WWW.OPNIVEAU-ONLINE.NL
onderbouw | havo
Jacqueline Buhler Geertje Plug Erica Renckens Jante Rittersma Saskia Tromp - Lantman Marjan van Verseveld
Op niveau onderbouw 2e editie: dĂŠ lesmethode voor Nederlands in het voortgezet onderwijs de methode is zowel lineair (per blok) als modulair (per vaardigheid) te doorlopen; alle toetsen en opgaven zijn gelabeld volgens de principes van OBIT en RTTI; de leesspecialist: Op niveau besteedt veel aandacht aan lezen, o.a. door de leesapp en de samenwerking met de Jonge Jury;
onderbouw | havo Leeropdrachtenboek
Eindredactie Evelien Otte
leeropdrachtenboek
bij elke paragraaf een overzicht van leerdoelen met Meijerink-niveau; na elk blok een projectopdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd; uitgebreid digitaal lesmateriaal op www.opniveau-online.nl.
3
NEDERLANDS 9 789006 921656
3
Nederlands Leeropdrachtenboek Jacqueline Buhler Geertje Plug Erica Renckens Jante Rittersma Saskia Tromp-Lantman Marjan van Verseveld Eindredactie Evelien Otte
Op niveau onderbouw 2e editie Leerjaar 3 havo
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 1
08-06-17 10:32
Vormgeving
Methodeoverzicht
Omslag en blokopeningen:
Op niveau onderbouw 2e editie is op de volgende manier opgebouwd:
Sproud, Sanneke Prins Binnenwerk: DATBureau, Amsterdam Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
leerjaar 4 4b
4k
4gt
leerjaar 3 3b
3k
3gt
3h
3v
leerjaar 2 2bk
2(k)gt
2(t)h
2hv
2v
leerjaar 1 1bk
1kgt
1th
1hv
1v
De methode is voor de leerling op drie manieren te gebruiken: boek
Bureauredactie
leerling boek
Bureau Sproet, Arnhem
docent
mix
digitaal
boek + startlicentie
totaallicentie
boek + startlicentie boek + startlicentie of totaallicentie totaallicentie
Dyslexie In de opmaak hebben we zo veel mogelijk rekening gehouden met dyslectische leerlingen.
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl 9789006921656 Eerste druk, eerste oplage, 2017 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 2
08-06-17 10:32
Inhoud
Introductie
4
Leerstofoverzicht
6
Blok 1
8
Blok 2
50
Blok 3
101
Blok 4
145
Blok 5
197
Blok 6
250
Register
289
Afspraken en regels Schrijven
291
Leesplan
294
Rubrics Schrijven
295
Rubrics Spreken
298
Rubrics Gesprekken
301
Verantwoording
303
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 3
08-06-17 10:32
Introductie
Over Op niveau onderbouw 2e editie Fictie
Deze paragraaf gaat over jeugdboeken, gedichten en schrijvers, waarbij je lees- en discussievragen beantwoordt.
Grammatica
Je leert hoe de taal is opgebouwd en hoe je zinnen moet ontleden.
Spelling
Je oefent het foutloos leren schrijven van werkwoordsvormen en andere woorden.
Over taal
Je vergroot je woordenschat en je komt te weten hoe taal in het dagelijks leven wordt gebruikt.
Lezen
Je leert hoe teksten in elkaar zitten, zodat je ze beter kunt begrijpen.
Schrijven
Je leert hoe je goede teksten kunt schrijven.
Spreken, kijken en luisteren
Je leert beter spreken, kijken en luisteren.
Projectopdracht
Een opdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd.
Twee routes Je kunt de opdrachten op twee manieren doorwerken: Per blok (lineair) of per vaardigheid (modulair). Lineair 3 havo 1 Fictie
blok 1
blok 2
blok 3
blok 4
blok 5
blok 6
Verhaal • Chris Vick (Surf!) • leesvoorkeur (herhaling) • persoonlijke literaire smaak en ontwikkeling • realistische en niet-realistische verhalen (herhaling) • opbouwschema voor verhalen (herhaling) • beeldspraak: vergelijking, metafoor • fictiedossier (herhaling)
Verhaal • Marlies Allewijn (Ze was 16) • uitbreiding genres: psychologische roman • leeservaring beschrijven met emotieve, realistische en morele argumenten Poëzie • kenmerken van gedichten • enjambement • strofen • stijlfiguren: herhaling, opsomming, tegenstelling, eufemisme, hyperbool understatement, ironie, sarcasme
Verhaal • Martyn Bedford (20 vragen voor Gloria) • personages en karakterontwikkeling • personages beschrijven • relaties tussen personages • recensie
Verhaal • Jonas Boets (Shinu) • spanning (herhaling) • setting: tijd en ruimte, sfeer in verhalen Poëzie • binnenrijm • eindrijm: gepaard rijm, gekruist rijm, omarmend rijm, slagrijm, gebroken rijm • volrijm • halfrijm: assonantie, alliteratie
Verhaal • Gideon Samson & Julius ’t Hart (Overspoeld) • tijd in verhalen (herhaling) • verteltempo: vertelde tijd, verteltijd, tijdsprong • vertelperspectief (herhaling) • verhaalbegin en verhaaleinde (herhaling) • proloog, epiloog • thema • moraal • motief
Verhaal • Koos Meinderts (De zee zien) • herhaling • literaire prijzen Poëzie • verbanden tussen strofen: opsomming, tegenstelling, herhaling, uitspraak-reden
2 Grammatica
Zinsontleding • zinsontleding, werkwoordsvormen, bouwplan (herhaling) • hoofdzin en bijzin (herhaling) Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • herhaling (zinsontleding) • hoofdzin en bijzin (herhaling) • nevenschikking en onderschikking • bijvoeglijke bijzin Woordsoortbenoeming • betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) m.i.a.
Zinsontleding • nevenschikking en onderschikking (herhaling) • bijvoeglijke bijzin (uitbreiding met wat en wie) • bedrijvende en lijdende vorm Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • hoofdzin en bijzin (herhaling) • bedrijvende en lijdende vorm (herhaling) • beknopte bijzin • verkeerd aansluitende beknopte bijzin Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • herhaling (hoofd- en bijzin, bedrijvende en lijdende vorm) • foutieve samentrekking Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • zinsontleding, (herhaling) • verkeerd aansluitende beknopte bijzin (herhaling) • foutieve samentrekking (herhaling) Woordsoortbenoeming • herhaling
3 Spelling
• werkwoordspelling (herhaling) • spelambigue woorden (homofonen) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, klinkerverenkeling, medeklinkerverdubbeling, ei/ ij-, g/ch-, i/ie-, au/ou-, s/c/k/q-, b/p-, l/ll-, r/rr-, n/ nn-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • meervoudsvormen (herhaling) • verkleinwoorden (herhaling) • apostrof (herhaling) • trema • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, trema, apostrof, klinkerverenkeling, medeklinkerverdubbeling, ei/ij-, i/ie-, s/c/k-, l/ll-, r/ rr-, n/nn-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • koppelteken • leestekens: komma, dubbele punt, aanhalingstekens (herhaling) • apostrof en trema (herhaling) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, afkortingen, trema, apostrof, koppelteken, klinkerverenkeling en medeklinkerverdubbeling, ei/ij-, i/ie-, oe-, a-, s/c/k-, l/ll-, ou/au-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • los of aaneenschrijven • samenstellingen (herhaling) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, trema, apostrof, koppelteken, samenstellingen, ei/ij-, s/c/k-, r/rr, l/ll-, ou/au-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • komma, aanhalingstekens (herhaling) • leestekens: dubbele punt, puntkomma • accenttekens • dictee: werkwoordspelling, trema, apostrof, koppelteken, los/aaneen, accenten, ei/ij-, ou/au, s/c/k-, l/ll-, r/rr-klank
• herhaling • dictee: herhaling
4 Over taal
Woordenschat • woorden uit de media • woordveld: znw afleiden Taalbeschouwing • dieren en taal
Woordenschat • woorden uit de media • woordveld: bnw afleiden Taalbeschouwing • taalfamilies • bedreigde talen
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • geschiedenis van het Nederlands
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • stijlfouten: foutief pleonasme, foutieve tautologie • leenwoorden • etymologie van woorden
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • stijlfouten: dubbele ontkenning, contaminatie • computers en taal: taal- en spraaktechnologie
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • taalfouten: verkeerd woord, verkeerde uitdrukking • schriftsystemen
5 Lezen
• tekstdoelen, opbouw alinea, hoofdgedachte, verbindingsmanieren alinea’s (herhaling)
• opbouw alinea, hoofdgedachte, opbouw tekst, verbindingsmanieren alinea’s (herhaling) • uitbreiding zins- en alineaverbanden en signaalwoorden: conclusie, samenvatting, voorwaarde
• tekstdoel, inleiding, hoofdzaak-bijzaak, opbouw alinea, verbindingsmanieren alinea’s, signaalwoorden (herhaling) • functies van tekstgedeelten (1) • tekststructuren (1)
• mening en argument • functies van tekstgedeelten (2) • tekststructuren (2) • soorten argumenten
• mening, argumenten, soorten argumenten (herhaling) • tekstvorm: column • basisschema’s voor argumentatie (enkelvoudige, onderschikkende, nevenschikkende argumentatie) • samenvatten
• herhaling
6 Schrijven
• activerende tekst schrijven • taalverzorging: foutieve inversie, incongruentie • tekstvorm: folder
• tekstvorm: blog • meninggevende webtekst schrijven • taalverzorging: ontspoorde zin, dat/als-constructie
• creatieve tekst schrijven • taalverzorging: komma in beperkende en uitbreidende bijvoeglijke bijzin • tekst schrijven volgens een tekststructuur
• meninggevende tekst schrijven • taalverzorging: lijdende zin, foutief pleonasme, foutieve tautologie • tekst schrijven met een probleem-enoplossingstructuur • indeling formele brief • tekstvorm: klachtenbrief
• tekstvorm: reactie bij bericht • taalverzorging: beknopte bijzin, samentrekking • schema van de argumentatie maken • betogende tekst schrijven
• werkstuk maken • taalverzorging: zinnen met taal- en formuleringsfouten verbeteren (Afspraken en regels Schrijven)
7 Spreken, kijken en luisteren
Kijken en luisteren • spreekdoel, luisterdoel, luistermanier (herhaling) • hoofdzaken, bijzaken, signaalwoorden (herhaling) Spreken • presentatie, lichaamstaal, stemgebruik, publiek (herhaling) • spreekdoel, spreekplan, hulpmiddelen (herhaling) • presentatie: afstemmen op spreekdoel
Kijken en luisteren • documentaire • hoofdgedachte, betrouwbaarheid beoordelen (herhaling) • hoofdzaken samenvatten Gesprekken • vergaderen: agenda, notulen, voorzitter • probleemoplossende discussie
Kijken en luisteren • praatprogramma • argumenten vergelijken • betrouwbaarheid en relevantie beoordelen, open en gesloten vragen (herhaling) Spreken • aandacht vasthouden (zonder hulpmiddelen) • betogende presentatie
Kijken en luisteren • debat • standpunt herkennen • argumenten beoordelen • soorten argumenten Gesprekken • regels formeel gesprek • debatteren
Kijken en luisteren • speech • opbouw presentatie (herhaling) Spreken • non-verbale communicatie beoordelen (herhaling) • overtuigend presenteren • pitchen
Kijken en luisteren • herhaling Gesprekken • meningvormende discussie
8 Project
• Poster maken voor een bijzonder restaurant. Fictie, Schrijven
• Blog schrijven over een taal of dialect. Fictie, Over Taal, Lezen, Schrijven
• Recensie schrijven over praatprogramma. Fictie, Grammatica, Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
• Spel met stellingen en argumenten. Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
• Nieuwsberichten schrijven en presenteren. Grammatica, Over Taal, Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
• Pitch geven over je favoriete boek, tekst of film. Fictie, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 4
Modulair
08-06-17 10:32
Introductie
Methodesite Op de website www.opniveau-online.nl staat aanvullend materiaal: startlicentie
totaallicentie
leerling formulieren kijk- en luisterfragmenten woordenlijsten en begrippen werkwijzer grammatica en grammaticaanimaties werkwijzer werkwoordspelling bijspijkeropdrachten bij de lesstof leesapp opstroommodule alle onderdelen van de leerlingstartlicentie lesstof (theorie en opdrachten)
docent alle zwarte onderdelen van de leerlingstartlicentie docentenhandleiding antwoorden lesbrieven Jonge Jury lesbrieven Alles over taal – actueel
alle onderdelen van de startlicentie alle onderdelen van de leerlingtotaallicentie toetsen Schooltas (pdf van leeropdrachtenboek) lesbrieven Alles over taal – archief
Leesapp In de leesapp van Op niveau staan diverse leestips voor jeugdboeken. Je kunt onder andere zoeken op leeftijd, genre en moeilijkheidsgraad. Opstroommodule Als je volgend jaar naar een hoger niveau gaat, kun je je kennis bijspijkeren met de opstroommodule. Lesbrieven Jonge Jury Elk jaar komen er nieuwe lesbrieven van de Jonge Jury over de nieuwste boeken. Lesbrieven Alles over taal Vijf keer per jaar komen er nieuwe lesbrieven van Alles over taal. Deze lesbrieven bieden inspirerend, aanvullend en actueel lesmateriaal. Verwijzingen Voor deze opdracht heb je (een computer met toegang tot) internet nodig.
Bij deze opdracht hoort een formulier dat je kunt vinden op www.opniveau-online.nl.
Deze opdracht kun je bewaren in je fictiedossier.
Voor deze opdracht heb je een beoordelingsmodel of de rubrics nodig. De rubrics staan achter in het boek en op de website, beoordelingsmodellen staan alleen op de website. Bij deze opdracht hoort een kijk- of luisterfragment dat je kunt vinden op de website.
Deze opdracht is een diagnosticerende opdracht.
Deze opdracht is een plusopdracht. 1F
2F
2F Een verwijzing naar het referentiekader taal (1F – Op weg naar 2F – 2F).
O B I T Een verwijzing naar OBIT. R T T I Een verwijzing naar RTTI. Alle opdrachten en toetsen van Op niveau onderbouw 2e editie zijn gelabeld volgens de methodieken OBIT en de RTTI. Deze labeling staat in het grijs (OBIT) en blauw (RTTI) voor de opdracht.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 5
08-06-17 10:32
Leerstofoverzicht
3 havo 1 Fictie
blok 1
blok 2
blok 3
Verhaal • Chris Vick (Surf!) • leesvoorkeur (herhaling) • persoonlijke literaire smaak en ontwikkeling • realistische en niet-realistische verhalen (herhaling) • opbouwschema voor verhalen (herhaling) • beeldspraak: vergelijking, metafoor • fictiedossier (herhaling)
Verhaal • Marlies Allewijn (Ze was 16) • uitbreiding genres: psychologische roman • leeservaring beschrijven met emotieve, realistische en morele argumenten Poëzie • kenmerken van gedichten • enjambement • strofen • stijlfiguren: herhaling, opsomming, tegenstelling, eufemisme, hyperbool understatement, ironie, sarcasme
Verhaal • Martyn Bedford (20 vragen voor Gloria) • personages en karakterontwikkeling • personages beschrijven • relaties tussen personages • recensie
2 Grammatica
Zinsontleding • zinsontleding, werkwoordsvormen, bouwplan (herhaling) • hoofdzin en bijzin (herhaling) Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • herhaling (zinsontleding) • hoofdzin en bijzin (herhaling) • nevenschikking en onderschikking • bijvoeglijke bijzin Woordsoortbenoeming • betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) m.i.a.
Zinsontleding • nevenschikking en onderschikking (herhaling) • bijvoeglijke bijzin (uitbreiding met wat en wie) • bedrijvende en lijdende vorm Woordsoortbenoeming • herhaling
3 Spelling
• werkwoordspelling (herhaling) • spelambigue woorden (homofonen) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, klinkerverenkeling, medeklinkerverdubbeling, ei/ ij-, g/ch-, i/ie-, au/ou-, s/c/k/q-, b/p-, l/ll-, r/rr-, n/ nn-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • meervoudsvormen (herhaling) • verkleinwoorden (herhaling) • apostrof (herhaling) • trema • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, trema, apostrof, klinkerverenkeling, medeklinkerverdubbeling, ei/ij-, i/ie-, s/c/k-, l/ll-, r/ rr-, n/nn-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • koppelteken • leestekens: komma, dubbele punt, aanhalingstekens (herhaling) • apostrof en trema (herhaling) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, afkortingen, trema, apostrof, koppelteken, klinkerverenkeling en medeklinkerverdubbeling, ei/ij-, i/ie-, oe-, a-, s/c/k-, l/ll-, ou/au-, m/mm-klank
4 Over taal
Woordenschat • woorden uit de media • woordveld: znw afleiden Taalbeschouwing • dieren en taal
Woordenschat • woorden uit de media • woordveld: bnw afleiden Taalbeschouwing • taalfamilies • bedreigde talen
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • geschiedenis van het Nederlands
5 Lezen
• tekstdoelen, opbouw alinea, hoofdgedachte, verbindingsmanieren alinea’s (herhaling)
• opbouw alinea, hoofdgedachte, opbouw tekst, verbindingsmanieren alinea’s (herhaling) • uitbreiding zins- en alineaverbanden en signaalwoorden: conclusie, samenvatting, voorwaarde
• tekstdoel, inleiding, hoofdzaak-bijzaak, opbouw alinea, verbindingsmanieren alinea’s, signaalwoorden (herhaling) • functies van tekstgedeelten (1) • tekststructuren (1)
6 Schrijven
• activerende tekst schrijven • taalverzorging: foutieve inversie, incongruentie • tekstvorm: folder
• tekstvorm: blog • meninggevende webtekst schrijven • taalverzorging: ontspoorde zin, dat/als-constructie
• creatieve tekst schrijven • taalverzorging: komma in beperkende en uitbreidende bijvoeglijke bijzin • tekst schrijven volgens een tekststructuur
7 Spreken, kijken en luisteren
Kijken en luisteren • spreekdoel, luisterdoel, luistermanier (herhaling) • hoofdzaken, bijzaken, signaalwoorden (herhaling) Spreken • presentatie, lichaamstaal, stemgebruik, publiek (herhaling) • spreekdoel, spreekplan, hulpmiddelen (herhaling) • presentatie: afstemmen op spreekdoel
Kijken en luisteren • documentaire • hoofdgedachte, betrouwbaarheid beoordelen (herhaling) • hoofdzaken samenvatten Gesprekken • vergaderen: agenda, notulen, voorzitter • probleemoplossende discussie
Kijken en luisteren • praatprogramma • argumenten vergelijken • betrouwbaarheid en relevantie beoordelen, open en gesloten vragen (herhaling) Spreken • aandacht vasthouden (zonder hulpmiddelen) • betogende presentatie
8 Project
• Poster maken voor een bijzonder restaurant. Fictie, Schrijven
• Blog schrijven over een taal of dialect. Fictie, Over Taal, Lezen, Schrijven
• Recensie schrijven over praatprogramma. Fictie, Grammatica, Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 6
08-06-17 10:32
Leerstofoverzicht
blok 4
blok 5
blok 6
Verhaal • Jonas Boets (Shinu) • spanning (herhaling) • setting: tijd en ruimte, sfeer in verhalen Poëzie • binnenrijm • eindrijm: gepaard rijm, gekruist rijm, omarmend rijm, slagrijm, gebroken rijm • volrijm • halfrijm: assonantie, alliteratie
Verhaal • Gideon Samson & Julius ’t Hart (Overspoeld) • tijd in verhalen (herhaling) • verteltempo: vertelde tijd, verteltijd, tijdsprong • vertelperspectief (herhaling) • verhaalbegin en verhaaleinde (herhaling) • proloog, epiloog • thema • moraal • motief
Verhaal • Koos Meinderts (De zee zien) • herhaling • literaire prijzen Poëzie • verbanden tussen strofen: opsomming, tegenstelling, herhaling, uitspraak-reden
Zinsontleding • hoofdzin en bijzin (herhaling) • bedrijvende en lijdende vorm (herhaling) • beknopte bijzin • verkeerd aansluitende beknopte bijzin Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • herhaling (hoofd- en bijzin, bedrijvende en lijdende vorm) • foutieve samentrekking Woordsoortbenoeming • herhaling
Zinsontleding • zinsontleding, (herhaling) • verkeerd aansluitende beknopte bijzin (herhaling) • foutieve samentrekking (herhaling) Woordsoortbenoeming • herhaling
• werkwoordspelling (herhaling) • los of aaneenschrijven • samenstellingen (herhaling) • dictee: werkwoordspelling, tussen-s/-n, trema, apostrof, koppelteken, samenstellingen, ei/ij-, s/c/k-, r/rr, l/ll-, ou/au-, m/mm-klank
• werkwoordspelling (herhaling) • komma, aanhalingstekens (herhaling) • leestekens: dubbele punt, puntkomma • accenttekens • dictee: werkwoordspelling, trema, apostrof, koppelteken, los/aaneen, accenten, ei/ij-, ou/au, s/c/k-, l/ll-, r/rr-klank
• herhaling • dictee: herhaling
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • stijlfouten: foutief pleonasme, foutieve tautologie • leenwoorden • etymologie van woorden
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • stijlfouten: dubbele ontkenning, contaminatie • computers en taal: taal- en spraaktechnologie
Woordenschat • woorden uit de media Taalbeschouwing • taalfouten: verkeerd woord, verkeerde uitdrukking • schriftsystemen
• mening en argument • functies van tekstgedeelten (2) • tekststructuren (2) • soorten argumenten
• mening, argumenten, soorten argumenten (herhaling) • tekstvorm: column • basisschema’s voor argumentatie (enkelvoudige, onderschikkende, nevenschikkende argumentatie) • samenvatten
• herhaling
• meninggevende tekst schrijven • taalverzorging: lijdende zin, foutief pleonasme, foutieve tautologie • tekst schrijven met een probleem-enoplossingstructuur • indeling formele brief • tekstvorm: klachtenbrief
• tekstvorm: reactie bij bericht • taalverzorging: beknopte bijzin, samentrekking • schema van de argumentatie maken • betogende tekst schrijven
• werkstuk maken • taalverzorging: zinnen met taal- en formuleringsfouten verbeteren (Afspraken en regels Schrijven)
Kijken en luisteren • debat • standpunt herkennen • argumenten beoordelen • soorten argumenten Gesprekken • regels formeel gesprek • debatteren
Kijken en luisteren • speech • opbouw presentatie (herhaling) Spreken • non-verbale communicatie beoordelen (herhaling) • overtuigend presenteren • pitchen
Kijken en luisteren • herhaling Gesprekken • meningvormende discussie
• Spel met stellingen en argumenten. Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
• Nieuwsberichten schrijven en presenteren. Grammatica, Over Taal, Lezen, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
• Pitch geven over je favoriete boek, tekst of film. Fictie, Schrijven, Spreken, kijken en luisteren
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 7
08-06-17 10:32
Blok Fictie 1.1 1.2
38
Activerende tekst schrijven. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38 Taalverzorging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40 Tekstvorm – Folder. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42 Folder schrijven. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43 Spreken, kijken en luisteren
1.15 1.16
29
Tekstdoelen, opbouw alinea, hoofdgedachte, verbindingsmanieren alinea’s – Herhaling . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 Schrijven
1.11 1.12 1.13 1.14
26
Woordenschat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 Taalbeschouwing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 Lezen
1.10
24
Werkwoorden – Herhaling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 Verwarwoorden – Herhaling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 Over taal
1.8 1.9
20
Zinsontleding – Herhaling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20 Hoofd- en bijzinnen – Herhaling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21 Woordsoortbenoeming – Herhaling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 Spelling
1.6 1.7
9
Lekker lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 Over lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 Grammatica
1.3 1.4 1.5
1
44
Kijken en luisteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 Spreken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46 Projectopdracht
49
8 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 8
08-06-17 10:32
Fictie
1
Aan het einde van deze paragraaf: • kun je je eigen leesvoorkeur beschrijven en die van iemand anders; • kun je fictieteksten plaatsen op de realismelijn; • herken je de onderdelen van het opbouwschema voor verhalen; • herken je vormen van beeldspraak.
2F
1.1 Lekker lezen Eentje meer van ons Sam woont sinds kort aan de Engelse kust. Zijn buurmeisje Jade is een surfmeisje. Ze noemt Sam een kook, iemand die niet kan surfen of een beginneling is in deze sport.
5
10
15
De zee was een wirwar van witte schuimkoppen en donkerblauwe dalen, met af en toe een schouderhoge golf die wat vorm probeerde te geven aan alle chaos. Jade keek ernaar. Verlangend. ‘Je bent echt gek dat je niet surft terwijl je zo dicht bij zee woont’, zei ze. ‘Ik hou niet zo van water.’ ‘Wat? Waarom niet?’ Ze keek me vragend aan, alsof ze nog nooit zoiets doms had gehoord. Ik dacht dat we het er toen over zouden hebben, dat ik haar over pap zou vertellen. Maar toen hoorden we een luide kreet. De angstige kreet van iemand die in de problemen zat. Aan de andere kant van het strand stond een meisje van een jaar of elf tot aan haar knieën in de branding, gekleed in wetsuit. Ze stond te roepen en te zwaaien naar de zee. Er lag een surfboard achter haar in het zand. ‘Dat is Milly’, zei Jade. ‘Ze is veel te jong om in haar eentje het water in te gaan. Waar is haar moeder? Wat staat ze nou te doen?’ Jade begon te rennen. Ik volgde haar. Het meisje stond naar haar hond te roepen, een jackrussellterriër die was gegrepen door de stroming en razendsnel wegdreef, alsof hij aan een onzichtbaar touw werd meegetrokken. Zijn ogen waren groot van angst. ‘De hond zit in een sterke stroming’, zei Jade. In een opwelling springt Sam het water in, met Milly’s surfboard.
20
25
De golf duwde me naar achteren, maar hield toen even stil, lang genoeg om me te laten beseffen wat er gebeurde. Toen rukte hij het board uit mijn handen en spoelde over me heen. Er was geen boven, geen onder, geen licht, geen donker. De wereld was vervangen door een tornado van blauwe chaos, en ik zat er middenin, rondtollend als een lappenpop in een wasmachine. Er leek geen eind aan te komen. Toen het voorbij was, stonden mijn longen op knappen en werd ik gegrepen door een hevige, doordringende paniek. Een paniek die me naar de
9 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 9
08-06-17 10:32
Fictie
30
35
40
45
50
55
60
65
70
10
75
1
keel greep en zich om mijn hart sloot. Ik maaide en trappelde, probeerde wanhopig naar de oppervlakte te zwemmen. Seconden leken wel jaren. Uiteindelijk kwam ik boven, maar in plaats van lucht ademde ik schuim in, een hele mond vol, waardoor ik begon te proesten en te kokhalzen. De volgende golf beukte me als een bulldozer omver. Geen getal dit keer, deze duwde me recht naar beneden. Diep onder water deed ik mijn ogen open. Ik zag niets dan pimpelpaarse duisternis en raakte in paniek. Helemaal in paniek. Mijn lichaam gaf zich eraan over en ik ademde water in. Ik hoorde de volgende golf over me heen rollen. Ik zette me schrap voor een nieuwe golf en zwom omhoog, half denkend dat dat toch geen zin had omdat deze gemene, genadeloze kracht me naar beneden zou blijven duwen totdat ik het opgaf. Maar toen ik omhoog zwom, zag ik ineens een turkooizen licht. De wereld van land en lucht in het daglicht. Daarboven was de wereld waaruit ik was weggerukt. Vlak boven me. Ik hoefde er alleen maar … naartoe te zwemmen. Ik kwam weer boven en hapte hoestend en schokkend naar adem. Daar was de hond, de jack russell, vlak naast me. Het beest had geluk. Ik zou zo terug zijn gezwommen, zonder nog aan hem te denken. Op dat moment had ik er alles voor over om weer aan land te zijn, maar de hond was vlakbij, dus ik greep hem vast. Ik trappelde met mijn benen en spartelde met mijn vrije arm, en langzaam kwamen we dichter bij de kant. Handen grepen me vast en sleurden me uit het water. Ze moesten de hond uit mijn armen rukken. Ik wilde hem niet loslaten. Ik probeerde te lopen, maar de zee had me van al mijn krachten beroofd. Mijn lichaam leek wel vloeibaar. Ik boog voorover en begon over te geven. Zo bleef ik een tijdje staan, hoestend en kokhalzend terwijl het water als een fontein uit mijn neus spoot. De tijd vertraagde. Ik deed mijn ogen dicht en luisterde naar het geruis in mijn oren. Langzaam kwam ik weer op adem. Ik keek op. Er stond een aantal mensen om me heen, onder wie Big G in zijn wetsuit, met de board van het meisje onder zijn arm en een geamuseerde grijns op zijn gezicht. Ik had hem nog nooit zien glimlachen. ‘Bravo’, zei hij lachend. Skip was er ook, opgewekt als altijd, en Rag, en nog een paar anderen. Het meisje, Milly, speelde alweer met haar hond op het strand. Toen verscheen haar moeder, een blonde vrouw met kaplaarzen aan en een sjaal om. Chic type. ‘Het spijt me vreselijk. Ik was even naar de auto om de thermosfles met thee te halen. Ik was maar kort weg. Heel erg bedankt. Pepper heeft zijn leven aan jou te danken.’ Er klonk een spottend gejuich. Iedereen stond te grijnzen en te lachen. Blijkbaar was dit allemaal niets bijzonders. Wát? Ik deed mijn best om rechtop te staan en toverde een geforceerde glimlach op mijn verdoofde gezicht, terwijl er snotterig water uit mijn neus bleef stromen. Big G en zijn vrienden pakten hun boards en liepen langs me heen. Je bent een held’, zei Skip met een knikje. ‘Kom je mij ook redden als ik in de problemen zit?’ zei Rag met een knipoog. Milly en haar moeder vertrokken met hun hond, die ze overlaadden met aandacht. Nadat ze weg waren gegaan, begon Jade te klappen en joelen. Toen ik niet reageerde, legde ze haar hand op mijn schouder. ‘Het gaat wel oké met je, toch?’ vroeg ze. ‘Het gaat prima!’ Ik duwde haar hand weg en viel in het zand. Mijn lichaam trilde. Ik voelde me verdoofd. En ik had het ijskoud.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 10
08-06-17 10:32
1
80
85
Fictie
‘Kom op,’ zei ze, ‘laten we teruggaan.’ Het duurde even voordat ik in beweging kwam, of zelfs maar reageerde. Ik moest eerst nagaan wat er zojuist was gebeurd. Ik moest het op een rijtje zien te krijgen in mijn hoofd. Ik had mezelf bijna de dood ingejaagd. Waarvoor? Voor de hond? Nee, ik had het gedaan om indruk te maken op Jade. Ik was bijna verdronken, alleen om goed over te komen op een meisje. Het enige positieve eraan was dat ik anders had moeten toekijken hoe Jade de hond had gered. Alles bij elkaar was het een nogal bizarre situatie. Een deel van me vond dat ik me als een echte kook had gedragen, dat ik geluk had dat ik niet was verdronken, dat ik never nooit meer zoiets zou doen. Nooit. Maar een ander deel van me gonsde van opwinding. Sam besluit dat hij wil leren surfen. Geen van de surfers wil hem lesgeven, maar Rag wil hem wel helpen om aan spullen te komen. Zijn broer Ned heeft een garage vol surfboards die hij opknapt en verkoopt.
90
95
100
105
110
115
‘Wat dacht je van Gouwe Ouwe?’ vroeg Rag aan Ned. ‘Daar zat ik ook al aan te denken’, zei Ned. Ze stortten zich op de rommelige berg van boards en wetsuits in het ongeordende deel van de garage. Het board dat ze tevoorschijn haalden was ongeveer een kop groter dan ik, geel, breed, dik, met drie vinnen aan de onderkant. Het ding was dikker, ouder en versletener dan alle andere boards hier en zat onder de deuken en de epoxyhars op de plekken waar hij was beschadigd en gerepareerd. Ik had het gevoel dat ik werd opgelicht, maar Ned keek ernaar alsof het een kunstwerk was, iets waar hij veel om gaf. ‘Deze lag vroeger altijd onder de strandpost bij Gwynsand. Iedereen kon hem gebruiken. Goed voor groot en klein, goed voor beginners, met genoeg gewicht om niet snel te vallen, maar vlak genoeg om goed te glijden. Een echte allrounder. Maar niet geschikt voor sprongen.’ Dat klonk goed, al had ik geen idee wat het allemaal betekende. Maar als ik naar het ding keek, dan zag het er toch een stuk minder uit. De moed zonk me in de schoenen. Ze wilden me afschepen met een board dat ze nooit aan iemand anders zouden kunnen slijten, en het zou me al mijn spaargeld kosten. Toch pakte ik het board aan en voelde het gewicht in mijn handen. Hij was niet licht, maar wel lichter dan ik had verwacht gezien het formaat. Ik bekeek hem eens goed en probeerde te doen alsof ik er verstand van had. ‘Hoeveel?’ vroeg ik. ‘Ligt eraan. Wil je ook een wetsuit?’ ‘Misschien.’ Rag klopte op zijn buik. ‘Voordat ik op longboards overstapte, toen ik nog mooi en slank was, had ik een zomerwetsuit van Rip Curl …’ Hij dook weer in de berg met zooi en haalde er een vergrijsd wetsuit uit, met losse naden en een paar gaten erin. ‘Pas hem eens.’ Nu wist ik zeker dat ze een grapje maakten en me probeerden af te zetten. Ik kleedde me uit tot op mijn onderbroek om de wetsuit aan te trekken. Hijgend en sjorrend wurmde ik mezelf erin. Dat duurde even. Hij sloot goed aan, een beetje te goed, en hij stonk. Als ik dit alleen maar deed om indruk te maken op Jade, dan werd nu toch echt wel duidelijk dat dat niet ging lukken. ‘Hij zit een beetje strak’, zei ik. ‘Dat moet ook.’ Ned duwde me het surfboard in handen en ze stapten naar achteren om hun werk te bewonderen.
11 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 11
08-06-17 10:32
Fictie
120
125
130
135
140
145
150
155
160
165
1
‘Hij lijkt er klaar voor’, zei Rag. ‘Inderdaad.’ Weer vroeg ik me af wat Jade zou zeggen. Misschien wel niks, omdat ze zo hard moest lachen. Ik legde het board neer, pakte mijn broek van de grond en haalde mijn geld eruit. Rag kon niet zien hoeveel het was, maar hij staarde verlekkerd naar de briefjes. ‘Jullie zeggen niets tegen Jade, toch?’ zei ik. ‘Ze zal me uitlachen. Ik vertel het haar zelf wel … zodra ik het een beetje kan. Maar goed, hoeveel?’ vroeg ik met droge mond. Rag maakte zijn blik los van het geld en keek me recht aan, bloedserieus. ‘Honderdvijftig. Inclusief de wetsuit.’ ‘O, eh, oké, en alleen het board?’ ‘Nou …’ Peinzend streek hij over zijn kin … en barstte toen in lachen uit. ‘Ik maak maar een grapje. Denk je nou echt dat ik je een wetsuit ga verkopen waar ik zelf duizend keer in heb gepist?’ Ned legde zijn hand op mijn schouder. ‘Je krijgt die spullen gratis, maar op een dag zullen we je misschien wel om een gunst vragen. Oké?’ ‘Oké’, stemde ik meteen in, zonder nadenken. ‘Ik vraag het je nog één keer’, zei Rag. ‘Ga je dit echt doen, Sam, serieus?’ ‘Ja.’ En ik meende het. Rag en Ned begonnen te grijnzen. Ze bekeken me nog een keer van top tot teen om hun creatie te bewonderen. ‘Nu ben je een surfer, Sam’, zei Rag. ‘Eentje minder van hen …’ ‘… eentje meer van ons’, zei Ned. Ze gaven elkaar een overdreven high five. Er was één andere surfer in het water, een magere gast op een heel lang surfboard. Toen ik hem zag, werd ik even wild wakker geschud. Ik voelde me dom, als een echte wannabe, alsof ik net wakker was geworden uit een droom. Waar was ik mee bezig? Serieus? Maar het had ook weinig zin om terug te gaan. Dat zou nog veel suffer zijn. Het zand voelde koud aan onder mijn voeten, maar Rag had gezegd dat het water warmer zou zijn dan de grond. Hij had gelijk. Ik waadde de zee in en tilde mijn surfboard over de kleine golven tot ik borstdiep in het water stond. Ik klom op het board, maar ook al was het een groot ding en ook al was het water kalm voorbij de branding, toch wiebelde en schommelde het board heen en weer, als een paard dat niet bereden wilde worden. Maar toen ik er eenmaal op lag, was het peddelen verder niet zo moeilijk. Pas toen ik ter hoogte van de surfer kwam en probeerde te gaan zitten veranderde het board weer in een nukkig paard. Ik spreidde mijn benen en kwam uiteindelijk in evenwicht, maar als ik te ver naar voren of naar achteren leunde, dan dook het board onder water. Als dat gebeurde, leunde ik snel de andere kant op, maar dan begon het board te wiebelen, of ik leunde te ver opzij en dan verloor ik mijn evenwicht en viel in het water. Dan moest ik er weer op zien te klimmen en begon alles weer van voren af aan. Keer op keer. Toen de golven kwamen, deed ik een poging, maar ze bleven onder me door rollen voordat ze braken. Dus peddelde ik wat dichter naar de kant en wachtte op een golf die al was gebroken. Ik greep het uiteinde van mijn board stevig vast. Ineens werd het bokkende paard stabiel en betrouwbaar. Ik ging op één knie zitten en kwam toen overeind, met mijn armen opzij als een koorddanser. Ik surfte twee volle seconden op de golf totdat hij in kracht afnam en ik opzij viel in het ondiepe water. Het was klunzig, onbeholpen en het duurde maar even. Maar mijn huid tintelde en ik grijnsde alsof ik de jackpot had gewonnen. Ik had rechtop gestaan. Op een surfboard. Op een golf. Ik peddelde weer verder het water op.
12 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 12
08-06-17 10:32
1
170
175
180
Fictie
Het was maar een ritje op een witte schuimkop. Maar het was compleet anders dan alles wat ik tot dan toe had meegemaakt. Anders dan fietsen of sleetje rijden. Meegevoerd worden door het water. Voortrazende energie die me vervulde. De surfer grijnsde van oorpiercing tot oorpiercing. ‘Hoe was dat, man?’ vroeg hij met een zwaar lokaal accent. ‘Geweldig’, antwoordde ik. ‘Beginner?’ ‘Ja, dat was mijn eerste golf. Ooit.’ ‘Het wordt alleen maar beter. Hou vol. Succes ermee.’ Hij leunde naar voren en peddelde op zijn board tot hij soepel een golf pakte die nog niet eens was gebroken. En weg was hij. ‘Geweldig’, zei ik weer, tegen mezelf. En ik bleef wachten tot ik nog een golf kon pakken. Uit: Chris Vick, Surf!.
Lees- en discussievragen Opdracht 1 T1
B
I B
I
T 2
B I
B
T1
I
T2
1 Maak een schema of overzicht van alle personages die voorkomen in het verhaal Eentje meer van ons. Geef ook aan wat hun relatie is en of de bijfiguren helpers of tegenstanders zijn. 2 a In regel 1-18 komt een terugverwijzing naar een eerdere gebeurtenis voor. Neem deze over. b Wat kom je door deze terugverwijzing over Sam te weten? 3 Neem uit het verhaal minimaal vier zinnen of delen van zinnen over waarin figuurlijk taalgebruik voorkomt. 4 a Wat is Sams probleem of doel? b Beschrijf drie belangrijke gevoelens die Sam in het verhaal doormaakt en leg uit waardoor hij zich zo voelt. 5 Noem twee open plekken die het verhaal bevat. 6 Welke informatie over Sams karakter krijg je door regel 122-126? 7 Hoe sympathiek vind jij Sam? Leg uit waardoor dat komt. 8 Vat het verhaal samen in ongeveer vijf gebeurtenissen, in chronologische volgorde. 9 a Zou jij de rest van het boek Surf! willen lezen? Geef een reden voor je keuze. b Lees hiernaast de flaptekst van Surf!. Motiveert deze tekst je meer of minder om het hele boek te willen lezen? Geef aan welke gegevens in de flaptekst daarbij bepalend zijn voor jou.
13 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 13
08-06-17 10:32
Fictie
1
Opdracht 2
T2
I
I
T2
Bespreek het verhaal Eentje meer van ons met klasgenoten. Je docent vertelt je hoe jullie deze opdracht gaan doen. Je kunt eerst je eigen antwoorden op de vragen geven. 1 Wat heeft jou in dit verhaal verbaasd? Hoe komt dat? 2 Stel je voor dat jij, net als Sam, iets wilt doen waar je eigenlijk bang voor bent. Zou jij jezelf zover krijgen om het toch te doen? Hoe? 3 Soms doe je dingen om indruk te maken op anderen. Bespreek de voordelen en nadelen hiervan. 4 a Bedenk wat er gebeurd kan zijn of aan de hand kan zijn met Sams vader. Probeer een ‘scenario’ te bedenken dat voor de hand ligt, en een scenario dat minder voor de hand ligt. b Bespreek welk scenario het interessantst is voor een boek en waarom.
Leestips Andere boeken over risico’s nemen:
Kijk de leook op esap p
Als geen ander – Una LaMarche Devorah groeit op in een liefdevol Joods gezin, waar de regels streng zijn, vooral voor de omgang tussen jongens en meisjes. Jaxon is een slimme jongen die zich meestal ongemakkelijk voelt bij meisjes. Tijdens een storm belanden ze samen in een vastzittende lift. Tegen alle regels in blijven ze elkaar daarna zien. Hoe ver kunnen ze gaan voor hun liefde? De afstand tussen jou en mij – Marina Gessner McKenna heeft zich een jaar lang voorbereid op een groot avontuur: een wandeltocht van 3500 kilometer. Als haar vriendin Courtney op het laatste moment besluit toch niet mee te gaan, gaat McKenna in haar eentje. Onderweg ontmoet ze Sam. Hij is anders en ongrijpbaar, maakt dezelfde tocht, maar heeft heel andere redenen. Hier was ik – Gayle Forman Cody’s beste vriendin Meg heeft hun saaie stadje verlaten om aan de universiteit te gaan studeren. Cody is achtergebleven. Hun vriendschap is veranderd. En dan maakt Meg totaal onverwacht een eind aan haar leven. Cody begrijpt er niets van en gaat op onderzoek uit. Was dit wel echt Megs eigen beslissing?
14 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 14
08-06-17 10:32
1
Fictie
Hype – Melvin Burgess Adam en Lizzie hebben allebei een pilletje: het is Death, een nieuwe drug. Bedoeld als euthanasiemedicijn wordt de pil nu ook door jongeren gebruikt. Death geeft je een fantastische kick die zeven dagen duurt, en na die topweek sterf je. Adam en Lizzie zullen Death nooit echt slikken … toch?
Over Chris Vick Surf! is het eerste boek van Chris Vick, een Britse schrijver. In zijn dagelijks leven is hij natuurbeschermer, en gek op surfen. Pas toen hij begon te schrijven over dingen die bekend voor hem waren, lukte het hem om zijn eerste boek te maken. Hij schrijft voor jongeren, omdat hij de tienerjaren een geweldige levensfase vindt.
1.2 Over lezen Fictie kiezen R
Fictie is er in vele verschillende vormen. De drie hoofdvormen zijn proza, poëzie en toneel. Proza bestaat uit korte verhalen, novelles (verhalen tussen tachtig en honderd pagina’s) en romans (verhalen langer dan honderd pagina’s). Bij poëzie horen gedichten en liedteksten. Onder toneel vallen toneelstukken en films. Fictie is bedoeld om je te vermaken, maar kan veel meer doen. Fictie kan je helpen de wereld te ontdekken, jezelf en anderen te begrijpen, na te denken over levensvragen of moeilijke dingen te verwerken. Iedereen ontwikkelt hierbij een eigen leesvoorkeur of kijkvoorkeur. In de paragraaf Fictie lees je vooral leesboeken en gedichten. Dit schooljaar leer je je leesvoorkeur verder ontwikkelen. Bij het kiezen van fictie is het belangrijk dat je actief te werk gaat. De volgende tips kunnen je daarbij helpen: • Kijk verder dan het uiterlijk. Het omslag van een boek zegt meestal niet veel. Kijk ook wie de schrijver is, lees de flaptekst en lees de eerste pagina. Als je online zoekt, is er meestal nog meer informatie over boeken beschikbaar, zoals een korte omschrijving of ervaringen van andere lezers. Gebruik bijvoorbeeld de informatie in de Op Niveau Leesapp die je gratis kunt downloaden. • Maak gebruik van achtergrondinformatie. Zoek op internet informatie over boeken en schrijvers. Interviews en recensies geven een indruk van boeken. Let wel op de verschillen tussen tekstsoorten: advertenties zijn erg subjectief en benadrukken de positieve punten om zo veel mogelijk boeken te verkopen. Recensies zijn subjectief, maar de schrijvers zijn (vaak) wel deskundig en onderbouwen hun mening met argumenten. Interviews zijn meer objectief, daarin vraagt de interviewer bijvoorbeeld aan de schrijver om uitleg te geven over het boek.
15 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 15
08-06-17 10:32
Fictie
•
•
•
1
Ga na in welke onderwerpen of vraagstukken je geïnteresseerd bent en zoek daar verhalen bij. Denk bijvoorbeeld aan andere culturen, reizen, relaties tussen ouders en kinderen, onderdrukking, ziekte, geschiedenis of oorlog. Houd bij wat je leest en wat je nog zou willen lezen. Begin een leesdagboek of houd op een website een persoonlijke leeslijst en verlanglijst bij. Breid je leesvoorkeur uit door niet alleen maar boeken te kiezen in jouw favoriete genres. Vraag tips aan leeftijdsgenoten, docenten, een bibliothecaris, mediathecaris, boekenblogger of boekverkoper.
Fictiedossier Dit schooljaar maak je verschillende opdrachten bij fictie. Deze opdrachten verzamel je in een fictiedossier. Je docent vertelt je hoe het fictiedossier eruit komt te zien, welke opdrachten en toetsen je maakt en hoe deze worden beoordeeld. Je herkent de opdrachten . voor het fictiedossier aan dit icoon: Opdracht 3
T2
T1
T
Maak een leesautobiografie, een beschrijving van de rol van lezen in jouw leven. Verwerk je antwoorden op de volgende vragen in een samenhangende tekst van ongeveer twee A4’tjes. Geef de tekst een passende titel en denk aan alinea’s en tussenkopjes. Voeg afbeeldingen toe van de omslagen van de boeken die je noemt. 1 Beschrijf de periode waarin je zelf nog niet kon lezen. Werd je voorgelezen? Welke boeken herinner je je? Hoe belangrijk vinden jouw ouders lezen en voorlezen? 2 Beschrijf de periode waarin je leerde lezen. Hoe ging dat? Hoe vond je het? Welke boeken herinner je je? 3 Beschrijf de periode waarin je verder leerde lezen, van groep 4 tot en met 6. Wat betekende lezen voor jou? Welke boeken las je? Wat waren jouw favorieten? Ging je naar de bibliotheek? 4 Beschrijf de periode van groep 7 en 8. Welke boeken las je? Had je al een bepaalde leesvoorkeur? Werd er nog voorgelezen? Ging je naar de bibliotheek? Las je boeken die voor oudere kinderen bedoeld waren? Maakte je verschil tussen ‘jongensboeken’ en ‘meisjesboeken’? Welke verhalen zijn je bijgebleven? 5 Beschrijf de periode van de middelbare school. Ging je meer of minder lezen? Welke boeken las je? Hoe veranderde je leesvoorkeur? 6 Maak een plan voor dit schooljaar. Welke genres wil je proberen? Hoe ga je boeken vinden? Welke boeken heb je nu al op het oog? Wat is je planning? 7 Maak alvast een lijstje van minimaal vier boeken die je zou willen lezen. Schrijf de titel en de schrijver op en zet er ook bij hoe je aan deze titels bent gekomen en waarom je deze boeken zou willen lezen.
16 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 16
08-06-17 10:32
1
Fictie
Meer of minder realistisch Een verzonnen verhaal kan lijken op de werkelijkheid, dan is het verhaal realistisch. Er kunnen in verhalen ook dingen voorkomen die ongeloofwaardig zijn of die in werkelijkheid niet mogelijk zijn. Dan is een verhaal niet-realistisch. Elk verhaal kun je ergens plaatsen op een lijn, de realismelijn, tussen heel realistisch en helemaal niet realistisch. Hoe realistisch een verhaal op je overkomt, wordt bepaald door de beschrijving van de tijd en de omgeving, de beschrijving van de personages en hun gesprekken, gedachten, problemen en bezigheden, de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen, fantasie-elementen en de afloop van het verhaal.
R
heel realistisch
een beetje realistisch
helemaal niet realistisch
Let goed op het verschil tussen waargebeurd en realistisch. Een schrijver kan gebruikmaken van waargebeurde dingen, zoals historische personages, historische gebeurtenissen of gebeurtenissen uit zijn eigen leven of dat van iemand anders. Een verhaal met waargebeurde elementen blijft echter wel fictie, omdat een schrijver altijd dingen verzint en aan het verhaal toevoegt of dingen weglaat of aanpast. Andersom kan een verhaal waarin helemaal geen waargebeurde dingen voorkomen toch heel realistisch zijn. Opdracht 4 T1
I
T
1 Beoordeel hoe realistisch jij het verhaal Eentje meer van ons vindt. Geef bij de verschillende onderdelen uit de theorie twee of drie zinnen uitleg. 2 Zet het verhaal op de realismelijn en leg uit waarom je het op die plaats zet. 3 Is Eentje meer van ons een waargebeurd verhaal? Leg je antwoord in één zin uit. 4 Wissel met minimaal drie klasgenoten jullie leesautobiografieën uit opdracht 3 uit. Bekijk elkaars leeslijstjes voor komend schooljaar. a Kies uit alle genoemde boeken een boek dat heel realistisch lijkt. Leg uit waarom jij dit boek wel of niet zou willen lezen. b Kies uit alle genoemde boeken een boek dat minder realistisch (of het minst realistisch) lijkt. Leg uit waarom jij dit boek wel of niet zou willen lezen. 5 Geef aan je groepsgenoten een leestip die past bij hun leesvoorkeur. Gebruik een of meer manieren uit de theorie over het kiezen van boeken.
Opbouwschema van verhalen R
In veel verhalen kun je een vaste opbouw herkennen met verschillende delen. Die opbouw ziet er zo uit: Verhalen kunnen beginnen bij de beginsituatie, maar een schrijver kan ook op een ander moment beginnen. Dan lees je eerst over het ontstaan van het probleem, of over het dieptepunt, en zelfs beginnen met het slot is mogelijk. In zo’n verhaal zijn de onderdelen waaruit de vaste opbouw bestaat in een andere volgorde gezet.
17 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 17
08-06-17 10:32
Fictie
1
Opdracht 5 T1
B
I
I
1 Kijk nog eens naar het verhaal Eentje meer van ons. Welk verhaaldeel uit het opbouwschema herken je in dit deel van het boek Surf!? Leg je antwoord uit. 2 Bedenk hoe de andere delen van het verhaal zouden kunnen gaan. Bedenk voor elk onderdeel uit het schema een gebeurtenis of beschrijf wat er gebeurt.
Beeldspraak Spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten figuurlijk taalgebruik, beeldspraak. Het gaat dan om bekende beelden, die door het vele gebruik vaak afgezaagd zijn. Schrijvers van fictie gebruiken ook vaak beeldspraak, maar zij proberen originele beelden te bedenken. Beeldspraak benadrukt dingen en kan een verrassend effect hebben. Als je fictie leest, kun je genieten van dit creatieve taalgebruik.
R
Er zijn verschillende vormen van beeldspraak. Een van de vormen is het trekken van een vergelijking. Dat kan op twee manieren: • vergelijking met als (in plaats van ‘als’ zijn ook andere woorden mogelijk, bijvoorbeeld ‘zoals’, ‘alsof’, ‘net als’); • vergelijking zonder als. Een andere vorm van beeldspraak is de metafoor – er wordt iets genoemd dat lijkt op datgene wat eigenlijk bedoeld wordt, maar niet genoemd wordt. Er is een overeenkomst tussen de twee. voorbeeld vergelijking met als Mijn stem klonk alsof hij door een papierversnipperaar was gehaald … Uit: Veronica Rossi, Riders.
vergelijking zonder als Op stille momenten kon ze dromerig voor zich uit staren en dan pas zag Seppe dat ze eigenlijk een op aarde verdwaalde fee in vermomming was. Uit: Ed Franck, Hoe Seppe ondanks alles zijn zestiende verjaardag haalde.
metafoor Ik ben een land zonder duidelijke grenzen, en ik laat me vertrappen door mijn vijandin, wanneer ze maar wil. Uit: Annabel Pitcher, Zwijgen is goudvis.
18 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 18
08-06-17 10:32
1
Fictie
Opdracht 6 T1
B
1 a Neem uit het verhaal Eentje meer van ons twee zinnen of delen van zinnen over waarin vergelijkingen met als voorkomen. b Neem uit het verhaal Eentje meer van ons twee zinnen of delen van zinnen over waarin vergelijkingen zonder als voorkomen. 2 Schrijf bij de zinnen uit vraag 1 op welke dingen met elkaar vergeleken worden. 3 Geef van de volgende zinnen aan welke vorm van beeldspraak gebruikt wordt. a De wereld van land en lucht in het daglicht. Daarboven was de wereld waaruit ik was weggerukt. (Eentje meer van ons, regel 38-39) b Ineens werd het bokkende paard stabiel en betrouwbaar. (Eentje meer van ons, regel 161-162) c … ik grijnsde alsof ik de jackpot had gewonnen. (Eentje meer van ons, regel 165-166) d Ik ging op één knie zitten en kwam toen overeind, met mijn armen opzij als een koorddanser. (Eentje meer van ons, regel 162-163) e Bestaat er een knop waarmee je je leven kunt resetten? Dan zou ik op die knop drukken en die hele klerezooi deleten, totdat alles weer oké was. (Mel Wallis de Vries, Shock) Toets Opdracht 7
T1
I,T
T2
I
T2
T1
1 Kies vijf boeken die je zou willen lezen. Je hebt de boeken dus nog niet eerder gelezen. Lees van elk boek het begin: minimaal tien pagina’s. Lees niet verder dan de eerste twintig pagina’s. 2 Schrijf van elk boek de schrijver en de titel op. Beschrijf bij elk boek in ongeveer tien zinnen wie de hoofdpersoon is, wat er gebeurt in het begin van het verhaal en hoe realistisch het verhaal op jou overkomt. 3 Zet alle verhalen op een realismelijn. Maak er een overzichtelijk geheel van; gebruik ook afbeeldingen van de omslagen van de boeken. 4 Beschrijf met welk deel van het opbouwschema van verhalen elk boek volgens jou begint. Omdat je nog niet het hele verhaal kent, kun je dit niet helemaal zeker weten. Leg per boek in ongeveer vijf zinnen jouw vermoeden uit. 5 Voorspel bij elk boek wat het dieptepunt van het verhaal zal zijn. Als een verhaal met het dieptepunt begint, voorspel dan hoe het verhaal afloopt. 6 Zoek in de pagina’s die je gelezen hebt de tien mooiste voorbeelden van beeldspraak. Laat zo compleet mogelijk alle vormen van beeldspraak uit de theorie zien. Maak hiervan een mooie ‘citatenpagina’ waar je passende afbeeldingen aan toevoegt. 7 Voeg opdracht 2 tot en met 6 samen tot een geheel en bewaar het in je fictiedossier.
19 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 19
08-06-17 10:32
Grammatica
1
In deze paragraaf herhaal je een deel van de leerstof uit leerjaar 2. Eerst oefen je nog eens met het benoemen van zinsdelen en delen van zinsdelen. Daarna wordt je kennis van hoofd- en bijzinnen opgefrist. Tot slot herhaal je een flink aantal woordsoorten.
Aan het einde van deze paragraaf: • kun je de (delen van) zinsdelen benoemen die je tot nu toe hebt geleerd; • kun je hoofd- en bijzinnen van elkaar onderscheiden; • kun je de woordsoorten benoemen die je tot nu toe hebt geleerd.
2F
In leerjaar 1 en 2 heb je veel verschillende zinsdelen, delen van zinsdelen en woordsoorten leren benoemen. Als je iets niet meer weet of als je twijfelt, kun je de werkwijzer Grammatica op opniveau-online.nl raadplegen.
1.3 Zinsontleding – Herhaling Opdracht 1
T1
B
Benoem de zinsdelen en delen van zinsdelen van de volgende zinnen. 1 Over het algemeen reageren patiënten met die ziekte goed op dit medicijn. 2 Naar aanleiding van jouw verzoek om informatie sturen we je dit pakket toe. 3 Bij het ongeluk op dat gevaarlijke kruispunt waren twee auto’s en een scooter betrokken. 4 Tijdens de wedstrijd werd vóór ons een jongetje op de nek van zijn vader gehesen. 5 Vanavond is bij ons te gast mevrouw El Amrani, deskundige op het gebied van de ruimtevaart. 6 Ook voor vegetariërs zijn deze belegde broodjes in de meeste gevallen geschikt. Opdracht 2
I
T1
I
1 Bedenk een zin waarin ‘in Amsterdam’ een bijwoordelijke bepaling is en een zin waarin ‘in Amsterdam’ een bijvoeglijke bepaling is. Geef bij de bijvoeglijke bepaling aan bij welk woord de bepaling hoort. 2 Doe de opdracht hierboven nog een keer met ‘op de foto’. 3 Ruil je antwoorden met die van een klasgenoot. Controleer of je klasgenoot goede zinnen heeft gemaakt.
20 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 20
08-06-17 10:32
1
Grammatica
Opdracht 3 T1
B
T2
1 Maak deze opdracht samen met een klasgenoot. Het bouwplan van het werkwoord repareren bestaat uit drie delen: iemand repareert iets. Het bouwplan van het werkwoord bezorgen bestaat uit vier delen: iemand bezorgt iemand anders iets. Uit hoeveel delen bestaat het bouwplan van de volgende werkwoorden? Vul het schema verder in. neerzetten – betalen – ontmoeten – zien – meedelen – laten zien – uitvinden – voorschrijven drie delen
vier delen
repareren
bezorgen
2 Maak met elk werkwoord uit het schema een goede basiszin. Verdeel de zin in zinsdelen, zodat duidelijk is uit hoeveel delen de zin bestaat. 3 Lees de zinnen en maak de opdracht. a Liam onthoudt de Engelse woorden. b Ik wil jullie deze leuke mop niet onthouden. Het werkwoord onthouden kan in beide kolommen van het schema ingevuld worden. Leg dit uit.
Je kent de volgende delen van een zin(sdeel): wwg – nwg – ond – lv – mv – vzv – bwb – bvb – bijstelling.
1.4 Hoofd- en bijzinnen – Herhaling Opdracht 4 R T2 T1
I O
1 Hoe kun je aan een zin zien of het een enkelvoudige of een samengestelde zin is? 2 Bedenk een voorbeeldzin waarin je het antwoord op vraag 1 demonstreert. 3 Samengestelde zinnen worden aan elkaar verbonden met een voegwoord. Geef drie voorbeelden van voegwoorden die een hoofdzin aan een bijzin kunnen verbinden. Opdracht 5
T1
B
1 Schrijf van elk van de volgende zinnen op of hij enkelvoudig of samengesteld is. a Volgens de makers is die nieuwe schoolatlas gekoppeld aan het eindexamen aardrijkskunde voor havo- en vwo-leerlingen.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 21
21 08-06-17 10:32
Grammatica
1
b Anwar loopt al een tijdje met krukken, omdat hij last van zijn knie heeft. c Als blijkt dat de minister over die kwestie heeft gelogen, moet hij opstappen. d Vragen over het zojuist uitgereikte programma voor de werkweek kunnen jullie na afloop van de informatieavond aan de betrokken docenten stellen. e Gym is al sinds de basisschool Samuels lievelingsvak, hoewel hij er niet zo goed in is. f De politie wil volgens de woordvoerder niets zeggen over die zaak, totdat het onderzoek is afgerond. g Zodra de docent de toets heeft nagekeken, zet zij de door de leerlingen behaalde cijfers online. h Vanwege een trainingskamp ter voorbereiding op de Olympische Spelen verscheen de atleet niet aan de start van die wedstrijd. i Hebben jullie ook van je docent Nederlands gehoord dat er binnenkort een gedichtenwedstrijd gehouden wordt? j Aan de verklaringen van de ex-wielrenner over het gebruik van doping door zijn collega’s hoefde niemand te twijfelen. 2 Schrijf van de samengestelde zinnen uit vraag 1 ook de volgende dingen op: – het voegwoord; – het eerste en het laatste woord van de delen; – de naam van elk deel: hoofdzin of bijzin. Opdracht 6 T2
I
Maak van de volgende enkelvoudige zinnen samengestelde zinnen door er een bijzin aan toe te voegen. Gebruik bij elke zin een ander voegwoord. 1 Ik was vanmorgen te laat op school. 2 Mijn ouders brengen mij overal naartoe. 3 We kunnen de bus nog halen. 4 De schade door de storm viel erg mee. 5 Wij mochten van de docent een kwartier eerder weg.
1.5 Woordsoortbenoeming – Herhaling Je kent inmiddels de volgende woordsoorten: znw – lw – bnw – vz – zww – hww – kww – pers. vnw – bez. vnw – wederkerend vnw – wederkerig vnw – vr. vnw – aanw. vnw – betr. vnw – onb. vnw – onb. hoofdtelw – onb. rangtelw – bep. hoofdtelw – bep. rangtelw – ondersch. vw – nevensch. vw – bw. Opdracht 7 T1
22
B
Lees telkens eerst de zinnen en beantwoord dan de vragen. A Ken je de verhalen over de verschrikkelijke sneeuwman? B Het stinkt hier verschrikkelijk. 1 Over welk woord zegt verschrikkelijke in zin A iets? Welke woordsoort is verschrikkelijke dus? Leg je antwoord uit. 2 Over welk woord zegt verschrikkelijk in zin B iets? Welke woordsoort is verschrikkelijk dus? Leg je antwoord uit. C Die handbalster gaat voor een buitenlandse club spelen. D Weet men al wie de nieuwe bondscoach wordt? E Heb je misschien wat te drinken voor mij?
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 22
08-06-17 10:32
1
F 3 4 5 6 G H I 7 8 9 10
Grammatica
Het boek dat jij mij aanraadde, heb ik in één keer uitgelezen. Welke woordsoort is Die in zin C? Leg je antwoord uit. Welke woordsoort is wie in zin D? Leg je antwoord uit. Welke woordsoort is wat in zin E? Leg je antwoord uit. Welke woordsoort is dat in zin F? Leg je antwoord uit. Mijn vader is op dit moment in de trein. Mijn vader is vandaag met de trein naar zijn werk gegaan. Mijn vader is een echte treinfanaat. Wat voor soort werkwoord is is in zin G? Leg je antwoord uit. Wat voor soort werkwoord is is in zin H? Leg je antwoord uit. Wat voor soort werkwoord is is in zin I? Leg je antwoord uit. Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot en bespreek de verschillen. Komen jullie er samen niet uit, vraag dan je docent om hulp.
Opdracht 8 T1
B
Schrijf de genummerde woordsoorten uit tekst 1 over en schrijf de goede woordsoort erachter.
Tekst 1 Klopt de 5-secondenregel voor voedsel dat (1) op de grond valt? Eten snel oprapen is (2) zinvol: hoe langer het (3) blijft (4) liggen, hoe meer bacteriën erop zitten. Maar met dat (5) oprapen ben je nooit snel genoeg, zegt Marcel Zwietering, hoogleraar levensmiddelenmicrobiologie (6) aan Wageningen Universiteit. ‘In een tiende van een seconde zitten er bacteriën op.’ De vraag is natuurlijk: kun je daar ziek van worden (7)? Overal zitten bacteriën, ook het (8) keukendweiltje naast (9) de snijplank kan een besmettingsbron zijn. Van de meeste word je helemaal niet ziek, legt Zwietering uit. ‘Onze (10) mond, waar het warm en vochtig (11) is, zit vol bacteriën. Als (12) je ’s ochtends wat (13) yoghurt eet, krijg je er makkelijk (14) een miljard in je maag.’ Er zijn echter een paar gemene soorten (zoals Salmonella, Campylobacter en sommige (15) soorten E. coli) en (16) daarvan zijn er maar weinig nodig om ziek te worden, zegt hij. Krijg je één exemplaar binnen, dan heb je een kans van ongeveer een op duizend om ziek te worden. Eet je er duizend, dan komt de kans op buikloop of erger al in de buurt van 100 procent. Bevinden die (17) beestjes zich (18) regelmatig op de keukenvloer? Nee, zegt Zwietering, meestal niet. Als je buiten door de modder loopt of (19) in de hondenpoep stapt en de hond is ziek, waardoor de ontlasting vervelende bacteriën bevat (20) en je loopt daar vervolgens mee de keuken in – ja, dan kun je de vloer van een laagje ziekteverwekkers voorzien. Maar in het algemeen is de kans op ziekte gering, denkt hij, en die kans wordt nog kleiner als de vloer regelmatig wordt schoongemaakt. Wat (21) is nu een handige tactiek? Als je eten laat vallen: in 5 seconden de omgeving checken. Bij twijfel over de hygiëne is de 0-secondenregel veiliger. Naar: Ellen de Vogel, Klopt de 5 secondenregel voor voedsel dat op de grond valt?, in: de Volkskrant.
23 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 23
08-06-17 10:32
Spelling
1
Heb je lekker van je vakantie genoten? Goed zo! Waarschijnlijk is je kennis over spelling dan wel weer een beetje weggezakt. Daarom begin je in deze eerste paragraaf Spelling met wat herhaling. Weet jij nog hoe je werkwoorden moet vervoegen?
Aan het einde van deze paragraaf: 2F • weet je weer hoe je verschillende werkwoordsvormen spelt; • kun je woorden die je op verschillende manieren kunt schrijven correct spellen.
1.6 Werkwoorden – Herhaling In leerjaar 1 en 2 heb je geleerd hoe je verschillende werkwoordsvormen spelt. De eerste vraag die je jezelf daarbij altijd moet stellen is: ‘Om welke werkwoordsvorm gaat het?’ Pas als je weet of het om een persoonsvorm, voltooid deelwoord of infinitief gaat, kun je de goede spelling bepalen. Als je niet meer weet hoe dat precies gaat, kun je de werkwijzer Werkwoordspelling op opniveauonline.nl raadplegen.
Opdracht 1 T1
24
B
1 Vervoeg de werkwoorden in de volgende zinnen. Kies voor de tegenwoordige tijd als de tijd niet duidelijk uit de zin blijkt. a De bouwkundige heeft … (berekenen) hoe groot het dakterras mag zijn. b Het goede nieuws werd … (overschaduwen) door het bericht dat Teun komende zomer … (verhuizen). c Toen Esthers oma vorig jaar … (overlijden), … (erven) haar oudste kleindochter haar gouden ring. d Hij heeft een uur geleden nog … (douchen), dus het … (verbazen) me dat hij nu weer gaat. e De arts … (vermoeden) dat zijn patiënt niet zal … (berusten) in de situatie. f Vorige week … (oogsten) de zangeres veel lof met haar optreden dat … (grenzen) aan het onmogelijke. g Het … (gebeuren) niet vaak dat de cavia de uitslag van een wedstrijd goed … (voorspellen). h Nadat de invaller had … (scoren), … (glimmen) hij van trots. i In zijn nieuwe boek … (behandelen) de schrijver een onderwerp dat veel voor hem … (betekenen). j Nadat hij het gras had … (maaien), heeft Polle twee uur … (gamen). 2 Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot. Bespreek samen eventuele verschillen.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 24
08-06-17 10:32
1
Spelling
Opdracht 2
T1
B
T2 T1
Bij opdracht 1 heb je in zin a, b, d, g en i een of meer werkwoorden vervoegd met een -d die je ook met een -t kunt schrijven. Of juist andersom: met een -t, terwijl het werkwoord ook met -d voorkomt. 1 a Schrijf deze werkwoorden op. b Benoem steeds de werkwoordsvorm die je in opdracht 1 hebt gevormd. 2 a Schrijf met elk van deze werkwoorden een zin waarin je de andere werkwoordsvorm gebruikt. b Benoem bij elke zin de nieuwe werkwoordsvorm die zo is ontstaan. 3 Ruil je zinnen met die van een klasgenoot. Controleer elkaars antwoorden.
1.7 Verwarwoorden – Herhaling R
In het Nederlands spel je woorden meestal zoals je ze uitspreekt. Maar er zijn ook instinkers bij waar je even extra op moet letten. Vaak gaat het om woorden met au of ou, g of ch, ei of ij en c of k. Bij homofonen zijn beide schrijfwijzen mogelijk, maar verschilt de betekenis.
Opdracht 3 T1
B
1 Schrijf de goede schrijfwijze op van de vetgedrukte woorden in de volgende zinnen. a Een cactus/kaktus hoef je maar heel af en toe water te geven. b De kat moest weg, omdat de baby allergisch bleek voor stofmeit/stofmijt. c Zijn ouders zijn drie jaar langer getrouwd dan die van jou/jouw. d Als je stamppot maakt van andijvie, eet je de groente rauw/rouw. e Volgens de dierenarts is onze oude hond nog hardstikke/hartstikke gezond. f Mariël maakt ’s zomers graag in haar eendje/eentje lange wandelingen. g In het Afrikaanse land was een schreinend/schrijnend tekort aan goede artsen. h Tijdens de vergadering legde de voorzitter zijn eis/ijs voor verandering op tafel. 2 Schrijf de letters van de zinnen op waarin de woorden homofonen zijn. Opdracht 4
T2
B
T1
1 Maak met elk woord uit de volgende homofone woordparen een zin waarin je het woord in de goede betekenis gebruikt. a bereiden – berijden b dauw – douw c wild – wilt d krab – krap e steil – stijl 2 Ruil je zinnen met die van een klasgenoot. Hebben jullie de woorden in dezelfde betekenis gebruikt? Zoek eventueel de goede betekenis op. Dictee Opdracht 5
T1
B
Maak het dictee. Luister hiervoor naar de instructies van je docent.
25 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 25
08-06-17 10:32
Over taal
1
Dieren kunnen over het algemeen prima duidelijk maken of iets ze bevalt of juist niet. Een hond springt enthousiast rond als hij blij is, gromt als hij zich bedreigd voelt en trekt zijn staart tussen zijn benen als hij bang is. Is dat gedrag te vergelijken met menselijke taal? In deze paragraaf ga je dit onderzoeken.
Aan het einde van deze paragraaf: • begrijp je de betekenis van verschillende woorden uit de media; • kun je nieuwe woordvormen afleiden en gebruiken; • ken je het verschil tussen communicatiesystemen van mensen en dieren.
2F
1.8 Woordenschat Woorden uit de media Opdracht 1 T2
B
Schrijf de grondvorm op van de vetgedrukte woorden in de volgende zinnen. Gebruik de woordraadstrategieën om de betekenis af te leiden. Schrijf de betekenis achter de grondvorm. 1 De regisseur wilde het stuk niet op een conventionele manier spelen, maar stimuleerde zijn acteurs juist om creatief te zijn. 2 Een hamburger van beverrat klinkt misschien vies, maar in Moskou ziet men het als een delicatesse. 3 De prijzen zijn gestegen, maar de lonen zijn evenredig omhooggegaan, dus je kunt nog steeds hetzelfde kopen. 4 De mentor liet zijn leerlingen zien dat niemand gebaat is bij het verspreiden van roddels. 5 De ontploffing ging gepaard met een grote steekvlam. 6 Het schoolbestuur is op zoek naar innovatieve ideeën voor de herinrichting van het schoolplein. 7 Jongeren die gevoelig zijn voor manipulatie worden soms verleid om dingen te doen waar ze eigenlijk niet achter staan. 8 Pesten gebeurt overal anders, dus er is helaas geen pasklare oplossing voor te vinden. 9 Fanatieke sporters drinken soms shakes met proteïnes, omdat je lichaam extra eiwitten nodig heeft voor spieropbouw. 10 Veel mensen vinden de textuur van drilpudding een vervelend gevoel geven in hun mond.
26 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 26
08-06-17 10:32
1
Over taal
Woordveld Opdracht 2 T1
B
T2
1 Zet de goede betekenis bij de volgende woorden. Kies uit de woorden onderaan. Let op, hier staan er twee te veel bij. 2 Leid van elk werkwoord twee zelfstandige naamwoorden af en verwerk deze elk betekenisvol in een zin. Let op dat je geen samenstellingen maakt. a radicaliseren e nuanceren b consulteren f observeren c provoceren g provoceren d liberaliseren h terroriseren berekenen – extreme opvattingen krijgen – gebruiken – goed bekijken – mogelijk maken – stelselmatig lastigvallen – subtiel onderscheid aanbrengen – uitdagen – vastleggen – vrijmaken
1.9 Taalbeschouwing Dieren en taal Opdracht 3 I
R
I
Werk in groepjes van vier. Ook dieren communiceren met elkaar en met andere diersoorten. Maar in hoeverre is dat echte taal? – Denk na over de stelling ‘Dierentaal is een volwaardige taal’. – Schrijf twee argumenten voor en twee argumenten tegen deze stelling op. – Voer daarna een korte discussie over de stelling.
Dieren communiceren met elkaar door middel van geluiden, geuren, kleuren en houding. Soms lijkt dat op de taal die mensen gebruiken, maar er zijn een paar belangrijke verschillen: • Mensen kunnen met een beperkt aantal klanken een oneindig aantal woorden vormen. Je kunt steeds nieuwe woorden creëren, bijvoorbeeld met een nieuwe combinatie van klanken (‘sprool’) of met een combinatie van bestaande woorden (‘appelpasta’). Dieren breiden hun communicatiesysteem niet zo makkelijk uit. • Mensen kunnen met woorden een oneindig aantal zinnen vormen. Je kunt zinnen maken die nog nooit eerder zijn gevormd en die toch begrijpelijk zijn: ‘De groene vlammen kruipen beschaamd door de straten.’ Je kunt met behulp van bijzinnen ook steeds langere zinnen maken: ‘Ik dacht dat jij wist dat hij zei dat …’. Dieren kunnen dit niet. • Mensen leren hun taal van hun ouders en omgeving; het Nederlands is niet erfelijk. Een hond die in zijn leven geen andere honden hoort of ziet, zal toch nog blaffen. Maar een mens die nooit andere mensen hoort of ziet, leert geen taal.
27 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 27
08-06-17 10:32
Over taal
•
1
Mensen kunnen spreken over zaken die op een andere plek zijn of in een andere tijd spelen. Je kunt ook praten over abstracte onderwerpen, zoals taal zelf. Daarnaast kun je het ook hebben over dingen die er juist niet zijn: ‘Ik heb geen honger.’ Dieren kunnen alleen communiceren over het hier en nu.
Er zijn diersoorten waarvan het communicatiesysteem sommige van deze eigenschappen ook heeft, maar de combinatie van al deze eigenschappen komt alleen voor bij mensen. Dat maakt het menselijk taalvermogen uniek. Onderzoekers hebben vaker geprobeerd om dieren menselijke taal te leren met behulp van gebarentaal. Ze werkten vooral met verschillende apensoorten. Na lang oefenen konden chimpansees en bonobo’s wel woordjes leren, maar ze konden uiteindelijk geen goede, samenhangende zinnen maken. De langste zin die chimpansee Nim Chimpsky maakte was: ‘Geef sinaasappel mij geef eet sinaasappel mij eet sinaasappel geef mij eet sinaasappel geef mij jij.’ Opdracht 4 T1
I
T2
T1
T2
Lees het theorieblok over dieren en taal. Beantwoord de volgende vragen. 1 Dieren communiceren met elkaar door middel van geluiden, geuren, kleuren en houding. Geef een voorbeeld van elk van deze communicatiemiddelen. 2 ‘Onderzoekers hebben vaker geprobeerd om dieren menselijke taal te leren met behulp van gebarentaal.’ Waarom leerden de onderzoekers de apen niet gewoon te spreken? Probeer deze keuze te verklaren. 3 Mensen gebruiken niet alleen taal om te communiceren. Ze gebruiken nog een ander communicatiesysteem, dat veel meer lijkt op dat van dieren. Geef een voorbeeld van een signaal uit dat communicatiesysteem. Schrijf ook de betekenis van het signaal op. 4 Wetenschappers denken dat de ontwikkeling van menselijke taal er heel lang geleden aan heeft bijgedragen dat de mens in grotere groepen kon gaan samenleven. Die leefstijl zorgde er ook weer voor dat de taal steeds complexer werd. Leg beide kanten van deze wisselwerking uit met een voorbeeld. Opdracht 5
I
I
1 Bedenk een theorie waarom het taalvermogen juist bij mensen is ontstaan en niet bij dieren. 2 Bespreek je theorie met een klasgenoot. Benoem de sterke en zwakke punten in elkaars theorie. Toets Opdracht 6
I
T
Onderzoek online het communicatiesysteem van een van de volgende dieren of diersoorten. Verwerk je bevindingen in een uiteenzettend filmpje van ongeveer drie minuten. Stuur de link naar het filmpje naar je docent. – dansende bijen – bonobo Kanzi – meerkatten – chimpansee Gua – zebravinken – chimpansee Washoe Gebruik internet om informatie over deze dieren of diersoorten op te zoeken. Toon indien mogelijk ook voorbeelden. Vertel in het filmpje in elk geval: – hoe het dier communiceert; – in hoeverre dit systeem overeenkomt met menselijke taal; – in hoeverre dit systeem afwijkt van menselijke taal.
28 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 28
08-06-17 10:32
Lezen
1
In leerjaar 1 en 2 heb je veel geleerd over het lezen van zakelijke teksten. Al die kennis gebruik je bij de teksten die je in leerjaar 3 gaat lezen. Vanaf blok 2 leer je ook nieuwe theorie, maar nu aan het begin van het schooljaar herhaal je eerst de belangrijkste onderwerpen. Veel succes en ook plezier met het lezen van de teksten.
Aan het einde van deze paragraaf: • heb je een deel van de lesstof van leerjaar 1 en 2 herhaald.
2F
1.10 Tekstdoelen, opbouw alinea, hoofdgedachte, verbindingsmanieren alinea’s – Herhaling Opdracht 1 R
T1 R
T1
O
1 2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12
Schrijf vier manieren op die een schrijver kan gebruiken om zijn tekst in te leiden. Op welke drie manieren kan de schrijver zijn tekst afsluiten? Welke vier verbindingsmanieren voor de alinea’s in het middenstuk zijn er? Op welke plaats staat de kernzin van een alinea meestal? Op welke andere plaatsen kan de kernzin van een alinea voorkomen? Waaruit bestaat de rest van de alinea? Beschrijf in één zin wat wordt bedoeld met de hoofdgedachte van een tekst. Schrijf het tekstdoel bij de volgende tekstsoorten op: a uiteenzettende tekst b betogende tekst Schrijf bij elke tekstsoort van vraag 8 twee tekstvormen op. Bij welke tekstsoort hoort de tekstvorm reclametekst? Is een tekst waarin de mening van anderen wordt vermeld een objectieve of een subjectieve tekst? Leg je antwoord uit. Schrijf op bij welk verband de volgende signaalwoorden horen: a maar b om … te c omdat d doordat
29 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 29
08-06-17 10:32
Lezen
R
1
Vorig jaar heb je geleerd dat tussen de zinnen en de alinea’s van een tekst een logisch verband bestaat en dat dit verband kan worden aangegeven door signaalwoorden of signaalwoordgroepen. Je hebt al verschillende verbanden geleerd. verband
signaalwoorden
uitspraak-opsomming
ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, niet alleen … maar ook, ten eerste, ten tweede
uitspraak-tegenstelling
maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds … anderzijds, daar staat tegenover
uitspraak-voorbeeld
bijvoorbeeld, als voorbeeld, zoals, zo
middel-doel
waarmee, daarmee, met dat doel, het doel is, door middel van, om te …
oorzaak-gevolg
daardoor, hierdoor, doordat, zodat, waardoor
uitspraak-vergelijking
zoals, hetzelfde, dezelfde, in vergelijking met
uitspraak-reden
daarom, want, omdat, namelijk
Opdracht 2 T1
B
Lees tekst 2 grondig. 1 Welke manieren gebruikt de schrijver in de inleiding? 2 Schrijf in eigen woorden het probleem op dat in deze tekst centraal staat. 3 Schrijf op waarnaar de volgende woorden verwijzen. Schrijf ook het regelnummer op. a die (regel 3) b Dat (regel 8) c dat (regel 21) d er … aan (regel 33) e Daarvoor (regel 36) f ze (regel 56) 4 Schrijf de kernzin van alinea 3 op. 5 Welk tekort bedoelt de schrijver in de eerste zin van alinea 4? 6 In alinea 4 is sprake van het verband uitspraak-tegenstelling. a Schrijf het woord/de woorden op die dit verband aangeven. b Schrijf de beide delen van dit verband op. 7 ‘Er is … zullen verhongeren’ (regel 25-26). Wat bedoelt de schrijver met dat in deze zin? 8 Past het tussenkopje ‘Onmogelijk’ goed bij de inhoud van alinea 4? Leg je antwoord uit. 9 Schrijf de kernzin van alinea 5 op. 10 In alinea 5 staat twee keer een signaalwoord voor het verband uitspraak-tegenstelling. a Schrijf de signaalwoorden op. b Schrijf bij het tweede signaalwoord de delen van het verband op. 11 Past het tussenkopje ‘Kweek uw eigen biefstuk’ bij de inhoud van de alinea? Leg je antwoord uit. 12 In het tekstdeel ‘Een kilo … koeien heeft’ is sprake van het verband uitspraakopsomming. Schrijf de signaalwoorden van dit verband uit dit tekstdeel op. 13 Welke voordelen bieden insecten als vervangers voor vlees?
30 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 30
08-06-17 10:32
1
T 2 T1
Lezen
14 Wat is het probleem dat de schrijver in alinea 7 aan de orde stelt? 15 a Kun je de vraag Wat eten we in 2050? na het lezen van de tekst beantwoorden? Leg je antwoord uit. b Welke van de twee alternatieve voedselbronnen is op dit moment het meest voor de hand liggend? Leg je antwoord uit. 16 Schrijf het tekstdoel van tekst 2 op.
Tekst 2 Wat eten we in 2050?
5
10
15
20
25
30
35
Momenteel zijn er zes miljard mensen op de aarde. En dat worden er in een rap tempo meer: tegen 2050 zijn we naar verwachting met negen miljard mensen. Het zijn prognoses als deze die diverse overheden en organisaties nu al zorgen baren. Want hoe gaan we al die mensen voeden? Met insecten? Of een gekweekt biefstukje? Laten we vooropstellen dat honger iets is van alle tijden. Wij westerlingen staan daar niet zo bij stil, maar naar schatting komen wereldwijd een op de zeven mensen proteïnes tekort. Dat is al een groot probleem. Bovendien groeit dit probleem evenredig met het aantal mensen op aarde mee. Eten we in 2050 nog vlees? Onderzoeker Henning Steinfeld weet het wel. Geen biefstuk meer. Sterker nog: alle soorten vlees worden een luxe. Volgens Steinfeld gaat vlees als massaproduct verdwijnen en wordt het een luxe die alleen de rijken zich maar kunnen veroorloven. Het wordt ‘het kaviaar van de toekomst’, zo stelt Steinfeld. ‘Vlees wordt wat zalm vijftig jaar geleden was.’ Onmogelijk Het tekort ontstaat enerzijds door de sterke groei van de wereldbevolking. Anderzijds speelt ook het klimaat een rol: water wordt zeldzamer en dus duurder. Daarmee wordt ook het houden van vee lastiger en prijziger. ‘Het produceren van een kilo koeienvlees kost 13 kilo aan planten’, weet onderzoeker Arnold van Huis van de universiteit van Wageningen. En met steeds meer mensen en een veranderend klimaat is dat een opoffering die we ons niet kunnen veroorloven. Nu reeds eten wij westerlingen gemiddeld 120 kilo vlees per persoon. Als vijf miljard mensen 100 kilo vlees eten, dan moeten de koeien jaarlijks 6,5 triljoen kilo voer hebben. Laat staan wat er moet gebeuren als er straks negen miljard mensen zijn. ‘Er is gewoonweg niet genoeg ruimte en voedsel om dat mogelijk te maken en de armsten zullen verhongeren.’ Kweek uw eigen biefstuk Fabrieksvlees is de oplossing voor het voedselprobleem. Het woord klinkt misschien wat onsmakelijk, maar dekt de lading precies. Het is eigenlijk het produceren van vlees in de fabriek of het laboratorium. Wetenschappers werken er hard aan. Ze laten het vlees in het laboratorium letterlijk groeien zoals een boer een appel of een peer teelt.
Lees verder op de volgende pagina.
ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 31
31 08-06-17 10:32
Lezen
40
45
50
55
60
1
Daarvoor worden eerst enkele cellen uit een dier gehaald waarna deze cellen gestimuleerd worden om zich te vermenigvuldigen. Zonder genetische manipulatie kan zo een stukje vlees ‘gekweekt’ worden. Theoretisch gezien is het mogelijk om alle monden te voeden, maar de technologie is nog vrij pril en nog lang niet klaar voor massaproductie. Insecten Vaststaat dat met vlees al een belangrijke voedselbron wegvalt. Wie of beter gezegd: wat gaat dat gat vullen? Van Huis heeft een pasklare oplossing klaarliggen. ‘Een kilo vlees van een krekel, sprinkhaan of kever kost slechts 1,5 tot 2 kilo voer. Het goede nieuws is dat de insecten niet alleen minder voedsel nodig hebben, maar dat wij mensen er ook minder van hoeven te eten om te overleven. De insecten zijn extreem grote bronnen van proteïnes en vitamines.’ Bovendien komt bij het houden van insecten veel minder CO2 vrij dan wanneer een boer een stal vol koeien heeft.
Probleem Het lijkt helder: we gaan allemaal aan de insecten. Maar is het wel zo gemakkelijk? Van Huis weet het niet. ‘Het grootste deel van de wereld eet reeds insecten. Enkel in het Westen doen wij het niet. We hebben er psychologisch een probleem mee. Ik weet niet waarom, want we eten wel garnalen en die zijn goed te vergelijken met insecten.’ Het zit duidelijk tussen onze oren. ‘Vanwege het milde klimaat zijn wij niet gewend om insecten te eten, maar als ze op de juiste manier gekookt worden, zijn ze heerlijk. Er is echt geen geldige reden om ze niet te eten. Er is geen verschil tussen het vlees van insecten en dat van vogels, vissen of zoogdieren. Of het nu gekweekt vlees, insecten of iets anders wordt: de wetenschap is er tegen 2050 ongetwijfeld helemaal klaar voor. Nu wij nog! Naar: Caroline Kraaijvanger, Wat eten we in 2050?. Van: www.scientias.nl.
32 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 32
08-06-17 10:32
1
Lezen
Opdracht 3 T1
B I B
T2 T1 T2
I T2 T1
I B I
Leest tekst 3 oriënterend. 1 a Schrijf het onderwerp van de tekst op. b Wat weet jij over dit onderwerp? 2 Schrijf het tekstdoel van de tekst op. Lees tekst 3 nu grondig. 3 In de eerste zin van de inleiding staat een signaalwoord voor het verband uitspraakreden. a Schrijf dit signaalwoord op. b Schrijf de delen van dit verband op. 4 Wat bedoelt de schrijver met ‘conventioneel vlees’ (regel 6)? 5 Zijn alinea 2 en 3 met elkaar verbonden door een signaalwoord? Leg je antwoord uit. 6 Schrijf de hoofdzaak van alinea 3 op. 7 Voor welke milieuproblemen zorgt de vleesproductie volgens alinea 4? 8 Schrijf de kernzin van alinea 5 op. 9 Waarom staat ‘slachten’ in regel 22 tussen aanhalingstekens? 10 In alinea 5 staat een signaalwoord voor het verband oorzaak-gevolg. a Schrijf dit signaalwoord op. b Schrijf de delen van dit verband op. 11 In de inleiding noemt de schrijver drie voordelen van het eten van insecten. Over welk(e) van deze voordelen lees je niets in de tekst? 12 Welke andere voordelen noemt de schrijver nog in de tekst? 13 Een passend slot ontbreekt. Welke van de drie manieren voor het afsluiten van een tekst zou jij kiezen? Licht je antwoord toe. 14 Vat de hoofdzaken van de tekst samen in maximaal 80 woorden. 15 a Leg in je eigen woorden uit wat in deze tekst wordt bedoeld met het woord duurzaam. b Waarom is het eten van insecten duurzaam? 16 Ben je nieuwe informatie te weten gekomen? Licht je antwoord toe.
Tekst 3 Duurzaam insecten eten
5
10
15
Het eten van insecten is duurzaam, want het heeft een flink aantal voordelen voor het milieu boven het eten van bijvoorbeeld vlees. Insecten zorgen voor minder uitstoot van broeikasgassen, minder beslag op de ruimte en een efficiënte omzetting van voer naar vlees. In de toekomst zal naar verwachting niet langer aan de groeiende vraag van conventioneel vlees kunnen worden voldaan. Met de verwachte groei van de wereldbevolking en de daarmee gepaard gaande steeds grotere vraag naar vleesproducten in landen zoals India en China zal de consumptie hiervan tot 2050 verdubbelen. Maar liefst zeventig procent van alle landbouwgebieden is nodig voor landbouw. In met name India en China ontstaat een onmogelijke situatie door de stijgende vraag naar vlees door de toename van de wereldbevolking. De druk op beschikbare landbouwgrond wordt verlaagd als we overgaan op het eten van insecten in plaats van vlees, want er is minder landbouwareaal (oppervlakte) nodig voor het kweken van insecten.
Lees verder op de volgende pagina.
ONO2_3hv_blok1_05-Lezen.indd 33
33 08-06-17 10:51
Lezen
20
25
30
1
De uitstoot door de productie van vlees is verantwoordelijk voor achttien procent van alle broeikasgassen in de wereld. Dit percentage is omvangrijker dan de uitstoot door al het verkeer. Ook de verzuring van het milieu door de uitstoot van ammoniak is een van de grootste oorzaken. Met de productie van insectenvlees is de uitstoot van broeikasgas heel veel minder. Het doden van insecten is diervriendelijker dan het slachten van runderen, varkens en kippen. Veel producenten van eetbare insecten ‘slachten’ de insecten met een tweetraps aanpak. Eerst brengen ze de insecten naar een temperatuur waarbij ze in een natuurlijke staat van winterslaap komen. Vervolgens worden de insecten naar diepvriestemperatuur gebracht, waardoor ze stoppen met leven. Insecten slapen dus in bij deze temperaturen, zoals in de winter gebeurt. Uit onderzoeken blijkt dat het eten van insecten helpt tegen hoge bloeddruk. Bestaande geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk hebben hetzelfde effect, maar kunnen bijwerkingen hebben. De onderzoekers geven aan dat ze de insecten een goede variatie vinden op vlees. In insecten als kevers, mieren en termieten zitten veel voedingsstoffen, zoals eiwitten en vitaminen. Naar: Vereniging Nederlandse Insectenkwekers. Van: duurzaaminsecteneten.nl.
Opdracht 4 T2
B
T1
Lees tekst 4 grondig. 1 Wat zal Van Huis in deze tekst over het eten van insecten bedoelen met de opmerking: ‘Zonder insecten is er geen leven op aarde’ (regel 8-9)? 2 Waarom verwacht hoogleraar Van Huis dat in 2020 insecten als voedsel in de schappen van de supermarkt liggen? 3 Op welke manier zijn alinea 2 en 3 met elkaar verbonden? Leg je antwoord uit. 4 Schrijf in eigen woorden op waar de levensmiddelenbedrijven bang voor zijn. 5 Op welke manier zijn alinea 3 en 4 met elkaar verbonden? Leg je antwoord uit. 6 Wat is volgens tekst 4 het antwoord op de vraag uit de inleiding? 7 Schrijf het tekstdoel van de tekst op.
Tekst 4 Insectenburgers in supermarkt?
5
10
WAGENINGEN – Liggen in 2020 insecten als voedsel in de schappen van de supermarkt? Hoogleraar Arnold van Huis van de Wageningen Universiteit verwacht van wel. Tachtig procent van de wereldbevolking eet nu al insecten. Er staan wel zo’n 1400 verschillende soorten op het menu. In Taiwan, Mexico en Colombia zijn gefrituurde krekels een delicatesse, net als een portie rupsen of mieren. Zonder insecten is er geen leven op aarde, en er valt veel te doen met insecten, als we er maar oog voor hebben, vinden de Wageningse entomologen.
34 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 34
08-06-17 10:32
1
15
Lezen
Zeer terughoudend Toch is de voedingsindustrie nog zeer terughoudend als het gaat om insectenvlees. De levensmiddelenbedrijven zijn bang dat een sprinkhanensteak of een keverfilet niet zal aanslaan bij de consumenten. Dat is slechts een kwestie van tijd, beweren de wetenschappers. Ze wijzen erop dat ook in de westerse wereld het eten van insecten steeds vaker voorkomt en wordt geaccepteerd. Naar: Insectenburgers in supermarkt?. Van: www.gezondheidsnet.nl.
Opdracht 5 T1 T2 T1 T2 T1
B I B I B
T2 T1 T2 T1
I
Lees tekst 5 oriënterend. 1 a Wat is het onderwerp van de tekst? b Wat weet je al over dit onderwerp? c Wat verwacht je te weten te komen door het lezen van de tekst? Lees de tekst nu grondig. 2 Welke manier van inleiden heeft de schrijver gebruikt? 3 Schrijf op waarnaar de volgende woorden verwijzen. Schrijf ook het regelnummer op. a deze (regel 5) b dat (regel 11) 4 Schrijf in eigen woorden op wat ‘voedselnoden’ (regel 8) zijn. 5 In alinea 3 staat een signaalwoord voor het verband uitspraak-reden. a Schrijf dit signaalwoord op. b Schrijf de beide delen van dit verband op. 6 Formuleer een kernzin voor alinea 3. 7 a Hoeveel voordelen van het printen van voedsel worden in alinea 3 genoemd? b Leg uit hoe je aan je antwoord komt. c Schrijf alle voordelen op. 8 Schrijf de kernzin van alinea 4 op. 9 Past het tussenkopje ‘Juiste voedingswaarden’ bij de hoofdzaak van alinea 4? Leg je antwoord uit. 10 Schrijf in je eigen woorden op welk voordeel het printen van voedsel voor een sporter heeft. 11 Welke voordelen hebben algen voor de voedselconsumptie? 12 Kun je al een algenburger printen? Licht je antwoord toe. 13 Op welke manier zijn alinea 4 en 5 met elkaar verbonden? Leg je antwoord uit. 14 Schrijf een passend tussenkopje boven alinea 5. 15 Behoren de zinnen ‘Ben je … de keuken!’ tot de hoofd- of bijzaak van alinea 6? Leg je antwoord uit. 16 Schrijf de hoofdgedachte van tekst 5 op. 17 Past de titel goed bij de inhoud van de tekst? Leg uit waarom wel of niet. 18 a Klopt het antwoord dat je bij vraag 1a hebt opgeschreven? b Lees je antwoord op vraag 1c. Is je verwachting uitgekomen? Licht je antwoord toe.
35 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 35
08-06-17 10:32
Lezen
1
Tekst 5 Lekkere trek? Dan print je toch een bitterballetje?
5
10
15
20
Meerdere technologen zijn bezig met de ontwikkeling van 3D-voedselprinters. Het vooruitzicht: thuis sterrenmaaltijden bereiden, via een simpel keuzemenu. Wanneer kunnen we eten printen, en koken we dan nog wel zelf? Een 3D-voedselprinter is een apparaat dat voedsel kan produceren vanuit een aantal basisingrediënten, en deze door printen of andere technologieën uitwerpt’, vertelt Kjeld van Bommel. Van Bommel is technoloog en werkt mee aan de Nederlandse voedselprinters van TNO. Deze voedselprinters kunnen mogelijk de wereld in de toekomst – als dat nodig is – beschermen tegen voedselnoden. Hoe? Doordat ze voedsel kunnen nabootsen vanuit ‘overtollige’ voedselbronnen. Voedsel printen: de toekomst De aardbol raakt voller en dat betekent dat er meer mensen moeten worden gevoed. Omdat landbouw, veehouderij en visserij niet iedereen op aarde van voldoende voedsel kunnen voorzien, is een voedselprinter die voedsel vanuit slechts enkele ingrediënten print een handige uitkomst. In rijke landen betekent dat sterrenmaaltijden, gewoon thuis op het bord. In ontwikkelingslanden is het eindelijk een manier om iedereen te voorzien van de juiste voedingsstoffen, die nodig zijn om gezond te worden en blijven. Door met voeding te ‘experimenteren’ kunnen gezondere producten worden gecreëerd, volgens voedingstechnoloog Van Bommel. ‘Daarnaast kunnen we efficiënter gebruikmaken van grondstoffen en kunnen kinderen, ouderen en mensen die vanwege ziekte niet goed kunnen kauwen of slikken, weer genieten van eten. Bovendien kun je voeding persoonlijk maken, qua smaak, calorieën, samenstelling, textuur, afmetingen en vorm en kun je een product pas op het moment van consumptie maken, waardoor het verser is.’
36 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 36
08-06-17 10:32
1
25
30
35
40
45
50
Lezen
Juiste voedingswaarden Een voedselprinter kan je lijf precies voorzien van de voedingsstoffen die je nodig hebt. Een baby heeft veel calcium nodig, een sporter is gebaat bij een eiwitrijk dieet en een zieke heeft een ‘overdosis’ vitaminen en mineralen nodig. Die specifieke behoeften zijn bij een voedselprinter exact in te stellen. Zo hoeft een sporter bijvoorbeeld ook niet kilo’s kip, biefstuk en eieren te eten om aan zijn dagelijkse portie eiwitten te komen. Hij of zij kan een eiwitrijk stuk ‘vlees’ eten, gemaakt uit energiezuinig gekweekte algen. Waarom algen? ‘Die groeien snel en bevatten ongeveer net zoveel eiwitten als rood vlees van een rund’, zegt Van Bommel. ‘Intussen heb je geen CO2-uitstoot van de runderen die rondlopen op vele hectaren grond en hoef je die runderen ook niet te voeren.’ Innovatief, gezond en duurzaam zo’n ‘algenburgertje’! ‘Buiten het 3D-printen wordt er veel aan lekkere, eiwitrijke producten uit algen gewerkt, maar op 3D-printgebied is dit nog niet echt begonnen’, vertelt Van Bommel. ‘Bij het 3D-printen van voeding wordt allereerst aandacht besteed aan de texturen, smaken, vormen en samenstellingen.’ Een ander voordeel van een voedselprinter is de mogelijkheid totaal nieuwe smaken en structuren te ontwikkelen. De voedselprinter kan een uitbreiding van ons smakenpalet betekenen. Door voedsel te ontwerpen en te printen kun je namelijk alle vormen printen die je zelf wilt. Een klein kind dat geen bietjes wil eten? Print er een autootje van en verander de smaak en/of structuur. Het kind krijgt zo geen genoeg van groenten eten! Vers Als je ergens zin in hebt, hoef je dit maar in te geven in je voedselprinter. Alles wordt ter plaatse vers bereid in een portie die op jouw lijf geschreven is. Dat betekent efficiënte productie en geen voedselverspilling. Bovenal is voedsel printen met enkele keuzes in een menu gewoon erg gemakkelijk. Ben je laat thuis, heb je geen zin om te koken, maar wil je wel een gezonde maaltijd? De 3D-voedselprinter neemt het werk uit handen en maakt exact wat jij nodig hebt klaar in de keuken! Het klinkt allemaal erg handig, gezond en ook een beetje te mooi om waar te zijn. Hoe ver zijn de ontwikkelaars van de 3D-voedselprinters nu precies? Naar: Lekkere trek? Dan print je toch een bitterballetje?. Van: www.scientias.nl.
Opdracht 6 T2
I
1 Vergelijk de teksten 2 tot en met 5. Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten tussen deze teksten? 2 Aan welk alternatief voor vlees geef jij de voorkeur? Licht je antwoord met minimaal twee redenen toe. 3 Vind je de informatie uit de teksten 2 tot en met 5 interessant? Licht je antwoord toe. 4 Vind je de informatie uit de teksten 2 tot en met 5 waardevol? Licht je antwoord toe. 5 Vond je het lezen van de teksten makkelijk of moeilijk? Leg je antwoord uit.
37 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 37
08-06-17 10:32
Schrijven
1
Zelf een flyer en folder schrijven? Dat ga je in dit blok doen. Je schrijft informatieve en activerende teksten waarbij je je kennis over het schrijven van teksten toepast. In Taalverzorging leer je een aantal nieuwe regels om je schrijfvaardigheid te verbeteren. Om het niveau van je schrijfvaardigheid duidelijk in beeld te hebben, gebruik je de rubrics Schrijven. Aan het einde van deze paragraaf: • heb je een deel van de lesstof van leerjaar 1 en 2 herhaald; • ken je de stijlfouten foutieve inversie en incongruentie; • kun je zinnen met taal- en stijlfouten verbeteren; • kun je een folder met informatieve en activerende teksten schrijven.
2F
1.11 Activerende tekst schrijven Opdracht 1
T1
B
I
T2
Bij opdracht 5 ga je een folder maken over eten in 2050. In deze folder komen informatieve en activerende teksten. In deze opdracht oefen je met het schrijven van een activerende tekst. Je maakt een flyer. 1 a Bespreek in tweetallen wat de kenmerken van een flyer zijn. b Maak een lijstje van de kenmerken. c Vergelijk jullie lijstje met dat van klasgenoten. 2 a Je gaat een activerende tekst schrijven voor de aanschaf van een voedselprinter. Je schrijft de tekst voor volwassenen in het algemeen. b Lees tekst 6. c Schrijf feitelijke informatie voor je flyer op. Gebruik de informatie uit tekst 6 en uit tekst 5 uit de paragraaf Lezen en/of zoek informatie op internet. d Schrijf minimaal zes woorden op waarmee je je publiek wilt overhalen een 3D-voedselprinter te kopen. e Wees creatief en bedenk en schrijf eigen aanvullende informatie op die past bij een activerende tekst. f Bedenk een slogan bij jouw product. 3 Maak een schrijfplan voor de tekst van je flyer. Onderwerp: voedselprinter Publiek: Tekstdoel: Tekstvorm: Slogan: Inleiding
Manier(en):
Alinea
Deelonderwerp
Kernzin = hoofdzaak
Toelichting = bijzaak
2 3 Slot
Manier:
Te gebruiken woorden om de lezer over te halen:
38 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 38
08-06-17 10:32
1
T
I
Schrijven
4 a Schrijf de kladversie van je tekst. – Verwerk je aantekeningen van vraag 2 en je schrijfplan in je tekst. – Je tekst bestaat uit een inleiding van maximaal 60 woorden, twee alinea’s en een slot. – De hele tekst telt maximaal 175 woorden. – Schrijf korte, kernachtige zinnen. – Zorg ervoor dat de lezer de goede informatie krijgt en enthousiast raakt voor de aanschaf van de voedselprinter. – Schrijf de slogan op een passende plaats. b Zoek en plaats een of twee leuke, passende afbeeldingen bij je tekst. 5 a Ruil je tekst met die van een klasgenoot. b Lees de tekst van je klasgenoot. c Beantwoord de volgende vragen: – Bevat de tekst voldoende informatie over de mogelijkheden van de voedselprinter? Zo nee, welke informatie ontbreekt? – Maakt de inleiding de lezer nieuwsgierig naar de tekst? – Zijn de zinnen kort en kernachtig? – Past de slogan goed bij de tekst? – Staan er voldoende activerende woorden in de tekst? – Passen de afbeeldingen bij de tekst? – Zou jij door deze tekst overgehaald worden als je belangstelling hebt voor een voedselprinter? Leg je antwoord uit. d Geef je opmerkingen met de tekst aan je klasgenoot. 6 Herschrijf je tekst en verwerk de opmerkingen.
Tekst 6 3D-geprinte maaltijden 3D-printen wordt al gebruikt voor kleding, auto-onderdelen en zelfs protheses, maar er komen nu ook machines op de markt die maaltijden kunnen printen. Er bestonden al 3D-voedselprinters die ingewikkelde eetbare ontwerpen van suiker en chocolade konden printen. De Foodini – beperkt verkrijgbaar voor professionals – gaat een stapje verder en bereidt allerlei hartige en zoete gerechten. Eerst selecteer je het gewenste gerecht. Dan vertelt de Foodini je welke ingrediënten je in de voedselcapsules moet doen. Vervolgens print hij je gerecht in laagjes, totdat het klaar is om verder af te bakken. Hij kan crackers, pizza’s, vegaburgers en zelfs ravioli maken. En jij weet precies welke ingrediënten er in je gerecht zitten. Deze techniek is niet alleen handig voor thuis; 3D-eten printen kan ook de kwaliteit en variatie van astronautenvoedsel tijdens lange ruimtemissies verbeteren. De NASA heeft de ontwikkeling van een machine gefinancierd die een pizza kan printen uit droge, dertig jaar houdbare ingrediënten. Handig voor lange missies naar Mars of andere reizen waarbij weinig kookmogelijkheden zijn. Naar: 3D-geprinte maaltijden. In: Know How.
39 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 39
08-06-17 10:32
Schrijven
1
1.12 Taalverzorging Afspraken en regels Schrijven De afgelopen jaren heb je een aantal afspraken en regels geleerd. Je vindt ze op pagina 291-293. Lees de regels 1 tot en met 12 nog een keer door. In deze paragraaf leer je drie nieuwe regels.
R
13 Voorkom foutieve inversie. In het Nederlands is de standaardvolgorde in hoofdzinnen onderwerp – persoonsvorm. Inversie is het verschijnsel waarbij in hoofdzinnen de volgorde persoonsvorm – onderwerp is. Dit is alleen toegestaan in de volgende situaties: • De hoofdzin is een vraagzin: Verzamelt je broer nog steeds allerlei setjes kaarten? • De hoofdzin begint met een ander zinsdeel dan het onderwerp: Nog steeds verzamelt je broer allerlei setjes kaarten. • De samengestelde zin begint met een bijzin: Terwijl ik sta te koken, hoor ik de documentaire over het toekomstige wereldvoedselprobleem. In alle andere situaties is de volgorde persoonsvorm – onderwerp fout. voorbeeld Fout: Het onweerde gisteravond en ben ik dus niet gaan trainen. Je kunt de zin op de volgende manieren verbeteren: Het onweerde gisteravond en ik ben dus niet gaan trainen. Het onweerde gisteravond en dus ben ik niet gaan trainen.
14 Voorkom incongruentie. Het onderwerp en de persoonsvorm moeten gelijk in getal zijn, met andere woorden: onderwerp en persoonsvorm moeten congruent zijn. Als dat niet het geval is, dan is er sprake van een stijlfout die je incongruentie noemt. voorbeeld 1 De groep meisjes moet aan de groep jongens een passende instructie geven. (goed) 2 Een heleboel leerlingen komt twee keer in de week te laat op school. (fout) 3 De docenten hebben met elkaar strengere controle op het huiswerk afgesproken, omdat ze vindt dat de leerlingen te makkelijk zijn. (fout) In zin 1 is in het zinsdeel De groep meisjes het woord groep het belangrijkste woord. Dit woord is enkelvoudig. De persoonsvorm is dus ook enkelvoudig. In zin 2 is het woord leerlingen het belangrijkste woord. Dit is een meervoudig woord. De persoonsvorm moet dan ook meervoudig zijn. In zin 3 is in de bijzin het verwijswoord ze gebruikt. Dit verwijswoord kan naar een enkelvoudig of meervoudig woord verwijzen. In deze zin verwijst ze naar een meervoudig woord, namelijk docenten. De persoonsvorm moet dus meervoudig zijn. Let bij het gebruik van het verwijswoord ze altijd heel goed op.
40 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 40
08-06-17 10:32
1
Schrijven
Opdracht 2 T1
T I
1 Tekst 7 en 8 bevatten een aantal fouten. Lees de teksten en herschrijf ze. – Verbeter de zinnen met foutieve inversie en incongruentie. – Vervang verkeerd gebruikte woorden. – Wijzig de zinnen die niet duidelijk zijn voor de lezer. – Plaats hoofdletters en leestekens. 2 Ruil je herschreven teksten met die van een klasgenoot. – Lees de teksten van je klasgenoot. – Bepaal of je klasgenoot de teksten correct heeft herschreven. – Schrijf eventuele opmerkingen onder de teksten.
Tekst 7 Heb je weleens een lekkere meelworm of een sprinkhaan gegeten? Toen mijn familie en ik op vakantie was in thailand, hebben we geroosterde sprinkhanen gegeten. Ze smaakte goed. In onze westerse wereld vinden de mensen het eten van insecten maar gek en erg vies en wil ze daarom ook geen insecten proeven terwijl dat geen kwaad kan en het eten van insecten in de toekomst noodzakelijk wordt omdat we te weinig landbouwgrond hebben om het eten in de toekomst op te verbouwen en om iedereen dan te eten te geven, moeten we ook insecten gaan eten. Weet je dat we extra veel regenwouden kapen om meer hamburgers te kunnen eten? De wereldbevolking groeit en een grote groep uit opkomende landen zoals china krijgen ook behoefte aan meer vlees. De aarde kan dit niet aan. We moeten allemaal overgaan op het eten van insecten en zullen ze in alle restaurants op de kaart moeten staan. Wedden dat je die kleine kriebelbeestjes dan ook een keer gaat proeven en lekker gaan vinden?
Tekst 8 Een organisatie die als doel heeft om wereldwijde milieuproblematiek te verspreiden toonde in een rapport aan dat de veeteeltsector op de top twee staat van de belangrijkste bijdragers van de ernstigste milieuproblemen van deze tijd. Vee heeft een grote ecologische voetafdruk ten opzichte van andere producenten zoals soja, granen of insecten. Het transport van vee en dierlijke vleesproducten stoten meer CO2 uit dan de uitstoot van auto’s, treinen, vliegtuigen en schepen bij elkaar. Daarbij komt kijken dat de productie van dierlijk vlees leidt tot verstoring van de kringloop en leidt tot waterschaarste.
41 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 41
08-06-17 10:32
Schrijven
1
1.13 Tekstvorm – Folder Als je veel mensen tegelijkertijd dezelfde boodschap wilt meedelen, maak je een folder. Je kunt deze tekstsoort maken om je publiek te informeren of over te halen. Een folder bestaat uit meer dan twee pagina’s. De opbouw, de tekst en de opmaak zijn afhankelijk van je doel. Als je doel informeren is, bouw je de tekst op volgens het model inleiding, middenstuk en slot. Als je doel overhalen is, dan ben je vrijer in de opbouw van je tekst. Een voorwaarde is wel dat de inhoud van de tekst duidelijk overkomt bij de lezer.
R
Opdracht 3
T1
B
I T1 T2
I
T1
B
Over zo’n 25 jaar ga je het meemaken: het eten van insecten, kweekvlees, voedsel uit de 3D-printer of … Duidelijk is dat het noodzakelijk is dat we gaan wennen aan ander eten dan ons huidige voedsel. Er dreigt namelijk een wereldvoedselprobleem. Je gaat een folder maken waarin je de lezer informeert over het dreigende voedselprobleem en over de mogelijke alternatieven. In de folder schrijf je twee informatieve en twee activerende teksten. Je maakt de folder voor leeftijdsgenoten. Voordat je de teksten voor deze folder gaat schrijven, bereid je je voor op het schrijven. 1 Lees de teksten in de paragraaf Lezen nog een keer door. 2 Schrijf de informatie uit deze teksten op die je wilt gebruiken voor je folder. 3 Laat je fantasie de vrije loop en bedenk wat je over 25 jaar allemaal kunt eten aan alternatieven. Maak (in tweetallen) een ideeënlijstje. 4 Zoek zo nodig aanvullende informatie op internet. 5 Verwerk de verzamelde informatie per tekst in een schrijfplan. – Bedenk welke informatie je precies gaat gebruiken. – Voor de informatieve teksten bepaal je per alinea de deelonderwerpen, de kernzinnen en de aanvullende informatie. – Voor de activerende teksten bepaal je de deelonderwerpen, waarom de lezer in actie moet komen, wat de belangrijke informatie is en welke activerende woorden je wilt gebruiken. – Bedenk voor de activerende teksten een slogan die de aandacht trekt en vasthoudt. 6 Lees van een klasgenoot de uitwerking van vraag 5. a Benoem wat je sterk vindt. b Geef tips als dat nodig is. c Bespreek de opmerkingen met elkaar. d Verwerk zo nodig de tips en opmerkingen van je klasgenoot. 7 Zoek of maak voldoende afbeeldingen bij de teksten. 8 Bedenk hoe je de teksten over de pagina’s van de folder wilt verdelen. Opdracht 4
T1
T2
I
1 Bekijk de volgende nummers van de rubrics Schrijven achter in het boek (pagina 295-297). – Inhoud nummer 4 – Structuur nummer 6, 7, 9, 10 – Publiekgerichtheid nummer 13 – Woordenschat nummer 14, 15, 16, 17, 18 2 Bepaal voor jezelf welk niveau je in dit blok van plan bent te behalen. Licht je keuze toe.
42 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 42
08-06-17 10:32
1
T 1
Schrijven
3 Welke stappen ga je zetten? 4 Wie gaat behalve jijzelf bepalen of je je doel hebt bereikt?
1.14 Folder schrijven Eindopdracht Toets Opdracht 5 T2
T
1 Maak de folder. – Gebruik hiervoor je aantekeningen bij opdracht 3. – Op de voorkant schrijf je een korte tekst waarin je het onderwerp van de folder laat weten en waarin je de interesse van de lezer wekt. 2 Schrijf de kladversie van de informatieve teksten. – Schrijf een aantrekkelijke titel boven de teksten. – Kies een manier voor de inleiding. – Schrijf de alinea’s van het middenstuk. Gebruik hierbij je aantekeningen van opdracht 3. – Gebruik minimaal één keer een manier om de alinea’s van het middenstuk met elkaar te verbinden. – Schrijf een passend slot bij de alinea’s van het middenstuk. – Gebruik minimaal twee passende signaalwoorden – Plaats passende tussenkopjes. – Formuleer goede en correcte zinnen. – Stem het taalgebruik af op je publiek. 3 Schrijf de kladversie van de activerende teksten. – Schrijf een korte, kernachtige kop boven elke tekst. – Verdeel de teksten in korte, duidelijke delen. – Gebruik in elke tekst minimaal twee passende signaalwoorden. – Zorg ervoor dat belangrijke woorden de aandacht trekken. Onderstreep ze, gebruik een groter lettertype. – Eindig de tekst met een slogan of een andere duidelijk enthousiasmerende oproep. – Formuleer goede en correcte zinnen. – Stem het taalgebruik af op je publiek. 4 Lees de kladversies van je teksten goed door en verbeter ze als het nodig is. Opdracht 6
T2
I
1 Bepaal na het aanpassen van de kladversie van je teksten welk niveau je van de in opdracht 5 genoemde rubrics hebt behaald. Schrijf het resultaat op. 2 Heb je de stappen van vraag 3 van opdracht 4 gevolgd? 3 a Bij vraag 4 van opdracht 4 heb je aangegeven wie mede beoordeelt of je je niveau hebt behaald. Bespreek jouw resultaat (zie vraag 1) met de medebeoordelaar. b Vindt je medebeoordelaar ook dat je het door jou gewenste niveau hebt behaald? Licht het antwoord van hem/haar toe. 4 Wat worden op basis van het resultaat van dit blok in elk geval verbeterpunten voor de opdracht(en) van het volgende blok?
43 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 43
08-06-17 10:32
Spreken, kijken en luisteren
1
Bij een presentatie zijn twee dingen belangrijk: wát je zegt en hóé je het zegt. Dat laatste is vaak eigenlijk het belangrijkste. Dat is wat ‘blijft hangen’, meer dan het onderwerp waar het over gaat. Vooral je mimiek (gezichtsuitdrukking), je houding, intonatie en taalgebruik vallen op en maken een presentatie al dan niet interessant. In deze paragraaf hoor en zie je daar voorbeelden van. Je gaat bovendien zelf aan de slag met presenteren.
Aan het einde van deze paragraaf: • heb je een deel van de lesstof van leerjaar 1 en 2 herhaald; • weet je hoe je lichaamstaal en stemgebruik op de goede manier inzet; • ken je de verschillende spreekdoelen en kun je ze zelf doelbewust afwisselen; • kun je met behulp van een spreekplan en hulpmiddelen een publiekgerichte presentatie geven.
2F
1.15 Kijken en luisteren Spreekdoel, luisterdoel en luistermanier – Herhaling Opdracht 1 T1
B
1 Hieronder staan zes situaties. Geef van elke situatie aan wat het doel van de spreker(s) is en op welke manier je luistert. a Er vindt op school een bijeenkomst plaats voor leerlingen en hun ouders over de profielkeuze. b Een collectant voor de Dierenbescherming loopt in de straat en belt bij iedereen aan. Hij vraagt of de mensen wat geld willen doneren. c In het gemeentehuis is een informatieavond georganiseerd over de aanleg van een spoortunnel in de stad. Omwonenden kunnen vragen stellen naar aanleiding van een presentatie van de betreffende wethouder. d Je mentor is bij een feestje van zijn schoonouders uit zijn broek gescheurd en vertelt in de klas hoe gênant dat was en hoe hij dat heeft opgelost. De hele klas ligt in een deuk. e De schoolfotograaf wil portretfoto’s maken, waarbij elke leerling dezelfde pose aanneemt. f Je weet dat er in een van de volgende maanden een festival plaatsvindt waar vele artiesten zullen optreden. Jij wilt weten of de rapper Boef ook komt en luistert naar de radio, waarop een aankondiging te horen is. 2 Lees de theorie hierna. Controleer je antwoorden en pas ze zo nodig aan.
44 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 44
08-06-17 10:32
1
Spreken, kijken en luisteren
Net als schrijvers, hebben sprekers een doel. Zo wil een presentator bijvoorbeeld informeren, uiteenzetten, overtuigen, beschouwen, activeren, amuseren of het gaat om een combinatie van die doelen. Je kunt iemand heel goed overtuigen van je mening door eerst de nodige informatie te geven. Of je kunt het publiek op een grappige manier vertellen (amuseren) wat ze moeten doen (overhalen). Je snapt een spreker beter als je van tevoren weet wat hij wil bereiken.
R
Soms weiden sprekers enorm uit. Ze doen dit om hun verhaal spannender te maken, of voor de luisteraar interessanter. Cabaretiers bijvoorbeeld kunnen heel veel praten, maar weinig zeggen. Je luistert dan wel, maar hoor je ook daadwerkelijk wat er wordt gezegd? Met andere woorden: je kiest zelf ook steeds de manier waarop je luistert (precies, globaal, selectief ). Je luistermanier is afhankelijk van je eigen luisterdoel.
Opdracht 2 T1
B
Kijk en luister naar het fragment met Najib Amhali. Schrijf daarna globaal op waar het over gaat, beschrijf de lichaamshouding en de mimiek van Najib Amhali, hoe het podium eruitziet, hoe het publiek reageert en wat je nog meer opvalt. Opdracht 3
T1
B
T2
T1
Beantwoord nu de volgende vragen zonder het fragment nogmaals te bekijken. 1 Wat is de hoofdzaak en wat zijn de bijzaken? 2 Najib Amhali noemt voorbeelden van kattenkwaad dat hij vroeger uithaalde. Welke? 3 Hij heeft het over ‘mijn tijd’. Welke tijd bedoelt hij daarmee? 4 Na 1:45 stelt Najib de jeugd van vroeger tegenover de jeugd van tegenwoordig. a Welk(e) signaalwoord(en) voor het verband tegenstelling hoor je? b Schrijf de delen van de tegenstelling kort in eigen woorden op. 5 Najib geeft een aantal voorbeelden van hoe het vroeger in de klas/op school ging. Noem ten minste drie voorbeelden. 6 In het fragment worden enkele woorden gebruikt die niet alledaags (meer) zijn. Schrijf in je eigen woorden op wat Najib Amhali bedoelt met: – schavuiten – ben je besodemieterd – betoeterd 7 Welk(e) spreekdoel(en) heeft Najib Amhali? Opdracht 4
T1
B
1 Kijk en luister opnieuw naar het fragment en maak aantekeningen. Kloppen de antwoorden die je bij opdracht 3 gegeven hebt? Zo niet, verbeter dan je antwoorden. 2 Wat kun je concluderen over je luisterdoel en de manier waarop je hebt geluisterd?
45 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 45
08-06-17 10:32
Spreken, kijken en luisteren
1
Opdracht 5 I
I
T1 T 2
1 Vat de hoofdzaken van het fragment samen in 50 tot 60 woorden. Gebruik hiervoor je aantekeningen en de (verbeterde) antwoorden bij opdracht 3. Schrijf een begrijpelijke samenvatting, voorzien van een titel, voor een breed publiek van jongeren dat het fragment nog niet kent. 2 Vergelijk je samenvatting met die van een klasgenoot. 3 Bespreek de verschillen. Verbeter zo nodig je samenvatting.
1.16 Spreken Presentatie, lichaamstaal, stemgebruik, publiek – Herhaling Opdracht 6 R
O
T1
I
O
1 Schrijf drie vormen van nonverbale communicatie op. 2 Waarom zijn je stemgebruik en gezichtsuitdrukking heel belangrijk in een presentatie? 3 Bij een presentatie wil je de aandacht van je publiek trekken en vasthouden. Schrijf vier manieren op die je kunt gebruiken om je publiek te motiveren. 4 Waar hangt je keuze voor formeel of informeel taalgebruik vanaf? Licht je antwoord toe. Opdracht 7
T2
I
T1 T2 T1
B I
Kijk en luister naar het fragment met cabaretier Guido Weijers, die een spreekbeurt over kippen houdt. 1 Beoordeel Guido’s presentatie met de volgende rubrics op pagina 298-300 en bepaal zijn niveau: – Inhoud nummer 3 – Structuur nummer 6 – Publiekgerichtheid nummer 10 en 11 – Woordenschat nummer 13 – Taalgebruik en techniek nummer 14, 15, 16 en 17 2 Beschrijf kort zijn lichaamstaal, mimiek, stemgebruik en taalgebruik. 3 Geef je mening over de inhoud en het gebruik van hulpmiddelen in Guido’s presentatie. Onderbouw je mening met drie voorbeelden. 4 Guido houdt toch de aandacht van zijn publiek vast. Hoe doet hij dat?
46 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 46
08-06-17 10:32
1
Spreken, kijken en luisteren
Presentatie, spreekdoel, spreekplan, hulpmiddelen – Herhaling Opdracht 8 T1
R
B
1 Leg uit waarom je in een spreekplan het publiek benoemt. 2 Welke andere onderdelen neem je op in een spreekplan? 3 Bedenk bij elk spreekdoel een voorbeeld van een presentatie die goed bij het doel past: informeren, uitleg geven, mening laten vormen, overtuigen, overhalen, amuseren. 4 Schrijf op welke hulpmiddelen je kunt gebruiken bij de verschillende presentatievormen die je bij vraag 3 hebt bedacht. 5 Waarom kun je tijdens een presentatie een voorwerp beter zelf vasthouden dan doorgeven aan het publiek? 6 Vergelijk je antwoorden op vraag 1 tot en met 5 met die van een of meer klasgenoten. Bespreek de verschillen en verbeter zo nodig je antwoorden.
In leerjaar 1 en 2 heb je geleerd hoe je een presentatie goed voorbereidt en waar je op moet letten bij de uitvoering. In de voorbereiding verken je je onderwerp, verzamel je informatie en verwerk je de belangrijkste punten in een overzichtelijk spreekplan. Daarnaast bedenk je welke hulpmiddelen je wilt inzetten, zoals Prezi, powerpoint of het digibord. Je kunt de presentatie ondersteunen en/of aanvullen met beeldmateriaal. Denk aan afbeeldingen, filmpjes, schema’s of grafieken. Daarnaast kun je beeld ook gebruiken om je presentatie levendiger te maken. Tijdens de presentatie is het belangrijk dat je het spreekdoel goed in de gaten blijft houden. Maak gebruik van je spreekplan als geheugensteuntje tijdens je presentatie. Denk daarnaast aan de manier waarop je zelf presenteert: • Betrek je publiek bij je presentatie en kijk hen ook aan. • Let erop dat je houding je verhaal ondersteunt. • Zorg ervoor dat je goed verstaanbaar bent. Kies het goede volume en tempo en spreek de woorden duidelijk uit. Geef je publiek na afloop de ruimte om vragen te stellen en beantwoord de vragen zo goed mogelijk. Zeg het eerlijk als je het antwoord niet weet.
Opdracht 9 T2
T
Je hebt een fragment gezien waarin Guido Weijers een spreekbeurt hield over kippen. Bij opdracht 10 is het jouw beurt! Bereid twee korte presentaties van elk één minuut voor: – Beide presentaties gaan over hetzelfde onderwerp, maar hebben elk een ander spreekdoel. Het doel van je eerste presentatie is informeren, het doel van je tweede presentatie is overhalen. – Kies uit de onderwerpen hieronder of overleg met je docent over een ander onderwerp. – Maak voor elke presentatie een apart spreekplan. Gebruik het lege spreekplan hierna. – Selecteer de goede hulpmiddelen en/of zorg voor passend beeldmateriaal.
47 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 47
08-06-17 10:32
Spreken, kijken en luisteren
1
Onderwerpen: een film of televisieprogramma – erover informeren/overhalen ernaar te kijken je beste vriend(in) – iets over hem/haar vertellen/hem/haar aanprijzen voor een bijbaantje een sport of een muziekinstrument – erover informeren/overhalen de sport te gaan beoefenen of het instrument te gaan bespelen dierenleed – erover informeren/werven om te gaan collecteren voor de Dierenbescherming Onderwerp: Publiek: Spreekdoel: Hoofdgedachte: Inleiding Middenstuk
Deelonderwerp
Inhoud
1 2 3 Slot Toets Opdracht 10 T 2
T
Geef je presentaties aan de hand van je spreekplannen. Je presentaties en spreekplannen worden beoordeeld op de volgende punten: – Is het spreekplan van beide presentaties duidelijk en compleet? – Komt het spreekdoel in beide presentaties duidelijk naar voren? – Lukt het je binnen de tijd te blijven? – Passen je toon en woordkeuze bij het publiek? – Ondersteunen je houding en je stemgebruik de presentatie? – Spreek je vloeiend, zonder haperingen? – Heb je goed gebruikgemaakt van beeldmateriaal en hulpmiddelen? Opdracht 11
T2
I
T1 T2
1 Beoordeel de presentaties en de spreekplannen van een klasgenoot aan de hand van het beoordelingsmodel. 2 Geef de beoordeling aan je klasgenoot. 3 Bekijk de beoordeling die jij hebt gekregen. 4 Bepaal op welk onderdeel of op welke onderdelen je jezelf na dit blok wilt verbeteren.
48 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 48
08-06-17 10:32
1
Projectopdracht
In deze opdracht: • maak je een poster; (Schrijven) • bedenk je een goede slogan; (Schrijven) • maak je gebruik van beeldspraak. (Fictie)
In voor iets nieuws? In deze opdracht maak je een poster. De poster gaat over een bijzonder restaurant of bijzondere uitgaansgelegenheid. Het doel van de poster is om mensen te trekken. Maak hem dus zo aantrekkelijk mogelijk. Projectopdracht
B
I
T
1 Maak groepjes van drie of vier klasgenoten. Jullie gaan een poster ontwerpen over een bijzonder restaurant of bijzondere uitgaansgelegenheid. De poster geeft informatie, maar is ook activerend en spreekt jongeren aan. 2 Zoek of bedenk informatie voor op de poster. – Zorg dat het jongeren aanspreekt. – Zorg dat de informatie duidelijk is. 3 Maak de poster. – Schrijf een activerende tekst. – Gebruik ten minste twee vormen van beeldspraak in je tekst. Lees hiervoor nog een keer de theorie over beeldspraak door in de paragraaf Fictie. – Verzin een passende slogan. Een slogan is een pakkende slagzin die wordt gebruikt in een reclame. – Gebruik geschikt beeld en geef de poster goed vorm. 4 Hang alle posters op in de klas. Beoordeel de posters. – Ga met je eigen groep langs de posters van de andere groepen. – Geef bij elke poster een punt dat jullie goed vinden en een punt dat verbeterd zou kunnen worden. – Kies met elkaar wat jullie de beste poster vinden. Onderbouw je mening met ten minste twee argumenten.
49 ONO2_3hv_COMPLEET_BOEK.indb 49
08-06-17 10:32
WWW.OPNIVEAU-ONLINE.NL
onderbouw | havo
Jacqueline Buhler Geertje Plug Erica Renckens Jante Rittersma Saskia Tromp - Lantman Marjan van Verseveld
Op niveau onderbouw 2e editie: dĂŠ lesmethode voor Nederlands in het voortgezet onderwijs de methode is zowel lineair (per blok) als modulair (per vaardigheid) te doorlopen; alle toetsen en opgaven zijn gelabeld volgens de principes van OBIT en RTTI; de leesspecialist: Op niveau besteedt veel aandacht aan lezen, o.a. door de leesapp en de samenwerking met de Jonge Jury;
onderbouw | havo Leeropdrachtenboek
Eindredactie Evelien Otte
leeropdrachtenboek
bij elke paragraaf een overzicht van leerdoelen met Meijerink-niveau; na elk blok een projectopdracht waarbij je toepast wat je in het blok hebt geleerd; uitgebreid digitaal lesmateriaal op www.opniveau-online.nl.
3
NEDERLANDS 9 789006 921656
3