WERKBOEK NIVEAU 3&4
Persoonlijke verzorging MZ
m a at s c h a p p e l i j k e zorg
Persoonlijke verzorging MZ Niveau 3 & 4
C. Telman A.C. Verhoef
Colofon
Redactie
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een Over ThiemeMeulenhoff learning design company. Wezich brengen content, leerontwerp ThiemeMeulenhoff ontwikkelt van educatieve uitgeverij toteneen learning technologie samen. onze content, groeiende expertise, en ervaring en design company. WeMet brengen leerontwerp technologie samen. leeroplossingen zijn we een partner voor bij het vernieuwen Met onze groeiende expertise, ervaring enscholen leeroplossingen zijn we eenen partner verbeteren Zo kunnen we samen beter recht doen aan de voor scholenvan bij onderwijs. het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we verschillen tussen en tussen ervoor lerenden zorgen dat steeds samen beter recht lerenden doen aanen de scholen verschillen en leren scholen en persoonlijker, en efficiënter wordt.effectiever en efficiënter wordt. ervoor zorgen effectiever dat leren steeds persoonlijker,
M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
leren vernieuwen. vernieuwen. Samen leren
Taalkundige redactie
www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 3800
Colofon Auteur C. Telman A.C. Verhoef
Tekst 2000, Utrecht
Vormgeving en omslag
978 90 90 06 06662237 2237 9 ISBN 978 druk, eerste eerste oplage, oplage, 2016 2016 Eerste druk,
Studio Fraaj, Rotterdam
ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, Amersfoort, 2016 2016 © ThiemeMeulenhoff,
Fotografie omslag
rechten voorbehouden. voorbehouden. Niets Niets uit uitdeze dezeuitgave uitgavemag magworden worden Alle rechten een geautomatiseerd geautomatiseerd gegevensbestand, gegevensbestand, of verveelvoudigd, opgeslagen in een openbaar gemaakt, in in enige vorm ofofop of openbaar gemaakt, enige vorm openige enigewijze, wijze,hetzij hetzijelektronisch, elektronisch, fotokopieën, opnamen, opnamen, of ofenig enigandere anderemanier, manier,zonder zonder mechanisch, door fotokopieën, toestemming van van de de uitgever. uitgever. voorafgaande schriftelijke toestemming
Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam
Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
Illustraties TiekstraMedia, Groningen Erik Eshuis, pag. 286, 287, 289, 296, 304 Nederlandse Hartstichting, pag. 269
Fotografie Brandwondenstichting, pag. 300
Voor zover zover het hetmaken makenvan vankopieën kopieënuituitdeze deze uitgave is toegestaan Voor uitgave is toegestaan opop grond grond van 16B artikel 16B Auteurswet 1912Besluit j° hetvan Besluit van 23 augustus 1985, van artikel Auteurswet 1912 j° het 23 augustus 1985, Stbl. 471 Stbl. 471 17 en Auteurswet artikel 17 Auteurswet men dewettelijk daarvoor wettelijk en artikel 1912, dient1912, men dient de daarvoor verschuldigde verschuldigde te vergoedingen voldoen aan Stichting Publicatie- en vergoedingen voldoen aan te Stichting Publicatieen Reproductierechten Reproductierechten Organisatie Postbus 3060, (www.stichting-pro.nl). 2130 KB Hoofddorp Organisatie (PRO), Postbus 3060, (PRO), 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen gedeelte(n) uit deze uitgave Voor het overnemen van gedeelte(n) uit dezevan uitgave in bloemlezingen, readers in bloemlezingen, readers en(artikel andere 16 tot de en andere compilatiewerken 16compilatiewerken Auteurswet) dient(artikel men zich Auteurswet) dient men zich tot informatie de uitgever te het wenden. Voor uitgever te wenden. Voor meer over gebruik vanmeer muziek, film en informatie overkopieën het gebruik muziek,zie film en het maken van kopieën in het maken van in hetvan onderwijs www.auteursrechtenonderwijs.nl. het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de De uitgever heeft ernaar gestreefd auteursrechten regelen volgens wettelijke bepalingen. Degenen die de desondanks menentezekere rechten te de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgaveCO2-neutraal gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Deze uitgave is volledig geproduceerd. ® Dit voor betekent dat de gebruikte bosbouwpapier op een verantwoorde wijze heeft -keurmerk. Het deze uitgave is voorzien van het FSC plaatsgevonden. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Rondleiding door dit werkboek Het werkboek is verdeeld in thema’s. Een thema in het werkboek sluit precies aan bij een thema in de theorie. Thema 1 Oriëntatie op het werkveld PW
1
Themaopening Je leest waar het thema over gaat en welke hoofdstukken en onderwerpen aan de orde komen.
Dit thema gaat over welzijnswerk. Welzijnswerk noem je ook wel sociaal-agogisch werk. Welzijn heeft te maken met het welbevinden van mensen, met zich ‘gelukkig’ voelen. In het sociaal-agogisch werk houd je je dus bezig met het welzijn van mensen. Je probeert het gedrag van mensen zo te veranderen dat ze zich gelukkig(er) voelen. Het welzijnswerk heeft drie werkvelden: PW, MZ en SW. Elk werkveld heeft zijn eigen doelgroep en aandachtspunten. • Jij hebt gekozen voor PW. Dat staat voor pedagogisch werk. Je houdt je daar bezig met de opvoeding (pedagogiek) en opvang van kinderen en jongeren tot 23 jaar. Er zijn drie opleidingen op niveau 3 en 4. • Bij MZ (maatschappelijke zorg) draait het om het geven van ondersteuning en zorg aan mensen die dat nodig hebben. Binnen MZ zijn er zes opleidingen op niveau 3 en 4. • De afkorting SW betekent sociaal werk. In dit werkveld word je opgeleid om cliënten actief mee te laten doen in de samenleving en hun maatschappelijke positie te verbeteren. SW heeft twee opleidingen, beide op niveau 4. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Sociaal-agogisch werk • sociaal-agogisch werk = welzijnswerk • beroepen in de welzijnssector - kiezen voor sociaal-agogisch werk • beroepshouding Hoofdstuk 2: Pedagogisch werk • een baan als pedagogisch medewerker • werkvelden
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Sociaal-agogisch werk 1 1
1
1
Bij sociaal-agogisch werk gaat het om het welzijn van mens en samenleving. a Geef een ander woord voor sociaal-agogisch werk.
8
1
In dit werkboek staan verschillende soorten opdrachten. Deze helpen je om je de benodigde vakkennis en beroepsvaardigheden eigen te maken.
2
b
Wat is het doel van sociaal-agogisch werk?
c
Geef een voorbeeld van PW waarmee je dit doel laat zien.
d
Maak een mindmap met als titel: sociaal-agogisch werk. Een mindmap is een woordweb, waarbij je onderwerpen rondom een thema (in dit geval: sociaalagogisch werk) noteert. Je kunt een mindmap gewoon op papier maken, maar het kan ook op een leuke manier digitaal, via ‘Coggle’. Je kunt inloggen in op www.coggle.it met een Google-account. Coggle is gratis. Het werkt eenvoudig, maar er zijn op YouTube ook instructiefilmpjes te vinden.
De welzijnssector bevat verschillende beroepsgroepen. a Welke drie hoofdgroepen kun je onderscheiden?
Verwerking Verwerkingsopdrachten helpen je de theorie te leren en te begrijpen. Ze zijn geordend per hoofdstuk.
1 9
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Toepassing Praktijksituaties hiermee pas je de theorie toe in realistische praktijkbeschrijvingen.
Toepassing Praktijksituaties Veiligheid en uitdaging De leerlingen van basisschool De Kring hebben hun jaarlijkse sportdag. De kinderen zijn door hun leerkrachten in teams verdeeld. In elk team zit van elke jaargroep een kind. De leeftijdsverschillen zijn dus groot. Dat is bewust gedaan. Kinderen kunnen elkaar zo niet alleen helpen, er ontstaat ook een goede band tussen de verschillende groepen. Naast de activiteiten op de sportdag die elk jaar terugkomen, zijn er ook elk jaar nieuwe activiteiten. Dat maakt de dag voor alle kinderen spannend en uitdagend. Nikki is onderwijsassistent op De Kring. Ze heeft een belangrijk aandeel gehad in de voorbereiding van de jaarlijkse sportdag. Ze zat in de onderzoekscommissie. Een van haar taken was het bedenken van een nieuwe activiteit en de begeleiding ervan op de dag zelf. De leerlingen en hun begeleiders hebben geluk: het is prachtig weer en het belooft een fantastische dag te worden. Nikki begeleidt het spel ‘schat veroveren’. Ze heeft het spel zelf bedacht. Ze legt uit wat de bedoeling is: In het midden van het speelveld staat een kist. Daarin ligt een schat. Aan beide kanten van het veld staat een team achter een lijn, de jongste kinderen vooraan. Op haar fluitsignaal rent het eerste kind van beide teams naar de kist en pakt er een goudstaaf uit. De kinderen rennen terug naar hun team en tikken het volgende kind aan. Pas dan mag die teamgenoot in actie komen om een volgende goudstaaf te veroveren. Als de kist leeg is, is het spel afgelopen en worden de goudstaven geteld. Het team dat het meeste goud heeft veroverd, heeft gewonnen. ‘Duidelijk? Zijn er nog vragen?’ Die zijn er niet, het spel kan beginnen. Als het fluitsignaal klinkt, sprinten de eerste twee kinderen naar het midden van het veld, duiken tegelijkertijd in de kist om een goudstaaf te pakken en knallen met hun koppen tegen elkaar. De EHBO’er kan meteen aan het begin van de dag in actie komen en voor beide kinderen is het voor die dag over en uit. Met een buil op hun hoofd en waarschijnlijk een lichte hersenschudding worden ze vroegtijdig opgehaald door hun ouders. Nikki voelt zich schuldig. Had ze dit kunnen voorkomen?
Vaardigheden om de benodigde beroepsvaardigheden aan te leren. Themaopdrachten grotere opdrachten waarmee je met de kennis en vaardigheden aan de slag gaat. Je werkt dan ook aan belangrijke algemene vaardigheden als samenwerken, informatie zoeken, presenteren, kritisch denken, plannen en problemen oplossen.
1
1
Je maakt de opdracht in een groep van vier studenten. Jullie maken een analyse van de beschreven situatie en jullie bedenken een oplossing waarmee het spel veiliger wordt.
Werkwijze Maak deze analyse aan de hand van de volgende punten en zet je uitkomsten op papier: a Bij deze sportdag is het belangrijk om een goede balans te vinden tussen uitdaging en veiligheid. Geef in je analyse aan waarom die balans belangrijk is.
1 18
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Evaluatie Studiehulp
1 Sociaal-agogisch werk 1
Stelling 1 Een ander woord voor welzijnswerk is sociaal-agogisch werk. 2 Pedagogiek is de wetenschap die zich bezighoudt met het veranderen van het gedrag van mensen. 3 Welzijn is de mate van welbevinden. 4 MZ is de afkorting voor maatschappelijke zorg. 5 MZ bestaat uit zes opleidingen. 6 PW is de afkorting van professioneel werk. 7 Een PW’er kan werken in de kinderopvang. 8 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 9 SW is de afkorting van sociaal werk. 10 De opleiding tot agogisch werker GGZ is een van de opleidingen bij SW. 11 De cliënten waar je werk op is gericht, noem je de doelgroep. 12 Een goede beroepshouding bestaat uit: echtheid, waardering en empathie. 13 Een ander woord voor empathie is inlevingsvermogen. 14 Integer zijn wil zeggen dat je kunt opkomen voor jezelf. 15 Assertief zijn betekent dat je je kunt inleven in de cliënt.
Juist Onjuist
◯ ◯
◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
Evaluatie Studiehulp een zelftoets waarmee je controleert of je de theorie kent. Antwoorden zijn op te vragen bij je docent.
Hoeveel vragen heb je goed beantwoord?
1 Pedagogisch werk 2
Stelling 1 Bij PW werk je in de kinderopvang of in het onderwijs. 2 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 3 Onder het bijzonder onderwijs vallen scholen die uitgaan van een bepaalde levensovertuiging. 4 In een kinderdagverblijf komen kinderen van twee tot zes jaar. 5 Peuterspeelzalen zijn er voor kinderen tussen de nul en twee jaar. 6 Een gastouder mag slechts een beperkt aantal kinderen opvangen. 7 Een BSO-plus heeft een thema (zoals sport, kunst of drama) als extra. 8 Een tienercentrum is een vervolg op de buitenschoolse opvang. Er komen jongeren tussen de elf en vijftien jaar. 9 Dagopvang noem je ook wel semiresidentiële of semimurale hulpverlening. 10 24-uursopvang noem je ook wel thuisopvang of ambulante hulpverlening. 11 Een Boddaertcentrum is bedoeld voor kinderen met een meervoudige beperking.
1 28
Juist Onjuist
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
Evaluatie evalueren en reecteren zijn belangrijke vaardigheden voor jouw toekomstige beroep: zet na elk thema op een rij wat je goed beheerst en wat je actiepunten zijn.
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Vaardigheden Een vaardigheid heeft een vaste opbouw: Oriënteren Oefenen Toepassen Transfer
Vaardigheden De juiste beroepshouding tonen Oriënteren
1 1
1 2 3
Bestudeer de theorie over kiezen voor sociaal-agogisch werk en beroepshouding. Zoek drie personeelsadvertenties uit jouw toekomstige werkveld. Geef aan hoe je daarin de beroepshouding terugziet.
4
Zoek op het internet naar het kwalificatiedossier Pedagogisch werk (https://www.s-bb. nl/onderwijs/kwalificeren-en-examineren/kwalificatiedossiers) en bekijk dit. Wat zegt dat dossier over een goede beroepshouding?
5
Oefenen 6 7
Bekijk het reflectieschema hierna. Vul op de lijnen nu zelf een hulpvraag in.
Observatielijsten
Observatielijsten Bij sommige vaardigheden horen observatielijsten. Die vind je direct achter in dit werkboek. De observatielijsten zijn geordend per thema. Bovenaan staat bij welke vaardigheid de observatielijst hoort. Een observatielijst kun je gemakkelijk uit je werkboek halen. Zo kun je ze in de klas of in je BPV laten invullen.
Thema 1 Lichamelijke verzorging
277
Zorgvrager wassen op bed 277 Zorgvrager wassen op bed met wasdoekjes 281 Zorgvrager wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 285 Haren wassen op bed 289 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met een elektrisch scheerapparaat 291 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met scheermes en scheerzeep 293 Tandenpoetsen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 295 Gebitsprothese verzorgen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 297 Mondholte reinigen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 299 Therapeutische elastische kousen met een open teenstuk aantrekken 301 Therapeutische elastische kousen met een gesloten teenstuk aantrekken 303 Therapeutische elastische kousen uittrekken 305 Hygiënische verzorging van een baby 307
Thema 2 Hulp bieden bij de opname van voeding en vocht Hulp bieden aan een zorgvrager die zelf niet kan eten en drinken Flesvoeding geven 311
Thema 3 Hulp bieden bij de uitscheiding
309
1 22
309
313
Hulp bij het gebruik van een po op bed 313 Hulp bij het gebruik van een urinaal op bed 317 Verwisselen van een incontinentiemat 319 Externe katheter of condoomkatheter verwisselen 321 Katheterzak verwisselen 325 Verzorgen van een blaaskatheter 327 Laxerende zetpil toedienen 329 Microklysma (microlax) of fosfaatklysma toedienen 331 Hulp bieden bij het manueel verwijderen van ontlasting 333 Hulp bieden bij het opgeven van sputum 335 Hulp bieden bij braken 337 Hulp bieden bij het inbrengen van een tampon bij menstruatie
339
Thema 4 Hygiënisch en ergonomisch verantwoord werken
341
Handen wassen met (vloeibare) zeep 341 Handen desinfecteren met handalcohol 343 Aan- en uittrekken van steriele handschoenen 345 Creëren van een schoon of steriel werkveld 347
1 275
Iconen helpen je op weg In de kantlijn staan icoontjes. Die geven aan wat je in de opdracht kunt verwachten.
1 1 1 1 1 1 1
geeft aan dat je een deel van de theorie (nog een keer) leest om de vraag te kunnen beantwoorden. bij deze opdracht werk je samen met anderen. bij deze opdracht heb je een computer met internet nodig om informatie op te zoeken. bij deze opdracht werk je aan je schrijfvaardigheden, bijvoorbeeld met het schrijven van een uitgebreid antwoord, verslag of rapport. bij deze opdracht laat je de uitkomsten zien in een mondelinge presentatie. geeft aan dat het gaat om een creatieve opdracht. geeft aan dat deze opdracht op niveau 4 is.
Werken met dit werkboek Vind je het prettig om eerst de theorie te lezen en dan te kijken of je het weet en begrepen hebt? Lees dan eerst de theorie en maak daarna de verwerkingsvragen. Ben je meer iemand die het liefst de theorie doorneemt aan de hand van vragen? Start dan met de verwerkingsvragen en leg je theorieboek ernaast. Werk je het liefst vanuit de praktijk? Begin dan met een praktijksituatie of een themaopdracht en kijk of je de vragen kunt beantwoorden met de informatie uit de theorie.
Inhoudsopgave Thema 1 Beperkingen en aandoeningen
11
Verwerking 12 Verwerkingsopdrachten 12 Hoofdstuk 1 Beperkingen en stoornissen 12 Hoofdstuk 2 Mensen met een verstandelijke beperking 14 Hoofdstuk 3 Mensen met een lichamelijke beperking 20 Hoofdstuk 4 Ziekten en aandoening 25 Toepassing 33 Praktijksituaties 33 De BPV van Jarmila op De Paddestoel 33 Roxy heeft veel bevestiging nodig 35 Annechien is blind 37 Problemen bij de paasbrunch 40 Vaardigheden 42 Empathisch reageren bij aanwezigheid van ziekte of beperking Themaopdrachten 46
42
Evaluatie 48 Studiehulp 48 Hoofdstuk 1 Beperkingen en stoornissen 48 Hoofdstuk 2 Mensen met een verstandelijke beperking 48 Hoofdstuk 3 Mensen met een lichamelijke beperking 49 Hoofdstuk 4 Ziekten en aandoeningen 50 Evaluatie en reflectie 51
Thema 2 Lichamelijke verzorging
53
Verwerking 54 Verwerkingsopdrachten 54 Hoofdstuk 5 Zelfredzaamheid 54 Hoofdstuk 6 Huid, slijmvliezen en gebit 56 Hoofdstuk 7 Hygiënische verzorging 59 Hoofdstuk 8 Lichamelijk welbevinden 61 Toepassing 65 Praktijksituaties 65 (On)zelfstandigheid en afhankelijkheid, een te behulpzame echtgenote Autonomie begrenzen, Loes wil niet uit bed 67 Jeuk: ernstig of niet? 70 Vaardigheden 72 Mondverzorging 72 Cliënt wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 76 Themaopdrachten 80
65
Evaluatie 85 Studiehulp 85 Hoofdstuk 5 Zelfredzaamheid 85 Hoofdstuk 6 Huid, slijmvliezen en gebit 85 Hoofdstuk 7 Hygiënische verzorging 86 Hoofdstuk 8 Lichamelijk welbevinden 87 Evaluatie en reflectie 88
Thema 3 Hulp bieden bij eten en drinken
90
Verwerking 91 Verwerkingsopdrachten 91 Hoofdstuk 9 Spijsvertering 91 Hoofdstuk 10 Gezonde voeding 93 Hoofdstuk 11 Dieetleer 97 Hoofdstuk 12 Ondersteuning bij eten en drinken 100 Hoofdstuk 13 Eten en drinken bij gezondheidsproblemen
103
Toepassing 106 Praktijksituaties 106 Paul eet te weinig 106 Mevrouw Peters wordt geholpen bij het eten 109 Linda heeft eetbuien 112 Vaardigheden 115 Hulp bieden aan een cliënt die zelf niet kan eten en drinken Themaopdrachten 118 Evaluatie 121 Studiehulp 121 Hoofdstuk 9 Spijsvertering 121 Hoofdstuk 10 Gezonde voeding 121 Hoofdstuk 11 Dieetleer 122 Hoofdstuk 12 Ondersteuning bij eten en drinken 122 Hoofdstuk 13 Eten en drinken bij gezondheidsproblemen Evaluatie en reflectie 124
Thema 4 Ondersteuning bij uitscheiding
115
123
126
Verwerking 127 Verwerkingsopdrachten 127 Hoofdstuk 14 Uitscheidingsstelsel 127 Hoofdstuk 15 Urine 129 Hoofdstuk 16 Feces 133 Hoofdstuk 17 Transpiratie, sputum, braken en menstruatie
136
Toepassing 138 Praktijksituaties 138 Meneer Bouwman heeft een longontsteking Menstruatievoorlichting voor Melissa 141 Meneer De Jager heeft diarree 144 Vaardigheden 146 Werken met latex handschoenen 146 Verwisselen van incontinentiemateriaal 149 Hulp bieden bij braken 152 Themaopdrachten 155
138
Evaluatie 160 Studiehulp 160 Hoofdstuk 14 Uitscheidingsstelsel 160 Hoofdstuk 15 Urine 160 Hoofdstuk 16 Feces 161 Hoofdstuk 17 Transpiratie, sputum, braken en menstruatie Evaluatie en reflectie 163
Thema 5 Ondersteuning bij mobiliteitsproblemen
165
Verwerking 166 Verwerkingsopdrachten 166 Hoofdstuk 18 Bewegingsapparaat 166 Hoofdstuk 19 Gezond bewegen 169 Hoofdstuk 20 Hulpmiddelen en houdingen cliënt 172 Hoofdstuk 21 Tillen en verplaatsen van cliënten 175 Toepassing 179 Praktijksituaties 179 Ann is snel vermoeid 179 Marion houdt niet van bewegen maar wil wel dansen 182 Stefanie verplaatst meneer Van Bremen met een tillift 185 Vaardigheden 187 Omhoog verplaatsen van een cliënt in bed 187 Assisteren bij rechtop gaan zitten in stoel 190 Assisteren bij opstaan 193 Assisteren bij gaan zitten 196 Themaopdrachten 199 Evaluatie 203 Studiehulp 203 Hoofdstuk 18 Bewegingsapparaat 203 Hoofdstuk 19 Gezond bewegen 203 Hoofdstuk 20 Hulpmiddelen en houdingen cliënt 204 Hoofdstuk 21 Tillen en verplaatsen van cliënten 205 Evaluatie en reflectie 206
161
Thema 6 Hygiënisch, veilig en ergonomisch werken
208
Verwerking 209 Verwerkingsopdrachten 209 Hoofdstuk 22 Hygiënisch werken 209 Hoofdstuk 23 Veilig werken 214 Hoofdstuk 24 Ergonomisch werken 217 Hoofdstuk 25 Domotica 220 Toepassing 224 Praktijksituaties 224 Ruby geeft advies over de zorg thuis bij Jessy 224 Veilig opbergen van schoonmaakmiddelen 227 Kan mevrouw Hopmans veilig revalideren? 231 Vaardigheden 234 Vertrouwen opbouwen en veiligheid bieden 234 Handreiniging met (vloeibare) zeep 237 Handdesinfectie met handalcohol 241 Werken met een beeldscherm 244 Themaopdrachten 248 Evaluatie 251 Studiehulp 251 Hoofdstuk 22 Hygiënisch werken 251 Hoofdstuk 23 Veilig werken 251 Hoofdstuk 24 Ergonomisch werken 252 Hoofdstuk 25 Domotica 253 Evaluatie en reflectie 254
Thema 7
EHBO 256
Verwerking 257 Verwerkingsopdrachten 257 Hoofdstuk 26 Eerste hulp verlenen: de basis 257 Hoofdstuk 27 Verbandmiddelen en EHBO 261 Hoofdstuk 28 Uitwendige en inwendige verwondingen Hoofdstuk 29 Zorg bij geneesmiddelen 273 Toepassing 277 Praktijksituaties 277 Meneer Assima valt van de trap 277 Erika snijdt zich in haar vinger 279 Meneer Derksen struikelt over een stoeptegel 281 Chris moet medicijnen slikken van de dokter 283
265
Vaardigheden 284 Rautekgreep vanaf de grond 284 Van de buik op de rug draaien 286 Stabiele zijligging 288 Eerste hulp bij ernstige bloeding 291 Mitella aanleggen 294 Eerste hulp bij kleine verwondingen 296 Eerste hulp bij brandwonden 300 Aanleggen van drukverband bij verstuiking of kneuzing 302 Themaopdrachten 306 Evaluatie 311 Studiehulp 311 Hoofdstuk 26 Eerste hulp verlenen: de basis 311 Hoofdstuk 27 Verbandmiddelen en EHBO 311 Hoofdstuk 28 Uitwendige en inwendige verwondingen Hoofdstuk 29 Zorg bij geneesmiddelen 313 Evaluatie en reectie 314
Observatielijsten
316
312
Thema 1 Beperkingen en aandoeningen
1
Als beroepskracht MZ kun je gaan werken met mensen die ziek zijn en/of een stoornis of beperking hebben. Allerlei beperkingen, stoornissen, ziekten en aandoeningen kunnen voorkomen. Iedere beperking of aandoening is weer anders. Toch zijn er algemene zaken over te zeggen, zoals oorzaken, verschijnselen en aandachtspunten voor omgang en ondersteuning. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Beperkingen en stoornissen • stoornis, beperking, handicap en ziekte • vormen van beperkingen Hoofdstuk 2: Mensen met een verstandelijke beperking • mensen met een verstandelijke beperking • indelingen van mensen met een verstandelijke beperking • doelgroepen die om specifieke benadering vragen • een andere ontwikkeling Hoofdstuk 3: Mensen met een lichamelijke beperking • mensen met een lichamelijke beperking • leven met een lichamelijk beperking • functiebeperkingen op lichamelijk gebied • mensen met een motorische beperking • mensen met een zintuiglijke beperking • mensen met een orgaanbeperking • niet-aangeboren hersenletsel • bewustzijnsstoornissen • geheugenstoornissen • spraak- en taalstoornissen Hoofdstuk 4: Ziekten en aandoeningen • oorzaken van ziekten en aandoeningen • infectieleer • veelvoorkomende infectieziekten • ziekten veroorzaakt door macro-organismen • leeftijdgebonden ziekten • welvaartsziekten
1 11
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Beperkingen en stoornissen 1 1
1
CliĂŤnten met een beperking zijn een belangrijke doelgroep in de maatschappelijke zorg. Vorm groepen van vier studenten en bespreek in de groep de volgende vragen. a Welke ervaringen heb jij met mensen met een lichamelijke beperking? Vertel hier eens iets over. b Welke ervaringen heb jij met mensen met een verstandelijke beperking? Vertel hier eens iets over. c Welke ervaringen heb jij met mensen met een meervoudige beperking? Vertel hier eens iets over. d Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een lichamelijke beperking? Waarom wel/niet? e Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een verstandelijke beperking? Waarom wel/niet? f Zou jij wel of niet willen werken met mensen met een meervoudige beperking? Waarom wel/niet?
2
Het is belangrijk een aantal begrippen eerst helder te hebben. a Wat is een stoornis?
b
Kun je een voorbeeld geven van een zintuiglijke stoornis?
c
Kun jij een voorbeeld geven van een stoornis waarbij organen zijn betrokken?
d
Geef twee eigen voorbeelden van beperkingen. Geef hierbij aan op welk gebied zich de beperking voordoet. 1 2
e
Mensen kunnen hun beperkingen vaak compenseren met hulpmiddelen. Leg deze zin uit met een eigen voorbeeld.
1 12
Verwerkingsopdrachten
1
3
1 Beperkingen en stoornissen
Als beroepsbeoefenaar moet je het begrip handicap zorgvuldig gebruiken. a Heb je een handicap als je een vinger mist of slechthorend bent? Geef aan waarom je dat vindt.
b
Geef twee voorbeelden van stoornissen die zelden of nooit een handicap zijn. Leg bij elk voorbeeld uit waarom dit geen handicap is. 1
2
c
Een handicap is een participatieprobleem. Leg deze zin uit.
d
Noem drie verschillen tussen een ziekte en een beperking. 1 2 3
e
Kun jij nog andere voorbeelden van aandoeningen noemen? Noem er twee. 1 2
4
Het is handig beperkingen in te delen. a Welke twee indelingen zijn gangbaar? 1 2 b
Geef twee eigen voorbeelden van motorische beperkingen. 1 2
c
Gaat het bij aangeboren beperkingen alleen om beperkingen die erfelijk zijn? Geef aan waarom.
1 13
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
d
5
Wat voor gevolgen zullen vaatstoornissen hebben?
Beperkingen op lichamelijk gebied kunnen aangeboren en niet-aangeboren zijn. Hierna volgen enkele vragen over Anky. Anky is geboren met een open ruggetje. Hierdoor kan ze niet lopen en is ze incontinent (urine en ontlasting). a Heeft Anky een aangeboren of niet-aangeboren beperking?
b
Is het voor een beroepskracht MZ belangrijk om te weten of Anky een aangeboren of niet-aangeboren beperking heeft?
c
Leg uit waarom de beperking van Anky een nadelige invloed kan hebben op haar sociale ontwikkeling.
d
Leg uit waarom de beperking van Anky een nadelige invloed kan hebben op haar persoonlijkheidsontwikkeling.
1 Mensen met een verstandelijke beperking 2
1
Bij een persoon met een verstandelijke beperking is sprake van een beperking in het aanpassingsvermogen. Geef een voorbeeld waaruit dit blijkt. a In het verkeer.
b
Bij het boodschappen doen.
1 14
Verwerkingsopdrachten
2
2 Mensen met een verstandelijke beperking
De oudste indeling van mensen met een verstandelijke beperking is debiel, imbeciel en idioot. a In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking gebruikt men deze indeling niet meer. Waarom niet? Probeer twee redenen te noemen. 1
2
b
1
Als iemand een IQ heeft van 50, wat wil dat dan zeggen?
3
Hierna staan twee stellingen. Met welke stelling ben jij het het meest eens? Licht je antwoord toe. Geef aan waarom. 1 Mensen met een verstandelijke beperking moet je niet indelen in groepen. Doe je dat wel, dan benadruk je te veel dat ze een beperking hebben, en dat ze anders zijn. Je gaat te veel uit van wat ze niet kunnen en te weinig van hun uniciteituniekheid, van hun mens-zijn (net als jij en ik). Een indeling in niveaus suggereert dat je mensen met een verstandelijke beperking van hetzelfde niveau op dezelfde manier kunt aanpakken en begeleiden. In de werkelijkheid is dit niet zo. 2 Het is noodzakelijk om mensen met een verstandelijke beperking in te delen in groepen. Natuurlijk vereenvoudigt het de werkelijkheid, maar in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking geeft zo’n indeling houvast. Je weet als verpleegkundige nu zo’n beetje wat je kunt verwachten en hoe je het best kunt omgaan met een cliënt met een verstandelijke beperking.
4
Lees de volgende situatie.
Bart heeft een matige verstandelijke beperking. Hij is in het ziekenhuis opgenomen geweest, omdat diabetes is vastgesteld. Nu is hij weer terug op het woonbegeleidingscentrum. Inge werkt daar als beroepskracht MZ. Ze ziet dat Bart maar heel kort blij was weer thuis te zijn. Bart lijkt verdrietig. Als Inge hem daarnaar vraagt, zegt hij: ‘Mijn hoofd doet het niet goed en nou is ook mijn lichaam nog kapot.’
1 15
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
1
5
6
a
Beschrijf de gevoelens die zullen leven bij Bart.
b
Beschrijf op welke manier jij hem hierbij zou kunnen begeleiden.
Vaak komt een lichte verstandelijke beperking pas tot uiting wanneer het kind in groep 2 of 3 zit. a Hoe komt dit?
b
Zullen mensen met een matige en lichte verstandelijke beperking zich gemakkelijker of moeilijker staande kunnen houden in de maatschappij dan zo’n veertig jaar geleden? Geef aan waarom je dat denkt.
c
Mensen met een lichte verstandelijke beperking staan vaak nogal egocentrisch in de wereld. Wat wordt met deze zin bedoeld?
d
Waarom is het belangrijk om als begeleider te beseffen dat mensen met een lichte verstandelijke beperking gemakkelijk te beïnvloeden zijn?
Verbale communicatie met een cliënt met een (zeer) ernstige beperking is niet goed mogelijk. a Wil dit zeggen dat je tijdens zorgmomenten en in contact met hem net zo goed je mond kunt houden? Licht je antwoord toe.
1 16
Verwerkingsopdrachten
b
In de communicatie met mensen met een verstandelijke beperking is het nodig gebruik te maken van totale communicatie. Wat is totale communicatie?
c
Hoe kun je via totale communicatie deze situaties duidelijk maken aan een cliënt? • Het is tijd om thee te gaan drinken.
•
7
8
2 Mensen met een verstandelijke beperking
Het is tijd om naar bed te gaan.
Sommige cliënten met een verstandelijke beperking hebben een specifiek syndroom. a Wat is een syndroom?
b
Is het juist om te spreken van het syndroom van Down? Geef aan waarom.
c
Kun jij uitleggen waarom het fragiele-X-syndroom er bij mannen anders uitziet dan bij vrouwen?
d
Zal het fragiele-X-syndroom meteen na de geboorte ontdekt worden? Licht je antwoord toe.
Bij een meervoudige beperking is de combinatie van beperkingen meer dan een optelsom. a Geef een eigen voorbeeld van een meervoudige beperking en leg uit waarom de combinatie van beperkingen meer dan een optelsom is.
1 17
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
b
Lees de situatieschets van Theo.
Theo is doof en blind. Zijn ouders staan voor de volgende keuze. Laten we hem eerst een school voor doven en slechthorenden bezoeken zodat hij gebarentaal kan leren? Of is het verstandiger hem eerst braille te laten leren op een school voor blinden en slechtzienden?
Wat zou jij de ouders adviseren? Denk goed na voordat je antwoord geeft. 9
Kinderen met een autismespectrumstoornis spelen soms maar met één ding, bijvoorbeeld een knikkerbaan. a Waar heeft dit mee te maken? Je kunt op deze vraag meerdere antwoorden geven. 1 2 3
10
b
Wat wordt bedoeld met stereotiep gedrag?
c
Waarom is het belangrijk cliënten met een autismespectrumstoornis structuur en regelmaat te bieden?
d
Waarom is het toch ook belangrijk om enige variatie te bieden?
Cliënten met ADHD en gedragsstoornissen hebben een grote behoefte aan structuur. a Martijn (twintig jaar) heeft een matige verstandelijke beperking. Hij heeft ook ADHD. Hoe help jij Martijn tot rust te komen voor hij naar bed gaat? Noem ten minste drie mogelijkheden. Beantwoord deze vraag voor verschillende aspecten. 1 De activiteit die je doet voor het naar bed gaan.
2
Het naar bed brengen zelf.
1 18
Verwerkingsopdrachten
3
b
2 Mensen met een verstandelijke beperking
De ruimte waar hij slaapt.
Lees de kadertekst waarin Henk Bos aan het woord komt.
‘Ik heb brand gesticht in mijn kamer. Ze wisten niet of het psychisch was of geestelijk gestoord. Dat weten ze nog steeds niet. Eerst zat ik in een tehuis, toen ben ik gaan zwerven, vanaf een jaar of zestien of zo. Vanuit de kroeg ging ik met mensen mee en daar bleef ik dan weer een tijdje. Toen las ik over het gebod “Gij zult niet weerspannig zijn” en ik voelde het branden aan mijn benen. Toen heb ik de boel in de fik gestoken, ik dacht: ik ga toch naar de hel, dan ben ik er vast.’ Henk Bos liep brandend in de armen van de begeleiders op de afdeling van een psychiatrische inrichting waar hij destijds zat. Nu vertelt hij zijn verhaal op een video van stichting De Brug in Zwammerdam, afdeling Behandeling en Intensieve Begeleiding, waar hij na de brandstichting is opgenomen. Bron: I. van der Linde, ‘Onzichtbare groep’, Maandblad Markant
11
c
Wat zal Henk bedoelen met: ‘Ze wisten niet of het psychisch was of geestelijk gestoord’?
d
Wat zal het meest waarschijnlijke antwoord op die vraag zijn? Motiveer je antwoord.
Bij mensen met een verstandelijke beperking is sprake van een andere ontwikkeling. a Waarom is het belangrijk een kind met een verstandelijke beperking te stimuleren in zijn ontwikkeling?
b
Wat zijn belangrijke aandachtspunten als je een persoon met een verstandelijke beperking iets wilt leren? Noem drie verschillende aandachtspunten. 1 2 3
1 19
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
c
12
Het is nodig een goede balans te vinden tussen overvraging en overbescherming. Leg deze zin uit.
Medelijden met de cliënt is verkeerd. a Leg in eigen woorden uit waarom medelijden met mensen met een verstandelijke beperking verkeerd is.
b
Is medelijden ook verkeerd bij cliënten met een lichamelijke beperking? Leg je antwoord kort uit.
1 Mensen met een lichamelijke beperking 3
1
In Nederland woont het grootste deel van de mensen met een lichamelijke beperking zelfstandig. a Lichamelijke beperkingen komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Kun jij dit verklaren?
b
2
Wat is het nadeel van het begrip ‘beperking’?
Lichamelijke beperkingen kunnen heel verschillend zijn. a Geef drie voorbeelden van verschillende motorische beperkingen. 1 2 3
1 20
Verwerkingsopdrachten
b
3 Mensen met een lichamelijke beperking
Geef drie eigen voorbeelden van orgaanbeperkingen. 1 2 3
c
Het is handig motorische stoornissen in te delen. Geef in het schema hierna aan van welke motorische stoornis er sprake is bij de volgende verschijnselen. In het schema staan links de motorische stoornissen en rechts de verschijnselen. Verbind de begrippen links met de juiste verschijnselen rechts. Motorische stoornis
1
3
Verschijnselen
1
Amputatie
a
Spierziekten en spieraandoeningen
2
Halfzijdige verlamming
b
Ontbreken van lichaamsdelen
3
Klompvoetje
c
Stoornissen in de samenwerking van de spieren
4
Spasticiteit
d
Aandoeningen van botten en/of gewrichten
5
Ziekte van Duchenne
e
Verlammingen
De motorische beperkingen die je in de maatschappelijke zorg het meest zult tegenkomen, zijn een dwarslaesie, spina bifida, spierziekten, multiple sclerose (MS) en reuma. a Wat is een verschil tussen dwarslaesie en spina bifida?
b
Noem twee overeenkomsten tussen dwarslaesie en spina bifida.
c
Wat is een verschil tussen multiple sclerose en reuma?
d
Noem twee overeenkomsten tussen multiple sclerose en reuma.
1 21
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
4
Doofheid en slechthorendheid zijn auditieve stoornissen. a Noem drie activiteiten en hobby’s die onmogelijk zijn voor iemand die doof is. 1 2 3 b
Noem drie activiteiten en hobby’s die nog wel mogelijk zijn voor iemand die doof is. 1 2 3
c
Slechthorenden hebben in contacten met anderen vaak frustraties. Geef twee voorbeelden van zulke frustraties. 1 2
5
d
Is gebarentaal hetzelfde als non-verbale communicatie met gebaren? Licht je antwoord toe.
e
Is totale communicatie een vorm van gebarentaal? Leg uit.
Blindheid en slechtziendheid zijn visuele stoornissen. a Als iemand op latere leeftijd blind wordt, is dit vrijwel altijd een ramp. Geef drie voorbeelden van activiteiten die niet meer mogelijk zijn. 1 2 3 b
Noem drie activiteiten en hobby’s die een blinde of slechtziende persoon nog wel kan uitvoeren. 1 2 3
1 22
Verwerkingsopdrachten
c
3 Mensen met een lichamelijke beperking
Waarom is het belangrijk dat in de wereld van een blinde de dingen een vaste plaats hebben? Noem drie redenen. 1 2 3
6
Denk na over gevoelens en ervaringen bij mensen met een zintuiglijke beperking. Hierna staan enkele verschillende gevoelens en ervaringen die voorkomen bij dove en blinde mensen. Zet de gevoelens en ervaringen in de kolom in het schema waar ze het meest van toepassing zijn. Achterdocht - angst - isolement - afhankelijk - verborgen beperking - communicatieve beperking – schrikreacties - zich terugtrekken uit contact. Dove mensen
7
Blinde mensen
Orgaanbeperkingen zijn vaak progressieve ziekten. a Wat is een progressieve ziekte?
b
Geef twee voorbeelden van progressieve ziekten die geen orgaanbeperking zijn. 1 2
8
Hersenletsel heeft vaak zeer ingrijpende gevolgen en kan veel beperkingen met zich meebrengen. a Omschrijf in je eigen woorden wat de functie van de hersenen is.
1 23
THEMA 1 Beperkingen en aandoeningen
9
b
Wat is een cerebrovasculair accident?
c
Wat is een TIA?
d
Wat zou jij doen als je bij een cliënt verschijnselen van een TIA herkent? Geef aan waarom je zo handelt.
e
Waarom is iemand met epilepsie niet te vergelijken met iemand die hersenletsel heeft?
Als beroepskracht MZ kun je te maken krijgen met mensen met dementie en met cliënten met het syndroom van Korsakov. a Geef een omschrijving van het begrip ‘dementie’.
b
We kennen drie vormen van oriëntatiestoornissen. Noem ze en geef van elke vorm een voorbeeld. 1 2 3
c
Welke oriëntatiestoornissen heb jij zelf weleens aan den lijve ervaren? In welke situatie? Met welke gevoelens ging dat gepaard?
d
Omschrijf wat we verstaan onder decorumverlies.
1 24
Verwerkingsopdrachten
10
4 Ziekten en aandoening
e
Wat is de oorzaak van het syndroom van Korsakov?
f
Omschrijf wat confabuleren is.
Een taalstoornis is iets anders dan een spraakstoornis. a Wat is het verschil tussen een spraakstoornis en een taalstoornis?
b
Geef van de volgende zinnen aan hoe een afasiepatiënt met een stoornis in het taalbegrip deze zinnen (verkeerd) kan opvatten (let op de kernwoorden): • ‘Bent u al bij de logopedist geweest?’
•
c
‘Uw vrouw heeft gebeld, ze komt iets later.’
Kun je volgens jou het hebben van afasie vergelijken met in China op vakantie zijn en geen Chinees kunnen spreken en begrijpen? Geef aan waarom je dat vindt.
1 Ziekten en aandoening 4
1
Ziekten en aandoeningen kunnen veel verschillende oorzaken hebben. a Geef van elke ziekte aan of deze een inwendige of uitwendige oorzaak heeft. Ziekte
Oorzaak
a Dementie b Verkoudheid c Brandwond d Hoofdluis
1 25
Deze uitgave Persoonlijke verzorging MZ maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaak uit het kwalificatiedossier Maatschappelijke zorg. B1-K1-W2 Ondersteunt de cliĂŤnt bij de persoonlijke verzorging De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt. De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.
Auteur: A.C. Verhoef C. Telman Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 622379