Skip to main content

Op niveau tweede fase informatieboek

Page 1

Informatieboek havo/vwo

NIVEAU OP

Tweede Fase

Taalvaardigheid Nederlands

tweede editie


NIVEAU OP

Tweede Fase

Taalvaardigheid Nederlands

Informatieboek havo/vwo Paul Merkx, Jacqueline Buhler, Everlien Flier, Jan Hadders, Marjan van Verseveld en Karen Wentzel Eindredactie: Karen Wentzel


Methodeoverzicht

978 9006 11000 5 987 9006 11001 2 987 9006 11002 9 987 9006 11003 6

Tweeboeksarrangement Op niveau tweede fase, Informatieboek havo/vwo Op niveau tweede fase, Verwerkingsboek 4/5 havo Op niveau tweede fase, Verwerkingsboek 4 vwo Op niveau tweede fase, Verwerkingsboek 5/6 vwo

978 9006 11004 3 978 9006 11005 0 978 9006 11006 7

Eénboeksarrangement Op niveau tweede fase, Leerlingboek 4/5 havo Op niveau tweede fase, Leerlingboek 4 vwo Op niveau tweede fase, Leerlingboek 5/6 vwo Methodesite www.opniveau-online.nl Interactieve en actuele opdrachten Uitwerkingen Toetsen Docentenhandleiding

Vormgeving DATBureau, Amsterdam Opmaak PrePressMediaPartners, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling. ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling.

Beeldresearch Verbaal Visuele Communicatie, Velp

Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 088 800 20 15

Omslagfoto James Powell, Amsterdam

ISBN 978 90 06 11000 5 Tweede druk, vierde oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Introductie

Over Op niveau tweede fase Voor je ligt de nieuwe editie van Op niveau tweede fase, een methode taalvaardigheid Nederlands. De methode bestaat uit een Informatieboek, een Verwerkingsboek en een methodesite. De theorie staat in het Informatieboek en de opdrachten staan in het Verwerkingsboek. Op de methodesite www.opniveau-online.nl vind je nog meer opdrachten, de uitwerkingen en achtergrondmateriaal. Dit is het Informatieboek, het naslagwerk van de methode waarin alle theorie is opgenomen. Alles wat je voor het vak Nederlands moet weten, staat in dit boek, voorzien van heldere uitleg en voorbeelden. Alles is zo praktisch mogelijk ingedeeld: er zijn veel overzichten en schema’s opgenomen. Verder vind je in dit boek allerlei taalkwesties waar je – ook buiten het vak Nederlands, in het dagelijks leven – tegenaan loopt. Gebruik dit boek dus als naslagwerk, telkens als je het even niet meer weet of een taalprobleem hebt. Hoe werk je met dit boek? Het Informatieboek bestaat uit dertien onderdelen. Deze onderdelen behandelen de vaardigheden voor het vak Nederlands die je nodig hebt om je schoolexamen en het centraal schriftelijk examen met succes af te ronden. Na deze dertien onderdelen vind je de werkwijzer spelling, de werkwijzer interpunctie en de werkwijzer grammatica. Alle onderdelen zijn opgebouwd uit een aantal informatieblokjes, die genummerd zijn. Bijvoorbeeld: [10] Onderwerp en hoofdgedachte [33] Betoog Zowel in het Informatieboek als in het Verwerkingsboek vind je verwijzingen naar de nummers van de informatieblokjes. Om snel de juiste informatie in dit boek te vinden, kun je gebruikmaken van de volgende twee hulpmiddelen:

• de inhoudsopgave, op pagina 4-7, die de paginanummers van alle onderdelen en informatieblokjes bevat; • het register, op pagina 196-200, een alfabetische lijst van alle termen en begrippen die in dit boek aan de orde komen, met een verwijzing naar de betreffende pagina(’s). Het Informatieboek geeft veel uitleg in de vorm van voorbeelden. Dit staat er dan duidelijk bij vermeld. Sommige woorden of zinnen zijn fout, bedoeld ter verduidelijking van de stof. Elke fout is herkenbaar aan een asterisk, een *. Als je dus een woord of zin ziet met een asterisk ervoor, dan weet je dat daar een fout in zit. In het boek zie je vaak de ‘hij-vorm’, waar ook ‘zij’ had kunnen staan. Dit kun je lezen als hij/zij, als in algemene zin bedoeld wordt: de schrijver/schrijfster, de lezer/lezeres, enzovoort. Wij hopen dat dit boek je helpt bij al je taalproblemen en dat je er goed mee kunt werken. We wensen je veel succes met het vak Nederlands en veel plezier met deze methode! Paul Merkx Jacqueline Buhler Everlien Flier Jan Hadders Marjan van Verseveld Karen Wentzel

3


Inhoud

A

Teksten indelen [1] Tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen [2] Subjectieve en objectieve teksten [3] Formele en informele teksten

B

8 10 10

Publiekgerichtheid [4] [5] [6] [7] [8] [9]

C [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23]

Overzicht publiekgerichtheid Publiek in kaart brengen Inhoud afstemmen op publiek Tekstvorm afstemmen op publiek Taalgebruik afstemmen op publiek Presentatie afstemmen op publiek

11 13 15 18 20 21

Structureren Hoofdstructuur Onderwerp en hoofdgedachte Hoofdstructuur: drie delen De inleiding Het middenstuk Het slot Tekststructuren Voordelen-en-nadelenstructuur Vroeger-en-nu-structuur en vroeger-nutoekomststructuur Probleem-en-oplossingstructuur Verschijnsel-en-verklaringstructuur Bewering-en-argumentstructuur Verschijnsel-en-besprekingstructuur Functies van tekstgedeelten Titel en tussenkopjes

Substructuur [24] Alinea en kernzin [25] Alineaverbanden en manieren om alinea’s te verbinden [26] Soorten verbanden en signaalwoorden

4

D

22 23 25 27 27 28 28 29 30 31 31 32 32 34

35 36 36

[27] [28] [29] [30] [31] [32]

Tekstsoorten en tekstvormen Informerende teksten Nieuwsbericht en mededeling Verslag Column en weblog Instructie en gebruiksaanwijzing Werkstuk of scriptie Uiteenzetting

40 41 41 42 43 45

Betogende teksten [33] Betoog [34] Recensie

47 48

Beschouwende teksten [35] Beschouwing en essay

50

Activerende teksten [36] Advertentie en advertorial [37] Folder, flyer, brochure en pamflet [38] Oproep

52 53 53

[39] [40] [41] [42] [43] [44] [45] [46] [47]

E [48] [49] [50] [51] [52]

Zakelijke brief Zakelijke brief Brief of e-mail? Opbouw van een zakelijke brief Formele indeling van een zakelijke brief Sollicitatiebrief Curriculum vitae (cv) Ingezonden brief Klachtenbrief Beoordeling zakelijke brief

53 54 55 56 57 60 62 62 64

Teksten schrijven Voorbereiding en schrijfplan Vormgeving Beeld Beoordelen en herschrijven schrijfproduct Schrijfdossier en taalportfolio

65 67 68 71 72


F [53] [54] [55] [56] [57] [58] [59] [60] [61] [62] [63] [64] [65] [66]

G [67] [68] [69] [70] [71] [72] [73] [74] [75] [76] [77]

H [78] [79] [80] [81] [82] [83] [84] [85] [86]

Presenteren en gesprek voeren Tips bij een presentatie Spreekplan Hulpmiddelen bij een presentatie Stemgebruik en non-verbale communicatie Luisteren, aantekeningen maken en vragen stellen Interactie Beoordelen presentatie Commentaar geven en krijgen Zakelijke gesprekken Klachtengesprek Probleemoplossend gesprek Adviesgesprek Sollicitatiegesprek STAR-methode in een sollicitatiegesprek

I 73 75 76 76 77 77 78 79 80 80 82 82 82 83

[87] [88] [89] [90]

J

[91] [92] [93] [94]

Debatstelling Debatvragen Opbouw en beoordeling debat Verslag van debat

84 85 86 88 89 89 90 91 91 93 94

Discussiëren Gesprekstechnieken 95 Keuze discussieonderwerp 96 Meningvormende discussie 97 Probleemoplossende discussie 97 Forumdiscussie 97 Vergadering en overleg 99 Beoordeling forumdiscussie en vergadering 100 Notuleren 101 Discussieverslag 101

Bijzonder taalgebruik Bijzonder taalgebruik en retoriek Beeldspraak Stijlfiguren Bijzondere woordkeus

Onjuiste woordkeus [96] Verkeerd woord [97] Contaminatie [98] Vakterm, abstract of vaag woord (containerwoord) [99] Vreemd woord, barbarisme [100] Modewoord of -uitdrukking, neologisme en archaïsme, plat of grof woord Stijlfouten [101] Storende woordherhaling, foutieve tautologie, foutief pleonasme, dubbele ontkenning [102] Niet-bedoelde dubbelzinnigheid en ambiguïteit [103] Storend figuurlijk taalgebruik [104] Overdrijving

[105] [106] [107] [108] [109] [110] [111]

102 103 104 105

Formuleren: bijzonder taalgebruik en onjuiste formuleringen

Formuleringsfouten [95] Overzicht formuleringsfouten

Argumenteren Stelling, standpunt en argumentatie Objectieve en subjectieve argumenten Soorten argumenten Opbouw van redeneringen Enkelvoudige en meervoudige argumentatie Nevenschikking en onderschikking Argumentatieschema’s Argument en tegenargument Zuiver redeneren Drogredenen Beoordelen van argumentaties

Debatteren

Fouten in zinsbouw Woorden op de verkeerde plaats Woord(en) te weinig; telegramstijl Congruentiefout Gebruik van de lijdende vorm Te weinig afwisseling in zinsbouw en zinslengte; te lange zinnen Tangconstructie Verkeerd aansluitende beknopte bijzin (foutief beknopte bijzin)

106 108 109 110

111

113 114 114 114 115

116 117 117 118

118 118 118 119 119 119 120

5


[112] [113] [114] [115] [116]

Losstaand zinsgedeelte Foutieve samentrekking Foutieve inversie Geen symmetrie Dat/als-constructie

Verwijzingsfouten [117] Verwijsfouten

K

Taalbeschouwing

[118] [119] [120] [121] [122] [123] [124] [125]

Taalconventies Homoniemen, synoniemen en antoniemen Samenstellingen Afleidingen Etymologie Geschiedenis van het Nederlands Groepstalen en dialecten Taalverandering

L

Examentraining

Vragen beantwoorden [126] Meerkeuzevragen en open vragen [127] Citeren en eigen woorden

121 121 122 122 122

122

126 127 127 127 128 128 129 130

M

Informatie zoeken [134] Onderwerp, onderzoeksvragen en hoofd- en deelvragen [135] Brainstormen en vaste vragen stellen [136] Manieren van lezen [137] Informatiebronnen [138] Informatie beoordelen [139] Websites beoordelen [140] Bronvermelding [141] Vraagtechnieken [142] Interview afnemen [143] Interview uitwerken [144] Interview beoordelen [145] EnquĂŞte houden [146] EnquĂŞte uitwerken [147] Aantekeningen maken [148] Informatie samenvatten [149] Gegevens presenteren [150] Documentatiemap

[130] [131] [132] [133]

131 132

Werkwoorden [151] Schema werkwoordsspelling [152] Werkwoorden met een lastige spelling

135 135 136 137

[153] [154] [155] [156] [157]

Zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden Spelling van samenstellingen Meervoud van zelfstandige naamwoorden Verkleinwoorden Bijvoeglijke naamwoorden Woorden met een lastige spelling

Hoofdletter of kleine letter [158] Overzicht hoofdletters [159] Overzicht kleine letters

[160] [161] [162] [163]

6

138 139 140 142 144 147 148 149 149 150 151 151 152 153 154 154 157

Werkwijzer spelling

Woordenschat [128] Tekstbegrip en moeilijke woorden 133 [129] Woorden en uitdrukkingen uit het examen 133 Samenvatten Geleide samenvatting Stappenplan geleide samenvatting Structuurschema Checklist geleide samenvatting

Informatie zoeken, beoordelen en verwerken

Spellingtekens Overzicht apostrof Overzicht trema Overzicht liggend streepje Weglatingsstreepje

159 160

161 163 164 165 166

168 169

170 171 172 173


Overige spellingkwesties [164] Overzicht aaneenschrijven [165] Bijvoeglijk en zelfstandig gebruik van woorden als alle(n), beide(n), deze(n), sommige(n), vele(n) [166] Getallen en cijfers [167] Afkortingen [168] Klemtoonteken en uitspraaktekens [169] Woordafbreking

174

176 176 177 178 179

Werkwijzer interpunctie [170] Interpunctie

180

Werkwijzer grammatica [171] Zinsdelen [172] Woordsoorten [173] Enkelvoudige zinnen en samengestelde zinnen [174] Bijzinnen

187 189 192 193

Register

196

Verantwoording

201

7


A

Teksten indelen

[1] Tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen Tekstdoel Teksten, of ze nou gesproken of geschreven zijn, hebben meestal een doel. Je wilt er iets mee bereiken bij je publiek. Als je schrijft, wil je dat je publiek je tekst leest. Als je spreekt, wil je dat je publiek naar je luistert. Je schrijft of zegt niet zomaar wat, je wilt dat je boodschap doordringt tot de lezer en/of luisteraar. Dit is je tekstdoel. Er zijn de volgende tekstdoelen: 1 informeren (gegevens verstrekken); 2 uiteenzetten (uitleggen hoe iets in elkaar zit); 3 overtuigen (betogen, een pleidooi houden); 4 beschouwen (van verschillende kanten belichten, de lezer laten nadenken); 5 activeren (aansporen tot handelen); 6 amuseren (vermaken).

8

Een tekst kan meer doelen hebben. Zo kun je iemand informeren over een bepaald onderwerp, maar je kunt tegelijkertijd ook iemand proberen te overtuigen van jouw standpunt over dat onderwerp. Het hoofddoel is dan overtuigen. Teksten met meerdere doelen hebben meestal maar één hoofddoel. Tekstsoort Teksten die hoofdzakelijk gegevens verstrekken of uitleggen hoe iets in elkaar zit, zijn informatieve teksten. Teksten die hoofdzakelijk ergens voor pleiten, iemand tot activiteiten aansporen of iemand echt na laten denken, heten opiniërende teksten. Amuserende teksten, zoals verhalen, gedichten en toneelstukken, hebben als doel iemand te vermaken. Informatieve en opiniërende teksten samen noem je ook wel zakelijke teksten. Tekstvorm Een tekstvorm is letterlijk de vorm waarin een tekst gegoten wordt. Het is de manier waarop je informatie presenteert. De tekstvorm die je kiest, is afhankelijk van je tekstdoel en je publiek. Een voorbeeld: je


A Teksten indelen

stuurt een ingezonden brief naar een krant om lezers ergens van te overtuigen. De tekstsoort is dan ‘betogende tekst’, het tekstdoel is ‘overtuigen’ en de tekstvorm een ingezonden brief. Je had met dit doel en publiek ook kunnen kiezen voor de tekstvorm ‘artikel’ in een opiniërend tijdschrift.

Een tekstvorm is niet gekoppeld aan één tekstdoel. Je kunt een artikel bijvoorbeeld gebruiken om je publiek te informeren (informerende tekst), maar ook om je publiek ergens van te overtuigen (overtuigende tekst). Een folder kan als doel hebben informatie te geven, maar ook activeren kan het doel zijn.

Tekstdoel

Uitgangspunt

Tekstsoort

Tekstvorm (voorbeelden)

informeren

opsomming van feiten (objectief)

informerende teksten

• • • • • • •

uitleg geven

feiten en hun samenhang

uiteenzettende teksten (uiteenzettingen)

• overzichts- of achtergrondartikel in krant of tijdschrift • tekst in schoolboek • naslagwerk • zakelijke brief

overtuigen

vooral argumentatie (subjectief)

betogende teksten (betogen)

• commentaar of opiniestuk in krant of tijdschrift • ingezonden brief [45] • recensie [34] • column of weblog

beschouwen

van verschillende kanten belichten; uitleg en argumentatie (deels subjectief, deels objectief)

beschouwende teksten (beschouwingen)

• • • •

achtergrondartikel in krant of tijdschrift ingezonden brief recensie column of weblog

activeren

aanzetten tot een handeling of gedrag; vooral argumentatie (subjectief)

activerende teksten

• • • • •

advertentie, advertorial [36] folder, flyer, brochure, pamflet [37] ingezonden brief sollicitatiebrief [43] recensie

amuseren

amuserende informatie geven (objectief, maar vooral subjectief)

amuserende teksten

• • • •

roman artikel in tijdschrift stripverhaal column of weblog

nieuwsbericht [27] verslag [28] instructie of gebruiksaanwijzing [30] notulen [85] werkstuk [31] zakelijke brief [39] column of weblog [29]

9


A Teksten indelen

[2]

[3]

Subjectieve en objectieve teksten

Formele en informele teksten

In subjectieve teksten komt nadrukkelijk de mening van de schrijver (of spreker) naar voren. Hoewel de schrijver van deze teksten in de eerste plaats wil bereiken dat je je als lezer een mening vormt over een kwestie, kan hij in de tekst ook veel informatie geven over de kwesties die hij behandelt. Objectieve teksten hebben vooral tot doel informatie te verschaffen; ze zijn dus informatief. Ze bevatten hoofdzakelijk controleerbare feiten: de mening van de schrijver (of spreker) komt niet echt naar voren. Toch kunnen deze teksten wel subjectieve elementen bevatten; tussen de regels door merk je soms hoe de schrijver over een bepaald onderwerp denkt. Soms is een auteur of spreker zich er niet eens bewust van dat hij een persoonlijk waardeoordeel uitspreekt in zijn tekst. Je moet altijd proberen te achterhalen wat de intentie van de schrijver of spreker is (wat wil hij bereiken?) en wat zijn opvattingen of gevoelens zijn. Als je die kunt achterhalen, kun je beter beoordelen of de tekst geheel objectief is, of toch gedeeltelijk subjectief. Soms presenteert een schrijver of spreker zijn uitspraken als feitelijke informatie, terwijl het in werkelijkheid gaat om zijn eigen mening. Dit heet schijn­ objectiviteit. Bij schijnobjectiviteit presenteert de schrijver of spreker zijn uitspraak als feitelijke informatie, als objectieve uitspraak, maar in werkelijkheid gaat het om een mening.

Formele teksten komen over het algemeen vormelijk over. Het gaat om taal die je in officiële situaties gebruikt en die aan bepaalde regels gebonden is. Informele teksten zijn wat losser, wat minder vormelijk van aard. Het verschil tussen formeel en informeel komt in veel gevallen overeen met het verschil tussen schrijftaal en spreektaal. Formele gesprekken voer je bijna uitsluitend met onbekenden of in officiële situaties; wanneer je spreekt met bekenden, is de toon meestal informeler. Sommige mensen denken dat informele teksten minder goed zijn dan formele teksten. Dat klopt niet. Informeel taalgebruik kan wel degelijk correct zijn, als je het maar in de juiste situatie gebruikt. De gevoelens van de schrijver en/of spreker zijn bepalend voor zijn taalgebruik. Als hij alleen maar informatie wil geven, zal hij voornamelijk objectief en formeel overkomen. Als hij over een kwestie spreekt of schrijft, waarbij allerlei gevoelens een rol spelen, zal zijn taalgebruik veel informeler en subjectiever zijn.

Voorbeeld

Formeel: Bij dezen ontvangt u het door u gevraagde informatiepakket. Informeel: Hierbij stuur ik u het informatie­ pakket waar u om vroeg.

Voorbeeld

Een schrijver beweert: ‘Door het opnemen van de vingerafdrukken in een centrale databank worden criminaliteit en terrorisme bestreden. Mensen die niets te verbergen hebben, hebben ook niets te vrezen van de databank.’

In het voorbeeld presenteert de schrijver twee ‘feitelijkheden’, die eigenlijk subjectief zijn.

10

Formeel: Met belangstelling wacht ik uw reactie af. Informeel: Ik hoor graag van u.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Op niveau tweede fase informatieboek by ThiemeMeulenhoff - Issuu