogen we zelf tol heffen en hoeven we dit geld niet aan de graaf af te geven!”
Edward I, koning van Engeland: ”We moeten een plan bedenken om Floris uit te schakelen. Hij beweert dat hij recht heeft op de troon van Schotland, maar ik wil de nieuwe koning van Schotland worden!”
Bisschop Baldewijn: ”Een christen die een zonde begaat, zal branden in de hel.” nawoord ”De schuldige is uiteindelijk drie dagen gemarteld en daarna gevierendeeld.”
Keuzeopdracht B: Monsters op de kerk
Stel je voor dat je voor een grote kathedraal uit de Middeleeuwen staat. Het gebouw ziet er indrukwekkend en heilig uit. Maar als je goed naar boven kijkt, dan zie je allerlei enge monsters. Het zijn vaak zogenaamde waterspuwers. De middeleeuwse steenhouwers hebben de buizen aan de dakgoten die het water afvoeren veranderd in allerlei fantasiefiguren. Het water stroomt dan uit de bek. Deze figuren waren bedoeld om de duivel weg te jagen. Ze zouden ook de mensen laten zien hoe het in de hel was. De steenhouwers gebruikten veel fantasie om de monsters zo angstaanjagend mogelijk te maken. Veel monsters zijn chimera’s, dat betekent dat ze een mix zijn van verschillende dieren. Een griffioen is bijvoorbeeld een mix van een leeuw en een adelaar. Volgens een legende zouden deze monsters op de de kerk ’s nachts tot leven komen. Bij daglicht veranderen ze weer in steen.
Bernard van Clairvaux, een bekende monnik uit de twaalfde eeuw, had een duidelijke mening over deze traditie:
”Wat doen deze monsters op onze kloosters? Wat is de betekenis van deze onreine apen, deze vreemde wilde leeuwen en monsters? Waarom zijn deze figuren, half beest, half mens, hier geplaatst? Zeker, als we ons al niet schamen voor deze absurde wezens, dan zouden we in elk geval spijt moeten hebben van het geld dat we eraan hebben uitgegeven.”
Bron 37
Waterspuwer op de kathedraal van Reims. Drie monsters op de Notre-Dame, een kathedraal in het centrum van Parijs.
Begrippen
ambacht
burgemeester (in de Middeleeuwen)
Burger
gemeenteraad
gilde
Hanze
kathedraal
Kruistocht
pelgrim
schout
Het uitoefenen van een beroep om producten te maken.
Voorzitter van de adviesraad.
In de Middeleeuwen: inwoner van een stad die belasting betaalt en burgerrechten heeft.
Gekozen groep mensen die besluiten neemt over wat er in de gemeente moet gebeuren.
Vereniging van mensen met hetzelfde ambacht of met hetzelfde beroep.
Groep steden die met elkaar samenwerkten om meer handel te krijgen.
Hoofdkerk van een bisdom, het gebied dat een bisschop bestuurde.
Een oorlog waartoe de kerk oproept, officieel bedoeld om het christendom te verdedigen.
Iemand die een tocht maakt naar een plaats die heilig is volgens zijn geloof.
Hij liet misdadigers opsporen en klaagde ze aan bij de schepenen. stadsrechten
Recht van een stad op eigen bestuur. wethouder
Voert de besluiten van de gemeenteraad uit.
2 De stad in de Late Middeleeuwen
2.1 Introductie
1 Dordrecht
Bekijk: bron 1.
a Kies het als je het ziet in bron 1.
■ Drie kerken.
■ Een bootje met spullen
■ Twee rivieren.
■ Een molen.
■ Een man staat voor de stadspoort.
b Schrijf twee dingen op die je nog meer ziet.
c Wat zit er in de zak die de man op zijn rug draagt, denk je?
2 Verdediging
Bekijk: bron 1.
De stad kon zich verdedigen tegen een aanval van een vijand. Waaraan zie je dat?
3 Watersnoodramp
Bekijk: bron 1, en opdrachtbron 1.
a Het schilderij in bron 1 bestaat uit twee delen. Opdrachtbron 1 is het andere deel.
Kies in opdrachtbron 1 waar je dit ziet:
■ Een dijk is doorgebroken.
■ Iemand is verdronken. Het lijk drijft in het water.
■ Een moeder en haar drie kinderen worden in een bootje in veiligheid gebracht.
■ Een koe verdrinkt.
■ Een huis staat onder water.
b Wat zie je nog meer?
Schrijf het op.
c Welke overeenkomsten en verschillen zie je tussen de stad in bron 1 en de dorpjes in opdrachtbron 1?
stad dorp
kerk
stadsmuur
alle huizen van steen
akkers
4 Stad of dorp?
Lees: Naar de stad.
a Dordrecht ligt aan drie rivieren. Waarom is dat gunstig voor de handel?
b Doe deze opdracht samen.
Denk aan een grote stad bij jullie in de buurt. of aan de stad waar jullie zelf wonen. Wat heb je daar of kun je daar doen wat niet in een dorp kan?
Je hoeft het antwoord niet op te schrijven.
c Woon jij in een stad of dorp?
Ik woon in een , dat vind ik fijn | niet fijn, want .
Opdrachtbron 1
Bron 1
In de nacht van 19 november 1421 brak een dijk vlakbij Dordrecht door. Het gebied rondom de stad overstroomde: 23 dorpen verdwenen in het water en duizenden mensen en dieren verdronken. Gelukkig konden er ook veel mensen vluchten.
5 Veranderingen in beroep en bestuur
Lees: Waarover gaat dit hoofdstuk?
a Welk beroep hadden de meeste mensen tussen het jaar 500 en 1000?
b Vanaf het jaar 1000 veranderde dat. Waarvan leefden de mensen in de stad? 1 2
c Wat veranderde er in het bestuur in de Late Middeleeuwen?
Zet een rondje om de goede woorden.
Adel: meer | minder macht
Steden: meer | minder macht
6 De Middeleeuwen
Bekijk: de tijdbalk.
a Dit hoofdstuk gaat over de Middeleeuwen. Maar die duurden langer dan de tijd waarover je in dit hoofdstuk leert.
Wanneer begonnen de Middeleeuwen?
b over welk deel van de Middeleeuwen gaat dit hoofdstuk?
Schrijf de jaartallen op.
c Hoe heet deze tijd ook wel?
2.1 Burgers in de stad
opdrachten
1 Veranderingen
Lees: Meer oogst… Bekijk: bron 2.
a Waardoor verdwenen steden of werden ze kleiner na het vertrek van de romeinen?
b Welke twee veranderingen in de landbouw waren er na het jaar 1000? 1 2
c Welke verandering zie je in bron 2?
2 Stad en platteland
Je oefent: oorzaak en gevolg.
Lees: … meer handel.
a De handel nam na het jaar 1000 toe. Dat had twee oorzaken. Zet een rondje om het juiste woord.
Het ging beter met de landbouw en het werd voor handelaren goedkoper | veiliger om op reis te gaan.
b De oogsten werden groter door nieuwe uitvindingen. Wat was het gevolg? gebruik in je antwoord het woord ‘markt’.
3 Op de markt
Lees: Een goede plek. Bekijk: bron 3.
a Dit zie je op de markt in bron 3.
Zet de cijfers op de juiste plaats in opdrachtbron 2.
b Teken in figuur 1 het kaartje:
• een kasteeltje
• drie boerderijen
• een molen
• een rivier (blauw)
c ruil je werkblad met dat van een klasgenoot.
d Plaats bij opdracht b op die plek een stip.
e Leg elkaar uit waarom je juist die plek kiest voor een nieuwe stad.
f neem je eigen werkboek weer voor je. Praat samen over de plekken die jullie hebben gekozen. Zit er verschil tussen? Welke plek is de beste?
a Hoe noem je de inwoners van de stad in de Late Middeleeuwen?
b Waarom wilden veel mensen toen graag in de stad gaan wonen? noem drie redenen. Lees nog eens de introductie van dit hoofdstuk als je het niet meer weet.
5 Stadsrechten
Lees: Eigen baas zijn.
a Zet de volgende zinnen in de juiste volgorde, zodat ze samen een logisch verhaal vormen.
Geef het aan met de cijfers 1 tot en met 5.
Geef het aan met de cijfers 1 tot en met 5.
De graaf is de baas over de inwoners van de stad.
De stad wordt rijk.
De burgers willen eigen baas zijn in hun stad.
De graaf geeft de stad stadsrechten.
In het gebied van de graaf ontstaat een stad.
b Waarom wilden de burgers van een stad graag stadsrechten hebben?
c ook voor een graaf was het voordelig om een stad stadsrechten te geven. Waarom?
Opdrachtbron 3
Uit het Stadsrecht van Delft in 1246:
”Ik, Willem, graaf van Holland, maak bekend dat ik aan de burgers van Delft de volgende rechten heb verleend.”
• De burgers hoeven geen tol* te betalen over goederen die zij hun stad in- en uitvoeren.
• Wie burger van Delft wil worden, zal mij trouw zweren.
• Aan de stad zal hij geven vijf schelling en de schout vier penning.
• Iedere burger die door de schepenen schuldig bevonden wordt, zal worden gestraft.
*Geld dat je moet betalen om bijvoorbeeld een brug of een weg over te gaan. In dit geval moest je tol betalen om spullen in de stad te mogen verkopen.
Bron 3
6 Wie doet wat?
Lees: Het bestuurn, en Hoe gaat dat nu?
a Wie doet wat in de middeleeuwse stad?
Zet een rondje om de goede woorden.
1 Zij denken mee over wat er moet gebeuren. edelen | burgers
2 Hij spoort misdadigers op. schout | schepenen
3 Hij is de baas van de schepenen. schout | burgemeester
4 Zij berechten misdadigers. schout | schepenen
5 Hij is de voorzitter van de raad van burgers. schout | burgemeester
b Welke twee taken heeft een burgemeester in onze tijd? 1 2
c Hoe heet de burgemeester van de gemeente waarin jij woont?
Zoek het op als je het niet weet.
7 Burgers
Bekijk: bron 4.
a Waaraan herken je in bron 4 de bestuurders van de stad?
b En waaraan herken je de burgers van de stad?
c De mannen vooraan maken alle vier hetzelfde gebaar. Bedenk wat dat betekent. En waarvoor zou het zijn?
8 Vrijheid
HoE gaat Dat nu?
Waarom is geschiedenis belangrijk? Burgers in de stad voelden zich vrij, want ze waren geen horigen meer. Bij geschiedenis leer je nadenken over wat vrijheid is.
a Waren burgers in de Middeleeuwse stad helemaal vrij?
Leg je antwoord uit.
b Waarom voelden ze zich toch vrij?
c Jullie moeten je ook aan veel regels houden. Door welke regels voelen jullie je onvrij? Van welke regels vind je het goed dat die er zijn? Praat er samen over. Je hoeft niets op te schrijven.
ging het beter met de . De van de waren groter. Hierdoor konden ze een deel . Van de opbrengst kochten ze
die ze niet zelf konden maken. Zo kwam er steeds meer . Handelaren kozen een
plek om hun goederen op te slaan en om te wonen. Die plek lag in de buurt van een of , en langs
. Op zulke plaatsen ontstonden nieuwe
. Mensen in de stad noemden zich
b Wie was de baas in de stad?
Zet een rondje om het goede woord.
1 Na het jaar 1000 kreeg de edelman meer | minder macht over de stad.
2 Het krijgen van stadsrechten betekende dat de graaf of hertog | burgers zelf beslissingen mochten nemen over hun stad.
3 In een Middeleeuwse stad was de burgemeester | schout de baas van de politie.
4 De schout | schepenen spoorde misdadigers op.
2.2 Werken in de stad
opdrachten
1 Ambachten
Lees: Met de hand gemaakt.
a noem drie voorbeelden van ambachten.
b Vul in.
Kies uit: ambacht | gilde.
1 Een is een beroep.
2 Een is een groep mensen met hetzelfde beroep.
3 Alle mensen die een uitoefenen, maken producten met hun handen.
2 Taken gilde
a Het gilde had vier taken. Maak de zinnen af.
1 Werd een lid van het gilde ziek, dan
2 Het gilde lette erop dat de kwaliteit
3 Het gilde bepaalde de
4 Het gilde zorgde voor de opleiding van de
b Bij opdracht 2a staan vier taken van de gilden in de Middeleeuwen. Wie zorgen daar in onze tijd voor?
Kies uit: inspecteurs die de kwaliteit controleren | scholen | fabrikanten | overheid.
3 Lid worden
Lees: Lid worden van een gilde, en bron 6. Bekijk: bron 5.
a Zet de zinnen in de juiste volgorde.
Geef het aan met de nummers 1 tot en met 5.
Je moet een meesterproef doen.
Je mag als gezel bij de meester aan de slag.
Je bent een meester.
Je mag een meesterproef van een gezel beoordelen.
Je ouders laten je als leerling achter bij een meester.
b Wie is de meester en wie is de gezel in bron 5? Waaraan zie je dat?
c Wat zouden ze aan het maken zijn?
d Wat valt je op aan de regels van dit gilde (bron 6)? Noem twee dingen. 1 2
4 Beroep
Lees: Vrouwen in het gilde. Bekijk: bron 7.
Is bron 7 een bewijs voor wat je leest in de tekst?
Ja | nee , want
5 Geld
Lees: Van ruilhandel naar geldhandel.
a Lees de zinnen: is het ruilhandel of geldhandel?
Ik geef je drie kippen voor dit stuk stof. Dit is: . Deze blauwe linnen stof kost 1 zilveren munt. Dit is: .
b Waarom is geldhandel handiger dan ruilhandel als je veel moet reizen?
c Waarom waren er veel geldwisselaars op de markt?
d Bij een bank kun je geld sparen of geld lenen. Leg uit dat geldwisselaars eigenlijk de eerste banken waren.
e Joden hebben vaak te maken met vooroordelen. Een vooroordeel is een mening die mensen hebben over iemand of over een groep, die niet gebaseerd is op feiten. Ook nu nog. Bijvoorbeeld dat Joden altijd op geld uit zijn. Dit vooroordeel komt uit de middeleeuwen.
Leg dit uit met wat je weet over gilden.
6 Geldhandel
Bekijk: bron 8.
a Beschrijf hoe je het ziet in bron 8.
Geld bewaren:
Geld wisselen:
b Het woord ‘bank’ bestond pas laat in de Middeleeuwen. tot die tijd heette het: telkamer. Leg uit waarom dit woord goed bij het doel paste.
7 Samenwerken
Lees: De Hanze.
a Wat is een Hanze? Kruis het juiste antwoord aan.
● De jaarmarkten van de steden in Nederland en Duitsland.
● Een groep steden die veel met elkaar handelden.
● De tol die kooplieden moesten betalen.
b Hanzesteden wilden zoveel mogelijk handel tussen hun steden. Hoe probeerden ze dat te bereiken? noem vier dingen.
c Zet een rondje om drie Hanzesteden in nederland.
8 Oude steden
HoE gaat Dat nu?
Waarom is geschiedenis belangrijk? Steden langs de IJssel in het oosten van Nederland zijn in onze tijd kleine steden. Maar in de Late Middeleeuwen waren het grote, rijke handelssteden. Je kunt dat nog steeds aan die steden zien. Bij geschiedenis leer je dat hoe Nederland er nu uitziet, te maken heeft met het verleden.
a Stel, je gaat in een oude stad op zoek naar sporen uit de Hanzetijd. Waar let je op?
■ Is er een haven?
■ Is er een marktplein midden in de stad?
■ Is er een station?
■ Staan er oude pakhuizen?
■ Staan er stoplichten?
■ Zijn er resten van een Middeleeuwse stadsmuur of stadspoort?
b Kies een van de steden van opdracht 8c. Zoek in de stad een voorbeeld dat komt uit de Hanzetijd. Print het plaatje uit en plak het in het kader, of teken het na.
9 Antwerpen
Bekijk: opdrachtbron 3.
a antwerpen is een drukke handelsstad. Leg uit hoe je dat kunt zien.
b op de kade zie je een groot, rond wiel. Er loopt een man in. Zet er een rondje om.
c Bedenk waarvoor het zal zijn.
d Was antwerpen een rijke stad, denk je? Leg je antwoord uit.
10 Dit weet je nu
a noem twee beroepen die je in een middeleeuwse stad vond.
b noem drie dingen die het gilde bepaalde.
c Wat was een Hanze?
2.3 geloof in de Middeleeuwen
opdrachten
1 Geloof
Lees: Leven na de dood. Bekijk: bron 9.
a In de Middeleeuwen geloofden mensen dat je na je dood op twee plekken terecht kon komen. Welke twee?
b Gebruik de begrippenlijst in de Afsluiting. Kruis aan als je het gezien hebt in bron 9.
■ Een rode duivel.
■ Mensen die levend worden gekookt.
■ Mensen die op hun kop worden opgehangen.
■ Twee mensen aan het spit.
c Schrijf nog twee dingen op die je ziet.
d Hoe zou de hemel eruitzien, volgens de christelijke middeleeuwers? Teken het!
2 Hemel en hel
Lees: Leven na de dood.
a Hoe kon je na je dood in de hemel komen, volgens de priesters?
b En wanneer ging je naar de hel?
c In opdrachtbron 1 (bladzijde xx) zag je een grote overstroming. Veel mensen en vee verdronken. Wat dachten mensen dat de oorzaak hiervan was?
3
Kerken in de Middeleeuwen
Lees: Hoger, beter, mooier. Bekijk: bron 10.
a In de Late Middeleeuwen bouwden mensen hun kerken steeds hoger en mooier. Waarom?
b Bijna alle gilden werkten mee aan de bouw van de kerk.
Welke gilde deed wat?
Zet deze gilden op de juiste plaats in het schema: slotenmakers | metselaars | klokkenmakers | timmerlieden | glasblazers | steenhouwers
Wat moest er gebeuren?
De muren metselen.
De kerkdeuren maken.
Stenen hakken voor de muren van de kerk.
Glas-in-loodramen maken.
Een slot in de deur zetten.
Een klok voor in de toren gieten.
Welk gilde deed dat?
c Welke ambachtslieden zie je aan het werk in bron 10?
4 Kerken nu
HoE gaat Dat nu?
Waarom is geschiedenis belangrijk? Een gotische kathedraal is nog steeds een bijzonder gebouw. Veel mensen willen zo’n kerk graag bezoeken. Er komen bijvoorbeeld elk jaar 1,5 miljoen toeristen naar Reims en zelfs 13 miljoen toeristen naar de Notre-Dame kathedraal in Parijs. Ook in Nederland zijn middeleeuwse kerken nog steeds een bezienswaardigheid.
Bekijk: bron 11.
a Zoek op: in welke plaatsen in nederland vind je een gotische kerk uit de Late Middeleeuwen?
b Zou jij zo’n kerk gaan bekijken, als je de kans had? Waarom wel of waarom niet? Praat er samen over. Je hoeft niets op te schrijven.
5
Op reis
Lees: Op kruistocht. Bekijk: bron 12.
a Wat is een pelgrim?
b Wat gebeurde er met een pelgrim die ’s avonds bij een stad aankwam?
c Waarom gingen veel pelgrims juist naar Jeruzalem?
d Waardoor was het voor pelgrims rond het jaar 1000 niet meer veilig om naar Jeruzalem te reizen?
Opdrachtbron 4
In 1095 hield paus Urbanus II een toespraak:
”Beminde gelovigen, een vreemd volk uit het oosten heeft het land van de christenen veroverd en hen gevangengenomen. Ze hebben wrede martelingen uitgevoerd: ze halen het uiteinde van de ingewanden eruit en binden dat aan een paal; dan jagen ze hun slachtoffers met zweepslagen om de paal heen, totdat al hun darmen uit hun lichaam zijn getrokken en ze dood op de grond neer vallen. Deze onreine mensen hebben het Heilige Graf van onze verlosser Christus in handen!”
Naar: Robert de Monnik, Historia Iherosolimitana, 1107.
Bron 4
6 Vreemd volk
Je oefent: feit en mening.
Lees: opdrachtbron 4.
a In de eerste zin zegt de paus ‘een vreemd volk uit het oosten’. Wie bedoelt hij?
b Bedenk waarom de paus dit vreselijke verhaal aan de mensen zal vertellen.
c noem een feit uit de bron.
d Welke mening heeft de paus over het volk uit het oosten?
e Bedenk waarom hij dat denkt.
7 Oproep
De paus riep op tot de eerste kruistocht in 1095. Waarom werd Jeruzalem dan pas in 1099 veroverd?
Dit weet je nu
8 Dit weet je nu
a Waarom was het geloof voor mensen in de Middeleeuwen zo belangrijk?
b Waarom bouwden middeleeuwers grote kerken?
c Waarom gingen ridders op kruistocht?
2.4 Leven in de stad
opdrachten
1 In de stad
Lees: In de stad. Bekijk: bron 13.
a Wat kun je allemaal kopen in deze winkelstraat?
b Welk beroep zie je in het midden?
c ‘Lange tijd dachten historici dat het in de middeleeuwse stad heel vies was.’ Leg met behulp van bron 13 uit dat deze uitspraak niet klopt.
d Een uitdrukking is ‘stadslucht maakt vrij’. Wat wordt daarmee bedoeld?
2 Muur
Lees: Veilig achter dikke muren?
a Bedenk waarom het leger van de vijand graag steden wilde veroveren.
b Bedenk waarom mensen in de stad honger leden als hun stad werd belegerd.
c De burgers wachtten zo lang mogelijk voordat ze zich overgaven aan de vijand. Welke goede reden hadden ze daarvoor?
3 Aanval
Bekijk: bron 14.
a Vul de juiste woorden in.
Het leger van de vijand kon op twee manieren de stad binnenkomen.
1 Door de te veroveren, waardoor ze naar binnen konden lopen.
2 Door de over te zwemmen en over de te klimmen.
b Hoe zijn de aanvallers de stad Caen binnen gekomen?
Op manier 1 | manier 2 , want
c Streep het foute woord door.
Bij een aanval op de stad waren de verdedigers | aanvallers in het voordeel.
d Wat veranderde er voor de verdediging van een stad, toen er geweren en kanonnen kwamen?
e Met welke nieuwe wapens worden steden nu aangevallen?
4 Ratten
Je oefent: feit en mening.
Lees: De Zwarte Dood, en opdrachtbron 5.
a De pest werd overgebracht door vlooien die op ratten zaten. In de steden waren vreselijk veel ratten.
Bedenk hoe dat komt.
b Wanneer in een stad de pest was uitgebroken, vluchtten mensen naar andere steden. Vaak brak daar dan ook de pest uit.
Hoe zou dat komen?
c Leg uit waarom de pest de Zwarte Dood werd genoemd.
d Noem een feit en een mening in opdrachtbron 5.
Feit:
Mening:
Opdrachtbron 5
Twee Italiaanse schrijvers over de pest:
”Mensen kregen bulten en zwellingen in de liezen en onder hun oksels. Sommige zwellingen waren zo groot als appels, andere zo groot als eieren. Dan ging de zieke er heel vreemd uit zien. Hij kreeg blauwe en zwarte vlekken op zijn lichaam. De dokter kon niets doen. De medicijnen die hij gaf hielpen niet. Bijna iedereen stierf binnen drie dagen na het verschijnen van de bulten.’Naar: Boccaccio, Decamarone, 1353.”
”Overal leed! O, was ik maar nooit geboren! Heeft men ooit zoiets gezien of maar horen zeggen? Waar eerder heeft men ooit gelezen dat de huizen verlaten lagen, de steden ontvolkt, de akkers braak, de vloeren met lijken bedekt en de hele aardbol één onmetelijke, vreselijke leegte?”
Naar: Petrarca, 1349.
Bron 5
5 Geen medicijn HoE gaat Dat nu?
Waarom is geschiedenis belangrijk? We denken soms dat mensen in de Middeleeuwen dommer waren dan mensen nu. Bijvoorbeeld omdat ze manieren bedachten om de pest te genezen die wij nu heel raar vinden. Maar ook mensen in onze tijd zijn bang voor ongeneeslijke ziektes en bedenken bijzondere manieren om die te genezen. Wij zijn dus niet veel anders dan middeleeuwers.
a op welke manieren probeerden dokters de pest te genezen?
b Voor welke ziekte in onze tijd is er geen medicijn?
c Zijn er in onze tijd mensen die beweren dat ze deze ziekten kunnen genezen? Zo ja, geef dan een voorbeeld.
Beschrijf ook hoe deze persoon mensen wil genezen.
6 Pest
Bekijk: bron 15
a Kruis aan als je het gezien hebt in bron 15.
■ Een begraafplaats.
■ Doodskisten op een kar.
■ Een dode man.
■ Een zieke man die wat water krijgt.
■ Een man in een stoel die gedragen wordt.
b Schrijf nog twee dingen op die je ziet.
c De mensen zagen de pest als een straf van god. Wat hadden ze verkeerd gedaan?
d Vergelijk bron 13 met bron 15. Zie je het verschil?
Beschrijf wat de pest aanrichtte in de stad.
7 Boete doen
Je oefent: gebonden zijn aan tijd en plaats.
Bekijk: opdrachtbron 6.
a Hoe heten de mensen links op de afbeelding met het blote bovenlijf?
b Wat deden zij?
c Nu vinden we dit misschien raar. Verplaats je in de tijd van de pest. Leg uit waarom het niet raar is dat deze mensen dit deden.
Opdrachtbron 6
Bron 6
Flagellanten waren gelovigen die tijdens de pestepidemie op blote voeten van stad naar stad trokken. Ze zongen liederen en sloegen zichzelf met een zweep. Door op deze manier boete te doen, hoopten ze dat God hun eigen zonden en die van alle mensen in de wereld zou vergeven. En dat hij dus een einde zou maken aan de pest. Tekening uit ongeveer 1350.
8 Dit weet je nu
a Hoe was het leven in de middeleeuwse stad?
Kruis de zinnen aan die erbij passen.
■ Huizen staan dicht op elkaar.Er ligt overal afval en het stinkt er.
■ Er ligt overal afval en het stinkt er.
■ Bijna elk huis heeft een winkeltje of een werkplaats.
■ Mensen leven van de landbouw.
■ Mensen voelen zich veilig achter de stadsmuren.
■ Bij feesten en jaarmarkten was het gezellig in de stad.
b Waarom was het soms niet fijn om in een stad te wonen?
c Wat was de oorzaak van het uitbreken van de pest?
d Hoe kon een middeleeuwse stad zich verdedigen?
2.5 De Eerste Kruistocht - Verdieping opdrachten
Je gaat onderzoeken hoe de Eerste Kruistocht verliep. Je kijkt naar wie er mee gingen, wat de route was, hoe het onderweg ging en wat er aan het eind gebeurde.
1 Route
Bekijk: bron 16.
a Hoe lang waren de kruisvaarders onderweg?
b Vanuit welke stad vertrok het leger?
c Door welke landen trokken ze?
d Schrijf nog drie plaatsen op waar de kruisvaarders langskwamen.
2 Wie?
Lees: Wie gingen op kruistocht? Bekijk: bron 17.
a Wat was de belangrijkste reden voor de meeste mensen om mee te gaan op kruistocht?
b Welke andere redenen hadden groepen om mee te gaan?
Bedenk voor iedere groep een logische reden.
1 Arme horigen:
2 Vrije boeren:
3 Edelen:
4 Geestelijken:
5 Misdadigers:
c Welke mensen zie je vooral in bron 17?
3 Onderweg
Lees: bron 18. Bekijk: bron 17.
a Beschrijf de situatie onderweg op basis van deze bronnen.
b Wat deden de kruisvaarders om aan eten te komen volgens bron 17?
c Hoe kwamen ze aan eten volgens bron 18?
4 Jeruzalem
Bekijk: bron 19. Lees: bron 20.
a Wat zie je in bron 19?
b Klopt wat je leest in bron 20 met wat je ziet in bron 19?
5 Onderzoeksvraag
Hoe verliep de eerste kruistocht?
Vul bij elk onderdeel in wat je nu weet over de Eerste Kruistocht.
Wie riep op tot de kruistocht?
Wat was het doel van de kruistocht?
Wanneer vertrokken ze?
Wanneer werd Jeruzalem veroverd?
Wat was de route van de kruistocht?
Wie gingen er mee?
Wat gebeurde er onderweg?
Wat gebeurde er tijdens de verovering van Jeruzalem?
2.6 In die tijd in Japan Wereldgeschiedenis
opdrachten
1 Samenleving
Lees: De Japanse samenleving in de vijftiende eeuw.
a Wie was de hoogste politieke leider in Japan in deze tijd?
b Wie wordt er bedoeld?
Schrijf erachter: geisha of concubine.
• Een vrouw uit de lagere klasse die een opleiding kreeg en mannen moest vermaken.
• Minnares van hoge militair.
2 Natuurgodsdienst
Lees: Geloof. Bekijk: bron 21, en opdrachtbron 7.
a Vergelijk het shinto-geloof met het christelijke geloof.
shinto christendom
Geloven in…
Leven na de dood
Geestelijk leiders
Plek voor een heiligdom
b Leg uit waarom het heiligdom in opdrachtbron 7 goed past bij het shinto-geloof.
Opdrachtbron 7
Bron 7
Een torii is in het shinto-geloof een poort die de overgang van de wereld naar het goddelijke symboliseert. Deze torii werd in de middeleeuwen gebouwd.
3 Vechten
a Leg met behulp van bron 23 de naam ‘Tijd van strijdende provincies’ uit.
b Schrijf achter elk Japans woord de betekenis.
Samoerai -
Bushido –
Seppuku –
4 Wapens
Lees: bron 22. Bekijk: bron 24 en opdrachtbron 8.
a Schrijf in opdrachtbron 8 de nummers van de wapens op de juiste plaats. 1 pijl | 2 boog | 3 naginata | 4 katana.
b Stel, een samoerai verliest tijdens een gevecht zijn wapens.
Wat gebeurt er dan denk je?
● hij rent hard weg
● hij geeft zichzelf direct over
● hij vecht zonder wapens door
c Een samoerai moest zich aan veel regels houden. Met welke regel zou jij de meeste moeite hebben?
Leg uit waarom.
Opdrachtbron 8
Japanse tekening uit de 18e eeuw.
afsluiting
1 Kaart
Bekijk: bron 25.
Welk leerdoel past het best bij de kaart?
● Je kunt uitleggen hoe mensen in de middeleeuwse stad hun geld verdienden.
● Je kunt uitleggen hoe in Europa vanaf het jaar 1000 nieuwe steden ontstonden en bestaande steden groter werden.
● Je kunt de oorzaak en het gevolg van het uitbreken van de pest noemen.
2 Landbouw
Leg uit hoe veranderingen in de landbouw ervoor zorgden dat steden ontstonden of groeiden.
3 Bestuur
Je kunt beschrijven hoe een middeleeuwse stad werd bestuurd.
Doe dat door bij elke taak te schrijven welke persoon erbij hoort.
Voorzitter van de raad van burgers.
Bepaalden de straf voor misdadigers.
Hield zich bezig met het oppakken van misdadigers.
4 Geld verdienen
Leg uit hoe mensen in de middeleeuwse stad hun geld verdienden.
5 Gilde
Je kunt uitleggen wat een gilde is.
Laat dit zien door aan te geven welke uitspraken over het gilde kloppen.
■ Het gilde bepaalde de prijs van producten.
■ Het gilde bepaalde hoe een product gemaakt moest worden.
■ Bij het gilde kon je spullen kopen.
■ Iedereen die goed was in het ambacht, mocht lid worden.
6 Hanzesteden
Je kunt uitleggen wat Hanzesteden waren.
Leg dit uit in één zin.
7 Wonen in de stad
Je kunt het leven in de middeleeuwse stad beschrijven.
Doe dat door drie redenen te noemen waarom mensen graag in de stad woonden.
8 Veiligheid
Je kunt uitleggen hoe de burgers van de stad zich verdedigden.
Doe dit door de goede woorden in te vullen:
Dikke beschermden de burgers tegen de vijand.
Omdat de vijand niet zomaar kon binnenvallen, werd de stad vaak
De vijand wachtte net zo lang tot de stad zich
9 De pest
Je kunt de oorzaak en het gevolg van het uitbreken van de pest noemen.
Lees de uitspraken. Zet erachter of het een oorzaak of een gevolg is van het uitbreken van de pest.
1 Dertig miljoen mensen in Europa stierven.
2 Ratten droegen een ziekmakende bacterie bij zich.
10 Vaardigheid
Je oefent: gebonden zijn aan tijd en plaats.
Bekijk: opdrachtbron 9.
Je kunt uitleggen dat wat iemand vindt, altijd te maken met de tijd en plaats waarin hij of zij leeft. In opdrachtbron 9 zie je flagellanten.
Leg aan iemand in deze tijd uit waarom deze mensen geloofden dat zichzelf slaan met een zweep kon helpen tegen de pest.
Opdrachtbron 9
Bron 9
Tekening uit de vijftiende eeuw.
11 Wereldgeschiedenis
a Je kunt beschrijven hoe de samenleving in Japan eruitzag in de Middeleeuwen. Doe dit door drie groepen mensen te noemen die een rol speelden in de middeleeuwse samenleving.
b Je kunt verschillen tussen het shinto-geloof en het christelijke geloof noemen. Leg dit uit door een voorbeeld te noemen.
c Je kunt beschrijven volgens welke regels de samoerai leefden en vochten. noem een regel waar een samoerai zich aan moest houden.
Keuzeopdracht a : De moord op graaf Floris V van Holland
Wie heeft of wie hebben graaf Floris vermoord? En waarom? Jij gaat uitzoeken wie de dader was of wie de daders waren, en wat het motief was.
1 Uitspraken
naam Is blij dat Floris dood is, omdat
Vindt het erg dat Floris dood is
Heeft niets met de dood van Floris te maken
Lees alle teksten en alle bronnen.
a De bronnen zijn uitspraken van mensen. Schrijf hun namen in het schema op.
b Lees van elke persoon wat hij of zij gezegd heeft. Zet dan achter de naam een kruisje in de juiste kolom.
2 Wie o wie?
a Wie heeft waarschijnlijk niets te maken met de moord op graaf Floris V? Kruis het aan.
■ Iemand die blij is dat Floris dood is.
■ Iemand die het erg vindt dat Floris dood is.
■ Iemand die niets zegt over Floris.
b Streep de namen door van mensen die waarschijnlijk niets met de moord te maken hebben.
c De mensen die overblijven, zijn blij dat Floris dood is. Waarom? geef voor iedere persoon een reden. Schrijf die in het schema.
d Vul in.
Graaf Floris V is vermoord door:
Het motief was: .
Keuzeopdracht B: Monsters in de kerk
Je gaat vreemde beelden op middeleeuwse kerken en kathedralen bekijken. Daarna ontwerp je zelf een monster.
1 Bang
Lees: Monsters in de kerk.
a Welke twee doelen hadden de monsters op de kerken in de Middeleeuwen?
b Veel mensen in de Middeleeuwen waren erg bang voor het leven na de dood. Hoe zouden ze zich voelen in zo’n grote kerk met deze monsters boven hun hoofd?
2 Mening
Lees: bron 37.
a Wat vond Bernard van Clairvaux van deze monsters?
b Wat zegt het over de ambachtslieden dat er zoveel van deze fantasie-wezens gemaakt zijn?
3 Voorbeelden
Bekijk: bron 37 en 38.
a Zoek op internet naar meer voorbeelden van middeleeuwse monsters op kerken en kloosters.
Gebruik het zoekwoord ‘waterspuwers’ in combinatie met bijvoorbeeld ‘kathedraal Reims’ of ‘Notre Dame Parijs’ en klik dan op ‘Afbeeldingen’.
b Kies twee monsters die jij het mooist vindt. Print ze uit schrijf erbij waar dit monster te zien is en wat het voorstelt. Hang ze op in het lokaal.
4 Tekenen
ontwerp nu zelf een eigen monster voor de gevel van een kathedraal. Hang jullie eigen monsters ook op in het lokaal.