Skip to main content

Traject Welzijn | Opvoeden en pedagogiek - Module 1

Page 1

PEK MOD ULE

1

Opvoeden en pedagogiek In deze module staat de professionele opvoedingsrelatie centraal, zoals je die als pedagogisch werker in een organisatie hebt. Je leert wat opvoeden is en dat opvoeden in een kindercentrum, gezinshuis of op school anders is dan opvoeden in een gezin. Je leert hoe je bijdraagt aan een opvoedingsklimaat waarin kinderen kunnen groeien en zich optimaal kunnen ontwikkelen. Je leert in deze module verschillende opvattingen over opvoeden kennen van pedagogen en hun visie. Je leert welke opvoedingsmiddelen je tot je beschikking hebt om je opvoedingsdoelen te bereiken. Daarnaast komt aan bod hoe je in de opvoeding rekening houdt met de verschillende ontwikkelingsfasen van kinderen en pubers.

Auteur MC. Baseler Eindredactie R.F.M. van Midde


PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

©

Je helpt kinderen op de Bibelons zich optimaal te ontwikkelen Je loopt stage bij Bibelons, de opvang voor kinderen van 0-4 jaar. Je staat op de peutergroep. Het valt je op dat peuters al geleerd hebben zich aan allerlei regels te houden:, aan tafel blijven zitten tot iedereen klaar is, stil zijn als jij ze iets probeert te vertellen of uit te leggen, samenwerken bij het maken van een puzzel. Je merkt ook op dat je spelenderwijs op verschillende manieren bezig bent met hun opvoeding en ontwikkeling. Je bevordert de zelfstandigheid door het spelmateriaal en de activiteiten die je aanbiedt. Bij een ruzie tussen kinderen probeer je samen met hen een goede oplossing te zoeken. Je stimuleert kinderen bij het naar buiten gaan zelf hun jas aan te doen en je kijkt bij de keuze van het spelmateriaal naar het niveau van een kind. Je probeert de positieve interactie tussen de kinderen te bevorderen. Je stimuleert de sociale ontwikkeling van kinderen. Je zorgt er bijvoorbeeld voor dat de grote kinderen de kleinere kinderen helpen en geeft complimentjes als ze dit doen. Je helpt ze de gevoelens van een ander kind te begrijpen en leert ze troosten. Je doet spelletjes waardoor kinderen leren op hun beurt te wachten, zich aan regels te houden en om te gaan met tegenslag en verliezen.

2


ORIËNTATIE

1 S O O RT O P VO E D I N G Iedereen is als kind opgevoed tot volwassene. Wat voor soort opvoeding heb jij zelf gehad? Wat is je daarin vooral bijgebleven? Welke woorden komen in je op bij de woorden: ‘mijn opvoeding’? Zet de belangrijkste woorden op een rij.

2 O P VO E D I N G S ST I J L Iedereen is als kind opgevoed tot volwassene. Wat voor soort opvoeding heb jij zelf gehad? Wat is je daarin vooral bijgebleven? Hoe zou jij de stijl omschrijven waarin jij bent opgevoed? Wat vond je daarin vooral positief of misschien minder goed?

3 M I J N O P VO E D I N G Iedereen is als kind opgevoed tot volwassene. Wat voor soort opvoeding heb jij zelf gehad? Wat is je daarin vooral bijgebleven?Schrijf een kort verslag (100-200 woorden) met als titel ‘Mijn opvoeding’. Eindig met een conclusie. Schrijf een kort verslag (100-200 woorden) met als titel ‘Mijn opvoeding’. Eindig met een conclusie.

4 M O E I L I J K E WO O R D E N I N D E Z E M O D U L E In deze module kunnen woorden voorkomen waarvan je de betekenis nog niet kent. Dit kunnen beroepswoorden of vaktaalwoorden zijn, die je nog nooit eerder hebt gelezen. Zorg ervoor dat je ze begrijpt en kunt gebruiken in de module. Als je de woorden begrijpt, is het gemakkelijker om opdrachten in deze module te maken. Noteer tijdens het lezen van de theorie de woorden die je niet begrijpt. Geef van elk woord de betekenis en een voorbeeldzin. Woord

Betekenis

Voorbeeldzin

3


PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Woord

Betekenis

Voorbeeldzin

Tip:  In de begrippenlijst van deze module vind je alvast een selectie van vaktaalwoorden die met deze module te maken hebben. 4


Opvoeden en pedagogiek

1

Opvoeden en pedagogiek 1 LEERDOELEN

• • • • • • •

Je kunt uitleggen wat opvoeden inhoudt. Je kunt benoemen welke opvoedingsdoelen de wet kinderopvang bevat. Je kunt beschrijven wat het verschil is tussen opvoeden in een organisatie en de opvoeding thuis. Je kunt toelichten welke factoren invloed hebben op de opvattingen over opvoeden. Je kunt omschrijven wat pedagogiek inhoudt. Je kunt toelichten wat het begrip pedagogisch klimaat inhoudt. Je kunt voorbeelden noemen van omgevingsfactoren die invloed hebben op het pedagogisch klimaat.

-Opvoeden in een gezin is anders dan opvoeding in de kinderopvang of op school. Als pedagogisch professional heb je een andere band met kinderen dan de ouders. De opvoeding in een organisatie stelt andere eisen, zoals duidelijke regels en afspraken en planmatig werken. Dat moet ook wel als je met kinderen werkt in een grote groep. Hoe zorg je als pedagogisch werker voor omstandigheden waarin een kind zich dan toch zo goed mogelijk kan ontwikkelen en kan leren? Het vertrouwen tussen de pedagogisch werker of onderwijsassistent en het kind is niet vanzelfsprekend, maar iets waar je bewust aan werkt. In dit hoofdstuk leer je aan welke voorwaarden een professionele opvoedingsrelatie moet voldoen.

is een opvoeder betrokken. Iemand kan pas een opvoeder zijn wanneer die persoon volwassen is en gezag uitstraalt naar het kind. Het kind moet wíllen leren van de opvoeder. Het opvoeden van kinderen in een organisatie doe je samen met je collega’s. Je voedt op met een bepaald doel en dat is het kind op weg helpen naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.

1.1

Alleen kinderen worden opgevoed. Volwassenen worden niet opgevoed. Dit heeft te maken met het doel van de opvoeding, namelijk: het kind tot volwassenheid brengen. Ook wanneer je volwassen bent kun je nog ontzettend veel leren, maar je spreekt dan niet meer van opvoeden. Als volwassene kies je namelijk zelf voor wat je wel en wat je niet wilt leren. Je bent er ook zelf verantwoordelijk voor. Bij een kind is de opvoeder verantwoordelijk voor wat hij het kind leert.

Opvoeden wil zeggen het verzorgen en begeleiden van kinderen en jongeren naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.

Wat is opvoeden

Opvoeding vindt plaats in de relatie tussen volwassenen en kinderen. Bij opvoeden gaat het om het handelen van een opvoeder. Je kunt daarbij denken aan: iets voordoen, uitleg geven, het kind aanmoedigen of aangeven wanneer hij de fout in is gegaan. Opvoeden is een bezigheid: de opvoeder houdt zich bezig met het kind en met wat hij op het kind wil overbrengen. Bij opvoeden 5


1

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

1.1.1 Opvoeden is noodzaak

De Wet Kinderopvang noemt vier opvoedingsdoelen: 1 bieden van een veilige basis; 2 bevorderen van de ontwikkeling van sociale competenties; 3 stimuleren van de ontwikkeling van persoonlijke competenties; 4 overdracht van waarden en normen.

Al zolang er mensen bestaan, is er sprake van opvoeding. Wat zou er gebeuren met een kind wanneer het niet wordt opgevoed? Het is weleens voorgekomen dat een kind niet bij mensen, maar bij dieren opgroeide. Het meest bekend zijn de verhalen van wolfskinderen. Uit het voorbeeld in het kader blijkt duidelijk dat het contact met mensen nodig is om mens te worden. Opvoeden is geen luxe, maar noodzaak. Wordt een kind niet opgevoed, dan leidt dat tot onherstelbare schade. Iedereen heeft een opvoeding nodig om zich als mens te kunnen ontwikkelen.

Met je opvoedingsdoelen wil je als opvoeder bereiken dat een kind, wanneer het de volwassen leeftijd heeft bereikt, zelfstandig in de maatschappij kan meedoen, zich als een volwassene gedraagt en de hulp van anderen steeds minder nodig heeft. Dit houdt in dat hij: • een eigen identiteit en een eigen mening heeft; • verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag; • respectvol omgaat met anderen en zijn omgeving; • initiatief neemt en zijn talenten gebruikt om een bijdrage te leveren aan de samenleving; • zich aanpast zonder zichzelf te verliezen.

Het verhaal van Amala en Kamala In 1920 vindt een dominee twee meisjes bij een wolvenhol in India. Hij noemt de meisjes Amala en Kamala. Beide meisjes gedragen zich als wolven: ze lopen op handen en voeten, eten zonder hun handen te gebruiken en slapen opgerold in een hoekje op de grond. Het is opmerkelijk dat ze in het donker goed kunnen zien en dat ze een scherp reukvermogen hebben. Ze hebben ‘typische’ eigenschappen van een wolf. Amala, de jongste, sterft binnen een jaar. Kamala leeft tot 1929. Tijdens die negen jaar blijkt dat het onmogelijk is om haar op te voeden tot een ‘normaal’ mens. Het lukt niet haar te leren praten, op twee benen te lopen of menselijk contact te hebben.

Voorbeeld ‘Daan, loop je even naar de supermarkt voor een heel volkoren brood en een pot pindakaas?’ Moeder geeft Daan (10) haar bankpasje mee en de boodschappentas. Wanneer Daan boodschappen doet, vraagt dat niet alleen zelfstandigheid van hem in gedrag, maar ook zelfstandigheid in denken. Een boodschap doen vraagt van hem dat hij: • de weg weet naar de winkel en zich niet laat afleiden; • de juiste boodschappen koopt: niet meer en niet minder; • de bankpas let en weet hoe hij het moet gebruiken.

1.1.2 Doel van de opvoeding Ieder kind komt hulpeloos ter wereld en is als baby geheel afhankelijk van zijn ouders. Hij moet door zijn ouders worden gevoed, gekleed, gewassen en heeft liefde nodig om te kunnen overleven. In geen enkel opzicht is er sprake van zelfstandigheid. Maar daar komt al snel verandering in: het kind zet zijn eerste stapjes en zegt zijn eerste woordjes. Op den duur wordt hij steeds zelfstandiger. Opvoeden doe je met een doel. Het einddoel van de opvoeding is de volwassenheid.

In bovenstaand voorbeeld zie je dat Daan door zelfstandig boodschappen te doen, leert verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen daden. Hij moet zijn handelen, de keuzes die hij maakt, kunnen verantwoorden (bijvoorbeeld: ‘Het volkoren brood was op, daarom heb ik maar wit brood gekocht’) en hij leert te overzien wat de gevolgen 6


Opvoeden en pedagogiek

1

Volwassenheid op: lichamelijk gebied

de eigen lichaamsverzorging ter hand nemen

verstandelijk gebied

een beroepsopleiding volgen en zich ook in het latere leven blijven ontwikkelen

sociaal gebied

relaties en contacten met anderen aangaan en onderhouden

emotioneel gebied

goed met emoties kunnen omgaan

maatschappelijk gebied

een bepaald beroep kiezen en uitoefenen

zijn van zijn gedrag (bijvoorbeeld: ‘Ik heb chips en ook nog wat snoep gekocht. Is dat oké of moet dat van mijn zakgeld?’). Een volwassene is iemand die zichzelf zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid in het leven kan redden.

1.1.3 Rol van opvoeder Met de opvoeding begeleid je het kind tot zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Je helpt het kind bij zijn ontwikkeling naar volwassenheid. Dit zal pas lukken als het kind vertrouwen in zichzelf heeft én als jij het kind durft los te laten. Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere stappen te zetten in de wereld om zich heen en te vertrouwen op zijn eigen oordeel. Zo wordt een kind zelfstandig. Als opvoeder moet je soms bepaalde risico’s nemen en een kind aanmoedigen nieuwe dingen uit te proberen: ‘Gisteren lukte het een stukje los te fietsen. Probeer vandaag eens of je verder komt.’ Op die manier bereik je stap voor stap uiteindelijk het einddoel van de opvoeding. Zo bereik je met de opvoeding dat het kind zelfstandig wordt en verantwoordelijkheidsbesef krijgt. Je maakt daarbij vooral gebruik van jezelf als opvoeder. Je zou kunnen zeggen dat je je eigen instrument bent. Je doen en laten, dat is het gereedschap waarover je beschikt. Je kunt een kind aanmoedigen, afleiden, belonen, uitdagen en zo nodig straffen om je doel te bereiken.

Figuur 1.1  Wie zelfvertrouwen heeft, durft verdere

stappen te zetten  Shutterstock Alle rechten voorbehouden.

1.2 Opvoeden in een ­organisatie Opvoeden in een kindercentrum, gezinshuis of op school is anders dan opvoeden in een gezin. De omstandigheden waaronder kinderen opgroeien in een organisatie zijn anders dan thuis. In de kinderopvang of op school worden kinderen opgevangen in een groep, in een ruimte die helemaal op hen is ingericht en met begeleiders die er speciaal voor zijn opgeleid en er helemaal voor hen zijn. Soms verblijven ze er elke dag, zoals op school. Soms komen ze een aantal dagdelen in de week, zoals bij een kinderdagverblijf en soms gaat het om 24-uursopvang, zoals in een leefgroep in een gezinshuis. Je hebt als pedagogisch professional een andere emotionele band met kinderen dan de ouders. Die band is niet vanzelfsprekend zoals in een gezin. 7


1

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Als pedagogisch werker besteed je aandacht aan het opbouwen van vertrouwen en zorg je ervoor dat een kind zich prettig en veilig voelt bij jou.

1.2.1 Opvoedingsrelatie Jouw relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt. Zonder relatie kun je niet opvoeden en bereiken wat je als opvoeder wilt bereiken. De relatie tussen ouder en kind is anders dan die tussen jou als pedagogisch werker en het kind. Jouw persoonlijke band met het kind gaat minder diep. Het is geen relatie voor het leven, het is een tijdelijke en een professionele relatie. Dat betekent dat je betrokken bent bij het kind, maar dat je tegelijkertijd de nodige afstand kunt nemen zonder afstandelijk te zijn.

Figuur 1.2  Je bent een vertrouwenspersoon voor het

kind  © Mirador Media - Maria van der Heyden

Gezag is iets anders dan macht. Gezag is gebaseerd op wederzijds respect. Er is sprake van een natuurlijk overwicht. Bij macht wil je dat het kind doet wat jij zegt. Zo’n houding zal er, zeker bij oudere kinderen, al snel toe leiden dat er een machtsstrijd ontstaat: ‘Eens kijken wie hier de baas is.’

De relatie met het kind is de basis van waaruit je opvoedt.

Ook de relaties tussen kinderen onderling hebben invloed op het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van het kind. Zowel in positieve als in negatieve zin kunnen kinderen elkaar beïnvloeden. Zijn de onderlinge relaties goed, dan is er een sfeer waarin kinderen kunnen groeien en iets nieuws durven uitproberen. Ze kunnen leren van elkaar. Een negatieve sfeer kan tot pesten leiden of de angst om iets te durven of doen.

De vertrouwensrelatie die jij hebt met kinderen die je begeleidt, is anders dan de relatie die je hebt met je familie of beste vrienden. De relatie in je werk is functioneel. Je ontmoet kinderen in jouw rol van pedagogisch werker. De sociale afstand is groter dan bij een persoonlijke relatie. Je bent een vertrouwenspersoon voor het kind. Je hebt persoonlijke gesprekken, maar het is niet zo dat je het kind in vertrouwen neemt over jouw persoonlijke dingen. Je laat wel wat zien van jezelf, maar je bent je tegelijk bewust van wat je wel en niet kan en wil vertellen. Wat een kind je in vertrouwen vertelt, blijft tussen jullie. Een kenmerk van een goede opvoedingsrelatie is dat je werkelijk belangstelling hebt voor het kind en zijn unieke persoonlijkheid respecteert. Of een kind nou druk, rustig of moeilijk is, het moet zich bij jou veilig en vertrouwd kunnen voelen. Het kan rekenen op jouw hulp en steun. Je voelt je verantwoordelijk voor het kind en je bent er voor hem in situaties die daarom vragen, bijvoorbeeld wanneer het kind gevaar loopt of dreigt een ander iets aan te doen. Je straalt daarbij een natuurlijk gezag uit.

1.2.2 Professionele afstand In een opvoedingssituatie heb je als pedagogisch werker een warme, persoonlijke relatie met het kind, maar er is toch een zekere afstand tussen jou en het kind. Er is niet de sterke emotionele band die ouders hebben met hun kinderen. Er is sprake van professionele afstand. Een verschil met de opvoeding thuis is ook dat je maar een beperkt gedeelte van de dag voor de kinderen verantwoordelijk bent. Als je werk erop zit, ga je naar huis en kun je afstand nemen. Jij hoeft ’s nachts je bed niet uit wanneer een kind niet kan slapen. En als je nachtdienst hebt gehad in een leefgroep, kun je de volgende dag je rust weer nemen. Zo kun je steeds fris en energiek blijven voor de kinderen die aan jouw zorg zijn toevertrouwd. 8


Opvoeden en pedagogiek

1

1.3.1 Tijd waarin we leven

Die speciale gerichtheid op kinderen heeft niet alleen voordelen, maar ook nadelen. Kinderen die veel tijd op de opvang doorbrengen, missen de informele dagelijkse dingen thuis. Ze zien minder van de gewone volwassen wereld, zoals boodschappen doen en eten koken. Op de groep is alles ook meer aan regels gebonden, waardoor er minder ruimte is om spontaan iets te ondernemen. Van het leven in een groep leren kinderen veel: het kan een enorme stimulans zijn voor hun sociale ontwikkeling. Maar er is minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind.

Opvattingen over opvoeding waren er vroeger niet echt. Zodra kinderen konden werken, werden ze aan het werk gezet. Baby’s werden vaak uitbesteed aan een vrouw die andermans kinderen borstvoeding gaf. De gezinnen waren vaak groot, dus iedereen moest meehelpen. Kleine kinderen werden aan de zorg van hun oudere broers en zussen overgelaten. Tegenwoordig gaat de opvoeding totaal anders dan vroeger. Beschouwde men heel vroeger een kind als ‘een volwassene in zakformaat’, tegenwoordig zien we een kind meer als kind en vinden we speciale kinderkleding, een kinderkamer, kinderspeelgoed en kinderboeken heel gewoon. Belangrijke wetten over opvoeden Als je terugkijkt in de geschiedenis, dan zie je dat het geluk van kinderen niet altijd centraal stond. Vroeger was een kind in Nederland vooral een arbeidskracht die een bijdrage leverde aan het levensonderhoud van het gezin. Het ‘Kinderwetje van Van Houten’ uit 1874 was de eerste wet die in Nederland een einde moest maken aan kinderarbeid. Daarna volgde in 1905 de Leerplichtwet. De Kinderwetten regelden het toezicht op ouder en kind. De staat legde in de regels vast hoe ouders hun kinderen moesten opvoeden. Ouders die zich niet aan die regels hielden, konden uit de ouderlijke macht worden ontzet.

Figuur 1.3  In een groep is er minder vanzelfsprekende aandacht voor het individuele kind dan thuis  Shutterstock Alle rechten voorbehouden.

1.3 Opvattingen over ­o pvoeden Alle ouders willen dat hun kind gelukkig is. Toch zijn er grote verschillen in opvoeding en in de manier hoe ouders met hun kinderen omgaan. Ook tussen de verschillende organisaties voor de opvang van kinderen en bij de groepsleiding zie je verschillen in aanpak. De opvattingen van mensen over opvoeden, worden beïnvloed door een aantal factoren: • de tijd waarin we leven; • de cultuur waarvan we deel uitmaken; • persoonlijke waarden, normen en opvattingen.

1.3.2 Cultuur waarvan we deel uitmaken Ouders in een westerse cultuur voeden hun kinderen anders op en hebben andere ideeën over de opvoeding dan ouders in een niet-westerse cultuur. Denk aan opvattingen over het opvoeden van meisjes en jongens of aan opvattingen over wie het in het gezin voor het zeggen heeft. Elke cultuur heeft zijn eigen waarden en normen. In de ene cultuur hecht men veel waarde aan tradities en gezag, in de andere cultuur vindt men bijvoorbeeld prestaties en zelfontplooiing veel belangrijker. In elke samenleving maken kinderen zich andere gewoonten, gebruiken, tradities en gedragsregels eigen. 9


1

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

1.3.3 Persoonlijke waarden en ­normen

Binnen de pedagogiek ga je ervan uit dat opvoeden een ‘kunde’ is. Je kunt het leren. Opvoeden is niet alleen een kwestie van zomaar je gevoel volgen. Je kunt leren over de opvoeding en over hoe je het beste kunt opvoeden door: • Na te denken over je eigen ervaringen met opvoeden: wat voor soort opvoeding heb je zelf gehad, welke kennis en ervaringen doe je op tijdens je BPV en wat is je mening daarover? • Op de hoogte te blijven van nieuwe inzichten en onderzoek: er zijn veel boeken over opvoeden geschreven en er is op internet en in vaktijdschriften veel actuele informatie te vinden. • Overleg met collega’s: door je werkwijze ter discussie te durven stellen, kun je je sterke en zwakke kanten ontdekken en beter worden in je werk.

Geen twee mensen voeden hetzelfde op. Iedere opvoeder heeft eigen ideeën over wat een goede opvoeding inhoudt. Ouders willen belangrijke waarden overdragen op kinderen. Bijvoorbeeld, een ouder met een christelijke of islamitische levensovertuiging wil zijn geloof overbrengen op zijn kinderen. Wanneer je als pedagogisch professional werkt met kinderen, kun je niet zomaar je eigen waarden en normen overdragen. Je moet rekening houden met en je aanpassen aan de waarden, normen en opvattingen die in een organisatie gelden. Op een openbare school is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat jij je opvattingen over jouw eigen geloof overdraagt aan de kinderen in jouw klas.

1.4 Wat is pedagogiek?

1.4.1 Orthopedagogiek

Pedagogiek vormt de basis van het werken met kinderen.

De orthopedagogiek is een specialisatie binnen de pedagogiek. Orthopedagogiek richt zich op de behandeling van kinderen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden.

Pedagogiek is de wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert.

1.5 Pedagogisch klimaat

Door pedagogisch onderzoek komen wetenschappers op nieuwe ideeën en gedachten over de opvoeding van kinderen. Of er ontstaat discussie over pedagogische opvattingen, bijvoorbeeld: is het wel goed voor jonge kinderen om hele dagen in een kindercentrum door te brengen? Of: hebben kinderen die veel zelfstandig op hun tablet werken wel voldoende contact met elkaar en met hun leerkracht? Veel scholen en kindercentra werken volgens een pedagogische stroming. Je kunt dan een bepaalde pedagogische visie herkennen in de manier van werken, de aankleding van de ruimte, de materialen en de manier waarop men kinderen benadert. Van jou als pedagogisch werker wordt verwacht dat jij je verdiept in die pedagogische benadering en dat je je werk op basis van die visie zult doen.

Opvoeden vindt plaats in een bepaalde sfeer: het pedagogisch klimaat. Dat is de stemming die er in een groep heerst. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een uitgelaten, vrolijke sfeer of een bedrukte, ingehouden sfeer. Het gaat om alle omgevingsfactoren die ervoor zorgen dat een kind zich goed kan ontwikkelen.

Pedagogisch klimaat: Alle omgevingsfactoren samen die bijdragen aan het welbevinden van een kind of jongere waardoor deze zich verder kan ontwikkelen. Ook wel: opvoedingsklimaat.

10


Opvoeden en pedagogiek

Sfeer in de groep Als de sfeer in de groep goed en veilig is, bereik je meer. Opvoeden gaat vanzelfsprekender in een positief opvoedingsklimaat. Je hebt misschien niet eens het gevoel dat je aan het opvoeden bent en het is niet nodig kinderen steeds te waarschuwen of zelfs te straffen. Een opvoeder die in staat is een passend opvoedingsklimaat te scheppen, zal veel meer bereiken dan de opvoeder die dit niet kan. Jouw persoonlijkheid heeft een grote invloed op de sfeer in de groep die je begeleidt. • Je zorgt voor heldere regels. • Je laat kinderen merken dat je vertrouwen hebt in hun mogelijkheden en inzet. • Je geeft kinderen de ruimte om het zelf te doen en ondersteunt ze daar waar dat nodig is. • Er is ruimte voor persoonlijke gesprekken. • Je benadert kinderen op een warme, open en vriendelijke manier. • Je gaat rustig om met conflicten.

1

zijn actief bezig. Er zijn weinig of geen conflicten en kinderen helpen elkaar. Een goed pedagogisch klimaat kun je daarom zien als een voorwaarde voor opvoeden, ontwikkeling en leren, maar ook als een opvoedingsmiddel.

Figuur 1.4  Een positief pedagogisch klimaat herken

je aan de sfeer en de inrichting  Shutterstock Alle rechten voorbehouden.

Inrichting van de ruimte Niet alleen de sfeer in de groep, maar ook de inrichting van de ruimte heeft invloed op hoe kinderen zich gedragen en zich ontwikkelen. In een gezellige, verzorgde ruimte zijn kinderen rustiger dan in een rommelige, ongezellige ruimte. De verlichting beïnvloedt de stemming en de concentratie van de kinderen, voldoende ruimte om eigen keuzes te maken, zorgt ervoor dat kinderen zin hebben om aan het werk te gaan. Materialen Uitdagende materialen die passen bij het ontwikkelingsniveau van kinderen zorgen ervoor dat ze op onderzoek uitgaan. Zijn de materialen verouderd, saai en versleten, dan zullen kinderen minder geïnspireerd zijn en laten ze zich sneller afleiden. Structuur Ook door structuur aan te brengen in de dag en afspraken te maken over de omgang met elkaar en met de materialen, creëer je rust en veiligheid. Dat merk je aan het gedrag van de kinderen. Ze 11


1

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Uitleg geven is een voorbeeld van opvoeden.

◯

◯

2 Het einddoel van de opvoeding is de volwassenheid.

◯

◯

3 Bieden van emotionele veiligheid is een opvoedingsdoel.

◯

◯

4 Opvoeden in een organisatie komt overeen met opvoeden in een gezin.

◯

◯

5 Gezag is hetzelfde als macht.

◯

◯

6 Opvoeden is van alle tijden.

◯

◯

7 Professionele afstand betekent dat je een zakelijke relatie hebt met het kind.

◯

◯

8 Pedagogiek is de wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert.

◯

◯

9 Jij hebt als pedagogisch werker invloed op het pedagogisch klimaat.

◯

◯

10 Een goed pedagogisch klimaat is een voorwaarde voor het opvoeden.

◯

◯

12


Pedagogen en hun visie

2

Pedagogen en hun visie 2 LEERDOELEN

• • • •

Je kunt uitleggen wat een pedagogische visie inhoudt. Je kunt voorbeelden noemen van pedagogische stromingen. Je kunt uitleggen wat de pedagogische stromingen inhouden. Je kunt toelichten wat de uitgangspunten zijn van bekende pedagogen uit de vorige eeuw.

Opvoeden doe je niet zomaar op de manier die jou het beste lijkt, maar je werkt binnen je organisatie vanuit een visie, een vastgestelde benadering van kinderen. In dit hoofdstuk maak je kennis met verschillende pedagogische stromingen en pedagogen die hun ideeën over opvoeding en onderwijs hebben beschreven. Zij waren de grondleggers van de pedagogiek en veel scholen of kindercentra werken ook nu nog volgens hun denken over onderwijs en opvoeding. Kennis daarvan helpt je om een eigen visie te ontwikkelen, want oude pedagogische inzichten kunnen ook nu nog inspireren.

voor hoe je het beste kunt handelen in de omgang met kinderen en de taken waar je als team voor staat. Een gezamenlijke visie geeft houvast bij de opvoeding en begeleiding van kinderen. Elke school of organisatie voor de kinderopvang is verplicht hun visie in een schoolplan of pedagogisch beleidsplan op papier te zetten. Een team functioneert het best als er een gemeenschappelijke kijk en aanpak is. Collega’s in een team kunnen aan de hand daarvan vaste afspraken maken over hoe zij de opvoeding en het onderwijs organiseren en aanpakken. Dat geeft niet alleen duidelijkheid aan de medewerkers, maar ook aan de kinderen. Die weten waar ze aan toe zijn, ook al hebben ze met verschillende professionals te maken. Ouders kunnen de visie van de organisatie inzien. Vaak staat die vermeld in een informatieboekje of op de website. Dat geeft ouders de mogelijkheid een kindercentrum of school te kiezen die past bij hun eigen ideeën over opvoeden. Als er geen keuze is, bijvoorbeeld als er maar één school is in hun wijk of dorp, weten ouders in ieder geval hoe die school van plan is met hun kind om te gaan. Ook voor jou als pedagogisch werker is het belangrijk dat je op de hoogte bent van de visie van de organisatie waar je jouw BPV doet of waar je gaat werken. Past die visie wel bij jouw eigen opvattingen over opvoeding? Voel jij je thuis bij deze benadering en kun je daar op een ontspannen en natuurlijke manier mee omgaan?

2.1 Pedagogische visie Als pedagogisch werker denk je bewust na over opvoeden. Je handelt op basis van een visie.

Een pedagogische visie is een samenhangend geheel van opvattingen over de opvoeding van kinderen.

Een pedagogische visie zegt iets over het hoe en waarom van je pedagogisch handelen. Welke opvoedingsdoelen wil je bereiken? Welke opvoedingsmiddelen gebruik je daarbij? Wat denk je dat werkt en wat niet? Een visie geeft je een richtlijn 13


2

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

2.2 Pedagogische stromingen

Ook ouders kunnen oplossingsgericht opvoeden. Een ouder die dat doet, vraagt niet: ‘Hoe was het vandaag op school?’, maar: ‘Welke nieuwe dingen heb je vandaag op school ontdekt of geleerd?’

Er is veel geschreven over de opvoeding van kinderen en er zijn door verschillende pedagogen allerlei theorieën bedacht over welke opvoedingsmethode de beste is. Die noem je ook wel pedagogische stromingen.

2.2.2 Onderwijsvernieuwing Veel scholen zijn bezig met onderwijsvernieuwing. Ze zoeken naar manieren om het onderwijs te laten aansluiten bij de wereld waarin leerlingen leven en zullen gaan leven. Het is een zoektocht naar het beste en meest passende onderwijs voor het opgroeien in veranderende tijden waarin bijvoorbeeld technologie een grote rol speelt. Scholen werken steeds vaker aan de 21e eeuwse vaardigheden van hun leerlingen. Dat wil zeggen, de kennis en vaardigheden die een kind nodig heeft om goed te kunnen functioneren in de veranderende samenleving. Denk daarbij aan vaardigheden zoals probleem oplossen, kritisch denken, creativiteit, samenwerken, mediawijsheid, informatievaardigheden en omgaan met ict. Onderwijsvernieuwing is van alle tijden. De nieuwe vormen van leren vragen van leerlingen meer eigen verantwoordelijkheid bij het leren en leggen meer nadruk op samenwerkend leren en persoonsvorming: leren is meer dan het vergaren van kennis. Steeds meer scholen stappen over op nieuwe onderwijsvormen als Natuurlijk leren, Ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) of Ervaringsgericht onderwijs (EGO).

Een pedagogische stroming is een theorie over opvoeding, ontwikkeld door een deskundige.

Onderzoekers, vroeger en nu, hebben verschillende ideeën over opvoeding. Er valt lang niet altijd simpelweg te zeggen welke manier de beste is. Je moet zelf dus ook een mening vormen en voor jezelf onderzoeken welke opvoedingsmethode het beste bij jou past. Nog steeds komen er nieuwe ideeën en inzichten bij, zoals oplossingsgericht opvoeden en de 21st century skills.

2.2.1 Oplossingsgericht opvoeden Hoe kun je in de opvoeding zo te werk gaan dat je je laat sturen door de oplossing in plaats van het probleem? Bij oplossingsgericht opvoeden staat één idee centraal: kijken naar wat wel goed gaat in plaats van naar wat er minder goed gaat. Je richt je op krachten en sterke kanten. Een kenmerk is het oplossingsgericht taalgebruik tussen opvoeder en kind. Oplossingsgericht taalgebruik bestaat uit vragen die het kind uitnodigen om zijn eigen talenten, oplossingen en doelen te benoemen. Het uitgangspunt is dat een kind het goede antwoord geeft als je hem de juiste vragen stelt. De leerkracht vraagt bijvoorbeeld: ‘Stel dat jij de juf of de meester was, wat zou je dan in de klas anders doen?’ Of je zegt: ‘Isa, ik zie dat je in deze les goed hebt opgelet en je niet afgeleid was. Goed zeg! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’ Door te wijzen op de positieve situatie moedig je de leerling aan om na te denken over zijn eigen aanpak en competenties.

Natuurlijk leren Steeds meer scholen gaan uit van hoe kinderen van nature leren. De gedachte is dat leren veel gemakkelijker gaat als je het uit eigen interesse en motivatie doet. Je sluit aan bij de natuurlijke talenten en mogelijkheden van het kind, de nieuwsgierigheid die leerlingen bezitten en datgene wat ze al kunnen. Want, zo zeggen de voorstanders van dit ‘nieuwe’ en ‘natuurlijk’ leren, leren gaat veel gemakkelijker als je het uit eigen interesse en motivatie doet. Volgens deze manier van denken is niet de lesmethode leidend, maar de interesse, keuze en het niveau van het kind.

14


Pedagogen en hun visie

Ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) Scholen voor ontwikkelingsgericht onderwijs bereiden leerlingen voor op deelname aan de samenleving van morgen. Dat doen ze door te werken met zinvolle en uitdagende thema’s. In het OGO is er volop ruimte voor eigen initiatieven van leerlingen. Het idee is dat kinderen meer leren als de stof gaat over iets wat zijzelf belangrijk vinden.

2

zich verveelden met hun schoolboeken. Hij ging met ze naar buiten, de natuur in en op stap naar bedrijfjes in de buurt. In zijn visie is het de taak van de pedagogisch werker om het kind te begeleiden bij zijn drang om te onderzoeken en experimenteren. Nog steeds kent Nederland een klein percentage freinetscholen en kindercentra. Visie Werken, spelen en leren hangen bij Freinet met elkaar samen en gaan in elkaar over. Spelen ziet Freinet als zinvol bezig zijn. Alles wat een kind doet, draagt bij aan zijn ontwikkeling. In zijn spel speelt het kind het werk na wat hij nog niet zelf kan doen, bijvoorbeeld een huis bouwen. Spel neem je daarom net zo serieus als werk. Leren is dingen uitzoeken die ook echt zinvol zijn. De kinderen dragen zelf onderwerpen aan waar ze meer over willen weten. Je leert van elkaar; dit geldt voor kinderen, maar ook voor ouders en pedagogisch werkers. Ouders dragen veel bij aan het onderwijs. Freinetscholen en freinetkindercentra passen de ideeën van Freinet op hun eigen wijze toe. Ze verschillen dan ook van elkaar, maar gaan wel uit van dezelfde uitgangspunten.

Ervaringsgericht onderwijs (EGO) Ervaringsgericht onderwijs gaat uit van de betrokkenheid van de leerlingen door aan te sluiten bij hun leefwereld en met veel ruimte voor eigen keuzes. Ze leren door zelf ervaringen op te doen. Het proces dat zich afspeelt in de kinderen en in de groep is van meer belang dan het eindproduct.

2.3 Pedagogen over opvoeden Een kinderopvangorganisatie of school werkt vanuit een visie op de opvoeding van kinderen. Deze visie bedenkt een organisatie meestal niet helemaal zelf. Vaak ligt de basis ervan bij de visies van bekende pedagogen uit de vorige eeuw zoals Freinet, Pikler en Montessori. Al deze pedagogen hadden één ding gemeen: hun liefde voor het kind. Ze stelden het kind centraal en gingen uit van de manier waarop kinderen denken en voelen. Veel van deze pedagogen hebben in het verleden uitvoerig nagedacht over de opvoeding van kinderen en de werkwijze op scholen. Dat was in die tijd nieuw. Zij hebben manieren bedacht en vaak ook zelf uitgeprobeerd, om kinderen te begeleiden in hun ontwikkeling. In de loop van de jaren zijn veel van die theorieën over opvoeding en onderwijs beschreven. Van deze pedagogen kun je veel leren. Hun inzichten kunnen je helpen bij je werk en bij het ontwikkelen van een eigen visie, een eigen kijk op de opvoeding van kinderen.

‘Ik hoor en ik vergeet, ik zie en ik onthoud, ik doe en ik begrijp.’ Célestin Freinet Uitgangspunten De pedagogische visie van Freinet gaat vooral over hoe kinderen leren en zich ontwikkelen. Dit doen zij vooral door zelf op onderzoek uit te gaan. Freinet accepteert het kind zoals het is en neemt jong en oud even serieus. Hij doet een groot beroep op de zelfstandigheid van het kind. Ze leren door alles zelf te doen. Freinet benadrukt dat het kind deel uitmaakt van de wereld om hem heen en vindt het daarom belangrijk dat het kind in contact staat met die wereld. Dat doe je door de kinderen mee naar buiten te nemen, maar ook door de wereld van buiten binnen de muren van de school of het kindercentrum te halen.

2.3.1 Freinet Grondlegger van het freinetonderwijs was de Franse onderwijzer Célestin Freinet. In 1920 ontdekte hij als onderwijzer op een dorpsschooltje dat zijn leerlingen heel leergierig waren, maar 15


2

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Zo doe je het Je begeleidt de kinderen in hun ontdekkingstocht en leert ze kritisch kijken. Dat doe je door de kinderen mee naar buiten te nemen, maar ook door de wereld naar binnen te halen. Je benadrukt de positieve resultaten van het kind, zodat het niet teleurgesteld raakt door mislukkingen. Je oefent geen dwang op de kinderen uit. Kinderen krijgen veel ruimte om hun eigen keuzes te maken. Daarbij geef je als pedagogisch werker wel structuur aan, afhankelijk van wat een kind aankan. Zijn er conflicten, dan los je die samen op. Je geeft kinderen de kans om zelf hun eigen mogelijkheden te ontdekken en te ontwikkelen.

Figuur 2.1  Kinderen van een freinetschool op bezoek in

een supermarkt  © Mirador Media - Anke Gielen

2.3.2 Gordon

Voorbeeld Op kindercentrum Sesam zijn de kinderen vaak buiten. Ze hebben altijd wel een karweitje te doen. Ze brengen de oude kranten weg in hun kruiwagens en de lege flessen naar de buurtsuper. Ze gaan met hun leidster mee boodschappen doen, brengen een bezoekje aan de kinderboerderij of maken zomaar een wandelingetje in de buurt. Alles wat ze doen en beleven staat in het digitale logboek van de groep, dat de ouders via internet kunnen bekijken en lezen.

Thomas Gordon was een Amerikaanse psycholoog die bekend werd met zijn methode voor het verbeteren van de communicatie tussen ouders en kinderen: de Gordon-methode. Het is een methode die werkt bij kinderen die alles zelf willen doen, maar ook bij de puber die zich tegen zijn ouders afzet. Visie Gordon zei: ‘Kijk naar kinderen, luister naar wat ze te zeggen hebben en neem hen serieus. Sta niet meteen klaar met een oplossing om verdriet weg te nemen of een probleem op te lossen. Laat kinderen hun emotie beleven en laat ze zelf een oplossing bedenken voor hun problemen.’ Hij introduceerde begrippen als ‘actief luisteren’ en de ‘ik-boodschap’. De methode gaat over overleg op basis van gelijkwaardigheid en het prettig en op een goede manier oplossen van conflicten.

Kenmerken Een freinetkinderdagverblijf of -school heeft de volgende kenmerken: • een kind kan zelf kiezen waarmee het wil spelen; • verschillende speel- en werkhoeken; • aanmoedigen van eigen initiatief; • meehelpen met huishoudelijke klusjes; • praktisch oefenen in de buitenwereld, zoals een wandeling door de buurt en boodschappen doen; • spelen en leren met levensechte dingen; • herinneringsboekjes maken van uitstapjes en bijzondere dagen, zoals kerst; • veel aandacht voor de interactie tussen de kinderen.

‘Neem kinderen serieus, laat zien dat je hen respecteert en dat je rekening met hen houdt.’ Thomas Gordon Uitgangspunten Gordon gaat uit van een gelijkwaardige relatie tussen kind en opvoeder. Opvoeders moeten een kind niet tot iets dwingen. De nadruk bij de Gordon-methode ligt op een manier van communiceren met respect voor elkaar: 16


Pedagogen en hun visie

• • • • •

2

2.3.3 Korczak

luisteren, zodat het kind zich begrepen voelt; op een manier praten dat het kind jou begrijpt; conflicten zo oplossen dat niemand verliest; samen afspraken maken, zodat iedereen zich eraan kan houden; positief en met respect omgaan met elkaar.

Volgens de Poolse kinderarts, pedagoog en (kinderboeken) schrijver Janus Korczak is respect het belangrijkste opvoedingsmiddel. Dit begint met het erkennen en herkennen van alle goede en minder goede kanten die bij het kind horen. En respect voor de energie die het kost voor een kind om groot te worden. Hij noemt dit ‘de zware arbeid van het opgroeien waarmee een kind dagelijks bezig is’. Ook dit vraagt om respect.

Zo doe je het Gordon is van mening dat je kinderen in principe zelf hun conflicten laat oplossen. Dat kunnen ze heel goed. Het maakt ze bovendien zelfstandig. Als jij iedere keer hun problemen oplost, maak je kinderen erg afhankelijk van jou. Dat is niet alleen vervelend voor een kind, maar het is ook vervelend voor jou als kinderen voortdurend voor alles een beroep op je doen. Je loopt ook het risico om steeds weer als scheidsrechter tussen de kinderen te staan. Luisteren geeft een kind de ruimte om zijn verhaal te doen, zodat hij, al pratende, zelf een oplossing kan bedenken voor het probleem dat hij is tegengekomen. Met bepaalde vragen nodig je een kind uit om meer te vertellen. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ‘Wat bedoel je precies?’ In de communicatie is vooral praten vanuit de ikvorm belangrijk. De ik-boodschap beschrijft het gedrag waar het om gaat zonder er een oordeel over te geven. Je maakt duidelijk wat dat gedrag voor effect heeft op jou en hoe jij je daarbij voelt. Je vertelt wat jij vindt, voelt en hoe jij ergens tegen aankijkt.

Visie Korczak legt de nadruk op een gelijkwaardige relatie tussen de opvoeder en het kind: ‘Een kind is nooit je bezit.’ Neem kinderen serieus, geloof in ze en geef ze de kans om mee te denken over problemen en oplossingen. Hij heeft een diep respect voor het eigen kunnen, durven en willen van kinderen: ‘Geef ze de vrijheid om te experimenteren en om in het hier en nu gelukkig te zijn. Maar geef kinderen wel de begeleiding die ze daarbij nodig hebben.’ ‘Voor ieder probleem, ieder kind, iedere dag is een unieke reactie van de opvoeder nodig.’ Janus Korczak Uitgangspunten De inzichten van Korczak hebben zes kernbegrippen als basis: • Dialoog: met het kind in plaats van over het kind spreken. • Observatie: goed kijken en luisteren en dit schriftelijk bijhouden. • Respect: iedereen heeft het recht er te zijn en te zijn zoals hij is en wie hij is. • Ruimte: kinderen hebben letterlijk en figuurlijk ruimte nodig. • Participatie: binnen een afgesproken kader hebben kinderen de mogelijkheid om mee te doen. • Zelfreflectie: waarom handel je zoals je doet? Kan dit ook anders. Wat zou beter kunnen?

Voorbeeld ‘Op het kinderdagverblijf waar ik mijn BPV doe, werken ze met de methode van Thomas Gordon. In het begin moest ik heel erg wennen aan de ikboodschap. Je zegt dan bijvoorbeeld: “Ik wil dat je stopt met op de tafel slaan, want ik moet anders zo hard praten en dan krijg ik last van mijn keel.” Langzaam begin ik te leren hoe je het moet toepassen en ik zie dat het goed werkt bij de kinderen. Ze luisteren beter doordat je ze duidelijkheid geeft met de ik-boodschap. Voor jezelf is het ook duidelijker. Je benadert het kind op een vriendelijke manier en hoeft minder vaak te waarschuwen.’

17


2

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Zo doe je het Een organisatie die werkt volgens zijn opvattingen, geeft kinderen veel ruimte om eigen keuzes te maken. Pedagogisch werkers en kinderen gaan gelijkwaardig met elkaar om en maken samen van de groep een geheel waarin iedereen tot zijn recht kan komen. Je zult vaker de vraag stellen aan jezelf en elkaar: ‘Zijn we nog op de goede weg?’ Kinderen accepteer je zoals ze zijn. Fouten maken mag, want van fouten kun je leren. Ze hebben dezelfde gevoelens als volwassenen, maar kinderen hebben ze vaak voor het eerst. Ouders en opvoeders hebben de neiging kinderen te veel te willen beschermen. Korczak zegt: ‘Een kind heeft recht op tranen, op verdriet.’ Daar groeien ze van als mens en medemens.

Figuur 2.2  Werken met Montessorimateriaal  © Hollandse Hoogte / BSIP

Visie Volgens de visie van Montessori zijn kinderen van nature actief. Een kind is nieuwsgierig en leergierig. Het heeft van binnenuit een drang om te weten en te kunnen. Het kind is ontdekker van de wereld en de school of het kindercentrum maakt dat mogelijk. Door veel zelf te doen groeit het zelfvertrouwen van kinderen en neemt hun eigenwaarde toe. Kinderen zijn in principe vrij en moeten er zelf iets van maken. Als ze die vrijheid krijgen, nemen ze ook de verantwoordelijkheid die daarbij hoort.

Wij wachten op later Wij wachten op later, wij wachten maar door wij doen goed ons best wij wachten op groot wij wachten op later, wij wachten maar door wij zijn nu te klein het stelt nog niks voor wij wachten op later, een grote wens ooit worden wij groot, ooit worden wij mens. Waarom steeds wachten, waarop en waarvoor? En dat later, wat is dat dan? We hebben nog jaren klein voor de boeg, waarom is vandaag niet belangrijk genoeg? Bron: Arie de Bruin, Je moet toch wát als je klein bent Gedicht gebaseerd op uitspraken van Janus ­Korczak

‘Kijk alleen maar naar kinderen, en ze vertellen je wie ze zijn en wat ze nodig hebben.’ Maria Montessori Uitgangspunten Respect voor het uniek-zijn van het kind is haar voornaamste uitgangspunt. Kinderen hebben volgens Montessori een natuurlijke drang om op ontdekking te gaan en om alles zelf te doen. Het kind moet hiervoor de ruimte krijgen. Dan kan het alles wat het in zich heeft in zijn eigen tempo ontwikkelen. Belangrijk bij deze methode zijn de volgende zaken: • De voorbereide omgeving. De ruimte richt je zo in dat kinderen zelf alles kunnen vinden, met als doel ze onafhankelijk te maken van de volwassenen. • De gevoelige periode. Zorg ervoor dat je het juiste materiaal op het juiste moment aan het kind aanbiedt. • Mooie en aantrekkelijke materialen. De hoeveelheid materiaal is beperkt. Hierdoor leren

2.3.4 Montessori De Italiaanse arts en pedagoge Maria Montessori ontwikkelde een methode die veel scholen en kinderdagverblijven nog steeds volgen. De ontwikkeling van kinderen verloopt volgens Montessori in fases die elk kind in dezelfde volgorde doorloopt. Je moet een kind daarom op het juiste moment het materiaal aanbieden dat bij die ‘gevoelige periode’ past. 18


Pedagogen en hun visie

•

•

kinderen op hun beurt te wachten. Samen huishoudelijke taken doen, zoals afwassen, afdrogen en vegen. Kinderen leren van elkaar en leren om goed voor hun omgeving te zorgen. Voldoende ruimte om ook binnen te kunnen bewegen.

2

Visie Een persoonlijke hechte band met het kind en ruimte voor het kind om de wereld te ontdekken staan centraal in de visie op opvoeden van Pikler. De opvoeder organiseert het leven van een kind zo, dat er een evenwichtige balans is tussen persoonlijk contact, vrije activiteiten en rust. Haar methode staat voor een respectvolle verzorging. Als je een kind vriendelijk, met respect benadert en veel persoonlijke aandacht geeft, is het hierover zo tevreden dat het vervolgens, zonder inbreng van volwassenen, blij en actief kan spelen.

Voorbeeld ‘Op de school waar ik mijn BPV doe, hebben ze speciale montessorimaterialen in de kasten staan. Bijvoorbeeld de aankleedrekken waarmee kinderen leren strikken en knopen dichtmaken. De kinderen kunnen veel zelf. Ze ruimen na het eten zelf hun borden en bekers op en maken hun tafel met een vaatdoekje schoon. Ze geven de planten water en als ze zijn uitgewerkt, bergen ze hun materiaal weer netjes op in de kast.’

‘Wanneer we de mogelijkheden van het kind en zijn zelfstandige activiteit vertrouwen en het voor zijn eigen leerontwikkeling een ondersteunende omgeving bieden, is het tot veel meer in staat dan over het algemeen aangenomen wordt.’ Emmi Pikler

Zo doe je het Om elk kind goed te begeleiden in zijn bezigheden en ontwikkeling, is het nodig dat je het volste vertrouwen hebt in het kind. Geef een kind de ruimte om alles zelf te doen en houd daarbij rekening met de gevoelige periodes van het kind. Montessori hecht veel belang aan de zelfstandigheid van kinderen. Ieder kind is uniek en volgt zijn eigen tempo. Kinderen kunnen zelf kiezen wat ze wel en niet doen. Als opvoeder speel je hierop in en zorg je ervoor dat de omgeving van het kind overzichtelijk en netjes is ingericht. Alles heeft een vaste plek en alles wordt na gebruik weer op die vaste plek teruggezet.

Uitgangspunten In kinderdagverblijven die volgens deze methode werken, vallen de volgende zaken op: • De ruimte voor baby’s is verdeeld in drie zones: een liggedeelte, een kruip- en loopruimte en een ruimte waar de baby’s verzorgd kunnen worden. • Tijdens het vrije spel hebben de kinderen de mogelijkheid om zelfstandig te bewegen en spelen. Er zijn verschillende speelhoeken, zoals een bouwhoek, leeshoek en huishoek. Zo doe je het Bij de dagelijkse verzorging, zoals eten, wassen, verschonen en aankleden, ben je werkelijk samen met een kind. In die momenten van rust maak je liefdevol contact met het kind door te vertellen wat je ziet en wat je gaat doen. Je handelt nooit zonder duidelijk aan te geven wat je doet. Neem daarom de tijd voor deze momenten en pas je aan het tempo van het kind aan. Pikler vindt dat je de verschillende momenten van de dag goed moet organiseren. Er is een tijd van rust en slaap, een tijd van wakker zijn en contact met de pedagogisch werker en een tijd om actief bezig te zijn. Kinderen kiezen zelf waarmee ze willen spelen. Laat een kind tijdens spel merken dat

2.3.5 Pikler De Hongaars-Oostenrijkse kinderarts Emmi Pikler is de grondlegster van de Pikler-methode voor babygroepen. Alles wat jonge kinderen in hun eerste jaren over zichzelf en hun omgeving leren, zal van invloed zijn op de rest van hun leven. Daarom besteedde zij zoveel aandacht aan deze eerste belangrijke jaren. Haar methode is gebaseerd op het vertrouwen dat zij heeft in de kracht en mogelijkheden van kinderen.

19


2

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

je er bent, maar doe dat niet uitdrukkelijk. Je laat het kind zijn spel spelen, maar je grijpt alleen in als dat nodig is.

‘Kinderen zijn elkaars eerste pedagoog.’ Reggio Emilia Uitgangspunten De grondgedachte van Reggio Emilia is: kinderen worden geboren met vele mogelijkheden, zijn sterk, krachtig en creatief. Een kind is een door en door sociaal wezen dat al vanaf zijn geboorte uit is op communicatie met de ander en de wereld. Kinderen zijn onderzoekers, ze zijn leergierig en nieuwsgierig. Communicatie is een centraal begrip binnen de ontwikkeling en educatie van kinderen. ledere taal heeft zijn eigen zeggingskracht en mogelijkheden. Een kind gebruikt wel honderd talen. Niet alleen gesproken taal, maar kinderen drukken zich ook uit in dans, in muziek, in drama, in klei en op papier. Het is belangrijk de ervaringen van kinderen vast te leggen, zodat je er aan de hand van foto’s en verhalen ook met de ouders en het kind zelf over kunt praten.

Voorbeeld Bij kinderopvang Klokje Rond krijgen baby’s hun voeding bij de pedagogisch werker op schoot, totdat ze goed zelfstandig kunnen zitten en hun evenwicht bewaren. Een tussenstap is een bankje met rugleuning en vast tafeltje en als laatste stap gaan ze zelf op een krukje zitten aan een eettafeltje. De kinderen eten en drinken zo snel mogelijk zelf. Ze gebruiken normaal serviesgoed en ook de flesvoeding gaat zo spoedig mogelijk in een normale beker. De pedagogisch werkers zijn getraind om eerst te zeggen wat ze gaan doen. Zo zeggen ze bijvoorbeeld: ‘Ik ga je nu optillen.’

2.3.6 Reggio Emilia Reggio Emilia is een pedagogische benadering van kinderen tot een jaar of zes, ontwikkeld in de Italiaanse stad Reggio Emilia. Het is geen methode, maar een manier van leven. Volgens Reggio Emilia leren kinderen het meest van elkaar. Ze zijn elkaars ‘eerste pedagoog’. De leidsters zijn ‘de tweede pedagoog’, de ruimte en de materialen vormen ‘de derde pedagoog’. In Nederland werken verschillende basisscholen, kinderopvang en peuterspeelzalen met deze werkwijze. Nog steeds werken veel kindercentra vanuit deze visie.

Voorbeeld In speelzaal Bontekoe zie je aan alles dat er gedacht is aan het kind. Er zijn veel doorkijkjes op kinderhoogte. Ook de werkjes van kinderen staan op ooghoogte uitgestald, zodat kinderen ze zelf goed kunnen zien. De verschillende groepsruimten komen uit in een centrale hal in frisse pasteltinten waar kinderen kunnen spelen. In het midden van de hal staat een fontein. Buiten is er een tuin met geheimzinnige paadjes en bloemen die kinderen mogen plukken of waar ze aan kunnen ruiken.

Visie De Reggio-benadering wordt wel eens de pedagogiek van het luisteren, in plaats van het vertellen genoemd. Deze benadering ziet kinderen als talentvolle mensen, als kleine onderzoekers. De aandacht richt zich vooral op wat kinderen kunnen, niet op wat ze niet kunnen. Leren doen kinderen in groepjes. Ze leren van elkaar en zijn daarmee elkaars eerste pedagoog. Een kinderdagverblijf heeft een huiselijke sfeer. De ruimte is licht met rustige tinten en veel hout en moet de kinderen uitdagen tot ontdekken, onderzoeken en experimenteren. De kinderen werken veel met kosteloos materiaal zoals hout, stofjes en touw. Het materiaal waarmee ze spelen is zo gekozen dat het hun nieuwsgierigheid stimuleert.

Zo doe je het Als pedagogisch werker bied je kinderen mogelijkheden om zich op hun eigen wijze te kunnen ontwikkelen, want ieder kind is uniek. Je sluit zo goed mogelijk aan bij de eigenheid en creatieve vaardigheden van het kind en bij wat ze bezighoudt. Dat betekent dat je heel goed kijkt naar kinderen. Je bent veel bezig met observeren. Pedagogisch werker Ismay: ‘Door de kinderen echt goed te observeren, zie je wat ze nodig hebben om zich optimaal te ontwikkelen.’ De kinderen geven vooral zelf aan wat ze willen doen. Jouw rol als pedagogisch werker lijkt daardoor klein, 20


Pedagogen en hun visie

maar is juist groot. Je weet kinderen op het juiste moment op het juiste spoor te zetten en je weet wanneer je een stap terug moet doen.

2

Uitgangspunten Kenmerken van antroposofische scholen en kinderdagverblijven zijn: • veel aandacht voor de natuur; • natuurlijke materialen en natuurlijk speelgoed; • rust op de groep; • ritme; • seizoentafel. Zo doe je het Je kijkt als antroposifisch pedagogisch werker heel goed naar elk kind om te weten wat het nodig heeft. Grenzen geven een kind veiligheid. Daarom zijn er duidelijke regels waar strikt de hand aan wordt gehouden. ‘Ritme’ is in de omgang met kinderen het sleutelwoord voor antroposofen. Ritme en beweging versterken het geheugen. Dat geeft houvast, veiligheid en herkenning. Ritme zie je terug in de dagindeling, de weekindeling en de jaarindeling. Typisch voor de dagindeling is dat alles steeds volgens een vast patroon en volgens vaste rituelen verloopt, bijvoorbeeld altijd op dezelfde manier samen eten en drinken. De weekindeling bestaat uit allerlei activiteiten die telkens terugkeren: de school heeft op maandag een weekbegin en op vrijdag een afsluiting, in het kinderdagverblijf is bijvoorbeeld maandag de vaste knutseldag, dinsdag de muziekdag, woensdag de schilderdag.

Figuur 2.3  Luister naar wat een kind te zeggen heeft

2.3.7 Steiner De Oostenrijkse schrijver Rudolf Steiner is de grondlegger van de antroposofie. Letterlijk betekent dat: wijsheid van de mens. Hij is ook de grondlegger van de zogenaamde ‘vrije scholen’. Het woord ‘vrij’ in de naam ‘vrijeschool’ slaat niet op het vrij laten van het kind. Er wordt mee bedoeld: de school wil vrij zijn in de manier waarop zij haar pedagogische visie wil bereiken. De nadruk ligt bij Steiner op het gevoelsleven van kinderen en op kunstzinnige vorming. Visie Een belangrijk uitgangspunt van Rudolf Steiner is dat elk kind uniek is en de gelegenheid moet krijgen om zich volledig te ontplooien. Leren met hoofd, hart en handen is de basis van het onderwijs. Expressie en fantasie spelen daarbij een grote rol. Het kind leert zich zelf te uiten en ontwikkelt zich tot een creatief mens. Kinderen spelen en leren in een rustige sfeer, in een huiselijke ruimte met materiaal dat past bij hun leeftijd. Een vast recept voor de opvoeding en het onderwijs is er volgens Steiner niet.

Voorbeeld ‘Om 8.15 uur gaat het lokaal open. De kinderen doen op de gang hun jassen uit en sloffen aan. De thee staat al klaar in de thermoskannen. De bolletjes deeg liggen klaar op de tafels voor het broodbakken. Ik begroet alle kinderen persoonlijk en geef ze een hand. In de kring zeggen we de ochtendspreuk op: “Ik zie rond in de wereld, waarin de zon haar licht zendt, waarin de sterren fonkelen, waarin de stenen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven...” Bij de rekenles krijgen alle kinderen een stok die ze eerst schillen met een mesje. Daarna leren ze meten met behulp van die stok: groot, klein, lang, kort. ’s Middags gaan we naar de boerderij. De kinderen mogen de koeien, schapen, lammetjes en kippen eten geven.’

‘Ieder kind is uniek en vraagt om een eigen benadering.’ Rudolf Steiner

21


2

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Figuur 2.4  Aandacht voor de natuur  Shutterstock Alle rechten voorbehouden.

22


Pedagogen en hun visie

2

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Een pedagogische visie geeft je houvast bij de opvoeding van kinderen.

◯

◯

2 Inzichten van bekende pedagogen kunnen je helpen bij het ontwikkelen van een eigen visie.

◯

◯

3 Freinet werd beroemd met zijn boek ‘Luisteren naar kinderen’.

◯

◯

4 De nadruk bij Gordon ligt op het communiceren met respect

◯

◯

5 Een belangrijk kernbegrip van Korczak is ‘de gevoelige fase’.

◯

◯

6 Pikler werd bekend door haar methode voor babygroepen.

◯

◯

7 Maria Montessori was de grondlegger van de antroposofie.

◯

◯

8 Aandacht voor de natuur is een kenmerk van de antroposofische opvoedingsstijl.

◯

◯

9 De Reggio-benadering gaat uit van een vast recept voor de opvoeding en het onderwijs.

◯

◯

10 Steiner is bekend van de ‘vrije school’.

◯

◯

23


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Opvoeden en begeleiden 3 LEERDOELEN

• • • • • •

Je kunt uitleggen hoe reflecteren je kan helpen een betere opvoeder te worden. Je kunt voorbeelden noemen van vragen die je jezelf kunt stellen wanneer je reflecteert op je handelen. Je kunt de vier verschillende opvoedingsstijlen omschrijven. Je kunt uitleg geven over de drie soorten opvoedingsondersteuning. Je kunt benoemen waarmee je rekening houdt bij de keuze van een opvoedingsmiddel. Je kunt toelichten wat de voordelen en nadelen zijn van de verschillende soorten opvoedingsmiddelen die je tot je beschikking hebt.

goede manier om te gaan met de situaties die je tijdens het werken met kinderen tegenkomt.

Iedere opvoeder heeft zijn eigen manier van opvoeden. Deze opvoedingsstijl bepaalt in grote mate hoe je met kinderen omgaat en welke opvoedingsmiddelen je hanteert. In dit hoofdstuk maak je kennis met de verschillende opvoedingsstijlen en de opvoedingsmiddelen waar je gebruik van kunt maken om je opvoedingsdoelen met kinderen te bereiken.

3.1.1 Reflectie Reflectie is terugkijken en nadenken over wat je hebt gezien, ervaren, gedacht of gedaan. Reflectie is altijd een belangrijk instrument om een betere opvoeder te worden. Als professioneel opvoeder is het nodig regelmatig van een afstandje te kijken naar hoe jij iets doet en of het werkt wat je doet. Je reflecteert op je pedagogisch handelen.

3.1 Structuur en grenzen Bij de opvoeding en begeleiding van kinderen kom je regelmatig situaties tegen die vragen om een reactie van jou als opvoeder. Je geeft structuur, een zekere mate van regelmaat in hun leven en stelt grenzen. Als je ziet dat er dingen fout gaan of fout dreigen te gaan, heb jij de verantwoordelijkheid om al dan niet in te grijpen. Om die reden leer je op de opleiding hoe je in verschillende situaties het beste kunt reageren en welke opvoedingsmiddelen je daarbij gebruikt. Je helpt bijvoorbeeld een kind zijn impulsen te controleren zodat het niet met blokken gaat gooien als het bouwen van een toren mislukt. Je leert nadenken over je aanpak en welk effect je handelen heeft. Door ervaring leer je steeds beter om op een

Reflecteren is het vermogen om kritisch en op afstand te kijken naar het eigen handelen en naar de effecten daarvan.

Ieder mens heeft zijn unieke persoonlijke eigenschappen. Die geven je een bepaalde uitstraling. Je kunt je niet anders voordoen dan je bent. Probeer je dat wel, dan kom je onecht over. Kinderen hebben dat meteen in de gaten. Door reflectie kun je leren om jouw sterke kanten verder te ontwikkelen. Reflectie helpt je omgaan met de dingen waar je minder goed in bent. 24


Opvoeden en begeleiden

3

3.2.2 Soorten opvoedingsstijlen

Ook gebeurtenissen uit het verleden spelen mee in jouw opvoedingshouding en de manier waarop jij reageert op opvoedingssituaties. Door jouw persoonlijke ervaringen lukt het misschien niet om in elke situatie op de juiste manier te reageren. Bijvoorbeeld als je vroeger zelf veel gepest bent, val je misschien overdreven fel uit tegen een kind dat een ander pest. Daarom is het goed om regelmatig, bij jezelf of samen met anderen, te reflecteren op jouw handelen. Je stelt jezelf bijvoorbeeld de volgende vragen en bedenkt hoe je het een volgende keer zult aanpakken: • Wat gebeurde er? • Wat riep het voor emoties bij me op? • Waar deed het me aan denken? • Wat was mijn reactie? • Wat was het effect daarvan? Werkte het? • Was dit wat ik wilde? • Ben ik er tevreden over of had ik het anders willen doen? En hoe dan? Hoe zou ik het een volgende keer kunnen aanpakken? • Wat is een volgende stap die ik zou kunnen zetten?

Iedere ouder of professionele opvoeder heeft zijn eigen manier van opvoeden. Iedereen heeft zijn eigen manieren en gewoonten, van zeer streng tot los. De een vindt discipline en regels erg belangrijk, bij de ander staat vrijheid voorop en zijn kinderen zo veel mogelijk vrij om zelf te ontdekken. Door deze stijlen te leren kennen, kun je zicht krijgen over hoe jij wilt opvoeden en welke stijl het beste bij jou past. Er zijn grofweg vier stijlen van opvoeden: • autoritair; • toegeeflijk; • democratisch; • verwaarlozend. Opvoedingsstijl 1: Autoritair Bij de autoritaire opvoedingsstijl stelt de opvoeder hoge eisen aan het kind. Er zijn veel regels. De opvoeder is de baas en het kind moet gehoorzamen. Houdt het kind zich niet aan de regels? Dan krijgt hij straf. Autoritaire opvoeders leggen de regels niet uit en geven geen ruimte voor discussie. Voordelen Een kind weet heel precies wat de opvoeder van hem verwacht. De opvoeder is de baas en bepaalt wat er gebeurt. Sommige kinderen kunnen tijdelijk baat hebben bij een autoritaire opvoeding.

3.2 Opvoedingsstijlen De pedagogische uitgangspunten van de organisatie waar je werkt, bepalen voor een groot deel hoe je met kinderen en met de groep omgaat. Samen met de collega’s in je team probeer je op één lijn te komen. Maar natuurlijk hebben ook jouw ervaringen en je eigen persoonlijkheid invloed op jouw opvoedingsstijl.

Nadelen Een kind kan angstig en volgzaam worden, of juist opstandig en agressief. In ieder geval ontwikkelt een kind weinig zelfvertrouwen en weinig zelfstandigheid. Hij leert niet om zelf te beredeneren waarom hij iets wil en kan moeilijk beslissingen voor zichzelf nemen. Deze dwingende manier van opvoeden kan voor veel strijd zorgen en een kind kan er als volwassene nog last van hebben.

3.2.1 Persoonlijke opvoedingsstijl Iedereen heeft zijn of haar eigen ideeën over opvoeden. Onbewust werkt dat door in de manier waarop jij met kinderen omgaat. Door stil te staan bij jouw manier van omgaan met kinderen, leer je je eigen stijl herkennen en verbeteren. Kennis over de verschillende opvoedingsstijlen helpt je om te ontdekken wat jouw persoonlijke stijl is.

25


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Opvoedingsstijl 3: Democratisch Democratische opvoeders stellen regels en hebben tegelijkertijd oog voor de wensen en behoeften van het kind. Zij geven leiding met liefde, houden rekening met de ontwikkeling van het kind en overleggen met het kind. De regels die ze stellen onderbouwen ze met argumenten. Het kind wordt gesteund en aangemoedigd. Voordelen De democratische opvoedingsstijl stimuleert het zelfvertrouwen en de zelfstandigheid van het kind. De opvoeder respecteert het kind als persoon en volgt zijn ontwikkeling. Er is openheid tussen kind en opvoeder. Kinderen die op deze manier worden opgevoed, hebben een positief zelfbeeld, kunnen verantwoordelijkheid dragen, zijn zelfstandig en sociaal, en kunnen op een goede manier met hun emoties omgaan. Nadelen De democratische opvoedingsstijl kost het meeste tijd en energie van alle opvoedingsstijlen. Het kind zal de opvoeder niet zomaar gehoorzamen, maar wil argumenten horen. Daarover in gesprek gaan kost tijd en geduld. Het gevaar is dat een kind te vrij en te mondig wordt. En dat opvoeders maar blijven praten en beargumenteren in plaats van grenzen te stellen.

Figuur 3.1  Nadeel van een autoritaire opvoeding is dat

het een kind bang kan maken

Opvoedingsstijl 2: Toegeeflijk Toegeeflijke opvoeders hebben veel aandacht voor de wensen en behoeften van het kind. Ze geven het kind bijna altijd zijn zin. De opvoeder stelt zich afwachtend op, geeft geen richting aan de opvoeding en stelt geen eisen. Voordelen Bij een toegeeflijke opvoedingsstijl doen zich weinig conflicten voor, want kinderen beslissen grotendeels zelf wat ze doen en hoe ze zich gedragen. Nadelen Een kind met toegeeflijke opvoeders leert geen grenzen kennen. Hij krijgt weinig feedback want alles is ‘goed’ en ‘leuk’. Dit maakt een kind gemakzuchtig en het kind leert niet om rekening te houden met anderen. Bovendien leert hij niet om met zijn emoties om te gaan en zichzelf te beheersen. Dit kan een kind impulsief en agressief maken.

Figuur 3.2  Een democratische opvoeder steunt het kind en moedigt het aan  © Mirador Media - Anke Gielen

26


Opvoeden en begeleiden

Opvoedingsstijl 4: Verwaarlozend Er zijn ook opvoeders die het kind verwaarlozen. Zij stellen weinig regels, maar geven ook weinig geborgenheid, steun, veiligheid en betrokkenheid. Het kind wordt aan zijn lot overgelaten: hij moet het allemaal zelf uitzoeken.

3

Voorbeelden • Op het kindercentrum: Bij het fruit eten blijft iedereen aan tafel zitten tot alle kinderen hun fruit op hebben. • In de klas: Bij binnenkomst zet iedereen zijn mobiele telefoon uit en legt die in het mandje. Na de les gaan ze weer aan en mee naar huis. • In het gezinshuis: ’s Avonds moeten de jongeren om 21.00 uur binnen zijn. Onder binnen zijn verstaan wij op het terrein van het gezinshuis zijn.

Voordelen Weinig of geen aandacht besteden aan een kind is gemakkelijk. Een ouder met een verwaarlozende opvoedingsstijl heeft alle tijd voor zichzelf of zijn werk.

Kinderen leren goede gewoonten en regels vooral door voordoen, samendoen en nadoen. Voorbeelden hiervan zijn leren eten met mes en vork, tandenpoetsen en omgangsregels zoals ‘alsjeblieft’ en ‘dankjewel’ zeggen. Je kunt laten blijken dat een kind begrijpt wat de bedoeling is door het geven van een complimentje: ‘Wat goed dat je dat al helemaal zelf kan!’ Kinderen bootsen ook gedrag na dat niet bewust is voorgedaan. Jouw houding als opvoeder is daarom belangrijk: je hebt een voorbeeldfunctie.

Nadelen Van een verwaarlozende opvoeder leert een kind niets: hij leert niet wat verstandig is en krijgt geen structuur. Daardoor loopt een kind eerder het risico om met verkeerde vriendjes in aanraking te komen. Het kan zich vaak eenzaam, in de steek gelaten en niet geliefd voelen.

3.3 Pedagogische ­o ndersteuning

Voorbeeld Het is een heel gedrang bij de deur. Alle kinderen willen naar buiten. Ze duwen, trekken en schreeuwen. Leidster Emmie komt erbij en gaat rustig bij de deur staan. Ze zegt niets, maar kijkt alleen maar vriendelijk rond. In korte tijd wordt het rustig en staan alle kinderen keurig achter elkaar in een rij om naar buiten te gaan.

Kinderen willen graag horen dat ze het goed doen. Dat geeft zelfvertrouwen. Ze willen ook weten waar de grens ligt. Wat mag wel en wat mag niet? Hoe ver kunnen zij gaan? Als kinderen dit weten, geeft dit rust, dan weten ze waar ze aan toe zijn. Het geven van gedragsregulerende ondersteuning wil zeggen dat je het gedrag van een kind in goede banen leidt. In ‘lastig’ gedrag van een kind zit altijd een boodschap, een behoefte van het kind. Bijvoorbeeld de behoefte even rustig en alleen aan een tafeltje te zitten. Kinderen willen weten hoe zij zich moeten gedragen en welke regels er zijn. Het kennen van de regels geeft een veilig gevoel. Kinderen weten hoe het gaat in de groep en wat er van ze wordt verwacht. Dat geeft jou ook rust, omdat je niet steeds weer uitleg hoeft te geven. Regels maken duidelijk waar de grenzen liggen.

Als opvoeder sta je model voor het kind, je bent een voorbeeld voor ze. Kinderen hebben de neiging om na te doen hoe jij je gedraagt, reageert en praat. Als je goed oplet, herken je in het gedrag van kinderen vaak dingen van jezelf of van hun ouders. Bij kleuters zie je dit goed bij hun rollenspel: ze gebruiken soms precies dezelfde woorden bij het ‘schooltje spelen’ als jij. Kinderen die een vriendelijke, geduldige en behulpzame opvoeder hebben met begrip voor het kind, laten zelf ook sociaal gedrag zien. Als jij kinderen vriendelijk en met respect benadert, krijg je respect terug. Ook andere kinderen in de groep staan model. Kinderen en jongeren leren veel van elkaar. Ze nemen positieve én negatieve dingen van elkaar over. 27


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

straks allemaal weer te zien. Wat zou je kunnen doen om er ook blij naar uit te kijken?’ Eline denkt even na: ‘Een mooie tekening maken voor Sinterklaas!’ Opgelucht huppelt ze naar haar tafel en begint aan een tekening voor de Sint.

Figuur 3.3  ‘Kijk, zo was je je handen!  bert Spiertz Alle rechten voorbehouden.

3.3.1 Emotionele ondersteuning Bij emotionele ondersteuning ga je in op de emoties van het kind. Je herkent welke emoties een bepaalde situatie bij het kind oproept. Dat doe je door actief te luisteren en goed te kijken. In je reactie laat je aan het kind merken wat je hebt gehoord of gezien. Zo laat je merken dat je betrokken bent bij wat kinderen beleven, voelen en ervaren. Je kunt emotionele ondersteuning geven door bijvoorbeeld te troosten, oogcontact te maken, toe te lachen, belangstelling te tonen, aan te moedigen en te prijzen. Met emotionele ondersteuning help je het kind bij het verwerken van zijn gevoelens. Het volgende voorbeeld laat zien hoe je een kind emotioneel kunt ondersteunen.

Figuur 3.4  Troosten is een vorm van emotionele ondersteuning  © Mirador Media - Anke Gielen

Kinderen kunnen het in elke leeftijdsgroep moeilijk hebben. Bij jonge kinderen zie je soms angsten omdat bij hen fantasie en werkelijkheid nog door elkaar lopen. ‘Zal Grote Beer misschien vannacht onder mijn bed kruipen?’ In de schoolleeftijd komt faalangst of zich buitengesloten voelen voor. In de puberteit worstelen kinderen soms met hun identiteit, seksuele gevoelens en liefdesverdriet. Op elke leeftijd kunnen kinderen te maken krijgen met traumatische ervaringen en verlies waarbij zij emotionele ondersteuning nodig hebben. Je kunt kinderen helpen bepaalde gevoelens te herkennen en te benoemen door met ze te praten over hoe zij met die emotie om kunnen gaan: ‘Je zegt dat jij je onzeker voelt over het maken van de Cito. Wat helpt je om je er zekerder over te voelen?’

Voorbeeld Vandaag komt Sinterklaas in de klas. Eline is de hele ochtend erg druk. Ze blijft niet zoals afgesproken in de hoek spelen die ze zelf heeft gekozen, maar rent heen en weer en laat horen dat ze er is. Frederique, pedagogisch werker in haar groep, gaat naar haar toe en zegt: ‘Tjonge, wat ben je opgewonden. Het is ook reuze spannend dat Sinterklaas straks komt.’ Eline knikt en zegt: ‘Denk je dat Sinterklaas boos op mij zal zijn?’ ‘Boos?’, vraagt Frederique verbaasd. ‘Ja, ik had gisteren Racine toch aan haar haren getrokken’, antwoordt Eline. Frederique trekt Eline naar zich toe en vraagt op vriendelijke toon: ‘Ben je bang dat Sinterklaas boos op je is?’ Als Eline knikt, zegt Frederique: ‘Ik denk dat Sinterklaas blij is om jullie

Voorbeeld De moeder van Roos (11), is overleden aan borstkanker: ‘Mijn juf belt me ’s avonds soms op. Dat vind ik fijn, want dan kan ik rustig mijn verhaal even kwijt en vertellen over hoe het nu met me gaat en hoe ik me voel. De juf luistert goed en stelt goeie vragen. Ik heb liever niet dat ze er op school over begint en dat snapt ze gelukkig heel goed.’ 28


Opvoeden en begeleiden

3.3.2 Informatieve ondersteuning

3

Informatie kan helpen voorkomen dat pubers in de problemen raken wanneer ze een leeftijd bereiken waarop ze zelf op onderzoek gaan. Zo kan seksuele voorlichting helpen om op een gezonde en plezierige manier met deze nieuwe ervaring om te gaan. Voorlichting over roken, alcohol en drugs kan jongeren helpen weerstand te bieden aan de verleidingen om hen heen, verstandige keuzes te maken en niet toe te geven aan groepsdruk.

Kinderen hebben nog veel te leren van de wereld om hen heen. Je geeft informatieve ondersteuning als je door middel van een gesprek, uitleg of voorlichting een kind inzicht geeft in een situatie. Hierdoor leren kinderen begrijpen hoe het werkt, wat er mis kan gaan en wat er van hen wordt verwacht. Voorbeeld Voor een bezoek met de klas naar het museum legt de onderwijsassistent uit welke regels er gelden in een museum: niet heen en weer rennen, zachtjes praten, bij elkaar blijven, luisteren naar de uitleg door de medewerkers van het museum. Hierdoor zorgt de onderwijsassistent ervoor dat het uitstapje goed verloopt.

3.3.3 Gedragsregulerende ­ondersteuning Opvoeden gaat niet vanzelf. Als professionele opvoeder geef je bewust pedagogische ondersteuning om kinderen te helpen bij hun ontwikkeling. Je zegt bijvoorbeeld: ‘Wat fijn dat jullie zo rustig zitten te werken’, ‘Lief dat je me even helpt’ en: ‘Dat hebben jullie goed opgelost samen!’ Kinderen leren op deze manier wat je van ze verwacht en de positieve benadering is goed voor het zelfbeeld van het kind en de sfeer in de groep. Soms is het nodig om streng op te treden. Zeg liever niet: ‘Hou toch eens op’, ‘Doe niet zo vervelend’ of ‘Zit niet zo te klieren.’ Met dergelijke uitspraken leer je kinderen alleen wat ze niet moeten doen. Het is beter om duidelijke regels, te stellen, uit te leggen waarom iets belangrijk is en wat je wel van ze verwacht. Er zijn verschillende manieren om kinderen op weg te helpen in hun ontwikkeling tot volwassene en te ondersteunen bij de obstakels die ze daarbij tegenkomen. Bij deze pedagogische ondersteuning horen opvoedingsmiddelen waaruit je een keuze kunt maken. Denk daarbij aan grenzen stellen, uitleg geven of afleiden. Door bewuste keuzes te maken kun je ervoor zorgen dat je je opvoedingsdoelen bereikt. Er zijn drie soorten pedagogische ondersteuning: • emotionele ondersteuning; • informatieve ondersteuning; • gedragsregulerende ondersteuning.

Door voorafgaand aan een gebeurtenis een gesprek met kinderen te voeren over gewenst en ongewenst gedrag, leer je kinderen na te denken over zichzelf. Daarmee vergroot je de mogelijkheden van het kind om zelfstandig en zelfverantwoordelijk te handelen. Een gesprek geeft inzicht in gedrag. Een kind met weinig sociale vaardigheden help je zo om sociaal vaardiger te worden. Een kind dat impulsief reageert, help je om zijn gedrag onder controle te houden en een kind dat zich erg afhankelijk gedraagt, help je om zelfstandig te worden. Bij een onderlinge ruzie leer je kinderen na te denken en te bespreken wat er is gebeurd. Je laat niet alleen zien wat er fout ging, maar ook waardoor dat kwam en hoe het kind dat in de toekomst kan voorkomen. Voorbeeld Olaf (7) heeft vaak ruzie met andere kinderen. Hij is enig kind van een schippersechtpaar en woonde tot zijn zesde jaar op het schip. Hij speelde daardoor zelden met andere kinderen en mist het sociale inzicht om met andere kinderen om te gaan. Ook nu staat Olaf te kijken, terwijl de andere jongens uit zijn groep voetballen op het veldje voor de school. Onderwijsassistent Pieter ziet dit en begint een gesprek met Olaf: ‘Wat zou je kunnen vragen als je mee wilt doen met voetballen?’ 29


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

3.4 Opvoedingsmiddelen

of groot dat ook is. Op die manier kom je erachter wat een kind wil en kan.

Opvoedingsmiddelen kun je gebruiken om gedrag aan te leren, af te leren of bij te sturen als het mis dreigt te gaan.

Het doel dat je nastreeft Verschillende doelen vragen om verschillende opvoedingsmiddelen. Een kind dat steeds op een negatieve manier de aandacht vraagt, kun je soms het beste even negeren. Bij een kind dat een ander kind slaat, reageer je meteen met een afkeurende opmerking en is negeren geen goede keuze.

Opvoedingsmiddelen ziin instrumenten die de opvoeder bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken. Bijvoorbeeld: regels stellen, afleiden, aanmoedigen.

Het kind zelf Pas een opvoedingsmiddel aan het individuele kind aan. Het heeft geen zin om met kinderen van drie jaar een uitgebreid gesprek te voeren waarom jij vindt dat iets niet mag. Bij kinderen van elf jaar kan dat wel en bij kinderen van zestien jaar is het vanzelfsprekend om te overleggen als er verschil van mening is. Kijk ook naar het temperament van het kind bij je keuze voor een geschikt opvoedingsmiddel. Bij een druk kind werkt bijvoorbeeld afleiden niet, maar een duidelijke afkeuring wel. Een kind met een fysieke beperking die steeds een beker omgooit, help je niet door boos te worden, maar wel door het oefenen van zijn motoriek.

3.4.1 Opvoedingsmiddel kiezen Er zijn verschillende soorten opvoedingsmiddelen, bijvoorbeeld een beloning, vriendelijke opmerking of een terechtwijzing. Bij de keuze van een opvoedingsmiddel houd je rekening met zaken als de leeftijd van het kind en het doel dat je wilt bereiken. Ook de organisatie waar je werkt heeft invloed op je keuze. Bij de keuze van een opvoedingsmiddel houd je rekening met: • de organisatie waar je werkt; • het doel dat je nastreeft; • het kind zelf; • eigen waarden en normen als opvoeder; • de omstandigheden.

Eigen waarden en normen als opvoeder Als beroepsopvoeder heb je ook altijd te maken met je eigen ervaring en opvattingen. Het is goed je daarvan bewust te zijn. Misschien heb je in je eigen opvoeding weinig complimenten en schouderklopjes gekregen en ben je in je werk bang dat je kinderen daarmee verwent. Of kreeg je als kind van je ouders veel vrijheid en laat je de hele groep nu gemakkelijk te vrij. Het is goed om je bewust te zijn van dit soort zaken en deze met collega’s bespreekbaar te maken.

De organisatie waar je werkt In je toekomstige beroep maak je deel uit van een organisatie. Je zult je als opvoeder moeten aanpassen aan wat in die instelling gangbaar en gebruikelijk is. Op die manier is je handelen in één lijn met de doelstelling en regels van de organisatie en het handelen van je collega’s. Voorbeeld Bij kinderopvang Mundo staat het kind centraal. In de communicatie zijn kinderen serieuze gesprekspartners. Wat kinderen te zeggen hebben telt. Positiviteit is het sleutelwoord: kinderen krijgen complimenten en ze krijgen geen straf. De pedagogisch werkers stellen wel vragen aan kinderen en ze richten zich tot het kind, hoe klein

De omstandigheden Ook de omstandigheden kunnen een rol spelen bij de vraag welke opvoedingsmiddelen je gebruikt. Kinderen reageren met hun gedrag op wat er gebeurt in hun leven. Een scheiding van de ouders of het overlijden van oma leidt er bijvoorbeeld toe dat kinderen uit hun gewone doen 30


Opvoeden en begeleiden

3

Voorbeeld Onderwijsassistent Lieke (groep 4) is op de gang in gesprek met een ouder. Als ze terugkomt in de klas, zitten de kinderen van haar groep rustig te werken in hun rekenboek. ‘Wat fijn dat ik even met de moeder van Erdem kon praten. Knap hoor, dat jullie zo goed hebben doorgewerkt.’ De kinderen glimmen van trots.

zijn. Ze zullen zich anders dan anders gedragen. Je kunt ervoor kiezen dan wat meer door de vingers te zien. Daarnaast kunnen omstandigheden als het weer, een (naderende) feestdag of het tijdstip van de dag het gedrag van een kind beïnvloeden. Ook hiermee zul je rekening moeten houden.

3.5 Soorten opvoedings­ middelen Bij het begrip opvoedingsmiddel denk je misschien ook aan straf. Maar straf is wel het laatste opvoedingsmiddel waar je naar moet grijpen. Als opvoeder heb je veel meer mogelijkheden zoals aanmoedigen, gedrag negeren of afleiden.

3.5.1 Aanmoedigen Door een complimentje, vriendelijk knikje of duim omhoog moedig je kinderen aan om vaker gewenst gedrag te laten zien. Dit noem je aanmoedigen, bevestigen of prijzen. Aanmoediging geeft een kind zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld. Aanmoedigen doe je door te zeggen wat je ziet: ‘Wat zijn de boeken netjes opgeruimd’, wat je voelt: ‘Wat ben ik blij met jullie hulp,’ of je beschrijft de prestatie: ‘Wat knap dat het is gelukt. Dat noem ik nog eens doorzetten.’ Je laat daarmee merken dat een kind of groepje kinderen fijn aan het spelen is, netjes aan het werken is of een taak goed heeft uitgevoerd. Kinderen willen graag horen dat ze het goed doen. Ze worden zich er daardoor nog meer van bewust dat dit is wat je van ze verwacht. Een aanmoediging is een extra stimulans om het een volgende keer opnieuw zo te doen. Van complimentjes groeit ook het zelfvertrouwen van kinderen. Gedrag dat steeds een positief gevolg heeft, zullen ze vaker vertonen. Kinderen die regelmatig een pluim of iets aardigs te horen krijgen: • weten wat ze goed doen; • voelen zich daardoor ook zeker van zichzelf; • hoeven niet op een negatieve manier om aandacht te vragen; • krijgen een positief beeld van zichzelf.

Figuur 3.5  Kinderen die een complimentje krijgen, voelen

zich gewaardeerd  © Getty Images

Natuurlijk is het niet de bedoeling dat je een kind steeds beloont met een aanmoediging. Dan maak je een kind afhankelijk van jou en belemmer je zijn groei naar zelfstandigheid. Een kind moet op een gegeven moment ook zelf weten wat wordt verwacht. Belonen met materiële zaken is ook minder geschikt. Het moet niet zo zijn dat een kind alleen nog maar wil opruimen of een klus doet als het daarna een sticker of stempel krijgt. Flink doorwerken aan een taakje met als beloning een leuke activiteit, werkt beter. Positieve versterkers Complimentjes of schouderklopjes van anderen, noem je ook wel externe positieve versterkers. Maar kinderen hebben ook zelf in de gaten dat bepaald gedrag een positief gevolg kan hebben en een goed gevoel kan geven. Dit zijn de interne positieve versterkers. Als een kind merkt dat het een fijn gevoel geeft om iets voor een ander te doen of om zelf een probleem op te lossen, zal het dit gedrag vaker laten zien. Interne positieve versterkers zijn over het algemeen zo krachtig, dat ze ervoor zorgen dat kinderen uit zichzelf dit gedrag blijven vertonen. 31


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Geef een bevestiging meteen Kinderen die niet opvallen of juist opvallen door storend gedrag, krijgen minder vanzelfsprekend positieve bevestiging. Geef bewust complimentjes voor dingen die het kind goed doet of voor de positieve inzet. Werk vooral met belonen en niet met bestraffen. Geef de aanmoediging meteen als het goede gedrag zich voordoet.

len die rijmen op een zin in de verhaaltjes. Indra reageert verrast: ‘Wat goed dat jij al kan meelezen met het boek!’

Goedkeuren door niets te doen Door niets te doen en af te wachten kun je ook je goedkeuring laten zien. Je goedkeuring blijkt dan uit het feit dat je het kind de ruimte geeft het op zijn eigen manier te doen. Ook al zou je het zelf misschien anders aanpakken en ook al lukt het niet meteen. Je laat daarmee zien dat je er vertrouwen in hebt dat het kind iets tot een goed einde brengt.

Figuur 3.6  Door een compliment moedig je kinderen aan  © David Rozing

3.5.2 Grenzen stellen

Aandachtspunten bij aanmoedigen en bevestigen Let vooral op positief gedrag. Oefen jezelf, zodat je dat gedrag ziet en er ook op reageert. Aandacht in de vorm van een complimentje zal er eerder toe leiden, dat een kind het gedrag uit zichzelf laat zien. • Geef een bevestiging zo snel mogelijk na het goede gedrag. • Maak duidelijk wat je ziet, voor welk gedrag je het kind beloont en wat je voelt. • Zorg dat een beloning in verhouding staat tot het getoonde gedrag. • Zorg ervoor dat je meent wat je zegt. Kinderen merken aan je houding of de toon waarop je iets zegt, of het echt is of niet. • Maak zo min mogelijk gebruik van materiële beloningen. Bedenk dat materiële beloning een afhankelijkheidsrelatie in de hand werkt. Ook maakt het andere kinderen jaloers omdat zij die beloning niet krijgen. • Overdrijf niet. Het is wel de bedoeling dat kinderen ook positief gedrag laten zien als ze er niet voor worden beloond.

Kinderen hebben behoefte aan grenzen. Die grenzen geef je aan door regels. In een school gelden geschreven regels: ‘Geluid aan van je tablet? Koptelefoon op’ en ongeschreven regels: ‘Je weet toch wel dat je niet mag rennen in de gang?’ Die regels geven kinderen houvast. Toch zie je in de praktijk dat sommige kinderen testen waar die grenzen liggen. Dat doen ze door de regels te overtreden en te kijken hoe jij reageert. Doordat je hun gedrag dan afkeurt, weten ze dat daar echt de grens ligt. Ook al heeft een kind behoefte aan regels, toch zal het er regelmatig tegen protesteren. Dat is normaal; het is een oefening in het zelfstandig worden. Voorbeelden Peuters hebben spelenderwijs al heel wat regels geleerd. Voorbeelden van deze regels zijn: • Op je beurt wachten. • Voor het eten handen wassen. • Na het eten handen en gezicht wassen. • Als iemand zegt stop, dan houd je op. • Na toiletbezoek altijd handen wassen. • Opruimen wat je hebt gebruikt. • Jas en tas aan de kapstok.

Voorbeeld Pedagogisch medewerkster Indra leest voor uit het boekje De liefste mama van de wereld dat ben jij! Shanti kan de meeste woordjes al zelf aanvul32


Opvoeden en begeleiden

3

3.5.3 Afleiden

Positief formuleren Kinderen leven regels beter na als ze de zin ervan begrijpen. Daarom is het goed om samen regels te maken. Het voordeel is dat kinderen zich vaak beter houden aan regels die ze zelf hebben gemaakt en dat ze er elkaar aan helpen herinneren. Je hebt daardoor minder regels nodig en je hoeft minder vaak te waarschuwen. Kinderen die mogen meedenken voelen een afspraak, regel of grens niet aan als een beperking van hun vrijheid. Door de regels positief te formuleren zullen kinderen zich er sneller aan houden.

Ongewenst gedrag hoef je lang niet altijd af te keuren. Soms werkt het veel beter en sneller als je de aandacht van het kind op iets anders richt. Vooral bij jonge kinderen die hun eigen wil ontdekken, kan afleiden erg goed werken. Een kleuter die in de opwinding van zijn spel hard gilt in het lokaal en daarmee andere kinderen stoort, kun je beter afleiden. Wanneer je fluisterend de aandacht vestigt op waar hij mee bezig is, maak je een goede kans om te bereiken wat je wilde. Afleiden is gewoon een handig trucje dat vaak effectief is. Het is alleen geen goede keuze als je wilt dat het kind iets van het ingrijpen leert.

Voorbeeld negatief geformuleerde regels: • Je mag niet eten in de klas. • Je moet je eigen spullen opruimen. • Je mag niet praten als een ander het woord heeft.

Voorbeeld Twee kleuters spelen in de zandbak en hebben samen de blauwe schep vast. Ieder aan een kant. ‘Van mij!’, schreeuwen ze allebei om het hardst. Hun leidster loopt langs en reageert niet op het geschreeuw. Ze wijst naar een struik: ‘Kijk nou eens, een koolmeesje gewond?’ Beide kleuters laten meteen de schep vallen en rennen naar de struik om de vogel te zien.

Voorbeeld positief geformuleerde regels: Eten doen we in de pauze in de kantine. Iedereen zorgt ervoor dat de speelruimte netjes blijft. • Als iemand anders het woord heeft, dan luister je tot diegene is uitgepraat.

• •

3.5.4 Gedrag negeren

Positief geformuleerde regels geven veel mogelijkheden voor het geven van positieve feedback: ‘Wat is de speelruimte netjes opgeruimd.’ Terwijl negatief geformuleerde regels vooral uitnodigen om aandacht te geven aan overtredingen: ‘Je weet toch dat je niet mag eten in de klas!’

Negeren kan een goede manier zijn om met bepaald ongewenst gedrag om te gaan. Het gaat daarbij zeker niet om het negeren van het kind, maar om het negeren van het gedrag dat het laat zien. Gedrag negeren is vooral goed te gebruiken wanneer het kind de aandacht probeert te vragen en niemand anders echt kwaad doet: hij zegt bijvoorbeeld lelijke woorden of trekt gekke bekken. Je kunt dan bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik doe maar even of ik dat niet gehoord/ gezien heb!’ Soms helpt niets om ongewenst gedrag te stoppen. Dat komt omdat het gedrag voor het kind iets oplevert. Het krijgt bijvoorbeeld uiteindelijk toch zijn zin of krijgt er aandacht door. Vraag je daarom altijd af welk voordeel het ongewenste gedrag voor het kind heeft.

Aandachtspunten bij grenzen stellen Wees duidelijk over wat wel en niet mag. Maak alleen regels als het echt nodig is. Te veel regels en grenzen maakt een kind onzeker. • Houd rekening met de leeftijd van het kind. • Loop naar een kind dat een grens overgaat. • Maak oogcontact en zeg rustig, kort en duidelijk wat precies niet mag. Zeg ook waarom het niet mag. Leg vooral uit wat wél mag en bespreek met het kind hoe het ánders kan. • Maak met een neutrale gezichtsuitdrukking en stem duidelijk dat je het meent. • Wees consequent. Reageer niet nu eens wel, dan weer niet. Vooral bij jonge kinderen werkt het om de boodschap te herhalen.

• •

Voorbeeld Sally (14) is altijd zeer aanwezig in de groep. Ze speelt de clown en doet altijd precies wat niet mag. Van regels trekt ze zich niets aan. Sally wil 33


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

•

graag laten zien en horen dat zij er is. Door haar gedrag krijgt ze veel aandacht. Van de groepsleiding krijgt ze vaak op haar kop omdat ze zich niet aan de regels houdt. Dat levert weer nieuwe grappen en grollen op waardoor ze opnieuw de aandacht heeft van de groep.

Maak onderscheid tussen het gedrag dat je afkeurt en het kind. Je zegt niet: ‘Je bent niet lief’, maar: ‘Slaan met de schep is niet aardig om te doen, want dat doet Jip pijn en nu huilt ze.’

3.5.6 Gesprek voeren Het voeren van een gesprek is een veel toegepast opvoedingsmiddel. Zo’n gesprek kan gaan over gedragsproblemen, maar ook over een algemeen onderwerp als het nut van bepaalde regels. Kies er een rustig moment voor. Met een kind dat zojuist nog woedend was, kun je beter niet direct een gesprek voeren. Door eerst emotioneel wat afstand te nemen voorkom je dat de emoties bij het kind weer oplaaien. Wanneer een kind zich nog erg boos voelt, staat het niet of nauwelijks open voor wat je te zeggen hebt. Luister naar elkaar en geef het kind de tijd en de ruimte om gedachten en gevoelens te verwoorden. Zo leren kinderen om hun eigen mening te vormen.

In dit voorbeeld zie je dat Sally veel aandacht krijgt door zich niet aan de regels te houden. In deze en soortgelijke situaties helpt het meestal wanneer je het gedrag consequent een poos negeert. Uiteindelijk leert het kind dan dat het geen aandacht krijgt met negatief gedrag. Je geeft wel heel bewust aandacht op de momenten dat je positief gedrag ziet. Aandachtspunten bij gedrag negeren • Het negeren van ongewenst gedrag is niet gemakkelijk omdat het gedrag eerst zal verergeren. Blijf rustig volhouden, dan zal het gedrag daarna verdwijnen. • Zodra het kind stopt en iets anders gaat doen, geef je hier aandacht aan en wanneer mogelijk een kort compliment.

3.5.5 Gedrag afkeuren Een volle beker drinken op de grond gooien, een ander kind bijten of speelgoed afpakken. Kinderen gedragen zich soms op een manier die jij als opvoeder afkeurt. Gedrag afkeuren wil zeggen dat je het verkeerd vindt wat iemand doet. Dit laat je merken door bijvoorbeeld boos te kijken. Je stem klinkt boos en je fronst je wenkbrauwen. Vertel kort en duidelijk wat je boodschap is. Bij jonge kinderen ga je hierbij op gelijke hoogte van het kind zitten, zodat jullie elkaar kunnen aankijken. Bij een kind tot een jaar of twee is de volgende boodschap voldoende: ‘Onno, nee!’ Vanaf een jaar of twee leg je uit waarom iets niet mag. Gebruik daarbij woorden die het kind begrijpt. Benoem specifiek het gedrag van het kind en wat dit tot gevolg heeft en richt je niet op het kind zelf. Zo voorkom je dat het kind zichzelf als niet lief ervaart.

Figuur 3.7  Kies een rustig moment voor het voeren van

een gesprek  © Tilburg,NL - anke Gielen

Voorbeeld Leidster: ‘Ik zie dat het moeilijk voor je is om rustig te blijven zitten tijdens het eten aan tafel. Wat zou een klein stapje kunnen zijn, zodat dat beter gaat?’ Het kind denkt even na en zegt dan: ‘Niet wiebelen.’ Leidster: ‘Heel goed. Dan begin je hier de volgende maaltijd mee.’ Aandachtspunten bij gesprek voeren • Luister naar het kind. Schenk daarbij vooral aandacht aan het gevoel van een kind. Vaak stopt het gedrag alleen al omdat er aandacht is voor het gevoel: ‘Ik zie dat je boos bent.’

Aandachtspunten bij gedrag afkeuren • Praat in de ik-vorm. Bijvoorbeeld: ‘Ik wil niet dat jij je beker op de grond gooit, want dan wordt het kleed nat.’ 34


Opvoeden en begeleiden

• • •

•

Geef niet direct een antwoord of een oplossing. Vraag of het kind zelf oplossingen kan bedenken. Vermijd de ‘waarom-vraag’. Sluit het gesprek altijd af met een afspraak. Hoe ga je hiermee verder? Wat ga je ermee doen?

3

Na een time-out volgt altijd een gesprek waarin je even terugkijkt: ‘Wat gebeurde er?’ en vooruitkijkt: ‘Wat kun je een volgende keer doen?’

3.5.8 Straffen Het geven van straf is een opvoedingsmiddel dat je beperkt en zorgvuldig toepast. Het effect op het gedrag is maar tijdelijk en kan ook vervelende gevolgen hebben, zoals boosheid die zich richt op jou of op andere kinderen. Straf is niet goed voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Een kind doet iets niet meer, omdat het er straf voor krijgt. Het zal alleen gewenst gedrag laten zien in de aanwezigheid van de opvoeder, maar niet omdat het kind zelf zich positief wil gedragen. Probeer straf te vermijden, bijvoorbeeld door kinderen zelf te laten nadenken over een oplossing.

3.5.7 Time-out Met storend gedrag, zoals gillen en gek doen, krijgen kinderen aandacht. Ook al is die aandacht negatief, toch kan die als een versterker werken. Een time-out kan bij jonge kinderen helpen. Het kind krijgt even geen aandacht, ook geen negatieve. Het doel van een time-out is om ongewenst gedrag te verminderen door een kind tijdelijk uit te sluiten van een activiteit en van aandacht. Een time-out gebruik je bewust als pedagogisch middel om het gedrag te beïnvloeden. Omdat het kind dit als straf kan ervaren is het nodig dat je duidelijk maakt wanneer een time-out plaatsvindt, hoe lang die duurt en welke actie erop volgt. De groepsleiding kan kiezen voor een vaste plek waar een kind even afgezonderd van de anderen tot rust kan komen, bijvoorbeeld een apart tafeltje. Daarna kijk je samen met het kind terug op de situatie en bespreek je hoe het anders had kunnen handelen. Het is natuurlijk altijd beter om storend gedrag op te lossen of te voorkomen zonder dat je tot een time-out hoeft over te gaan. Soms helpt het al om anders naar een kind te kijken. Je hebt het dan in plaats van time-out over time-with. Dat betekent dat je een kind persoonlijke aandacht geeft om te ontdekken wat er aan de hand is en hoe je dit samen met het kind kunt oplossen. Aan een kind dat een ander kind meteen een klap geeft omdat die zijn kleurpotloden afpakt, kun je bijvoorbeeld vragen: ‘Wat zou je kunnen doen of kunnen zeggen als iemand iets van jou afpakt?’

Voorbeeld Als Rick tussen de middag zijn lokaal binnenkomt, weet hij niet wat hij ziet. Tijdens het overblijven hebben een paar kinderen binnen met een bal gespeeld. Daardoor zijn enkele waslijnen vol tekeningen naar beneden gekomen en die hebben in hun val een vaas met droogbloemen meegenomen. Rick bekijkt de ravage en zegt dan rustig: ‘In deze rommel kan ik de les niet beginnen. Maken jullie met elkaar alles zo snel mogelijk weer in orde? Ik ben over vijf minuten weer terug.’ Soms ontkom je er niet aan om te straffen. Dan is het belangrijk om op de juiste manier straf te geven en er op een later moment met het kind over te praten. Probeer altijd een straf te kiezen waar het kind iets van leert en die stimuleert om ander gedrag te laten zien. Echt straffen is vaak niet nodig. Met lichaamstaal kun je al veel duidelijk maken. Jonge kinderen kijken je vaak aan op het moment dat ze een grens overgaan met een blik van: vind je het goed wat ik doe of keur je het af? Even nee schudden is dan vaak al voldoende. Ook bij oudere kinderen werkt lichaamstaal. Met de manier waarop je kijkt en beweegt of door het opsteken van je hand, kun je duidelijk maken dat je gedrag afkeurt. Een kind

Aandachtspunten bij een time-out • Probeer een time-out te voorkomen door time-with. • Een time-out duurt kort: 1 minuut per levensjaar is het advies en er is altijd toezicht bij. 35


3

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

even helpen herinneren aan de afspraken is ook vaak voldoende en maakt straffen overbodig. Maak duidelijk wat niet mag, maar laat vooral weten wat wel de bedoeling is. Zeg welk gedrag je verwacht en geef bevestiging als het gewenst gedrag laat zien: ‘Ik ben blij dat je sorry zegt, dat is een eerste stap. Nu kun je nadenken over een oplossing.’ Aandachtspunten bij straffen • Pas straf alleen toe als iets anders niet meer werkt. • De straf moet passen bij de leeftijd van het kind. • Een straf moet redelijk zijn en in verhouding staan tot wat mis is gegaan. Bijvoorbeeld, je laat kinderen zelf de rommel opruimen of iets repareren wat kapot is gemaakt. • Geef de straf zo snel mogelijk na het ongewenste gedrag. • Straf het gedrag, maar wijs het kind niet af als persoon. • Leg uit waarvoor het kind straf krijgt en welk gedrag wel gewenst is. • Straf duurt niet te lang. • Herstel het contact met het kind na de straf. • Als je een kind vaak moet straffen, is er meer aan de hand. Zoek dan uit hoe dat komt.

36


Opvoeden en begeleiden

3

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 De vraag ‘Wat riep het voor emoties bij je op?’ is een voorbeeld van reflecteren.

◯

◯

2 Je hebt als pedagogisch werker ook je eigen opvoedingsstijl.

◯

◯

3 Er zijn grofweg drie verschillende opvoedingsstijlen.

◯

◯

4 Wie een kind altijd zijn zin geeft, hanteert een toegeeflijke opvoedingsstijl.

◯

◯

5 De democratische opvoedingsstijl stimuleert het vertrouwen en de zelfstandigheid van het kind.

◯

◯

6 Een voordeel van de verwaarlozende opvoedingsstijl is dat het kind weet wat van hem wordt verwacht.

◯

◯

7 Bij de keuze van een opvoedingsmiddel houd je rekening met het doel dat je nastreeft.

◯

◯

8 Een compliment is een voorbeeld van een opvoedingsmiddel.

◯

◯

9 Uit niets doen kan ook je goedkeuring blijken.

◯

◯

10 Gedrag negeren is een opvoedingsmiddel dat meteen resultaat oplevert.

◯

◯

37


PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

4

Opvoeden van kinderen en pubers 4 LEERDOELEN

• • • •

Je kunt toelichten wat de aandachtspunten zijn bij de begeleiding van baby’s. Je kunt toelichten wat de aandachtspunten zijn bij de begeleiding van peuters. Je kunt toelichten wat de aandachtspunten zijn bij de begeleiding van kleuters en schoolkinderen. Je kunt toelichten wat de aandachtspunten zijn bij de begeleiding van pubers.

Als pedagogisch werker krijg je te maken met kinderen in verschillende fases van hun leven, van een peuter in het kinderdagverblijf tot een puber in de naschoolse opvang of op het vmbo. Bij elke leeftijdsgroep zal de aanpak en begeleiding van jou weer anders zijn. Je hebt daarbij niet genoeg aan je alledaagse mensenkennis. Je hebt een professionele beroepshouding nodig en inzicht in de verschillende ontwikkelingsfases van kinderen.

Communicatie Een heel kleine baby kun je nog niet echt opvoeden, maar je kunt al wel uitgebreid met een baby communiceren. Een baby geniet van het warme, lichamelijke contact zoals bij het voeden. Jonge baby’s van twee tot drie maanden oud lachen al voor het eerst naar vertrouwde gezichten. De baby herkent je! Er komt steeds meer interactie op gang tussen jou en de baby. Dat wil zeggen, jij reageert op wat de baby doet en de baby reageert op wat jij doet.

4.1 Baby's

Voorbeelden • Een baby huilt. Je pakt de baby op. Je maakt sussende geluidjes en de baby stopt meteen met huilen. • Een baby wrijft in haar oogjes en je weet: ze heeft slaap, ik breng haar naar bed. • Je speelt kiekeboe door een doekje voor je gezicht te houden en de baby schatert van de lach.

Een baby heeft vooral behoefte aan warmte, veiligheid, rust, regelmaat en verzorging. Elk kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. De een vindt het heerlijk om vermaakt te worden, de ander slaapt veel en heeft niet zo’n behoefte aan afleiding. De begeleiding van baby’s komt vooral neer op de zorg voor eten, drinken en verschonen. Voor zijn verzorging is een baby helemaal afhankelijk van de volwassenen om hem heen. Een baby kan zich niet ontwikkelen zonder de zorg en aandacht van anderen. De begeleiding gebeurt in nauwe samenwerking met de ouders. Je stemt de zorg voor elke baby dan ook zo goed mogelijk af op de wensen van zijn verzorgers.

Maak er een gewoonte van om tijdens de verzorging te praten tegen een baby. Dat is goed voor zijn taalontwikkeling en geeft vertrouwen en rust. Een baby van zo’n zes maanden begint op zijn manier ook al te praten. Dat ‘brabbelen’ is een vorm van terugpraten. Het kind probeert te imiteren wat het heeft gehoord. Ga daarom altijd in op de reacties van een baby. Zo geef je het kind het gevoel dat je luistert. Daar groeit het zelfvertrouwen van. 38


Opvoeden van kinderen en pubers

4

4.2 Peuters

Een baby met honger of pijn probeert iets te zeggen door te huilen. Andere mogelijkheden tot communiceren heeft een baby nog niet. Een baby huilt niet voor niets, dus ga altijd even kijken. Er is niet altijd iets aan de hand. Huilen kan een baby helpen om in slaap te komen. Het is dan niet nodig om een baby uit zijn bedje te halen. Bij een baby die je wat beter kent, herken je meestal wel wat het soort huilen betekent. Je kunt er dan op reageren door de baby wel uit bed te halen en even te sussen als het bijvoorbeeld last van krampjes heeft. Aandachtspunten bij baby’s • Baby’s hebben behoefte aan contact en aandacht. • Zorg voor structuur en rust. • Zorg voor veiligheid en laat een baby nooit alleen op de commode. • Zorg voor een goed contact met de ouders.

Een peuter is een kind tussen de anderhalf en vier jaar. Zodra een kindje begint te kruipen en van alles gaat ontdekken, begint de opvoeding. Al kruipend komt de peuter een wipstoeltje tegen met een baby erin. En wat is er dan leuker om het stoeltje heel hard op en neer te duwen? Als pedagogisch werker reageer je daarop met een duidelijk: ‘Nee, dat mag niet. Straks valt de baby eruit.’ De begeleiding van een peuter vraagt veel geduld. Het liefst kruipt een peuter overal op en in, en komt hij overal aan. Op die manier ontdekt een kind de wereld. Dat gaat ook met tegenslagen: met je vingers tussen de deur doet pijn, een mes is scherp en als je op een kruk klimt, kan die omvallen. Zorg ervoor dat een peuter niet overal bij kan, dan hoef je ook minder te verbieden. Als een kind steeds hoort: ‘Niet doen’ en ‘Pas op’, dan raakt het geprikkeld. Omdat een peuter leert door van alles uit te proberen, moet er wel genoeg uitdaging zijn. Zet eens een grote kartonnen doos neer om mee te spelen, of leg een kleed over een tafel om er een tent van te kunnen maken. In het kindercentrum leert het kind andere kinderen kennen. Een peuter moet nog leren delen en samen leren spelen. Natuurlijk gaat dat niet vanzelf. Jouw taak daarbij is begeleiden en bemiddelen.

De vier R’s In de verzorging van de baby is lange tijd tegen ouders gezegd dat ze zich moesten houden aan de drie R’s: rust, reinheid en regelmaat. Tegenwoordig is er vaker sprake van ‘de vier R’s’ in het kindercentrum. Relatie Zorg ervoor dat je aandacht hebt voor wat de baby nodig heeft en dat je daarop reageert. Bij alles wat je doet, staat het contact met de baby centraal.

Afspraken en regels Houd er rekening mee dat een peuter vaak iets zal doen wat niet mag. Hij moet namelijk nog leren wat wel en wat niet mag. Het kind begrijpt al wel steeds meer, maar kan nog niet alles onthouden. Peuters begrijpen nog niet dat als iets de ene keer niet mag, dit ook geldt voor alle volgende keren. Voorbeeld: na een paar keer waarschuwen begrijpt Jaimie (2) heel goed dat hij niet met pindakaas mag tekenen op tafel. Toch doet hij het de volgende dag gewoon weer. Een peuter snapt ook nog niet goed dat iets in situatie 1 wel mag, maar niet mag in situatie 2, zoals in het volgende voorbeeld.

Rust Een rustige omgeving is goed voor baby’s. Voorkom dat ze veel prikkels krijgen. Regelmaat Baby’s houden van herhaling. Ze groeien en ontwikkelen zich pas goed in een voorspelbare en vertrouwde omgeving. Zorg ervoor dat ze weten waar ze aan toe zijn. Ruimte De baby’s hebben een veilige ruimte nodig zoals een speelmat om te liggen en op te spelen. Ze slapen in een wiegje of eigen bedje. 39


4

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Voorbeeld Ruben (3) heeft net geleerd te knippen met een schaar. Knip, knip en weer een velletje papier in kleine stukjes. Vrolijk loopt hij rond: knippen is leuk! Gezellig babbelt hij aan één stuk door ‘Deze nog… enne… nog een… enne deze nog.’ Dan vallen plotseling alle strips van de luxaflex op de grond. Het is een heel kabaal. Zijn leidster kijkt verschrikt op. Wat is daar gebeurd? Ook Ruben kijkt trots. Met het schaartje nog in zijn hand wijst hij: ‘Kijk! Ruben alle touwtjes knipt!’

Figuur 4.1  Peuter in de koppigheidsfase  © Tilburg,NL - Anke Gielen

Zorg voor duidelijke regels en afspraken en herhaal ze op een rustige manier. Een peuter wil weten waar hij aan toe is en moet nog veel nieuwe dingen leren. En geef het goede voorbeeld. Doe voor wat je precies bedoelt met ‘netjes eten’ of ‘recht zitten op een stoel’ en ‘vriendelijk iets vragen’. Voor een jong kind is het moeilijk onder woorden te brengen wat hij wil of waar hij mee zit. Probeer daarom oog te hebben voor de signalen van het kind. Dat wil zeggen: alles wat een kind laat zien in woorden, gebaren, spel, houding en gezichtsuitdrukking. Zelfs als een kind lekker zit te spelen in een hoekje geeft hij een signaal: ‘Ik heb het naar mijn zin.’ Het is jammer als de groepsleiding pas reageert op grote signalen als huilen, roepen, slaan of gooien met speelgoed. Vaak heeft een kind dan al eerder laten merken dat het niet goed ging.

Voorbeeld Pedagogisch werker Ayoub weet dat Sam (3) een hekel heeft aan opruimen. Hij zegt tegen Sam: ‘Zeg vriend, je mag kiezen. Wat wil je liever, helpen met het opruimen van de puzzel of de blokken?’ Er verschijnt een denkrimpeltje in het voorhoofd van Sam. Dan roept hij uit: ‘De blokken!’ Zelf doen Peuters hebben een grote drang om zelf dingen te doen. Dat hoort bij een normale ontwikkeling: zelf doen is een eerste stap naar zelfstandigheid. De meeste peuters vinden karweitjes leuk. Ze voelen zich groot als ze mogen helpen. Peuters kunnen bijvoorbeeld al heel goed helpen met opruimen na een activiteit. Zorg wel dat de opdracht klein en onoverzichtelijk is. Help mee zodat duidelijk is wat de bedoeling is en geef een peuter voldoende tijd om op te ruimen.

Koppigheid De peuter bevindt zich vanaf ongeveer anderhalf jaar tot een jaar of drie, vier in de koppigheidsfase. Je spreekt ook wel van de ‘peuterpuberteit’. Hij ontdekt zijn eigen willetje en merkt hoe leuk het is om ‘nee’ te zeggen. Dit is een belangrijke fase in zijn ontwikkeling. Het overtreden van regels hoort er op deze leeftijd gewoon bij. Ga liever geen machtsstrijd aan door boos te zeggen: ‘Ik wil dat je nu opruimt!’ Geef een peuter liever de kans te kiezen uit twee mogelijkheden.

Niet meteen ingrijpen Kinderen op deze leeftijd kunnen nog niet alles. Daar zijn ze lichamelijk nog niet aan toe en ook de ontwikkeling van hun hersenen is nog niet zover dat ze de gevolgen van hun handelen kunnen overzien. Krijgt een peuter iets niet voor elkaar, grijp dan niet direct in. Wacht even af en kijk of het kind zelf een oplossing vindt en help hem er zo nodig bij. Kinderen leren namelijk het meest door zelf te experimenteren. Het geeft voldoening als ze zelf iets hebben volbracht. Let wel op, want peuters zijn soms snel van slag als iets niet gaat zoals zij willen of als iets niet lukt. Ze kunnen dan gaan gillen, krijsen en stampvoe40


Opvoeden van kinderen en pubers

ten, dus laat ze ook weer niet te lang aan hun lot over. Driftbuien van een peuter hebben meestal te maken met onmacht.

4

kunnen al beter samenwerken en spelen graag in een groep. Let vooral op het kind dat in de groep niet opvalt, maar zich terugtrekt. Vaak is er wat meer aan de hand. Het kind is bijvoorbeeld bang of verlegen. Of er zijn thuis problemen, zoals een scheiding. Geef zo’n kind wat extra aandacht en probeer het erbij te betrekken. Schakel het kind eens in bij kleine klusjes die het samen met jou en een ander kind doet, bijvoorbeeld samen de kast opruimen of koffie voor de juf halen. Tijdens dit soort praktische bezigheden kan een vertrouwensrelatie groeien. Pesten komt bij schoolkinderen nogal eens voor. Het is goed daar bij groepen op te letten en in te grijpen als dat nodig is.

Aandachtspunten bij peuters • Wees geduldig. Peuters kunnen nog niet alles begrijpen en onthouden. • Verbied niet meer dan nodig is. • Let op gevaar. Kinderen op deze leeftijd overzien nog niet de gevolgen van hun handelen en gedrag. • Peuters kunnen al goed meehelpen. Geef ze een taak bij het opruimen. • Zorg voor duidelijke afspraken en regels.

4.3 Kleuters en school­ kinderen

Afspraken en regels Schoolkinderen zijn nog volop bezig de grenzen te verkennen van wat kan en niet kan. Zorg er dus voor dat de regels duidelijk zijn en laat kinderen zelf meedenken bij het bepalen van de regels. Regels zorgen voor veiligheid en rust. Grenzen stellen is nodig. Durf op te treden als een kind de regels overtreedt. Als kinderen zich niet aan afspraken houden, heeft dat consequenties. Dat geldt voor een 4-jarige, maar ook voor een 11-jarige. Leren om je te houden aan regels en afspraken hoort bij de opvoeding. Hoe de grenzen eruitzien, hangt af van de leeftijd van de kinderen, maar ook van de omstandigheden. Er zijn verschillen tussen de regels thuis, op school en in de buitenschoolse opvang. Met kinderen heb je formele en informele afspraken. Formele afspraken liggen vast op papier. Informele afspraken zijn vanzelfsprekendheden die in de praktijk ontstaan. Ze gaan over: • de manier van omgaan met elkaar; • het gebruik van de ruimten; • de manier van omgaan met materiaal; • buitenspelen; • eten en drinken; • de dagindeling; • de taken van de kinderen.

4.3.1 Kleuters Vergeleken met een peuter is een kleuter al veel zelfstandiger. Kleuters kunnen al veel zelf, zoals tandenpoetsen, aankleden en veters strikken. Ze begrijpen beter waarom iets niet mag en kunnen de regels al beter begrijpen. Maar een kleuter kan zich nog niet goed verplaatsen in de ander. Ruzie op deze leeftijd heeft vaak de functie van oefenen in het oplossen van een conflict. Grijp daarom niet te snel in. Vaak hebben kleuters zelf al een goed idee als je ze vraagt hoe ze een meningsverschil denken op te lossen: ‘Dan mag jij eerst de grote kar en daarna ik.’ Aandachtspunten bij kleuters • Kleuters leren nog veel door nadoen. Geef het goede voorbeeld en doe voor wat je bedoelt. • Kinderen op deze leeftijd kunnen nog niet veel uitleg aan. Houd het kort en wees duidelijk in wat je van ze wilt.

4.3.2 Schoolkinderen Kinderen vanaf zes jaar lijken misschien al groot, maar hebben nog veel behoefte aan aandacht en contact. Een schoolkind moet nog zelfvertrouwen opbouwen en kan zich onzeker voelen. Ze 41


4

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

Voorbeeld In de casus aan het begin van dit hoofdstuk reageerde Asli in eerste instantie boos op Wout. In een persoonlijk gesprek met hem komt ze daar later op terug. Ze maakt duidelijk waarom hij een grens heeft overtreden door zich niet te houden aan de afspraak. Ze laat Wout de gebeurtenis vanuit haar standpunt zien. Zij is verantwoordelijk voor de veiligheid van hem en Wout was nergens meer te bekennen. Maar eerlijk is eerlijk, Wout heeft het knap gedaan. Hij heeft goed uitgekeken bij de drukke weg, is zonder omwegen naar de opvang gelopen en is veilig aangekomen. Dat complimentje sterkt hem in zijn zelfvertrouwen. Asli erkent Wout in zijn wens zelf naar de bso te mogen lopen. Samen bedenken ze verschillende mogelijkheden. De uitkomst is dat Wout tot het einde van het schooljaar, dat nog maar een maand duurt, met het groepje mee blijft lopen. Maar hij krijgt een grotere verantwoordelijkheid. Hij helpt mee op de kleintjes te letten. Bij de drukke weg mag hij aangeven wanneer ze veilig kunnen oversteken. Zo kan hij oefenen en laten zien dat hij de verkeerssituatie goed kan inschatten. Voor het nieuwe schooljaar begint, zal Asli een afspraak plannen voor een gesprek met Wout en zijn ouders.

Waarom is de regel er? Wat vinden de kinderen van de regel? Waarom is het zo moeilijk om zich aan de regel te houden? Kan het ook zonder die regel? Nieuwe regels kunnen de oplossing zijn voor steeds terugkerende conflicten. Aandachtspunten bij schoolkinderen • Geef elk kind persoonlijke aandacht, bijvoorbeeld bij het binnenkomen. • Volg een kind de eerste periode in de groep extra goed. Maakt het contact met de andere kinderen? Heeft het kind het naar zijn zin? • Laat merken dat je het kind serieus neemt. • Laat zien dat je echt luistert naar het kind. Dat je echt belangstelling hebt voor hoe het zich voelt en dat je ook iets met het antwoord doet. • Houd rekening met de leeftijd van het kind. Met een 10-jarige praat je op een andere toon dan met een 6-jarige. • Laat de groep merken dat je er altijd voor ze bent als dat nodig is. • Geef kinderen verantwoordelijkheden.

Voorbeeld Onderwijsassistent Nikki staat bij de deur als de kinderen van groep 8 ’s morgens binnenkomen. Aan elk kind besteedt ze even aandacht: • Wat zie ik nou: een nieuwe bril! • Hoe was het bij de tandarts? • Fijn dat je er weer bent. Weer helemaal opgeknapt? • Heb je een fijne dag gehad op de verjaardag van je moeder? • Hoe is de wedstrijd afgelopen die je zaterdag moest spelen?

Je kunt bij schoolkinderen regels heel goed tot onderwerp van inspraak maken. Dat wil niet zeggen dat je steeds met de kinderen in onderhandeling gaat en dat je alle regels steeds ter discussie stelt. Aan het begin van een nieuw schooljaar of bij een nieuwe groep kun je samen met de groep regels maken en zichtbaar ophangen. Als kinderen zelf inspraak hebben bij het opstellen van regels, gaan ze gemakkelijker met die regels om. Stel vragen, bijvoorbeeld: ‘Als jij de baas van de bso bent, wat zou je dan veranderen?’ Of: ‘Met welke regels in de klas ben je het wel en met welke niet eens?’ Maak niet meer regels en afspraken dan noodzakelijk. Als kinderen regels als zinvol ervaren, voelen ze die niet als een belemmering. Regels zijn alleen zinvol als ze in de praktijk een functie hebben. Als kinderen een regel vaak overtreden, is er iets mis mee. Het is dan tijd voor overleg.

Figuur 4.2  Samen lol maken in de groep

42


Opvoeden van kinderen en pubers

Kinderen van vier tot zes jaar noemen we kleuters, van zes tot twaalf jaar schoolkinderen. Vanaf hun vierde verjaardag mogen kinderen naar school. Vanaf vijf jaar geldt er leerplicht. In groep 1 worden zij vaak jongste kleuters en in groep 2 oudste kleuters genoemd. De kleuter ontwikkelt zich van een spelend kind tot een kind dat klaar is om te leren op de basisschool. Kleuters hebben nog veel sturing en begeleiding nodig. Een ouder schoolkind kan al meer verantwoordelijkheid aan.

4

vriendje of vriendinnetje te hebben dat hetzelfde gevoel heeft om samen dingen uit te proberen. Ik houd van wilde dingen, zoals voetballen, hardrock, skaten en dansen. Ook houd ik erg van boeken, vooral van griezelboeken.’ Op weg naar volwassenheid Nog veel meer dan kinderen in het basisonderwijs hebben pubers hun eigen leven, maar volwassen zijn ze nog niet. Vriendschappelijke relaties met leeftijdgenoten zijn belangrijk, maar ze hebben ook behoefte aan een band met een vertrouwde volwassene die hen begrijpt, die oprechte persoonlijke aandacht geeft en die respectvol met hen omgaat. Veel kinderen gedragen zich op deze leeftijd al heel verantwoordelijk en zelfstandig, en weten zelf wat goed voor hen is. Maar dat geldt niet voor alle jongeren. Je komt in je werk ook pubers tegen met een problematische achtergrond. Zij hebben zich misschien vaak afgewezen gevoeld. Dat maakt het opbouwen van een relatie lastig. Zo’n jongere neemt niet meer het risico van een volgende afwijzing. Uit zelfbescherming zullen zij toenadering van jouw kant misschien afwijzen of negeren. Daar moet je doorheen proberen te kijken. De jongere bouwt een scherm om zich heen om nieuwe teleurstelling te voorkomen. Juist deze pubers hebben liefdevolle aandacht van een volwassene hard nodig. Op hun weg naar volwassenheid moeten kinderen zich losmaken van hun ouders en de zorg en begeleiding van andere volwassenen. Dat hoort bij hun normale ontwikkeling. Zij willen graag zelf de regie hebben en eigen keuzes maken. Voor het losmaken is het noodzakelijk dat je pubers voldoende zelfstandigheid geeft, maar het is zeker niet de bedoeling een jongere alle ruimte te geven. Dan laat je hem te veel los. Een puber zal deze houding kunnen zien als onverschilligheid. Wel zul je hem stap voor stap meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheden geven.

4.4 Pubers Van pubers spreek je bij kinderen in de leeftijd van twaalf tot zeventien jaar. Pubers lijken zelfstandig en mondig, maar hebben nog steeds begeleiding nodig. Een puber stelt zaken ter discussie en volgt niet zomaar op wat je van hem vraagt. Dat heeft niets te maken met lastig zijn, maar is een vorm van nieuwsgierigheid. Het is hun manier van leren. Voor jou als opvoeder is het een uitdaging om hen daarin aan te moedigen. Puberteit De puberteit die begint aan het eind van de schoolperiode, is de fase van kind naar volwassenheid en vaak een periode van onzekerheid. Er zijn allerlei lichamelijke veranderingen bij pubers en de overstap naar de middelbare school kan spannend voor ze zijn. Kinderen kunnen een schouderklopje, een knipoog of een compliment in deze periode meestal goed gebruiken. Hun onzekerheid uit zich misschien in een grote mond of ander ongewenst gedrag. Bedenk dat zo’n uitval niet persoonlijk is bedoeld. Probeer moeilijk gedrag te begrijpen. Door een rustig gesprek kom je soms te weten wat de oorzaak is. Pubers kunnen zich eenzaam en onbegrepen voelen. Voorbeeld Annerieke van 11: ‘Ik voel mezelf eenzaam omdat ik geen vrienden en vriendinnen heb. Ik vind mezelf saai en zou graag eens andere kleren aan hebben, maar ik weet niet wat ik dan aan moet trekken. Ook vind ik het moeilijk om mijn haar anders te doen, op een leuke manier. Het zou zo fijn zijn om een

Experimenteren Samenhangend met het proces van losmaken, experimenteren jongeren vaak met nieuwe uit43


4

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

dagingen, zoals roken, drugs, drank en seks. Uit eigen ervaring weet je waarschijnlijk dat het verbieden van risicovol gedrag weinig zin heeft. Een jongere wil nu eenmaal sommige dingen uitproberen. Welke volwassene heeft nooit een sigaret gerookt? Verbieden leidt ertoe dat ze het stiekem doen. Het nadeel is ook dat een jongere zijn ervaringen dan niet meer met de opvoeder deelt. Die heeft er daardoor nog minder controle over. Het is beter om als opvoeder in gesprek te blijven met pubers en de gevolgen van een bepaalde gedragskeuze te bespreken. Bespreek met ze wat de gevolgen van roken zijn en van seks zonder condoom.

minder streng dan op school en de jongeren trekken hun eigen plan. Even de stad in om een cadeautje te kopen is geen probleem, als je het maar meldt, en vrienden mogen meekomen. Afspraken en regels Omdat pubers nog druk bezig zijn met het verkennen van grenzen, moet duidelijk zijn waar die grenzen liggen. Besteed aandacht aan het uitleggen van de regels of stel ze samen op. Voor elke regel geldt dat duidelijk moet zijn wat het gevolg is als een jongere zich er niet aan houdt. Zonder directe gevolgen van het overtreden van regels, heeft het stellen van regels in feite geen zin. Als iemand zich niet aan een regel houdt, dan spreek je de puber aan op zijn gedrag. Negeer je het als pubers de regels overtreden, dan zullen zij dit zien als onverschilligheid. Kennelijk vind je het niet de moeite waard om er iets van te zeggen.

‘De jeugd van tegenwoordig heeft een sterke hang naar luxe, heeft slechte manieren, minachting voor het gezag en geen respect voor ouderen. Ze geven de voorkeur aan kletspraatjes in plaats van te werken. Jonge mensen staan niet meer op als een oudere de kamer binnenkomt. Zij spreken hun ouders tegen, houden niet hun mond in gezelschap en tiranniseren hun leraren.’ Citaat van de Griekse filosoof Socrates, 5e eeuw voor Christus

Aandachtspunten bij pubers • Wees duidelijk en consequent. Daarmee ben je voorspelbaar en weet de jongere waar hij aan toe is. • Besteed nadrukkelijk aandacht aan positief gedrag: zoek de succesjes en zeg wat je goed vindt gaan. • Geef pubers vertrouwen. Betrek ze bij plannen en activiteiten. Laat ze meedenken en geef ze een taak. • Neem pubers serieus. Blijf altijd met ze in gesprek. Luister naar hun verhaal zonder te oordelen. • Behandel pubers met respect. Maar maak ook duidelijk dat ze jou met respect moeten behandelen. • Treed op tegen ongewenst gedrag, maar niet tegen de persoon. • Wees oprecht geïnteresseerd. Luister aandachtig naar wat een jongere je vertelt en stel vragen.

Laat merken dat je echte belangstelling hebt voor wat bij ze leeft. Verdiep je in hun wereld. Naar welke muziek luisteren ze graag, welke games spelen ze, waar zijn ze goed in, wat zijn hun dromen? Let er wel op dat jongeren een belangstellende opmerking of vraag kunnen zien als bemoeizucht. Hun problemen houden ze liever voor zichzelf of bespreken ze met hun vrienden. Niet alle pubers zijn praters, samen iets doen zoals een potje voetbal of samen een filmpje kijken, helpt ook bij het maken van contact. Let op de lichaamstaal van pubers, want daarmee zeggen ze vaak meer dan met gesproken taal. Voorbeeld Tienercentrum De Klimop heeft een kleine gymzaal en buiten een skateboardplek. De inrichting van de ruimte is ‘tienerproof’ en er staat een poolbiljart en tafeltennistafel. In de vakantie staan een workshop circus, een introductieles judo en windsurfen op het programma. De regels zijn 44


Opvoeden van kinderen en pubers

Figuur 4.3  Jongeren willen graag dingen uitproberen  © David Rozing

45

4


4

PEK MODULE 1 Opvoeden en pedagogiek

B EGR IJP JE D E THEORIE? Geef bij iedere stelling aan of deze juist of onjuist is. Juist

Onjuist

1 Alle baby’s ontwikkelen zich op dezelfde manier en in hetzelfde tempo.

◯

◯

2 Een baby kan ook zonder woorden veel zeggen.

◯

◯

3 Grijp altijd meteen in als een peuter iets doet dat te moeilijk is.

◯

◯

4 De koppigheidsfase duurt ongeveer een jaar.

◯

◯

5 Een kleuter kan zich al goed verplaatsen in de ander.

◯

◯

6 Kleuters leren vooral door iets aan ze uit te leggen.

◯

◯

7 Een ouder schoolkind heeft meer sturing nodig dan een kleuter.

◯

◯

8 Voor schoolkinderen zijn regels alleen zinvol als ze in de praktijk een functie hebben.

◯

◯

9 Pubers zijn kinderen in de leeftijd van tien tot achttien jaar.

◯

◯

10 Zich losmaken van de ouders behoort tot de normale ontwikkeling van de jongere.

◯

◯

A A N D E S L AG M E T J E K E N N I S Ga naar de digitale leeromgeving eDition om aan de slag te gaan met de ­verwerking, praktijksituatie(s), vaardigheden en zelftoets.

46


BEGRIPPEN

Begrippen Module 1 Opvoeden en pedagogiek

Gezag

Wijze van beïnvloeden van personen waarbij sprake is van wederzijdse acceptatie, wederzijds vertrouwen en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Macht

Wijze van beïnvloeden waarbij zo veel druk wordt uitgeoefend dat iemand doet wat een ander wil terwijl die persoon dat zelf niet wil.

Opvoeden

Verzorgen en begeleiden van kinderen en jongeren naar zelfstandigheid, zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid.

Opvoedingsmiddelen

Instrumenten die de opvoeder bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken. Bijvoorbeeld: regels stellen, afleiden, aanmoedigen.

Orthopedagogiek

Wetenschap die zich bezighoudt met de opvoeding van kinderen met een ontwikkelingsstoornis of beperking.

Pedagogiek

Wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert.

Pedagogisch klimaat

Alle omgevingsfactoren samen die bijdragen aan het welbevinden van een kind of jongere waardoor deze zich verder kan ontwikkelen. Ook wel: opvoedingsklimaat.t.

Pedagogische stroming

Theorie over opvoeding, ontwikkeld door een deskundige.

Pedagogische visie

Samenhangend geheel van opvattingen over de opvoeding van kinderen.

Reflecteren

Vermogen om kritisch en op afstand te kijken naar het eigen handelen en naar de effecten daarvan.

47


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Traject Welzijn | Opvoeden en pedagogiek - Module 1 by ThiemeMeulenhoff - Issuu