WWW.OPNIVEAU-ONLINE.NL
onderbouw | vmbo-kgt
Hanneke Luth-van den Berg Geertje Plug Rob van Veen Stephan Verhoe
Op niveau onderbouw 2e editie: dĂŠ lesmethode voor Nederlands in het voortgezet onderwijs de methode is zowel lineair (per blok) als modulair (per vaardigheid) te doorlopen; alle toetsen en opgaven zijn gelabeld volgens de principes van OBIT en RTTI; de leesspecialist: Op niveau besteedt veel aandacht aan lezen, o.a. door de leesapp en de samenwerking met de Jonge Jury; bij elke paragraaf een overzicht van leerdoelen met Meijerink-niveau;
onderbouw | vmbo-kgt Leeropdrachtenboek
Eindredactie Ezra van Wilgenburg
leeropdrachtenboek
na elk blok een projectopdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd; uitgebreid digitaal lesmateriaal op www.opniveau-online.nl.
2
NEDERLANDS
WT Omslag ONO2 2kgt.indd 1
2 9/11/15 12:52
Nederlands Leeropdrachtenboek Hanneke Luth-van den Berg Geertje Plug Rob van Veen Stephan Verhoeff Eindredactie Ezra van Wilgenburg Met medewerking van: Fouke Jansen Jante Rittersma
Op niveau onderbouw 2e editie Leerjaar 2 vmbo-kgt
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 1
9/11/15 13:34
Vormgeving
Methodeoverzicht
Omslag en blokopeningen:
Op niveau onderbouw 2e editie is op de volgende manier opgebouwd:
Sproud, Sanneke Prins Binnenwerk: DATBureau,
leerjaar 4 4b
4k
4gt
Amsterdam
leerjaar 3 3b
3k
3gt
3h
3v
leerjaar 2 2bk
2(k)gt
2(t)h
2hv
2v
leerjaar 1 1bk
1kgt
1th
1hv
1v
Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
De methode is voor de leerling op drie manieren te gebruiken: boek
Bureauredactie
leerling boek
Bureau Sproet, Arnhem
docent
mix
digitaal
boek + startlicentie
totaallicentie
boek + startlicentie boek + startlicentie of totaallicentie totaallicentie
Dyslexie In de opmaak hebben we zo veel mogelijk rekening gehouden met dyslectische leerlingen.
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling. ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 3600. ISBN 978 90 06 92158 8 Tweede druk, eerste oplage, 2015 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurs wet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 2
9/11/15 13:34
Inhoud
Introductie
4
Leerstofoverzicht
6
Blok 1
8
Blok 2
58
Blok 3
106
Blok 4
155
Blok 5
206
Blok 6
250
Register
294
Afspraken en regels Schrijven
296
Leesplan
297
Kijk- en luisterplan
298
Werkwijzer zakelijke e-mail
299
Werkwijzer zakelijke brief
300
Rubrics Schrijven
301
Rubrics Spreken
303
Rubrics Gesprekken
305
Verantwoording
307
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 3
9/11/15 13:34
Introductie
Over Op niveau onderbouw 2e editie Fictie
Deze paragraaf gaat over jeugdboeken, gedichten en schrijvers, waarbij je lees- en discussievragen beantwoordt.
Grammatica
Je leert hoe de taal is opgebouwd en hoe je zinnen moet ontleden.
Spelling
Je oefent het foutloos leren schrijven van werkwoordsvormen en andere woorden.
Over taal
Je vergroot je woordenschat en je komt te weten hoe taal in het dagelijks leven wordt gebruikt.
Lezen
Je leert hoe teksten in elkaar zitten, zodat je ze beter kunt begrijpen.
Schrijven
Je leert hoe je goede teksten kunt schrijven.
Spreken, kijken en luisteren
Je leert beter spreken, kijken en luisteren.
Projectopdracht
Een opdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd.
Twee routes Je kunt de opdrachten op twee manieren doorwerken: Per blok (lineair) of per vaardigheid (modulair). Lineair
Modulair
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 4
9/11/15 13:34
Introductie
Methodesite Op de website www.opniveau-online.nl staat aanvullend materiaal: startlicentie
totaallicentie
leerling formulieren kijk- en luisterfragmenten woordenlijsten en begrippen werkwijzer grammatica en grammaticaanimaties werkwijzer werkwoordspelling bijspijkeropdrachten bij de lesstof leesapp opstroommodule alle onderdelen van de leerlingstartlicentie lesstof (theorie en opdrachten)
docent alle zwarte onderdelen van de leerlingstartlicentie docentenhandleiding antwoorden lesbrieven Jonge Jury lesbrieven Alles over taal – actueel
alle onderdelen van de startlicentie alle onderdelen van de leerlingtotaallicentie toetsen Schooltas (pdf van leeropdrachtenboek) lesbrieven Alles over taal – archief
Leesapp In de leesapp van Op niveau staan diverse leestips voor jeugdboeken. Je kunt onder andere zoeken op leeftijd, genre en moeilijkheidsgraad. Opstroommodule Als je volgend jaar naar een hoger niveau gaat, kun je je kennis bijspijkeren met de opstroommodule. Lesbrieven Jonge Jury Elk jaar komen er nieuwe lesbrieven van Jonge Jury over de nieuwste boeken. Lesbrieven Alles over taal Vijf keer per jaar komen er nieuwe lesbrieven van Alles over taal. Deze lesbrieven bieden inspirerend, aanvullend en actueel lesmateriaal. Verwijzingen Voor deze opdracht heb je (een computer met toegang tot) internet nodig.
Bij deze opdracht hoort een formulier dat je kunt vinden op www.opniveau-online.nl.
Deze opdracht kun je bewaren in je leesmap.
Voor deze opdracht heb je een beoordelingsmodel nodig. Dit staat achter in het boek en op de website. Bij deze opdracht hoort een kijk- of luisterfragment dat je kunt vinden op de website.
Deze opdracht is een plusopdracht. 1F
2F
2F Een verwijzing naar het referentiekader taal (1F - Op weg naar 2F – 2F).
O B I T Een verwijzing naar OBIT. R T T I Een verwijzing naar RTTI. Alle opdrachten en toetsen van Op niveau onderbouw 2e editie zijn gelabeld volgens de methodieken OBIT en de RTTI. Deze labeling staat in het grijs (OBIT) en blauw (RTTI) voor de opdracht.
ONO2_2kgt_Voorwerk blok 1-6.indd 5
10/11/15 13:49
Leerstofoverzicht
2 vmbo-kgt
blok 1
blok 2
blok 3
1 Fictie
Verhaal • fictie en non-fictie • realistische en niet-realistische verhalen • leeservaring: een aansprekend boek kiezen
Verhaal • verhaalsoorten: fantasy, sciencefiction, thriller, detective • realistisch en niet-realistisch • herkennen in welke tijd een verhaal speelt Gedicht • strofe • vormkenmerken • bijzonder taalgebruik: herhaling, opsomming, tegenstelling, overdrijving
Verhaal • hoofdpersoon en bijfiguren onderscheiden (karakter, gedachten en gevoelens, uiterlijk) • bijfiguren: helpers en tegenstanders • eigenschappen van personen • relatie tussen personages
2 Grammatica
Zinsontleding • herhaling persoonsvorm, wwg, onderwerp • herhaling bouwplan van een zin Woordsoortbenoeming • herhaling werkwoord: persoonsvorm, voltooid deelwoord, hele werkwoord
Zinsontleding • herhaling persoonsvorm, wwg, onderwerp • herhaling bouwplan van een zin • lijdend voorwerp • werkwoordelijk gezegde met ‘te’ • scheidbaar samengesteld werkwoord
Zinsontleding • herhaling persoonsvorm, wwg, onderwerp, lijdend voorwerp • herhaling bouwplan bij werkwoorden met alleen onderwerp en werkwoorden met onderwerp en lijdend voorwerp Woordsoortbenoeming • herhaling zelfstandig naamwoord, lidwoord en bijvoeglijk naamwoord • herhaling voorzetsel
3 Spelling
• herhaling spelling persoonsvorm tegenwoordige tijd • herhaling spelling persoonsvorm verleden tijd, klankvast en klankveranderend • voltooid deelwoord klankveranderende werkwoorden • dictee: woorden op -isch, -ig, -lijk, -heid, -teit
• herhaling ’t kofschip • herhaling voltooid deelwoord klankvaste werkwoorden • herhaling spelling persoonsvorm verleden tijd, klankvaste werkwoorden • samenstellingen • tussen-s • dictee: m- of n-klank
• vormen van het werkwoord • herhaling voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord • hoofdletters en kleine letters (bijzondere gevallen) • dictee: spelambigue woorden en woorden met lastige klinkercombinaties
4 Over taal
Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • herhaling Stappenplan moeilijke woorden • synoniemen • zakelijk en informeel taalgebruik
Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • uitbreiding samenstellingen • woordsoort veranderen van ww/zelfst nw • figuurlijk taalgebruik • spreekwoorden en uitdrukkingen
Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • voorvoegsels en achtervoegsels • verwijswoorden
5 Lezen
• herhaling Leesplan • herhaling tekstsoorten en tekstdoelen • herhaling leesmanieren • onderwerp, deelonderwerp, alinea, tussenkopje
• grondig lezen • aansporende tekst • vergelijken van overhalende teksten • tekst en beeld (infographic)
• informerende en uitleggende tekst • instructie • opbouw alinea: hoofdzaken, bijzaken, kernzin
6 Schrijven
• herhaling tekstdoel, tekstsoort en tekstvorm • herhaling 5W+1H-vragen • herhaling publiek • tekst schrijven: amuserende tekst • tekst schrijven: informerende tekst
• informatie verzamelen en ordenen • informatie zoeken op internet • herhaling structuur: onderwerp, deelonderwerp, alinea, tussenkopje, titel • gevoelswoorden • tekst schrijven: reclametekst
• taalgebruik op publiek afstemmen • formulier invullen • tekst bij beeld • tekst schrijven: instructietekst
7 Spreken, kijken en luisteren
Luisteren • herhaling tekstsoorten, tekstdoelen, publiek, luistermanieren • fragmenten vergelijken • informatieve waarde beoordelen Spreken • lichaamstaal, stemgebruik en taal aanpassen aan publiek
Luisteren • herhaling luistermanieren • mening samenvatten • discussie beoordelen Spreken • mening met argumenten geven • groepsdiscussie
Luisteren • beeldgebruik en gesproken tekst • informatie uit fragment verbinden met eigen kennis • waarde van informatie beoordelen • samenvatten Spreken • informatie zoeken • beeld gebruiken • presentatie geven
8 Project
• teksten/films zoeken over bepaalde onderwerpen • reclametekst schrijven en een verhaal bij een klassenuitje Lezen, Schrijven, SKL Fictie, Spelling, Over taal, Schrijven
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 6
• instructie geven met/zonder gebaren, beelden, spullen Over taal, Lezen, Schrijven, SKL
9/11/15 13:34
aren,
Leerstofoverzicht
blok 4
blok 5
blok 6
Verhaal • spanning: uitstellen onthulling, cliffhanger, open plek, vermoedens en verwachtingen • ruimte in een verhaal • sfeer Gedicht • eindrijm: gepaard rijm, gekruist rijm, omarmend rijm • binnenrijm
Verhaal • tijd in een verhaal: tijd en vertelde tijd • vertelperspectief: ik-perspectief en hij/zij-perspectief
Verhaal • herhaling • begin van een verhaal • open en gesloten einde Gedicht • verbanden tussen strofen
Zinsontleding • herhaling wwg, onderwerp, lijdend voorwerp • herhaling bouwplan van een zin • meewerkend voorwerp Woordsoortbenoeming • herhaling alle behandelde woordsoorten • persoonlijk voornaamwoord • bezittelijk voornaamwoord • verschil tussen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Zinsontleding • herhaling persoonsvorm, wwg, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp • bijwoordelijke bepaling Woordsoortbenoeming • herhaling alle behandelde woordsoorten • wederkerend voornaamwoord • wederkerig voornaamwoord
• herhaling • meewerkend voorwerp met voor
• herhaling meervoud van zelfstandig naamwoord • werkwoordspelling bij lastige werkwoorden • apostrof • weglatingsstreepje • afbreekteken • dictee: herhaling van woorden blok 1 t/m 3
• herhaling schema werkwoordspelling • herhaling • verkleinwoorden • woorden met c/k en l/ll • dictee: herhaling blok 1 t/m 3 en verkleinwoorden • afkortingen • dictee: herhaling blok 1 t/m 5 en afkortingen
Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • tweelingfouten: als-dan • vaktaal
Woordenschat • schooltaalwoorden • woorden uit teksten Kijk naar taal • taalvariatie • signaalwoorden • verwijswoorden
Woordenschat • herhaling selectie moeilijke woorden Kijk naar taal • herhaling
• overtuigende tekst • kritisch lezen • waarde van informatie beoordelen • inleiding en slot
• hoofdgedachte • samenvatten • verwijswoorden • signaalwoorden
• herhaling
• informatie in eigen woorden herschrijven • schrijfplan • feit en mening • objectief en subjectief taalgebruik • hoofdzaken en bijzaken • inleiding en slot schrijven • tekst schrijven: overtuigende tekst • betrouwbare informatie selecteren
• herhaling informatie verzamelen en verwerken • hoofdgedachte • zakelijke brief • tekst schrijven: overhalende tekst • taalverzorging: signaalwoorden voor opsomming
• herhaling
Luisteren • inleiding en slot • feit en mening • betrouwbaarheid van uitspraken • hoofdzaken en bijzaken • manieren van inleiden en afsluiten Spreken • spreekplan • motiveren van publiek
Luisteren • interview beoordelen • herhaling betrouwbaarheid van uitspraken • signaalwoorden Spreken • vragen stellen • interview
• herhaling
• overtuigende tekst schrijven Lezen, Schrijven, SKL
• interview over Nederlands als tweede taal Over taal, Lezen, Schrijven, SKL
• taalpuzzels maken voor de brugklas Fictie, Grammatica, Spelling, Over taal
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 7
9/11/15 13:34
Blok
2
Fictie 2.1 2.2 2.3
2.4 2.5 2.6 2.7
2.8 2.9 2.10
Lekker lezen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59 Over lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65 Gedicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69 Grammatica
72
Weet je het nog? – Pv, wwg en ond . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Zinsontleding – Splitsbaar werkwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . Zinsontleding – Wwg met te. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Zinsontleding – Lijdend voorwerp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
72 73 74 75
Spelling
79
Weet je het nog? – Verleden tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79 Voltooid deelwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 Samenstellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82 Over taal
2.11 2.12
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 58
101
Kijken en luisteren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 Gesprekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 Projectopdracht
58
96
Informerende tekst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 Reclametekst. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 Woorden met gevoelswaarde. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 Spreken, kijken en luisteren
2.19 2.20
89
Leesmanieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89 Tekstsoorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92 Tekst en beeld. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 Schrijven
2.16 2.17 2.18
84
Woordenschat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84 Kijk naar taal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86 Lezen
2.13 2.14 2.15
59
105
58
9/11/15 13:35
2
Fictie
Aan het einde van deze paragraaf: • kun je meerdere verhaalsoorten noemen; • kun je je leeservaring beschrijven; • kun je vier manieren noemen waarop schrijvers hun verhalen mooier maken.
2F
2.1 Lekker lezen Smokkelaars De dertienjarige Mars woont na de dood van zijn moeder samen met Geert op een boerderij. Geert is de leider van een groep smokkelaars die mensen en goederen over de grens brengt.
5
10
15
20
Het water valt met bakken uit de hemel. Mars heeft zijn pet over zijn ogen getrokken en wacht, gehurkt tussen de struiken langs het zandpad. Hij is doorweekt, maar de zomerregen is lauw en boven zijn hoofd, tussen de takken door, schemert al het licht van de vroege ochtend. Het is weer zo’n nacht geweest. Een nacht van nietsdoen, wakker blijven, terwijl de smokkelaars aan de andere kant van de grens door het Kluisbos zwerven, Duitse patrouilles proberen te ontlopen en avonturen beleven waar ze later, in De Bonte Koe, sterke verhalen over kunnen vertellen. Aan elkaar – niet aan Mars. Want Mars is een kind en het is beter als hij niets weet, in deze tijden van oorlog. Gék wordt hij ervan. Alsof hij de bossen niet kent! Mars komt er al sinds hij lopen kan en zelfs daarvoor al, op de arm van zijn moeder. Waarom moet hij dan steeds weer achterblijven bij de grenspaal, verborgen tussen die druipende struiken, om de terugweg te bewaken? Hij is niet bang, nooit geweest. Bovendien is hij snel. En een kind is hij allang niet meer. Misschien moet Mars gewoon maar weggaan. Het is toch al bijna licht nu, de smokkelaars zijn laat. In het volle daglicht heeft het weinig zin om op de uitkijk te zitten. Ja, dat is een goed idee. Lekker het bos in gaan met zijn boog, dan kan hij vanochtend vast wel een – Er klinkt geweervuur aan de andere kant van de grens. Ergens in België wordt geschoten. En dat kan maar één ding betekenen … De moffen hebben de smokkelaars ontdekt en de jacht is geopend. Mars’ hart bonkt in zijn keel. Hij kan niets doen, alleen wachten. Toch klemt hij zijn vingers iets steviger om zijn boog en pijlen, alsof hij met dat zelfgemaakte spul iets zou kunnen uitrichten tegen de getrainde soldaten van het Duitse leger.
59
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 59
9/11/15 13:35
Fictie
25
30
35
40
45
50
55
60
65
2
Beweegt daar iets, in de regensluiers op het pad? Is dat een mens, een groepje mensen zelfs? Er klinkt geschreeuw, gevolgd door nog meer schoten. Ja, daar rennen mensen, half gebukt, plonzend door het enkeldiepe water in de karrensporen. Wie zijn het? Die grote vooraan, dat moet Geert zijn. Achter hem rent De Paling, één hand aan zijn bolhoed. Dan volgen nog zes, zeven mannen. Dat zijn er veel! De smokkelaars zijn vannacht maar met z’n drieën vertrokken. Dat betekent dat ze vluchtelingen hebben opgehaald, Belgen die uit hun bezette land proberen te ontsnappen. Geen wonder dat de Duitsers daar zo verbeten jacht op maken. Het groepje heeft de grenspaal bereikt. Achter hen, op het pad, verschijnen nu ook de soldaten. Hun uniformen zijn zo grijs als de regen en de helmen glanzen dof in het vroege licht. Ze schieten gericht, bij elk schot lekken er vlammen uit de geweren. En Mars hoort de kogels nu ook, ze fluiten over zijn hoofd en slaan splinters uit de boomstammen achter hem. Dat mag niet, Nederland is neutraal en het is de Duitsers verboden om in de richting van de grens te schieten. Maar een kogel is niet minder dodelijk als hij onwettig wordt afgevuurd … Snel trekt Mars zich verder terug tussen de struiken. Geert en De Paling zijn de eersten die Nederlands grondgebied bereiken. Onmiddellijk laten ze zich vallen, plat op hun buik op de doorweekte bosgrond aan de rand van het pad. ‘Lopen!’ brult Geert. ‘Niet omkijken!’ Nog drie mannen snellen langs de gietijzeren paal, maar een vierde wordt geraakt vóór hij de grens gepasseerd is. Met een kreet en een vloek tuimelt hij voorover en grijpt naar zijn been. Twee anderen trekken hem aan zijn armen verder, de modder spat op. De man verliest zijn pungel, die een stukje doorrolt en tegen de grenspaal blijft liggen. Gevaarlijk! In die rugzak zitten brieven, weet Mars, brieven vanuit het bezette België naar de geallieerden aan het westelijk front. Daar zijn heel gewone brieven bij, maar sommige zijn geschreven door spionnen en die zijn belangrijk in de strijd tegen de Duitsers. Ze mogen niet in verkeerde handen vallen! De hele groep is nu veilig, ze hebben zich teruggetrokken tussen de struiken aan de andere kant van het pad en buigen zich over hun gewonde makker. De achtervolgers hebben het schieten gestaakt, ze mogen de grens niet oversteken. Nederland is neutraal, het doet niet mee aan de oorlog. Niet dat de Duitsers zich daar altijd aan houden, er wordt heus weleens een ongelukkige smokkelaar op Nederlandse grond doodgeschoten en terug over de grens gesleept. Maar deze groep is te groot. Alleen die pungel ligt daar nog … De soldaten hebben hem nog niet opgemerkt, ze staan machteloos op het zandpad op een meter of tien van de grens en kijken naar de smokkelaars aan de andere kant. Eigenlijk zien ze er een beetje zielig uit, met die druipende helmen en de modderspatten op hun veldgrijze tenues, de uniformen waar ze juist altijd zo netjes op zijn. Als Mars wil laten zien wat hij kan, moet hij nú iets doen. Voorzichtig sluipt hij door de struiken tot hij vlak bij de grenspaal is. Twee stappen, dat is de afstand. En dan nog vier naar de overkant van het pad. Het is een stukje van niks, maar hij moet razendsnel zijn. Die moffen moeten niet de kans krijgen om hem te grijpen.
60
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 60
9/11/15 13:35
2
70
75
80
85
90
95
100
Fictie
Mars sluit zijn ogen en haalt diep adem. In zijn hoofd telt hij af. Drie, twee, een … Hij staat op, springt de struiken uit en grijpt de pungel bij een schouderband. Zonder in te houden sprint hij door, het pad over en weer veilig terug in de begroeiing aan de andere kant. Zijn boog haakt even achter een tak, maar Mars weet hem snel los te krijgen. Achter hem wordt geschreeuwd, maar hij is zo vlug geweest dat de Duitsers geen tijd hebben gehad om hun geweren te schouderen. Met een van trots roffelend hart sluipt Mars verder weg van de grens. Als hij het groepje smokkelaars bereikt, houdt hij de bemodderde rugzak als een trofee voor zich uit. ‘Knap gedaan, Mars’, zegt De Paling bewonderend. Mars kijkt naar Geert, maar die gromt alleen wat. Hij kijkt Mars niet eens aan. De Paling wijst op twee andere pungels die tussen de struiken liggen. ‘Breng jij ze naar het postkantoor?’ vraagt hij. ‘Dan brengen wij deze arme drommel naar de Kemkeshoeve. Ik zie je daar.’ Mars hapt naar adem. De post bezorgen! Is dat dan zijn dank, na zijn heldendaad? Mars voelt een woede opkomen die hij meteen weer onderdrukt. Het is niet anders, dit is zijn lot. Hij is er nu eenmaal voor de domme karweitjes. De Duitse patrouille is verdwenen. Het zandpad ligt er verlaten bij. Ook de regen is weggetrokken, alleen de bomen druipen nog na. De smokkelaars kruipen uit de struiken en slaan zich de ergste modder van de kleren. Dan lopen ze het pad op naar de Kemkeshoeve, hun gewonde kameraad tussen hen in. Hij hinkt op zijn gezonde been en vloekt bij elk sprongetje dat hij maakt. Mars stapt het pad op en sleept de drie pungels achter zich aan. Zwaar zijn ze, en nog zwaarder als hij ze over zijn schouders slingert. Er zitten honderden brieven in. Mars recht zijn rug en begint langzaam te lopen, in noordelijke richting naar de kerktoren van Neerdonk die juist vijf uur slaat. Rechts van hem breekt het rood van de opkomende zomerzon tussen de wolken door. Het vocht uit de bosgrond verdampt in slierten tussen de glanzende stammen. De post wegbrengen. Gevaarloos werk. De Nederlandse commiezen, de mannen van de douane, interesseren zich niet voor brieven. En zelfs het veldleger, dat sinds het begin van de oorlog voor extra bewaking aan de grens moet zorgen, met twee kanonnen en een legertje op de fiets, jaagt alleen op de smokkelaars. Niet op jongens die brieven moeten bezorgen. Nou goed. Het is een kwartiertje naar Neerdonk en dan weer een kwartiertje terug. Mars kan terug in het bos zijn als de zon de wolken helemaal verdreven heeft. Dan heeft hij nog een hele ochtend voor zich. Alle tijd om te jagen. Nog diezelfde morgen heeft Mars in het bos een bijzondere ontmoeting met de commandant van het Nederlandse veldleger: luitenant-generaal Terwisga. Samen met zijn mannen bewaakt hij de grensovergang met België. Terwisga betrapt Mars op het moment dat hij op een haas schiet met zijn zelfgemaakte boog. Mars mist, maar de commandant maakt het werk af en schiet de haas met zijn boog morsdood. Mars mag de haas meenemen. Eenmaal thuis vangt hij een gesprek op tussen Geert en zijn vrienden.
61
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 61
9/11/15 13:35
Fictie
105
110
115
120
125
130
135
140
2
‘In elk geval, we moeten er rekening mee houden dat het smokkelen niet meer zo makkelijk zal gaan. Wat ook niet eens zo erg is eigenlijk, want dan kunnen de prijzen omhoog.’ ‘Vanochtend ging het ook al niet makkelijk’, zegt Geert. ‘Domme pech dat we tegen die patrouille aanliepen. We moeten er nog maar een stel zien om te kopen, voor de zekerheid. Als we genoeg vrienden maken, houdt die draad ons straks ook niet tegen.’ De draad! Alweer die draad … Mars houdt zijn adem in. Als hij nu geen geluid maakt, is er een kans dat het gesprek verdergaat. Misschien krijgt hij dan wat meer te horen over die geheimzinnige draad waar langs de grens al tijden over gepraat wordt. Erg veel weet Mars er nog niet van. Ja, die draad is een soort hek dat de moffen aan het bouwen zijn, helemaal vanaf de kust naar hier en dan moet het nog verder lopen, langs Limburg tot aan de grens met Duitsland. Maar een gewoon hek is het niet, anders zou er niet zo veel over gesproken worden – en zo veel gezwegen juist als Mars erbij is. Een gewoon hek houdt geen smokkelaars tegen, daar ben je zó overheen. ‘Een professor van hier uit de buurt schijnt iets te hebben uitgevonden’, zegt De Paling. ‘Een soort raam waarmee je er veilig doorheen kan.’ Een raam om mee door een draad te gaan? Het wordt steeds merkwaardiger, denkt Mars. ‘Nog koffie?’ hoort hij Geert vragen. Het gesprek is dus voorlopig beëindigd. Binnen wordt een stoel verschoven. Dat betekent dat Geert is opgestaan. Er is geen tijd te verliezen! Mars gooit de deur open en steekt de haas vooruit, net zoals met de heroverde pungel vanochtend. Alsof het een beker is die hij op een schuttersfeest gewonnen heeft. En zoiets is het ook wel, als je erover nadenkt. In de kamer hangt dikke sigarenrook. Geert staat rechtop, naast de tafel, en De Paling zit aan de andere kant, zijn vuile voeten op het gehaakte kleedje naast het theelicht. Dat had vroeger nooit gemogen, maar Geert hecht niet zo aan de meubels. Er zijn niet veel dingen waar Geert aan hecht. ‘Wat heb je daar nou, Mars?’ vraagt De Paling. ‘Dat is een vette!’ Geert gromt alleen wat – ook al net als vanochtend. Hij loopt op Mars af en neemt de haas van hem over. ‘Wat denk je, Geert?’ gaat De Paling verder. ‘Een pondje of zes, zeven?’ ‘Twee wonden’, zegt Geert, en hij kijkt Mars onderzoekend aan. ‘En niet van jouw houten pijltjes, zo te zien.’ Mars voelt een woede in zich opkomen. Waarom is dat nou het eerste waar Geert over beginnen moet? Had hij dan niet gewoon heel even trots kunnen zijn, iets van bewondering kunnen laten blijken, zoals De Paling? ‘Heb je hem gejat van iemand?’ vraagt Geert. ‘Nee, ik heb ’m geschoten’, zegt Mars. Geerts hand haalt uit, onverwacht snel en hard. De klap doet Mars tollen op zijn benen. Uit: Hans Kuyper, Achter de draad.
62
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 62
9/11/15 13:35
2
Fictie
Moeilijke woorden patrouilles (de patrouille) = groepen soldaten moffen (de mof ) = scheldnaam voor Duitsers verbeten = vastberaden, fanatiek de pungel = soort draagzak de drommel = een zielig persoon commiezen (de commies) = mensen die voor de overheid werken het schuttersfeest = feest van mensen die lid zijn van een schietvereniging
Denken en praten over het verhaal Opdracht 1 T 1
B I
T 2 T1 T2 I
B I
1 a Wie is de belangrijkste persoon in dit verhaal? b Hoe weet je dat? 2 Waar speelt dit verhaal zich af? 3 a Het verhaal geeft aanwijzingen waaruit je kunt opmaken dat de gebeurtenissen zich afspelen in een andere tijd. Noem er twee. b Kun je bedenken in welke tijd het verhaal zich meer precies afspeelt? Leg uit. 4 Waarom is Mars nog zo laat op? 5 Mars voelt zich door de anderen niet echt serieus genomen. Waaruit maak je dat op? 6 Met welke onverwachte actie maakt Mars zich voor de anderen heel erg nuttig? 7 Wat kun je zeggen over de relatie tussen Mars en Geert? Leg je antwoord uit. 8 Zeg met andere woorden: ‘Het water valt met bakken uit de hemel.’ (regel 1) 9 Zeg met andere woorden: ‘bij elk schot lekken er vlammen uit de geweren.’ (regel 35) 10 Hoe verwacht je dat dit verhaal verdergaat?
63
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 63
9/11/15 13:35
Fictie
2
Leestips Andere verhalen over oorlog:
Kijk de leook op esap p
Familiegeheim – Caja Cazemier en Martine Letterie Eva en haar nichtje Annefloor zien dat er bijna niemand naar de begrafenis van hun opa komt. Hoe komt dat? En wie is de oude vrouw die van een afstand toekijkt? De meisjes ontdekken dat dit alles te maken heeft met wat er in de oorlog met hun familie gebeurde. Nergens meer veilig – Jan Heerze Arnhem, 17 september 1944. In een donkere kelder, terwijl steeds dichterbij bommen ontploffen. Doodstil wacht de twaalfjarige Maaike met haar moeder, broertje en klasgenoot Jelle tot het voorbijgaat. Maar als er pal voor hun huis gevochten wordt, moeten ze vluchten. De tocht voert hen door een verwoeste binnenstad naar Burgers’ Dierenpark, waar Maaike’s opa werkt. Maar ook daar moeten ze weer weg. Als haar moeder en Jelle gewond raken, neemt Maaike de leiding. Gewoon omdat het niet anders kan. Oorlogswinter – Jan Terlouw Het is de ijskoude winter van 1944/1945. De veertienjarige Michiel kan niet wachten tot hij iets kan betekenen in het verzet. Dit tot ergernis van zijn vader, die er als burgemeester alles aan doet de rust in hun dorp te bewaren. Als zijn buurjongen Dirk, die meedoet aan een overval op het munitiedepot, aan Michiel vraagt of hij een brief wil bezorgen, voelt Michiel zich eindelijk serieus genomen. Maar de overval blijkt verraden, Dirk wordt opgepakt en degene bij wie hij de brief moet bezorgen, is doodgeschoten door de Duitsers. Valentine Joe – Rebecca Stevens Rose bezoekt met haar opa in het Belgische Ieper de graven van de gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Het graf van Valentine Joe maakt grote indruk op haar. Hij was vijftien jaar toen hij stierf als soldaat. Die avond hoort Rose buiten op het plein mannen marcheren. Als ze uit het raam kijkt, ziet ze een jonge soldaat meelopen. Hun blikken kruisen elkaar …
64
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 64
9/11/15 13:35
2
Fictie
Over Hans Kuyper Eigenlijk wilde Hans Kuyper toneelspeler worden. Hij had rolletjes in tv-programma’s, speelde in een jeugdmusical en werkte als producent, technicus en manusje-van-alles in een theater. Ook deed hij vijftien jaar lang werk voor de radio. Zijn eerste boek kwam in 1997 uit. Hans Kuyper heeft altijd interesse gehad in onze geschiedenis, vooral de Eerste Wereldoorlog. Hij was dan ook erg blij dat zijn uitgever hem vroeg om een boek te schrijven over dit onderwerp. Dit is het boek Achter de draad geworden, een verhaal over de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de elektrische draad voor de Nederlandse bevolking.
2.2 Over lezen Verhaalsoorten Leesboeken en verhalen zijn onder te verdelen in verhaalsoorten. Je weet welke verhaalsoort bij een boek hoort door te kijken naar het onderwerp dat belangrijk is in het verhaal. Afhankelijk van je smaak kies je een verhaal dat bij je past. Sommige mensen zijn dol op fantasy. Dat is een verhaalsoort waarin verzonnen wezens voorkomen, zoals trollen, tovenaars en draken. Denk aan de verhalen over Harry Potter, de beroemde tovenaarsleerling. Soms belanden de verhaalfiguren in een andere wereld, zoals in De kronieken van Narnia. Via een betoverde kleerkast komen de hoofdpersonen in het betoverde land Narnia. Ook sciencefiction is een geliefde verhaalsoort. Sciencefictionverhalen spelen zich af in de ruimte of in een andere tijd, meestal in de toekomst. Een andere verhaalsoort is de thriller. Een thriller is een spannend verhaal waarin de nadruk ligt op gevaarlijke situaties. Een detective is een verhaal waarin de hoofdpersoon een misdrijf door speurwerk oplost en de dader vindt.
Opdracht 2 T1
B
Kijk nog eens terug naar het verhaal Smokkelaars. Dit verhaal kun je indelen bij meerdere verhaalsoorten. Bij welke verhaalsoort past dit verhaal nog het best? Leg je antwoord uit.
65
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 65
9/11/15 13:35
Fictie
2
Opdracht 3 T 1
B
In de bibliotheek geven pictogrammen vaak de belangrijke verhaalsoorten aan. Neem de nummers over. Schrijf achter elk nummer de verhaalsoort die bij het pictogram hoort. Kies uit: sprookjes – historisch (=geschiedenis)verhaal – detective – sciencefiction – thriller – dieren – griezelverhaal – oorlog en verzet – humor – sport.
Afbeelding 1
Afbeelding 2
Afbeelding 3
Afbeelding 4
Afbeelding 5
Afbeelding 6
Afbeelding 7
Afbeelding 8
Afbeelding 9
Afbeelding 10
Opdracht 4 T1
B
1 Hierna staan beschrijvingen van drie lees- en stripboeken. Bij welke verhaalsoort horen deze boeken? A Storm. De diepe wereld – Don Lawrence & Saul Dunn De astronaut Storm komt met zijn ruimteschip op de planeet Jupiter terecht in een orkaan, die hem voorwaarts gooit in de tijd. Zonder dat hij daar erg in heeft, keert hij terug naar de aarde. Daar ontdekt Storm dat de flora en fauna door menselijk ingrijpen enorm zijn veranderd. De mensen die Storm ontmoet, zien er niet alleen barbaars uit, zo gedragen ze zich ook. Storm moet zich staande zien te houden in een vijandige wereld. Daarbij kan hij de hulp van Roodhaar, een vrouw met wie hij tijdens een gevangenschap vriendschap sluit, goed gebruiken. B De vlucht van de Grimjager – Esther van Lieshout Het weesmeisje Hero wordt meegenomen door de Grimjager, een magisch ‘schip’ dat over de wereld trekt op zoek naar een veilige haven voor faunen, eenhoorns en andere fabelwezens. De sleutel tot het vinden van die haven ligt achter een deur, verborgen in het schip zelf. En zolang die deur niet gevonden wordt, is de Grimjager gedoemd voor altijd rond te blijven trekken. Maar iemand zit achter het schip aan. Iemand jaagt op de fabelwezens, voor een verschrikkelijk doel. Zal Hero de geheime deur vinden en haar vrienden in veiligheid brengen voor het te laat is …?
66
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 66
9/11/15 13:35
2
I
Fictie
C Shock – Mel Wallis de Vries Stel je voor: je beste vriendin verdwijnt na een schoolfeest. Alleen haar fiets en haar bebloede jas worden gevonden. Je wordt verscheurd door verdriet, maar ook door angst. Wat is er die avond met haar gebeurd? Pas na maanden lukt het je om je leven weer op te pakken. Maar dan keert de moordenaar terug. En dit keer komt hij voor jou. Kun je nog vluchten? Of is het te laat? De waarheid blijkt nog gruwelijker dan je had gevreesd. 2 Schrijf de titel op van het laatste boek dat je zelf gelezen hebt of van een boek dat je graag zou willen lezen. Bij welke verhaalsoort hoort dit boek? 3 Van welke verhaalsoort houd jij het meest? 4 Van welke verhaalsoort houd jij helemaal niet? 5 Bedenk een titel voor een romantisch verhaal, een thriller en een sportverhaal. Aan de titel moet je meteen kunnen zien bij welke verhaalsoort het verhaal hoort. Opdracht 5
T1
B
T2
1 Welk van de drie verhalen die zijn beschreven bij opdracht 4 vraag 1, komt op jou het meest realistisch over? Leg uit waarom je dat vindt. 2 Vind je het verhaal Smokkelaars in Lekker lezen realistisch? Wat maakt het verhaal realistisch of juist niet-realistisch? 3 Hierna volgen de flapteksten van twee verhalen over de oorlog. a Welk verhaal komt op jou niet-realistisch over? Waarom niet? b Waarom maakt het andere verhaal op jou wel een realistische indruk? 4 Welk verhaal past ook nog bij de verhaalsoort sciencefiction? Leg uit waarom. 5 Welk verhaal zou jij wel willen lezen? Waarom? A Elke seconde telt – Richard Hassink Utrecht 2048. De grootvader van de vijftienjarige Noa heeft jarenlang in het geheim gewerkt aan een tijdcapsule. Een geniale uitvinding en precies de reden waarom hij nu is ontvoerd door de handlangers van Arvid Holt. Deze extreemrechtse politicus wil naar 1944 reizen om Adolf Hitler cruciale informatie toe te spelen over D-Day en de atoombom. Noa gaat Holt achterna. Bij toeval ontmoet ze onderweg de niet-onaantrekkelijke Daan, die zijn adoptieouders zat is en haar graag wil helpen. Met gevaar voor eigen leven proberen ze Holts plan te dwarsbomen. Want als Hitler de atoombom in handen krijgt, heeft dit afschuwelijke gevolgen voor de toekomst van de wereld. B Bommen op ons huis – Martine Letterie Fien is wakker geworden van de vliegtuigen. Het is oorlog! Zij vindt het eerst vooral spannend, maar voor haar beste vriend en buurjongen David ligt dat anders. Hij is Joods, en vijf jaar geleden met zijn vader uit Duitsland naar Nederland gevlucht. Nu moet hij weer vluchten. Naar een tante van Fien in Middelburg. Vier dagen later denkt Fien heel anders over de oorlog. Bommen vallen op de stad Rotterdam en op haar huis. Bijna alles raakt ze kwijt: haar huis, haar vader … Met een overspannen moeder en haar kleine broertje vlucht ook zij naar Middelburg. Maar het is de vraag of dat wel verstandig is!
67
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 67
9/11/15 13:35
Fictie
2
Je leeservaring beschrijven Als je een verhaal leest dan doet dat iets met je. Je vindt het verhaal bijvoorbeeld spannend. Misschien kun je goed meeleven met de hoofdpersoon, of juist niet. Leg je uit wat je vindt van een verhaal, dan beschrijf je jouw leeservaring. Daarbij gebruik je beoordelingswoorden. Je leeservaring is heel persoonlijk. Je moet je ervaring kunnen uitleggen. Dat doe je door argumenten te geven bij de beoordelingswoorden die je kiest. Bijvoorbeeld: Er zijn beoordelingswoorden die iets zeggen over wat het verhaal met je doet: spannend – saai begrijpelijk – onbegrijpelijk laat me meeleven – zegt me niets maakt me nieuwsgierig naar de afloop – is voorspelbaar laat me alles even vergeten – kan me niet boeien apart – gewoon griezelig – niet griezelig duidelijk – verwarrend humoristisch – zonder humor maakt me verdrietig – maakt me vrolijk veel actie – gebeurt weinig in vol vaart – traag ontroerend – raakt me niet Er zijn ook beoordelingswoorden die iets zeggen over hoe realistisch je het verhaal vindt: realistisch – onrealistisch geloofwaardig – ongeloofwaardig kan echt gebeuren – kan nooit echt gebeuren herkenbaar – niet herkenbaar bekend – onbekend origineel – bekend leerzaam – niet leerzaam ongelooflijk – kan ik me goed voorstellen
Opdracht 6 1 Beschrijf jouw leeservaring bij het lezen van het verhaal Smokkelaars. Kies per lijst een beoordelingswoord en leg ze uit met een argument. 2 a Denk aan een film die je niet al te lang geleden gezien hebt. Schrijf de titel van de film op. b Beschrijf nu op dezelfde manier als in vraag 1 je kijkervaring bij deze film.
68
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 68
9/11/15 13:35
2
Fictie
2.3 Gedicht Bijzonder taalgebruik Een bijzondere tekstsoort is het gedicht. Gedichten hebben deze kenmerken: • Een gedicht is verdeeld in versregels, die niet de hele bladzijde vullen. • De regels staan in groepjes bij elkaar. Een groepje regels noem je een strofe. • In een gedicht komt soms rijm voor. Dichters maken hun teksten mooier door dingen op een bijzondere manier te zeggen. Er zijn heel veel verschillende vormen van bijzonder taalgebruik, zoals: • Herhaling – de woorden worden herhaald of hetzelfde wordt vaker gezegd, maar telkens nét iets anders. • Opsomming – Er wordt een aantal dingen op een rij gezet of na elkaar opgenoemd. • Tegenstelling – Dingen worden tegenover elkaar gezet, waardoor de verschillen extra opvallen. • Overdrijving – Iets wordt erger of groter gemaakt dan het in werkelijkheid is.
Opdracht 7 T1
T2 T1 T2 T1
T2
I T2
Lees het gedicht De speeltuin. Beantwoord daarna de vragen. T 1 Welke kenmerken van een gedicht vind je terug in De speeltuin? Leg je antwoord uit. 2 De hoofdpersoon in dit gedicht is een kind. Waaruit maak je dat op? Noem twee voorbeelden. 3 Waarover gaat dit gedicht? Leg je antwoord uit. Doe dat in twee tot drie zinnen. 4 a In de eerste regel van strofe 2 vind je een tegenstelling. Welke? b Welke bedoeling heeft de dichter met de tegenstelling uit vraag 4a? I 5 In de tweede strofe is er sprake van herhaling. Waar? Schrijf de regels met herhaling over. 6 a In de vierde strofe worden weer dingen tegenover elkaar gezet. Noem twee tegenstellingen. b Wat wil de dichter met deze tegenstellingen duidelijk maken? 7 Zeg met andere woorden: ‘Maar al ben je uit de oorlog Gaat de oorlog ooit uit jou?’ (regel 15-16) 8 Wat wordt bedoeld met ‘Mooie ogen zijn vergiftigd’? (regel 17) 9 Leg de titel van dit gedicht uit: De speeltuin. B 10 Vind je dit een mooi gedicht? Leg je antwoord uit.
69
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 69
9/11/15 13:35
Fictie
2
Tekst 1 De speeltuin Door kapotgeschoten straten Zonder vader, zonder land Loop je hulpeloos verlaten Aan je moeders warme hand Als een schaap tussen de wolven Naar bestemming onbekend En niemand ziet hoe klein je bent Niemand ziet hoe klein je bent Morgen zal het vrede zijn Zal de zon je strelen Zal de wereld weer een speeltuin zijn En kun je rustig spelen Na de winter komt de lente Wordt de grijze lucht weer blauw Maar al ben je uit de oorlog Gaat de oorlog ooit uit jou? Mooie ogen zijn vergiftigd Zijn aan het geweld gewend En niemand ziet hoe klein je bent Niemand ziet hoe klein je bent John Ewbank en Han Kooreneef
Opdracht 8 T1
T
I
Het gedicht De speeltuin is op muziek gezet en wordt gezongen door Marco Borsato. 1 Zoek op internet de door Marco Borsato gezongen versie van De speeltuin. 2 Marco Borsato heeft samen met Ali B nog een ander lied gezongen waarin oorlog en geweld belangrijke onderwerpen zijn. Zoek dit op op internet. Wat is de naam van dit lied? 3 Beluister en bekijk het lied dat je noemde bij vraag 2 op internet. Zoek de complete songtekst op internet en print die uit. Bewaar de tekst in je leesmap. 4 Welke kenmerken van een gedicht vind je terug in deze tekst? Noem ze. 5 Ali B is een rapper. Waarom zullen rapteksten vaak rijmen?
70
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 70
9/11/15 13:35
2
I
T1
I
T2
B
6 ‘Als er nooit meer een morgen zou zijn.’ In de volgende regel herhaalt de tekstschrijver zich op een bijzondere manier. Wat zegt hij? Wat zou dit betekenen? 7 In het refrein vind je een opsomming, dat wil zeggen: enkele dingen worden na elkaar opgenoemd. Schrijf de regels waarin dat gebeurt over. 8 ‘Heb je enig idee wat het met je zou doen Als je nog maar een dag zou bestaan’ Heb jij een idee? Wat zou het met jou doen als je nog maar één dag te leven had? Leg je antwoord uit. 9 Vind je dit een mooi gedicht? Wat vind je er mooi aan, of juist niet mooi? Toets Opdracht 9
T 1
B
T2
Fictie
1 Kies vijf verhaalsoorten uit, zie pagina 66. 2 Zoek boeken voor jongeren van elf jaar en ouder die passen bij deze verhaalsoorten: twee titels per verhaalsoort. Kies andere verhalen dan in deze paragraaf stonden. 3 Leg per titel uit waarom het boek dat jij koos, past bij deze verhaalsoort. 4 Plak van elk boek een plaatje van de voorkant in je map. 5 Kies een boek uit dat jou de moeite waard lijkt en dat je nog niet eerder hebt gelezen. Geef je keuze door aan je docent. 6 Lees het boek. 7 Maak een kort verslag. Je docent vertelt je hoe dit verslag eruit moet zien: formulier Leesverslag verhaalsoorten. Het resultaat berg je op in je leesmap.
71
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 71
9/11/15 13:35
Grammatica
2
In deze paragraaf herhaal je nog eens de leerstof over de persoonsvorm. Verder gaat het over het bouwplan van een zin. Het gaat ook over de twee basisdelen, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp. En er komt een nieuw zinsdeel bij: het lijdend voorwerp.
2F Aan het einde van deze paragraaf: • kun je de persoonsvorm in een zin vinden; • kun je zinsdelen benoemen: werkwoordelijk gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp; • kun je het bouwplan van een zin maken; • kun je een gesplitst werkwoord in een zin herkennen; • kun je het werkwoordelijk gezegde met te benoemen.
2.4 Weet je het nog? – Pv, wwg en ond Opdracht 1 T1
B
Schrijf van de volgende zinnen de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond) op. voorbeeld 1 Mijn vriend Mounir leest op de bank een stripboek. Je schrijft op: pv: leest wwg: leest ond: mijn vriend Mounir
2 3 4 5 6 7 8
Onze kat wil steeds op het aanrecht springen. Hoeveel geld heb jij gespaard? De monteur controleert het toerental van de motor. Moesten jullie je na afloop van de les melden bij de conciërge? Ik heb een blaadje van de kalender gescheurd. Hij wacht hier al een hele tijd op de bus. Dat zal me niet nog eens gebeuren!
72
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 72
9/11/15 13:35
2
Grammatica
2.5 Zinsontleding – Splitsbaar werkwoord Opdracht 2 T1
B
Bekijk het bouwplan. Geef antwoord op de vragen.
Monica 1 2 3 4 5 6
pakt
alle cadeautjes
in.
Welk deel van de zin past bij de vraag: Wie doet het? Welk zinsdeel past bij de vraag: Wat gebeurt er? Welk deel van de zin past bij de vraag: Wat? Welk stukje van de zin blijft over? Dit stukje hoort bij een ander deel. Waar hoort het bij? Hoeveel zinsdelen tel je dus in de zin?
Soms kan de persoonsvorm van een werkwoord gesplitst in de zin voorkomen.
R
voorbeeld Monica | pakt | alle cadeautjes | in. Pakt in komt van het werkwoord inpakken. Pakt in is de persoonsvorm. Pakt in is ook het werkwoordelijk gezegde. Pakt en in horen bij elkaar, vormen samen één zinsdeel. De zin bestaat dus uit drie zinsdelen.
Opdracht 3
T1
B I B
Hieronder staan tien werkwoorden. overschrijven – koken – slapen – afpakken – weten – doortrekken – ophangen – vliegen – versieren – opeten 1 Schrijf de werkwoorden over die gesplitst in een zin kunnen voorkomen. 2 Kies er twee uit en maak met elk een zin waarin het werkwoord gesplitst voorkomt. Sla tussen de zinnen twee regels over. 3 Zet streepjes tussen de zinsdelen. 4 Schrijf achter de zinnen tussen haakjes het aantal zinsdelen dat je telt. 5 Schrijf per zin het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond) op.
73
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 73
9/11/15 13:35
Grammatica
2
Opdracht 4 T1
B
Schrijf onderstaande zinnen over. Sla steeds een regel over. – Zet streepjes tussen de zinsdelen. – Onderstreep de persoonsvorm. – Zet wwg boven het werkwoordelijk gezegde. – Zet ond boven het onderwerp. – Schrijf achter de zin tussen haakjes het aantal zinsdelen. voorbeeld 1 Onze leraar Nederlands deelt straks de woordenboeken uit. Je schrijft op: ond wwg wwg Onze leraar Nederlands | deelt | straks | de woordenboeken | uit. (4) 2 3 4 5 6 7
Geef jij de appelmoes door? Alle leerlingen van mijn klas gingen vorig schooljaar over naar de tweede. In het weekend slapen mijn ouders altijd uit. Onze misselijke hond geeft de hele dag over. Hoe laat haal jij mij op? De toeristen brachten de nacht in een eenvoudig hotel door.
2.6 Zinsontleding – Wwg met te R
Je weet dat het werkwoordelijk gezegde uit alle werkwoorden van een zin bestaat. Soms staat voor het hele werkwoord het woord te. Dan geldt: persoonsvorm + te + hele werkwoord = werkwoordelijk gezegde voorbeeld Aukje zit de hele tijd te lachen. wwg: zit te lachen.
74
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 74
9/11/15 13:35
2
Grammatica
Opdracht 5 T1
B
Schrijf van onderstaande zinnen het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond) op. voorbeeld 1 De hond ligt in zijn mand te slapen. Je schrijft op: wwg: ligt te slapen ond: de hond
2 3 4 5 6 7 8 9 10
Derk probeert zijn fiets zelf te repareren! De was hangt op zolder te drogen. Mijn zusje zit het liefst te kleuren. Jouw moeder heeft de koffie al ingeschonken. Ik lig in mijn bed een boek te lezen. Heb jij je tas al ingepakt? Het paard staat in de wei te dromen. Kun jij mij vergeven? Wat zitten jullie toch de hele tijd te kletsen!
2.7 Zinsontleding – Lijdend voorwerp Opdracht 6 T 1 I
B
Bekijk bouwplan A. Geef daarna antwoord op de vragen. 1 Wat gebeurt er? 2 Wat is het werkwoordelijk gezegde? 3 Welke vraag hoort hierbij om het onderwerp te vinden? 4 Wat is het onderwerp? 5 Schrijf de twee basisdelen op. Is deze zin zo af? Leg je antwoord uit. slapen
Wie?
ander zinsdeel
ander zinsdeel
ander zinsdeel
Bouwplan A
75
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 75
9/11/15 13:35
Grammatica
2
Opdracht 7 T1
B
I
Bekijk bouwplan B. Geef daarna antwoord op de vragen. 1 Wat gebeurt er? 2 Wat is het werkwoordelijk gezegde? 3 Welke vraag hoort hierbij om het onderwerp te vinden? 4 Wat is het onderwerp? 5 Schrijf de twee basisdelen op. Is deze zin zo af? Leg je antwoord uit. bakken
Wie?
ander zinsdeel
Wat?
ander zinsdeel
ander zinsdeel
Bouwplan B
Door de betekenis van het werkwoord slapen is ĂŠĂŠn vraag voldoende: Wie/wat slaapt? Maar bij sommige werkwoorden moet je altijd twee vragen stellen om de betekenis van het werkwoord duidelijk te maken. Kijk nog maar eens naar Bouwplan B.
R
Opdracht 8 T2 T1
B
Kijk nog eens terug naar opdracht 7. 1 Welke vraag hoort bij de twee basisdelen om een volledige, kloppende zin te maken? 2 Wat is het antwoord op deze vraag? 3 Schrijf de zin helemaal op. Opdracht 9
T1
B
Bestudeer bouwplan C en D. 1 Wat is het werkwoord: wat gebeurt er? 2 Welk bouwplan past bij dit werkwoord? Bouwplan C of bouwplan D? Leg je antwoord uit. 3 Maak met de verschillende zinsdelen een volledige, kloppende zin. omhakken
omhakken
Wie?
ander zinsdeel
Wie?
ander zinsdeel
Bouwplan C
ander zinsdeel
ander zinsdeel
Wat?
ander zinsdeel
ander zinsdeel
Bouwplan D
76
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 76
9/11/15 13:35
2
Grammatica
Opdracht 10 T1
B
1 Bekijk afbeelding 11. Schrijf het werkwoord op dat op de afbeelding wordt uitgevoerd. 2 Welk bouwplan hoort bij dit werkwoord? Bouwplan E of bouwplan F? Leg je antwoord uit. 3 a Maak bij het gekozen bouwplan de basiszin. b Breid de zin uit met nog twee andere zinsdelen. 4 a Welk deel is het werkwoordelijk gezegde (wwg)? b Welk deel is het onderwerp (ond)? Wat gebeurt er?
Wat gebeurt er?
Wie of wat doet het?
Wie of wat doet het?
Bouwplan E
Wie of wat?
Bouwplan F
Afbeelding 11
R
Het lijdend voorwerp (lv) is het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp? Het komt voor bij werkwoorden waarbij je twee vragen stelt. Werkwoorden zoals bakken, omhakken en plukken.
77
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 77
9/11/15 13:35
Grammatica
2
Opdracht 11 T1
B
1 Lees de theorie over het lijdend voorwerp. Welke vraag moet je stellen om bij de zin van opdracht 9 het lijdend voorwerp te vinden? 2 Heeft de zin in opdracht 9 een lijdend voorwerp? Zo ja, schrijf het op. 3 Hoe zit dat met de zin in opdracht 10? Welke vraag heb je hier nodig om het lijdend voorwerp te vinden? 4 Wat is het antwoord op deze vraag? 5 Welk zinsdeel is dus in de zin bij opdracht 10 het lijdend voorwerp? Opdracht 12
T1
B
Hieronder staan tien werkwoorden. Sommige werkwoorden hebben een lijdend voorwerp nodig om de betekenis van het werkwoord duidelijk te maken. Welke werkwoorden zijn dat? verdienen – zitten – geven – zwemmen – krijgen – bouwen – opbellen – blaffen – fietsen – springen Opdracht 13
T 2 T1
B
1 Maak zinnen met de werkwoorden die je bij opdracht 12 koos. 2 Onderstreep in elke zin de persoonsvorm. 3 Geef daarna met kleur de verschillende zinsdelen aan. Bijvoorbeeld: roze = werkwoordelijk gezegde; blauw = onderwerp; groen = lijdend voorwerp.
78
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 78
9/11/15 13:35
2
Spelling
In deze les kijk je terug op wat je in de brugklas hebt geleerd over de spelling van het werkwoord in de verleden tijd. Je leert ook hoe je samenstellingen spelt.
Aan het einde van deze paragraaf: • weet je hoe je klankveranderende werkwoorden in de verleden tijd spelt; • weet je hoe je de regel van ’t kofschip gebruikt; • weet je hoe je samenstellingen spelt.
2F
2.8 Weet je het nog? – Verleden tijd Opdracht 1 T1
O
Lees tekst 2. Vul op de genummerde plekken de goede begrippen in. Kies uit: stam / + t / persoonsvorm / + de / ik-vorm / hele werkwoord / ’t kofschip / + te.
Tekst 2 Het werkwoord kan in verschillende vormen in de zin staan. Als je de zin van tijd verandert, vind je altijd de … (1). De persoonsvorm kun je op verschillende manieren spellen. Vrag is bijvoorbeeld de … (2) van het werkwoord vragen. De … (3) is vraag. Bij hij/zij/het en bij jij schrijf je vraag … (4). In het meervoud schrijf je het … (5). In de verleden tijd gebruik je het trucje van … (6). Als de laatste letter van de stam erin zit, schrijf je … (7). Zit de laatste letter van de stam er niet in, dan schrijf je … (8).
R
Bij sommige klankvaste werkwoorden hoor je hoe je ze moet spellen in de verleden tijd. Je hoort aan de uitspraak of je +te of +de moet schrijven. voorbeeld lachen – ik lachte huilen – ik huilde schreeuwen – ik schreeuwde
79
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 79
9/11/15 13:35
Spelling
2
Opdracht 2 T1
B
1 Maak met elk van de onderstaande werkwoorden een goede zin in de verleden tijd. Gebruik de ik-vorm, de jij-vorm, de hij/zij/het-vorm en het meervoud. a horen d klagen g kussen b kletsen e fluisteren h babbelen c happen f likken 2 Vergelijk je zinnen met die van een klasgenoot. Ze hoeven niet hetzelfde te zijn, maar wel altijd goed gespeld. Verbeter je zinnen waar nodig.
Wanneer je niet kunt horen of je in de verleden tijd -te(n) of -d(en) moet spellen, maak je gebruik van ’t kofschip. Dit ezelsbruggetje heb je vorig jaar geleerd. Zo werkt het: • stap 1: Neem de stam van het werkwoord. • stap 2: Kijk naar de laatste letter van de stam. • stap 3: Is dat een medeklinker die in ’t kofschip zit of is het een x? Dan schrijf je ik-vorm +te(n); zit deze letter niet in ’t kofschip? Dan schrijf je ik-vorm +de(n).
R
’t
k ch
f
s p
Opdracht 3 T1
B
T2
1 Schrijf van de volgende werkwoorden de stam en de ik-vorm in de tegenwoordige tijd op. f grissen a beloven g durven b loten h verwaarlozen c tuiten i straffen d peinzen j keffen e kerven 2 Onderstreep de laatste letter van elke stam. 3 Schrijf van elk werkwoord de ik-vorm in de verleden tijd op. 4 Waarom moet je goed kijken naar de stam, en niet naar de ik-vorm, als je ’t kofschip gebruikt? Opdracht 4
T1
B
Spel de persoonsvormen op de goede manier in de verleden tijd. Je hoeft de zinnen niet over te nemen. 1 Voor het dorpsfeest … (bakken) we een enorme taart. 2 De gemeente … (planten) narcissen en blauwe druifjes aan de kant van de weg. 3 Vlak voor sluitingstijd … (vegen) de vakkenvuller zijn gangpad schoon. 4 Toen ik stamppot maakte, … (koken) de aardappels bijna over. 5 Mijn moeder … ons huis na de verbouwing opnieuw … (inrichten).
80
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 80
9/11/15 13:35
2
6 7 8 9 10 11 12
Spelling
Bij het wokrestaurant … (braden) ze het vlees altijd heerlijk bruin. De buurman … (harken) alle kastanjes bij elkaar voor het herfststukje. Ik … (stomen) de etiketten van de potjes, zodat ik er kaarsjes in kon doen. In de herfst … (snoeien) de tuinman alle planten om de tuin winterklaar te maken. De kok … (proeven) voorzichtig de eerste hap van het nieuwe gerecht. Mijn broers … altijd … (opscheppen) over hun geweldige sportprestaties. In het park … de stratenmakers een nieuw paadje … (aanleggen).
2.9 Voltooid deelwoord Een voltooid deelwoord eindigt vaak op -d of -t. Sommige werkwoorden hebben een ander voltooid deelwoord, bijvoorbeeld op -en.
R
voorbeeld leren – geleerd maken – gemaakt lezen – gelezen denken – gedacht Als je niet weet of je een -t of -d moet spellen, kun je het voltooid deelwoord langer maken. Dan hoor je of je -t of -d moet schrijven: geleerde, gemaakte. Je kunt ook gebruikmaken van ’t kofschip. Als de laatste letter van de stam eindigt op een letter die in ’t kofschip zit, schrijf je +t. Zit de letter niet in ’t kofschip, dan schrijf je +d.
Opdracht 5 T1
B
Lees tekst 3. Het is een nieuwsbericht. Vul op de genummerde plekken het goede voltooid deelwoord in.
Tekst 3 In de herfstvakantie zijn ook dit jaar veel mensen op vakantie (1 gaan). Een onderzoeksbureau heeft aan Nederlanders een aantal dingen (2 vragen). Ze wilden weten of mensen een museum of pretpark hebben (3 bezoeken). De meeste mensen zijn inderdaad een dagje weg (4 zijn). Bijna niemand heeft in de herfstvakantie (5 kamperen). Daarvoor is het vaak te koud. De meeste vakantiegangers hebben daarom een huisje (6 boeken). Niet iedereen heeft tegelijk vakantie. De vakanties zijn over drie regio’s in Nederland (7 verdelen).
81
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 81
9/11/15 13:35
Spelling
2
2.10 Samenstellingen Opdracht 6 T1
B
1 Kies steeds een woord uit de eerste kolom en één uit de tweede kolom. Maak met deze twee woorden een nieuw woord. Je mag de woorden uit de kolommen maar één keer gebruiken. fiets
plank
deur
lamp
slag
bed
lees
doos
stapel
boom
schoenen
klink
boeken
bel
kastanje
hout
2 Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot. Hebben jullie dezelfde woorden gemaakt?
De woorden die je in opdracht 6 hebt gemaakt, zijn samenstellingen. Hierbij maak je van bestaande woorden een nieuw woord.
R
voorbeeld bank + stel = bankstel fiets + ventiel + dopje = fietsventieldopje school + rug + tas + rits = schoolrugtasrits
82
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 82
9/11/15 13:35
2
Spelling
Soms moet je daartussen -e of -en schrijven. In het volgende schema zie je wanneer je een tussen-n moet schrijven. Is het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord? ja nee Schrijf -e-: platteland (van het bnw plat) huilebalk (van het ww huilen)
Heeft het eerste deel (ook) een meervoud op -s? ja
nee Schrijf -en: lampenkap koekenpan
Schrijf -e: gedachtegang aspergesoep
Er zijn een paar uitzonderingen op deze regel. Je schrijft geen tussen-n als: • het eerste deel het tweede deel versterkt: beregoed, apetrots; • er van het eerste deel maar één bestaat: zonnestraal, maneschijn; • het eerste deel geen meervoud heeft: rijstepap, roggebrood. Soms moet je een tussen-s toevoegen. Die schrijf je als je hem hoort. voorbeeld dorp + kerk = dorpskerk oorlog + gebied = oorlogsgebied
Opdracht 7 T1
B
T1
B
Maak samenstellingen met de volgende woorden. 1 seconde + wijzer 9 station + plein 2 bejaarde + flat 10 mening + verschil 3 tarwe + bloem 11 horloge + bandje 4 peer + sap 12 goed + morgen 5 breken + been 13 meisje + fiets 6 hebben + ding 14 zaak + man 7 arm + lui 15 kat + bak 8 zon + stelsel Maak het dictee. Luister hiervoor naar de instructies van je docent.
83
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 83
9/11/15 13:35
Over taal
2
Hang je weleens aan iemands lippen? Gelukkig niet, denk je misschien. Toch zijn docenten blij als leerlingen aan hun lippen hangen! Aan iemands lippen hangen betekent heel goed luisteren. De taal zit vol met zinnen die iets anders betekenen dan wat er precies staat. Hiermee ga je oefenen. Je oefent ook met samenstellingen.
Aan het einde van deze paragraaf: • begrijp je de betekenis van verschillende schooltaalwoorden; • begrijp je de betekenis van verschillende woorden uit leesteksten; • weet je wat figuurlijke taal is; • herken je samenstellingen.
2F
2.11 Woordenschat Schooltaalwoorden Opdracht 1
B
Lees de zinnen en schrijf de vetgedrukte woorden op. Schrijf de goede betekenis erachter. Gebruik het Stappenplan moeilijke woorden op pagina 33. Kies uit: bijzonder – gebruiken – laten zien – meer wordt – minder wordt – voor niets. 1 De docent wiskunde van de tweede klas is buitengewoon tevreden. 2 Dat komt omdat het aantal onvoldoendes voor wiskunde afneemt. 3 Alle leerlingen staan nu een voldoende voor wiskunde. Dat is nog nooit vertoond! 4 Ze begrijpen de regels en kunnen ze ook toepassen in de sommen, ze weten wanneer ze welke regel moeten gebruiken. 5 De docent weet niet waarom het aantal zevens en achten toeneemt. 6 Hij heeft het al een paar keer in de klas gevraagd, maar tevergeefs. De leerlingen weten het ook niet. Kies uit: bij elkaar legt wat bij elkaar hoort – heeft controle over – heb nodig – toch – weet wat kan en wat niet kan. 7 Als je je spullen beter ordent, raak je niet zo veel spullen kwijt. 8 Ik heb in de winter een grotere behoefte aan slaap dan in de zomer. 9 Anna is een goede voetbalster. Ze beheerst de bal als geen ander. 10 Sem is heel blij dat hij is toegelaten tot de vooropleiding Dans maar hij is ook realistisch. Het is nog lang niet zeker dat hij danser kan worden. 11 Er is slecht weer voorspeld. Desondanks gaat het festival door.
84
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 84
9/11/15 13:35
2
Over taal
Woorden uit teksten Opdracht 2
B
Lees de zinnen en schrijf de vetgedrukte woorden op. Kies de goede betekenis en schrijf hem achter het woord. Gebruik het Stappenplan moeilijke woorden. 1 De voetbalvereniging zamelt kleren in voor de mensen in Nepal die alles verloren hebben door de aardbeving. haalt veel op / verkoopt 2 De gymleraar geeft je een zeven als je voldoende inzet toont. kracht / moeite 3 Mijn moeder denkt dat ik niets doe, maar ik ben aan het ontspannen. nadenken / mezelf rustig maken 4 Als er een lesuur uitvalt, staat het in Magister. Dat is wel een goed systeem. manier waarop iets is georganiseerd / moment waarop iets belangrijks gebeurt 5 Volgens De Kledingbibliotheek is het hergebruik van kleren niet alleen belangrijk, maar ook heel leuk. het repareren van spullen / het opnieuw gebruiken van spullen 6 De wethouder houdt een enquête onder jongeren omdat hij wil weten hoe het met de jongeren in de gemeente gaat. een buurtcentrum met veel activiteiten / een onderzoek door aan veel mensen dezelfde vragen te stellen 7 De docent wil met de leerlingen een gesprek aangaan over roken op het schoolplein. luisteren / beginnen 8 Als je een moeilijke beslissing moet nemen, kun je het best er een nachtje over slapen. er nog eens goed over nadenken / informatie over opzoeken 9 Je moet altijd rein zijn als je in een moskee gaat bidden, dus je wast je eerst. schoon / stil 10 Alleen experts kunnen zulke ingewikkelde computerproblemen oplossen. mensen die veel geld verdienen / mensen die veel verstand van iets hebben Opdracht 3
B
Schrijf de zinnen over. Vul in elke zin een vetgedrukt woord uit opdracht 2 in. 1 Nederland is beroemd om zijn kennis over water. Nederlandse … helpen daarom vaak bij overstromingen overal ter wereld. 2 Mensen gaan in het weekend naar het park om te … . 3 Uit de … blijkt dat de meeste ouders tevreden zijn over de school. 4 De jongeren willen een discussie … met de politie, want ze zijn boos. 5 Anna heeft een aanzoek gekregen van Yoram, maar ze wil … voor ze antwoord geeft. 6 De klas gaat oude mobiele telefoons … voor ClinicClowns. Voor elke telefoon krijgt CliniClowns drie euro. 7 Door de geweldige … van Joanne is de actie een succes geworden. 8 Gooi glas altijd in de glasbak, want glas is heel geschikt voor … . 9 We hebben een handig … bedacht om geld te sparen. 10 In veel godsdiensten is het belangrijk dat het lichaam en de geest … zijn.
85
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 85
9/11/15 13:35
Over taal
2
Opdracht 4 B
Welk zelfstandig naamwoord hoort bij het werkwoord? En welk werkwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord? Neem het schema over en vul aan. werkwoord 1
hergebruiken
2 3
zelfstandig naamwoord
de inzameling zich inzetten voor
4
de ontspanning
Opdracht 5 I
Zoek bij de woorden hieronder een plaatje in de krant of op internet. Leg uit waarom het plaatje bij het woord past. 1 het hergebruik 3 inzamelen 5 de expert 2 de enquĂŞte 4 ontspannen
2.12 Kijk naar taal Samenstellingen R
Je hebt geleerd dat je nieuwe woorden kunt maken door twee of meer woorden aan elkaar te plakken. Een taart met vruchten is een vruchtentaart en een hotel met drie sterren is een driesterrenhotel. Een woord dat uit twee of meer woorden bestaat, noem je een samenstelling. Kijk bij een lang woord uit welke woorden het woord bestaat. Dan begrijp en onthoud je het woord vaak beter.
86
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 86
9/11/15 13:35
2
Over taal
Opdracht 6 B
In schoolboeken staan vaak moeilijke samenstellingen. De volgende woorden horen bij het vak aardrijkskunde. 1 Schrijf bij elk woord op uit welke woorden het bestaat. a de bevolkingsgroei b de gletsjerrivier c het hooggebergteklimaat d het sterfteoverschot e de vulkaanuitbarsting f de lagelonenlanden 2 Bespreek met een klasgenoot wat elk woord betekent. Schrijf de betekenis achter de woorden. Opdracht 7
I
1 Schrijf deze week tien samenstellingen op die je tegenkomt bij de andere vakken dan Nederlands. 2 Schrijf van elke samenstelling op uit welke woorden hij bestaat en schrijf de betekenis van de samenstelling op.
Uitdrukkingen Aan iemands lippen hangen en het komt me de neus uit. De Nederlandse taal zit vol met zulke uitdrukkingen. De uitdrukkingen maken de taal leuk, maar soms ook moeilijker. R
Uitdrukkingen zijn voorbeelden van figuurlijke taal: de woorden worden in een andere betekenis gebruikt. Zo zoek je een uitdrukking op in het woordenboek: – Kies het belangrijkste woord van de uitdrukking. – Zoek dat woord op. – Heb je de uitdrukking niet gevonden? Zoek dan bij een ander woord in de uitdrukking.
87
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 87
9/11/15 13:35
Over taal
2
Opdracht 8
B
Lees tekst 4. Schrijf de vetgedrukte uitdrukkingen uit de tekst over en schrijf de betekenis erachter. Gebruik het Stappenplan moeilijke woorden.
Tekst 4 Mijn oom is marktkoopman en vandaag ga ik hem een dag helpen. Zelfs mijn ouders liggen nog op een oor, als ik al druk bezig ben met het opzetten van de kraam. Ik heb een dikke jas aan maar ik sterf van de kou. Mijn oom vertelt wat ik allemaal moet doen, maar ik kan het niet onthouden, het gaat het ene oor in en het andere oor weer uit. Dan komen de eerste klanten. Snijbonen, eh hoe zien die eruit? Een kilo voor 1,98. Wat kost een half pond dan? Even sta ik met de mond vol tanden, maar het lukt. Nooit geweten dat je zo goed moet kunnen rekenen op de markt! Aan het eind van de dag loop ik op mijn tandvlees, zo moe ben ik. Mijn oom is heel tevreden en vraagt of ik morgen weer kom. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt!
Opdracht 9
I
In Nederland is veel water en daarom zijn er in de taal veel uitdrukkingen die met water te maken hebben. Zoek op internet naar uitdrukkingen die met water te maken hebben. Schrijf vier uitdrukkingen op die je nog niet kende. Schrijf de betekenis erachter. Opdracht 10
I
Docenten gebruiken vaak uitdrukkingen. Luister vandaag en morgen goed in de lessen. 1 Hoor je een uitdrukking? Schrijf haar op. Schrijf de betekenis erachter. 2 Vraag je docent wat de uitdrukking betekent als je dat niet weet.
Met het hoofd in de wolken lopen
88
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 88
9/11/15 13:35
2
Lezen
In aansporende teksten wil de schrijver jou ertoe overhalen om iets te doen. Hij gebruikt allerlei middelen: mooie afbeeldingen, overtuigende woorden, grapjes of een beetje overdrijving. Lees grondig en laat je niet zomaar overhalen. Ook informatieve afbeeldingen moet je goed ‘lezen’ om het verhaal bij de plaatjes te begrijpen.
Aan het einde van deze paragraaf: • kun je een tekst grondig lezen; • herken je een aansporende tekst; • kun je een infographic of informatieve afbeelding lezen.
2F
2.13 Leesmanieren Grondig lezen Als je een tekst goed wilt begrijpen, dan moet je die grondig lezen. In het Leesplan staat bij tijdens het lezen hoe je dat doet. Ook de volgende tips kunnen je helpen: • Bedenk bij elke alinea wat de belangrijkste informatie is. • Zeg na elke alinea in je eigen woorden wat je gelezen hebt. • Stel jezelf vragen over de tekst. Vergeet niet dat je altijd begint met het verkennen van een tekst!
R
Opdracht 1 T1
B
T2
I
Verken tekst 5. 1 Uit hoeveel alinea’s bestaat de tekst? 2 Voorspel het onderwerp van de tekst. Lees de tekst nu grondig. 3 In de eerste alinea staat de belangrijkste informatie uit de tekst. Wat staat er in de alinea’s erna? Zet de deelonderwerpen in de goede volgorde: advies aan scholen – resultaten van het onderzoek – de biologische klok van pubers – advies aan de lezer. 4 De titel vertelt niet duidelijk waar de tekst over gaat. Bedenk een titel die beter bij het onderwerp van de tekst past.
89
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 89
9/11/15 13:35
Lezen
T1 T2
B I
2
5 a Schrijf de betekenis op van analyseerden (regel 5). b Neem uit de tekst een omschrijving over van presteren (regel 7). c Zeg in eigen woorden luidde het advies (regel 15). d Zeg in eigen woorden er is al een school overstag gegaan (regel 17). Verwerk de inhoud van de tekst. 6 Wat is voor jou het fijnste tijdstip om een toets te maken? Hoe komt dat? 7 Vind jij het advies van Amy en Anne een goed advies? Geef een reden voor je keuze.
Tekst 5 Een uurtje langer slapen dankzij werkstuk Pubers kunnen beter een uurtje langer slapen dan ’s ochtends vroeg naar school. Dan halen ze betere cijfers. Dat hebben Amy en Anne met hun werkstuk bewezen.
5
10
15
20
Luie pubers? De meisjes analyseerden duizenden toetscijfers en bijbehorende toetstijdstippen. Zo ontdekten ze op welk moment van de dag scholieren het best presteren. Nou, tijdens het eerste lesuur kregen de leerlingen minder voor elkaar: dan waren de cijfers gemiddeld een half punt lager dan later op de dag. Pubers vallen nou eenmaal laat in slaap en willen ’s ochtends liever wat langer blijven liggen. Zijn pubers dan zo lui? Welnee. Zodra je in de puberteit komt, verandert je biologische klok en blijf je langer wakker. Als de wekker ’s ochtends gaat, voelt het voor een puber als midden in de nacht. Geen vroege toetsen ‘Begin de lessen voortaan iets later en toets niet te vroeg’, luidde het advies van Amy en Anne aan scholen. Hun eigen schooldirecteur wil er eerst nog een nachtje over slapen, maar er is al een school overstag gegaan. Vanaf september beginnen de meeste leerlingen daar niet meer om 08.10 uur maar om 9.00 uur. Zou jij dat ook wel willen? Je kunt natuurlijk altijd eens met je eigen schooldirecteur gaan praten. Naar: Langer slapen dankzij PWS op www.sevendays.nl.
90
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 90
9/11/15 13:35
2
Lezen
Opdracht 2 T1
B
T 2 T1 I
T 2
I B
T1
Verken tekst 6. 1 De tekst heeft geen tussenkopjes. Hoe komt het dat je toch goed kunt zien wat het onderwerp van de tekst is? 2 Schrijf een vraag op waarop je in tekst 6 antwoord denkt te krijgen. 3 Wat is de tekstsoort van tekst 6? Lees tekst 6 grondig. 4 Wat zie jij voor je als je alinea 1 leest? 5 Welke tip voor grondig lezen uit de theorie (pagina 89) heeft de schrijver van de tekst gebruikt in alinea 2? 6 Schrijf de betekenis op van: a de consument (regel 9) b sorteren (regel 19) 7 Wat is het deelonderwerp van alinea 3? 8 Maak een schema waarin je de informatie uit alinea 4 en 5 laat zien. Gebruik pijlen en niet meer dan dertig woorden. 9 Bedenk een tussenkopje voor alinea 4. 10 ‘De verwachting is dat de stijgende lijn zich de komende jaren zal voortzetten.’ (regel 27-28) Bedenk wat deze zin betekent en schrijf hem daarna op in andere, gemakkelijker woorden. 11 In welke zin in de tekst probeert de schrijver je over te halen om iets te doen?
Tekst 6 Van plastic afval tot nieuw product
5
10
15
Het gaat goed met de inzameling van plastic verpakkingsafval. Vorig jaar is er maar liefst 130 kiloton plastic verpakkingsafval ingezameld. Dat zijn drie goedgevulde voetbalstadions zoals de Amsterdamse Arena of de Rotterdamse Kuip. Dat het zo goed gaat komt onder meer door de inzet van de Nederlandse consument: jij dus (en je ouders)! Met het inzamelen gaat het dus goed, maar wat gebeurt er eigenlijk met die ingezamelde verpakkingen? Plastic Heroes, met het oranje mannetje als symbool, staat voor het systeem van inzameling en hergebruik van plastic verpakkingen. De meeste gemeenten zamelen die gescheiden in. Het wordt opgehaald aan huis in een zak of speciale bak of je kunt het wegbrengen naar een speciale container. Maar er zijn ook gemeenten die het plastic later uit het restafval laten halen.
Lees verder op de volgende pagina.
91
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 91
9/11/15 13:35
Lezen
20
25
2
Als de gemeente het plastic bij jou thuis heeft opgehaald of de containers heeft geleegd, wordt het materiaal via een overlaadstation vervoerd naar speciale sorteerinstallaties. Er zijn er vijf: vier in Duitsland en sinds 2011 een in Rotterdam. Deze installaties sorteren het ingezamelde vuil op soort en kwaliteit. Hiervan is op dit moment ruim 75% geschikt voor hergebruik. Het is natuurlijk de bedoeling om zo veel mogelijk materiaal te hergebruiken, zodat het kan worden ingezet als grondstof voor nieuwe producten. Als het plastic is gesorteerd, gaat het vervolgens naar recyclebedrijven. Daar maken ze er een grondstof van. Dat is dan de basis van allerlei nieuwe producten: tuinstoelen, bloempotten, truien, draagtassen, jerrycans, opbergmandjes en speelgoed. Al met al een goede ontwikkeling. De verwachting is dat de stijgende lijn zich de komende jaren zal voortzetten. Meer weten over Plastic Heroes? Ga naar www.plastic-heroes.nl. Van plastic afval tot nieuw product, www.kidsweek.nl.
2.14 Tekstsoorten Aansporende teksten Het doel van een aansporende tekst is de lezer ertoe overhalen iets te doen. Dat kunnen verschillende dingen zijn, bijvoorbeeld een product kopen, lid worden van een club, een festival bezoeken, naar een museum gaan of geld geven voor een goed doel.
R
tekstdoel
tekstsoort
tekstvorm
overhalen
aansporende tekst: de lezer aansporen reclame, advertentie, folder, poster, iets te doen of te kopen oproep, brief
Aansporende teksten hebben een of meer van deze kenmerken: • weinig tekst; • speciale woorden om de lezer mee over te halen; • overdrijving; • woordgrappen, humor, rijm, nieuwe woorden; • grote of opvallend gedrukte woorden; • opvallende afbeeldingen; • tekst en afbeeldingen vullen de hele pagina.
92
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 92
9/11/15 13:35
2
Lezen
Opdracht 3 T1 T2
B
Zoek twee aansporende teksten in de krant, in een tijdschrift of op internet. 1 Schrijf bij elke tekst op: a waaraan je ziet dat het een aansporende tekst is; b wat de schrijver wil dat je gaat doen of kopen. Wissel je teksten uit met die van een klasgenoot. 2 Wat zijn de kenmerken van aansporende teksten? Maak samen een lijst met in elk geval vier kenmerken. Opdracht 4
T1 T2 T1
B I B
Lees tekst 7 grondig. 1 Hoe zie je aan de titel dat tekst 7 een aansporende tekst is? 2 Tot welke twee dingen word je in deze tekst aangespoord? 3 Gaat tekst 7 over hetzelfde onderwerp als tekst 6? Leg je antwoord uit. 4 Geef een verschil aan tussen tekst 6 en tekst 7 als je kijkt naar het onderwerp. Lees tekst 8 en 9. 5 Welke kenmerken van een aansporende tekst zie je in tekst 8? 6 Waar probeert tekst 8 je toe over te halen? 7 a Welk kenmerk van aansporende teksten valt het meest op in tekst 9? b Waarom is dat kenmerk gebruikt in deze tekst? 8 Waar probeert tekst 9 je toe over te halen?
Tekst 7 Schoon en rein zal mijn sportclub zijn! Mijn naam is Sandy en ik werk voor Nedvang. Dat staat voor Nederland van Afval naar Grondstof. Klinkt goed, hè? Ik vond het superleuk dat ik samen met Kidsweek aan de Recyclekrant mocht werken. Met mensen van Wecycle en stichting Papier en Karton bedachten we leuke onderwerpen waarmee we goed konden uitleggen hoe belangrijk het recyclen van verpakkingen (van papier, glas, plastic, blik en hout) en elektrische apparaten is. In de krant vond je ook de oproep voor Schoonste club van Nederland: ga jij de uitdaging aan met FC Volendam en wordt jouw club de schoonste van Nederland? De oproep maakte nogal wat los, want de aanmeldingen stroomden en stromen binnen! Heel veel clubs vinden afval scheiden en alles netjes aan kant hebben erg belangrijk. Op de Facebookpagina vind je filmpjes van kinderen die de uitdaging aangaan om de schoonste club van Nederland te worden. Je kunt nog steeds meedoen. Meld jouw club ook aan op www.schoonsteclubvannederland.nl. Lees verder op de volgende pagina.
93
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 93
9/11/15 13:35
Lezen
2
Heb jij de Recyclekrant gemist? Je kunt een mailtje sturen met je adresgegevens naar info@recyclekrant.nl. We sturen je er nog een op, zodat jij straks een echte recycle-expert bent! Advertentie in Kidsweek.
Tekst 8
Tekst 9
94
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 94
9/11/15 13:35
2
Lezen
2.15 Tekst en beeld Infographic Een andere tekstvorm waarin de afbeeldingen duidelijk opvallen, is de infographic of informatieve afbeelding. De afbeeldingen vormen één geheel met de tekst. Ze zijn beide even belangrijk en versterken elkaar. Een deel van de informatie lees je in de tekst, een ander deel zie je in de afbeeldingen. Het doel van deze tekstvorm is de lezer snel een grote hoeveelheid informatie te geven. Een informatieve afbeelding hoef je niet altijd van boven naar beneden te lezen.
R
Opdracht 5 T1
T2 T1
Verken tekst 10 op www.opniveau-online.nl. Gebruik het Leesplan (pagina 297). 1 Wat is het onderwerp van tekst 10? 2 Wat is de tekstsoort? 3 Wat is het tekstdoel? Lees de tekst nu grondig. 4 Schrijf de volgende woorden onder elkaar. Zet de betekenis erachter. Gebruik het Stappenplan moeilijke woorden (pagina 33). populair – tropisch – aandoenlijk – strandjutten 5 Vertel in eigen woorden wat wordt bedoeld met ‘Het strand biedt meer dan alleen zonnebaden’. 6 Wat is het antwoord op de vraag ‘Zijn stranden dit jaar populairder dan vorig jaar?’ Leg je keuze uit. 7 Hoeveel procent van de Nederlanders houdt van het strand? 8 Wat doen de meeste mensen op het strand? 9 Welke activiteit doen de meeste mensen in het water? Verwerk de inhoud van tekst 10. I 10 In Nederland is het niet zo vaak ‘strandweer’. Toch gaan er elke dag mensen naar het strand. Maak een tekening met korte teksten waarin je laat zien wat je in Nederland nog meer op het stand kunt doen, ook als het weer niet zo mooi is.
B
Opdracht 6 T1
T2
I
Werk samen met twee klasgenoten. Jullie maken een infographic van tekst 5. 1 Maak twee kolommen. Schrijf boven de ene kolom Probleem en boven de andere kolom Oplossing. 2 Maak of zoek afbeeldingen die het probleem en de oplossing uit tekst 5 duidelijk maken. Verwerk deze in de infographic samen met woorden en korte zinnen. 3 Laat in de beeldtekst duidelijk zien welke redenen er zijn om de lessen later te laten beginnen.
95
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 95
9/11/15 13:35
Schrijven
2
Reclame is overal om je heen: op televisie, op de radio, in kranten en tijdschriften, op billboards en op internet. Het doel van reclame is altijd overhalen. De bedoeling is dat de lezer, luisteraar of kijker iets gaat kopen. In deze paragraaf ga je zelf reclameteksten schrijven. Je gebruikt daarbij woorden die professionele reclamemakers ook gebruiken.
Aan het einde van deze paragraaf: • kun je een reclametekst schrijven; • weet je wat woorden met een positieve of negatieve gevoelswaarde zijn.
2F
2.16 Informerende tekst Opdracht 1
T1
I
Stel je voor: je moet voor economie een werkstuk maken. Je wilt beginnen met een interessant hoofdstuk over reclame. 1 Neem het schrijfplan over en vul het in. Onderwerp: … Tekstdoel: informeren Tekstsoort: … Publiek: … 2 Maak een woordweb met als onderwerp reclame. 3 Omcirkel vijf woorden in je woordweb waarover je zou willen schrijven. Dit zijn de deelonderwerpen voor je tekst.
Informatie zoeken op internet Internet biedt een schat aan informatie. Om die informatie te vinden die jij nodig hebt, typ je zo precies mogelijk waar je naar op zoek bent. • Wil je informatie over de bekende formule 1-coureur Max Verstappen, typ dan niet alleen Verstappen. Dan krijg je veel te veel zoekresultaten. Ook van anderen met deze achternaam. • Typ je Max Verstappen, dan is het aantal treffers al veel kleiner. • Nog beter kun je typen “Max Verstappen” (met dubbele aanhalingstekens). Dan heb je nog minder treffers. • Als je wilt weten of Max Verstappen weleens ergens reclame voor maakt, typ dan “reclame Max Verstappen”. Dan zie je nog maar een paar zoekresultaten. Als je te weinig zoekresultaten krijgt, laat je de aanhalingstekens weg.
R
96
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 96
9/11/15 13:35
2
Schrijven
Opdracht 2 T1
I
T2
T
T 1
1 Verzamel op internet informatie over de deelonderwerpen die je hebt gekozen in opdracht 1. 2 Schrijf de kladversie van je tekst. Je tekst bestaat uit zeven alinea’s: inleiding, vijf alinea’s over de verschillende deelonderwerpen, slot. 3 Maak een nette versie van je tekst. Dat doe je zo: – Verdeel je tekst in zeven alinea’s. – Plaats twee tussenkopjes in je tekst. – Zet een titel boven je tekst. – Houd rekening met de Afspraken en regels Schrijven 1 tot en met 5 (pagina 296). Opdracht 3
T1
T
Laat de nette versie van je tekst beoordelen door een klasgenoot. Hij of zij vult het beoordelingsformulier in. Opdracht 4
T2
T
Bekijk het beoordelingsformulier dat je klasgenoot heeft ingevuld bij je tekst. Maak nu een verbeterde, nette versie van je tekst. Bewaar deze goed.
97
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 97
9/11/15 13:35
Schrijven
2
2.17 Reclametekst Een reclametekst is een tekst waarmee je de lezer wilt overhalen, bijvoorbeeld om iets te kopen of te doen. Het publiek is erg belangrijk. Je tekst moet een bepaald publiek overhalen om in actie te komen.
R
Om je doel te bereiken, moet je reclametekst er opvallend uitzien en aantrekkelijk zijn voor je publiek. Je kunt verschillende kleuren en lettertypes en -groottes gebruiken. Ook kun je woorden en zinnen vet maken en er een uitroepteken achter zetten. Je kunt je tekst nog meer laten opvallen door illustraties te plaatsen die jouw publiek aanspreken.
Opdracht 5
T1
I
T
Je gaat nu zelf een reclametekst schrijven die bedoeld is voor jongeren van je eigen leeftijd. 1 Kies het product dat jou het meest aanspreekt. Je kunt kiezen uit: – de televisiezender 24FUN met non-stop series voor jongeren; – de smartphone Samsung XR73 met de allernieuwste snufjes; – het boek Achter de draad van Hans Kuyper. 2 Neem het schrijfplan over en het vul het aan. Onderwerp: … Tekstdoel: … Tekstsoort: … Publiek: … 3 Schrijf een kladversie van je reclametekst van maximaal tachtig woorden. Gebruik taal die bij je publiek past.
98
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 98
9/11/15 13:35
2
Schrijven
2.18 Woorden met gevoelswaarde Woorden kunnen een positieve of een negatieve gevoelswaarde hebben.
R
voorbeeld dame (positieve gevoelswaarde)
wijf (negatieve gevoelswaarde)
Als je een reclametekst schrijft, gebruik je vooral woorden met een positieve gevoelswaarde als je over je product vertelt. voorbeeld uniek, extra, voordeel, gratis
Opdracht 6 T1
B
Kijk nog eens goed naar de reclametekst die je bij opdracht 5 hebt geschreven. 1 Schrijf de woorden met een positieve gevoelswaarde op. 2 Bedenk nog meer woorden met een positieve gevoelswaarde die passen in een reclametekst. Zorg ervoor dat je in totaal acht woorden met een positieve gevoelswaarde hebt opgeschreven. 3 Laat je woorden zien aan een klasgenoot. 4 Hoeveel van de acht woorden hebben volgens jouw klasgenoot een positieve gevoelswaarde? Schrijf het aantal op. Opdracht 7
T2
T
Het automerk Honda brengt een nieuw model uit: de Brio. De Brio is een kleine stadsauto. In tekst 11 staan de kenmerken van de auto genoemd. Jij gaat deze tekst zo aanpassen dat het een echte reclametekst wordt. Gebruik daarvoor woorden met een positieve gevoelswaarde.
99
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 99
9/11/15 13:35
Schrijven
2
Tekst 11 De Honda Brio De nieuwe Brio verbruikt gemiddeld vier liter benzine per honderd kilometer. De Brio haalt een topsnelheid van 180 kilometer per uur en trekt in elf seconden op naar honderd. De Brio biedt plaats aan twee volwassenen, drie kinderen en hun bagage. De Brio heeft een zachte vering. De Brio is er vanaf € 11.995,-. Je krijgt vijf jaar garantie.
Eindopdracht Toets Opdracht 8
T 1 T2
T
T1
T2
Bij opdracht 5 heb je een reclametekst gemaakt die bestemd was voor jongeren. Nu ga je een reclametekst schrijven voor volwassenen. 1 Kies hetzelfde soort product als bij opdracht 4: – de televisiezender 24SEVEN met non-stop Engelse detectiveseries; – de gebruiksvriendelijke smartphone Samsung XR73 met de nieuwste snufjes; – de thriller Contact verbroken van Hans Kuyper, zijn eerste boek voor volwassenen. 2 Schrijf een kladversie van een reclametekst van maximaal honderd woorden. Let op de volgende punten: – gebruik taal die bij je publiek past; – gebruik minstens acht woorden met een positieve gevoelswaarde; – houd rekening met de Afspraken en regels Schrijven 1 tot en met 5; – gebruik opvallende letters en uitroeptekens; – zoek een geschikte afbeelding bij je tekst; – verdeel je tekst en de afbeelding mooi over de pagina. 3 Laat de kladversie lezen aan een klasgenoot. Vraag je klasgenoot twee tips om je reclametekst te verbeteren. Schrijf de tips op. 4 Maak een nette versie van je reclametekst. Gebruik de tips van je klasgenoot. Opdracht 9
T2
I
In deze paragraaf heb je twee reclameteksten over hetzelfde soort product geschreven: – een reclametekst voor jongeren; – een reclametekst voor volwassenen. 1 Welke tekst vond je het moeilijkst om te schrijven? Leg je antwoord uit. 2 Over welke tekst ben je het tevredenst? Leg je antwoord uit. 3 Wat ga je de volgende keer anders doen als je een reclametekst moet schrijven?
100
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 100
9/11/15 13:35
2
Spreken, kijken en luisteren
Als je het niet met elkaar eens bent, hoef je niet meteen ruzie te krijgen. Je kunt ook een discussie voeren en je mening duidelijk uitleggen aan de ander. In deze paragraaf bekijk je een paar spannende discussies. Natuurlijk ga je ook zelf discussiëren.
Aan het einde van deze paragraaf: • weet je waar je op moet letten als je naar een discussie kijkt; • weet je welke regels er zijn bij het voeren van een discussie; • kun je een discussie voeren.
2F
2.19 Kijken en luisteren Opdracht 1
T1
B T2 T1
I
Kijk en luister globaal naar fragment 1. In het Kijk- en luisterplan (pagina 298) staat bij voor het kijken en luisteren hoe je dit doet. 1 Wat is het onderwerp? 2 Wat weet je al over het onderwerp? Noem twee dingen. 3 Schrijf jouw mening over het onderwerp op. Schrijf ook op waarom je dit vindt. 4 Wat is het spreekdoel? Lees vraag 5 en 6. Kijk en luister dan gericht naar het fragment en beantwoord de vragen. Gebruik tijdens het kijken en luisteren uit het Kijk- en luisterplan. 5 Beschrijf de lichaamstaal van de eerste spreker. Ga in op lichaamshouding, oogcontact en gezichtsuitdrukking. 6 Beschrijf het stemgebruik van de tweede spreker. Ga in op toonhoogte, volume en intonatie. 7 Vind je dat het stemgebruik van de tweede spreker past bij het spreekdoel? Leg je antwoord uit.
Discussie R
Als je het niet (helemaal) met elkaar eens bent, kun je een discussie voeren. Een discussie wordt gevoerd aan de hand van een stelling. voorbeeld Gewelddadige games moeten verboden worden.
101
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 101
9/11/15 13:35
Spreken, kijken en luisteren
2
De deelnemers aan een discussie proberen elkaar ervan te overtuigen dat zij gelijk hebben. Met andere woorden: dat hun mening de goede is. Om dat te bereiken, geven ze redenen voor hun mening. Die redenen noem je argumenten. voorbeeld Gewelddadige games moeten verboden worden, want anders gaan gamers geweld in het dagelijks leven ook normaal vinden.
Opdracht 2 T2 T1
B
T2
I
Bekijk het fragment uit opdracht 1 nog een keer. 1 Op welke stelling reageren de sprekers? 2 Schrijf de argumenten op die de sprekers noemen. 3 Ben jij het eens of oneens met de stelling? Leg je antwoord uit. Opdracht 3
T1
B
I T2
Kijk naar fragment 2. Gebruik na het kijken en luisteren uit het Kijk- en luisterplan (pagina 298). 1 Bij de vorige opdracht heb je opgeschreven wat de stelling is. Is de eerste spreker uit dit fragment het eens of oneens met de stelling? Leg je antwoord uit. 2 Bij de vorige opdracht heb je opgeschreven welke argumenten worden genoemd. Welk nieuw argument wordt in dit fragment gebruikt? 3 Wat doet de persoon die de discussie leidt in dit fragment? 4 Vind je dat de deelnemers zich respectvol gedragen? Leg je antwoord uit. 5 In dit fragment komen vijf deelnemers aan het woord. Welke deelnemer gebruikt volgens jou zijn of haar lichaamstaal het best? Van welke deelnemer past de lichaamstaal het best bij het spreekdoel? Leg je antwoord uit. 6 Welke deelnemer vind je het overtuigendst? 7 Is jouw mening over het onderwerp veranderd, na het kijken van dit fragment? Schrijf ook op waardoor je mening wel of niet is veranderd. Opdracht 4
T2 T1
B
Bekijk fragment 3. Gebruik het Kijk- en luisterplan (pagina 298). 1 Over welke stelling discussiĂŤren de deelnemers? 2 Schrijf de namen op van de vier deelnemers. Schrijf erachter of ze het met de stelling eens of oneens zijn. 3 Wat doet de discussieleider?
102
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 102
9/11/15 13:35
2
T2
I
T1 T2
B I
Spreken, kijken en luisteren
Lees vraag 4 tot en met 7. Kijk en luister dan gericht naar het fragment en beantwoord de vragen. 4 Wat bedoelt Chris met: ‘Er staat een heel leger hulpverleners klaar?’ 5 Welke twee synoniemen geeft Lies voor gevangeniscel? 6 Wat zijn recidivisten? 7 Welk voorbeeld noemt Shehab? 8 Ben jij het eens of oneens met de stelling? Leg je antwoord uit. 9 Welk van de genoemde argumenten vind jij het overtuigendst? Leg je antwoord uit.
2.20 Gesprekken Meedoen aan een discussie: tips Als je zelf meedoet aan een discussie, denk dan eerst goed na over de stelling. Bepaal of je het met de stelling eens bent of niet: je neemt een standpunt in. Bedenk goede argumenten waarmee je de andere deelnemers kunt overtuigen. Uiteindelijk wil je dat de anderen er net zo over gaan denken als jij. Tijdens een discussie wil je natuurlijk geen ruzie krijgen, maar je wilt wel duidelijk laten weten wat je van de stelling vindt. Gebruik de volgende tips: • Laat elkaar uitspreken. Praat niet door een ander heen. • Luister naar wat de anderen zeggen en reageer daarop met een goed argument. • Toon begrip voor de mening van de anderen, ook al ben je het er niet mee eens. • Gebruik krachtige woorden, maar overdrijf niet. (Zeg niet: ‘Je bent hartstikke dom als je niet ziet dat …’, maar zeg: ‘Het is ontzettend belangrijk dat …’.)
Opdracht 5 T2
I
Hieronder staat een aantal stellingen. 1 Bepaal bij elke stelling je standpunt. 2 Bedenk bij elke stelling twee argumenten die je standpunt ondersteunen.
Stellingen: • De zomervakantie moet met twee weken worden ingekort en de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie moeten een week langer duren. • Leerlingen die veel onvoldoendes halen, moeten niet blijven zitten, maar verplicht worden bijgespijkerd op een Summer School. • Er moeten camera’s worden opgehangen op het schoolplein en in de aula. • Alle leerlingen moeten hun huiswerk aan het eind van de dag onder toezicht op school maken. • Er moeten meer lesuren komen voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde.
103
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 103
9/11/15 13:35
Spreken, kijken en luisteren
T
I
2
3 Zoek een klasgenoot die over een of meer van de stellingen een ander standpunt heeft dan jij. Bepaal over welke stelling jullie willen discussiëren. 4 Voer een discussie van twee minuten met je klasgenoot. Houd rekening met de tips uit de theorie. 5 Bespreek de discussie na met je klasgenoot. Beantwoord de volgende vragen: – Hebben jullie elkaar uit laten praten? – Zijn jullie ongeveer even lang aan het woord geweest? – Hebben jullie goed naar elkaars argumenten geluisterd? – Waren de argumenten overtuigend? Dit hoeft niet te betekenen dat je klasgenoot zijn standpunt heeft veranderd. Schrijf van beide argumenten die je hebt opgeschreven bij vraag 2 op of je klasgenoot deze ‘niet overtuigend’, ‘een beetje overtuigend’ of ‘overtuigend’ vond. – Zijn jullie het met elkaar eens geworden? Leg je antwoord uit. Opdracht 6
Stelling: • Dierproeven moeten verboden worden.
T2
I
T1 T2
1 Ben je het eens of oneens met de stelling? 2 Geef twee argumenten bij je standpunt. Argumenten die gebaseerd zijn op je eigen mening zijn vaak niet zo overtuigend. Deze argumenten zijn persoonlijk en kun je niet bewijzen. Je kunt je argumenten daarom beter baseren op feiten, bijvoorbeeld de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. 3 Zoek op internet een argument bij je standpunt dat gebaseerd is op feiten. 4 Zoek op internet een argument tegen jouw standpunt dat gebaseerd is op feiten. 5 Vind je het argument dat je gevonden hebt bij vraag 4 overtuigend? Leg je antwoord uit. 6 Is je mening door dit argument veranderd? Leg je antwoord uit. Toets Opdracht 7
T1 T2
T
Binnenkort heeft jouw klas het jaarlijkse klassenuitje. Jullie mogen zelf bepalen wat jullie gaan doen. 1 Waar wil jij met de klas naartoe? 2 Schrijf twee argumenten op voor jouw keuze. 3 Maak een groepje van vier en verdeel de rollen. Twee leerlingen gaan discussiëren. Twee leerlingen beoordelen de deelnemers. Van je docent krijg je een beoordelingsformulier. 4 Discussieer maximaal twee minuten en probeer het met elkaar eens te worden. Denk aan de tips uit de theorie. De twee beoordelaars vullen voor de deelnemers het beoordelingsformulier in. 5 Wissel van rol. 6 Lees de beoordeling en de tip die je van je klasgenoot hebt gekregen. Schrijf op wat je bij de volgende discussie anders gaat doen.
104
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 104
9/11/15 13:35
2
Projectopdracht
In deze opdracht: • schrijf je een reclametekst; (Spelling, Over taal, Schrijven) • schrijf je een verhaal; (Fictie, Over taal, Spelling)
Op stap met de klas Projectopdracht
T1
T
I
T1
In deze opdracht schrijf je een reclametekst en een verhaal bij een klassenuitje. 1 Kies een van de klassenuitjes waarover je een discussie hebt gevoerd voor de toetsopdracht bij Spreken, kijken en luisteren. 2 Schrijf voor dit klassenuitje een reclametekst van ongeveer 150 woorden, bedoeld voor jongeren. – Gebruik woorden met een positieve gevoelswaarde. – Gebruik in ieder geval vier uitdrukkingen. – Gebruik in ieder geval vijf samenstellingen. 3 Stel je voor: je hebt dit uitje echt gemaakt met jouw klas. Tijdens het uitje gebeurde er iets onverwachts – gebruik je fantasie en verzin iets bijzonders. 4 Na het uitje schrijf jij over die gebeurtenis een verhaal. – Je verhaal moet passen bij een van deze verhaalsoorten: fantasy / sciencefiction / thriller / detective. – Gebruik de positieve woorden uit je reclametekst, maar vervang ze door synoniemen met een negatieve gevoelswaarde (maak het niet te grof ). – Je verhaal telt ongeveer 500 woorden. – Schrijf je verhaal in de verleden tijd. 5 Controleer je teksten op de Afspraken en regels Schrijven. 6 Markeer in je teksten met verschillende kleuren: de woorden met positieve en negatieve gevoelswaarde, de uitdrukkingen en de samenstellingen. 7 Lever je teksten in. Je werk wordt beoordeeld met het beoordelingsformulier.
105
ONO2_2kgt_COMPLEET_BOEK.indb 105
9/11/15 13:35