[1.3] Verhalende teksten
1 Tekstdoelen en tekstsoorten Je leest of beluistert een tekst altijd met een bepaald doel. Je wilt bijvoorbeeld uitleg krijgen of de mening van een ander te weten komen. Schrijvers van teksten houden rekening met leesdoel en luisterdoel als ze een tekst schrijven. Een schrijver wil met zijn tekst namelijk iets bereiken. Zodra een schrijver weet wat zijn schrijfdoel voor een tekst is, stemt hij zijn tekst daarop af. Een tekst kan ook meerdere doelen hebben, maar meestal is er één hoofddoel. Elke tekst heeft dus een tekstdoel. Bij elk tekstdoel hoort een tekstsoort. Zo hoort de informerende tekst bij het tekstdoel informeren. Tekstsoorten kun je tegenkomen in geschreven en in gesproken vorm, zoals een nieuwsbericht op internet of op tv, een advertentie in een tijdschrift of een radioreclame. Hier staan de belangrijkste tekstdoelen en de bijbehorende tekstsoorten:
[1.1] Informerende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Informeren
informerende tekst
Alleen (nieuwe) informatie over een onderwerp.
• nieuwsbericht • verslag • zakelijke brief • notulen • werkstuk • journaal
Uitleg geven
Instructie geven
uiteenzettende tekst
instructieve tekst
Een uitleg, beschrijving of verklaring van een onderwerp.
Aanwijzingen over hoe je iets moet doen, hoe iets werkt of gebruikt moet worden.
• tekst in schoolboek • achtergrondtekst in krant, tijdschrift of online • naslagwerk • uitlegfilmpje • handleiding • recept • gebruiksaanwijzing • videotutorial • routebeschrijving
[1.2] Waarderende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Beschouwen
beschouwende Verschillende kanten tekst van een onderwerp laten zien, aan het nadenken zetten.
• achtergrondtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • documentaire • probleemoplossende discussie • vergadering
Overtuigen
betogende tekst
• ingezonden brief • recensie • meningtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • discussie
Met argumenten van een mening overtuigen.
Met argumenten aansporen of activeren iets te kopen of te gaan doen.
38
Voorbeelden
• klachtenbrief • sollicitatiebrief • flyer, folder, brochure • advertentie, reclame
Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Amuseren
amuserende tekst
vermaken
verhaal, jongerenroman gedicht, songtekst toneelstuk, cabaret soapserie, film
2 Publiek [2.1] Publiekgerichtheid Wanneer je een tekst schrijft of een gesprek voert, dan wil je daarmee iets bereiken bij iemand of bij een groep. Een geschreven of een gesproken tekst is altijd bestemd voor een bepaald publiek. Het is belangrijk dat je weet wie je publiek is, zodat je er rekening mee kunt houden. Je wilt namelijk je doel bereiken. Dat doe je door de inhoud en je taalgebruik te ‘richten’ op je publiek. Dit noem je publiekgerichtheid.
[2.2] Publiek bepalen Je kunt het publiek op deze manier indelen: Een persoon
Een groep
Bekend
Je kent de persoon goed. Bijvoorbeeld een vriend(in).
Je kent de groep. Bijvoorbeeld je klasgenoten.
Onbekend
Je kent de persoon niet. Bijvoorbeeld de medewerker van een telefoonwinkel.
Het is een heel grote groep. Bijvoorbeeld jongeren of de inwoners van je stad of dorp.
[2.3] Inhoud afstemmen op publiek Als je weet wie je publiek is, dan stem je de inhoud van je tekst erop af. Daarvoor stel je jezelf deze vragen: • Wat weten ze al van het onderwerp? (= voorkennis) • Welke informatie hebben ze nodig? (= vraag) • Wat vinden ze van het onderwerp? (= standpunt) De lezer of luisteraar moet je tekst kunnen begrijpen. Het onderwerp moet dus geschikt zijn voor je publiek. Als je te veel of te weinig informatie geeft, dan haakt je publiek af. Sluit altijd aan bij de voorkennis, de vraag en het standpunt van je publiek. Maak de inhoud uitnodigend: zorg ervoor dat je de aandacht van je publiek trekt en vasthoudt. Dat kun je bijvoorbeeld doen met een pakkende inleiding, een goed gekozen beeld of een passend grapje of verhaaltje.
[2.4] Taalgebruik afstemmen op publiek Voor een publiek van leeftijdgenoten kies je andere woorden dan voor een publiek dat uit volwassenen bestaat. Om goed aan te sluiten bij je publiek is het belangrijk dat je nadenkt over de taal die je gebruikt. Bij vrienden en bekenden hoef je niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Bij een publiek van volwassenen of onbekenden is het wel belangrijk om na te denken over je woorden. Je gebruikt nette woorden en je bent beleefd, dus je spreekt ze aan met ‘u’. Dit
39
noem je formeel taalgebruik. Neem in je taalgebruik de volgende punten mee: Gebruik woorden die bekend zijn voor je publiek. Varieer je woorden: herhaal niet steeds hetzelfde woord. Vermijd te lange zinnen en wissel korte en langere zinnen af. Gebruik de toon die bij je publiek past. In een zakelijke brief mag je taal bijvoorbeeld niet te populair zijn.
[3.4] Alinea, kernzin
3 Structuur [3.1] Titel, tussenkopjes, bronvermelding Elke tekst moet een titel hebben. De titel maakt vaak duidelijk waar de tekst over gaat, maar kan je ook nieuwsgierig maken naar de rest van de tekst. In langere teksten staan meestal tussenkopjes. Die maken duidelijk waar de tekst over gaat die eronder staat. Ze maken een tekst overzichtelijker. Onderaan de tekst staat de bronvermelding (zie 5.11 Bronvermelding en citaat). Deze geeft aan waar de tekst vandaan komt.
[3.2] Inleiding, middenstuk, slot Een tekst bestaat meestal uit drie delen: inleiding, middenstuk en slot. Elk deel heeft een functie binnen de hele tekst. De inleiding is bedoeld om de lezer of luisteraar nieuwsgierig te maken. In het middenstuk wordt het onderwerp verder uitgewerkt en het slot rondt de tekst af. In afbeelding xx zie je op welke verschillende manieren je een tekst kunt inleiden en afsluiten. Je kunt ook meer manieren gebruiken. Eén manier is meestal de belangrijkste.
Een stukje tekst over een deelonderwerp noem je een alinea. Een alinea van een geschreven tekst begint altijd op een nieuwe regel. Een alinea van een gesproken tekst herken je aan de korte pauze die de spreker na de alinea neemt. Het middenstuk van een tekst bestaat uit verschillende alinea’s. Het deelonderwerp kan in één of meer alinea’s worden uitgewerkt. Een goed opgebouwde alinea heeft altijd een kernzin: de zin waarin de belangrijkste mededeling van de alinea staat. Deze zin staat meestal vooraan in de alinea. Het is dan de eerste of tweede zin. Soms staat de kernzin achteraan. De andere zinnen van de alinea zijn voorbeelden of een toelichting bij de kernzin.
[3.5] Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte De belangrijkste zaken in een tekst noem je de hoofdzaken. Minder belangrijke zaken zoals uitleg, toelichting en voorbeelden noem je bijzaken. De hoofdgedachte van een tekst is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst. Als je het onderwerp en de hoofdzaken met elkaar verbindt, kun je de hoofdgedachte van een tekst meestal in één zin beschrijven. De hoofdgedachte = de samenvatting van het onderwerp + de hoofdzaken, geformuleerd in één zin. Zo bepaal je de hoofdgedachte: • Schrijf het onderwerp van de tekst op. • Stel de vraag: Wat vertelt de schrijver van deze tekst over het onderwerp? • Zoek naar een aanwijzing in de titel, de inleiding of het slot. • Vat de hoofdzaken over het onderwerp samen. • Formuleer de hoofdgedachte in één complete zin. • De hoofdgedachte is nooit een vraag.
4 Standpunt en argumentatie [4.1] Feit en mening
[3.3] Onderwerp, deelonderwerp Een tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst. Je kunt het meestal in één of enkele woorden beschrijven. Een onderwerp bestaat vaak uit verschillende deelonderwerpen. In een deelonderwerp wordt een gedeelte van het onderwerp besproken.
In een tekst kunnen feiten en meningen staan. Een feit beschrijf je met objectieve (zakelijke, niet-persoonlijke) woorden. Doordat het hogedrukgebied vanuit Engeland naar Nederland trekt, wordt de kans op motregen later vandaag klein. Een mening beschrijf je met subjectieve (persoonlijke) woorden. ‘De dansers bewogen prachtig over het toneel. De voorstelling was dan ook buitengewoon goed.’
[4.2] Standpunt en argumenten Een standpunt is een uitspraak of bewering over een bepaald onderwerp. Je hebt een opvatting of mening over het onderwerp, die je duidelijk wilt maken aan je publiek. Daarvoor gebruik je argumenten. Dat zijn redenen waarom je iets vindt. Je gebruikt ze om je standpunt te onderbouwen. Het standpunt en de argumenten samen noem je de
40
41
argumentatie. Tijdens de schooltijden moeten mobiele telefoons in de kluisjes worden opgeborgen (standpunt), want te veel leerlingen kunnen zich niet concentreren met hun mobiele telefoon in de buurt (argument).
• Is alles duidelijk? Wacht niet te lang met het uitwerken van je aantekeningen, want je kunt al snel iets belangrijks vergeten.
5 Informatie [5.1] Tekst en beeld Bij of in teksten zie je vaak verschillende soorten beelden, zoals foto’s, tekeningen, illustraties, schema’s, animaties, pictogrammen en infographics. Met beelden kun je een gesproken of geschreven tekst verduidelijken, aanvullen of levendiger maken. • Denk aan deze tips als je beeld toevoegt aan je tekst: • Gebruik alleen beelden bij de belangrijkste onderwerpen. • Gebruik een beeld om iets ingewikkelds uit te leggen. • Kies goede beelden met mooie kleuren. Nietszeggende of onduidelijke plaatjes versterken je tekst niet. • Gebruik niet te veel beelden. Eén ‘sterk’ plaatje heeft meer effect dan tien matige plaatjes.
[5.2] Vormgeving De vormgeving (ook wel opmaak of layout genoemd) is alles wat je doet aan de verzorging van je geschreven tekst. Denk daarbij aan het lettertype, de kleuren, de illustraties en de hoeveelheid wit op de pagina. Met een goede vormgeving bereik je je publiek beter. Tips voor een goede vormgeving: • Laat belangrijke onderdelen in de tekst opvallen. Gebruik bijvoorbeeld een vetgedrukt, gekleurd en/of groter lettertype voor titels en tussenkopjes. • Zorg voor een duidelijke alinea-indeling en gebruik witregels tussen de alinea’s. Witregels maken je tekst beter leesbaar. • Maak gebruik van korte tussenkopjes om de deelonderwerpen aan te geven. • Gebruik mooie, passende illustraties die je tekst ondersteunen. • Gebruik niet te veel kleuren, vormen en lettertypes. Zorg voor rust en evenwicht. • Stem de vormgeving af op je publiek. In een tekst voor kinderen kun je veel beelden en kleuren gebruiken, maar in een zakelijke brief doe je dat niet.
[5.4] Samenvatten Bij het samenvatten van een tekst of tekstdeel haal je de hoofdzaken uit de tekst of het tekstdeel. In de samenvatting van een hele tekst moeten de bedoeling en de hoofdgedachte juist zijn weergegeven. In de samenvatting van een tekstdeel moeten de hoofdzaken zijn weergegeven. De samenvatting moet geschreven zijn in goed Nederlands en prettig leesbaar zijn. Je laat details, voorbeelden, uitweidingen en herhalingen altijd weg. Het maken van een schema kan een handig hulpmiddel zijn bij het samenvatten van een tekst. Met een schema in tabelvorm kun je de opbouw van de tekst goed weergeven. Een mindmap kan heel geschikt zijn om bepaalde verbanden aan te geven, zoals oorzaakgevolg of probleem-oplossing. In het midden zet je de hoofdgedachte. Deze verbind je door middel van lijnen met de hoofdzaken.
[5.3] Aantekeningen maken Als je informatie wilt of moet onthouden, dan is het belangrijk dat je goede aantekeningen kunt maken. Aantekeningen maak je bijvoorbeeld als je extra informatie van je docent krijgt tijdens de les. Maar ook als je een samenvatting, een verslag of een werkstuk maakt, dan helpen aantekeningen je om te kunnen onthouden wat je leest, ziet of hoort. Gebruik deze tips: • Lees of luister goed naar alles wat wordt gezegd. • Onderscheid hoofdzaken en bijzaken van elkaar. Schrijf alleen de hoofdzaken op. • Sla regels over, zodat je ruimte overhoudt voor aanvullingen. • Gebruik trefwoorden. Dat zijn de belangrijkste woorden in een tekst. • Gebruik afkortingen die je later zelf nog begrijpt. • Schrijf schematisch. Gebruik iconen, pijlen, kleuren en andere tekens waarmee je het verband tussen woorden en zinnen aangeeft. • Gebruik zo mogelijk tussenkopjes boven delen van je aantekeningen. • Lees je aantekeningen na afloop door en vul ze zo nodig aan. 42
43
[5.7] Deelonderwerpen en zoekvragen Nadat je het onderwerp van de tekst hebt verkend, ga je de tekst verder voorbereiden. Bekijk welke woorden bij elkaar horen. Bedenk het deelonderwerp bij een groepje woorden. Kies de deelonderwerpen die je wilt gebruiken. Bedenk bij elk deelonderwerp een zoekvraag. De zoekvragen probeer je eerst te beantwoorden met de informatie die je zelf al weet. De deelonderwerpen bij het onderwerp woestijn zijn de volgende:
[5.5] De 5W+1H-vragen Een nieuwsbericht moet altijd antwoord geven op de volgende vragen: • Wat is het nieuws? • Wie speelt een rol in dit nieuws? • Waar is het gebeurd? • Wanneer is het gebeurd? • Waarom is het gebeurd? • Hoe is het gebeurd? Ook als je je oriënteert op een onderwerp voor een tekst of een presentatie, dan kunnen deze 5W+1H-vragen je daarbij helpen.
[5.6] Woordweb en overzicht van woordsoorten Wanneer je het schrijven of presenteren van een tekst gaat voorbereiden, zet je volgende stappen: Stap 1 Bedenk een onderwerp. Beantwoord voor jezelf de volgende vragen: • Wat vind ik een interessant onderwerp? • Waarom vind ik dit onderwerp interessant? • Voor wie is dit onderwerp ook interessant? Stap 2 Verken het onderwerp. Denk na over wat je allemaal over het onderwerp weet. Dit kan op verschillende manieren: Stel vragen bij het onderwerp (de 5W+1H-vragen). Maak een woordweb bij het onderwerp. Maak een overzicht van woordsoorten bij het onderwerp.
Woorden
Deelonderwerp
Zoekvraag
woestijnvolken, verschillende, overleven, rondtrekken, kameel
woestijnvolken
Hoe leven woestijnvolken?
temperatuur, hitte, water, zon, droogte, koude, warme, hoge, verschrikkelijke, waaien, regenen, zandstormen
klimaat in woestijn
Hoe is het klimaat in de woestijn?
oase, planten, water, schaduw, onvruchtbare, groeien
planten in woestijn
Welke planten kunnen in de woestijn leven?
[5.8] Zoekvragen formuleren Over sommige woorden of woordgroepen bij je onderwerp wil je meer informatie verzamelen. Hiervoor formuleer je een of meer zoekvragen. Als je een passend antwoord op je vraag wilt hebben, moet je de vraag goed formuleren. Zet daarbij in elk geval de volgende stappen: • Bedenk eerst wat je precies wilt weten. • Formuleer de vraag in goed Nederlands. • Lees je vraag en bedenk of de vraag duidelijk is gesteld. • Verander de vraag als het nodig is.
[5.9] Informatie zoeken Als het niet goed lukt om met je eigen kennis de zoekvragen te beantwoorden, dan kun je aanvullende informatie zoeken. Daarvoor kun je allerlei bronnen gebruiken. Een paar zoektips: • Maak altijd een lijst met zoekwoorden bij je onderwerp. • Zoek in tijdschriften en boeken in de inhoudsopgave of je iets over je onderwerp ziet staan. • Zoek in boeken in het register naar trefwoorden. • Lees in kranten de krantenkoppen en anders gedrukte tekst. • Gebruik deze tips bij het zoeken op internet: • Typ bij de zoekfunctie zo precies mogelijk in waarnaar je op zoek bent. • Gebruik bij voorkeur zelfstandige naamwoorden. Het trefwoord vrijheid zal meer betrouwbare bronnen opleveren dan je vrij voelen. Bij de laatste trefwoorden vind je bijvoorbeeld Ik wil me weer vrij voelen. Op die site zul je persoonlijke ervaringen lezen. • Gebruik het +-teken tussen de woorden als je op verschillende combinaties wilt zoeken. • Zet woorden tussen aanhalingstekens als je die woorden precies in die volgorde in de zoekresultaten wilt vinden. • Controleer n de trefferlijst altijd de naam van de site. Informatie van www. nemokennislink.nl is nuttiger dan informatie van www.goeievraag.nl.
[5.10] Betrouwbare informatie Niet alle informatie op internet is even betrouwbaar. Haal je informatie van internet voor een tekst? Gebruik dan alleen betrouwbare informatie. Om te achterhalen of de website en de informatie erop betrouwbaar zijn, stel je jezelf in elk geval de volgende vragen:
44
45
• Wie heeft de informatie op internet gezet? • Kun je de inhoud controleren met behulp van andere bronnen? • Wat is het doel van de informatie op internet? Als de schrijver je wil informeren, dan moet zijn informatie compleet zijn. Wil de schrijver je overtuigen of aansporen tot een bepaalde actie? Let dan goed op, want de schrijver kan dan bewust bepaalde informatie voor je achterhouden of iets mooier maken dan het in werkelijkheid is. • Is de schrijver een deskundige op het gebied van het onderwerp? • Is de informatie actueel? • Staan er weinig tot geen spelfouten in de tekst?
[5.11] Bruikbaarheid van informatie beoordelen Als je een tekst gaat schrijven of een presentatie gaat voorbereiden, dan ga je vaak op zoek naar informatie in teksten van anderen. Bij het beoordelen van informatie stel je jezelf drie vragen: • Is de informatie belangrijk voor wat ik wil vertellen? • Is de tekst betrouwbaar? (zie 5.9 Betrouwbare informatie) • Spreekt de tekst zichzelf niet tegen?
[5.12] Bronvermelding en citaat Als je een werkstuk of een presentatie maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen. Je kijkt bijvoorbeeld programma’s, je bezoekt websites en je leest kranten. Van deze bronnen moet je een lijstje bijhouden. Zo’n lijstje noem je een bronvermelding. Aan het eind van je tekst of achter in je werkstuk voeg je een bronnenlijst toe. Daarmee laat je aan je publiek zien hoe jij aan je informatie bent gekomen. De lezer kan controleren of de informatie correct is en eventueel zelf de bron opzoeken voor meer informatie. Bronnen vermeld je meestal aan het eind van de tekst. Noteer van elke bron in elk geval de auteur, de titel en de datum of het jaartal. Noteer ook de vindplaats van de bron: • Bij boeken vermeld je de uitgever en de plaats van uitgave. • Bij artikelen uit kranten of tijdschriften vermeld je de titel van de krant of het tijdschrift. • Bij websites vermeld je de url van de website. Als je een stuk tekst woord voor woord overneemt, gebruik je een citaat. Zet dit citaat tussen aanhalingstekens en vermeld aan het eind van het citaat tussen haakjes de bron.
6 Communicatie [6.1] Verbale en non-verbale communicatie Communicatie is een proces waarin iemand informatie overdraagt aan een ander.Het doel van de communicatie is het overbrengen van de boodschap. Een communicatieproces heeft daarom altijd een zender en een ontvanger. Als je een boodschap aan iemand overbrengt, ben je aan het communiceren. De boodschap kan op verschillende manieren worden overgebracht. Dat kan met taal, bijvoorbeeld door te praten, e-mailen, bellen of berichtjes te sturen. Dit zijn allemaal vormen van verbale communicatie. Er is ook non-verbale communicatie. Dat is communicatie zonder woorden. Een voorbeeld daarvan is een foto die je op sociale media zet of een beeld dat je toevoegt aan een tekst of presentatie. Een ander voorbeeld van non-verbale communicatie is je gezichtsuitdrukking. Soms gebruik je daarbij wel je stem, bijvoorbeeld als je lacht, zucht of kreunt. Ook andere vormen van lichaamstaal, zoals houding, gebaren en oogcontact, vallen onder nonverbale communicatie. Als de boodschap van de zender niet goed overkomt bij de ontvanger, dan spreek je van miscommunicatie. Miscommunicatie kan door verschillende oorzaken ontstaan. Enkele voorbeelden: 46
• Er is storend geluid op de achtergrond of de telefoon valt uit. • De zender gebruikt te moeilijke woorden voor de ontvanger. • De ontvanger denkt dat de zender iets anders bedoelt. In het laatste geval speelt non-verbale communicatie vaak een belangrijke rol. De zender van de boodschap maakt bijvoorbeeld een grapje met een serieus gezicht, waardoor de ontvanger denkt dat de boodschap serieus bedoeld is.
[6.2] Lichaamstaal Lichaamstaal is de taal die je spreekt met je lichaam, niet met je stem. Je kunt met je lichaam spreken via je houding, je handen en je gezicht. Je lichaam vervult dus een belangrijke rol bij het overbrengen van informatie. Je geeft er een gesproken boodschap extra nadruk mee. Oogcontact is een krachtige vorm van lichaamstaal. Denk maar aan de uitdrukking 'de ogen zijn de spiegels van de ziel'. De voorbeelden hieronder zijn niet op elke situatie en persoon van toepassing. Dat komt omdat iedereen zijn lichaam op zijn eigen, unieke manier gebruikt. Blij
handen omhoog, lachen, wenkbrauwen omhoog
Verontwaardigd
handen in de zij, wenkbrauwen gefronst
Bang
weglopen, wegkijken
Verdrietig
tranen in de ogen, hoofd gebogen
Ongeïnteresseerd
handen in de zakken
Woedend
samengeknepen gezicht, rood hoofd
Soms geef je met je lichaam signalen af die je niet zo bedoelt. Als je bijvoorbeeld ingespannen bezig bent, kun je boos kijken. Als je schouders en je hoofd naar voren hangen, kom je onzeker over, terwijl je dat misschien helemaal niet bent.
[6.3] Online communicatie Communiceren via internet is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Er zijn veel verschillende vormen van online communicatie. Je kunt iemand een e-mail sturen, je kunt een website bijhouden, chatten, bellen via internet (Skype), video's online zetten (op YouTube of Vimeo), muziek online zetten in de vorm van een podcast, je kunt een weblog of een vlog bijhouden. Je kunt ook communiceren via een sociaal netwerk (Instagram) of een virtuele wereld (Fortnite). Alle websites of apps die erop gericht zijn om gebruikers informatie met elkaar te laten delen, worden sociale media genoemd. Vaak kunnen andere gebruikers reageren op de informatie en deze verder delen. Sociale media maken het mogelijk om online te communiceren met je eigen omgeving (community). Via sociale media kun je veel mensen tegelijk bereiken. Je kunt de tijd nemen om na te denken over wat je deelt met iedereen en je hoeft nooit direct te reageren op een ander, zoals in een telefoongesprek of een persoonlijk gesprek. Bij online communicatie is er meestal geen sprake van non-verbale communicatie. Er is dan ook geen lichaamstaal uit je boodschap 'af te lezen'. Daardoor is de kans groter dat je bericht verkeerd geïnterpreteerd wordt. Het is daarom belangrijk dat je goed nadenkt over hoe je je boodschap verwoordt en dat je je daarnaast aan een aantal beleefdheidsregels houdt. Er zijn geen officiële regels, maar er is wel een algemene gedragscode voor het gebruik van e-mail en internet. Deze gedragscode wordt netiquette genoemd: een samentrekking van net + etiquette. Enkele netiquetteregels: • Gebruik geen HOOFDLETTERS om iets te benadrukken. Dat staat gelijk aan schreeuwen. • Gebruik geen sms-taal of afkortingen. Dat kan natuurlijk wel in een persoonlijk berichtje via je telefoon, maar niet in zakelijke e-mails en teksten op internet. • Gebruik emoticons of smileys met mate en alleen als ze passen binnen de situatie. • Trol niet. Plaats geen reacties die alleen maar tot doel hebben een emotionele reactie bij
47
een ander los te maken. • Flame niet. Post geen aanvallende, beledigende of agressieve reacties op anderen. Geef gewoon een goed onderbouwde mening in een discussie. • Plaats of stuur geen ongevraagde reclame (spam). • Lees altijd je berichten na voordat je ze op internet zet of verstuurt. Correcte spellingregels zijn overal van toepassing. • Respecteer de privacy van anderen.
[6.4] Feedback geven en ontvangen Feedback krijgen kan moeilijk zijn, maar feedback geven is soms nog veel moeilijker. Je wilt iemand niet beledigen of aanvallen, maar je vindt wel dat er nog iets verbeterd kan worden. Hoe doe je dat dan? In de eerste plaats door eerlijk te zijn en ervoor te zorgen dat je precies weet waarover je het hebt. Probeer het zo over te brengen dat je ook echt begrepen wordt. Gebruik duidelijke woorden, zonder beschuldigingen. Houd het niet alleen bij commentaar, maar geef ook suggesties voor verbetering. Bied eventueel je hulp aan. En, heel belangrijk: geef complimenten. Laat de ander weten wat naar jouw idee heel goed was en waarom. Als je feedback ontvangt, doe er dan je voordeel mee. Ga niet meteen in de verdediging, maar luister goed naar wat de ander te vertellen heeft. Vraag zo nodig om toelichting en denk na over wat je met de opmerkingen kunt doen. Je kunt veel leren van wat anderen je vertellen over jezelf of je werk. Zie het als een advies om nog beter te worden. Feedback geven: dit werkt niet
Feedback geven: dit werkt wel
Je tekst is slecht.
In je tekst ontbreekt een duidelijke opbouw. Maak een goede indeling in inleiding, middenstuk en slot.
Je mompelde maar wat en niemand kon je verstaan.
Achterin was je niet goed verstaanbaar. Probeer iedereen aan te kijken en de woorden duidelijker uit te spreken.
Je keek steeds naar de grond.
Je was een beetje verlegen. Als je mensen af en toe aankijkt, luisteren ze beter naar je verhaal.
Je zei voortdurend 'ehhh' en dat was super irritant.
Als je niet weet hoe je verder moet, laat dan gewoon een stilte vallen. Dat is minder erg dan steeds 'ehhh'.
Je presentatie was oersaai.
De inhoud (of iets anders) was goed, maar je kunt je verhaal levendiger maken door ... (beeld te gebruiken, je toonhoogte te variëren, de luisteraars meer te betrekken bij de presentatie, enzovoort).
7 Lezen [7.1] Leesmanieren Je kunt een tekst op verschillende manieren lezen. De manier die je kiest, hangt af van je doel. Je moet bijvoorbeeld iets leren, je moet vragen over de tekst beantwoorden of je bent op zoek naar informatie. Nog voordat je begint met lezen, oriënteer je je op de tekst. Je kijkt naar de titel, de inleiding, het slot, de afbeelding(en), de tussenkopjes, opvallend gedrukte woorden en de bron. Daarna ga je de tekst op een andere manier lezen. Daarvoor kies je de leesmanier die bij jouw doel past. Niet alles wat in een tekst staat, is even belangrijk. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie in een tekst is, dan lees je hem globaal. Als je een tekst helemaal wilt begrijpen, dan lees je de hele tekst intensief en kritisch. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan lees je een tekst zoekend. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in de tekst. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende leesmanieren gebruikt:
48
Leesmanier
Zoekend lezen
Globaal lezen
Intensief lezen
Kritisch lezen
Doel
gericht zoeken naar een antwoord in de tekst
de hoofdzaken uit de tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
Je let op
• tussenkopjes • opvallend gedrukte woorden • de inhoudsopgave en/of het register (van een boek)
• de eerste alinea • de kernzinnen van alle alinea’s • de laatste alinea
• het onderwerp van de hele tekst • de deelonderwerpen van elke alinea • wat de alinea’s met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • moeilijke zinnen (lees deze twee keer of lees ze zachtjes voor jezelf) • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
zie intensief lezen, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
[7.2] Leesplan In het leesplan zie je hoe je het lezen van teksten aanpakt:
8 Kijken/Luisteren [8.1] Luistermanieren Wanneer je luistert naar een spreker, dan luister je altijd met een doel. Je wilt bijvoorbeeld geïnformeerd worden, uitleg krijgen of geamuseerd worden. Dit doel bepaalt je luistermanier. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie is, dan luister je globaal. Dit doe je bijvoorbeeld als je voor de eerste keer kijkt en luistert naar een fragment. Als je de informatie helemaal wilt begrijpen en onthouden, dan luister je intensief en kritisch. Maak dan ook aantekeningen , want je kunt al snel iets vergeten. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan luister je selectief. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in het fragment. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende luistermanieren gebruikt:
49
50
Luistermanier
Selectief luisteren
Doel
Je let op
Globaal luisteren
Intensief luisteren
Kritisch luisteren
gericht luisteren de hoofdnaar uitspraken of zaken uit de beweringen tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
een bepaald deel van het fragment
• het onderwerp • alle deelonderwerpen • wat de deelonderwerpen met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
• zie intensief luisteren, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
• het eerste en laatste deel • belangrijke woorden die herhaald worden