PEK MOD ULE
3
Begeleiden in de groep In deze module gaat het om beroepsmatig begeleiden, waarvoor een professionele beroepshouding noodzakelijk is. Je leert hoe je kunt bijdragen aan een veilige basis voor kinderen waarbij je rekening leert houden met hun basisbehoeften. Je leert welke verschillende rollen kinderen vervullen in een groep en dat die verschillend zijn in een positieve of negatieve groep. In deze module komt aan bod hoe de groepsontwikkeling verloopt in fasen. Je leert welke factoren invloed hebben op de sfeer in een groep en hoe je als pedagogisch werker kunt bijdragen aan een goede sfeer.
Auteur M.C. Baseler Eindredactie R.F.M. van Midde
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
©
Je helpt mee aan het verbeteren van de sfeer Tijdens je eerste stage bij vso Ommeland hoor je al van tevoren van onderwijzeres Josien: 'Het is een lastige groep, ik heb er mijn handen vol aan'. In een eerste gesprek stel je veel vragen. Je hoort welke problemen er spelen, wat er al is geprobeerd om de situatie te ver beteren en wat de geschiedenis is van de groep. Door ziekte van medewerkers zijn er nogal wat wisselingen geweest, waardoor de groep een beetje 'als los zand aan elkaar hangt'. Er is veel geruzie en pestgedrag. Josien vertelt dat het haar doel is meer verbinding te krijgen in de groep. Het valt je al meteen op dat ze veel aandacht besteedt aan jouw kennismaking met de leerlingen. Elke leerling had een vraag voor jou op een papiertje gezet. Dat was een leuk begin en leverde leuke gesprekken op over jouw hobby's en sport en over die van de kinderen. Josien vertelt dat ze aan drie punten werkt om de sfeer te verbeteren: 1 Grenzen duidelijk maken 2 Gedrag bespreekbaar maken 3 Samenwerking stimuleren Ze vertelt: 'Bij een kringgesprek stel ik ze bijvoorbeeld de vraag: “Wat kun je zelf doen om de sfeer in de groep leuker te maken?” Daardoor zien ze steeds meer hun eigen rol in de groep.' Je helpt mee met een oefening waarbij iedereen om de beurt heel zelfverzekerd moet gaan staan en zeggen: 'Hoi, ik ben Samira en ik ben goed in anderen helpen'. In korte tijd merk je dat de leerlingen veel meer onderling contact hebben, ze elkaar bij de groep betrekken, ze voor elkaar opkomen en er minder ruzie is. 2
ORIËNTATIE
1 WO O R DW E B Op school en op de kinderopvang maken kinderen deel uit van een groep. Jij maakt als volwassene ook deel uit van verschillende soorten groepen. Maak een woordweb van de verschillende soorten groepen waar je bij hoort.
Tip: Zoek eens naar handige websites om een woordweb te maken. Bijvoorbeeld: mindmeister.com of canva.nl.
2 R O L I N D E G R O E P Op school en op de kinderopvang maken kinderen deel uit van een groep. Jij maakt als volwassene ook deel uit van verschillende soorten groepen. Kies drie voorbeelden van groepen waarvan jij deel uitmaakt. Welke rol speel jij als groepslid in elk van die groepen? Groep
Rol
3 ST E R K E E N M I N D E R ST E R K E K A N T E N Op school en op de kinderopvang maken kinderen deel uit van een groep. Jij maakt als volwassene ook deel uit van verschillende soorten groepen. Wat zijn jouw sterke kanten als groepslid? Wat zijn jouw minder sterke kanten als groepslid? Vul dit in het schema in. Sterke kanten
Sterke kanten
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
4 J E V E I L I G E N P R E T T I G VO E L E N Op school en op de kinderopvang maken kinderen deel uit van een groep. Jij maakt als volwassene ook deel uit van verschillende soorten groepen. Wat heb je nodig om je in een groep veilig en prettig te voelen?
5 M O E I L I J K E WO O R D E N I N D E Z E M O D U L E In deze module kunnen woorden voorkomen waarvan je de betekenis nog niet kent. Dit kunnen beroepswoorden of vaktaalwoorden zijn, die je nog nooit eerder hebt gelezen. Zorg ervoor dat je ze begrijpt en kunt gebruiken in de module. Als je de woorden begrijpt, is het gemakkelijker om opdrachten in deze module te maken. Noteer tijdens het lezen van de theorie de woorden die je niet begrijpt. Geef van elk woord de bete kenis en een voorbeeldzin. Woord
Betekenis
Voorbeeldzin
Tip: In de begrippenlijst van deze module vind je alvast een selectie van vaktaalwoorden die met deze module te maken hebben.
4
Een veilige basis
1
Een veilige basis 1 LEERDOELEN
• • • • • •
Je kunt benoemen wat nodig is voor een veilig pedagogisch klimaat. Je kunt uitleggen wat het 'vierogenprincipe' inhoudt. Je kunt benoemen wat de drie basisbehoeften voor ontwikkeling inhouden. Je kunt uitleggen wat kinderparticipatie betekent. Je kunt uitleggen wat de aandachtspunten zijn voor een professionele beroeps houding. Je kunt voorbeelden noemen van interactievaardigheden.
Als pedagogisch werker ben je een professional die een opleiding heeft gevolgd om met kinderen te kunnen werken in een groep. Het werken met kinderen vraagt een bepaalde beroepshouding. In dit hoofdstuk lees je hoe je kunt zorgen voor een vertrouwde omgeving, waarin een kind zich veilig voelt. Je krijgt inzicht in de vaardigheden, houding en persoonlijke eigenschappen die daarvoor nodig zijn.
1.1
Een veilig pedagogisch klimaat
vertrouwd en warm is en dat jij laat zien dat je elk kind echt kent en waardeert. Het moet voor kinderen duidelijk zijn dat ieders aanwezigheid op prijs gesteld wordt in de groep, dat iedereen vriendelijk met elkaar omgaat en iedereen rekening houdt met elkaar.
Een groot deel van de kinderen brengt al vanaf jonge leeftijd veel tijd door in een groep. Voorwaarde om zich te kunnen ontwikkelen en goed met anderen om te kunnen gaan, is dat een kind zich veilig en vertrouwd voelt in de groep. Dat het kind mag zijn wie het is met al zijn aardigheden en eigenaardigheden. Het geeft niet dat Aysel (5) nog geen Nederlands spreekt, dat komt heus wel. Dat Chris (4) zo nu en dan hard schreeuwt is soms lastig, maar hij hoort er gewoon bij in de groep. Arthur (6) is de laatste tijd heel druk. Begrijpelijk als je weet dat zijn ouders binnenkort gaan scheiden.. Een goed contact tussen de pedagogisch werker en het kind geeft een gevoel van veiligheid. Vanuit dit veilige basisgevoel kan een kind de wereld om zich heen verkennen en durft het relaties aan te gaan met andere kinderen en volwassenen. Het is daarom nodig dat het pedagogisch klimaat
Een veilig pedagogisch klimaat is van groot belang voor de ontwikkeling van een kind. Hoe zorg je voor een sfeer waarin kinderen in de groep zichzelf kunnen zijn én anders durven zijn? Je hebt daar als pedagogisch professional veel invloed op. Niet door op de voorgrond te treden, maar wel door vanaf de zijlijn beschikbaar te zijn. Goed kijken, luisteren, vertrouwen bieden, optreden als het echt nodig is, zorgen voor uitnodigende omstandigheden, het goede voorbeeld zijn, uitdagen en ondersteunen zijn de pedagogische voorwaarden voor het ontstaan van goede relaties en een goede sfeer in de groep. 5
1
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
kelen als aan zijn basisbehoeften voor het functioneren in een groep is voldaan. Een basisbehoefte is een sterk gevoel of verlangen waaraan voldaan moet zijn om je goed te voelen. Alle mensen in de hele wereld hebben dezelfde behoefte aan eten en drinken, verzorging en liefde. Pas als aan die behoeften is voldaan, kunnen kinderen zich verder ontwikkelen.
Veilig voelen iis wanneer iemand zich beschut, beschermd, geborgen, vertrouwd en zeker voelt; vrij van angsten en gevaar.
Het gaat daarbij dus niet alleen om de ruimte die veilig is, een gezonde plek waar kinderen zonder gevaar kunnen spelen en leren, maar zeker ook om emotionele veiligheid.
Emotionele veiligheid betekent een gevoel van geborgenheid, het gevoel dat iemand kan zijn wie hij is en beschermd wordt tegen negatief gedrag van anderen.
Kinderen hebben een vertrouwde omgeving nodig met een vast ritme, rituelen en regels, waar zij zichzelf kunnen zijn en zich geliefd en geborgen weten. Voor de veiligheid van jonge kinderen werken organisaties in de kinderopvang met het vierogenprincipe. Het vierogenprincipe betekent dat het mogelijk moet zijn je werk te doen terwijl er een volwassene in de buurt meekijkt of meeluistert. Zo voorkom je (seksueel) misbruik of mishandeling van kinderen in de dagopvang. In de praktijk kun je dan denken aan: • open en transparante ruimtes, waarbij zicht is op elkaars werkzaamheden; • werken met twee medewerkers op een groep; • babyfoon in de slaapkamer; • glazen wanden en gebruik van spiegels in hoeken; • training op protocol en aanspreekcultuur; • doorkijkgaten in deuren of muren.
Figuur 1.1 Kinderen ontdekken de wereld door op
onderzoek uit te gaan © ANPfoto / VidiPhoto
Spelen in kleine groep vergroot sociale competentie Kinderen die vaak in kleine groepjes spelen en fysiek contact met elkaar hebben, zijn meer sociaal competent dan kinderen die dat niet doen. Ze leren samenwerken, communiceren met anderen, afwegen wat ze wel en niet kunnen, willen en zouden moeten doen. Ze ervaren dat iedereen anders reageert en leren rekening te houden met anderen. Ze oefenen met betrokkenheid, zelfcontrole en het maken van afspraken en regels. Ze ontwikkelen hun empathisch vermogen. Dit gebeurt vooral als zij in kleine groepjes spelen. Zonder de bemoeienis van volwassenen ontstaat er veel eerder een gevoel van competentie en autonomie bij de kinderen. Daarom grijp je als pedagogisch medewerker zo laat mogelijk in bij een ruzie tussen kinderen. Want als je dit te vroeg doet, ontneem je kinderen de kans om rekening te houden met elkaar en voor zichzelf op te komen. Bron: Universiteit Leiden
1.2 Basisbehoeften van het kind Kinderen ontwikkelen zich optimaal in een groep als ze geloof hebben in eigen kunnen, zelf verantwoordelijkheid krijgen en merken dat ze erbij horen. Een kind zal zich pas goed kunnen ontwik6
Een veilige basis
1.2.1 Behoefte aan relatie: ‘Ik voel me thuis!’
Intrinsieke motivatie Kinderen ontdekken de wereld om zich heen door op onderzoek uit te gaan. Zij zijn nieuwsgierig en hebben de intrinsieke motivatie, de drang vanuit zichzelf, om op zoek te gaan naar moeilijkere uitdagingen en steeds weer nieuwe dingen onder de knie te krijgen. Deze motivatie 'van binnenuit' geeft zelfvertrouwen en een beter contact met anderen. Jouw rol als pedagogisch werker is dit ontdekken van de wereld zo goed mogelijk te begeleiden. Je probeert daarbij steeds aan te sluiten bij de behoeften van het kind. Je kijkt naar de pedagogische behoeften van kinderen. Je voorziet daarin door de manier waarop je contact met hen maakt, hen begeleidt in hun ontwikkeling en in de wijze waarop je hun leefomgeving organiseert. Je voelt de behoeften van kinderen aan en speelt daar goed op in. Een stimulerend pedagogisch klimaat, waarin kinderen zich vrij en optimaal kunnen ontwikkelen, houdt rekening met de volgende behoeften: • behoefte aan relatie; • behoefte aan autonomie; • behoefte aan competentie.
Behoefte aan relatie wil zeggen dat kinderen het verlangen hebben zich verbonden te voelen met anderen. Elk kind wil zich gerespecteerd en geliefd voelen. Kinderen ontwikkelen zich beter als ze merken dat ze ergens bij horen, dat ze mee mogen doen en dat anderen met hen willen spelen. Het is noodzakelijk dat een kind in een omgeving opgroeit waarin het zich gewaardeerd voelt. Pas dan zal het zijn omgeving durven ontdekken, zich hechten aan anderen en zich ontwikkelen. Als pedagogisch werker probeer je ervoor te zorgen dat het kind zich met anderen verbonden voelt. Om dat te bereiken, kun je de volgende dingen doen: • Maak contact. Let erop dat het kind zich veilig en op zijn gemak voelt bij jou en in de groep. • Toon belangstelling. Stel vragen. Zorg ervoor dat het kind voelt dat anderen hem als een volwaardig persoon in de groep zien. • Werk aan goede onderlinge relaties tussen de kinderen. Stimuleer samenspelen, samenwerken en elkaar helpen. • Reageer als je ziet dat iemand geen contact heeft in de groep. • Grijp meteen in bij pesten.
Voor een optimale ontwikkeling van een kind in de groep zijn drie basisbehoeften van belang.
Relatie
1
Voorbeeld De kinderen in groep 3 zijn klaar met spelen in het speellokaal en trekken hun sokken en schoenen weer aan. 'Wie heeft zijn schoenen al aan?', vraagt Mark, die zijn BPV doet. Wel tien vingers gaan omhoog. 'Da's mooi', zegt Mark. 'Dan lopen de kinderen die nu hun vinger omhoog hebben naar een kind zonder vinger omhoog. Dan vraag je vriendelijk: zal ik je even helpen met je schoenen?'
Autonomie Basisbehoeften voor ontwikkeling
1.2.2 Behoefte aan autonomie: ‘Ik wil het zelf!’
Competentie
Behoefte aan autonomie betekent dat kinderen zelf willen kiezen en inbreng hebben in de dingen die ze doen. Zelf doen! Autonomie wil zeggen: de behoefte van kinderen om zelfstandig hun eigen gangetje te gaan. Je geeft een kind de tijd en de ruimte zelf dingen te ontdekken en uit te proberen.
Figuur 1.2 De drie basisbehoeften voor ontwikkeling © Tiekstramedia
7
1
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Je zult merken dat kinderen met meer plezier meedoen en positief gedrag laten zien als je ze keuzes geeft. Een kind doet iets met meer motivatie als het er zelf voor kiest. Wanneer het dan lukt om iets zelf op te lossen geeft dat een gevoel van trots. Dit geeft een kind het zelfvertrouwen om het ook een volgende keer zelf te willen proberen. Zelf iets uitzoeken, ook al lukt het niet meteen, is een goede oefening voor het doorzettingsvermogen voor kinderen. Zo leren ze zelfstandig in het leven te staan. Wat je als pedagogisch werker kunt doen om kinderen zelf verantwoordelijkheid te geven: • Geef het kind de ruimte om zelf dingen te ontdekken. Reageer positief op de eigen inbreng van het kind. • Kinderen leren het meest van zelf proberen. Geef ze de kans zelf problemen op te lossen en bied niet meteen je hulp aan. Dus wees geduldig en heb vertrouwen. • Geef kinderen verantwoordelijkheid. Laat ze eigen keuzes maken, meedenken en zelf beslissingen nemen.
Kinderparticipatie: kinderen de ruimte geven mee te denken en mee te beslissen over dingen die hen aangaan in de kinderopvang.
1.2.3 Behoefte aan competentie: ‘Ik kan het!’ Behoefte aan competentie betekent dat kinderen een sterke en natuurlijke drang hebben naar leren. Daarbij hoort het gevoel van vertrouwen in eigen kunnen. Door het geven van complimentjes, een schouderklopje, bewonderend kijken of het aanbieden van uitdagende opdrachten versterk je het zelfvertrouwen van de kinderen die jij begeleidt. Je kunt vragen stellen: 'Hoe is je dat gelukt?', 'Wat heb je ervan geleerd?', 'Wat is een volgend stapje dat je kunt zetten?' Zo stimuleer je een kind om nieuwe dingen te leren, om zich in te zetten en zijn talenten te ontplooien. Een kind dat op die manier bevestiging krijgt, is enthousiast en betrokken en heeft plezier in waar het mee bezig is. Het zal eerder zelf initiatief nemen en iets nieuws proberen. Zoek daarom steeds naar mogelijkheden om het kind uit te dagen. Wat je als pedagogisch werker kunt doen om kinderen zelfvertrouwen te geven: • Laat het kind succeservaringen opdoen. Stilstaan bij wat is gelukt, geeft een positief gevoel en inzicht in wat al is bereikt. • Geef complimentjes en op andere manieren bevestiging en aanmoediging. Laat het kind merken dat het wat kan en goed is in wat het doet.
Figuur 1.3 Laat een kind zelf oplossingen zoeken
Voorbeeld Kevin (6) zit vanwege spina bifida (open rug) sinds zijn geboorte in een rolstoel. Hij is leerling op een gewone basisschool. In de pauze zit hij in zijn rolstoel op het schoolplein. Alle kinderen rennen, klauteren, springen en fietsen rond. 'Hij vindt het zo leuk om naar de andere spelende kinderen te kijken', zegt zijn juf tegen haar stagiaire Simone. Is dat wel zo, denkt Simone. Opeens heeft ze een idee en loopt naar binnen. Ze blaast een rode ballon op en bindt die aan de rolstoel van Kevin.
© ANPfoto / Sabine Joosten
Voorbeeld Janne (4) is elke pauze weer bezig met haar jas. Ze wil de knopen graag zelf dichtmaken maar dat lukt niet. Als alles weer scheef zit, wordt ze boos. De tranen staan in haar ogen. Onderwijsassistent Nadia loopt naar haar toe en zegt: 'Weet je wat, ik doe de onderste knoop en dan maak jij de rest dicht van onder naar boven. Ik weet zeker dat het dan wel lukt!' 8
Een veilige basis
Hij kijkt verrast op. Wat gebeurt er nu opeens? Meteen komen er een paar kinderen naar hem toe en speelt Kevin een potje ballonvolleybal met ze. Woh, wat heeft hij een lol!
1
Moeder 2 bevestigt haar kind in een negatief zelfbeeld. Dit kind zal niet snel zomaar iets uit zichzelf doen, want dit wordt toch niet gewaardeerd. Identiteit 'Wie ben ik?', 'Wat kan ik?', 'Waar ben ik goed in?', 'Hoe ziet de ander mij?' Kinderen ontwikkelen vanaf een jaar of zes een persoonlijke identiteit. Een kind gaat steeds beter beseffen dat het zelf iemand is. De ontwikkeling van een persoonlijke identiteit kan alleen plaatsvinden in contact met anderen. Vooral vriendjes en vriendinnetjes hebben invloed op deze identiteitsvorming omdat kinderen zich met anderen vergelijken en gevoelig zijn voor opmerkingen van andere kinderen. In de leeftijd van negen tot twaalf jaar ontwikkelen kinderen hun vermogen tot zelfreflectie. Dat wil zeggen: met een kritische blik kunnen kijken naar zichzelf. Door zichzelf te vergelijken met anderen stelt het kind zijn of haar identiteit steeds een beetje bij. Dit kan positief en negatief uitpakken. Een kind wordt gepest of afgewezen of is juist heel populair. Dit heeft veel invloed op het zelfbeeld van een kind.
1.3 Zelfbeeld en identiteit Om goed te kunnen omgaan met anderen is het nodig dat het kind een stevige basis ontwikkelt en zich zeker voelt over zichzelf. Het beeld dat een kind van zichzelf heeft is zijn zelfbeeld. Het zelfbeeld is van grote invloed op het zelfvertrouwen van een kind. Kinderen hebben niet bij hun geboorte al een zeker gevoel over zichzelf. Ze leren positief over zichzelf te denken door wat er tegen ze gezegd wordt en door hoe ze worden behandeld. Bij het ontwikkelen van het zelfbeeld spelen ouders, broers, zussen, oma's en opa's, vrienden en vriendinnen en ook andere opvoeders een belangrijke rol. Positieve relaties geven een kind een gevoel van waardering en acceptatie. Dit helpt om een positief beeld over zichzelf te krijgen. Een kind met een positief zelfbeeld denkt eerder: ik kan het. Terwijl een kind met een negatief zelfbeeld eerder denkt: het lukt me vast niet. De manier waarop iemand over zichzelf denkt heeft invloed op zijn gedrag. Een kind dat voelt dat zijn ouders hem lief vinden, zal sneller iets voor zijn ouders doen en positief gedrag vertonen dan een kind dat het gevoel heeft dat zijn ouders hem maar vervelend vinden.
1.4 Professionele beroepshouding Goed omgaan met kinderen en ouders is vooral een kwestie van de juiste vaardigheden, houding en persoonlijke eigenschappen. Voor een pedagogisch werker betekent dit een vriendelijke, warme, betrokken en respectvolle houding. Je kunt met aandacht kijken en luisteren, de juiste vragen stellen en je inlevingsvermogen gebruiken. Je toont echte belangstelling en respect voor de ouders en het kind. Door je gedrag laat je zien dat je een professional bent.
Voorbeelden • Moeder 1 zegt op een vriendelijke toon tegen haar kind: 'Zeg, wil jij misschien even de tafel dekken, want dat heb je vorige keer ook zo goed gedaan.' • Moeder 2 zegt op een verwijtende toon tegen haar kind: 'Zou je nou zelf niet een keer op het idee kunnen komen om de tafel te dekken? Ik heb ook echt helemaal niks aan jou.'
Een professional is iemand die een beroep uitoefent. Het begrip wordt vooral gebruikt om het verschil aan te geven tussen iemand die voor een bepaald beroep heeft geleerd en zich daarmee onderscheidt van een ander (de leek).
Moeder 1 versterkt door wat ze zegt en door hoe ze dat zegt het positieve zelfbeeld van haar kind. Het kind voelt zich gewaardeerd en zal vaker uit zichzelf iets aardigs doen. 9
1
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Het werken met kinderen vraagt een bepaalde beroepshouding. Dat is de manier waarop je je gedraagt op de werkvloer.
Interactie betekent wisselwerking, wederzijdse invloed.
In een groep gebeurt van alles. Er is altijd wel een ruzie of een kind dat getroost wil worden. Kinderen willen graag vertellen wat ze hebben beleefd of willen laten zien wat ze hebben gedaan of gemaakt. Ze stellen vragen over iets dat ze niet snappen of juist graag willen weten.
Een beroepshouding omvat de eigenschappen en het gedrag waarover iemand in zijn beroep dient te beschikken om zijn beroep goed uit te oefenen..
Een beroepshouding betekent enerzijds dat je je houdt aan de richtlijnen en regels die bij je beroep passen en anderzijds dat je daarbij ook rekening houdt met je eigen visie en persoonlijkheid. Je hebt tenslotte ook je eigen mening en aanpak.
Voorbeeld Onderwijsassistent Amina ontvangt de kinderen bij de deur en heeft aandacht voor elk kind: • 'Dag juf, ik ben naar de wijkmarkt geweest en daar was een springkussen.' • 'Zeg, wil jij Remco even helpen, want hij krijgt zijn jas niet uit.' • 'Ho, ho, hou eens even op met dat geruzie.' • 'Juf, juf, kijk eens naar mijn nieuwe tas!' • 'Kijk uit hoor, zo struikel je over die losse veter.'
1.4.1 Voorbeeldfunctie Als pedagogisch werker ben je een rolmodel voor de kinderen in je groep. Je hebt een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat jij voorbeeldgedrag laat zien in het contact met kinderen, ouders en collega's. Een voorbeeldfunctie houdt in dat je je zodanig gedraagt dat kinderen zich aan jouw gedrag kunnen spiegelen en van jouw voorbeeld kunnen leren. Je straalt enthousiasme en inspiratie uit en je durft je kwetsbaar op te stellen. Je geeft nadrukkelijk elk kind de ruimte om zichzelf te zijn. En als die veiligheid er niet is, dat jij degene bent die dit aan de orde stelt. Bijvoorbeeld door meteen te reageren als een kind kwetsende opmerkingen maakt tegen een ander. Voorwaarde om op een goede manier te kunnen optreden is dat je als begeleider je grenzen kent en je bewust bent van je eigen opvattingen, waarden en normen en je dus weet wanneer en hoe je moet reageren in bepaalde situaties.
Voor een pedagogisch werker zijn de volgende interactievaardigheden van belang: • autonomie respecteren; • sensitieve responsiviteit; • structureren en grenzen stellen; • praten en uitleggen; • ontwikkelingsstimulering; • interacties begeleiden. Autonomie respecteren Een kind wil als een autonoom, zelfstandig wezen worden gezien en behandeld. Daar krijgt het zelfvertrouwen van. Kinderen hebben er recht op dat volwassenen hen in lichamelijk, emotioneel en intellectueel opzicht in hun waarde laten. Dit recht is zelfs vastgelegd in de wet. Lichamelijke autonomie De autonomie van een kind begint met zijn lichamelijke autonomie: het eigen lichaam waar hij de baas over is. Als pedagogisch professional heb je respect voor de lichamelijke autonomie van het kind. Haal niet zomaar een nat washandje over het gezicht van een kind zonder te vertellen wat je gaat doen en waarom. Veeg niet zonder iets te zeggen
1.4.2 Interactievaardigheden In je functie als pedagogisch werker heb je verschillende vaardigheden nodig op het gebied van communicatie, want in een groep is veel interactie. 10
Een veilige basis
een snotneus schoon. Loop niet zonder kloppen de kamer van een puber in een leefgroep in. Emotionele en intellectuele autonomie Opvoeders hebben soms de neiging in te vullen hoe een kind is, hoe het denkt of hoe het zich voelt: 'Pim is nu eenmaal een lastig mannetje', 'Sophie is zo verlegen, dat durft ze niet', 'Als Max zijn zin niet krijgt, slaat hij er meteen op.' Respecteer de emotionele en intellectuele autonomie van kinderen door niet meteen te benoemen wat jij denkt dat er in hun hoofd omgaat, maar te vragen wat het kind er zelf van vindt. Respect voor autonomie betekent dat je een kind voor vol aanziet en rekening houdt met zijn gevoelens, wensen en ideeën en daarover met het kind in gesprek gaat. Gebruik daarbij ikboodschappen, zoals: 'Ik merk dat… hoe lossen we dat op?' Van afhankelijkheid naar zelfstandigheid Voor een kind is het erg belangrijk om zichzelf als autonoom wezen te kunnen ervaren door zelf op onderzoek uit te gaan. Je houdt goed in de gaten of kinderen zelf dingen willen doen en geeft kinderen daarvoor de ruimte. Je ondersteunt en werkt daarbij samen met het kind en helpt ze van afhankelijk naar steeds zelfstandiger worden. Je geeft kinderen de kans eigen keuzes te maken, nieuwe dingen te ontdekken en onderzoeken en zelf oplossingen te vinden voor problemen. Je stelt jezelf steeds de vraag: zou het kind dit ook alleen en zonder mijn hulp kunnen? Aandachtspunten bij respect voor autonomie • Laat het kind in lichamelijk, emotioneel en intellectueel opzicht in zijn waarde. • Spreek mét en niet óver het kind. • Daag kinderen uit om te proberen en te durven. • Bereid kinderen voor op wat komen gaat • Veeg niet zomaar een neusje af zonder eerst te zeggen wat je gaat doen.
1
Sensitieve responsiviteit Elk kind heeft behoefte aan warmte, aandacht en emotionele steun. Kinderen zullen op heel verschillende manieren laten blijken dat ze je aandacht nodig hebben. De een zal stampvoeten en schreeuwen en de ander zal zich stil in een hoekje terugtrekken. Dit betekent dat je in staat moet zijn heel goed te kijken en te luisteren. Je hebt een gevoelige, 'sensitieve' houding nodig om de signalen van een kind te begrijpen om daar vervolgens zo goed mogelijk op te reageren; een 'respons' op te geven. Sensitief betekent dat je signalen van kinderen op kunt merken en kunt inschatten. Responsief betekent dat je goed reageert op het signaal van het kind. Met een sensitief responsieve houding geef je kinderen een groot gevoel van veiligheid. Door je houding laat je zien dat je betrokken bent bij wat een kind beleeft, voelt en ervaart. Je probeert zo goed mogelijk te reageren op die signalen door te laten merken dat je de gevoelens opmerkt. Je kunt het kind vervolgens ondersteunen door zijn emoties te benoemen. Je zegt bijvoorbeeld tegen een kind dat boos is omdat iets niet lukt: 'Ik zie dat je het moeilijk vindt, klopt dat?' Zo ervaart het dat je zijn emoties ziet. Het kind voelt zich daardoor gezien, beschermd en begrepen. Andere manieren van emotionele ondersteuning zijn troosten, oogcontact maken, tot rust laten komen, vragen stellen, belangstelling tonen, aanmoedigen en prijzen. Aandachtspunten bij sensitief en responsief gedrag • Merk op welke signalen een kind laat zien. • Probeer te ontdekken wat een kind met het signaal bedoelt. • Reageer op dit signaal op een warme en ondersteunende manier.
Voorbeeld Al een paar keer is Ilse (3) het trapje van de glijbaan op geklommen en steeds klimt ze er even later weer via het trapje van af. Als Ilse weer aarzelend bovenaan de glijbaan staat, loopt haar leidster erop af: 'Ilse, vind je het nog een beetje spannend om eraf te glijden?' Als Ilse knikt, zegt de leidster: 'Ik sta hier onderaan de glijbaan en vang je op. Durf je het dan wel?'
Voorbeeld Ashween is een overbeweeglijk kind. Vooral iets spannends, zoals bezoek in de klas, maakt hem heel druk. Zijn juf heeft gemerkt dat het helpt om Ashween dan even stevig vast te houden.
11
1
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Structureren en grenzen stellen Als pedagogisch werker heb je het overzicht van de indeling van de dag en de activiteiten. Je geeft de kinderen instructie, legt de spelregels uit, verdeelt de groepjes en houdt orde. Het bieden van structuur en het stellen van grenzen geeft kinderen houvast en rust. De situatie is daarmee duidelijk voor ze. Een vaste dagindeling, een vaste plaats voor het materiaal en duidelijke regels en afspraken vergroten het gevoel van veiligheid en zekerheid. Zo weten de kinderen waar ze aan toe zijn. Ook geeft het veiligheid om bij een vaste groep te horen, bijvoorbeeld: 'de Kikkers' of 'de Zeerovers'. Kinderen die zich veilig voelen, durven nieuwe dingen uit te proberen en zullen zich daardoor beter ontwikkelen. Ook in je gedrag kun je duidelijk zijn en daarmee zekerheid geven aan kinderen, bijvoorbeeld door het stellen van grenzen. Je stimuleert gewenst of positief gedrag en reageert passend op ongewenst gedrag. Bedenk daarbij dat het altijd beter is positief gedrag te benoemen dan negatief gedrag. Kinderen begrijpen daardoor beter wat er van ze wordt verwacht. Aandachtspunten bij structureren en grenzen stellen • Zorg ervoor dat de ruimte en de dagindeling overzichtelijk zijn en dat jijzelf voorspelbaar bent voor kinderen. • Maak duidelijk wat je van een kind verwacht. • Zorg ervoor dat het kind zich aan de gestelde regels houdt.
antwoord aan bij de behoefte, het niveau en de belevingswereld van de kinderen. Dat wil zeggen: kijk naar het individuele kind bij de keuze wat je wel of niet vertelt. Stel vragen, zodat een kind ook zelf kan vertellen wat het al weet. Pas je taalgebruik aan door rustig en duidelijk te praten. Een eenvoudig antwoord is bij jongere kinderen vaak al voldoende, terwijl oudere kinderen graag dieper op een onderwerp willen ingaan. Let er bij het geven van instructie op dat je niet te veel ineens vertelt. Check in een groep regelmatig of iedereen je uitleg goed begrijpt door kinderen te laten herhalen wat je hebt verteld. Aandachtspunten bij praten en uitleggen • Neem elke vraag serieus. • Geef informatie en uitleg die aansluit bij de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind. • Zorg voor tweerichtingverkeer in het gesprek. • Stel vragen en laat het kind ook meepraten. Voorbeeld 'Juf!', roept Sanne keihard door de klas. 'Juf! Hoe komt de baby in de buik van de mama?' Sanne (4) speelt samen met Samira (5) in de huishoek en houdt de babypop omhoog. Juf loopt rustig naar haar toe en vraagt aan Sanne wat ze zelf al weet van hoe de baby in moeders buik komt. Trots vertelt Sanne dat het zaadje van de papa bij het eitje van de mama komt en dat dit bij elkaar een nieuwe baby wordt. 'Dat klopt helemaal', zegt juf en Sanne is tevreden.
Voorbeeld Meggie is pedagogisch werker op een kinderdagverblijf. Alle kinderen zitten aan tafel voor het eten van een boterham. Ollie (3) is nieuw op de groep en Meggie legt hem de regels uit: 'Eerst zingen we samen het liedje “Smakelijk eten”. Daarna gaan we pas eten.' Praten en uitleggen Kinderen zijn nieuwsgierig. Een kind heeft informatie en uitleg nodig om de wereld te leren begrijpen en zal dan ook veel vragen stellen. Een van de belangrijkste woorden voor ze is: 'Waarom?' Neem vragen serieus en sluit met je
Figuur 1.4 Een kind heeft informatie en uitleg nodig om
de wereld te leren begrijpen © ANPfoto / Roel Burgler
12
Een veilige basis
1
Ontwikkelingsstimulering Kinderen stimuleren bij hun ontwikkeling wil zeggen: goed kijken wat ze nodig hebben voor hun ontwikkeling en dat aanbieden. Dit houdt in dat je aansluit bij het niveau en de interesse van het kind. Door goed observeren weet je wat elk kind nodig heeft. Je sluit daarbij aan door het juiste materiaal te kiezen, opdrachten te geven die niet te moeilijk maar ook niet te gemakkelijk zijn of door een gesprek te beginnen over een onderwerp waarvoor het kind belangstelling heeft. Je geeft ook de mogelijkheid om zelf te experimenteren en te ontdekken. Tegelijk weet je het groepsproces en de activiteiten zo te organiseren dat iedereen aan bod komt. Aandachtspunten bij ontwikkelingsstimulering • Heb oog voor de ontwikkeling van het kind. Is het toe aan iets nieuws of kan het nog verder met waar het mee bezig is? • Breng nieuwe materialen en nieuwe activiteiten op een positieve manier onder de aandacht. 'Ik zie dat je dit al erg goed kan. Probeer nu eens een moeilijkere opdracht.'
Van negatieve interacties leren kinderen wat ze kunnen doen om wrijving te voorkomen of ruzie op te lossen. Je speelt daarbij een rol door te bemiddelen tussen kinderen, stille kinderen erbij te betrekken en drukke kinderen af te remmen. Aandachtspunten bij interacties begeleiden • Geef zelf het goede voorbeeld. Laat zien hoe je op een vriendelijke manier met elkaar omgaat. • Nodig uit tot interactie. Moedig kinderen aan in tweetallen te werken en in groepjes te spelen. • Beloon voorbeelden van positieve interactie met een complimentje of andere aanmoediging.
Voorbeeld In het azc doet pedagogisch werker Ruben zijn BPV bij de Vrolijkheid (een stichting die vrijetijdsbesteding voor kinderen en jongeren organiseert bij azc's). Hij geeft er gitaarles en helpt kinderen met het schrijven van rapteksten. 'Come on, Abdul', wenkt hij een jongetje dat aarzelend de ruimte binnenkomt. Hij wijst op de bongo's: 'Speel met ons mee, je kunt het!'
Met kleding, die niet te strak, te kort of te bloot is, kom je serieus en betrouwbaar over. Op je werk in de kinderopvang of op school, maak je wat je kleding en uiterlijk betreft een bewuste keuze. Je kiest voor gemakkelijke kleding waarin je niet beperkt wordt in je werk met kinderen en waarin jij je prettig voelt. Je laat met je kledingkeuze ook zien dat je rekening houdt met anderen. Je wilt anderen niet in verlegenheid brengen met wat je aan hebt. Je houdt er rekening mee hoe je overkomt. Een laag uitgesneden shirtje trekt de aandacht naar je borsten, een zeer kort rokje trekt de aandacht naar je benen. Een op de heupen hangende broek bij een man trekt de aandacht naar zijn ondergoed. Dat is niet wat je wilt in je contacten met kinderen, ouders en collega's. Zorg er ook voor dat je kleding schoon is en niet kapot en draag niet te veel make-up. Tijdens je werk heb je geen kauwgom in je mond. Soms willen organisaties dat je op het werk geen opvallende, grote sieraden draagt of zichtbare piercings. De zorg voor een goede persoonlijke hygiëne betekent dat je jezelf
Voorbeeld 'Dat noem ik nou eens slim nadenken!', roept juf Mika tegen twee kinderen die samen touwtje springen met één springtouw. Net ervoor hadden de twee nog ruzie over wie met het springtouw mocht.
1.4.3 Uiterlijk en persoonlijke hygiëne
Interacties begeleiden Samen spelen of samen werken aan een activiteit is niet alleen leuk en gezellig voor kinderen. Zo kunnen ze ook oefenen met naar elkaar luisteren, contact maken, elkaar helpen, op hun beurt wachten, voor zichzelf opkomen, samen delen en samen beslissen. Kinderen doen daarbij positieve en negatieve ervaringen op. Van positieve interacties kunnen ze leren wat werkt. Kinderen die veel positieve ervaringen opdoen in het contact met anderen, ontwikkelen zelfvertrouwen en inlevingsvermogen.
13
1
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
schoonhoudt. Het is belangrijk dat je jezelf goed verzorgt en fris gewassen op je werk verschijnt. Als jij schoon bent, dan draag je weinig slechte bacteriën bij je. Zo maak je anderen minder snel ziek. Slechte bacteriën zorgen ook voor vieze luchtjes. Om dit te voorkomen kun je een deodorant gebruiken. Sommige organisaties kiezen voor bedrijfskleding om de herkenbaarheid van medewerkers te verhogen. Je ziet meteen wie er werkzaam is. Dit geeft ouders en kinderen een vertrouwd en goed gevoel. Beroepscode voor de kinderopvang 'De pedagogisch medewerker is een ambassadeur van haar vak en zorgt voor een goede persoonlijke hygiëne. De pedagogisch medewerker zorgt ervoor dat zij met haar kleding anderen niet in verlegenheid brengt.'
Figuur 1.5 Bedrijfskleding om de herkenbaarheid van
medewerkers te verhogen © Kind & Co
14
Een veilige basis
1
B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist
Onjuist
1 Je veilig voelen heeft te maken met emotionele veiligheid.
◯
◯
2 Een kind kan zich optimaal ontwikkelen als in de basisbehoefte van voedsel en verzorging is voorzien.
◯
◯
3 Intrinsieke motivatie wil zeggen: drang vanuit jezelf.
◯
◯
4 Autonomie is de behoefte van kinderen aan relaties.
◯
◯
5 Door hun behoefte aan competentie willen kinderen leren.
◯
◯
6 Het beeld dat een kind van zichzelf heeft, is zijn zelfbeeld.
◯
◯
7 Een persoonlijke identiteit ontwikkelt een kind vanuit zichzelf.
◯
◯
8 Je beroepshouding is de manier waarop je je gedraagt op de werkvloer.
◯
◯
9 Responsief reageren betekent dat je de signalen van kinderen kunt opmerken en inschatten.
◯
◯
10 Benoem vooral het negatieve gedrag bij het stellen van grenzen.
◯
◯
11 Ontwikkelingsstimulering is een voorbeeld van een interactievaardigheid
◯
◯
12 Van negatieve interacties kunnen kinderen veel leren.
◯
◯
15
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
De groep 2 LEERDOELEN
• • • • • •
Je kunt omschrijven welke rollen er zijn in een positieve groep. Je kunt omschrijven welke rollen er zijn in een negatieve groep. Je kunt uitleggen wat een positieve groep is. Je kunt uitleggen wat een negatieve groep is. Je kunt toelichten wat de vijf fasen van de groepsontwikkeling inhouden. Je kunt motiveren wat het belang is van observatie in de groep.
Kinderen hebben de begeleiding van een pedagogisch werker nodig om goed te kunnen functioneren in een groep. Om het groepsproces te begeleiden is het nodig dat je inzicht hebt in de groep. Om problemen in de groep aan te pakken, moet je weten hoe de groep in elkaar zit. In dit hoofdstuk leer je meer over de samenstelling van groepen, de invloed die individuele kinderen hebben op de groep en hoe je een negatieve sfeer kunt veranderen in een positieve.
2.1 Soorten groepen Een groep is een verzameling mensen die een eenheid vormen op basis van een of meer overeenkomsten. Daardoor voelen ze zich betrokken bij elkaar, hebben contact met elkaar en is er sprake van saamhorigheid.
In je werk als pedagogisch werker kom je veel verschillende soorten groepen tegen: de babygroep, de peutergroep, de groep in een klas, de leefgroep, de tienergroep. Maar wat is dat nu eigenlijk, een groep? Je kunt zeggen dat een groep in ieder geval uit ten minste twee personen bestaat en dat de personen in een groep iets gemeenschappelijks met elkaar hebben. Maar er is meer dan dat. De mensen in een groep kennen elkaar. Ze hebben een gezamenlijk belang, doel of taak. In een groep is er interactie tussen de groepsleden, ze hebben een relatie met elkaar, ze zijn van elkaar afhankelijk.
In de kinderopvang of op school brengen kinderen en jongeren heel wat uren samen door; iedereen heeft met elkaar te maken. Ook daarbuiten zijn er contacten: op het schoolplein, in de pauze en in hun vrije tijd. Kinderen zitten soms wel een paar jaar bij elkaar in dezelfde groep. In de buitenschoolse opvang wisselt de samenstelling van de groep soms per dag. Een groep kan bestaan uit subgroepen. Dit zijn kleinere groepjes ingedeeld op basis van leeftijd, vriendschappen, gemeenschappelijke interesses of niveau. Pedagogisch werkers vormen kleinere groepjes voor bijvoorbeeld het werken aan een 16
De groep
project of andere activiteit. Kinderen spelen in de speelhoeken of op de speelplaats ook in zelfgekozen subgroepen.
2
Rollen zijn vaak aanvullend, waardoor je samen meer kunt bereiken. Een nadeel is dat rollen ook vaak dwingend zijn. Zit je eenmaal in de leidende of juist afwachtende rol in een groep, dan kun je daar vaak moeilijk van af komen.
Voorbeeld Lana (8) slaapt al een paar nachten slecht. Ze is gespannen, vrijdag zal de juf de indeling van de nieuwe tafelgroepjes voor het komende halfjaar vertellen. Ze hoopt zo dat ze in het groepje zit bij Fleur, Roman en Chrisje.
Groepsrol is het gedrag dat van een bepaald groepslid wordt verwacht.
Je merkt tijdens je BPV dat groepen erg van elkaar kunnen verschillen. Je hebt positieve groepen en negatieve groepen, en alles wat daar tussen zit. In een positieve groep kun je lekker werken. De kinderen helpen elkaar uit zichzelf, moedigen elkaar aan, nemen het voor elkaar op en er is een goede sfeer. In een negatieve groep is er vaker onrust en ruzie. Sommige kinderen sluiten andere kinderen buiten, pakken spulletjes af, maken nare opmerkingen en er wordt minder goed gewerkt. Zo'n groep heeft een negatieve invloed op de individuele leden.
Aan de rollen in een groep kun je opmaken of je te maken hebt met een positieve of negatieve groep. Zie je positieve rollen, zoals de sociaal werker en de grappenmaker, dan is er meestal sprake van een positieve, evenwichtige groep. Zie je negatieve rollen, zoals de machthebber of onruststoker, dan heb je te maken met een negatieve groep. Bij het kijken naar rollen in een groep kun je onderscheid maken tussen relatiegerichte rollen en taakgerichte rollen. Groepsleden met een relatiegerichte rol bewaken de sfeer in de groep en de manier waarop de groepsleden met elkaar omgaan. Groepsleden met een taakgerichte rol hebben een leiderspositie: ze regelen dingen, nemen initiatieven en bewaken de machtsposities. Het gedrag van het kind en de reactie van anderen daarop bepalen welke rol het kind vervult in een groep. Door de reacties van anderen leren ze veel over zichzelf en krijgen steeds meer zelfinzicht. Om meer begrip te krijgen van de processen die in een groep spelen, lees je hierna de verschillende groepsrollen van kinderen in een positieve en negatieve groep.
Figuur 2.1 In de klas zitten kinderen heel wat uren bij
elkaar © ANPfoto / Dingena Mol
2.2.1 Rollen in een positieve groep
2.2 Rollen in een groep
In een groep met een positief groepsklimaat zijn vaak meerdere rollen en krijgt een kind de ruimte de rol te kiezen die het beste bij hem of haar past. De gezagsdrager Deze staat bovenaan, zorgt voor evenwicht in de groep en straalt enthousiasme en natuurlijk leiderschap uit. Opvallend genoeg is dat niet altijd het kind dat de meeste aandacht naar zich
Kinderen vervullen in een groep een of meer functies, bijvoorbeeld een leidende rol of een volgende, meer afwachtende rol. Het hebben van rollen in een groep heeft veel voordelen. Rollen geven duidelijkheid, je weet waar je aan toe bent met elkaar. Dat kan rust geven in een groep. 17
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
toetrekt, maar de groep luistert wel naar de initiatieven van de gezagsdrager. Als de gezagsdrager zegt dat iets op een bepaalde manier moet gebeuren, dan gebeurt het ook zo. Hij of zij zorgt ervoor dat de groep zich blijft inzetten voor de taak die ze hebben en er niet van afwijkt. De gezagsdrager kan niet zomaar zijn of haar eigen mening doordrukken, maar moet rekening houden met wat de groep wil. De sociaal werker De sociaal werker is behulpzaam en zorgzaam en zorgt dat de sfeer in de groep goed blijft, dat iedereen meedoet en dat iedereen zich prettig voelt. Hij of zij heeft in de gaten dat een klasgenoo tje verdriet heeft en zorgt voor troost en begrip van de groep. Ruzietjes, die ook in een positieve groep voorkomen, worden dankzij de sociaal werker snel opgelost. De organisator Dit is de regelaar. De gezagsdrager komt met een plan, maar de organisator zorgt voor de uitvoering van dat plan. Wie doet wat, wat hebben we nodig en hoe komen we daaraan? Als je een groep observeert op het schoolplein of bij een samenwerkingsopdracht, dan haal je de organisator er snel uit. Hij of zij zal je eerder opvallen dan de gezagsdrager. De verkenner Deze heeft wel wat weg van een organisator, maar is meer praktisch ingesteld. Als duidelijk is wat er moet gebeuren, dan komt de verkenner in actie. Hij of zij pakt de kwasten, de verf en het papier, zodat de groep het plan voor een creatieve opdracht daadwerkelijk kan gaan uitvoeren. Gaat er bij de organisator wat mis, dan vangt de verkenner het op. De volgers Dit zijn trouwe groepsleden in een positieve groep. Ze doen wat er wordt gevraagd. Voor de gezagsdrager zijn die volgers belangrijk. Hij of zij heeft hun steun nodig en zal positief met de volgers omgaan. De appellant De appellant is het kind dat moeite heeft met bepaalde dingen en hulp nodig heeft. Een appellant doet een beroep op de zorgzaamheid van de groep, op verantwoordelijkheidsgevoel en mede-
dogen. Dat is goed voor de positieve sfeer in de groep en versterkt de onderlinge relaties. De grappenmaker Het is de grappenmaker die problemen met grapjes oplost en de spanning daarmee kan breken. In een positieve groep gaan grappen natuurlijk nooit ten koste van een ander. Het is daarom niet nodig dat je een clown meteen afkapt en tot de orde roept, maar dat je de positieve bijdrage van deze rol ziet en waardeert.
Figuur 2.2 In een positieve groep krijgen kinderen de
ruimte om de rol te vervullen die bij ze past © Charlotte Bogaert
2.2.2 Rollen in een negatieve groep In een negatieve groep zie je veel minder verschillende rollen. Een paar kinderen maken de dienst uit en de rest volgt of trekt zich terug. In een negatieve groep is duidelijk wie de baas is. In zo'n groep is weinig respect voor elkaar en er is vaak discussie en ruzie. De schoolprestaties zijn ook minder in een negatieve groep. De machthebber De gezagsdrager ontbreekt. De leiding is in handen van een paar machthebbers die de baas spelen. Met negatieve doelen zorgt een machthebber voor saamhorigheid in een groep. Hij kiest bijvoorbeeld een gezamenlijke vijand buiten de groep: 'Die nieuwe stagiaire pesten we wel even weg.' Of een slachtoffer binnen de groep: 'Wij willen niet dat jij meedoet.' De machthebber heeft de leiding, maar moet zijn of haar positie wel constant in de gaten houden.
18
De groep
De onrustzoekers De onruststokers proberen de positie van de machthebbers aan te vallen. Dat doen ze bijvoorbeeld door te roddelen, maar ook met omkoping: 'Jij mag op mijn feestje komen als ik…' De meelopers De volgers worden meelopers. Voor hun eigen veiligheid steunen ze de machthebber of een onruststoker. Zo lopen ze niet het risico om zondebok te worden. De zondebok In een negatieve groep is de appellant vaak de zondebok, wordt gepest. Vrienden maken lukt niet, want degene die de zondebok helpt, loopt het risico om ook zelf slachtoffer te worden. Pesten in een negatieve groep komt daarom vaak voor en is niet op te lossen zonder iets te doen aan de sfeer in de groep.
2
verwacht dat iedereen zich aan de groepsregels houdt. Doet een kind dat niet, dan bestaat de kans dat de groep dat kind buitensluit. De waarden en normen in een groep bepalen de groepscultuur.
De groepscultuur is het geheel van waarden, normen, gewoonten en opvattingen die gelden in een groep.
2.3 Groepsnormen Elke groep heeft haar eigen waarden en normen. Deze bepalen voor een groot deel de sfeer in een groep. Ieder groepslid neemt eigen waarden en normen mee. Bij jonge kinderen zijn dat vooral de gewoontes en regels die ze van thuis meekrijgen. Die zijn afhankelijk van de sociale en culturele achtergrond van het gezin. Bij oudere kinderen is de invloed van vrienden en andere volwassenen groter. In het gedrag van kinderen komen de waarden en normen tot uiting die ze vanuit huis meekrijgen. Als je de achtergrond van kinderen en jongeren kent, kun je hun gedrag vaak beter begrijpen.
Figuur 2.3 Voorbeeld van formele regels in de klas © allesovergedrag.wordpress.com
In een klas hangt vaak een door kinderen zelf samengestelde lijst met afspraken aan de muur. In een groep zijn ook veel ongeschreven groepsnormen. Hoe begroeten groepsleden elkaar? Wat doe je als je met iets wilt spelen wat een ander heeft? Deze groepsregels worden pas zichtbaar als iemand de norm overtreedt.
Voorbeeld Rosie (6) is snel agressief naar andere kinderen. Ze heeft al een keer een kind een bloedneus bezorgd. Als haar meester daarover iets tegen de vader van Rosie zegt, krijgt hij als antwoord: 'Ik zeg altijd zo tegen mijn meisje: als ze je meppen, dan sla je meteen terug.'
Voorbeeld Remco, pedagogisch werker op een basisschool, heeft zijn bovenbouwgroep in vier kleinere groepjes opgedeeld en geeft een opdracht: 'Jullie hebben allemaal een vel papier voor je. Schrijf op dat papier, zonder met iemand te overleggen, welke regels jij belangrijk vindt om in de groep alles goed en gezellig te laten verlopen. Maak
Wil een kind bij een groep horen, dan is het nodig te weten welke regels er binnen die groep gelden. Wat mag wel en wat mag niet? Een groep 19
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
daarvan een top 5. Daar hebben jullie vijf minuten voor. Als je klaar bent, praat je hierover met de kinderen in je groepje. Bespreek met elkaar welke regels jullie als groepje belangrijk vinden en maak daarvan een groeps top 5. Daarna bespreken we die in de hele groep.
elkaar uit en sluiten anderen buiten. In een negatieve groep lijkt het bijna gewoon om dingen van elkaar af te pakken, zomaar iemand een schop te verkopen, aan de haren te trekken of vervelend te reageren: 'Wil je de schaar? Pak hem lekker zelf.' In een negatieve groep is het voor kinderen moeilijker rustig en zelfstandig aan het werk te zijn. Als pedagogisch werker moet je in een negatieve groep vaker optreden als 'politieagent'. Vaak loopt het mis zodra de meester of juf de klas uit is. Dan kan de groep niet zelfstandig aan het werk blijven. In een negatieve groep zijn de regels vaak onduidelijk en roepen de kinderen elkaar niet tot de orde.
2.3.1 Waarden en normen in een positieve groep Een positieve groep herken je aan een ontspannen, gezellige, vrolijke sfeer. De waarden en normen in zo'n groep zijn in het algemeen positief. Er is respect voor elkaar, ieder groepslid wordt in zijn waarde gelaten en de groepsleden voelen zich verantwoordelijk voor elkaar. Ze zetten zich positief in om een doel te bereiken en kunnen goed samenwerken. De kinderen praten vriendelijk met elkaar, er is weinig ruzie in de groep en ze praten meningsverschillen uit. Een afwijkende mening is geen probleem: ook daar wordt naar geluisterd. Behoor je om wat voor reden dan ook tot een minderheid, dan is dat geen probleem. Een positieve groep biedt een kind daarom veel veiligheid. In zo'n groep mag je zijn wie je bent en je hoeft niet bang te zijn om gepest te worden. Duidelijke regels dragen bij aan een positieve groepssfeer. Voor jou als begeleider is het prettig werken in een positieve groep. Dat komt niet alleen door de gezellige sfeer, er wordt ook goed en met plezier gewerkt. Een groepsopdracht zal dan ook vaker het resultaat opleveren dat jij ervan had verwacht. Een positieve groep is goed voor de ontwikkeling van kinderen en gunstig voor de prestaties. Er is dus alle reden om te investeren in een positieve groep. Met groepsactiviteiten en op samenwerking gerichte groepsspelletjes verstevig je het wij-gevoel van een groep. Je stimuleert kritisch nadenken over wat er zoal gebeurt in de groep.
Figuur 2.4 Het is niet gemakkelijk om een negatieve
groep om te buigen naar een positieve groep © Mirador media/ Anke Gielen
2.4 Groepsvorming Een nieuwe groep bij de start van het nieuwe schooljaar is altijd spannend: 'Hoe zal het gaan?', 'Een nieuwe juf of meester', 'Is er wel iemand die bevriend met me wil zijn?' Groepen doorlopen een bepaalde ontwikkeling. Uit losse individuen die elkaar niet of nog niet goed kennen, ontstaat er een groep. Dit groepsproces zie je vooral in schoolklassen of op de bso, omdat er aan het begin van het schooljaar vaak een nieuwe groepssamenstelling is.
2.3.2 Waarden en normen in een negatieve groep In een negatieve groep zijn er meer spanningen en is er vaker ruzie. Kinderen zijn teruggetrokken en soms zelfs bang voor elkaar. Ze pesten, lachen
Het groepsproces is de groepsvorming en groepsverandering die optreedt doordat groepsleden op elkaar reageren. 20
De groep
Een groep ontwikkelt zich in een bepaalde vaste volgorde, of je daar nu bewust op aanstuurt of niet. De groepsontwikkeling verloopt in vijf fasen: 1 vormfase; 2 stormfase; 3 normfase; 4 prestatiefase; 5 afscheidsfase.
2
De vormfase duurt een week of twee. De leerlingen kijken elkaar aan, keuren elkaar op kleding, uiterlijk en gedrag. Aan het eind van deze fase hebben de groepsleden een beeld van de anderen. De kinderen hebben elkaar leren kennen en weten globaal wat ze van elkaar kunnen verwachten. Als begeleider van de groep ga je patronen zien. Wie neemt het initiatief? Wie houdt zich op de achtergrond en wie is bepalend voor de sfeer? Wie neemt verantwoordelijkheid? Juist deze beginfase is belangrijk voor jou als pedagogisch werker. Het is de periode waarin je de meeste invloed kunt uitoefenen op de sfeer in de groep. Je probeert een fijne sfeer te creëren en geeft het goede voorbeeld. Als een groep eenmaal gevormd is, dan is het heel moeilijk om een negatieve groep om te buigen tot een positieve groep zonder iets te veranderen aan de samenstelling van de groep. Besteed de eerste weken van het schooljaar veel aandacht aan groepsvormende activiteiten en spelletjes die helpen bij het leren kennen van elkaar. Vertel wat jouw goede goede voornemen is voor het jaar en bespreek met de leerlingen hoe zij een leuke klas voor zich zien.
De groepsontwikkeling is de levenscyclus van een groep. Bestaat uit vijf fasen: vormfase, stormfase, normfase, prestatiefase en afscheidsfase.
Groepsvorming kan twee kanten opgaan: er ontstaat een positief klimaat of een negatief klimaat. Als pedagogisch werker kun je veel doen om de groepsontwikkeling goed te laten verlopen. Als kinderen zich veilig voelen in een groep, gaan ze gemakkelijker een volgende fase in. De groepsontwikkeling verloopt niet altijd vanzelf. Niet elke groep doorloopt elke fase. Soms blijft een groep in een fase hangen. Het is dan jouw taak om bij te sturen. Dat kun je doen door op tijd de juiste groepsactiviteiten te organiseren, de aandacht te vestigen op het groepsproces en door kinderen uit te dagen een andere rol in te nemen.
2.4.1 Vormfase Tijdens de vormfase zijn de kinderen bezig met het veroveren van een plekje in de groep. Wat wordt er van mij verwacht? Wie ken ik? Hoe kom ik over? Wie kan ik vertrouwen en wie niet? Met wie kan ik vrienden worden? De groepsleden hebben de tijd nodig om elkaar te verkennen, de rollen te verdelen en duidelijkheid te krijgen over de manier waarop ze met elkaar omgaan. De afzonderlijke groepsleden willen erbij horen, maar hoe doe je dat? Soms zijn er aan het begin van de vormfase al een paar subgroepjes van kinderen die elkaar kennen, bijvoorbeeld van het vorige schooljaar. Soms kennen de kinderen kennen elkaar nog niet. De groep kan rustig lijken in deze fase, maar dat is schijn, want er gebeurt juist heel veel.
Figuur 2.5 Maatjes helpen elkaar© ANPfoto / Isabel Nabuurs
Aandachtspunten in de vormfase • Steek veel tijd in de kennismaking. Besteed aandacht aan het leren kennen van elkaars naam, achtergrond, talenten, hobby's, sport en (eigen)aardigheden. • Zorg ook voor plezier en dingen samen doen als groep. Doe dit niet gericht op competitie, maar op een gezamenlijk resultaat om trots op te zijn. 21
2 • •
• • •
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Doe spelletjes om de groepsvorming te stimuleren. Stel de groepjes zelf samen en sluit groepsopdrachten altijd samen af. Geef kinderen een gevoel van veiligheid. Betrek alle kinderen bij de groep, ook de stillere kinderen. Zorg ervoor dat iedereen aansluiting kan vinden in de groep en niemand wordt buitengesloten. Wees duidelijk in wat je wilt: benoem en bevestig gewenst gedrag nadrukkelijk. Werk bij een nieuwe groep of bij nieuwkomers met maatjes. Koppel twee kinderen aan elkaar. Maatjes helpen elkaar en komen voor elkaar op. Begin en eindig de dag met elkaar en benadruk vooral de positieve dingen.
Wees je ervan bewust dat ruzie en conflict horen bij de groepsvorming in de stormfase. Juist omdat er zoveel gebeurt, kun je als begeleider in deze fase veel invloed hebben op het groepsproces. Negatief gedrag, zoals pesten en anderen buitensluiten, kun je nog in positieve richting ombuigen. Dat doe je door inzicht te geven in het groepsproces dat aan de gang is. Je stelt bijvoorbeeld de vraag wat er nodig is voor het vormen van een fijne groep. En je laat de kinderen nadenken over hoe zij zich daarvoor kunnen inzetten en je spreekt de leerlingen aan op hun gedrag in de groep. Wees je ervan bewust dat je zelf veel invloed hebt op de groepssfeer met je houding en gedrag. Geef het goede voorbeeld van hoe je met elkaar omgaat. Geef complimentjes en 'opstekers' als het goed gaat en stuur bij als dat nodig is. Met deze aanpak versterk je een positief groepsproces. Aan het eind van deze tweede fase heeft vrijwel iedereen zijn of haar rol ingenomen en zijn de leiders bekend. Afhankelijk van hoe het proces is verlopen, zie je een positieve groep, gericht op samenwerking, of een negatieve groep, gericht op strijd, ontstaan. De groep kan ook uit verschillende kleinere groepjes bestaan die elk hun eigen groepsproces doorlopen en soms ook onderling ruzie krijgen. Aandachtspunten in de stormfase • Maak samen met de kinderen de groepsregels. Let erop dat iedereen er zich er aan houdt. • Hang de regels goed zichtbaar op en laat iedereen ze ondertekenen. • Let op hoe de groepsleden met elkaar omgaan. Laat kinderen oefenen met rollen in de groep. Wat past bij jou en hoe krijg je die rol? Bespreek met elkaar wat een goede leider is. Geef kinderen ook andere rollen dan ze uit zichzelf innemen: 'Bij deze opdracht ben jij de voorzitter.' • Evalueer de groepsopdrachten. Maak kinderen bewust van de verschillende rollen die ze daarbij innemen. • Negeer problemen niet, maar maak ze bespreekbaar. • Laat je waardering blijken als de groep zich van haar positieve kant laat zien.
Voorbeeld De school is na de zomer nog maar net begonnen. Onderwijsassistent Rolf staat elke morgen bij de deur om de kinderen van zijn groep 6 te ontvangen. Hij geeft een complimentje, maakt een grap, stelt een vraag, aait kinderen over de bol en zorgt zo elke ochtend meteen voor een vertrouwde sfeer, waarin hij iedereen even aandacht geeft.
2.4.2 Stormfase In deze fase komt er beweging in de groep en gaat het erom hoe iedereen in de groep met elkaar omgaat. De groepsleden kijken nu kritisch om zich heen en vragen zich af: Met wie kan ik het goed vinden? Van wie kan ik maar beter een beetje afstand houden? Het kan er in deze fase soms behoorlijk onrustig aan toegaan. Deze fase heet niet voor niets stormfase: je vraagt je misschien af wat er met die rustige groep is gebeurd. Is er soms storm op komst? De groep heeft elkaar nu een beetje leren kennen en durft meer. De groepsleden komen los en laten meer van zichzelf zien. Iedereen neemt zijn positie in en dat kan strijd opleveren. Wie heeft de leiding? Wie heeft invloed en wie niet? Wie vormen samen groepjes? Wie vallen erbuiten? Sommige kinderen doen er van alles aan om op te vallen en de aandacht te krijgen. Andere kinderen houden zich stil en wachten rustig af totdat de storm gaat liggen. 22
De groep
Voorbeeld 'Mees, Jeffrey zit me uit te schelden.' 'Meester, ze doet het weer!' 'Mees, ik mag niet meedoen.' In een groep waar kinderen veel aandacht vragen en veel met elkaar bezig zijn, zijn kinderen op zoek naar veiligheid. Als dit gebeurt terwijl het schooljaar al een halfjaar aan de gang is, dan is de groep in de stormfase blijven hangen.
2
Voorbeeld Gitte doet haar BPV in groep 3. In de kring legt ze uit waar ze blij en gelukkig van wordt: van alles wat ze ziet in de groep dat vriendelijk, behulpzaam en aardig is. De rest van de dag benoemt ze uitdrukkelijk alles wat ze ziet: 'Wat lief zeg, dat jij Rico even helpt met het dichtmaken van zijn jas.' 'Wat fijn dat jullie zo zachtjes lopen in de gang, dan kunnen de andere groepen ook rustig werken.' 'Goed zo, ik zie dat groepje rood al klaar zit.'
2.4.3 Normfase In de normfase verloopt alles een stuk rustiger. In deze fase worden de omgangsregels, waaraan iedereen zich moet houden, vastgesteld. Bijvoorbeeld: 'Als je iets nodig hebt, dan vraag je het even.' Of: 'Op een vriendelijke manier iets vragen.' Leg omgangsregels niet zomaar op, maar stel ze in de groep ter discussie. Hoe gaan we met elkaar om? Hoe krijgen we een fijne groep? Wat is daarvoor nodig? Wat kan ieder van ons daar aan doen? Hoe denk je er zelf over? Hoe lossen we problemen op? Benoem de dingen die je graag wilt zien in de groep en geef veel complimenten. Dit zal ertoe leiden dat andere kinderen dit gedrag overnemen. Laat kinderen met elkaar in gesprek gaan als er verschil van mening is over de regels. In een positieve groep is er niet één leider, maar hebben ook anderen hun inbreng. Ook al zijn het de leiders die – soms onbewust, soms bewust – de ongeschreven regels in een groep bepalen, iedereen moet inbreng hebben. Zij bepalen niet alleen hoe groepsleden met elkaar omgaan. Laat alle leerlingen meedenken over het omgaan met elkaar. Dat bevordert de samenwerking en het groepsgevoel. De groep heeft nu een vaste structuur en de rollen zijn verdeeld. In deze fase kun je de groep nog altijd positief beïnvloeden. Aandachtspunten in de normfase • Let op of de groep de afgesproken omgangsregels naleeft. • Stimuleer kinderen onderlinge problemen zelf op te lossen. Zo krijgen ze meer verantwoordelijkheid dan wanneer jij alles voor ze oplost. • Zet de leiders van de groep in bij het bewerkstelligen van positief gedrag. • Sta stil bij wat voor jou belangrijk is: wat is voor jou gewenst gedrag? Hoe stel jij je een fijne groep voor?
Regels Kinderen hebben behoefte aan orde, regelmaat en voorspelbaarheid. Ze willen weten wat jij van hen verwacht. Daarom zijn er regels. Regels zorgen voor rust en structuur. Het is belangrijk dat kinderen de regels naleven en weten dat er consequenties zijn als dit niet gebeurt. Vertel de kinderen deze gevolgen. Gebruik bij voorkeur de 'methode van het logische gevolg'. Wanneer kinderen iets vuil maken, is het logische gevolg dat ze dit opruimen; wanneer een kind het werk niet af heeft, is een logisch gevolg dat hij dit op een ander tijdstip afmaakt.
2.4.4 Prestatiefase De groep heeft zich gevormd, de rollen liggen vast, de regels zijn duidelijk. In deze fase kan er worden gewerkt, gepresteerd en goed worden samengewerkt. Als het goed is, heerst er in de prestatiefase een 'wij-gevoel' in de groep. In een positieve groep gaat geen energie meer verloren aan ruzietjes, je plek veroveren en onzekerheid. Kinderen gaan met plezier naar school, voelen zich gewaardeerd om wat ze kennen en kunnen en weten zich gesteund bij problemen en tegenslag. In een negatieve groep is er geen fijne, stimulerende, maar juist een vervelende, ruzieachtige sfeer. Het is lastig om hier nu nog wat aan te veranderen. Dat is des te pijnlijker omdat deze fase in principe erg lang kan duren, namelijk tot de laatste fase waarin de groep ophoudt te bestaan. Soms valt de groep uiteen in positieve en negatieve subgroepen. Om in deze fase problemen in een negatieve groep aan te pakken, is soms deskundige hulp nodig. 23
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Aandachtspunten in de prestatiefase • Besteed aandacht aan onderlinge relaties en rollen in de groep. Zijn die helpend in deze fase of belemmeren ze het samenwerken en werk aan individuele taken en groepstaken? • Wat helpt de groepssfeer te verbeteren als dit nodig is? Voorbeeld De kinderen van groep 7 zijn al dagen druk en kunnen zich moeilijk concentreren. Het WK voetbal is aan de gang. Oranje speelt heel goed, al klinkt in de media wel gemopper dat het Nederlands elftal 'als los zand aan elkaar hangt'. De meeste kinderen komen elke dag in oranje kleding naar school en kletsen in de klas meer over het voetbal dan dat ze werken. Opeens heeft juf Annemarie een idee. Ze zet de kinderen aan het werk in vijf groepen met de opdracht: 'Wat is er nodig om de prestatie van een team te vergroten? Bedenk vijf gouden tips.'
Figuur 2.6 Eindfeest van groep 8 © Mirador media / Koen Bakx
Aandachtspunten in de afscheidsfase • Met het einde in zicht houdt de groep zich wat minder aan de regels. Heb daar begrip voor. • Besteed aandacht aan de evaluatie. Benoem bij het terugkijken vooral wat is gelukt en samen is bereikt. Geef ook aandacht aan: hoe nu verder. Voorbeeld De leerkracht van groep 8 studeert de afscheidsmusical in. Hiervoor komen telkens een paar spelers naar de repetitieruimte. De onderwijsassistent regelt intussen de klas. In de pauze vertelt de leerkracht: 'Het is natuurlijk heel mooi om met ze aan die musical te werken, maar het afscheid is tegelijkertijd het losmaken van de draden die ons met elkaar verbinden. Je hebt veel met elkaar meegemaakt en bij het instuderen maak je iedereen nog een laatste keer in kleinere groepjes mee. Je kunt ze allemaal nog even wat extra aandacht geven. Omdat je ze zo goed kent, houd je rekening met waar ze bang voor zijn of juist goed in zijn. Dan is het bij het optreden nog één keer schitteren en zijn ze weg.'
2.4.5 Afscheidsfase De afscheidsfase is de laatste fase van de groep voordat deze uit elkaar valt. De groepsleden kennen elkaar door en door. Als de sfeer goed is, vindt iedereen het jammer dat de groep uit elkaar gaat. Bij een afscheid horen rituelen die het afscheid gemakkelijker moeten maken. Zo werkt groep 8 een groot deel van het jaar aan de musical die ze aan het eind van het jaar gaan opvoeren. Er is soms ook een afscheidsboekje met herinneringen en ze krijgen een afscheidsfeest. Zo maak je het voor de leerlingen gemakkelijker om deze laatste fase positief te beleven. Bij een negatieve groep kunnen kinderen het eind als een opluchting ervaren. De zondebok raakt eindelijk de pestkoppen kwijt en kan ergens anders een nieuwe start maken. Groepsleden hoeven niet meer om de macht te strijden. Ze kunnen weer zichzelf zijn en zijn verlost van de stress die een negatieve groep met zich meebrengt. Jouw rol in de afscheidsfase is de leerlingen begeleiden bij het terugkijken en helpen het afscheid vorm te geven.
2.5 Inzicht in de groep Groepen verschillen van elkaar. Dat weet je uit je eigen ervaring als leerling. In de ene klas voelde je je happy en maakte je er misschien wel vrienden voor het leven. Maar er zal vast wel een groep bij zijn geweest waaraan je minder goede herinneringen bewaart. 24
De groep
Ook als pedagogisch werker krijg je te maken met gemakkelijke en moeilijke groepen. Het is de kunst om ook in een lastige groep een fijne sfeer te scheppen waarin kinderen zich veilig voelen en plezierig omgaan met elkaar. Samenspelen en samenwerken gaat niet altijd zonder problemen. In elke groep doen zich wel eens ruzies voor en in elke groep zitten kinderen of jongeren bij wie de ontwikkeling niet zonder problemen verloopt. Daaraan geef je extra aandacht. Om inzicht te krijgen in het functioneren van de groep is het nodig tijd en aandacht te besteden aan observatie.
2
Je kijkt gericht naar elk kind; niet alleen naar wie veel aandacht vragen, maar ook naar wie minder opvallen. Je observeert hoe kinderen met elkaar omgaan, je let op de overeenkomsten en de verschillen en wat ze ermee doen. Wie praat met wie en hoe praten de kinderen met elkaar? Die communicatie kan verbaal zijn en non-verbaal. Wie gaat naast wie zitten? Hoe kijken de kinderen elkaar aan? Je kijkt naar hoe ze de ruimte benutten. Zitten ze elkaar in de weg of zoeken ze elkaar juist steeds op? Door de vriendschapsrelaties in de groep in kaart te brengen, krijg je een beeld van de onderlinge relaties. Wie spelen of werken graag samen? Wie is populair? Staat er iemand buiten de groep? Op basis van dit beeld kun je zien welke kinderen om extra aandacht vragen en welk kind je bij een samenwerkingstaak het beste kunt koppelen aan een nog niet zo sociaal vaardig kind.
2.5.1 Observeren Om de ontwikkeling van de groep te volgen en knelpunten tijdig te signaleren, is observeren een belangrijk onderdeel van je werk. Observeren is bewust en doelgericht naar gedrag kijken. Tabel 2.1 Een observatielijst Observatielijst
Hier zie je een voorbeeld van een formulier aan de hand waarvan je het functioneren van de groep kunt observeren. Sfeer
Mee eens
Er heerst een ontspannen, vrolijke en gezellige sfeer in de groep: er wordt gelachen en onderling gepraat. Een aantal kinderen praat of zingt in zichzelf tijdens het spel. De kinderen hebben plezier: er wordt nogal eens hardop geschaterd, gedanst of gesprongen. De meeste kinderen hebben een ontspannen of tevreden gezichtsuitdrukking. De leidster heeft een rustig gevoel in de groep. Er heerst een onrustige, rumoerige sfeer in de groep: je hoort regelmatig gehuil, ruzie, gillen, mopperen of protesteren. De meeste kinderen hebben een ontevreden, verveelde of angstige gezichtsuitdrukking. In plaats van onrustig kan de groep ook onnatuurlijk stil zijn: je hoort weinig geluid en je ziet weinig bij de kinderen. De leidster heeft het gevoel dat zij voortdurend overal tegelijk moet zijn.
Bron: Meij en Schreuder, 'Welkom in de groep' 25
Mee oneens
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Als je naar kinderen kijkt, komt er veel op je af. Er is zoveel dat je aandacht trekt: een snottebel, een kind dat iets afpakt van een ander kind, een plas water op de grond waarover iemand kan uitglijden. Er zijn zaken die je meestal onmiddellijk opvallen en andere die je misschien ontgaan. Om zo goed mogelijk te kunnen aansluiten bij de interesses, competenties, behoeften en de leefwereld van kinderen is het van belang om breed te observeren: • op verschillende momenten en plaatsen: in de groep, op de speelplaats, tijdens het eten, bij de kinderboerderij; • op verschillende manieren: stellen van vragen, gericht kijken; • samen met andere personen: andere collega's, ouders, andere kinderen.
Deze gegevens kunnen waardevolle aanwijzingen geven. De informatie kan ertoe bijdragen dat elk kind z'n eigen plekje vindt in de groep, zichzelf kan zijn en zich er thuis voelt. Ook kan de opgedane informatie inzichten geven voor aanpassing van bijvoorbeeld de inrichting van het lokaal, invoering van bepaalde activiteiten, zoals groepsspelletjes, verandering van tafelgroepjes of aanschaf van materialen.
2.6 De invloed van de groep Groepsleden hebben invloed op elkaar. Samen met de groepsleiding en met elkaar vormen ze een omgeving waarin ze zich kunnen vormen en ontwikkelen. Jouw taak is te zorgen voor een pedagogisch klimaat waarin groepsleden van elkaar kunnen leren. Kinderen in een groep leren door het gedrag van anderen te observeren en na te doen. Dit nadoen heet imiteren. In een groep is er voor kinderen of jongeren genoeg 'voorbeeldmateriaal' om na te doen. Wat een ander al kan of durft, willen ze zelf ook graag doen. Kinderen imiteren niet zomaar alle gedrag van anderen. Belangrijk voor ze is welke gevolgen het nadoen heeft. Krijg je een complimentje omdat je net als Bas ook je bord en beker zelf op het aanrecht zet? Of krijg je een standje omdat je net als Emine wild met de kar rondrijdt op het plein waar ook de kleintjes rondlopen? Initiatief nemen, vrolijk zijn, behulpzaam zijn: gedrag waar je een aanmoediging voor krijgt, neemt een kind eerder over dan gedrag dat een standje oplevert. Zorg ervoor dat je rustig en positief op gedrag reageert en wees je extra bewust van je voorbeeldfunctie.
Figuur 2.7 Kinderen werken samen aan een taakje © ANPfoto / Isabel Nabuurs
Breed observeren Bij breed observeren gaat het niet over toevallig, 'zomaar' waarnemen. Je wilt bewust, gepland en gericht kijken, met de bedoeling gegevens te verzamelen om een zo goed mogelijk beeld van een kind te krijgen. Vaak gebeurt dit aan de hand van een observatielijst. Je vormt je daarbij geen oordeel en interpreteert ook niet. Je doet dit op verschillende momenten en plaatsen, en op verschillende manieren en bij verschillende kinderen. Door breed te observeren verruim je je eigen kijk op kinderen en op hun mogelijkheden. Je krijgt een beter beeld van hun vaardigheden, interesses en behoeften. Je komt er ook achter hoe kinderen met elkaar omgaan en wat zij vanuit hun eigen ervaringen en achtergrond inbrengen in de groep.
2.7 De grootte van de groep De grootte van de groep heeft invloed op de communicatie tussen de leden. In een grote groep is het moeilijker om aan het woord te komen als je iets wilt zeggen of vragen in een kringgesprek of discussie. Het nemen van groepsbesluiten kost meer tijd. In een grote groep zijn meer mensen die een bijdrage kunnen leveren 26
De groep
aan het oplossen van een probleem, maar die bijdrage is per persoon wel kleiner. Een kleine groep nodigt meer uit tot deelname aan een gesprek dan een grotere groep. Het is dan ook beter om kleinere taakgroepen te vormen of kleine projecten op te zetten. Uit onderzoek komt naar voren dat mensen in een kleine groep zelfbewuster zijn: ze zijn zich bewuster van hun gedrag en proberen hun gedrag af te stemmen op de anderen. In grote groepen maken mensen zich minder druk om hun gedrag. Ze kunnen zelfs gemakkelijker afwijkend gedrag vertonen. In een grote groep kan een kind gemakkelijker 'niks doen', 'niks zeggen' en 'zich verschuilen' dan in een kleine werkgroep. Een groep van vijf personen doet het in veel situaties het beste. Zo'n groep is groot genoeg om verschillende meningen en ideeën naar boven te krijgen en klein genoeg om iedereen aan het woord te laten komen.
2.8 Ruimte en inrichting Het staat vast dat de omgeving grote invloed heeft op de communicatie tussen de groepsleden. In een klas waarin de tafels in rijtjes van twee achter elkaar staan, is de communicatie tussen kinderen veel lastiger dan wanneer de tafels in groepjes staan. Houd rekening met de activiteit die je in gedachten hebt. In een indeling met tafelgroepjes op school kunnen leerlingen samenwerken aan een taak en met elkaar overleggen. Voor het voeren van een groepsgesprek is het beter dat de stoelen in een kring staan. Houd bij de inrichting van de ruimte en bij het indelen van kinderen in groepjes rekening met mogelijke stoorzenders. Een rustige hoek plaats je niet naast een hoek waar het spel lawaaierig is of waar leerlingen intensief met elkaar samenwerken. Je zorgt ervoor dat kinderen die langslopen niet per ongeluk een bouwwerk kunnen omstoten. Materialen berg je op een handige plek op. Kinderen moeten er gemakkelijk bij kunnen komen, zonder een grote omweg te maken. Kinderen die snel zijn afgeleid, komen dan niet in de verleiding om, onderweg naar een kast met materialen, zich met andere kinderen te bemoeien. 27
2
2
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist
Onjuist
1 Het geeft onrust als kinderen rollen vervullen in een groep.
◯
◯
2 Groepsleden met een taakgerichte rol hebben een leiderspositie.
◯
◯
3 De grapjas kan een positieve bijdrage hebben in de groep.
◯
◯
4 De waarden en normen in de groep bepalen de groepscultuur.
◯
◯
5 Waarden gaan over hoe je je hoort te gedragen in de groep.
◯
◯
6 Een groep ontwikkelt zich in een bepaalde vaste volgorde.
◯
◯
7 De groepsontwikkeling verloopt in zes fasen.
◯
◯
8 De vormfase is de beginfase van de groepsvorming.
◯
◯
9 In de stormfase kun je negatief gedrag nog ombuigen.
◯
◯
10 In de normfase worden de omgangsregels vastgesteld.
◯
◯
11 Observeren doe je steeds op dezelfde plek en tijd.
◯
◯
12 Kinderen leren door gedrag van anderen te observeren.
◯
◯
28
De sfeer in de groep
3
De sfeer in de groep 3 LEERDOELEN
• • • • • •
Je kunt uitleggen wat de drie basisvoorwaarden zijn voor een positieve groepssfeer. Je kunt toelichten wat de kenmerken zijn van een veilige en een onveilige groep. Je kunt voorbeelden geven van de manier waarop je de sfeer in een groep positief kan beïnvloeden. Je kunt toelichten wat sociale vaardigheden inhouden. Je kunt omschrijven hoe kinderen sociale vaardigheden leren. Je kunt uitleggen waarom feesten en rituelen belangrijk zijn voor een goede groepssfeer.
Een fijne sfeer in de groep is belangrijk voor het welzijn van kinderen. Het helpt ze bij het aanleren van positief sociaal gedrag, de onderlinge relaties in een gezellige groep zijn goed en kinderen kunnen er zichzelf zijn. Als pedagogisch werker heb je als taak te zorgen voor een positieve groepssfeer: jij stuurt het groepsproces. In dit hoofdstuk lees je hoe je kunt bijdragen aan de groepssfeer door je houding, de regels die je hanteert en de activiteiten die je aanbiedt.
3.1 Het belang van een goede sfeer
van een veilig klimaat voor kinderen, waarin zij zich persoonlijk en sociaal kunnen ontwikkelen en vrienden kunnen maken.
Een positieve groepssfeer is warm, rustig, vrolijk, enthousiast, ondersteunend, taakgericht en tolerant. Als kinderen in een groep zich met elkaar verbonden voelen, aandacht voor elkaar hebben en om elkaar geven, zullen zij zich er thuis voelen. Een goede sfeer in de groep heeft een gunstige invloed op het functioneren van kinderen. Ze hebben steun aan de groep, inspireren elkaar, communiceren met elkaar en maken vrienden. Dit draagt bij aan het emotioneel welbevinden, het zelfvertrouwen en een stimulerend pedagogisch klimaat. Een goede sfeer heeft ook effect op de prestaties. In een positieve groep loopt alles bijna vanzelf en stimuleren kinderen elkaar. Je bent geen tijd kwijt aan orde houden. Investeren in een positieve groep is daarom in alle opzichten de moeite waard. Het doel van een positieve groepssfeer is het scheppen
Veilgheid
Sfeer in de groep Resoonlijk contact
Invloed
Figuur 3.1 De basisvoorwaarden voor een groep © Tiekstramedia
29
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
3.2 Veiligheid, invloed en persoonlijk contact
• •
In een groep met een fijne sfeer leren kinderen beter en kost het lesgeven je minder energie. Om goed te kunnen leren en fijn te kunnen spelen en werken, moet een groep aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. Dit zijn veiligheid, invloed en persoonlijk contact (afgekort VIP). • Veiligheid staat niet voor niets voorop, want dit is de belangrijkste voorwaarde. Je herkent een veilige of onveilige groep aan het gedrag van de kinderen en aan de houding van de begeleider van de groep. In een veilige groep is er ruimte om af te wijken van de groep. Als de sfeer goed is, voelen kinderen zich vrij om zichzelf te zijn. Kinderen voelen zich veilig in een groep waarin ze elkaar waarderen en respecteren. • Het is belangrijk voor kinderen dat zij invloed hebben, kunnen bijdragen aan wat er gebeurt in de groep en dat er naar ze geluisterd wordt. • Er is sprake van persoonlijk contact als kinderen goed met elkaar omgaan en een of meer vriendschappelijke contacten hebben in de groep. Je maakt steeds duidelijk aan de kinderen dat het goed is om voor elkaar te zorgen: 'Wil jij Sanne even helpen met de rits van haar jas?' en: 'Wat fijn dat je even plaats maakt, dan kan de stoel van Amira erbij.' Dit heet ook wel peer coaching: leeftijdgenoten helpen elkaar.
Kinderen voelen zich vrij om problemen te bespreken. Kinderen voelen zich veilig om zichzelf te zijn en elkaar aan te spreken op negatief gedrag.
Figuur 3.2 In een veilige groep hebben jongens en meisjes contact © ANPfoto / Isabel Nabuurs
Kenmerken van een onveilige groep • De begeleider is vaak boos en voelt zich regelmatig wanhopig. • De begeleider speelt kinderen tegen elkaar uit en treedt niet op bij pesten. • De begeleider geeft op een negatieve manier feedback ('O, daar hebben we Jouke weer!'). • De begeleider lokt bij kinderen sociaal gewenst gedrag uit op een onvriendelijke of niet effectieve manier. ('Zou je ook niet eens een keer…') • De begeleider gelooft verhalen van kinderen vaak niet. • Kinderen durven niet zichzelf te zijn, doen niet mee of proberen aan groepsopdrachten te ontkomen. • Kinderen lachen andere kinderen uit. • Kinderen nemen geen verantwoordelijkheid voor het groepsproces. • Kinderen doen vooral iets om te 'scoren' bij de stoere kinderen van de groep. • Drukke kinderen krijgen veel aandacht.
Kenmerken van een veilige groep • De begeleider geeft gericht leiding, zorgt voor een gevoel van veiligheid door alle kinderen aan te moedigen. • De begeleider geeft stille, onzekere en aarzelende kinderen steun en begrenst dominante kinderen. • Iedereen hoort erbij. • Meisjes en jongens hebben contact met elkaar. • Kinderen helpen elkaar. • Kinderen geven elkaar positieve feedback. • Verschillen in kwaliteiten en achtergrond worden geaccepteerd. • Kinderen stellen elkaar en de leerkracht of pedagogisch werker vragen.
3.3 Stimuleren van een goede sfeer Een goede sfeer kenmerkt zich door een gevoel van veiligheid in de groep. Pas als de groepsleden zich veilig voelen, kunnen ze goed functioneren, zich in alle opzichten volledig ontplooien en kun30
De sfeer in de groep
3
nen ze tot optimale prestaties komen. Kinderen en jongeren zijn volop in ontwikkeling. Ze hebben een omgeving nodig die bijdraagt aan hun ontwikkeling. Daarom is het erg belangrijk aandacht te besteden aan de sfeer in de groep.
Voordoen en nadoen Kinderen doen precies na wat ze een ander zien doen. Een baby van drie maanden beantwoordt de glimlach van de ouder al. En een baby van zeven maanden zwaait terug als iemand naar hem zwaait. Als pedagogisch werker ben je een belangrijk voorbeeld. Kinderen willen lijken op iemand die ze aardig vinden of bewonderen. Als je een goede relatie met ze hebt, willen ze jou in alles nadoen. Daarom is het belangrijk dat je je bewust bent van je eigen sociale gedrag. Hoe reageer je op een kind dat lastig is? Hoe ga je met collega's en met ouders om? Als jij respectvol omgaat met anderen, zal een kind jouw voorbeeld volgen.
Figuur 3.3 In een veilige groep werken kinderen rustig
Voorbeeld In groep 3 komt een nieuw meisje in de klas. Ze is verhuisd vanuit een andere stad. Meester Tom legt uit: 'Dit is Jamila, ze komt bij ons in de klas. Jamila kent nog niemand. Hoe stellen wij ons aan haar voor?' Als iedereen in de groep hem vragend aankijkt, doet hij het voor. Hij gaat voor Jamila staan, kijkt haar aan, geeft haar een hand en zegt vriendelijk: 'Dag Jamila, ik heet Tom.' Meteen springt Dani op, gaat voor Jamila staan, doet meester Tom precies na en zegt: 'Dag Jamila, ik ben Dani.'
aan hun taak © Mirador media / Anke Gielen
3.3.1 Invloed van de pedagogisch werker op de sfeer Als pedagogisch werker heb je een grote invloed op de sfeer en het klimaat in de groep. Er wordt een enthousiaste, vriendelijke, positieve uitstraling van je verwacht, zodat kinderen daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Bij een kringgesprek stimuleer je dat kinderen belangstelling hebben voor elkaar en je toont die interesse zelf ook.
Kinderen leren ook door de reacties die ze krijgen op hun gedrag. Laat aan een kind merken dat je het waardeert als het zich sociaal vaardig gedraagt. Door de aanmoediging en complimentjes die kinderen krijgen bij positief gedrag, laten ze dat gedrag vaker zien.
Voorbeeld In de kring praat groep 5 over de sport waar je op zit. Onderwijsassistent Tejo deelt kleine kaartjes uit. Ieder kind krijgt er één. Op elk kaartje staat een vraagwoord: hoe, waar, wanneer, welke, waarom. Tejo legt uit: 'Wie aan de beurt is, mag iets vertellen over zijn sport. De anderen stellen een vraag die begint met het vraagwoord op je kaartje.' Chris is als eerste aan de beurt en vertelt dat hij op streetdance zit. Meteen vuren de kinderen allerlei vragen op hem af: 'Waar doe je dat?', 'Waarom ben je op streetdance gegaan?', 'Hoe vaak oefen je?' Binnen een paar minuten weten ze al heel veel over de sport van Chris.
Regels en grenzen Een prettige groepssfeer vraagt om heldere regels en duidelijke grenzen. Kinderen moeten weten wanneer ze 'te ver' gaan. Laat kinderen zelf meedenken bij het opstellen van de regels. Houd ze eraan en laat kinderen elkaar helpen om zich aan de regels te houden. Als je ziet dat er dingen fout gaan of dreigen fout te gaan, heb jij de verantwoordelijkheid om in te grijpen. Door ervaring leer je op een goede manier om te gaan met situaties die vragen om 31
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
3.4 Sociaal gedrag
een reactie van jou. Laat duidelijk merken dat je bepaald gedrag niet accepteert. Bespreek wat je ziet en probeer samen een oplossing of alternatief te vinden. 'Schoppen mag niet. Als je boos bent, kun je ook met woorden zeggen wat je dwars zit.' Bij jonge kinderen zul je hier nog erg in moeten sturen. Oudere kinderen zijn steeds beter in staat om zelf een oplossing te bedenken en het goed te maken als er iets mis is gegaan.
Kinderen die andere kinderen helpen, naar een ander luisteren, vriendelijk zijn, grapjes maken, naar een oplossing zoeken, trekken de anderen mee in een positieve groepssfeer. Voor een positieve groepssfeer is het belangrijk dat kinderen op een vriendelijke, behulpzame en belangstellende manier met elkaar omgaan. Met andere woorden, dat ze sociaal vaardig zijn.
Gedragsregels groepssfeer • Ik noem de ander bij de voornaam. • Ik laat de ander uitpraten. • Ik probeer problemen met praten op te lossen. • Ik vraag het netjes als ik iets van een ander wil hebben. • Ik stop of doe een stap terug als de ander 'stop', 'nee' of 'hou op' zegt.
3.4.1 Sociaal vaardig handelen Kinderen die sociaal vaardig zijn, weten hoe ze in verschillende situaties kunnen handelen. Ze passen hun gedrag aan hun omgeving aan. Kinderen met sociale vaardigheden horen erbij, hebben niet vaak ruzie en anderen vinden hen aardig. Zij kunnen hun mening geven, een gesprek op gang houden, iemand een compliment geven en omgaan met kritiek. Niemand wordt sociaal vaardig geboren. Door anderen te imiteren, door aanwijzingen van opvoeders en reacties van andere kinderen leert een kind stap voor stap de sociale vaardigheden die het nodig heeft in het leven. Dit proces duurt een leven lang: ook als volwassene kom je steeds weer in nieuwe situaties die nieuwe vaardigheden vragen. Als pedagogisch werker help je kinderen de sociale vaardigheden te leren die nodig zijn voor een goede sfeer in de groep.
Figuur 3.4 Als pedagogisch werker kom je situaties tegen die vragen om een reactie van jou © ANPfoto / Mark Kuipers
Hoe hoort het eigenlijk? Wat voor de een normaal is, vindt de ander maar vreemd. Wat normaal is in het ene land, vinden ze in een ander land misschien gek. En wat vroeger onbeleefd was, vinden mensen nu heel gewoon. Hoe het hoort is dus niet zo gemakkelijk te zeggen. Toch zijn er een paar regels die het omgaan met andere mensen gemakkelijker en leuker maken. Bijvoorbeeld: zomaar iets aardigs zeggen, een complimentje geven, alsjeblieft en dankjewel zeggen, iemand helpen en troosten, iets persoonlijks vertellen in de groep, het eerlijk zeggen als er iets mis is gegaan, sorry zeggen, je aan de spelregels houden, naar elkaar luisteren of ruzie oplossen.
Aandachtspunten voor een positieve sfeer • Begroet kinderen altijd persoonlijk en noem ze bij hun naam. • Wees voorspelbaar en betrouwbaar in je gedrag. • Laat regelmatig horen dat het goed gaat. • Probeer te begrijpen waarom een kind doet zoals het doet. • Stimuleer samenwerking en een gevoel van gezamenlijkheid. • Laat kinderen elkaar helpen en leer ze dat ook. • Laat merken dat je betrokken bent en belangstelling hebt voor een kind. 32
De sfeer in de groep
3.4.2 Sociale vaardigheden voor de sfeer in de groep
3
Sociale vaardigheden Voor een goede groepssfeer hebben groepsleden op verschillende gebieden sociale vaardigheden nodig. Hier zie je de belangrijkste op een rij: • Ervaringen delen. Je kunt met anderen delen wat je bezighoudt en plezier maken met anderen. • Aardig doen. Je kunt de ander op een vriendelijke, positieve manier benaderen, helpen en troosten. • Jezelf presenteren. Je kunt in de groep iets vertellen of een gesprek beginnen met iemand die je niet kent. • Samen spelen en werken. Je bent erop gericht samen met anderen iets voor elkaar te krijgen. Je kunt overleggen en afspraken maken over wat jullie gaan doen. • Opkomen voor jezelf. Je durft je mening te geven en doet dit op een rustige manier. Je komt op voor jezelf en je zegt het als iemand iets van je afpakt. • Omgaan met ruzie. Je kunt een meningsverschil oplossen door erover te praten. Zo nodig maak je excuses of je bedenkt iets om het goed te maken.
Om sociaal vaardig te kunnen handelen heeft een kind kennis nodig van de sociale situatie. Dat wil zeggen, begrijpen wat in een situatie van je wordt verwacht en weten hoe je moet handelen. Voorwaarde hiervoor is dat een kind zich kan verplaatsen in de ander, om vervolgens met de juiste sociale vaardigheden actie te ondernemen. Empathie De vaardigheid om je te verplaatsen in de gevoelens, wensen en gedachten van de ander heet ook wel empathie. Het vermogen om je in te leven is een heel belangrijke vaardigheid. Wie zich kan voorstellen hoe een ander zich voelt, is in staat tot sociaal vaardig handelen zoals iemand helpen, troosten of voor iemand opkomen. Een empathisch kind is in staat aardig te doen en de ander op een vriendelijke, positieve manier te benaderen. Een kind dat daartoe in staat is, gaat niet alleen uit van zichzelf, maar ook van anderen. Voorbeeld Op het schoolfeest staat het plein vol kraampjes. Ouders en kinderen lopen rond en er is van alles te doen. Pieter (8) loopt naar het kraampje met limonadesiroop. 'Moet ik betalen voor de limonade of mag ik het zo hebben?', vraagt hij. Als hij ziet dat de moeder van Yassine, die achter het kraampje staat, hem niet-begrijpend aankijkt, snapt hij dat ze nog geen Nederlands spreekt en hem niet verstaat. Hij wijst naar de bekers en vraagt: 'Mag ik?' Ja hoor, knikt de moeder van Yassine en reikt hem een volle beker aan.
Afstemmen op sociale ontwikkeling Een kind van anderhalf jaar kan nog niet delen met andere kinderen. Een kind van drie jaar kan dat wel. Een kleuter van vier jaar die voor het eerst naar de basisschool gaat, heeft zich al heel wat sociale vaardigheden eigen gemaakt. Een kind van die leeftijd weet dat je erom kunt vragen als je iets graag wilt hebben en kan in kleine groepjes spelen. Sommige kleuters kunnen zich al goed in een ander verplaatsen, andere zijn deze vaardigheid nog volop aan het ontwikkelen. Je stemt je verwachtingen en aanpak af op de sociale ontwikkeling van het kind. Wat je van een 4-jarige nog niet kunt verwachten, verwacht je van een 9-jarige wel. Bij een 9-jarige kun je dieper ingaan op de achtergrond van een sociaal conflict. Voorbeeld: 'Rinse zegt dat hij zich buitengesloten voelt, hij wil er graag bij horen. Hoe zouden jullie hem dat gevoel kunnen geven?' Bij een kleuter heeft zo'n gesprek nog niet zo veel zin. Dan moet je heel concreet en dicht bij de eigen
Figuur 3.5 Jonge kinderen hebben zich al heel wat sociale
vaardigheden eigen gemaakt © Mirador media / Anke Gielen 33
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
ervaring van het kind blijven. 'Harika huilt omdat je haar bouwwerk kapot hebt gemaakt. Hoe ga je dat goedmaken?'
Voorbeelden Vaardigheid: Hoe praat je met elkaar? • Kijk elkaar aan. • Praat om de beurt. • Luister naar elkaar.
3.5 Sociale vaardigheden leren
Vaardigheid: Hoe stel je een vraag? • Kijk iemand aan. • Stel een duidelijke vraag. • Luister naar het antwoord.
Kinderen leren sociale vaardigheden op verschillende manieren: door observeren en imiteren. Ze zien hoe andere kinderen en volwassenen met elkaar omgaan en leren heel veel door het voorbeeld van een ander. Daarom is het ook goed om een kind dat sociaal niet zo vaardig is, te laten samenwerken met een sociaal vaardiger kind. De groep biedt verschillende mogelijkheden voor het aanleren van sociale vaardigheden. Je kunt er bijvoorbeeld meteen op inspelen als zich een probleem voordoet: 'Ik zie dat jullie groepje niet goed samenwerkt.' Of een nieuwe vaardigheid in een groepsgesprek ter sprake brengen: 'Hoe kun je reageren als je een complimentje krijgt?' Of via een rollenspel een sociale vaardigheid aanleren.
Vaardigheid: Hoe stel je je aan iemand voor? Kijk de ander aan. Geef een stevige hand. Zeg duidelijk je naam.
• • •
3.5.1 Groepsgesprek
De communicatie in de groep verloopt niet alleen verbaal, maar ook non-verbaal. Daarom is het nodig dat een kind oefent in laten zien wat het vanbinnen voelt. Soms is een kind verdrietig, maar toont het boosheid in plaats van verdriet. Anderen reageren dan op de boosheid en niet op het verdriet. Ze kunnen immers niet zien dat de ander verdrietig is. Of een kind is onzeker, maar slaat letterlijk van zich af om zijn onzekerheid te verbergen.
Bij de gesprekjes tijdens het eten leren kinderen vriendelijk te vragen om wat ze willen hebben en leren ze 'smakelijk eten' zeggen. Soms is er een aanleiding in de groep om nieuw gedrag aan te leren. Je merkt bijvoorbeeld in de kring dat kinderen niet goed naar elkaar luisteren. Iedereen praat door elkaar, waardoor niemand een ander kan verstaan. In een groepsgesprek stel je vervolgens de vaardigheid 'luisteren naar elkaar' op een heel natuurlijke manier aan de orde. Vervolgens oefenen de kinderen de nieuwe vaardigheid meteen in de praktijk. Je kunt ook bewust een nieuwe vaardigheid aanleren, bijvoorbeeld 'het geven en krijgen van een compliment' of 'vragen of je mee mag doen.' Dit kun je doen in de groep waarbij je bijvoorbeeld eerst een paar kinderen de vaardigheid laat voordoen, waarna je de kinderen laat oefenen in tweetallen of in kleine groepjes. Door die groepjes bewust samen te stellen, kun je ervoor zorgen dat zij maximaal profiteren van het leren van en met elkaar.
Woorden geven aan emoties Het 'Lekker in je vel'-spel helpt kinderen woorden te geven aan hun emoties. Op die manier leren kinderen hun emoties te benoemen en op de juiste manier te tonen. Leg vooraf uit waarom het belangrijk is dat je een ander kunt laten zien wat je voelt. Zie je er aan de buitenkant wel eens anders uit dan dat je je van binnen voelt? De kinderen zitten in tweetallen en kiezen uit de stapel kaartjes elk een emotie, zoals bang, blij, verdrietig, tevreden en onzeker. Elk kind beeldt de emotie uit aan de ander. Kan diegene raden om welke emotie het gaat? Daarna bespreken ze de twee vragen op de kaart. De eerste vraag is bedoeld om jezelf en elkaar te leren kennen: Wanneer heb je die emotie? De tweede vraag is bedoeld om inzicht te geven: Wat helpt om met een moeilijke emotie om te gaan? Of: Wat kun je doen om vaker een positief gevoel te hebben? Hoe gaat elk kind met die emotie om 34
De sfeer in de groep
en heb je tips voor elkaar? Daarna bespreek je het spel na. Lukte het de emotie te raden? Lukte het de emotie uit te beelden? Welke emotie was het makkelijkst of moeilijkst en waarom? Waarom is het belangrijk dat je aan anderen laat zien hoe je je voelt?
3
of de tafels schoonmaken. Bij knutselactiviteiten leren zij op hun beurt wachten, samen werken, anderen helpen. Activiteiten in kleinere groepjes zijn een goed middel om kinderen met elkaar in contact te brengen. Ook kinderen die elkaar niet meteen opzoeken, spelen op die manier toch met elkaar. Op school zitten kinderen vaak in vaste tafelgroepjes waarmee ze samenwerken aan hun taken. Geschikt zijn activiteiten waarbij kinderen onderling kunnen praten en overleggen of samen aan iets werken. In de onderbouw spelen en werken kinderen samen in de hoeken.
3.5.2 Samenwerken Met elkaar omgaan leren kinderen vooral door samen dingen te doen. Dit kun je stimuleren door jonge kinderen samen aan een taakje te laten werken, bijvoorbeeld de bekers op tafel zetten
Figuur 3.6 Kaarten voor het bespreken van emoties © dubbelzesuitgeverij.nl
35
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
In de midden- en bovenbouw werken kinderen vaak met groepjes aan een project. Voor een deel kiezen kinderen zelf met wie ze samenwerken, voor een deel stuurt de leerkracht of pedagogisch werker dit. Bij de vrije keuze is de kans groot dat altijd dezelfde kinderen elkaar kiezen en dat ze daarmee andere kinderen buitensluiten. Vrije keuze van groepen kun je daarom het beste afwisselen met zelf groepjes samenstellen. Op die manier leren kinderen op een vanzelfsprekende manier van jongs af aan omgaan met jongens en meisjes en met kinderen die een andere achtergrond en andere kwaliteiten hebben. Ze leren van elkaar en met elkaar hoe je op een positieve manier met elkaar omgaat.
Figuur 3.7 Kinderen leren sociale vaardigheden door
samen spelletjes doen © Charlotte Bogaert
Rollenspel In het rollenspel spelen kinderen levensechte situaties na. Ze spelen doktertje, tandarts, ziekenhuisje en vooral ook heel veel alledaagse situaties na in hun spel. Zo oefenen ze spelenderwijs hoe je in het echte leven met elkaar omgaat. Kinderen weten heel goed dat het niet echt is wat ze spelen. Ze doen alsof. In het rollenspel kan een kind elke rol spelen die het maar wil. Het kind kan de grote sterke draak zijn of de koning naar wie iedereen luistert en die iedereen bewondert. Met situaties die een kind in het dagelijks leven niet de baas is, kan het in het spel wel omgaan. In het spel oefenen ze op een veilige manier emoties en gedrag. Ze leren naar elkaar kijken, luisteren, samenwerken, delen en zich verplaatsen in het perspectief van een ander. Er zijn drie verschillende soorten rollenspelen om sociale vaardigheden aan te leren: 1 vrij rollenspel; 2 begeleid rollenspel; 3 geleid rollenspel.
Voorbeeld In groep 5 van basisschool de Bosboom werken de kinderen rustig in groepjes. Hun leerkracht let bij de samenstelling van de groepjes op hoe ze die indeelt. Twee druktemakers in hetzelfde groepje is niet zo'n goed idee. Twee kinderen die totaal niet met elkaar overweg kunnen, zet ze ook niet bij elkaar. Wel zet ze een kind dat erg goed is in rekenen, bij een kind dat daar niet zo handig in is.
3.5.3 Samenspelen Kinderen spelen graag en al spelende leren ze heel veel, ook sociale vaardigheden. In de onderbouw spelen kinderen graag een rollenspel, bijvoorbeeld in de huishoek. Dingen die kinderen nog moeilijk onder woorden kunnen brengen, kunnen ze in een rollenspel uitspelen, zoals taken verdelen en iemand troosten. Juist voor minder verbaal begaafde kinderen is dat fijn. Peuters imiteren wat ze om zich heen zien gebeuren, zoals doen alsof ze roeren in een beker koffie. Kleuters kunnen sociaal gedrag prima oefenen in een spel. Ze hebben een rijke fantasie en spelen graag: 'Dan was ik de koning en dan was jij de prinses.' Daarvan kun je gebruikmaken door bijvoorbeeld te vragen: 'De koning praat vast heel deftig. Hoe klinkt het als hij de prinses iets wil vragen?' Oudere kinderen kunnen al een toneelstukje opvoeren.
Vrij rollenspel Een vrij rollenspel is wat kinderen uit zichzelf spelen. Op het schoolplein en in de verschillende hoeken in de onderbouw zie je hoe ze hun eigen wereld scheppen. Het ene kind is daar beter in dan het andere. Sommige kinderen hebben een enorme fantasie en zijn bovendien echte leiders. Het is fijn als je dit soort kinderen in de klas hebt, want die trekken andere kinderen mee. Bij dit soort spel is jouw rol voorwaardenscheppend.
36
De sfeer in de groep
Je zorgt in de verschillende hoeken of op het schoolplein voor materialen, die de kinderen inspireren tot fantasierijk spel. Soms ben je meespeler: 'Ik zie dat je thee hebt gezet, mag ik misschien ook een kopje?' Via spel kunnen kinderen hun gevoelens en emoties uiten. Zo spelen ze ervaringen na die diepe indruk op hen hebben gemaakt, bijvoorbeeld als ze een ruzie tussen hun vader en moeder hebben meegemaakt. Tijdens het spel bedenken kinderen hun eigen regels en spreken elkaar daar ook op aan: 'Je mag niet op het gras lopen, dat is water.' Ze leren onderhandelen en problemen oplossen in het spel. Ook hoor je in de huishoek soms flarden terug van gesprekken thuis.
3
ingrepen zoals een vraag of opmerking kun je proberen om het spel op een hoger plan te brengen of een spel dat vastloopt, weer op gang te brengen. Dit is begeleid rollenspel. Tijdens het spel help je bijvoorbeeld door te verwoorden wat je ziet gebeuren: 'Jullie kind ligt al een hele tijd op bed. Moet het niet naar school?' Ook kun je zogenaamde denkvragen stellen. Denkvragen • Weet jij nog een andere manier…? • Wat zou er gebeuren als…? • En als je nu eens…? • Ik vraag me af of…? • Wat merkte je toen…? • Wat zou je ook kunnen doen…? • Weet jij hoe…?
Voorbeeld 'En toen was jij de moeder en ik de vader en jij het kind.' 'Maar ik wil niet het kind zijn, ik moet altijd kind zijn.' 'O, nou dan doen we niet een kind. Dan ben jij de buurvrouw. Dan ben ik jarig en dan kom jij op visite.' 'Nee. Ik wil niet de buurvrouw zijn. De buurvrouw kletst altijd zoveel.'
Voorbeeld In de huishoek is ruzie. Ashley krijst het uit: 'Nee, jij mag niet de roze jurk. Die is voor meisjes, niet voor jongens!' Tim kijkt boos terug en houdt de roze jurk achter zijn rug. Juf komt er bij staan en zegt tegen Ashley: 'En als jij nu eens de blauwe jurk aantrekt. Dan lijken jullie net zusjes!' Ashley lijkt even in de war, maar zegt dan toch: 'O, ja. Dat kan ook.' Geleid rollenspel Met geleid rollenspel kun je met kinderen verschillende sociale situaties op een speelse manier oefenen en naspelen. Kinderen leren zich te verplaatsen in een ander, hoe ze vriendjes kunnen maken of hoe ze kunnen reageren op pesten. De thema's voor het rollenspel kun je zelf bedenken en uitwerken. Je hebt dan meer de rol van spelleider. Bijvoorbeeld voor groep 8: 'Straks op de middelbare school kom je met nieuwe kinderen in de klas. Max, Michiel en Loes, jullie zijn een groepje brugklassers. Kevin, loop jij eens naar het groepje toe. Wat zeg je, wat doe je, wat vraag je?' Of speel ruzietjes en andere problemen uit op de 'goede' en 'foute' manier.
Figuur 3.8 Van samen spelen leren kinderen
samenwerken © Charlotte Bogaert
Begeleid rollenspel Als je ziet dat het spel niet lekker loopt, kun je kinderen helpen door het spel te regisseren of door mee te spelen. Het gebeurt dat kinderen in hun spel niet weten hoe ze verder moeten of de samenwerking verloopt stug. Door kleine 37
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
3.5.4 Sport en spel Rennen, klimmen, voetballen, samen skaten en touwtje springen. Met buitenspelen en bij de gymles op school toetsen kinderen hoe ze in de groep liggen. 'Hoe goed, snel, sterk, stoer of handig ben ik vergeleken met de anderen?' Zo vormen kinderen hun zelfbeeld. Tegelijkertijd doen ze tijdens sport en spel allerlei sociale vaardigheden op, zoals overleggen, samenspelen, ruzie oplossen, een ander helpen, tegen je verlies kunnen, elkaar vertrouwen en het inschatten van de reacties van anderen. Een teamsport biedt oneindig veel mogelijkheden om leerlingen uit te dagen positief gedrag te laten zien. Bij sport en spel leren kinderen afspraken na te komen en gezag te accepteren van de scheidsrechter, of dit nu een klasgenoot is of de eigen juf. Samen sporten tijdens de gymlessen en het buitenspelen kan grote invloed hebben op een goede sfeer in de groep en een gevoel geven van saamhorigheid. Als pedagogisch werker geef je een onzeker of twijfelend kind steun, zodat het iets nieuws probeert uit te voeren en moedig je kinderen aan. Het is daarvoor nodig dat je oog hebt voor situaties die schadelijk zijn voor het kind, zoals buitensluiten en pesten.
Figuur 3.9 Feesten doe je samen en geven een wijgevoel © Mirador media / Anke Gielen
Feesten geeft een wij-gevoel Samen feestvieren geeft een wij-gevoel; een gevoel van saamhorigheid. Een feest vier je niet alleen, maar samen met anderen. De gezelligheid van het samen iets vieren, schept een onderlinge band. Het samen vieren van bijzondere gebeurtenissen is dan ook een belangrijk onderdeel van het groepsleven. Hoe beter de onderlinge band, des te groter is de kans dat groepsleden: • zich willen inzetten voor de groep; • zich willen houden aan de groepsnormen; • positief gedrag vertonen. Feesten als mijlpalen Door de viering van een verjaardag, een overgang of prestatie markeer je belangrijke momenten in het leven. Je duidt daarmee een mijlpaal aan. Een mijlpaal is een belangrijk moment waarop een periode in het leven wordt afgesloten en een nieuwe periode begint. Er is sprake van een overgang naar een volgende fase. Het kind wordt vijf jaar, daarmee wordt het vijfde levensjaar afgesloten en het zesde begint: op naar de zesde verjaardag. Een mijlpaal is een meetpunt, een vertrekpunt. Het kind krijgt een broertje en vanaf dat moment verandert er iets in het leven van het kind: vanaf nu is het de grotere broer of zus. Een kind in groep 8 verlaat de basisschool en is geen schoolkind meer. De middelbare school is de start van een nieuwe periode in het leven.
3.6 Feesten en rituelen Samen een feest of een bijzondere gebeurtenis vieren zorgt voor een goede en gezellige sfeer in een groep. De verjaardagen van de kinderen, van de leidster, de meester of de juf. En niet te vergeten het Sinterklaasfeest, het Kerstfeest, Pasen, Koningsdag, het Suikerfeest en het Offerfeest. Deze fijne, bijzondere momenten die elk jaar weer terugkomen geven de verschillende groepsleden het gevoel erbij te horen. Natuurlijk kun je als pedagogisch werker naast de vieringen die jaarlijks terugkeren ook zelf een aanleiding voor een feest bedenken. Denk aan de meesters-en-juffendag, de nationale pannenkoekdag, de eerste oogst uit het groentetuintje, de geboorte van een broertje of zusje, het begin van de zomer of het halen van het strikdiploma door de hele klas. 38
De sfeer in de groep
3
Een kenmerk van een ritueel is dat je samen iets gemeenschappelijks deelt. Het samen vieren van een gebeurtenis zoals een verjaardag versterkt bij de groepsleden het gevoel bij elkaar te horen. Bij rituelen horen ook symbolen. We zingen bijvoorbeeld: 'Lang zal ze leven' en hangen slingers op bij een verjaardag. We eten een verjaardagstaart en eten oliebollen bij de overgang van het oude naar het nieuwe jaar. We verven eieren bij Pasen en eten paashazen en eitjes van chocola. We eten zoete gerechten en lekkernijen tijdens het Suikerfeest. We tuigen een kerstboom op voor Kerstmis en eten beschuit met muisjes bij de geboorte van een kind.
Figuur 3.10 Bij een verjaardag horen rituelen © Shutterstock / Nikolas image
Feesten versterkt de band Samen feesten zorgt voor een plezierige sfeer in de groep. Iedereen is vrolijk, heeft pret en is ontspannen. Als kinderen leuke dingen met elkaar doen, plezier hebben met elkaar, voelen ze zich vanzelf meer verbonden met elkaar en dat geeft de groep een stevige basis. Daardoor kan de groep later beter tegen 'een stootje'. Als een groep mooie ervaringen deelt, kan het ook beter omgaan met de moeilijke momenten. Rituelen Feesten en vieringen zijn gebeurtenissen die zich herhalen. Daarom worden ze ook wel rituelen genoemd. Rituelen zijn bedoeld om gebeurtenissen in het leven te markeren, om er met elkaar bij stil te staan. Een ander woord voor ritueel is gebruik. Gebruiken zijn verbonden met een bepaalde cultuur, met bepaalde gewoonten, waarden en normen in een samenleving of in een groep.
Figuur 3.11 Beschuit met muisjes bij de geboorte van een
broertje of zusje © Mirador media / Koen Bakx
Veel rituelen en symbolen zijn al jaren oud. Die zijn een traditie geworden. Maar er komen ook nieuwe rituelen en symbolen bij. Denk aan het houden van een stille tocht en een lieveheersbeestje tegen zinloos geweld, of aan het verschuiven van de pakjes bij Sinterklaas naar de voet van de kerstboom.
Voorbeeld Sam is jarig en wordt vijf. De speciale verjaardagskoffer staat al klaar op een mooi versierde tafel. Er zit een speciale verjaardagskroon en een verjaardagsketting in, een kleurplaat en het zilveren bord om bij de overblijf van te eten. Sam mag vijf waxinelichtjes uit de koffer pakken – voor elke verjaardag één. Dan gaat hij midden in de kring op de stoel staan met zijn gekleurde verjaardagskroon op en feestketting om. Na het zingen en uitdelen gaat hij de school rond met iets lekkers voor de meesters en juffen. Hij kiest Pien om met hem mee te gaan.
Figuur 3.12 Lieveheersbeestje als symbool tegen zinloos geweld © commons.wikimedia.org
39
3
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Ook de komst van nieuwe culturen naar Nederland brengt nieuwe rituelen en symbolen met zich mee. Rituelen en symbolen geven houvast, ook voor jou als pedagogisch werker. Je weet wanneer er wat van je wordt verwacht, welke feesten er zijn en welke gewoonten erbij horen.
40
De sfeer in de groep
3
B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist
Onjuist
1 Werken aan een positieve sfeer heeft als gevolg een veilig klimaat in de groep.
◯
◯
2 Een kenmerk van een veilige groep is dat drukke kinderen veel aandacht krijgen.
◯
◯
3 Ervaringen delen is een voorbeeld van sociaal vaardig zijn.
◯
◯
4 Kinderen moeten sociale vaardigheden thuis leren om in een groep te kunnen functioneren.
◯
◯
5 Communicatie verloopt verbaal en non-verbaal.
◯
◯
6 Kinderen kunnen sociaal gedrag oefenen in hun spel.
◯
◯
7 In een rollenspel oefenen kinderen spelenderwijs hoe het er in het echte leven aan toegaat.
◯
◯
8 In een begeleid rollenspel help je kinderen op weg door het stellen van denkvragen.
◯
◯
9 In een geleid rollenspel kunnen kinderen sociale situaties oefenen.
◯
◯
10 Samen een feest vieren in de groep doe je vooral voor de gezelligheid.
◯
◯
11 Een ritueel is bedoeld om gebeurtenissen in het leven te markeren.
◯
◯
12 Een kenmerk van rituelen is dat deze altijd hetzelfde blijven.
◯
◯
41
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Problemen in de groep 4 LEERDOELEN
• • • • • •
Je kunt uitleggen wat de drie basisvoorwaarden zijn voor een positieve groepssfeer. Je kunt toelichten wat de kenmerken zijn van een veilige en een onveilige groep. Je kunt voorbeelden geven van de manier waarop je de sfeer in een groep positief kan beïnvloeden. Je kunt toelichten wat sociale vaardigheden inhouden. Je kunt omschrijven hoe kinderen sociale vaardigheden leren. Je kunt uitleggen waarom feesten en rituelen belangrijk zijn voor een goede groepssfeer.
Kinderen in de groep hebben niet altijd goed contact met elkaar. Je krijgt in een groep ook te maken met negatief gedrag, zoals schelden, slaan, buitensluiten of de baas spelen. Kinderen maken soms verdrietige situaties mee, zoals het overlijden van een ouder of grootouder. Ook dat kan veel invloed hebben op de groep. Hoe ga je daarmee om? In dit hoofdstuk leer je hoe je kinderen het best kunt begeleiden bij problemen in de groep.
4.1 Storend gedrag
Storend voor het kind zelf Lastig gedrag is niet alleen storend voor de groepsleiding en andere kinderen, maar ook voor het kind zelf. Het gedrag kan zijn ontwikkeling belemmeren en er de reden van zijn dat het kind steeds minder goed ligt in de groep en afgewezen wordt. Het kan de leerresultaten op school beïnvloeden als een kind steeds op prikkels in de klas reageert, onrustig is en nauwelijks tot stilzitten in staat is.
Van storend gedrag is sprake als het gedrag van een kind jou of andere kinderen afleidt van hun werk of spel. Kinderen kunnen op allerlei manieren opvallen of de aandacht opeisen. Denk aan het voortdurend tikken met een pen, speelgoed afpakken, niet meedoen in de groep, snel huilen, snel boos zijn, spel van anderen verstoren, niet luisteren of steeds de aandacht vragen door de juf of meester te roepen. Storend of lastig gedrag heeft een negatieve invloed op de sfeer in de groep. Het maakt de andere kinderen onrustig of kribbig. Voor het kind zelf heeft het gedrag vaak tot gevolg dat andere kinderen niet met hem of haar willen spelen of het vermijden. Voor jezelf is het ook meer ontspannen als je niet steeds hoeft op te treden tegen storend gedrag. Door de juiste aanpak en heldere regels geef je kinderen minder gelegenheid om onrust te veroorzaken.
4.1.1 Wanneer is gedrag storend? Of gedrag al dan niet storend is, heeft vooral te maken met hoe de ander het gedrag ervaart. Heeft de ene pedagogisch werker geen last van kinderen die druk met elkaar praten of hardop lezen, de andere zal zich eraan storen. De ene pedagogisch werker noemt drukte in de groep 'gezellig', terwijl de andere de kinderen tot de 42
Problemen in de groep
orde roept. Daarom is moeilijk te zeggen wat onder 'storend gedrag' valt. Zeker is wel dat je als pedagogisch werker veel invloed hebt op storend gedrag van kinderen. Waarom is het gedrag van kinderen voor de een gemakkelijker te accepteren dan voor de ander? Je neemt in de opvoeding steeds jezelf mee. De een heeft meer vertrouwen in de groep en de eigen pedagogische vaardigheden dan de ander. Heb je slecht geslapen, dan ben je sneller geïrriteerd. Toch zijn er ook meer algemene punten aan te wijzen in het omgaan met storende gedrag.
4
als je iets wilt vragen, dat leidt me af. Ik wil dat je je hand opsteekt.' Stimuleer kinderen dat zij ook zelf het probleem oplossen als een ander kind druk is of zich lastig gedraagt. Voorbeeld Alle kinderen zitten in de kring. Daar gaat een vinger de lucht in. Meike: 'Juf, Michiel zit steeds tegen mij aan te wiebelen met zijn stoel.' Juf vraagt niet aan Michiel te stoppen. Wel zegt ze tegen Mieke: 'Zeg maar tegen Michiel waar je last van hebt.' Meike kijkt verbaasd, maar draait zich dan toch naar haar buurman: 'Michiel, als je zo wiebelt, dan kom je steeds tegen mijn stoel en dat vind ik niet leuk. Wil je daarmee stoppen?'
4.1.2 Storend gedrag voorkomen Er zijn verschillende manieren om te voorkomen dat kinderen storend gedrag gaan vertonen. Belangrijk is dat je zorgt voor een heldere structuur en duidelijke regels, aandacht schenkt aan positief gedrag, let op de inrichting van de ruimte en de samenstelling van groepjes en kinderen niet te lang achter elkaar stil laat zitten.
Samenstellen van groepjes Bij het samenstellen van tafelgroepjes of taakgroepjes let je erop dat kinderen die goed met elkaar overweg kunnen, bij elkaar zitten. Kinderen die elkaar in negatief gedrag versterken, zet je niet bij elkaar. Een kind met weinig sociale vaardigheden kun je in een groepje plaatsen met een sociaal vaardig kind. Kinderen die extra aandacht nodig hebben, plaats je zodanig in de kring of de klas, dat je goed oogcontact hebt. Eventueel plaats je een kind vlak bij je, zodat je met een enkel gebaar kunt reageren en storend gedrag kunt voorkomen. In een groepje zet je een gemakkelijk lerend kind dat goed overweg kan met andere kinderen, naast een wat drukker kind dat meer moeite heeft met leren en zich concentreren.
Duidelijke regels Heldere regels kunnen gedragsproblemen voorkomen. Als kinderen daardoor precies weten waar ze aan toe zijn en wat van ze wordt verwacht, hoeven ze dat niet steeds te vragen of uit te proberen. Zorg ervoor dat je ook zelf voorspelbaar bent. Vertel dus wat je gaat doen en doe dit dan ook: 'Zeg wat je doet en doe wat je zegt.' Wees niet te toegeeflijk, maar reageer en handel zo consequent mogelijk. Afspraak is afspraak en als iemand zich daar niet aan houdt, is het jouw taak daar wat aan te doen.
Laat kinderen bewegen Kinderen kunnen niet al te lang zitten. Ze hebben behoefte aan beweging. Van lang stilzitten worden ze onrustig. Geef kinderen die veel behoefte hebben aan beweging gelegenheid om zo nu en dan even te bewegen zonder andere kinderen te storen. En wanneer alle kinderen in de groep druk zijn, laat ze zich dan even uitleven. Laat ze rondjes op het speelplein rennen of doe een beweegopdracht in de klas. Laat kinderen bijvoorbeeld om de beurt een beweging kiezen, die de andere kinderen nadoen. Natuurlijk zijn er ook volop 'energizers', beweegspelletjes te vinden voor op het digibord.
Benoemen wat goed gaat Besteed vooral aandacht aan het benoemen wat goed gaat in plaats van te benadrukken wat niet goed loopt. Zeg dus niet: 'Hè, nu zijn jullie alweer zo druk.' Maar liever: 'Wat fijn dat jullie allemaal zo rustig zitten te werken.' Iedereen hoort liever wat hij goed doet, dan wat hij fout doet. Op deze manier kun je ongewenst gedrag voorkomen. Gaat er iets mis, gebruik dan een 'ik-boodschap' om dat te benoemen. Bijvoorbeeld: 'Ik vind het vervelend als je steeds bij mijn bureau komt staan 43
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
4.2 Ruzie
4.1.3 Aanpak van storend gedrag Gedrag heeft altijd een oorzaak en een functie. Kijk altijd eerst goed naar wat er aan de hand is en wat de oorzaak kan zijn van het gedrag. Bijvoorbeeld: steeds weer om uitleg vragen, kan betekenen dat een kind bang is om te falen. Misschien heeft het kind een korte spanningsboog en heeft het wat beweging nodig om weer geconcentreerd verder te kunnen werken. Ook als je bent nagegaan wat de oorzaak is van storend gedrag, blijven kinderen zich hinderlijk gedragen. Soms is dan een non-verbale waarschuwing zoals een blik of een gefronste wenkbrauw al voldoende om het gedrag te doen stoppen. Of leg even een hand op de schouder van een kind dat zit te kletsen. Zo kun je stilletjes, vrijwel zonder te praten de aandacht vestigen op het gedrag. Gaat het storende gedrag toch door, loop dan naar het kind en vraag of hij het werk moeilijk of misschien juist te gemakkelijk vindt. Je kunt dan hulp bieden en je hebt zo het gedrag gestopt. Is er toch een vermaning nodig, zeg dan duidelijk wat je wilt met een 'ik-boodschap': 'Ik wil graag dat je nu aan de slag gaat, want je stoort de andere kinderen.' Houd je opmerking kort, rustig en zakelijk. Vertel er eventueel meteen een consequentie bij als het gedrag niet stopt. Bijvoorbeeld: 'Als ik je weer hoor kletsen dan…' Of laat een kind zelf een oplossing of alternatief bedenken: 'Ik zie dat het je niet lukt rustig aan tafel te blijven zitten. De kinderen in jouw groepje hebben daar last van. Wat zou je kunnen doen in plaats van heen en weer schuiven?' Aandachtspunten bij het omgaan met storend gedrag • Blijf rustig en positief. • Benoem het storend gedrag met een ik-boodschap of vestig er zonder woorden de aandacht op. • Bevestig gewenst gedrag. 'Goed zo. Het is je al vijf minuten gelukt te werken zonder tussendoor te praten.' • Formuleer samen met het kind haalbare doelen. Zeg bijvoorbeeld: 'Jij wilt proberen niet zo snel driftig te worden. Wat zou een volgend stapje kunnen zijn?'
Waar kinderen samen spelen komen ruzies voor. Een meningsverschil hoort erbij en is zelfs goed. Kinderen leren zich daardoor in te leven in wat een ander wil en leren voor zichzelf op te komen. Als volwassene kun je er dan ook beter niet te snel tussen springen als er ruzie is, al is dat soms moeilijk. Geef kinderen eerst de kans zelf een oplossing te vinden. Daardoor leren ze met meningsverschillen, ruzie en conflicten om te gaan. Ze moeten wel kunnen rekenen op jouw hulp als dat nodig is, vooral in een groep waarin leerlingen elkaar nog niet goed kennen of waarin de sfeer slecht is.
Figuur 4.1 Ruzie om bezit is typisch iets voor peuters:
'Van mij!' © Charlotte Bogaert
4.2.1 Oorzaak van ruzie De meeste ruzies spelen zich af tussen twee kinderen. In een groep krijgen die twee soms tegenstanders en medestanders, waardoor een eenvoudige ruzie kan escaleren in een conflict waarbij meerdere groepjes zijn betrokken. Peuters en kleuters Een ruzie bij peuters en kleuters kan verschillende oorzaken hebben. Ruzie om bezit is typisch iets voor peuters: 'Van mij!' Dit komt omdat peuters nog niet kunnen delen. Ook bij jonge kleuters komt dit gedrag nog voor. 'Zeg, hou eens op' roepen, heeft meestal niet zoveel zin. Het is voor jonge kinderen nog niet duidelijk waar ze mee op moeten houden. Beter is te benoemen wat er gebeurt en voor te stellen hoe het ook anders 44
Problemen in de groep
kan. Loop naar de kinderen toe, kijk hen aan en zeg wat je wilt dat er gebeurt. Bijvoorbeeld: 'Jij neemt de stoffer en jij het blik. Dan kunnen jullie samen vegen.' Daarna kun je er een compliment aan toevoegen: 'Zie je wel? Zo kan het ook! Wat fijn dat jullie nu samen spelen.' Als dergelijke ruzies bij het buitenspelen vaak voorkomen, is er misschien onvoldoende spelmateriaal. Kinderen mogen best leren dat ze af en toe even moeten wachten als ze willen fietsen, maar als er constant ruzie is om fietsjes, zijn er misschien gewoon te weinig.
4
'Jij vindt dus…, kun je daar meer over vertellen?', 'Wat zouden jullie ook….', 'Wat doet dat met jou?' Voorbeeld 'Ik zat op de bso tv te kijken. Komt hij binnen en zegt: “Mag ik de afstandsbediening?” Ik zeg: “Nee, ik ben iets aan het kijken.” Hij loopt op me af en trekt de afstandsbediening uit mijn handen en zet iets anders op. Ik word boos en zet de tv uit met de uitknop. Hij loopt naar me toe, pakt mijn arm vast, draait hem om en gooit me op de bank. Ik pak mijn mobiel en zet keiharde muziek aan. Hij probeert mijn mobiel af te pakken, begint te schoppen en te slaan en roept: “Rot jij nou op?” Toen begon ik te schreeuwen. Zulke dingen gebeuren eigenlijk altijd als er niemand van de groepsleiding is.'
Schoolkinderen Op de basisschool gaat de ruzie vaak over spelregels. Omgaan met winnen en verliezen valt niet mee als je zeven jaar bent. Daardoor roept een kind van die leeftijd al snel: 'Dat geldt niet, dat hadden we niet afgesproken.' Ruzie kan ook ontstaan omdat een kind het niet kan hebben dat een ander iets mooier maakt of iets beter kan dan hij. Dan staat er opeens een kras op de tekening van een kind of is het mooie bouwwerkje van iemand 'zomaar ineens' kapot. De oorzaak van zulk gedrag is vooral onmacht. Vooral in de beginfase van een nieuwe groep (de vormfase of stormfase) ontstaan vaak ruzies om uit te maken wie de baas is. Kinderen hebben tijd nodig om elkaar te leren kennen. Zodra de plaats van ieder groepslid duidelijk is, neemt het geruzie af en komt er meer rust in de groep.
4.2.2 Ruzie maken als signaal Veel ruzie maken is soms ook een signaal dat een kind of jongere worstelt met zichzelf, moeite heeft met het schoolwerk of thuis problemen heeft. Bij een kind dat veel ruzie maakt, bekijk je eerst goed wat er aan de hand zou kunnen zijn. Een gesprek beginnen en vragen stellen kan informatie over de achtergrond van het probleem opleveren. Bespreek met je collega's wat je opvalt en betrek ook de ouders erbij. Zij zien het kind in een andere situatie. Samen probeer je door het aanpakken van de oorzaak het negatieve gedrag om te buigen in positief sociaal gedrag. Dit werkt het best als een kind nog jong is. Je voorkomt ermee dat het later in ernstige problemen komt.
Pubers Pubers maken een fase door waarin ze snel uit hun evenwicht kunnen zijn. Een opmerking die niet goed valt, kan al aanleiding zijn voor agressie, zoals schelden of slaan. Sommige jongeren zoeken een conflict bewust op door een ander uit te dagen. In de puberteit zijn jongeren bezig met het ontwikkelen van hun eigen mening en visie. Ze zijn bezig uit te zoeken wat wel of niet bij ze past. Daarbij doen ze soms radicale uitspraken en kunnen meningen recht tegenover elkaar komen te staan. In deze fase van meningsvorming kun je ze helpen te leren onderhandelen en discussiëren over wat bij ze speelt door het stellen van vragen:
Voorbeeld Onno (8) wordt naar binnen gestuurd omdat hij voortdurend ruzie maakt op het schoolplein. Daar treft de juf van de overblijf hem even later in tranen aan: 'We gingen vandaag weer van die stomme sommen maken. Ik snapte het niet. En het waren er vreselijk veel en ze waren veel te moeilijk. En de meester was steeds iets anders aan het doen. Hij legde helemaal niks uit.'
45
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
4.2.3 Helpen een ruzie op te lossen
ren begrip krijgen voor elkaar, zich leren verplaatsen in de ander en zelf oplossingen bedenken om op een prettiger manier met elkaar om te gaan. Het is daarbij niet de bedoeling dat kinderen uitvoerig vertellen wat er precies is gebeurd. Vaak gaat het daar niet om en eindigt die uitleg in 'welles-nietes'. Beter is kinderen door het stellen van vragen op weg te helpen naar de oplossing van het conflict of meningsverschil: 'Wat heb je nodig om…?', 'Wat kun je doen om het goed te maken?', 'Wat kunnen jullie anders doen…?', 'Wat zou je kunnen proberen?', 'Hoe kun je ervoor zorgen dat…?', 'Wat hebben jullie zelf voor idee…?'
Richt je bij de aanpak van een ruzie niet alleen op wat er gebeurt, maar ook op het achterliggende gevoel. Je vergroot daarmee de kans dat de twee ruziemakers of vechtersbazen straks prima samen kunnen spelen. Kinderen irriteren elkaar soms ongemerkt en onbewust. Daardoor ontstaat spanning die een tijd onopgemerkt kan blijven. Er komt een moment dat een van de partijen een emotionele grens bereikt en uitvalt. De beste manier om dit te voorkomen is dat kinderen al in een vroeg stadium leren zeggen wat hen dwarszit. In veel gevallen lossen kinderen een ruzie zelf op. Toch zul je als pedagogisch werker in een ruzie soms optreden als bemiddelaar. Je zoekt zo goed mogelijk uit wat er aan de hand is. Je kiest geen partij, maar stelt een oplossing voor of laat de kinderen zelf een oplossing bedenken. In andere gevallen is het nodig dat je als leider optreedt. Je stuurt bijvoorbeeld een groepje kinderen bij het digibord weg omdat ze blijven ruziemaken over wie erop mag werken.
Observeren Observeren van gedrag kan waardevolle gegevens opleveren als er vaak ruzie is tussen kinderen. Als je kunt achterhalen waar de echte oorzaak van het conflict zit, kun je ook beter reageren op de situatie en kun je helpen een oplossing te vinden. Je kunt bijvoorbeeld beter inschatten of het echt om het etui gaat dat Nora van Kim heeft afgepakt, of om iets anders. Je kunt dan beter inschatten of de situatie zal zijn opgelost als Nora het etui teruggeeft of dat het conflict daarna nog steeds bestaat. Dat zal het geval zijn als er een andere oorzaak achter zit. Voelt Nora zich gekwetst omdat Kim over haar heeft geroddeld? Speelt Kim steeds de baas en is Nora dat zat? Ging het niet echt om het etui, dan is de kans groot dat het conflict achter je rug om op een andere manier wordt uitgevochten. Want beide kinderen hebben nog een machtsstrijd uit te vechten Aandachtspunten bij het omgaan met ruzie • Treed op als bemiddelaar, kies geen partij en luister neutraal naar wat de kinderen dwarszit. • Laat kinderen hun verhaal doen in de ik-vorm. • Laat kinderen samen nadenken over een oplossing van het probleem of meningsverschil die voor allebei goed voelt.
Figuur 4.2 Samen een ruzie oplossen © Mirador media / Maria van der Heyden
Actief luisteren Bij een ruzie help je kinderen het best door ze met behulp van actief luisteren hun probleem zelf te laten oplossen. Laat kinderen zelf denken en praten over een mogelijke oplossing. Daarmee voorkom je dat je partij trekt. Partijtrekken heeft een averechts effect. Het conflict is weliswaar even opgelost, maar de kinderen komen niet dichter bij elkaar. De kans is groot dat het even later weer mis is. Met actief luisteren stimuleer je dat kinde46
Problemen in de groep
•
4
De meeloper. Dit zijn kinderen die niets durven te zeggen omdat ze bang zijn zelf het slachtoffer te worden. Zij kiezen ervoor niets te doen om het pesten te stoppen.
Dan heb je vaak ook nog kinderen die niet actief meedoen, maar wel lachen als een ander kind wordt gepest.
Figuur 4.3 Het oplossen van een conflict door het stellen
van vragen © Charlotte Bogaert
4.3 Pesten Pesten is een serieus probleem. In bijna elke groep heb je wel een kind dat er een beetje buiten valt. Gepeste kinderen voelen zich vaak erg ongelukkig. Ze voelen zich buitengesloten, onzeker en raken hun zelfvertrouwen kwijt. Ze kunnen daar later als volwassenen veel hinder van ondervinden. Gepeste kinderen spelen vaak alleen en ook in de klas en op het schoolplein staan ze vaak alleen. Omdat ze bang zijn, blijven ze liever thuis en zeggen dat ze ziek zijn. Soms is een kind minder sociaal vaardig en wordt het om die reden gepest. Vaak is er helemaal geen aanleiding voor dat een kind wordt gepest en zoekt een pestkop gewoon iemand om vervelend tegen te doen. Kinderen die pesten, beseffen vaak niet wat ze hun slachtoffers aandoen. Echte pestkoppen hebben vaak zelf problemen.
Figuur 4.4 Respectbandjes: pesten, ik doe er niet aan
mee! © Mirador media / Anke Gielen
4.3.1 Kenmerken van pesten Pesten is iets heel anders dan plagen. Pesten begint vaak als een grapje, maar na een tijdje is het plagerijtje niet meer leuk. Bij plagen heb je te maken met twee gelijkwaardige partijen. Bij pesten kan het slachtoffer zich niet verdedigen. Pesten is iets heel anders dan plagen. Pesten is voor een kind heel bedreigend. Vaak merk je aan het gedrag van het kind dat er iets aan de hand is. Het kind is bijvoorbeeld voorzichtig, gevoelig, teruggetrokken, verlegen, opvallend vaak alleen of veel in de buurt van de groepsleiding. Maar als het gepeste kind niets zegt, kan het soms lang duren voor je erachter komt dat het wordt gepest.
Pesten is het met opzet lichamelijk of geestelijk kwetsen van een ander die in een minder sterke positie verkeert.
Verschillende vormen van pesten Intimideren, uitsluiten, stelen of vernielen van bezittingen, vernederen, schelden, dreigen, belachelijk maken, een bijnaam geven, slaan, spugen, duwen, bezittingen afpakken, opwachten, achternalopen, dwingen om snoep te geven of te stelen, nooit uitnodigen voor een verjaardag, fietsbanden lek steken. En nog veel meer.
Meestal zijn er bij pesten drie partijen: • De pestkop: de aanstichter. De kinderen die hun boosheid en woede afreageren en niets anders weten te bedenken dan pesten. • De zondebok: het slachtoffer. Dit zijn kinderen die gepest worden.
47
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Digitaal pesten Pesten gebeurt meestal in de directe omgeving van het gepeste kind, maar het gebeurt ook steeds vaker via internet. Kinderen bedreigen elkaar, sturen nare berichtjes, kwetsende foto's en/of filmpjes rond, maken een nepaccount aan op naam van het slachtoffer, sturen een virus of hacken accounts van medeleerlingen. Dit heet cyberpesten of digitaal pesten. Omdat je als digitale pester gemakkelijk anoniem kunt blijven, weet het slachtoffer vaak niet wie er pest. Dit maakt digitaal pesten tot een erge laffe vorm van pesten. Cyberpesten houdt nooit op en kan 24 uur per dag, zeven dagen per week doorgaan.
Zowel pestkoppen als hun slachtoffers missen bepaalde sociale vaardigheden en waarschijnlijk hebben ze allebei gebrek aan zelfvertrouwen. Pestkoppen laten door hun gedrag zien dat zij sterk zijn en macht hebben. Ze hebben vaak zelf weinig zelfvertrouwen en hebben een slachtoffer nodig om de groep te laten zien hoe sterk ze zijn. De zondebok is een gewillig slachtoffer dat de pestkop door zijn of haar onmacht alle ruimte geeft. Je kunt deze kinderen helpen om sociaal vaardiger te worden en meer zelfvertrouwen te krijgen. De overheid verplicht scholen een pestprotocol op te stellen waarin staat wat de organisatie doet om pesten te voorkomen. Scholen kiezen ook voor een Kanjertraining om pesten te helpen voorkomen.
4.3.2 Pesten voorkomen Pesten komt overal voor waar de gelegenheid zich voordoet. Er is altijd wel een slachtoffer te vinden, want in elke groep zitten kinderen die anders zijn dan de anderen of zomaar zonder reden het slachtoffer worden van pesterijen. In de praktijk blijkt dat in een groep waar veel aandacht wordt besteed aan de onderlinge relaties tussen kinderen, pesten minder vaak voorkomt. In een positieve groep hoeven kinderen geen meeloper te zijn om erbij te horen en kunnen ze zijn wie ze zijn. Er is wederzijds respect voor elkaar en kinderen komen voor elkaar op. Als het pedagogisch klimaat in de organisatie goed is, gaan kinderen op een positieve manier met elkaar om. Kinderen die vertrouwen hebben in zichzelf, hoeven niet te pesten en hun onmacht op anderen af te reageren met agressie.
Figuur 4.5 Kanjertraining kan helpen tegen pesten © Charlotte Bogaert
Aandachtspunten bij het omgaan met pesten • Wees duidelijk over het onderscheid tussen plagen en pesten. • Help het gepeste kind om het probleem samen te vatten. Heb aandacht voor de feiten ('Wat gebeurde er precies?') en de beleving ('Hoe voelde je je toen dat gebeurde?') • Bespreek met de kinderen wat de oorzaken, gevolgen en oplossingen van pesten kunnen zijn. Benoem daarbij ook de verschillende partijen die een rol spelen bij het pesten.
4.3.3 Aanpak van pesten Pesten is een groepsprobleem. Je hebt niet alleen te maken met de pestkop en zijn of haar slachtoffer, maar ook met de meelopers. Komt dit probleem in je groep voor, dan betrek je de hele groep bij de oplossing van het pestprobleem. Maak duidelijk dat niet alleen jij, maar de hele groep verantwoordelijk is voor de sfeer in de groep. Spreek samen met elkaar regels af die het pesten voorkomen of stoppen.
48
Problemen in de groep
4.4 Agressie
4
Zijn leidsters hebben met elkaar overlegd. Ze denken dat Jelle zich nog onzeker voelt in de nieuwe groep met meer oudere kinderen dan hij gewend was in de vorige groep. Ook denken ze dat Jelle niet goed geleerd heeft zijn gevoelens van boosheid te uiten. Zij zeggen hem dat ze hem willen helpen om op een goede manier om te gaan met zijn gevoelens. Ze oefenen met Jelle het benoemen van zijn boosheid. Ook doen ze voor wat hij kan doen of zeggen als hij iets graag wil hebben. Agressieve kinderen zijn vaak bange kinderen. Zij hebben niet je afkeuring, maar je steun nodig.
Slaan, schoppen, bijten, krabben en schelden. Ieder kind uit zich wel eens agressief. Hoe vervelend dit soms ook is, agressie hoor bij de normale ontwikkeling van een kind. Maar om vriendschappelijke relaties te hebben met andere kinderen is het nodig dat een kind zelfcontrole aanleert.
Agressie is een uiting van vijandigheid door gewelddadig handelen, met het doel schade toe te brengen aan iets of iemand.
Voorbeeld Onderwijsassistent Meike laat het oogluikend toe dat kinderen van haar groep op de speelplaats andere kinderen steeds hard raken met een bal. Ze treedt niet op. Pas als een paar kinderen huilend naar haar toe lopen wordt ze boos: 'En nu is het afgelopen. Allemaal naar binnen, dan maar geen speelkwartier voor jullie.'
4.4.1 Oorzaken van agressie Als een kind of jongere zich agressief uit, dan is er voor hem iets niet in orde. Het kind is het bijvoorbeeld niet eens met wat er gebeurt, voelt zich niet begrepen of de omgeving reageert niet zoals hij graag wil of verwacht. Oorzaak ligt bij het kind Het ontbreekt sommige kinderen aan vaardigheden om op een andere manier te laten merken wat er niet in orde is. Het kind kan dit niet op een rustige manier uiten, voelt zich daarover gefrustreerd en uit dat in agressief gedrag. Ook al lijken agressieve uitbarstingen zomaar uit het niets te komen, ze hebben altijd een oorzaak. De echte oorzaak ligt meestal niet in de situatie zelf, maar in het onvermogen te reageren op de situatie. Het kan zelfs gaan om iets heel kleins, iets onbeduidends – zo klein, dat je denkt: 'Moet je hier nu zo'n drukte om maken?' Toch is er iets wat het kind bezighoudt, wat hem of haar hindert of wat hem of haar bang of onzeker maakt. Agressieve kinderen zijn vaak bange kinderen. Zij hebben niet je afkeuring, maar je steun nodig.
Oorzaak ligt bij de opvoeder De oorzaak van agressief gedrag kan ook bij de opvoeder liggen, omdat diegene niet optreedt. Zorg voor heldere regels, trek een duidelijke grens en wees daar zelf consequent in. Agressief gedrag hoort bij de ontwikkeling Agressief en opstandig gedrag hoort bij de normale ontwikkeling van kinderen. Vooral bij peuters doen zich nog driftbuien voor. Een peuter heeft nog niet zo'n uitgebreide woordenschat om te zeggen wat hij wil. Veel peuters hebben elke dag wel een woede-uitbarsting. Een bekend voorbeeld is het kind in de supermarkt dat door stampen en schreeuwen probeert zijn zin te krijgen. De beste aanpak is kort aan een peuter duidelijk maken dat iets niet mag en waarom: 'Je mag iemand niet slaan. Dat doet pijn.' Het agressieve gedrag vermindert meestal na het derde jaar vanzelf. Pas als kinderen na hun derde jaar nog steeds om niets woede-uitbarstingen blijven houden, andere kinderen pijn doen, ruzie maken en tegen de regels ingaan, dan is er reden tot zorg. Het gaat dan niet meer om gedrag dat bij de ontwikkeling hoort. Misschien heeft het kind
Voorbeeld Jelle (6) is nieuw op de bso-groep en wordt snel boos als het niet gaat zoals hij dat wil. Als hij zijn zin niet krijgt, geeft hij een grote mond: 'Stomme rotjuf. Ik luister toch niet!' Als een ander wat heeft, moet hij dat ook hebben en pakt het soms met geweld af. 49
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
geen duidelijke grenzen geleerd? Soms is het dan nodig de hulp van een deskundige in te roepen voor het gezin.
•
• • Figuur 4.6 Kinderen uiten hun boosheid soms op een
agressieve manier © Mirador media / Koen Bakx
• Agressief reageren is gedrag dat zich uit in gewelddadige verbale en/of non-verbale acties naar personen en/of materialen.
• •
4.4.2 Aanpak van agressief gedrag Je hoeft agressief gedrag niet te accepteren. Van negeren gaat agressief gedrag niet over. Keur het agressieve gedrag af en zoek samen naar alternatieven: 'Wat zou je ook kunnen doen of zeggen als je het ergens niet mee eens bent?' Straf werkt in de regel niet als middel om agressie te stoppen. Vaker is het omgekeerde het geval en wekt straf alleen nog meer boosheid op. Soms ontkom je uiteraard niet aan straf geven, maar bedenk je dan dat het meer effect heeft om aan een kind te vragen wat het nodig denkt te hebben om nieuwe agressie te voorkomen. Spreek eventueel samen een teken af. Bespreek samen wat de consequenties zijn als het weer gebeurt en houd je daaraan. Stel jezelf vragen: zijn de eisen die je aan het kind stelt te moeilijk of te gemakkelijk? Voelt het kind zich gezien en veilig in de groep? Kijk daarbij ook naar je eigen gedrag. Besteed in je groep veel aandacht aan het met elkaar bespreken van de omgangsregels. Aandachtspunten bij het omgaan met agressie • Praat veel met de kinderen over emoties. Zo leren zij hun emoties te herkennen en benoe-
• •
•
men. Kinderen moeten oefenen in het vinden van woorden. Als een kind kan zeggen dat hij boos of teleurgesteld is, dan hoeft het niet meer te schoppen of te slaan om dat duidelijk te maken. Zorg voor een positieve sfeer. Geef veel complimenten en zorg voor succeservaringen. Ken je groep en zorg dat je een band hebt met alle kinderen. Benoem het gewenste gedrag. Let erop dat je niet te veel: 'Nee, dat mag niet', of: 'Nee, niet doen' zegt. Probeer zo veel mogelijk 'mee te bewegen' met de temperamentverschillen in de groep: stimuleer het ene kind om zich weerbaar op te stellen, rem het andere kind in zijn agressieve gedrag. Bied heldere grenzen en regels. Maak kinderen duidelijk wat kan en wat niet kan. Beantwoord agressief gedrag niet met boosheid. Beheers dus je eigen gevoelens van onvermogen. Blijf rustig. Verhef niet zelf je stem, roep niet van een afstand naar een kind om het te corrigeren. Zijn er aantrekkelijke voorwerpen of speelgoed die snel tot een strijd leiden? Berg die dan buiten bereik op. Een kind leert er dan om vragen. Maak een dagindeling met afwisselend individuele activiteiten en groepsactiviteiten, met een afwisseling tussen drukke en rustige momenten. Doe regelmatig een groepsactiviteit over vreedzaam met elkaar omgaan.
4.5 Verlies Kinderen en jongeren kunnen, net als volwassenen, te maken krijgen met een sterfgeval, zoals het overlijden van een ouder, broertje of zusje, opa of oma of ander familielid. De sfeer in het gezin verandert daardoor en allerlei vertrouwdheden vallen weg. Een groep kan te maken krijgen met de dood van een kind in de groep of van een meester of juf. Bij een verlies kun je ook denken aan een scheiding van ouders of de uitzetting van 50
Problemen in de groep
een klasgenootje met een afgewezen asielaanvraag. Kinderen reageren verschillend op dergelijke gebeurtenissen. Ze zijn anders dan anders, willen er juist wel of juist niet over praten of reageren hun gevoelens op een andere manier af. Door hier in de groep op een goede manier mee om te gaan, help je ze bij het verwerken van hun verlies en kunnen groepsleden elkaar steunen.
4
Kleuters begrijpen al meer dan peuters. Je kunt ze ook meer uitleggen en ze hebben ook zelf vaak veel vragen. 'Wordt opa niet vies onder de grond?', 'Krijgt hij het niet koud buiten?' Jonge kinderen betrekken de oorzaak van het verlies soms op zichzelf, bijvoorbeeld als een straf voor dingen die ze hebben gedaan. Waren ze maar liever geweest voor dat klasgenootje, dan was het niet gebeurd. Voorbeeld De moeder van Lize (4) komt onverwacht langs op school. Met de juf erbij vertelt ze aan Lize dat opa plotseling is overleden. Lize luistert aandachtig en zegt dan: 'O, wat zielig. Mag ik nu buiten gaan spelen?' Moeder kijkt verbaasd hoe haar dochter huppelend naar buiten loopt. Vindt Lize het dan helemaal niet erg dat opa dood is?
4.5.1 Kinderen en verlies Al op jonge leeftijd krijgen kinderen te maken met klein verlies, zoals de dood van een huisdier, het kwijtraken van een knuffel of een vriendje dat niet met hem wil spelen. Ook al is dat verlies klein, toch is het van belang er aandacht aan te besteden, zodat een kind leert met verliezen om te gaan. Hoe een kind reageert op een groot verlies, hangt af van de leeftijd van het kind, hoe de omgeving erop reageert en de steun die het krijgt van anderen. Bij kinderen ontstaat vaak een warboel aan emoties bij het verlies van een dierbare. Een kind kan verdrietig en boos zijn, maar zich ook opgelucht voelen omdat een langdurig zieke papa of mama geen pijn meer heeft. De eerste rouwreacties komen bij kinderen soms pas enkele weken of maanden na de dood. Ze kunnen zich agressief, onhandelbaar, teruggetrokken of juist heel aanhankelijk gedragen. Vaak reageren kinderen pas op het verlies als ze zich weer veilig voelen. Kinderen rouwen in principe hetzelfde als volwassenen, alleen ze uiten het anders.
Schoolkinderen Kinderen tussen zes en twaalf jaar kennen het verschil tussen dood en leven: ze beseffen de onomkeerbaarheid van de dood. Tot ongeveer negen jaar kunnen ze nog moeilijk begrijpen wat het einde van het leven precies inhoudt. Ontkenning van de dood komt dan voor. Vanaf negen jaar dringt bij kinderen het besef door dat de dood voorgoed is. Wie doodgaat, blijft dood. De dood van bijvoorbeeld een klasgenootje is een flinke aanslag op het gevoel van veiligheid van een kind. Wat het klasgenootje is overkomen, kan jou ook overkomen. Die gedachte kan een kind erg bang en onrustig maken. Het verlies heeft dus altijd invloed op de sfeer in de groep. Kinderen op deze leeftijd proberen wel 'zich groot te houden' of 'stoer te willen zijn'. Besteed er daarom zeker extra aandacht aan door met hen te praten, zodat ze hun gevoelens kunnen uiten. Dit kan ook in de vorm van tekenen, rappen, gedichten schrijven, knutselen of een rollenspel.
Peuters en kleuters Voor peuters is de dood moeilijk te vatten. Jonge kinderen begrijpen vaak de onomkeerbaarheid van de dood nog niet goed. Voor hen is dood iets tijdelijks, een soort slaap. Daardoor wekken ze soms de indruk dat het de gewoonste zaak van de wereld is dat opa nu dood is. Ze reageren pas op een verlies als ze in de praktijk ervaren welke gevolgen dat heeft: dat papa niet meer thuiskomt of dat je nooit meer bij oma gaat logeren. Langzamerhand beginnen ze te begrijpen dat 'dood zijn' een afscheid voor altijd betekent.
Pubers Pubers in de leeftijd vanaf twaalf jaar beseffen vaak al heel goed wat een verlies voor hun verdere leven gaat betekenen. Tegelijk kunnen ze nog niet helemaal overzien hoe de toekomst eruit 51
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
zal zien na een zwaar verlies. De dood van een dierbare grijpt in op allerlei gebieden: op school, de bso, in hun vriendenkring, in hun bijbaantje en op de rol in het gezin. In een fase van het leven dat jongeren al liever helemaal niet willen opvallen, overkomt ze dit.
Er staat een leeg Stoeltje in de klas Terwijl jij pas nog In ons midden was In je laatje Onafgemaakte taken Nooit meer samen Speelafspraakjes maken
Jaarlijks verliezen meer dan 7000 kinderen of jongeren een familielid of andere naaste door de dood.
Niet meer genieten Van jouw allerliefste lach De klas huilt om Deze verdrietige dag
Pubers rouwen op hun eigen manier. Ze laten minder gemakkelijk zien hoe ze zich vanbinnen voelen. Ze sluiten zich eerder af, worstelen vaker in eenzaamheid met hun verdriet en vragen minder snel hulp. Dit zijn allemaal natuurlijke reacties van jonge mensen op verdriet. Ook proberen veel jongeren hun emoties wat buiten te houden om zich zo de eerste periode na het verlies staande te kunnen houden. Maar na enige tijd moeten deze emoties toch een uitweg vinden en het kan dan heel moeilijk zijn voor een puber om alsnog uiting te geven aan deze emoties.
Niet tot groep acht Maar wel samen gestart Een lege stoel maar Voor altijd in ons hart Lentezoet Figuur 4.7 De dood van een klasgenootje is een flinke aanslag op het gevoel van veiligheid van een kind © Shutterstock / pimchawee
'Tranen drogen altijd weer. Misschien niet voorgoed, maar wel keer op keer.' Manu Keirse
4.5.2 Praten over verlies Bedenk van tevoren met welke vragen kinderen kunnen komen bij een verlies in hun directe omgeving en wat je hierop zou kunnen antwoorden. Realiseer je ook dat je niet op alle vragen een antwoord hoeft te geven. Je kunt ervoor kiezen eerst af te tasten hoe kinderen er zelf over denken. Je blijft op die manier heel dicht bij waar zij mee bezig zijn en waar ze behoefte aan hebben. Je kunt dan ook verkeerde denkbeelden over de dood rechtzetten. Daarmee voorkom je dat kinderen met nodeloze angsten rondlopen. Het is bijna altijd beter om eerlijk te zijn tegen het kind. Hoe je over een pijnlijk verlies praat, hangt af van de leeftijd van de kinderen. Kies je woorden zorgvuldig. Met het woord 'ingeslapen' leg je een onbedoeld verband met slapen. Dat kan een kind angstig maken om zelf te gaan slapen. 'Overleden' is een woord dat niet alle kinderen kennen. Als een kind vraagt wat dood is, kun je beter heel concreet blijven: 'Als je dood bent, ben je koud, je beweegt niet meer, je kunt niets meer voelen', of: 'Dood zijn is dat je niets meer
Voorbeeld Errol is begeleider in een leefgroep. Hij loopt naar Julie, die al een poos voor zich uit zit te staren in de huiskamer. Haar oudere broer is drie weken geleden aan een overdosis drugs overleden. Errol slaat zijn arm om Julie heen en zegt vriendelijk: 'Als jij je beter voelt door je even terug te trekken op je kamer, dan is dat goed, hoor. Dan kom ik over een halfuur wel even kijken hoe het met je gaat.' Als hij even later aanklopt en Julie's kamer binnenkomt, zit ze te schrijven in haar dagboek.
52
Problemen in de groep
kunt. Iemand die dood is, kan niet meer eten, niet meer lopen en niet meer praten. Hij kan niet meer lachen, niet meer huilen en ook niet meer voelen. Iemand die dood is, voelt geen pijn en ook geen kou.' Zo kunnen kinderen zich een voorstelling maken van wat dood betekent. Jongeren hebben vaak een sterke behoefte aan informatie over bijvoorbeeld de omstandigheden die hebben geleid tot de dood. Probeer eerlijk te zijn, ook wanneer het overlijden ingrijpend of schokkend was. Door dingen te verzwijgen zal de jongere zich niet serieus genomen voelen en het gevoel krijgen ook niet goed te kunnen rouwen om het verlies.
4
'begrafenisje' met de poppen en met een schoenendoos als kist. Een ritueel om het verlies van een klasgenoot of leerkracht te verwerken, helpt om de emoties een plek te geven. Bij het verwerken van gevoelens kun je gebruikmaken van creatieve middelen. In beeldende expressie, muziek of een andere kunstzinnige vorm kunnen kinderen hun angsten, emoties, verdriet en medeleven kwijt. Je kunt leerlingen laten meedenken over de manier waarop zij met het verlies willen omgaan. In overleg met de familie zoek je samen naar een vorm om afscheid te nemen van een klasgenoot of leerkracht. Richt bijvoorbeeld een herdenkingsplek in met de foto van de overledene en een schrift waarin de kinderen iets kunnen schrijven. Brand een kaarsje, zet bloemen neer of een 'troostboom', een mooie tak in een pot om kaartjes aan te hangen. Denk ook aan het aanmaken van een herinneringssite of het maken van een herinneringsboek. Aandachtspunten bij het omgaan met verliessituaties • Weet wat jouw school of kindercentrum van je verwacht bij een verliessituatie. Wees op de hoogte van het protocol. • Handhaaf de vertrouwde regels. Om het gevoel van veiligheid te bewaken, probeer je de rust te bewaren en zo veel mogelijk het normale dagritme aan te houden. • Draai niet om de feiten heen. Als kinderen geen informatie krijgen, verzinnen ze zelf een verhaal. • Houd de stille kinderen extra in de gaten. Bij het verwerken van verdriet hoort het uiten van gevoelens. Bij stille kinderen weet je niet wat er in hen omgaat. Laat merken dat je aandacht voor ze hebt en informeer bij de ouders of ze thuis wel hun emoties kwijt kunnen. • Geef leerlingen iets te doen: tekenen, schrijven, knutselen of een rol bij de rouwplechtigheid. • Verdriet hoeft niet altijd gedeeld te worden met de hele groep. De groep kan wel rekening houden met een kind dat het moeilijk heeft. Stimuleer dat kinderen elkaar troost bieden en help ze bij de manier waarop ze dat kunnen doen.
4.5.3 Jouw houding als peda gogisch werker bij verlies Verliessituaties, zoals de dood van een klasgenoo tje, kunnen het veiligheidsgevoel van kinderen ernstig aantasten. Ze denken al snel: dit kan mij ook overkomen. Juist dan moet de organisatie en groepsleiding een veilig klimaat bieden dat rust en vertrouwen geeft. Kinderen mogen zien dat jij ook verdriet hebt, maar je mag je er niet in verliezen, want dat vergroot hun gevoel van onveiligheid. Blijf professioneel en kalm. Blijf wel jezelf en neem de ruimte voor je eigen verdriet. Omgaan met een groep vol emoties is moeilijk en vermoeiend. Het is in niemands belang dat je daar zelf aan onderdoor gaat. Neem de spanningen niet mee naar huis, maar zoek en accepteer de steun van collega's. Vaak heeft de organisatie een protocol, een draaiboek voor de opvang van kinderen bij het overlijden van een klasgenootje of een collega. Zorg ervoor dat je weet wat daarin staat en bespreek met collega's wat van jou wordt verwacht. Dat geeft houvast om bij een verliessituatie op een professionele manier te handelen. Verwerken van verdriet Bied mogelijkheden voor het verwerken van verdriet door middel van rollenspel, voorlezen uit een boek over afscheid nemen en door groepsgesprekken. Jonge kinderen verwerken hun gevoelens vaak in de huishoek en spelen bijvoorbeeld 53
4
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Figuur 4.8 Top tien rouwtips © Uit: Over leven en dood
54
Problemen in de groep
4
B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist
Onjuist
1 Niet meedoen is een voorbeeld van storend gedrag.
◯
◯
2 Storend gedrag is door heldere regels en grenzen te voorkomen.
◯
◯
3 Gebruik een jij-boodschap om te benoemen wat er fout gaat.
◯
◯
4 Zet kinderen die elkaar negatief versterken in groepjes bij elkaar
◯
◯
5 Geef altijd eerst een verbale waarschuwing bij storend gedrag.
◯
◯
6 Bevestig vooral gewenst gedrag bij storend gedrag.
◯
◯
7 Ruzie om bezit is typisch iets voor kleuters.
◯
◯
8 Kies duidelijk partij bij een ruzie tussen kinderen.
◯
◯
9 Er is altijd een aanleiding als kinderen worden gepest.
◯
◯
10 Cyberpesten is een ander woord voor digitaal pesten.
◯
◯
11 Pestkoppen hebben vaak weinig zelfvertrouwen.
◯
◯
12 Agressieve kinderen hebben veel zelfvertrouwen.
◯
◯
13 Agressief gedrag hoort bij de normale ontwikkeling van kinderen.
◯
◯
14 Aandacht voor kleine verliezen helpt met een groot verlies om te gaan.
◯
◯
15 Kleuters begrijpen al dat de dood voor altijd is.
◯
◯
A A N D E S L AG M E T J E K E N N I S Ga naar de digitale leeromgeving eDition om aan de slag te gaan met de v erwerking, praktijksituatie(s), vaardigheden en zelftoets.
55
PEK MODULE 3 Begeleiden in de groep
Begrippen Module 3 Begeleiden in de groep
Agressie
Uiting van vijandigheid door gewelddadig handelen, met het doel schade toe te brengen aan iets of iemand.
Agressief reageren
Gedrag dat zich uit in gewelddadige verbale en/of non-verbale acties naar personen en/of materialen.
Beroepshouding
Eigenschappen en gedrag waarover iemand in zijn beroep dient te beschikken om zijn beroep goed uit te oefenen.
Emotionele veiligheid
Een gevoel van geborgenheid, het gevoel dat iemand kan zijn wie hij is en beschermd wordt tegen negatief gedrag van anderen.
Groep
Verzameling mensen die een eenheid vormen op basis van een of meer overeenkomsten. Daardoor voelen ze zich betrokken bij elkaar, hebben contact met elkaar en is er sprake van saamhorigheid.
Groepscultuur
Geheel van waarden, normen, gewoonten en opvattingen die gelden in een groep.
Groepsontwikkeling
De levenscyclus van een groep. Bestaat uit vijf fasen: vormfase, stormfase, normfase, prestatiefase en afscheidsfase.
Groepsproces
Groepsvorming en groepsverandering die optreedt doordat groepsleden op elkaar reageren.
Groepsrol
Het gedrag dat van een bepaald groepslid wordt verwacht.
Interactie
Wisselwerking; wederzijdse beïnvloeding.
Interactievaardigheden
Vaardigheden van de pedagogisch werker tijdens de omgang met kinderen of jongeren in de groep.
Kinderparticipatie
Methodische benaderingswijze waarbij kinderen actief betrokken worden bij het besluitvormingsproces van zaken die hen direct aangaan.
Observeren
Doelgerichte en systematische waarneming van gedragingen en uitingen van een of meer personen of van een gebeurtenis met de bedoeling de waarnemingen te beschrijven en samen te vatten.
Pesten
Met opzet lichamelijk of geestelijk kwetsen van een ander die in een minder sterke positie verkeert.
56
BEGRIPPEN
Professional
Iemand die een beroep uitoefent. Het begrip wordt vooral gebruikt om het verschil aan te geven tussen iemand die voor een bepaald beroep heeft geleerd en zich daarmee onderscheidt van een ander (de leek).
Veilig voelen
Wanneer iemand zich beschut, beschermd, geborgen, vertrouwd en zeker voelt; vrij van angsten en gevaar.
Vierogenprincipe
Regel in de kinderopvang dat altijd een tweede volwassene moet kunnen meeluisteren of meekijken op de groep om (seksueel) misbruik of mishandeling bij kinderen in de dagopvang te voorkomen.
57