E
RD E E G I RR O C E ONG PROEF
Nederlands Leerwerkboek 1 havo/vwo Naam Klas
Nederlands Leerwerkboek Auteurs Jacqueline Buhler Paul Merkx Geertje Plug Erica Renckens Marjan van Verseveld Hoofdauteur Marjan van Verseveld Eindredactie Evelien Otte Jante Rittersma Op niveau onderbouw Leerjaar 1 havo/vwo
Nieuws
Informerende tekstsen
Verhalen over mensen Verhalende teksten
1
Sociale media
Informerende teksten
2
3
LESSEN 1.1 Start: oriëntatie op nieuws 1.2 Nieuwswaarde bepalen 1.3 Nieuws presenteren 1.4 Nieuws en een kritische blik 1.5 Nieuws in verschillende bronnen 1.6 Tussenstand: nieuws op mijn niveau 1.7 Eindopdracht: podcast met het nieuws van de dag Terugblik
2.1 Start: oriëntatie op verhalen 2.2 Praten over verhalen en gedichten 2.3 Verhalen kiezen Tussenstand 2.4 Personen in verhalen 2.5 Verhaal en werkelijkheid 2.6 Verhalen schrijven 2.7 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier Terugblik
3.1 Start: oriëntatie op sociale media 3.2 Sociale media onder jongeren 3.3 Omgaan met sociale media 3.4 Sociale media en je imago 3.5 De taal van sociale media 3.6 Tussenstand: sociale media op mijn niveau 3.7 Eindopdracht: Zeg het met je eigen emoji Terugblik
LEERDOELEN
LEERDOELEN
LEERDOELEN
2F Kan hoofdpunten begrijpen van (nieuws)berichten op radio en televisie en op het internet over vertrouwde onderwerpen. 1F/2F Kan (eenvoudige) informatieve teksten lezen, zoals het alledaagse nieuws in de krant, teksten uit populaire tijdschriften en internetteksten. 1F Kan eigen ideeën, ervaringen, gebeurtenissen en fantasieën opschrijven in een informatieve tekst. 1F/2F Kan alledaagse aspecten beschrijven. Kan verslag uitbrengen van gebeurtenissen en activiteiten. 1F Kan een voorbereide presentatie over een nieuwsitem geven.
1F/2F Kan jeugdliteratuur belevend lezen. 1F Kan korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagde onderwerpen of over onderwerpen uit de leefwereld. Kan eigen ideeën, ervaringen, gebeurtenissen en fantasieën opschrijven in een verhaal, informatieve tekst of gedicht. Kan een persoonlijke reactie schrijven op een lees-, kijk- of luisterervaring met fictie.
2F Kan eenvoudige zakelijke brieven schrijven en schriftelijke verzoeken opstellen/maken. 1F Kan eigen ideeën, ervaringen, gebeurtenissen en fantasieën opschrijven in een informatieve tekst. 1F Kan de hoofdpunten volgen en kan de eigen mening verwoorden en onderbouwen met argumenten. 1F Kan kritisch luisteren naar meningen en opvattingen en een (passende) reactie geven. 2F Kan een probleem verhelderen, een overtuiging of mening, instemming of afkeuring uitdrukken en commentaar geven op de visie van anderen.
THEORIE
THEORIE
THEORIE (grijs = herhaling)
• • • • • • • • • •
• • • • • • • • •
• • • • • • • • • • • • • • • • • • •
1.1 Tekstdoelen en tekstsoorten (informerende teksten) 2.1 Publiekgerichtheid 2.3 Inhoud afstemmen op publiek 5.3.1 De 5W+1H-vragen 6.2 Lichaamstaal 9.1 Monoloog 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie 15.3 Stappenplan moeilijke woorden Nieuwsberichten Nepnieuws
12.1.1 Fictie en non fictie 12.2 Boeken uitkiezen 12.3 Genres 12.4 Realistisch of niet? 12.5 Leeservaring beschrijven 12.6.1 Hoofdpersoon en bijfiguren 12.6.2 Rollen van personen 12.7 Personages 12.8 Vertelperspectief
1.1 Tekstdoelen en tekstsoorten (informerende teksten) 2.1 Publiekgerichtheid 2.2 Publiek bepalen 2.3 Inhoud afstemmen op publiek 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek 3.1 Titel, tussenkopjes, bronvermelding 3.3 Onderwerp, deelonderwerp 3.4 Alinea 6.2 Lichaamstaal 6.3 Online communicatie 7.1 Leesmanieren 7.2 Leesplan 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie 10.1 Dialoog en groepsgesprek 10.2 Gesprek voeren 11.3 Tekst beoordelen 11.4 Tekst herschrijven 11.5 Spellingcontrole Informatie: Informatiebronnen en bronvermelding
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
GRAMMATICA
WOORDENSCHAT
GRAMMATICA
SPELLING
TAALBESCHOUWING
SPELLING
Woordsoorten • werkwoord, zelfstandig naamwoord, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel Leestekens • hoofdletter, punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt WOORDENSCHAT Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 1, woordenboek, woordraadstrategieën
Taalgebruik • synoniemen en antoniemen, homoniemen en homofonen Woordvorming • trappen van vergelijking
Zinsdelen • werkwoord en werkwoordsvormen, onderwerp, zinnen en zinsdelen Spellingsregels • lettergrepen (woorden afbreken) Werkwoordspelling • werkwoorden vervoegen, persoonsvorm tegenwoordige tijd WOORDENSCHAT
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 2 FORMULEREN
FORMULEREN
Stijlregels • stijlregel 3: Maak hele zinnen. • stijlregel 4: Spreek je publiek aan op de juiste manier. (formeel en informeel taalgebruik)
Stijlregels • stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens. • stijlregel 2: Gebruik geen afkortingen.
TAALBESCHOUWING
Taalvariatie • sociale taalvariatie, vaktaal, jongerentaal, sociale media TOETSEN
TOETSEN
TOETSEN
Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 1 havo versie A en B Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 1 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 1
Eindopdracht 1 hoofdstuk 2 Eindopdracht 2 hoofdstuk 2
Toets Lezen hoofdstuk 3 havo versie A en B Toets Lezen hoofdstuk 3 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 3
Reclame
Waarderende teksten
4
Vrije tijd
Informerende teksten
Verhalen in de tijd Verhalende teksten
5
6
4.1 Start: oriëntatie op reclame 4.2 Reclame werkt! Maar hoe? 4.3 Taal in reclame 4.4 De trucs achter reclame 4.5 Andere soorten reclame 4.6 Kritisch kijken naar reclame 4.7 Tussenstand: reclame op mijn niveau 4.8 Eindopdracht: YouTube-video met reclamecheck Terugblik
5.1 Start: oriëntatie op vrije tijd 5.2 Vrijetijdsbesteding 5.3 Sport of hobby: waarom? 5.4 Hobby of sport: doorgaan of stoppen? 5.5 Bijzondere hobby’s en sporten 5.6 Tussenstand: vrije tijd op mijn niveau 5.7 Eindopdracht: blog: vrije tijd zonder internet Terugblik
6.1 Start: oriëntatie op verhalen en tijd 6.2 Lezend terug in de tijd 6.3 De tijd in een verhaal 6.4 Mag het wat spannender? 6.5 Een kijkje in het verleden 6.6 Onderzoek doen 6.7 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier Terugblik
LEERDOELEN
LEERDOELEN
LEERDOELEN
2F Kan de hoofdpunten begrijpen van (eenvoudige) reclameboodschappen en discussieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen. 2F Kan betogende teksten lezen, zoals reclames, adver tenties of licht opiniërende korte teksten uit tijdschriften (eigen belevingswereld). 2F Kan een advertentie opstellen om bijvoorbeeld een product te verkopen. 1F/2F Kan een korte presentatie over een product geven. 1F Kan een kort overtuigend verhaal over een product (reclametekst) vertellen. 2F Kan vragen beantwoorden naar aanleiding van de presentatie.
2F Kan informerende teksten lezen, waaronder schoolboeken studieteksten (taal- en zaakvakken), teksten uit populaire tijdschriften en van het internet, en kan schematische informatie lezen. 1F/2F Kan teksten schrijven m.b.v. een stramien en daarbij informatie uit twee verschillende zelfgekozen bronnen samenvoegen. Kan eigen ervaringen en gebeurtenissen opschrijven in een informatieve tekst. 1F Kan in gesprekken binnen en buiten school informatie geven en vragen en kan kritisch luisteren naar deze informatie. Kan informatie beoordelen en een reactie geven. 2F Kan informatie vragen en geven aan instanties binnen en buiten school. Kan informatie verzamelen en verwerken via het houden van een vraaggesprek.
1F/2F Kan jeugdliteratuur belevend lezen. 1F Kan korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagde onderwerpen of over onderwerpen uit de leefwereld. Kan eigen ideeën, ervaringen, gebeurtenissen en fantasieën opschrijven in een verhaal, informatieve tekst of gedicht. Kan een persoonlijke reactie schrijven op een lees-, kijk- of luisterervaring met fictie.
THEORIE (grijs = herhaling)
THEORIE (grijs = herhaling)
THEORIE
• 1.2 Tekstdoelen en tekstsoorten (waarderende teksten: betogende teksten) • 2.1 Publiekgerichtheid • 2.2 Publiek bepalen • 2.3 Inhoud afstemmen op publiek • 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek • 3.2 Inleiding, middenstuk, slot • 4.1 Feit en mening • 4.2 Standpunt en argumenten • 5.2.1 Aantekeningen maken • 6.1 Verbale en non-verbale communicatie • 6.2 Lichaamstaal • 6.4 Feedback geven en ontvangen • 8.1 Luistermanieren • 8.2 Kijk- en luisterplan • 9.2 Presentatie voorbereiden • 9.3 Spreekplan maken • 9.4 Inleiding en slot van een presentatie • 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie • 9.7 Tijdens de presentatie • 9.8 Aandacht vasthouden • 9.9 Presentatie beoordelen
• 1.1 Tekstdoelen en tekstsoorten (informerende teksten: uiteenzettende teksten) • 2.1 Publiekgerichtheid • 2.2 Publiek bepalen • 2.3 Inhoud afstemmen op publiek • 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek • 3.2 Inleiding, middenstuk, slot • 3.4 Alinea, kernzin (toelichting/voorbeeld) • 3.6 Zinsverbanden, alineaverbanden, signaalwoorden • 3.7 Soorten verbanden en signaalwoorden (opsomming en tegenstelling) • 5.2.1. Aantekeningen maken • 5.3.1 De 5W+1H-vragen • 5.3.2 Woordweb en overzicht van woordsoorten • 5.3.3 Deelonderwerpen en zoekvragen • 5.3.4 Zoekvragen formuleren • 5.3.5 Informatie zoeken • 5.3.7 Bruikbaarheid van informatie beoordelen • 5.3.8 Bronvermelding en citaat • 6.2 Lichaamstaal • 7.1 Leesmanieren • 7.2 Leesplan • 8.1 Luistermanieren • 8.2 Kijk- en luisterplan • 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie • 10.2 Gesprek voeren (voorbereiding, gespreksregels, vragen stellen) • 10.4 Vraagtechnieken (vragen stellen) • 11.1 Schrijven voorbereiden • 11.2 Schrijfplan maken • 11.3 Tekst beoordelen • 11.4 Tekst herschrijven
• • • •
12.9.1 Tijd waarin een verhaal zich afspeelt 12.9.2 Vertelde tijd 12.11 Spanning in verhalen Onderzoek doen
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
GRAMMATICA
GRAMMATICA
Geen taalverzorging
Zinsdelen • lijdend voorwerp, werkwoordstijden SPELLING
Spellingsregels • bezitsvorm Werkwoordspelling • persoonsvorm verleden tijd, voltooid deelwoord WOORDENSCHAT
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 3 FORMULEREN
Stijlregels • stijlregel 5: Gebruik begrijpelijke woorden. • stijlregel 6: Maak niet te lange zinnen. • stijlregel 7: Vermijd stopwoorden. Bijzonder taalgebruik • letterlijk en figuurlijk taalgebruik TAALBESCHOUWING
Woordvorming • samenstellingen, afleidingen, woorden vormen
Woordsoorten • persoonlijk voornaamwoord, bezittelijk voornaamwoord SPELLING
Spellingregels • bijvoeglijk naamwoord Werkwoordspelling • Persoonsvorm (tt en vt) en voltooid deelwoord WOORDENSCHAT
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 4 FORMULEREN
Stijlregels • stijlregel 8a : Gebruik verwijswoorden op de goede manier. • stijlregel 9: Gebruik signaalwoorden om het verband aan te geven. • stijlregel 10: Gebruik een komma bij een opsomming.
TOETSEN
TOETSEN
TOETSEN
Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 4 havo versie A en B Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 4 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 4
Toets Lezen hoofdstuk 5 havo versie A en B Toets Lezen hoofdstuk 5 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 5
Eindopdracht 1 hoofdstuk 6 Eindopdracht 2 hoofdstuk 6
Onderzoeken
Waarderende teksten
Creatief met taal Verhalende teksten
7
8
Instructies
Informerende teksten
9
LESSEN
LESSEN
LESSEN
7.1 Start: mijn mening over een schone aarde 7.2 Een warmer wordende aarde 7.3 Onze kijk op de groene voetafdruk 7.4 De voetafdruk van mode 7.5 De voetafdruk van voedsel 7.6 De voetafdruk van plastic 7.7 Tussenstand: lezen, luisteren en denken op mijn niveau 7.8 Eindopdracht: een betere plek om te leven Terugblik
8.1 Start: oriëntatie op creatief zijn met taal 8.2 Lekker lezen 8.3 Bijzonder taalgebruik Tussenstand 8.4 Gedichten 8.5 Creatief aan de slag 8.6 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier Terugblik
9.1 Start: oriëntatie op instructies 9.2 Wat doe je als ... je iets niet begrijpt? 9.3 Wat doe je als ... je iets moet leren? 9.4 Wat doe je als ... je zelf een instructie moet maken? 9.5 Wat doe je als … je vrij bent? 9.6 Tussenstand: instructies op mijn niveau 9.7 Eindopdracht: jouw persoonlijke videotutorial
LEERDOELEN (grijs = herhaling)
LEERDOELEN
LEERDOELEN (grijs = herhaling)
1F/2F Kan (eenvoudige) licht opiniërende teksten lezen uit kranten-, tijdschriften en van het internet. 2F Kan teksten schrijven mbv een stramien en daarbij informatie uit een paar gekozen bronnen samenvoegen en daarin voor- en nadelen, probleem en oplossing beschrijven. (stijlregel 11) Vrij schrijven: Kan eigen ervaringen en gebeurtenissen opschrijven in een informatieve tekst. 1F Kan de hoofdpunten volgen en kan de eigen mening verwoorden en onderbouwen met argumenten. 1F Kan kritisch luisteren naar meningen en opvattingen en een (passende) reactie geven. 2F Kan een probleem verhelderen, een overtuiging of mening, instemming of afkeuring uitdrukken en commentaar geven op de visie van anderen.
1F/2F Kan jeugdliteratuur belevend lezen. 1F Kan korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagde onderwerpen of over onderwerpen uit de leefwereld. Kan eigen ideeën, ervaringen, gebeurtenissen en fantasieën opschrijven in een verhaal, informatieve tekst of gedicht. Kan een persoonlijke reactie schrijven op een lees-, kijk- of luisterervaring met fictie.
2F Kan uitleg en instructies over dagelijkse werkzaamheden begrijpen. 2F Kan instructieve teksten lezen, zoals recepten, veelvoorkomende aanwijzingen, gebruiksaanwijzingen en bijsluiters van medicijnen. 2F Kan kort en duidelijk een schriftelijke instructie schrijven. Kan aantekeningen maken tijdens een uitleg. 1F Kan instructies geven in alledaagse situaties.
THEORIE
THEORIE
THEORIE
• 1.2 Tekstdoelen en tekstsoorten (waarderende teksten: beschouwende en betogende teksten) • 2.1 Publiekgerichtheid • 2.2 Publiek bepalen • 2.3 Inhoud afstemmen op publiek • 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek • 3.5 Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte • 3.6 Zinsverbanden, alineaverbanden en signaalwoorden • 3.7 Soorten verbanden en signaalwoorden (reden) • 5.2.1 Aantekeningen maken • 5.2.2 Samenvatten • 5.3.5 Informatie zoeken (stofvindingstechnieken, informatie verwerken, bronvermelding) • 5.3.6 Betrouwbare informatie • 5.3.7 Bruikbaarheid van informatie beoordelen • 6.2 Lichaamstaal • 6.4 Feedback geven en ontvangen • 7.1 Leesmanieren • 7.2 Leesplan • 8.1 Luistermanieren • 8.2 Kijk- en luisterplan • 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie • 10.2 Gesprek voeren (voorbereiding, gespreksregels, vragen stellen) • 10.5 Van mening verschillen • 10.8 Discussie • 11.1 Schrijven voorbereiden • 11.2 Schrijfplan maken • 11.3 Tekst beoordelen • 11.4 Tekst herschrijven
• • • • • • •
• 1.1 Tekstdoelen en tekstsoorten (informerende teksten: instructieve teksten) • 2.1 Publiekgerichtheid • 2.2 Publiek bepalen • 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek • 5.1 Beeld en vormgeving • 6.1 Verbale en non-verbale communicatie • 6.2 Lichaamstaal • 6.4 Feedback geven en ontvangen • 8.1 Luistermanieren • 8.2 Kijk- en luisterplan • 9.5 Hulpmiddelen bij een presentatie (instructie) • 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie • 9.9 Presentatie beoordelen
12.13.1 Figuurlijke taal 12.13.1 Beeldspraak 12.14 Stijlfiguren 12.15.1 Gedichten 12.16.1 Rijm 12.16.2 Rijmschema 12.17.2 Verbanden tussen strofen
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
TAALVERZORGING
GRAMMATICA
FORMULEREN
GRAMMATICA
Zinsdelen • meewerkend voorwerp, bijwoordelijke bepaling, meewerkend voorwerp met ‘voor’
Bijzonder taalgebruik • stijlfiguren
SPELLING
Spellingregels • meervoud, verkleinwoorden
Woordsoorten • zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord, alle woordsoorten Zinsdelen • alle zinsdelen SPELLING
Leestekens • apostrof Spellingregels • samenstellingen, afkortingen
WOORDENSCHAT
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 5 FORMULEREN
WOORDENSCHAT
Stijlregels • stijlregel 8b : Gebruik verwijswoorden op de goede manier. • stijlregel 9: Gebruik signaalwoorden om het verband aan te geven. • stijlregel 11: Gebruik een bronvermelding als je tekst overneemt. • stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden.
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden opdracht 6 FORMULEREN
Formuleringsfouten • congruentiefouten (stijlregel 13) TAALBESCHOUWING
Over taal • beeldtaal
TOETSEN
TOETSEN
TOETSEN
Toets Lezen hoofdstuk 7 havo versie A en B Toets Lezen hoofdstuk 7 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 7
Eindopdracht 1 hoofdstuk 8 Eindopdracht 2 hoofdstuk 8
Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 9 havo versie A en B Toets Kijken/Luisteren en Lezen hoofdstuk 9 vwo versie A en B Eindopdracht hoofdstuk 9
Grammatica ONDERWERPEN Woordsoorten • werkwoord • zelfstandig naamwoord • lidwoord • bijvoeglijk naamwoord • voorzetsel • persoonlijk voornaamwoord • bezittelijk voornaamwoord • zelfstandig werkwoord • hulpwerkwoord
TOETSEN Zinsdelen • werkwoord en werkwoordsvormen • onderwerp • zinnen en zinsdelen • lijdend voorwerp • werkwoordstijden • meewerkend voorwerp met ‘aan’ • bijwoordelijke bepaling • meewerkend voorwerp met ‘voor’
Grammatica
Spelling ONDERWERPEN Leestekens • hoofdletter • punt • vraagteken • uitroepteken • komma • dubbele punt • apostrof
TOETSEN Spellingregels • lettergrepen (woorden afbreken) • bezitsvorm • bijvoeglijk naamwoord • meervoud • verkleinwoorden • samenstellingen • afkortingen
Werkwoordspelling • werkwoorden vervoegen • persoonsvorm tegenwoordige tijd • persoonsvorm verleden tijd • voltooid deelwoord
Grammatica
Woordenschat ONDERWERPEN Woordbetekenissen • schooltaalwoorden • woordenboek • woordraadstrategieën
TOETSEN Taalgebruik • synoniemen en antoniemen • homoniemen en homofonen
SO’s Woordenschat
Formuleren ONDERWERPEN Formuleringsfouten • congruentiefouten (stijlregel 13)
TOETSEN Stijlregels • stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens. • stijlregel 2: Gebruik geen afkortingen. • stijlregel 3: Maak hele zinnen. • stijlregel 4: Spreek je publiek aan op de juiste manier. (formeel en informeel taalgebruik) • stijlregel 5: Gebruik begrijpelijke woorden. • stijlregel 6: Maak niet te lange zinnen. • stijlregel 7: Vermijd stopwoorden. • stijlregel 8 : Gebruik verwijswoorden op de goede manier. • stijlregel 9: Gebruik signaalwoorden om het verband aan te geven. • stijlregel 10: Gebruik een komma bij een opsomming. • stijlregel 9: Gebruik signaalwoorden om het verband aan te geven. • stijlregel 11: Gebruik een bronvermelding als je tekst overneemt. • stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden.
Bijzonder taalgebruik • letterlijk en figuurlijk taalgebruik • stijlfiguren
SO’s Woordenschat
Taalbeschouwing ONDERWERPEN Woordvorming • trappen van vergelijking • samenstellingen • afleidingen • woorden vormen
TOETSEN Taalvariatie • sociale taalvariatie • vaktaal • jongerentaal • sociale media
Over taal • beeldtaal
Toetsopdrachten Taalbeschouwing
In de hoofdstukken 1 t/m 9 ga je binnen een thema aan de slag met taalvaardigheid en verhalende teksten. In het leerstofoverzicht staat bij deze hoofdstukken aangegeven wat je van spelling, grammatica en formuleren moet weten en kunnen toepassen. Deze onderdelen Taalverzorging tellen mee in de beoordeling van opdrachten en toetsen. Je kunt Taalverzorging op verschillende manieren aanpakken: - voordat je begint aan een hoofdstuk; - tijdens het werken aan een hoofdstuk; - als uit een beoordeling blijkt dat je fouten maakt in taalverzorging. Theorie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Register. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Stijlregels. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Rubrics Schrijven, Spreken en Gesprekken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Rubrics Lezen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Rubrics Verhalende teksten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verantwoording. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
[pag.nr] [pag.nr] [pag.nr] [pag.nr] [pag.nr] [pag.nr] [pag.nr]
lezen schrijven kijken/luisteren spreken/gesprekken
Op niveau is een methode voor taalvaardigheid Nederlands Structuur De methode bestaat uit drie categorieĂŤn. Binnen een categorie ga je met verschillende hoofdstukken aan het werk. Categorie
Hoofdstuk
Informerende en Waarderende teksten
1, 3, 4, 5, 7 en 9
Verhalende teksten
2, 6 en 8
Taalverzorging
Grammatica
Aan de hand van een thema ga je aan de slag met het geven van informatie, dan wel met het herkennen of formuleren van een mening. Je gaat teksten lezen en beluisteren. Dit wissel je af met het schrijven van teksten, het voeren van gesprekken en met presenteren. Net als in het echte leven. In deze hoofdstukken gaat het over de kracht van het verhaal. Je gaat verhalen lezen, vertellen en ernaar luisteren. Je leert praten, schrijven en presenteren over de verhalen die je leest. Je leert ook hoe je zelf verhalen kunt schrijven. Taalverzorging Je leert hoe de taal is opgebouwd en hoe je zinnen moet ontleden, zodat je begrijpt hoe je dit in teksten op de juiste manier toepast.
Spelling
Je oefent de regels van spelling en leestekens, zodat je deze in teksten op de juiste manier toepast.
Woordenschat
e vergroot je woordenschat met schooltaalwoorden en woorden uit (tekst)fragmenten. De woordenlijsten staan in WRTS, zodat je online kunt oefenen.
Formuleren
Je leert zinnen logisch en goed op te bouwen, zodat je in teksten of gesprekken correcte zinnen kunt formuleren.
Taalbeschouwing
Je bestudeert het verschijnsel taal en leert meer over taalontwikkeling, groepstalen en woordvorming, zodat je meer inzicht krijgt in hoe taal werkt.
Zo werkt Op niveau: De volgende onderdelen kun je tegenkomen: Inleiding op het hoofdstuk
OriĂŤntatie op het onderwerp van het hoofdstuk
Een overzicht van wat je gaat leren in dit hoofdstuk en de theorie die je daarbij nodig hebt
Tussenstand om te kijken hoe ver je bent mety het onder de knie krijgen van de leerdoelen. De tussenstand bepaalt ook op welk niveau je verder gaat.
Vaardigheid waar je aan werkt.
QR-codes naar kijk- en luisterfragmenten
Nummer van de theorie die je nodig hebt
Opdrachten per niveau
Eindiopdracht als afsluiting van een hoofdstuk.
Je kijkt terug op een hoofdstuk, de route en de eindopdracht.
Online materiaal bij het hoofdstuk
Toetsen bij het hoofdstuk
Licentie Alle opdrachten en theorie staan ook in de online leeromgeving. Daarnaast kun je online extra oefenmateriaal vinden. Indien nodig kan de docent jou ook toegang geven tot de opdrachten en theorie van andere niveaus/leerjaren. Verwijzingen [1.1] Een verwijzing naar de theorie die je nodig hebt bij een opdracht. Bij deze opdracht hoort een kijk- of luisterfragment dat je kunt vinden in de online leeromgeving. Voor deze opdracht heb je internetverbinding nodig. Deze opdracht doe je met een medeleerling. Deze opdracht doe je met een groep leerlingen. Bij deze opdracht gebruik je strategieĂŤn van Woordenschat. Je werkt aan de vaardigheid Lezen. Je werkt aan de vaardigheid Kijken/luisteren. Je werkt aan de vaardigheid Schrijven. Je werkt aan de vaardigheid Spreken of Gesprekken.
1
Nieuws
Aan het eind van dit hoofdstuk kan ik ‌ de hoofdpunten van een nieuwsbericht begrijpen. de inhoud van een nieuwsbericht begrijpen. een nieuwsbericht beoordelen. het schrijfdoel van informerende teksten herkennen. de betekenis van onbekende woorden afleiden. het onderwerp van een nieuwsbericht benoemen. (vwo) een nieuwsbericht schrijven. een nieuwsbericht presenteren.
Theorie [1, 1.1] Tekstdoelen en tekstsoorten [2.1] Publiekgerichtheid [2.3] Inhoud afstemmen op publiek [5.3.1] De 5W+1H-vragen [6.2] Lichaamstaal [9.1] Monoloog [9.6] Stemgebruik [9.9] Presentatie beoordelen [15.3] Stappenplan moeilijke woorden
Uitleg - Nieuwsberichten - Nepnieuws
Stijlregels 1 Gebruik hoofdletters en leestekens. 2 Gebruik geen afkortingen.
'Hét nieuws bestaat niet meer voor jongeren' Dit is de titel van een artikel over jongeren en nieuws. Een belangrijke vraag daarin was of jongeren nog wel in nieuws geïnteresseerd zijn. Hoe zit dat met jou? Wat betekent nieuws voor jou? Welk nieuws laat je liggen? Naar welk nieuws ga je op zoek en waarom juist naar dat nieuws? In dit hoofdstuk duik je in de wereld van nieuws. Je leert goed naar nieuwsberichten en nieuwsbronnen te kijken, zodat je oefent met het onderscheiden van echt nieuws en nepnieuws. Je vormt je eigen mening over nieuws en kijkt kritisch naar de nieuwsfeiten die je leest, ziet en hoort.
1.1 Oriëntatie op nieuws 1
Is dit nieuws? Kijk en luister naar de introductie van het hoofdstuk Nieuws.
2 Wat vind ik interessant? Bekijk de nieuwsberichten A t/m H. A
B
C
Scholen experimenteren met nieuwe roosters
Criminelen opsporen met technische snufjes
Kleine zonnebril grote trend
D
E
F
De 5 vetste aankondigingen op gamebeurs E3
Gigantische walrus fluit naar vrouwtjes en zoent met Lucas
Te lang naar een scherm kijken is slecht voor je ogen
G
H
13 jaar en miljonair door gezond snoep
Bijzondere vondst: oudste zeef van Nederland gevonden
1
Nieuws dichtbij huis a
Bepaal of je de berichten interessant vindt of niet. Kleur bij het interessantste bericht acht duimpjes, bij het bericht dat daarna het interessantst is zeven duimpjes, enz.
b Waardoor heb jij je keuze bepaald? a Alleen de titel van het bericht. b Alleen het beeld. c Zowel de titel als het beeld.
c Leg uit waarom je het bericht met acht duimpjes het interessantst vindt. d Leg uit waarom je het bericht met één duimpje het minst interessant vindt. e Bekijk en lees nu het complete bericht dat je acht gekleurde duimpjes hebt gegeven. 1 Vind je het nog steeds interessant? Licht je antwoord in een paar zinnen toe. 2 Schrijf een reactie van een paar zinnen bij het bericht.
f
Bespreek jouw keuze en reactie met een of meer klasgenoten.
3 Dit is nieuws voor mij
Veel verschillende bronnen op internet, televisie en in de krant verspreiden nieuws(berichten).
a Uit welke nieuwsbronnen haal jij je nieuws? b ‘Sommige nieuwsbronnen zijn beter dan andere.’ Ben jij het hier wel of niet mee eens? Leg je antwoord uit aan de hand van een of meer voorbeelden. 1 Lees de uitspraken over nieuws in het schema. Ben jij het ermee eens of oneens? Zet een kruisje in de kolom van jouw keuze. 2 Licht je keuze bij elke uitspraak toe. Uitspraak
eens
oneens
A ‘Nieuws is belangrijk.’ B ‘Nieuws is alleen maar vermaak.’ C ‘Nieuws zet je aan het denken.’ D ‘Nieuws is meestal negatief.’
c
Wanneer is iets voor jou nieuws? Noteer een aantal kenmerken die nieuwsberichten volgens jou altijd moeten hebben.
d Vergelijk je antwoord op vraag 4 met dat van een of meer klasgenoten. Bespreek de verschillen en formuleer samen een goede zin die begint met: 'Nieuws is ….'
5
1.1 Oriëntatie op nieuws
1.2 Nieuwswaarde bepalen 4 Inzicht krijgen in nieuws Elke dag is er veel nieuws. Niet alles wat er gebeurt, komt in de media. Een journalist moet keuzes maken. Over het maken van die keuzes gaat het fragment bij deze opdracht. Lees eerst de vragen 1 t/m 6 door. Kijk en luister dan naar het fragment en maak aantekeningen. Beantwoord daarna de vragen.
a Op welke manieren kan het nieuws gebracht worden? b Waarom heeft niet elk nieuwsprogramma hetzelfde nieuws? c Bij het selecteren van nieuws kijkt het NOS Journaal naar de nieuwswaarde. Omschrijf in je eigen woorden wat nieuwswaarde is.
d Wat is geen uitgangspunt voor nieuws? ◯ ◯ ◯ ◯
e f
Nieuws moet actueel zijn. Nieuws moet interessant zijn voor veel mensen. Nieuws moet positief zijn. Nieuws moet bijzonder zijn.
Op welke manieren komt het NOS Journaal aan nieuws? Hoeveel nieuwswaarde heeft de opening van een sportcentrum in jouw woonplaats voor het journaal? Leg je antwoord uit.
5 Nieuws omschrijven a
[15.3]
Lees de tekst Wat is nieuws? Noteer in je eigen woorden wat de volgende woorden betekenen. Gebruik de woordraadstrategieën in het Stappenplan moeilijke woorden. 1 medium (r. xx) 2 actueel (r. xx) 3 conflicten (r. xx) 4 emotie (r. xx)
b Vergelijk de inhoud van de tekst Wat is nieuws? met de inhoud van het fragment 1. Welke overeenkomsten zijn er?
c Noteer in je eigen woorden wat nieuws is. Gebruik maximaal 30 woorden. d Vergelijk je antwoord op vraag 3 met het antwoord op vraag 5 van opdracht 3. Is er verschil tussen de antwoorden? Zo ja, wat heb je aangevuld, weggelaten of veranderd? naar: www.rug.nl
WAT IS NIEUWS? 1
5
2 10
Nieuws is wat er gebeurt in je omgeving, in Nederland, in de wereld. Je leest erover in kranten en ziet het op de televisie. Er bestaat niet iets als ‘het nieuws’, want er zijn verschillende soorten nieuws. Dat heeft te maken met het medium dat het nieuws brengt (krant, televisie of internet) en met de manier waarop nieuws gebracht wordt. Nieuws moet wel aan een paar voorwaarden voldoen voordat je het kunt horen of lezen.
3 15
20
Nieuws moet actueel zijn. Een bericht van een maand oud is geen nieuws. Het moet belangrijk zijn voor een grote groep mensen. Nieuws wijkt af van het normale. Ook beroemde mensen, wereldleiders, koningen die iets gaan doen of hebben gedaan, zijn nieuws. Meestal niet leuk, maar conflicten tussen groepen mensen en tussen landen zijn nieuws. Emotie, groot verdriet of veel vreugde, is ook nieuws.
1
Nieuws dichtbij huis
6 Voorspellen a
[1] [1.1]
Lees de titels van de nieuwsberichten. Zal het bericht volgens jou veel, gemiddeld of weinig nieuwswaarde hebben? Zet een kruisje op de lijn. 1 Man wordt gek in elektronicawinkel veel nieuwswaarde 2 Vier op vijf badeenden bron van bacteriën en schimmels veel nieuwswaarde 3 Elke dag bewegen moet verplicht worden op school veel nieuwswaarde
weinig nieuwswaarde weinig nieuwswaarde weinig nieuwswaarde
b Met welk doel zijn de nieuwsberichten geschreven?
Nieuwsberichten tekst. In de vervolgtekst staan verdere gegevens. De hele tekst geeft antwoorden op de 5W+1Hvragen. Nieuwsberichten komen uit een bepaalde bron. Deze staat onder de tekst vermeld. Om te weten of je de tekst kunt vertrouwen, is het belangrijk te weten uit welke nieuwsbron hij komt. Omdat een beeld (illustratie) soms meer zegt dan woorden, zie je vaak dat geschreven of Politie boos op Amsterdamse gesproken teksten verduidelijkt, aangevuld of supermarkten aantrekkelijker gemaakt zijn met een beeld. Dit Na de titel volgt een vetgedrukte tekst (de lead). kunnen heel verschillende beelden zijn, zoals Hierin staat het belangrijkste nieuws en de lezer foto’s, schema’s, grafieken of tekeningen. wordt nieuwsgierig gemaakt naar de rest van de Nieuwsberichten zijn vaak korte teksten in media. De teksten hebben als doel de lezer te informeren. Elke tekst gaat over één onderwerp. Je kunt het onderwerp vaak heel kort beschrijven, in één of enkele woorden. Een nieuwsbericht begint altijd met een aantrekkelijke kop (titel) waardoor de lezer geïnteresseerd raakt.
7 Nieuwsberichten begrijpen en beoordelen
[5.3.1]
Lees de uitleg Nieuwsberichten. Lees daarna tekst 2 en beantwoord de vragen.
a
Wat betekent door het lint gegaan? (r. xx)
b Wat betekent absurd in absurd lage prijzen? (r. xx) c Wat betekent het als een medewerker op non-actief is gezet? (r. xx) ◯ De medewerker is ontslagen. ◯ De medewerker mag zijn werk voor een bepaalde tijd niet doen. ◯ De medewerker mag zijn werk nooit meer doen.
d Stel je voor dat jij toevallig op de website met bizarre koopjes van deze elektronicawinkel terechtkomt. Zou jij direct artikelen kopen? Licht je antwoord kort toe.
e
Beantwoord de 5W+1H-vragen bij deze tekst. Zet een streepje als je een vraag niet kunt beantwoorden.
f
1 Uit welke bron komt tekst 2? 2 Ken je deze bron?
g
Noteer een vraag die bij je opkomt als je dit nieuwsbericht leest.
7
1.1 Oriëntatie op nieuws
Man wordt gek in electronicawinkel Een medewerker van een bekende landelijke elektronicagigant is vanmorgen door het lint gegaan. De man leefde zich uit op de webshop van het bedrijf, waardoor er 5 van de prijzen niets meer lijkt te kloppen. 2 Allerlei artikelen in de webshop van de elektronicawinkel hebben ineens absurd lage prijzen. De man maakte zelfs een speciale pagina waarop absurde koopjes zijn 10 afgebeeld. Wie een bestelling plaatst heeft geluk, want volgens de wet is het bedrijf 1
verplicht om de producten tegen de afgebeelde prijzen te leveren. 2 15 De doorgedraaide medewerker is inmiddels op non-actief gezet. Hoelang de belachelijk lage prijzen nog op de website blijven staan, is onduidelijk. Het bedrijf werkt achter de schermen aan een oplos sing, 20 maar de bizarre koopjes zijn nog steeds te zien. Bron: nieuwspaal.nl
h Lees tekst 3. Noteer in je eigen woorden wat het woord potentiële (r. xx) betekent.
i
1 Hoeveel eenden zijn er voor het onderzoek onderzocht? 2 Is dit aantal voldoende om de volgende conclusie te trekken? Conclusie: Vier op de vijf van alle badeenden is een bron van bacteriën en schimmels. 3 Leg je antwoord uit. Bron: nu.nl
‘VIER OP VIJF BADEENDEN BRON VAN BACTERIËN EN SCHIMMELS’ 30 en schimmels. Doordat er een gat in de In vier van de vijf badeenden zitten bacteriën onderkant zit, zitten in het water dat zich in de eenden kan ophopen veel potentiële ziekteverwekkers.
1
Voor het onderzoek, dat woensdag door Nature is gepubliceerd, zijn negentien verschillende badeendjes onderzocht. Het onderzoek werd gedaan door het Swiss Federal Institute of Aquatic Science and Technology.
2 5
3 10
15
6
Het speelgoed werd gebruikt tijdens een badsessie met schoon water en de eendjes werden voor en na het badderen gecheckt. Hieruit bleek dat er flink wat ziekteverwekkers waren ontstaan, onder meer die van legionella en de ziekenhuisbacterie pseudomonas aeruginosa.
j
Lees tekst 4. Wat betekent gestimuleerd (r. xx)?
k
Wat is het onderwerp van de tekst? Kies uit: a Bewegen op school geeft zelfvertrouwen. b Dagelijks een uur op school bewegen. c Een uur bewegen op school verplichten. d Stimuleer dagelijks bewegen op school.
4
20
Door het plastic waar badeenden van zijn gemaakt, maar ook door urine, zweet en zeepresten, is het speelgoed een goede broedplaats voor bacteriën en schimmels.
1
Nieuws dichtbij huis
l
Wat moet de minister van Onderwijs allemaal verplicht gaan stellen volgens de adviseurs van organisaties voor onderwijs, sport en gezondheid?
m Waarom is bewegen net zo belangrijk als wiskunde en Nederlands? n Wat vind jij van het voorstel van de adviseurs? Licht je antwoord kort toe. www.sevendays.nl GEZONDHEID
'ELKE DAG BEWEGEN MOET VERPLICHT WORDEN OP SCHOOL' Niet alleen in de gymzaal, maar ook in de klas en op het plein moeten leerlingen gaan bewegen. Niet een paar keer per week, maar elke dag twee keer een halfuur. Dat vinden adviseurs van drie organisaties voor onderwijs, sport en gezondheid.
1
2 5
10
3 15
20
4
De minister van Onderwijs moet twee keer per dag een half uur bewegen verplicht stellen, voor alle scholen, schrijven de organisaties in een rapport dat ze vandaag aanbieden aan de minister-president. Scholen zouden er ook voor moeten zorgen dat leerlingen drie keer per week oefeningen doen voor sterke botten en spieren: squats, sit-ups en andere rek- en strekoefeningen.
25
30
scholen waar leerlingen nog te weinig gestimuleerd worden om in beweging te komen. Bijvoorbeeld omdat het lesrooster overvol is, of omdat er geen gymleraar of gymzaal is. De organisaties denken dat alle leerlingen dezelfde kansen krijgen, als de minister dagelijks bewegen op school verplicht maakt.
Zelfvertrouwen De organisaties beweren dat bewegen niet alleen belangrijk is om gezond te blijven, maar het maakt je ook leniger en handiger. Daarnaast leer je jezelf beter kennen en het geeft je meer zelfvertrouwen. Sporten is daarom net zo belangrijk als wiskunde en Nederlands. Kansen Sommige scholen doen het al goed vinden de adviseurs, maar er zijn ook
8 Terugkijken Kijk terug naar je antwoorden bij opdracht 6.
a
Heb je de nieuwswaarde van de teksten 2 t/m 4 goed voorspeld? Zo nee, wat is er anders? Zo nee, wat is er anders?
b Klopt voor elke tekst het tekstdoel dat je bij vraag 2 hebt genoteerd? Zo nee, voor welke tekst niet en waarom niet?
c
Vind je de teksten 2 t/m 4 allemaal geloofwaardig? Leg je antwoord uit.
9
1.1 Oriëntatie op nieuws
1.3 Nieuws presenteren 9 Presentaties bekijken en beoordelen
[2.1] [2.3] [6.2] [9.1] [9.6]
Presenteren is een vaardigheid die je vaak zult oefenen op school. Wat je daarvan leert, kun je ook na je schooltijd goed gebruiken. Bij deze opdracht verzamel je een aantal tips voor het houden van een presentatie. Die kun je gebruiken als je bij opdracht 11 zelf een nieuwsbericht gaat presenteren. Eerst kijk je naar hoe het niet moet. Kijk en luister naar fragment 2 en 3. Let tijdens het luisteren en kijken op de volgende punten: • stemgebruik en spreektechniek • houding en lichaamstaal • publiekgerichtheid
fragment 2
fragment 3
fragment 4
a Noteer van fragment 2 wat de spreker fout doet. b Noteer van fragment 3 welke fouten de spreekster achter elkaar maakt. c Kijk en luister naar fragment 4. Noteer alle tips die de spreker geeft voor het houden van een presentatie.
d Bekijk twee verschillende nieuwsuitzendingen. Zorg ervoor dat de nieuwsuitzendingen van twee verschillende bronnen zijn. 1 Noteer de bron/url van de uitzendingen die je hebt gekeken. 2 Beoordeel de sprekers. Gebruik hierbij de tips van vraag 3 en de theorie over stemgebruik, houding en lichaamstaal. 3 Schrijf van elke spreker je beoordeling op in een aantal goed opgebouwde zinnen.
e
Welke spreker vind jij het beste? Leg je antwoord duidelijk uit in een paar zinnen.
10 Presentatie nieuwsbericht voorbereiden Je weet nu meer over wat nieuws is en welk nieuws jij interessant vindt. De tips voor het houden van een presentatie gaan je helpen bij je eigen presentatie van een nieuwsbericht. In deze opdracht bereid je die presentatie voor.
a
Zoek in kranten of op internet twee nieuwsberichten die je leuk of interessant vindt voor je publiek: je klasgenoten.
b Noteer van elk bericht de belangrijkste informatie. Gebruik hiervoor de 5W+1H-vragen. c Bedenk per nieuwsbericht waarom je het hebt gekozen en schrijf het op. d Kies een van de twee nieuwsberichten en bereid een presentatie van 1 minuut voor. • • • • •
8
Verwerk de informatie van het bericht in je presentatie. Houd rekening met je publiek. Noteer de belangrijkste woorden op een blaadje. Oefen je presentatie een keer of meerdere keren voor jezelf. Houd rekening met de tips voor het houden van een presentatie (zie opdracht 9).
e
Neem de rubrics voor Spreken door. Kijk naar nummer 34 en 36, Taalgebruik en techniek. Noteer per nummer het niveau dat jij bij jouw spreken vindt passen.
f
Neem het nieuwsbericht en je blaadje met de belangrijkste woorden mee naar de les.
[9.9]
1
Nieuws dichtbij huis
11 Nieuwsbericht presenteren De presentatie van je nieuwsbericht doe je in een groepje met drie klasgenoten. Zorg ervoor dat je allemaal een ander nieuwsbericht presenteert.
a Presenteer de nieuwsberichten om de beurt aan elkaar. b Maak tijdens de presentaties van je klasgenoten aantekeningen. Let op: • • • •
c
rubrics Publiekgerichtheid nummer 22. rubrics Taalgebruik en techniek nummer 34. rubrics Taalgebruik en techniek nummer 36. de inhoud: was deze goed te volgen?
Bespreek na afloop van de presentaties je aantekeningen met je groepsleden. Noem bij elke presentatie een punt dat goed gaat en geef ook een tip voor verbetering.
d 1 Bepaal of je jezelf goed had ingeschat op de rubrics Taalgebruik en techniek (nummer 34 en 36). 2 Noteer voor jezelf een of meer verbeterpunten voor de volgende keer.
1.4 Nieuws en een kritische blik Nepnieuws • Is de informatie uit het nieuwsbericht ook in andere bronnen te vinden? Hoe meer bronnen het nieuws verspreiden, hoe groter de kans dat het bericht waar is. • Is de informatie in de andere bronnen hetzelfde? Lees de informatie in die andere bronnen altijd door om deze te vergelijken. • Vermeld het nieuwsbericht de hele waarheid of zijn er zaken verzonnen? • Gaat het in het nieuwsbericht over een onderzoek? Controleer dan de manier waarop er is onderzocht en wie het onderzoek heeft gedaan. Hoe minder mensen deelnemen aan een onderzoek, hoe kleiner de kans is dat het resultaat te vertrouwen is. • Wees kritisch en vraag jezelf af of het mogelijk is wat je leest. Gebruik de volgende tips om te bepalen of een • Gebruik altijd je gezonde verstand en check bericht waar is of niet: zaken die je vreemd of belachelijk vindt. • Uit welke bron komt het nieuwsbericht? Is de bron een landelijke of regionale krant? Bekijk op internet de andere berichten van die bron ook. Is een nieuwsbericht altijd waar? Nee. In een nieuwsbron kun je nieuwsberichten tegenkomen die nep zijn, zogenaamd nepnieuws. Deze nieuwsberichten zijn soms helemaal verzonnen, maar vaak ook gedeeltelijk. Een schrijver van een nieuwsbericht kan de waarheid aanvullen met extra informatie die verzonnen is. Er zijn verschillende redenen voor het verspreiden van nieuws dat niet of voor een deel niet waar is. De belangrijkste reden is dat er geld mee verdiend kan worden (via advertenties). Nepnieuws duikt regelmatig op. Het is dus belangrijk dat je als lezer echt nieuws van nepnieuws kunt onderscheiden.
12 Inzicht krijgen in nepnieuws Lees de uitleg Nepnieuws.
a Een nieuwsbericht is niet altijd waar. Noteer een of meer voorbeelden van nepnieuws. b Denk je dat er veel nepnieuws voorkomt? Waarom denk je dat? c Welke reden(en) naast geld verdienen kunnen mensen nog meer hebben om nepnieuws te verspreiden?
d In welke nieuwsbronnen zal nepnieuws kunnen voorkomen?
11
1.1 OriĂŤntatie op nieuws
Bekijk het fragment over nepnieuws en beantwoord de vragen.
e f g h i
Wat is de belangrijkste reden voor het verspreiden van nepnieuws? Welke tips geeft de spreker voor het onderscheiden van nepnieuws en echt nieuws? Wat bedoelt de spreker met met een korreltje zout nemen? Wat wordt bedoeld met op het verkeerde been zetten? Wat willen Facebook en Google doen tegen nepnieuws?
13 Nieuws begrijpen en beoordelen Lees de titel en de lead van tekst 5.
a b c d
Lijkt deze tekst jou interessant? Licht je antwoord toe. Uit welke bron komt tekst 5? Heb jij al eerder informatie over de tandsensor gelezen of gehoord? Welke informatie verwacht je te weten na het lezen van de tekst? Lees tekst 5 nu helemaal.
e f
Noteer wat vernuftige (r. xx) betekent.
g
Welke informatie vind jij geloofwaardig en welke niet?
1 Wat zeg jij tegen de klik-chip: ja of nee? 2 Noteer twee redenen voor je antwoord.
Uitspraak
geloofwaardig
niet geloofwaardig
De vernuftige technologie in het chipje kan aan de hand van de samenstelling van speeksel heel nauwkeurig de suikergraad in de mond meten. Er gaat automatisch een waarschuwingsappje naar de ouders. De suikerwaardes kunnen ook gekoppeld worden aan online schoolsystemen als Magister. De chip wordt betaald uit een speciaal obesitaspreventiefonds van de gezamenlijke verzekeraars. De suikersensor gaat een heleboel gaatjes en obesitas schelen. Riane uit Elp is een actie begonnen tegen de klik-chip.
h Zoek op internet naar bronnen over het invoeren van de klik-chip. Noteer welke nieuwsbronnen je hebt gevonden.
i
10
Bekijk je antwoorden op vraag 7 en 8 en bepaal of de informatie in tekst 5 echt of nepnieuws is. Licht je antwoord toe in een paar goed opgebouwde zinnen.
1
Nieuws dichtbij huis
Bron: sevendays.nl
ZEG NEE TEGEN DE KLIK-CHIP! 1
Dikke kans dat je het er deze week op school of thuis al wel over gehad hebt: de tandsensor. Wil jij hem wel of wil jij hem niet? Veel ouders en tandartsen zijn blij met die nanochip die heel nauwkeurig de suikergraad in de mond meet. Maar sommige jongeren zijn juist boos en voeren actie tegen de ‘klik-chip’.
2 5
De vernuftige technologie in het chipje kan aan de samenstelling van speeksel heel nauwkeurig de suikergraad in de mond meten. Als dat boven een bepaald maximum komt, bijvoorbeeld na het drinken van meer dan twee blikjes energiedrank, gaat er automatisch een waarschuwingsappje naar de ouders. Op termijn kunnen de suikerwaardes eventueel ook gekoppeld worden aan online schoolsystemen als Magister.
10
15
30
trole. En de chip is zo klein dat je hem ook bijna niet voelt zitten.’ Ouders moeten wel even mee, vertelt Le Panier. ‘Hun smartphone moet gekalibreerd worden met het signaal van de sensor.’
35
Actie tegen de chip Riane uit Elp (13) vindt het allemaal veel te ver gaan: ‘Als ik een keer snoep koop, vind ik het echt niet nodig dat dat meteen wordt doorgeklikt naar mijn moeder. Wij hebben ook gewoon recht op privacy!’ Ze is zó boos dat ze een actie is begonnen en zo veel mogelijk handtekeningen verzamelt van jongeren die ook tegen zijn. Ze wil al deze handtekeningen overhandigen aan minister De Jong van Volksgezondheid.
5
40
3
20
4 25
In eerste instantie krijgen alleen basisschoolkinderen de sensor achter op hun voortand. Na de zomer zijn ook middelbare scholieren aan de beurt. De chip is gratis en wordt betaald uit een speciaal obesitas-preventiefonds van de gezamenlijke verzekeraars.
45
Heel klein Tandarts Garp le Panier is één van de bedenkers. Hij is heel blij dat de suikersensor er nu eindelijk echt komt. ‘Dat gaat een heleboel gaatjes en obesitas schelen. Het aanbrengen van de sensor doet geen pijn en gebeurt gewoon bij de eerstvolgende reguliere tandartscon-
1.5 Nieuws in verschillende bronnen 14 Nieuwsberichten kritisch lezen a De titel van tekst 6 is: ‘Mag het een onsje minder zijn?’ Waarover zal de tekst gaan volgens jou? b Lees tekst 6. Wat is het onderwerp van tekst 6? Gebruik maximaal zes woorden voor je antwoord.
c Wat is het tekstdoel van tekst 6? d Had je bij vraag 1 goed voorspeld waar de tekst over gaat? Leg uit waarom wel of niet. e Wat kun je het beste eten als je rekening wilt houden met het milieu? Leg je antwoord uit. a biologische kip b eieren c insectenburger d varkensvlees
13
1.1 OriĂŤntatie op nieuws f
Draagt het initiatief van Isabel Boerdam bij aan een beter milieu volgens de tekst? Leg je antwoord uit.
g
Kies een antwoord en vul het aan. a Ik vind het initiatief van Isabel Boerdam een goed initiatief, want ... . b Ik vind het initiatief van Isabel Boerdam onzin, want ... .Lees tekst 7. Op de eerste ochtend werden 83 boetes uitgedeeld. (r. xx) Vind je dit een geloofwaardig aantal? Leg je antwoord uit.
h
i Wat betekent een aanzienlijke bijdrage? (r. xx) j Noteer in je eigen woorden wat de schrijver bedoelt met lappen aan hun laars. (r. xx) k Agenten delen massaal boetes uit aan mensen die de regels overtreden. (r. xx) Heeft de politie het recht om de mensen die vlees kopen of bij zich hebben een boete te geven? Leg je antwoord duidelijk uit.
l
Helaas is er altijd een kleine groep die het voor de rest moet verpesten. (r. xx) Wat wil de organisatie met deze opmerking eigenlijk zeggen over de deelname aan de nationale week zonder vlees?
m Wat is het tekstdoel van tekst 7? n Is tekst 7 nepnieuws of juist niet? Geef ten minste vier redenen bij je antwoord.
Mag het een onsje minder zijn? 1
5
Je stamppot is niet hetzelfde zonder gehakbal of rookworst en op een feestje smaakt een bitterbal extra lekker. Laten we vlees een week staan, dan is dat niet alleen beter voor de dieren, maar ook voor het milieu. Dat is het idee achter de Nationale week zonder vlees, die volgende week voor het eerst wordt gehouden.
2 10 Een week lang elke avond vlees eten is net
zo slecht voor het milieu als zeven maanden douchen of 114 kilometer autorijden. Als iedereen een week geen vlees eet, is dat veel beter voor de wereld, bedacht blogger 15 Isabel Boerdam (27) van De hippe vegetariĂŤr. Zo kwam ze op het idee voor de Nationale week zonder vlees, die van 5 tot en met 11 maart voor het eerst wordt gehouden. Meer dan vijftig grote bedrijven als supermark20 ten en restaurants sloten zich daarbij aan
12
en bedachten speciale acties voor volgende week. 3
De kip of het ei?
Extra veel kaas over je pasta strooien of een paar eieren koken dan maar. Of niet? Ook 25 daarvoor zijn dieren nodig, die met hun boeren en scheten flink wat broeikasgassen de wereld in helpen. Kaas belast het milieu daardoor zelfs nog meer dan bijvoorbeeld varkensvlees. En biologische kip 30 is goed voor het dier, maar juist slecht voor het milieu, omdat ze veel meer ruimte nodig hebben om rond te rennen (en dus ook meer eten). Wil je bewust met het milieu bezig zijn, dan heb je het tegenwoordig best 35 lastig. Als je het echt goed wilt doen, kun je het beste kiezen voor peulvruchten of een insectenburger. Janine de Wit, 7Days
1
Nieuws dichtbij huis
Veel overtreders nationale week zonder vlees 1
De politie heeft de handen vol aan mensen die weigeren mee te werken aan de Nationale Week Zonder Vlees. Op de eerste ochtendwerden al 83 boetes uitgedeeld.
De Nationale Week Zonder Vlees ging maandagochtend van start. Tot en met 11 maart mogen Nederlanders geen vlees eten. Dat levert een aanzienlijke bijdrage aan een beter milieu. 3 10 Toch lappen veel Nederlanders de Natio nale Week Zonder Vlees aan hun laars. Agenten delen massaal boetes uit aan mensen die de regels overtreden. Een man uit Haarlem werd vanmorgen betrapt met 15 salami in zijn lunchpakket. Bij een supermarkt in Velp wilde een vrouw vier kipfilets afrekenen. De vrouw weigerde het vlees terug te leggen in het schap. 4 De organisatie van de Nationale Week 2 5
20 Zonder Vlees is teleurgesteld: ‘Helaas is er
altijd een kleine groep die het voor de rest moet verpesten. Dat is heel jammer’, aldus een woordvoerder. De politie zal deze week extra surveilleren bij slagers, snackbars en 25 supermarkten. Bron: nieuwspaal.nl
15 Nieuwswaarde van tv-nieuws vergelijken Lees eerst per fragment de vragen door. Kijk en luister vervolgens naar het fragment en maak aantekeningen. Beantwoord daarna de vragen.
a b c d
Welke voordelen voor het milieu en je eigen gezondheid zijn er door de week zonder vlees?
e f g
Hoe groot is de vleesconsumptie per persoon per jaar?
Wat bedoelt de spreker als hij zegt dat er verbinding bij de Vebo was? Was er sprake van echte verbinding bij de Vebo? Leg je antwoord uit. Vindt de heer Van de Riet het noodzakelijk dat we minder vlees gaan eten? Noteer ook de redenen bij zijn antwoord. Vind jij dat veel of weinig? Licht je antwoord toe. Is Isabel Boerdam positief of negatief over de deelname van mensen aan de nationale week zonder vlees? Licht je antwoord toe.
h Waar wordt dieper op het onderwerp ingegaan, in tekst 6 of in fragment 6? Leg het verschil duidelijk uit.
i
Noteer vijf redenen die Whitney heeft om mee te doen aan de nationale week zonder vlees.
j Wat is de reactie van Whitney op de vegetarische worst? k Hoe vind je het dat Whitney meedoet aan de week zonder vlees? Leg je antwoord uit. l Vergelijk de nieuwswaarde van de twee fragmenten. Welk fragment heeft volgens jou de meeste nieuwswaarde? Licht je keuze toe in een of meer correcte zinnen. a Fragment 6 b Fragment 7
1.1 OriĂŤntatie op nieuws
Tussenstand Nu je de basisstof hebt doorgewerkt, kijk je terug naar de leerdoelen en de opdrachten van dit hoofdstuk. Scan de QR-code en geef per onderdeel aan hoe het gaat. Kies daarna de route die bij jou past. Ik kies de havo-route/vwo-route, omdat ...
16 Titel en bron beoordelen, nieuwswaarde voorspellen a
Lees de volgende titels: A Optimisten sinds 10 jaar weer in de meerderheid B Baanbrekend onderzoek: blond haar geeft slechtere humor Welke titel spreekt jou het meest aan? Licht je antwoord toe.
b Welke gedachten komen er in je op als je titel A leest? c Welke gedachten komen er in je op als je titel B leest? d Beide teksten komen van de website van het blad Wetenschap in beeld. Is dit een geloofwaardige bron? Leg je antwoord uit.
e
Denk je dat de teksten veel of weinig nieuwswaarde hebben? Leg je antwoord uit.
17 Nieuwsbericht kritisch lezen Lees tekst 8.
a
Wat is het onderwerp van tekst 8? Kies uit: a Jongeren in Nederland optimistischer. b Laagopgeleiden blijven pessimistisch. c Meer optimisten dan pessimisten. d Stijging aantal optimisten.
b Noteer in je eigen woorden wat de volgende woorden betekenen. 1 optimist (r. xx) 2 pessimist (r. xx) 3 rooskleurig (r. xx)
c
1 Van welk instituut komt het nieuws uit tekst 8? Onderstreep de naam van dit instituut in de tekst. 2 Is dit een geloofwaardig instituut? Licht je antwoord toe.
d Noteer kort en duidelijk de resultaten die in de tekst staan vermeld. e 1 Het optimisme is met een sprong omhoog gegaan. (r. xx) Wat vind jij hiervan? a Ik ben het eens met de schrijver. b Ik ben het niet eens met de schrijver. 2 Licht je keuze toe.
f In welke onderdelen van de samenleving gaan Nederlanders meer geloven? g Welke groepen van de bevolking hebben het meeste vertrouwen in de toekomst? h Denken de ondervraagde Nederlanders dat het de komende jaren veel beter met de economie zal gaan? Licht je antwoord toe met informatie uit de tekst.
i Welke redenen zijn er om aan te nemen dat het bericht geloofwaardig is? j Welke redenen zijn er om aan te nemen dat het bericht ongeloofwaardig is? k Zoek op internet naar een of meer andere bronnen over stijgend optimisme in 2018. Welke bron(nen) heb je gevonden?
14
1
Nieuws dichtbij huis l
Vind je de inhoud van tekst 8 geloofwaardig of niet? Licht je antwoord kort toe aan de hand van je antwoorden op de vragen i, j en k. Bron: sevendays.nl
OPTIMISTEN SINDS TIEN JAAR WEER IN DE MEERDERHEID Klagen kunnen wij Nederlanders als de beste, maar het blijkt allemaal toch mee te vallen. Al zeker tien jaar waren de optimisten in de minderheid in Nederland, maar nu niet meer. Voor het eerst sinds tien jaar zijn er meer optimisten dan pessimisten in ons land.
1
5
2 10
15
20
3 25
30
35
40
4
Dat heeft het Sociaal Cultureel Planbureau, de instantie die van alles over de leefsituatie van inwoners van Nederland bijhoudt en berekent, vandaag bekendgemaakt. Het nieuws is bijzonder, want 5 sinds het begin van de crisis in 2008 zijn we niet zo positief geweest. Opeens beginnen Nederlanders erin te geloven: het gaat de goede kant op met het land. Eind vorig jaar was slechts 35% van de bevolking die mening toegedaan, inmiddels is dat aandeel gegroeid tot 49 in het eerste kwartaal van dit jaar, aldus het CPB. We hebben ook weer meer vertrouwen in de rechtspraak en in de politiek.
45
50
55
groep ertussenin. Maar in al deze bevolkingsgroepen is het optimisme met een flinke sprong omhooggegaan. Rooskleurig Als het om de economie gaat, zien we het ook helemaal rooskleurig in. De tevredenheid over de economie en de verwachting dat de economie minstens gelijk blijft, zijn op hun hoogst sinds begin 2008. Armoede Er is ook iets opvallends. Meer mensen maken zich namelijk zorgen over armoede in ons land. Bij de vraag naar de grootste problemen in ons land noemt 12% van de Nederlanders spontaan iets met ‘arm(oede)’. In de vorige kwartalen was dat 7%.
Het gemiddelde humeur van de Nederlanders schommelt weliswaar voortdurend, maar op de vraag of het ‘met Nederland eerder de goede dan de verkeerde kant op gaat’, antwoordt een bijzonder royale meerderheid al tien jaar lang: de verkeerde. Tot afgelopen kwartaal. Alleen onder laagopgeleiden en mensen met een laag inkomen zijn nog meer pessimisten dan optimisten te vinden. Mannen zijn gemiddeld genomen iets positiever dan vrouwen, en jongeren en ouderen hebben wat meer vertrouwen in de toekomst dan de
50
Percentage mensen dat het eerder de goede dan de verkeerde kant op vindt gaan met Nederland
40 35 30
25 20 % 15 ’08 ’09 ’10 ’11 ’12 ’13 ’14 ’15 ’16 ’17 ’18
18 Nieuwsbericht begrijpen en beoordelen Lees tekst 9.
a
45
Wat bedoelt de schrijver met baanbrekend onderzoek (r. xx)?
BRON: SCP I ©TROUW
1.1 Oriëntatie op nieuws b Het onderzoek is gedaan aan een universiteit in Baden-Baden. (r. xx) Lijkt je dit een geloofwaardig instituut? Leg je antwoord uit.
c d e f g
Hoeveel mensen hebben aan het onderzoek deelgenomen? Weet je hoeveel blonde mensen aan het onderzoek meededen? Moesten alle deelnemers aan het onderzoek een tekst over hetzelfde onderwerp schrijven? Wat bedoelt de schrijver met willekeurige mensen (r. xx)? Is bekend of deze groep van 20.093 mensen zowel een tekst van een blonde persoon als een tekst van een niet-blonde persoon hebben gelezen?
h Zoek op internet een paar andere bronnen over blond haar en humor. Welke bron(nen) heb je gevonden?
i
‘Hoe slechter hun tekst, en dus hun humor.’ (r. xx) Laat de schrijver weten wat een slechte tekst is?
j
Is het volgens jou zo dat er in een slechte tekst automatisch slechte humor staat? Leg je antwoord uit.
k ‘De thalamus is het hersengebied waar de humor zetelt.’ (r. xx) Wat betekent het woord zetelt in deze zin?
l
Zoek met behulp van een of meer internetbronnen uit of deze uitspraak klopt. Noteer je antwoord.
m Wat is volgens de onderzoekers het verschil tussen mensen met blond haar en mensen met
n o
16
donker haar? Kies het juiste antwoord. a Bij mensen met donker haar beïnvloedt het eiwit het hersengebied dat voor een hoeveelheid humor zorgt. b Bij mensen met donker haar hebben wetenschappers ontdekt dat het speciale eiwit een rol speelt in de hersenen. c Mensen met donker haar hebben meer speciaal eiwit in hun haarzakjes dan mensen met blond haar. d Mensen met donker haar hebben meer eiwit in het hersengebied dat zorgt voor een hoeveelheid humor. 1 Wat is het tekstdoel van nieuwsberichten? 2 Heeft tekst 9 dit doel ook voor jou? Leg je antwoord uit. Kies een antwoord en licht het toe met twee redenen. A Dit bericht is geloofwaardig. B Dit bericht is niet geloofwaardig.
1
Nieuws dichtbij huis
Naar: www.wibnet.nl
BAANBREKEND ONDERZOEK: BLOND HAAR GEEFT SLECHTERE HUMOR Als je moppen voortdurend doodslaan, is dat niet jouw schuld, zo blijkt uit nieuw onderzoek. En al helemaal niet als je blond bent.
1
25
2 5
10
15
3
20
Gebeurt het je vaak dat je een leuk verhaal vertelt, maar dat niemand erom lacht? En als je vriend precies hetzelfde verhaal vertelt, dat de hele kamer het uitschatert? Niet getreurd. Nieuw 3 onderzoek duidt erop dat het niet jouw schuld is dat moppen doodslaan, maar die van je genen. Een team wetenschappers van de Universität Grollheim in Baden-Baden heeft onderzocht welke kenmerken de grootste invloed op onze humor hebben. Blonde mensen zijn niet leuk De wetenschappers noteerden geslacht, haarkleur en lengte van 707 proefpersonen, die vervolgens een leuk tekstje moesten schrijven bij een aantal plaa
30
35
40
tjes. De teksten werden voorgelegd aan 20.093 willekeurige mensen die de grappigheid ervan beoordeelden op een schaal van 1 tot 5. De conclusie was helder: hoe blonder de proefpersonen, hoe slechter hun tekst, en dus hun humor. Gen beïnvloedt humor Mensen met donker haar hebben veel van een speciaal eiwit in hun haarzakjes. Maar de wetenschappers ontdekten dat het eiwit ook een rol speelt in de hersenen. Toen ze pasgeboren muizen onderzochten, bleek dat dit eiwit (4PR1L) de thalamus beïnvloedt. De thalamus is het hersengebied waar de humor zetelt. Daarom concluderen de wetenschappers dat donkerharige mensen een betere humor hebben dan blonde mensen, vanwege dit hogere gehalte aan 4PRiL.
19 Titel en bron beoordelen, nieuwswaarde bepalen a
Lees de volgende titels: A Japanse plant houdt veroudering tegen. B Schedel herschrijft menselijke geschiedenis. Welke titel spreekt jou het meest aan? Licht je antwoord toe.
b Welke informatie verwacht je in het nieuwsbericht te lezen na het lezen van titel A? c Welke informatie verwacht je in het nieuwsbericht te lezen na het lezen van titel B? d Beide teksten komen van de website van het blad Wetenschap in beeld. Is dit een geloofwaardige bron? Leg je antwoord uit.
e
Vermoed je dat de teksten nieuwswaarde voor jou hebben? Leg je antwoord uit.
20 Nieuwsbericht kritisch lezen Lees tekst 10.
a
Lijkt het instituut dat het onderzoek heeft gedaan jou een geloofwaardig instituut?Leg je antwoord uit.
b Wat is wasabi? c Zoek op internet een paar andere bronnen over het eten van wasabi en gezondheid. Welke bron(nen) heb je gevonden?
d Is het eten van wasabi volgens deze bron(nen) gezond?
1.1 OriĂŤntatie op nieuws e f g h
Is de informatie in deze bron(nen) hetzelfde als in tekst 10? Licht je antwoord toe. Wat is een experiment (r. 1)? Gaat het in het nieuwsbericht om een experiment? Het onderzoek is gedaan onder negen mensen. Is dat volgens jou een betrouwbaar aantal voor een onderzoek?
i Hebben de onderzoekers ook naar andere eetgewoonten van deze mensen gekeken? j Hebben de onderzoekers ook naar de leefstijl van deze mensen gekeken? k Hoe hoog zou de gemiddelde leeftijd volgens de schrijver van de tekst zijn als je geen wasabi eet?
l
1 Wat is de gemiddelde leeftijd van een Nederlander? Zoek je antwoord op in een andere bron. 2 Welke bron heb jij gebruikt?
m 1 Wat is het tekstdoel van nieuwsberichten? 2 Heeft tekst 10 dit doel ook voor jou? Leg je antwoord uit.
n
Kies een antwoord en licht het toe. A Dit bericht is geloofwaardig. B Dit bericht is ongeloofwaardig. Bron: wibnet.nl
JAPANSE PLANT HOUDT VEROUDERING TEGEN Een nieuw experiment wijst uit dat we ons leven met zeker 15 jaar kunnen verlengen als we meer wasabi eten.
1
2 5
3 10
Met gemiddeld 83,7 jaar hebben de Japanners de hoogste levensverwach4 ting. De wetenschapper John Happer van The Las Vegas Medicine Institute in de VS heeft wellicht het geheim ontdekt van dit lange leven. Na een onderzoek onder negen mensen kwam Happer erachter dat de cellen van de vier mensen die veel wasabi eten, minder tekenen van veroudering vertoonden dan de cellen van de vijf die er weinig van aten.
15
De opzienbarende resultaten zijn gepubliceerd op Happers website en betekenen volgens de onderzoeker dat we gemiddeld zeker 15 jaar bij ons leven kunnen optellen.
20
21 Nieuwsbericht begrijpen en beoordelen Lees de tekst Schedel herschrijft menselijke geschiedenis.
a b c d e
Noteer het onderwerp van de tekst. Wat betekent het woord uitsluitend (r. xx)? Noteer in je eigen woorden wat de schrijver bedoelt met treffende gelijkenissen (r. xx). Wat betekent het woord complexer (r. xx)? Zijn de instituten die het onderzoek hebben gedaan geloofwaardig volgens jou? Leg je antwoord uit.
1
Nieuws dichtbij huis f
Zoek op internet een paar andere bronnen over de Dalischedel. Welke bronnen heb je gevonden?
g
Komt de informatie in die bronnen overeen met die in tekst Schedel herschrijft menselijke geschiedenis?
h De Dalischedel is al eerder onderzocht. Noteer hiervan twee bewijzen uit de tekst. i Welke homo sapiens was er eerder: die uit Azië of die uit Afrika? Licht je antwoord toe. j ‘Sommige kenmerken van de moderne mens zijn in Azië ontstaan volgens de onderzoekers.’ Is deze bewering op basis van de tekst juist of niet juist? Formuleer een correct antwoord. Gebruik maximaal 25 woorden.
k l m n
Wat bedoelt de schrijver met de titel van dit nieuwsbericht? Welke redenen zijn er om aan te nemen dat het bericht geloofwaardig is? Welke redenen zijn er om aan te nemen dat het bericht ongeloofwaardig is? Vind je dit bericht geloofwaardig of niet? Licht je antwoord kort toe aan de hand van je antwoorden op de vragen l en m. Bron: wibnet.nl
SCHEDEL HERSCHRIJFT MENSELIJKE GESCHIEDENIS Oude schedel trekt in twijfel of de voorouders van de mens zich wel uitsluitend in Afrika ontwikkelden.
1
2 5
10
3 15
20
25
Een 260.000 jaar oude schedel uit China duidt erop dat de moderne mens misschien niet uitsluitend uit Afrika stamt. 3 De vondst, bekend als de Dalischedel, werd al gedaan in 1978. In eerste instantie dachten onderzoekers dat de schedel bij een andere mensensoort hoorde, homo erectus, die 2 miljoen tot 100.000 jaar geleden leefde. Nu hebben onderzoekers van Texas A&M University en de Chinese Academy of Sciences in Peking de schedel opnieuw geanalyseerd, waarbij ze treffende gelijkenissen ontdekten met 300.000 jaar oude fossielen van de vroegste exemplaren van de moderne mens, homo sapiens, die gevonden zijn in Marokko. Omdat de gelaatstrekken van de Dalischedel zo op die van de vroege homo sapiens lijken, denken de onderzoekers dat sommige kenmerken van de moderne mens mogelijk in Azië zijn ontstaan. Kleine groepjes van de Chinese voorouders zijn vervolgens naar Afrika getrokken, waar ze kinderen kregen met de
4
30
vroege homo sapiens en zo hun erfelijk materiaal doorgaven. Volgens deze theorie ontstond de moderne mens als een mix van Aziatische en Afrikaanse voorouders.
35
Voorheen deden DNA-analyses vermoeden dat alle mensen afstammen van één homo-sapiensgroep, die 12.000 jaar geleden wegtrok uit Afrika. Het leek er dus op dat we uitsluitend van Afrikaanse voorouders afstammen.
40
De Dalischedel toont echter aan dat de menselijke geschiedenis waarschijnlijk nog complexer is dan we al dachten.
1.1 Oriëntatie op nieuws
1.7 Podcast met het nieuws van de dag Je hebt diverse nieuwsberichten gelezen en beluisterd en je kunt de nieuwswaarde van een bericht inschatten. Ook heb je je spreekvaardigheid geoefend. Bij deze opdracht pas je al je kennis toe en maak je met drie klasgenoten een podcast van tien minuten waarin je het nieuws van de dag brengt. Lees de opdracht eerst helemaal door, zodat je weet wat je gaat doen. Let voor de beoordeling van de podcast op de volgende punten: Geschreven tekst: • stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens. • stijlregel 2: Vermijd afkortingen. Gesproken tekst: • Rubrics Taalgebruik en techniek nummer 34. • Rubrics Publiekgerichtheid nummer 22.
22 Voorbereiding van de podcast Podcast met het nieuws van de dag Je hebt diverse nieuwsberichten gelezen en beluisterd en je kunt de nieuwswaarde van een bericht inschatten. Ook heb je je spreekvaardigheid geoefend. Bij deze opdracht pas je al je kennis toe en maak je met drie klasgenoten een podcast van tien minuten waarin je het nieuws van de dag brengt. Lees de opdracht eerst helemaal door, zodat je weet wat je gaat doen.
a
Scan de QR-code en bekijk het beoordelingsmodel bij deze opdracht. Bekijk ook de verbeterpunten die je voor jezelf hebt genoteerd bij opdracht 11.
b Vorm een groep van vier leerlingen. c De nieuwsberichten uit dit hoofdstuk zijn de basis voor het nieuws van deze dag. Kies ieder een nieuwsbericht uit dit hoofdstuk. Zorg ervoor dat ieder een andere tekst heeft.
d Beluister een podcast, zodat je een voorbeeld hebt. Scan de QR-code voor een voorbeeld.
e f g h
Lees je eigen bericht nog een keer goed door.
i j
Bedenk zo nodig zelf extra informatie en/of woorden.
k
Oefen de presentatie van het nieuwsbericht een aantal keer voor jezelf. • Je totale spreektijd is twee minuten. • Pas de tips toe die je in dit hoofdstuk hebt gelezen. • Houd tijdens het spreken rekening met de manier waarop je het nieuws wilt gaan brengen.
Noteer het onderwerp van je bericht. Noteer de belangrijkste informatie van je bericht. Bedenk op welke manier je het nieuws wilt gaan brengen: dramatisch, neutraal, overdreven, enz. Schrijf de tekst die je gaat presenteren helemaal uit. • Bouw je zinnen correct op. • Gebruik hoofdletters en leestekens. • Schrijf woorden volledig uit.
l Pas de lengte van de tekst of het tempo van spreken aan als dat nodig is. m Neem je presentatie van het bericht op en sla het bestand op je telefoon of device op, zodat je het aan de groepsleden kunt laten horen.
20
1
Nieuws dichtbij huis
n
Bereid de opname van de podcast met je groepje voor. • Beluister de opnames van je groepsleden kritisch. Let op de punten in het beoordelingsmodel bij deze opdracht. • Geef elk groepslid twee tips en twee tops. • Bepaal samen de volgorde van de nieuwsberichten. • Bepaal wie de aankondiging verzorgt. • Bepaal wie het slot verzorgt. • Bepaal of jullie beginnen met een muziekje of niet. Zo ja, met welk muziekje? • Download op een van jullie devices een app voor de podcast. Neem de nieuwsuitzending op.
o p Beluister de nieuwsuitzending en verbeter wat nog niet goed is. q Stuur de link van jullie podcast en de geschreven nieuwsberichten naar je docent.
Terugblik In dit hoofdstuk heb je geleerd wanneer nieuws echt nieuws is en hoe je nepnieuws kunt herkennen. Bij het luisteren naar en lezen van verschillende nieuwsberichten heb je je kennis toegepast en je route gekozen. Kijk nu terug op de inhoud van het hoofdstuk, de door jou gekozen route en de eindopdracht. Beantwoord de volgende vragen en leg je antwoord elke keer kort uit.
Hoofdstuk 1 Vond je de inhoud van dit hoofdstuk nuttig? 2 Lees of bekijk je nieuwsberichten nu op een andere manier?
Route 1 Bekijk de evaluatie die je hebt ingevuld voor het kiezen van de route. Zou je bij een of meer onderdelen nu andere smileys zetten? Bij welk(e) en waarom? 2 Vind je dat je de goede hebt route gekozen? Licht je antwoord toe. 3 Wat vind je bij het lezen of luisteren nog moeilijk? 4 Wat kun je doen om dit te verbeteren?
Eindopdracht 1 Wat vind je van het resultaat? 2 Hoe was de samenwerking in de groep? 3 Ben je tevreden over je eigen rol? 4 Welke tips heb je gekregen van je groepsleden? 5 Heb je de tips kunnen gebruiken? 6 Waarop zou je jezelf verder willen verbeteren?
23
2
Verhalen over mensen
Leerdoelen Je herkent verhalen in verschillende vormen. Je kunt verhalen kiezen die passen bij jouw ‘smaak’. Je kunt verhalen vergelijken met de werkelijkheid. Je kunt personen en hun rol in verhalen beschrijven. Je herkent het vertelperspectief in een verhaal. Je kunt uitleggen wat een verhaal met je doet. Je kunt jouw ervaring met een verhaal presenteren. Je kunt een verhaal schrijven.
Taalverzorging Taalgebruik: [16.4] [16.5] [16.6] [16.7] Woordvorming: [17.1.5]
Theorie [12.1] Fictie en non-fictie [2.1] Boeken uitkiezen [12.2.3] Realistisch of niet? [12.2.4] Leeservaring beschrijven [12.2.5] Hoofdpersoon en bijfiguren [12.2.6] Rollen van personen [12.2.7] Personen beschrijving [12.2.8] Vertelperspectief
Je maakt kennis met verhalen in allerlei soorten en maten. Je ontdekt dat verhalen altijd over mensen gaan en dat je verzonnen verhalen kunt vergelijken met de werkelijkheid. Door verhalen te lezen en erover te praten, ontdek je wat mensen meemaken en doen in verschillende situaties. Daar kun je simpelweg van genieten en even bij wegdromen. Soms kun je er ook iets van opsteken waar je in je eigen leven iets aan hebt. En soms… krijg je zin om zelf een verhaal op papier te zetten!
1.1 Start: oriëntatie op verhalen 1
Van welke verhalen houd jij? Mensen vertellen elkaar verhalen. Dat is al zo vanaf het begin dat er mensen bestaan. We vertellen elkaar over onze belevenissen, we nemen de laatste roddels door of we horen hoe onze voorouders leefden. Verhalen zijn er in heel veel soorten. Bekijk de voorbeelden.
1
2
3
De scheepsjongens van Bontekoe
Brigitte Kaandorp, Het opstel
Tarzan
5
6
7
8
9
SpangaS
The Kik, Het is een mooie dag
Minecraft
4
2
Lesje geleerd
2
ďťżďťż a
Zet bij elk voorbeeld het woord dat erbij past. film / gedicht / cabaret / stripverhaal / leesboek / musical / tv-serie / lied / game
b Kies uit de negen soorten verhalen de drie soorten waar jij je het liefst mee bezig houdt.
2 Wat voor lezer ben jij? In leesboeken kom je lange verhalen tegen. Sommige mensen houden heel veel van het lezen van verhalen, anderen minder.
a Geef aan bij welke groep jij hoort. b Klik door dit hoofdstuk en bekijk de titels van de paragrafen en opdrachten. Bedenk twee dingen die jij zou willen leren over verhalen.
3 Vergelijk verhalen Lees de teksten Jurre (16) hackte zijn school en Lastig.
a
Geef aan welke woorden bij welke persoon passen: Jurre of Jochem. nieuws
verhaal
echt
verzonnen
leesboek
krant
fantasie
feiten
Jurre Jochem
Jurre Jochem
b Welk verhaal boeit jou meer, dat over Jurre of dat over Jochem? Noem twee dingen waardoor dat komt.
c
Zoek uit welk woord bij het verhaal past. 1 Het verhaal over Jurre is fictie / non-fictie. 2 Het verhaal over Jochem is fictie / non-fictie. Lees de theorie 12.1 Fictie en non-fictie. Controleer je antwoord.
Jurre (16) hackte zijn school 1
5
2 10
15
3
Jurres liefde voor hacken begon al in groep 5. Hij leerde zichzelf een beetje programmeren en deed veel online hack-challenges. Uiteindelijk waren zijn hackskills zo goed dat hij zijn eigen school hackte. In opdracht van de school, dat wel. ‘Ik ben hoogbegaafd en daardoor verveel ik me tijdens de lessen. Ik was vaak snel klaar met de stof en bedacht ineens: hé, misschien kan ik mijn tijd wel nuttig besteden met mijn computerskills. Toen ben ik bij mijn teamleider naar binnen gestapt met de vraag of ik de beveiliging van de school mocht testen.’ Na veel overleg van de leraren kwam het beslissende antwoord: het mocht!
20
25
30
Wel moest Jurre beloven een lek meteen te melden en het geheim te houden tot het was opgelost. Jurre vond meerdere kwetsbaarheden in het systeem. De printers en kopieerapparaten hadden helemaal geen beveiliging en de camera’s en routers waren wel erg makkelijk te kraken, zag Jurre. ‘Nadat ik de kwetsbaarheden aan de school liet zien, schakelde die een beveiligingsbedrijf in. Van hen mag ik het systeem niet meer hacken, dat is zelfs strafbaar, dus ik laat het wel uit mijn hoofd.’ Wel weet hij zeker dat hij later van zijn hobby zijn baan gaat maken. ‘Mijn kennis gebruiken als beveiligingsexpert lijkt me geweldig!’ 7Days, 15 juni 2018
Lastig 1
5
10
2 15
20
3 25
4
Wat is echt? En wat is onecht? Wat Jochem betreft is het duidelijk: het internet is echt. Daar is de wereld zoals hij moet zijn. Je kunt neergeschoten worden in een game. Maar erg is dat niet. Het doet geen pijn. De geur van bloed zal je niet ruiken, Je ligt eruit, je had naar een hoger level gewild, maar dat is niet gelukt. Niet nu. Geen probleem, je kunt opnieuw beginnen. De dood bestaat niet, je drukt gewoon op Continue. Weggaan is maar tijdelijk. Weggaan duurt tot het moment dat je je computer weer aanklikt. Dan ben je er weer. De wereld op het schoolplein is anders. Die wereld is lastig. Hier moet je je op de juiste manier kleden. Doe je dat niet, dan lig je eruit. Hier moet je zorgen dat je de juiste dingen zegt, op de juiste toon. Doe je dat niet, dan lig je eruit. En het zou wel eens zo kunnen zijn dat je dan niet opnieuw kunt beginnen. En hier, op school, moet je dingen weten, zonder dat je ze kan opzoeken. Doe 4 je dat niet, dan blijf je zitten, op hetzelfde level. Of je wordt weggestuurd…
Ja, dát leven is vals. Als Jochem de keuze zou hebben zou hij leven in cyberspace.
2
5 30
35
6
40
7
8
Later staat hij weer op het plein. Met Marty, Jon, Dana, Isha en Mike. Het vaste groepje. Het groepje waar hij zich aan het begin van het schooljaar bij heeft kunnen aansluiten. Allemaal (behalve Dana) zittenblijvers, zoals hijzelf. En dus allemaal min of meer net zo oud. Ze klagen nu over het proefwerk. Veel te moeilijk! Het was gewoon absurd. Alleen Marty haalt zijn schouders op, die had het niet zo’n punt gevonden. Ze kijken daarna op hun telefoontjes. Nieuwe boodschappen! Jochem stuurt Marty een appje. Gast, je bent een treurige nerd
9 45 10 11 50
12 13 14 55
15
Marty grinnikt. Hij stuurt direct een bericht terug. En jij een loser (met een huilende emoticon) Meteen gaat iedereen erop in. Driftig staan ze toetsen in te drukken, in een kring. Weddenschapje wie de hoogste score heeft? Dat komt van Dana. Echt niet. Met voldoende ben ik al volkomen OK. Zag je wat Frakking aanhad? Zelfgebreide trui! Heel retro. Not! Daan Remmerts de Vries, Geest, p.21-24
4 Lekker lezen
[17.1.5]
Lees het verhaal Dit is niet echt en denk daarbij aan het woord tegenslag. Iedereen heeft weleens tegenslag en iedereen gaat daar anders mee om.
a
Wat kun je volgens jou het beste doen als het even tegenzit? Noem drie dingen.
b Vul het schema in. 1 Jochem heeft veel tegenslag. Haal drie dingen uit het verhaal die hem overkomen. 2 Kies een bijvoeglijk naamwoord dat past bij alles wat Jochem overkomt en maak daarmee een trap van vergelijking in het schema. 3 Zet de tegenslagen erbij in de volgorde die volgens jou past bij de trap van vergelijking. Trap van vergelijking:
Dit overkomt Jochem:
Vergelijk je antwoord met dit voorbeeld:
c
Trap van vergelijking:
Dit overkomt Jochem:
verschrikkelijk
Hij blijft zitten.
verschrikkelijker
Hij verhuist naar Schotland.
verschrikkelijkst
In het nieuwe huis is geen bereik.
Wat bedoelt de schrijver met deze uitdrukkingen of zinnen? 1 Dat is gewoon een gepasseerd station. (regel 00) 2 Het huilen stond hem nu nader dan het lachen. (regel 00) 3 En daar, in de diepte, schuin onder hen, staat een grijze dobbelsteen. (regel 00) 4 Alles in haast perfecte staat. (regel 00)
d Wat zou jij doen als je Jochem was en je ontdekte dat in je nieuwe huis geen bereik is?
Dit is niet echt 1
5
2 10
3 15
20
4
25
30
5 35
6 7 8 40
9
10 45
11 12 50
55
6
Jochem heeft een tijdlang zijn best gedaan op school. Maar toen verkocht Jochems vader zijn bedrijf. Ineens waren ze rijk, maar al gauw verveelde zijn vader zich, kregen zijn ouders ruzie en deed Jochem niets meer voor school. Hij gamede te veel. Jochem zal blijven zitten en naar een andere school moeten. Het was maar nauwelijks tot Jochem doorgedrongen. Hij volgde zijn lessen, ook al wist hij dat het geen zin meer had. Hij ging uit met zijn vrienden. Hij ging Pokémons verzamelen in het Vondelpark. Eigenlijk geen slechte tijd: hij kon nu doen wat hij wilde. Voorbij waren de bijlessen van Frank, voorbij was het zuchtende bestaan boven zijn boeken. Het maakte niet meer uit. En hierdoor leek het vaak alsof er niets aan de hand was; hierdoor kon hij zijn mislukking wegdrukken en leek het alsof het leven dat hij kende gewoon door zou gaan. Zijn vader bemoeide zich amper meer met Jochems zaken. En na die periode waarin hij als een opgesloten beest door het huis liep, scheen hij weer iets te hebben gevonden om zich mee bezig te houden. Zo nu en dan zat hij langdurig in zijn studeerkamer. Soms overlegde hij meerdere uren met Jochems moeder, dan hoorde Jochem hun stemmen weer omhoogkomen - maar gedempter, niet meer met uithalen of getier. En toen, op een middag, na weer een geslaagde jacht in het park, zat zijn moeder thee te drinken aan tafel. ‘Kom er even bij zitten,’ zei ze. Jochem hing zijn jas over een stoel, hij kreeg een beker ingeschonken. ‘Ja,’ zei zijn moeder. ‘Lieverd... Je spreekt toch Engels... ?’ Jochem had wazig geknikt. Ja, dat deed hij. Het was een van de weinige vakken waar hij echt goed in was. ‘Mooi,’ zei zijn moeder. ‘Ik vraag dit omdat... Je vader gaat volgende week naar Schotland. We willen daar een huis gaan kopen.’ ‘Een vakantiehuis in Schotland?’ ‘Nee,’ zei zijn moeder zacht. ‘Nee, Jochem. We willen daar gaan wonen.’ ‘Wonen...? Jullie...? En... En ik dan?’ ‘Met z’n drieën,’ zei zijn moeder. ‘In... Schotland...?’ Ze knikte. ‘Het had ook Frankrijk kunnen worden, of Italië. Maar... we spreken alle drie Engels. Jij dus ook. We hebben
trouwens allebei niks met zon. Zeker je vader niet, die kan slecht tegen de hitte. Nee, Schotland leek ons wel… We zijn er 60 ooit samen op vakantie geweest. Nog voordat... voordat jullie werden geboren. Het is er ruim. En mooi. Een puur land... Misschien kan ik daar gaan schilderen...’ Dromerig keek ze voor zich uit. Het was alsof Jochem zijn moeder nu 65 van een afstand bekeek. Als een soort verschijnsel, dat wel weer voorbij zou gaan. ‘En... En als ik nou wel was overgegaan...?’ Ze leek wakker te worden van die 70 vraag. ‘Dat is dus niet het geval,’ zei ze. ‘Dus... dat is gewoon een gepasseerd station, Jochem. Je vader zei me dat je waarschijnlijk stomweg hebt zitten ga75 men. Al die tijd. Hij heeft dat de afgelopen weken een paar keer gezien... Je mag het tegenspreken. En ik weet wel dat je die bijlessen hebt gehad en zo. Maar hij heeft zijn conclusies getrokken... Het doet er 80 niet meer toe. Want verder... verder zijn we er zo langzamerhand van overtuigd dat het niet goed voor je is in de stad. Zonder iets van de natuur om je heen, bedoel ik. Het... zal wel even slikken zijn. 85 Vast wel. Maar het is een nieuw begin. Zo moet je het zien.’ ‘M’n vrienden...’ zei Jochem. ‘Ja,’ zei zijn moeder. ‘Die kunnen komen logeren, denk ik. Op den duur.’ ‘Als er maar wifi is,’ zei Jochem. Het hui90 len stond hem nu nader dan het lachen. ‘Internet,’ zei zijn moeder. ‘Maak je je daar zorgen over? Overal is toch tegenwoordig internet? Heus, je mag je compu95 ter meenemen, hoor.’ Het gebeurde niet echt. Dit was te onwaarschijnlijk. Ze hóórden in de stad, daar hadden ze altijd gewoond. ‘Nou, dan komt het wel goed, denk 100 ik...’ mompelde Jochem. Daarna liet hij ineens zijn thee in de steek en ging hij op zijn kamer zitten gamen. Als hij maar de dingen bleef doen die 105 hij altijd had gedaan, dacht hij, zou alles hetzelfde blijven. Maar dat was niet zo. Op een van de laatste schooldagen, staand op het schoolplein, stuurde hij zijn vrienden een 110 appje: Amigo’s, over twee weken schijnen we ervandoor te gaan. Naar Schotland.
2
Mijn ouders hebben daar een huis gekocht, bedoel ik. Met wifi, natuurlijk! Tot zijn verbazing kreeg hij geen 115 berichtjes terug, geen grappen, niks. Hij keek op. Allemaal stonden ze hem aan te gapen. Isha kwam naar hem toe. ‘Man! Meen 120 je dit?’ Jochem knikte schuw. 2 ‘Ja?’ vroeg Isha. ‘Gaan jullie... emigreren?’ Intussen waren ze allemaal bij hem ko125 men staan. Ze waren anders dan anders. Even leken ze stuk voor stuk verbijsterd. ‘Ghost,’ zei Marty. ‘Ze dragen daar rokjes, gast! Mannen, bedoel ik! Die kleden zich als oude wijven! En daar ga jij tussen 3 130 wonen?’ ‘Weet ik veel,’ zei Jochem. Waarom stuurden ze niet gewoon een paar appjes terug? Waarom moest dit opeens besproken 135 worden? ‘Doedelzakken!’ zei Jon. ‘En van die buffels met veel te veel haar! Wat moet je daar nou gaan doen, gast?!’ ‘Gamen,’ zei Jochem zacht. Ineens bogen ze zich allemaal over 140 hun mobieltjes. En allemaal schenen ze hetzelfde te googelen: Scotland! En nu kreeg Jochem dan alsnog wat appjes. Een foto van een kale vlakte. Eronder 145 stond: Heftige scene! Misschien kom je daar Harry Potter tegen Een foto van een dikke, ruige kerel in een geruit rokje, met een geweer over zijn 150 schouders en een dode haas die hij vasthield aan zijn achterpoten. Pokémons vangen in de highlands!!!! In wijvenkleding! Een foto van een bandje, dat bestond 155 uit twee jongens met doedelzakken en ertussen een zingende vrouw. Dj MacDoodle knalt het dak eraf! Isha keek grinnikend naar alle langs160 komende beelden. Daarna zei ze opeens: ‘Genoeg nou!’ En tegen Jochem zei ze: ‘Trek je niks aan van die geintjes. Het is gewoon een ander land. Een land waar ze Engels spreken, dat is alles.’ ‘Ja,’ zei Jochem. ‘Ja, het komt wel goed.’ 165 Isha knikte. ‘Ga je missen, gast.’ ‘Ik ben nog niet weg,’ zei Jochem. Maar op een rare manier was hij dat opeens wél… 1
Ja, het leek alsof hij langzaam aan het verdwijnen was, alsof hij was neergeschoten met een of andere laser. Zijn vrienden stonden nog wat besluiteloos om hem heen, als om een dodelijk ongeluk, daar175 na zeiden ze ‘Doei’, wat nadrukkelijker was dan normaal, en daarna liepen ze naar hun fietsen. Na een afscheidsfeestje met zijn vrienden vliegt Jochem aan het begin van de zomer180 vakantie met zijn ouders naar Edinburgh in Schotland. Zijn vader koopt een auto en daarmee rijden ze verder naar het noorden. Om zeven uur ’s avonds bereiken ze een dorp. ‘Dit is ’t,’ zegt Jochems vader. ‘Dunvie. 185 We zijn er!’ De auto bevindt zich schuin boven de oceaan. Grote golven rollen loom naar het land, soms met strepen schuim. Aan de andere kant van de weg staan 190 verschillende huizen, in een rommelige rij. Erachter staan hier en daar nog wat andere gebouwen. Ertussen zijn velden, er lopen schapen, bruine koeien en een paar 195 gevlekte pony’s. Langzaam rijdt de auto verder. Ze passeren enkele grote stenen pieren, daar liggen boten langs. Er staat een rode telefooncel. ‘De pub,’ zegt Jochems vader. ‘Hier heb 200 ik al wat uren doorgebracht, een paar weken geleden.’ ‘The Red… iets...’ zegt Jochems moeder. ‘Ging te snel... 0, Mauk, het is fantastisch...’ ‘Je kunt er ook eten,’ zegt Jochems 205 vader. ‘Vis, rechtstreeks uit zee.’ ‘Yééééh,’ mompelt Jochem. Nee, hij heeft hier geen bereik... ‘En daar, in dat huis, gaan we over210 nachten,’ zegt zijn vader. ‘Bed & Breakfast van Mary-Ann McGregor.’ ‘Maar het huis!’ zegt Jochems moeder. ‘Eerst het huis! Dit is zó spannend!’ ‘Natuurlijk,’ zegt Jochems vader met een grijns. 215 Ze rijden het dorp alweer uit! Het was niks, bedenkt Jochem. Een gehucht! Een serie wrakkige huizen bij de zee! Hij heeft geen supermarkt gezien. Geen winkels, 220 geen skatebaan, geen bioscoop, geen snackbar... Niks! En dan, op een punt waar de weg afwijkt naar rechts, slaat de auto links af. Jochems vader draait bijna zwierig aan 225 het stuur. Ze rijden nu over een onverhard pad, grind knarst onder de banden. 170
Omlaag, weer omhoog, over een tamelijk steile helling. En ver erachter rijzen bergen op, de toppen zijn verborgen in laaghan230 gende wolken. Ze kome eer afdalend, langs een klein meer. Alles even grauw en dof in de schemering. Alles even uitgestorven... Een volgende top; de auto kruipt daar2 235 na weer langzaam omlaag, in de richting van een baai. En daar, in de diepte, schuin onder hen, staat een grijze dobbelsteen. Jochem herkent het van de foto’s die hij, met te240 genzin, had bekeken in Amsterdam. Een dak van leisteen. Muren van grove, gestapelde stenen. Als ze ervoor zijn aangeland blijkt het behoorlijk hoog te zijn. 3 Het brommen van de motor stopt. Dit is nog erger dan hij zich had voor245 gesteld. De wind rukt aan zijn haren als hij uitstapt. Het mocht windstil zijn geweest op die berg in het binnenland, hier veegt de 250 bries onheilspellend door het gras en over de bomen achter het huis. En dit is het dan, dit moet het zijn: dit is de ruisende, barre plek waarvoor zijn ouders hun warme, vertrouwde woning in het centrum 255 van Amsterdam hebben ingeruild... Boven de deur is een plank aangebracht en daarop staat in schrijfletters: Gooseberry Cottage. ‘Mauk... Het is nog veel groter dan ik 260 had gedacht,’ zegt zijn moeder. ‘En het uitzicht!’ zegt Jochems vader. ‘Ruik je dat? Die zilte lucht...’ Hij haalt bijna plechtig een sleutel tevoorschijn. Hij opent glimlachend de 265 voordeur. Het huis ruikt vanbinnen nogal muf, maar het is ruim. Er liggen planken op de vloer van de woonkamer. Het mag er vanbuiten, in Jochems ogen, uitzien als 270 een totaal antiek krot, vanbinnen blijkt het mee te vallen. De woonkamer is uitgestrekt en de muren zijn wit. Er is een open haard, en er is een grote, aangrenzende keuken, wat 275 aan Amsterdam doet denken. Achter de keuken is een tuin, met een heg eromheen. Achter die heg beginnen direct de bomen van een bos. In de gang gaat een trap omhoog. En boven zijn drie slaapkamers en een bad280 kamer met een ligbad. ‘Welke wordt van mij?’ vraagt Jochem knorrig. 1
‘We dachten aan deze,’ zegt zijn vader. Een grote kamer, onder het schuine dak. Er is een raam, in een erker. Uitzicht op zee. ‘En? Lijkt het je wat?’ Jochem zucht. Dit alles gebeurt niet 290 echt. Het is een soort lugubere kampeerboerderij, iets tijdelijks. Een onderduikadres uit een saaie, achterlijke oorlogsfilm... Jochem gaat op de trap uitproberen of hij hier bereik heeft. ‘Pa...? Pá?!’ 295 Zijn ouders lopen glimlachend rond. ‘Alles in haast perfecte staat,’ zegt zijn vader. ‘Centrale verwarming en... Wat is er?’ ‘Pa... Ik heb hier geen bereik...’ ‘O nee? Nou ja... Dat komt nog wel...’ 300 ‘Echt? Moet dat nog worden aangelegd of zo?’ ‘Ach ja,’ zegt zijn vader achteloos. ‘Telefoon moet ook weer worden aan305 gesloten. Heus, dat gaan we wel zien allemaal...’ Het is een nachtmerrie. Een horrorfilm. Zo’n afgelegen spookhuis zoals in The Conjuring... Maar zijn ouders schijnen hier niets 310 van te merken. Levendig pratend lopen ze alweer naar beneden. En even later, als Jochem achter hen aanloopt, ziet hij hoe ze weer, opnieuw met een arm om elkaar 315 heen, staan uit te kijken over de donker wordende, klotsende zee. ‘Pa... Ma...’ Zijn ouders kijken achterom. ‘Wat is er, lieve jongen?’ vraagt zijn 320 moeder. ‘Ik wil dit niet,’ zegt Jochem. ‘Jochem...’ zegt zijn vader. ‘Ik begrijp best dat je het eng vindt. Maar ik zal je één ding zeggen: dit wordt je nieuwe huis. 325 Je bent veertien. En voorlopig beslissen wij nog waar je gaat wonen. Ik beloof je dat we ons uiterste best zullen doen om het je naar de zin te maken. We willen graag dat je gelukkig bent... Maar-’ ‘Ik wás gelukkig,’ zegt Jochem. 330 ‘Nee, dat was je niet,’ zegt zijn vader. ‘Je had concentratieproblemen.’ ‘En je zou naar een andere school hebben gemoeten,’ zegt zijn moeder. 335 ‘Dat gaat nu ook gebeuren, dat weet ik wel. Maar... Ach, dat duurt nog even, hoor, eerst kun je hier een aantal weken wennen. Wij waren trouwens ook niet gelukkig, vergeet dat niet... En hier... hier 340 kunnen we-’ 285
2
1
e f
‘Er is hier... NIETS!’ Jochem schreeuwt dit laatste woord bijna uit. Zijn moeder schrikt daar een beetje van. Maar zijn vader is absoluut 345 niet onder de indruk. ‘Integendeel,’ zegt hij. ‘Kalm nou maar, jochie. Laat het eerst maar eens over je
heen komen.’ Ze rijden terug naar het dorp. Haast 350 stikkend van woede zit Jochem achterin. Maar alles om hem heen is even verontrustend, en hij beseft dat zijn ouders hier het enige zijn wat hij nog heeft... Daan Remmerts de Vries, Geest
Lees de gedichten Hé jij ver weg!, Nieuwe klas en het raadgedicht. Welk woord moet volgens jou in het raadgedicht worden ingevuld? Leg bij elk gedicht in één zin uit waarom het bij het verhaal Dit is niet echt past.
Hé jij ver weg!
Nieuwe klas
We zouden appjes sturen zei je en foto’s van je nieuwe land - bellen als je wifi had, ik naar jou en jij naar mij. Ik hoor je stem niet, wel een buitenlands geluid, het golft gierend heen en weer. Ik heb er negen gestuurd en acht keer ingesproken, over de hond met puppy’s de glimmende voetbalbeker in de regen de flitsende finish van de sponsorloop en nog meer. Of heb je zoveel nieuwe vrienden dat het je niets kan schelen?
Voor me zit een meisje dat ik nog niet ken, ze lijkt een beetje veel op wie ik nooit meer zie ze is het niet maar juist daarom voel ik hoe messcherp missen is mijn klas, mijn plek, mijn juf alles wat daar gewoon nog bij me hoorde ik stop het weg maar weet wel hoe het zit het ergste van verhuizen is verscholen
Ineke Holzhaus In: Vriendschap, Dichter 9, Eindhoven: Plint, 2018
Raadgedicht [ --- ] Wenkbrauw op, mondhoek neer, duim omhoog, kleine sneer. Arm om schouder, hand door haar: [ --- ] zijn niet nodig Ook zonder snappen wij elkaar. Vingertik, handgezwaai, wang-gekus, arm-geaai. Hand voor mond, por in zij: [--- ] zijn niet nodig. Ik snap jou en jij snapt mij. Linda Vogelesang In: Vriendschap, Dichter 9, Eindhoven: Plint, 2018
Mariet Lems In: Vriendschap, Dichter 9, Eindhoven: Plint, 2018
1.2 Praten over verhalen en gedichten
Leestips Andere verhalen die zich afspelen in het buitenland
Caja Cazemier en Martine Letterie, Made by IndiraTerra houdt van shoppen: hoe meer kleren ze kan scoren voor weinig geld, hoe beter! Indira uit India moet in een spinnerij werken om de schulden van haar familie af te lossen. Maar de mooie beloftes van de fabriek blijken leugens te zijn. Op reis in India ontdekt Terra het verhaal achter de kleren die ze koopt. En dat verhaal is niet zo mooi…
Gideon Samson, Eilanddagen Jakob gaat in zijn eentje naar zijn vader Yiannis op het Griekse eiland waar hij tot zijn achtste gewoond heeft. Jakob baalt dat hij niet mee mocht met zijn moeder en Kees naar Thailand. Hij besluit binnen te blijven en doodt de tijd met stripboeken lezen. Na een knallende ruzie met zijn vader moet hij wel de straat op. Dan leert hij Michális kennen. En Puck. En dan wordt alles anders.
Danny de Vos, Toegang geweigerd Nick gaat in de zomer met zijn ouders en zus op vakantie naar een Grieks eiland. Lekker luxe, all-inclusive… maar de sfeer is anders dan anders, want het eiland wordt overspoeld door vluchtelingen. Nick ontmoet Zaïd, een jongen van zijn leeftijd. Hij gunt hem één dag ontspannen vakantie en besluit met Zaïd te ruilen. Maar kan Nick nog wel terug?
Thea Beckman, Kruistocht in spijkerbroek Dolf mag met een tijdmachine een kijkje nemen in de middeleeuwen. Het gaat mis en hij kan niet meer terug naar zijn eigen tijd. Hij besluit zich aan te sluiten bij een kinderkruistocht.
1.2 Praten over verhalen en gedichten 5 Bespreek het verhaal en de gedichten In deze opdracht gebruik je de teksten: Dit is niet echt Hé jij ver weg! Nieuwe klas Raadgedicht
a
Bespreek het verhaal en de gedichten met klasgenoten. Je docent vertelt je hoe je deze opdracht gaat doen. Je kunt eerst je eigen antwoorden op de vragen geven. 1 Vertel aan je klasgenoten wat Jochem overkomt en welke trap van vergelijking jij daarbij hebt gemaakt in opdracht Lekker lezen 4b. 2 Kijk terug naar opdracht Lekker lezen 4e. 3 Kies samen met je klasgenoten het woord dat het best past in het raadgedicht. 4 Doe samen met een vriend(in) voor hoe dit gedicht bij jullie eruitziet. 5 Kijk terug naar opdracht Lekker lezen 4f. Kies samen met je klasgenoten het gedicht dat het best past bij het verhaal Dit is niet echt. 6 Jochems vader zegt in het verhaal: ‘Voorlopig beslissen wij nog waar je gaat wonen.’ Ben je het met hem eens? Geef een reden waarom jij het wel of niet met hem eens bent.
2
1.3 Verhalen kiezen
7 Probeer je te verplaatsen in Jochem. Hoe zou jij reageren als je ouders jou vertelden dat je ging verhuizen naar het buitenland? 8 Stel je voor: een week na de verhuizing is er nog steeds geen bereik en geen wifi in Jochems huis. Bedenk samen een gesprek tussen Jochem en zijn ouders. Verdeel de drie rollen in de groep en speel het gesprek na. 9 Bespreek na het rollenspel hoe het voelde om Jochem te zijn.
6 Het verschil tussen fictie en non-fictie begrijpen a
Geef van de volgende voorbeelden aan of het fictie of non-fictie is. 1 De uitslagen van de voetbalwedstrijden in de eredivisie van het afgelopen weekend. 2 Een aflevering van Goede tijden, slechte tijden. 3 Een recept voor appeltaart. 4 Een lijstje met tips voor brugklassers in jongerenkrant 7Days. 5 Een stripverhaaltje in de krant Algemeen Dagblad. 6 Een tekst over vulkanen in een aardrijkskundeboek. Lees de tekst.
[12.1] fictie / non-fictie fictie / non-fictie fictie / non-fictie fictie / non-fictie fictie / non-fictie fictie / non-fictie
Leerlingen redden conciërge 1
5
25 augustus – Tijdens het brugklaskamp van het Avontura College vond een ongeluk plaats. Op camping De Waterkant, waar de brugklassers twee dagen verbleven voor een avontuurlijk begin van het schooljaar, struikelde de populaire conciërge de heer Pietersen over een scheerlijn, waarna hij te water raakte. Hij brak een
10
15
pols en verloor zijn bril, waardoor hij niet meer uit het water kon komen. Enkele dappere bruggers aarzelden niet en sprongen de man direct achterna. Ze hielpen hem op de kant, waar Pietersen kon bijkomen van de schrik. De bril is helaas niet meer teruggevonden.
b Verander de tekst nu zo dat het fictie wordt. c Op tv worden ook programma’s uitgezonden die niet duidelijk bij fictie of non-fictie horen, maar waarin deze twee vormen gemengd zijn.
d Wat is het verschil tussen een docusoap en scripted reality? 1 Zoek op wat bedoeld wordt met een docusoap en met scripted reality. 2 Zoek van beide soorten programma’s een voorbeeld. 3 Leg in ongeveer honderd woorden het verschil uit tussen een docusoap en scripted reality. Verwerk in je uitleg de begrippen fictie en non-fictie.
e
Bedenk een onderwerp waarover je een docusoap of scripted reality zou willen zien. Leg in ongeveer 50 woorden uit waarover het programma moet gaan en hoe het gemaakt zou kunnen worden.
1.3 Verhalen kiezen 7 Speeddaten met boeken Je docent heeft een speeddate met boeken voorbereid. Gebruik de theorie 12.2.1 Boeken uitkiezen. Gebruik het formulier Speeddaten met boeken.
a
Voer de speeddate uit met het formulier Speeddaten met boeken.
[12.2.1]
1.5 Personen in verhalen
Tussenstand Kijk terug naar hoe je tot nu toe in dit hoofdstuk hebt gewerkt en hoe je verder gaat.
a
Klik op Nakijken en doorloop de vragen. De titel van opdracht 4 was Lekker lezen. Geef aan of deze titel past bij hoe jij het verhaal Dit is niet echt hebt gelezen. □ Deze titel past helemaal niet bij mij. □ Deze titel past niet bij mij. □ Deze titel past een klein beetje bij mij. □ Deze titel past goed bij mij. □ Deze titel past heel erg goed bij mij. Je hebt tot nu toe in dit hoofdstuk een verhaal en gedichten gelezen, je hebt daarover gepraat en je hebt boeken gekozen. Geef aan met hoeveel plezier je aan deze opdrachten hebt gewerkt. □ Ik heb met heel veel tegenzin aan de opdrachten gewerkt. □ Ik heb met een beetje tegenzin aan de opdrachten gewerkt. □ Ik heb niet met tegenzin aan de opdrachten gewerkt, maar ook niet met plezier. □ Ik heb met een beetje plezier aan de opdrachten gewerkt. □ Ik heb met heel veel plezier aan de opdrachten gewerkt. Kijk nog eens naar de leerdoelen aan het begin van dit hoofdstuk. Kies wat je verwacht van de rest van dit hoofdstuk. □ Ik denk dat ik heel veel moeite moet doen om de leerdoelen te halen. □ Ik denk dat ik met moeite de leerdoelen ga halen. □ Ik denk dat ik de leerdoelen ga halen. □ Ik denk dat ik de leerdoelen makkelijk ga halen. □ Ik denk dat ik de leerdoelen heel makkelijk ga halen.
b Bedenk een of twee dingen die je kunt doen om met (nog) meer plezier aan dit hoofdstuk verder te werken.
1.5 Personen in verhalen 8 De rol van een persoon herkennen
[12.2.5] [12.2.6]
In deze opdracht gebruik je de theorie 12.2.5 Hoofdpersoon en bijfiguren en 12.2.6 Rollen van personen.
a
Hoe noem je de personen in een verhaal? De belangrijkste persoon noem je de ... De andere personen noem je de ... Lees deel 1 van het verhaal We hebben je gewaarschuwd.
b Wie zijn de personen in het verhaal? 1 Wie is de hoofdpersoon in het verhaal? 2 Noem twee bijfiguren uit het verhaal. Kijk nog eens naar het verhaal Dit is niet echt.
c
Zet alle personen die in het verhaal voorkomen op een rijtje. 1 Zet achter de naam van de persoon of het een hoofdpersoon of een bijfiguur is. 2 Zet achter de hoofdpersoon zijn of haar probleem of opdracht. 3 Zet achter de bijfiguren hun rol. Hé jij ver weg! Nieuwe klas Raadgedicht
d Leg in je eigen woorden uit of er in de drie gedichten een hoofdpersoon voorkomt.
2
1.6 Verhaal en werkelijkheid
9 Een persoon beschrijven
[12.2.7] [15.4] [15.5] [13.1.3]
In deze opdracht gebruik je de theorie: • 12.2.7 Personen – beschrijving • 15.4 Synoniemen • 15.5 Antoniemen • 13.1.3 Bijvoeglijk naamwoord
a
Lees in de theorie de lijst met karaktereigenschappen. 1 Neem uit de lijst twee woorden over die synoniemen zijn. 2 Neem uit de lijst drie bijvoeglijke naamwoorden over. 3 Bedenk zelf drie bijvoeglijke naamwoorden die ook in de lijst met karaktereigenschappen passen. Lees nu ook deel 2 van het verhaal We hebben je gewaarschuwd.
b Kies uit de lijst met karaktereigenschappen drie eigenschappen die bij Elvis passen. Vergelijk Elvis met Jochem uit het verhaal Dit is niet echt.
c
Noem twee eigenschappen die bij Jochem passen. Deze eigenschappen moeten antoniemen zijn van eigenschappen van Elvis.
1.6 Verhaal en werkelijkheid 10 Herkennen of een verhaal realistisch is of niet Bekijk Anne-Mar probeert Minecraft. Lees de theorie Realistisch of niet.
a Leg uit wat Anne-Mar bedoelt als ze zegt: ‘Dit ziet er helemaal niet realistisch uit!’ b Als Anne-Mar het verhaal Dit is niet echt zou lezen, zou ze dan ook zeggen dat het er helemaal niet realistisch uitziet? Leg in één zin uit waarom ze dat wel of niet zou zeggen
c d e f
Anne-Mar stelt een belangrijke vraag die goed past bij een hoofdpersoon. Welke vraag is dat?
g
Welk verhaal vind jij realistischer, Dit is niet echt of We hebben je gewaarschuwd? Geef twee redenen waarom je dat vindt.
Welk antwoord zou Jochem geven op de vraag van Anne-Mar? Welk antwoord zou Elvis geven op de vraag van Anne-Mar? Leg uit of de titel Dit is niet echt iets te maken heeft met de vraag of het verhaal realistisch is of niet. Gebruik in je antwoord het woord ‘geloven’.
11 Beschrijven wat een verhaal met je doet In deze opdracht gebruik je de theorie Leeservaring beschrijven. Denk nog eens aan de verhalen Dit is niet echt en We hebben je gewaarschuwd.
a
Zet een kruisje in de vakjes van jouw keuze. Zet een streepje in de vakjes die je niet kiest. Dit is niet echt Dit verhaal is het spannendst. Dit verhaal maakt me het meest nieuwsgierig. In dit verhaal kan ik het best meeleven met de hoofdpersoon.
We hebben je gewaarschuwd
1.7 Verhalen schrijven
Dit is niet echt
We hebben je gewaarschuwd
Dit verhaal is het grappigst.
Denk nog eens aan de verhalen Dit is niet echt en We hebben je gewaarschuwd.
b Kies nu welk verhaal je het liefst verder zou willen lezen. Vertel in één zin waarom het verhaal je aanspreekt. Gebruik in de zin een beoordelingswoord. Denk aan de mooiste of beste leeservaring die jij tot nu toe gehad hebt. Denk aan een boek dat je zelf hebt gelezen of dat werd voorgelezen.
c
Kies drie beoordelingswoorden die bij deze leeservaring passen. Wissel jouw mooiste leeservaring uit met die van een klasgenoot.
d Geef aan welke beoordelingswoorden je hebt gebruikt en leg uit waarom. e Vertel aan de klas wat de mooiste leeservaring was van de leerling naast jou. Gebruik daarbij beoordelingswoorden en geef uitleg.
12 Het vertelperspectief van een verhaal herkennen In deze opdracht gebruik je de theorie Vertelperspectief.
a
Leg in je eigen woorden uit wat wordt bedoeld met het vertelperspectief van een verhaal. Gebruik deze woorden in je uitleg: persoon – bekijken – hoofd – beleven.
b Welk vertelperspectief heeft het verhaal Dit is niet echt? □ ik-vertelperspectief □ hij-/zij-vertelperspectief
c
Welk vertelperspectief heeft het verhaal We hebben je gewaarschuwd? □ ik-vertelperspectief □ hij-/zij-vertelperspectief
1.7 Verhalen schrijven 13 Een verhaal schrijven In de volgende opdrachten schrijf je stap voor stap zelf een verhaal. Gebruik hierbij de volgende theorie: • 12.4.1 Een verhaal beginnen • 12.4.2 Werkwoordtijden in verhalen • 12.4.3 Schrijven vanuit één persoon • 12.4.4 Niet uitleggen, maar laten zien Situatie A
Situatie B
Situatie C
Vriend(in) A is in de zomervakantie verhuisd naar het buitenland. In de herfstvakantie gaat vriend(in) B bij hem/haar logeren. De vriendschap is niet meer hetzelfde als toen ze nog vlak bij elkaar in de buurt woonden.
De ouders van vriend(in) A hebben besloten te verhuizen naar een ander land. Hij/zij moet mee en gaat dit vertellen aan beste vriend(in) B.
Vriend(in) A kan ongelooflijk goed voetballen. Tijdens een vakantie in het buitenland is hij/ zij gezien door een scout van een beroemde voetbalclub. Hij/zij mag een speciale opleiding volgen bij die club, een combinatie van school en voetbal, en zal dus gaan verhuizen. Hij/zij gaat dit vertellen aan voetbalvriend(in) B.
Kies de situatie die jou het meest aanspreekt. Bereid het schrijven van een verhaal voor over de situatie die je gekozen hebt.
2
1.7 Verhalen schrijven a
Geef kort antwoord op de volgende vragen. 1 Wie wordt de hoofdpersoon van het verhaal, vriend(in) A of vriend(in) B? Verzin deze persoon. Bedenk of het een jongen of een meisje is, hoe oud hij of zij is, een paar opvallende dingen over hoe hij of zij eruitziet en twee belangrijke karaktereigenschappen. 2 Hoe ga je het verhaal schrijven, in de ik-vorm of in de hij-/zij-vorm? 3 Hoe echt gaat het verhaal lijken? Lijkt het heel erg op de werkelijkheid? Of kies je voor veel fantasie of voor ongelooflijke gebeurtenissen, of voor veel toeval? 4 Schrijf je het verhaal in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd? 5 Kies een van de volgende zinnen om je verhaal mee te beginnen. ‘Ik had alles verwacht, maar dit niet.’ ‘Dit valt me zó ontzettend van je tegen.’ Met trillende knieën en klamme handen ging ik/hij/ze op de bank zitten. Ik/hij/ze voelde hoe de jaloezie naar binnen kroop, zoals een spin naar de vlieg snelt die in haar web gevlogen is.
b Schrijf het verhaal. Het verhaal heeft in ieder geval 500 woorden. Lees wat je geschreven hebt.
c
Controleer de volgende dingen en verbeter je verhaal zo nodig. 1 Klopt het vertelperspectief? 2 Blijf je het hele verhaal bij dezelfde werkwoordstijd, dus de tegenwoordige tijd of de verleden tijd? 3 Beleef je alles vanuit de hoofdpersoon en lees je dus alleen van hem of haar de gedachten en de ‘binnenwereld’? 4 Zit de lezer meteen ‘midden in het verhaal’? Wissel je verhaal uit met dat van een klasgenoot.
d Lees elkaars verhaal of lees het aan elkaar voor. e Gebruik het beoordelingsmodel om aan je klasgenoot te vertellen wat je van het verhaal vindt. Vertel je klasgenoot wat je mooi of goed vindt aan het verhaal en geef een tip om het verhaal nog mooier of beter te maken. Zit je bij het begin meteen midden in het verhaal? Krijg je een duidelijk beeld van de hoofdpersoon, van zijn of haar uiterlijk, maar ook van zijn of haar karakter? Beleef je alles vanuit de hoofdpersoon en lees je alleen van hem of haar de gedachten en de ‘binnenwereld’? Blijft het verhaal de hele tijd in de ik-vorm of in de hij-/zij-vorm? Blijft het verhaal de hele tijd in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd? Is het verhaal goed, creatief en pakkend?
14 Een gedicht schrijven Je schrijft stap voor stap zelf een gedicht.
a
Vergelijk de vier gedichten die je gelezen hebt in de paragraaf Oriëntatie op verhalen. 1 Wat valt je op als je kijkt naar de lengte van de regels? 2 Wat valt je op als je kijkt naar het rijm? 3 Wat zie je als je kijkt naar de manier waarop de regels verdeeld zijn over de pagina? 4 Noem een ding dat jij creatief vindt in een van de gedichten. • Hé jij ver weg! • Nieuwe klas • Raadgedicht • Studiegids
1.7 Verhalen schrijven b Schrijf nu zelf een gedicht. 1 Kies het onderwerp dat jou het meest aanspreekt. A Ver weg B Ik wil dit niet C Een nieuw begin D Ik durf! 2 Bedenk bij het onderwerp dat je gekozen hebt drie bijvoeglijke naamwoorden die erbij passen. 3 Maak met elk bijvoeglijk naamwoord een zin. 4 Bedenk wat er gebeurd is of wat er aan de hand is. Noteer dit in een, twee of drie korte zinnen. 5 Bedenk een manier om je gedicht af te sluiten. Kies uit: A positief B verrassend, onverwacht C boos, verontwaardigd D grappig 6 Bedenk bij de manier die je gekozen hebt een sterke, korte afsluitende zin.
c
Controleer je gedicht. 1 Lees de zinnen bij de vorige vragen nog eens door. 2 Bekijk wat er nog nodig is om er een mooi geheel van te maken. Gebruik hiervoor (als dat nodig is) nog een of twee extra zinnen. 3 Zet alle zinnen die je nu hebt in een goede volgorde. Het hoeft er nog niet helemaal uit te zien als een gedicht.
d Maak er een echt gedicht van. Deze tips kunnen je helpen: 1 Een gedicht is vaak kort maar krachtig. Haal alle woorden weg die weg kunnen. 2 In een gedicht mag rijm zitten, maar dat hoeft niet, en zeker niet in alle regels. Je kunt ook hier en daar iets laten rijmen. Kies de woorden niet omdat ze rijmen, maar omdat ze passen bij wat je wilt vertellen. 3 Bij een gedicht staat er veel wit op de bladzijde. Je kunt zinnen in kortere stukjes ‘knippen’ en elk stukje op een nieuwe regel zetten. Je kunt knippen op een plek waar je een pauze in de zin hoort, maar het mag ook best op een andere plek. 4 Gedichten hebben vaak een ritme. Lees je gedicht hardop. Misschien moet je hier een daar een woord of een lettergreep weglaten of juist erbij zetten om een mooi ritme te krijgen. 5 In een gedicht staan soms witregels. Zo verdeel je het gedicht in stukjes. Doe je dat bijvoorbeeld bij de laatste regels, dan krijgen die meer nadruk. Wordt jouw gedicht mooier als je dat doet?
e f
Controleer de spelling en de leestekens in je gedicht.
g
Beoordeel het gedicht van je klasgenoot door bij de volgende punten te kiezen voor.
Wissel je gedicht uit met dat van een klasgenoot. Lees elkaars gedicht of lees het aan elkaar voor. Vertel je klasgenoot wat je mooi of goed vindt aan het gedicht en geef een tip om het gedicht nog mooier of beter te maken. Ziet het gedicht eruit als een echt gedicht? Zijn de rijmwoorden (als die er zijn) goed gekozen, of zijn ze alleen maar gekozen omdat ze rijmen? Heeft het gedicht een mooi ritme? Gaat het gedicht over een van de onderwerpen in de opdracht? Heeft het gedicht een goed slot?Is het gedicht goed en creatief geschreven?
2
1.8 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier
1.8 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier In de hoofdstukken Verhalende teksten werk je aan verschillende taaltaken. Je bewaart alle taaltaken bij Verhalende teksten in een map. Die map heet het fictiedossier. Je docent vertelt je hoe jouw fictiedossier er precies uit moet zien, welke taken je maakt en hoe de taken beoordeeld worden.
Eindopdracht 1 Je schrijft een verhaal over vriendschap op afstand.
a
Bereid het schrijven van een verhaal voor. Bedenk voor je verhaal de volgende dingen: 1 een hoofdpersoon. Denk daarbij niet alleen aan een naam, jongen/meisje en leeftijd, maar ook aan uiterlijk en karaktereigenschappen. 2 een bijfiguur die een vriend of vriendin is van de hoofdpersoon 3 een gebeurtenis waardoor je kunt laten zien hoe de vriendschap tussen de hoofdpersoon en de vriend(in) is 4 een plotselinge gebeurtenis waardoor de vriendschap verandert. Het wordt meer een ‘vriendschap op afstand’. De gebeurtenis kan iets naars, iets leuks, iets bizars of iets verdrietigs zijn. Gebruik je fantasie! 5 het vertelperspectief dat je wilt gebruiken: de ik-vorm of de hij-/zij-vorm 6 de plaats of plaatsen waar het verhaal zich afspeelt en hoe het er daar uitziet
b Schrijf nu het verhaal in drie gedeelten. 1 Schrijf een deel van ongeveer 200 woorden over de vriendschap tussen de hoofdpersoon en zijn/haar vriend(in). Gebruik de gebeurtenis die je hebt bedacht bij opdracht 1. 2 Schrijf een deel van ongeveer 400 woorden over de gebeurtenis waardoor de vriendschap verandert. 3 Schrijf een deel van ongeveer 300 woorden over hoe het daarna verder gaat met de hoofdpersoon. Lees je verhaal goed door.
c
Verbeter je verhaal waar dat nodig is. Let op de volgende punten. 1 Vertel je de hele tijd in de ik-vorm of in de hij-/zij-vorm? 2 Beleeft de lezer het verhaal door de ogen van de hoofdpersoon? 3 Kan de lezer in jouw verhaal de karaktereigenschappen van de hoofdpersoon ontdekken? Het is het mooist als je de eigenschappen niet direct noemt, maar ze laat zien door wat de hoofdpersoon doet, zegt of denkt. 4 Vertel je de hele tijd in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd? Het is allebei goed, als je maar niet halverwege wisselt van tijd. 5 Staan er hoofdletters waar dat hoort? 6 Heb je op de goede plaatsen punten, vraagtekens en uitroeptekens gebruikt? 7 Heb je geen afkortingen gebruikt? 8 Heb je spelfouten gemaakt die je nog moet verbeteren?
Eindopdracht 2 Je leest een boek en prijst het aan in een vlog.
a
Kies een boek dat jou aanspreekt. Je mag het boek nog niet eerder hebben gelezen. Welke manieren heb je gebruikt om te kiezen? A De titel sprak me aan. B De omslag vond ik mooi. C Ik lees graag boeken van deze schrijver/schrijfster. D Ik heb al andere delen van deze serie gelezen. E De flaptekst maakte me nieuwsgierig. F De eerste twee bladzijden van het boek boeiden me.
19
1.8 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier
H Ik had van een klasgenoot gehoord dat het een mooi boek is.
b Lees alleen de eerste 25 bladzijden van het boek. Beantwoord daarna de volgende vragen. 1 Wie is de hoofdpersoon van het verhaal? Beschrijf de hoofdpersoon in minstens vijf zinnen. Noteer zo veel mogelijk dingen die je weet: naam, jongen of meisje, leeftijd, hoe hij of zij eruitziet, welke eigenschappen hij of zij heeft, met welk probleem hij of zij in het verhaal te maken heeft. 2 Hoe realistisch is het verhaal? Vertel in drie zinnen wat echt en wat minder echt lijkt. 3 Noteer in vijf zinnen drie belangrijke gebeurtenissen uit het begin van het verhaal. Noteer ze in de volgorde waarin ze gebeurd zijn. 4 Bedenk één zin waarin je aan je klasgenoten vertelt waarom zij dit boek zouden moeten lezen. Gebruik in ieder geval twee beoordelingswoorden met uitleg.
c
Maak een vlog van niet meer dan drie minuten over het boek. Let op: je hebt het boek nog niet uitgelezen! Geef de vlog deze titel: ‘Jouw naam probeert titel van het boek’. De vlog is voor lezers die op zoek zijn naar een geschikt boek. Gebruik de antwoorden die je bij vraag 2 hebt gegeven. Vertel in de vlog over: 1 de titel en de schrijver 2 het aantal bladzijden van het boek 3 de hoofdpersoon van het verhaal 4 het probleem van de hoofdpersoon 5 drie belangrijke gebeurtenissen in het begin van het verhaal 6 hoe realistisch het verhaal is 7 welke ‘smaak’ het verhaal heeft: spannend, avontuurlijk, leerzaam, griezelig, romantisch, gezellig, makkelijk, pittig, sportief, vol problemen, of iets anders 8 de reden waarom jouw klasgenoten dit boek beslist moeten lezen 9 hoe het boek eruitziet
d Lees het boek helemaal uit. e Maak een vervolg van je vlog van niet meer dan drie minuten. Nu is de titel: ‘Jouw naam heeft titel van het boek helemaal uit!’ Gebruik in je vlog de volgende foto’s om over het boek te vertellen: 1 Een foto van iemand die de hoofdpersoon voorstelt. Zoek of maak een foto die past bij de manier waarop de hoofdpersoon in het verhaal beschreven wordt. Vraag wel altijd toestemming voordat je een foto van iemand maakt en gebruikt! Vertel bij de foto over de hoofdpersoon. 2 Een kaartje met daarop het woord ‘ik’, ‘hij’ of ‘zij’. Vertel bij dit kaartje wat het vertelperspectief in het verhaal is en vanuit wie je alle gebeurtenissen beleeft. 3 Foto’s die de belangrijkste bijfiguren in het verhaal voorstellen. Vertel bij deze foto’s de naam en wat hun relatie met de hoofdpersoon is, bijvoorbeeld vader of vriendin. Leg ook uit of ze een helper of een tegenstander zijn. Let op: verklap de afloop van het verhaal niet! 4 Drie kaartjes met een beoordelingswoord dat jij bij het verhaal vindt passen. Vertel bij deze kaartjes waarom jij deze woorden bij het verhaal vindt passen. Bekijk je opnames.
o
Bewerk de opnames of maak ze opnieuw als dat nodig is. Let op de volgende punten: 1 Ben je goed verstaanbaar? 2 Kom je enthousiast genoeg over door een goed spreektempo en afwisseling in toon en volume? 3 Duren de twee delen van de vlog samen niet langer dan zes minuten? 4 Is de achtergrond niet storend? 5 Zijn er geen storende geluiden op de achtergrond? 6 Is de inhoud volledig?
2
1.8 Eindopdrachten: werken aan je fictiedossier
Terugblik Het hoofdstuk Kijk terug naar wat je had genoteerd bij de opdracht Wat voor lezer ben jij? in de pragraaf Oriëntatie op verhalen.
a
Is het je gelukt om te leren wat je wilde leren in dit hoofdstuk? Vertel bij de twee dingen die je wilde leren of het wel of niet gelukt is. Gebruik per ding één zin.
b Welke opdrachten vond jij het fijnst om aan te werken? • Het lezen van de verhalen en gedichten en de vragen daarbij. • Het praten in de groep of in de klas over de verhalen en gedichten. • Vragen en opdrachten met theorie. • Zelf een verhaal of gedicht schrijven. Leg in één zin uit waarom je die opdracht(en) het fijnst vindt.
c
Wat is volgens jou leerzamer: fictie of non-fictie? Licht je antwoord toe.
d Noteer twee dingen die jij waardevol vindt en die je in dit hoofdstuk hebt geleerd over verhalen.
De eindopdrachten Hoe vond je het werken aan de eindopdrachten?
a
Kies bij elke eindopdracht die je gedaan hebt de emoticon die bij jou past. Leg in één zin uit waarom je deze emoticon kiest. Wat ga je bij een volgende eindopdracht op dezelfde manier aanpakken? Wat ga je bij een volgende eindopdracht op een andere manier aanpakken?
21
7
Onderzoeken
Leerdoelen Het schrijfdoel van beschouwende en betogende teksten herkennen. Hoofd- en bijzaken van elkaar onderscheiden. Zins- en alineaverbanden herkennen op basis van signaalwoorden voor reden. Een tekst in eigen woorden samenvatten. De hoofdgedachte van een tekst benoemen. (vwo) De betrouwbaarheid van bronnen beoordelen. Een beschouwende tekst schrijven. In een discussie de eigen mening verwoorden en onderbouwen met argumenten.
Theorie [1, 1.2] [3.7]
Tekstdoelen en tekstsoorten Soorten verbanden en signaalwoorden: reden [5.2.2] Samenvatten [5.3.6] Betrouwbare informatie [10.5] Van mening verschillen [10.8] Discussie
Stijlregels 8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken. 9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen. 11 Voeg een bronvermelding toe als je een tekst overneemt. 12 Controleer de betekenis van woorden.
7.1 Mijn mening over een schone aarde
Vorm jij vaak je eigen mening over een onderwerp? Op basis waarvan doe je dat dan? Is dat door het verhaal van een vriend(in), een tekst die je hebt gelezen, het nieuws, je ouders? Of verdiep je je in het onderwerp en bekijk je eerst de verschillende kanten, voordat je je eigen mening vormt? In dit hoofdstuk ga je oefenen met de laatste manier. Dat heet met een moeilijk woord beschouwen. Zo moeilijk is het niet, want het betekent van verschillende kanten bekijken, oftewel onderzoeken welke voor- en nadelen er zijn, welke oorzaken en oplossingen enzovoort. In dit hoofdstuk ga je dat doen binnen het thema schone aarde.
7.1 Mijn mening over een schone aarde 1
Onze voetafdruk Iedereen heeft een stukje van de aarde nodig om te leven. Ook jij hebt een stukje aarde nodig voor het voedsel dat je eet, de verwarming van je kamer, het verwerken van je afval, het maken van je kleding en het vervoer naar school en andere plaatsen.
a
Op afbeelding 1 zie je twee voetafdrukken. Noteer vier woorden die in je opkomen als je deze afdrukken ziet.
b Een voetafdruk heeft een letterlijke betekenis, namelijk de afdruk van jouw voeten in zand, klei, verf enzovoort. Voetafdruk heeft ook een andere betekenis, zoals te zien is op afbeelding 1. Wat is deze betekenis volgens jou?
c Zoek op internet op hoe groot de voetafdruk van de gemiddelde Nederlander is. d 1 Wat betekent ‘op grote voet leven’? 2 Leven Nederlanders ‘op grote voet’? Kijk ook naar je antwoord op vraag 3. ‘Oudere mensen werken vaak tegen, maar zij zijn er over een paar jaar niet meer. Misschien moeten ze dus een beetje naar ons luisteren, voor wij over twintig jaar met mondkapjes over straat moeten.’ Casper (12)
‘Eigenlijk zijn kinderen nu een soort cavia’s in een hok dat niet verschoond wordt.’ Iris (12)
Bron: Groene voeten. Kom in actie voor een schone planeet.
2
e
Wat bedoelen Casper en Iris met hun uitspraken? 1 Casper bedoelt met zijn uitspraak dat … . 2 Iris bedoelt met haar uitspraak dat … . 3 Wat is jouw mening? Met de uitspraak van Casper ben ik het eens/niet eens, omdat … . Met de uitspraak van Iris ben ik het eens/niet eens, omdat … .
f g
Denk jij na over de toekomst van de aarde? Leg uit waarom wel of niet. Denk je dat jij kunt helpen de aarde bewoonbaar te houden? Leg uit waarom wel of niet.
7
7.2 Een warmer wordende aarde
2 Onze aarde a
Tekst 1 is een gedicht van twee jongeren. Lees het gedicht en beantwoord de vragen. 1 Wat is de boodschap van dit gedicht? 2 Wat willen de schrijvers met dit gedicht bereiken?
b Wat is jouw mening over de inhoud van dit gedicht? Noteer vier woorden die direct bij je opkomen. Licht elk woord kort toe.
c Wat is jouw antwoord op de vraag: Wat maken we ervan? d In een klassengesprek wisselen jullie je antwoorden uit. e 1 Vergelijk in het klassengesprek jouw antwoorden met die van je klasgenoten. 2 Zijn er veel verschillende antwoorden? 3 Hoe komt dat volgens jou? Bron: Floris van den Bosch & Willem-Jon Littel, http://duurzaamdichten.nl
ONZE AARDE 1
5
10
Een bewoonbare aarde Daar dragen we allemaal aan bij Een bewoonbare aarde Waar groen nog een kleur is Waar lucht nog ingeademd wordt Waar ijs nog bestaat Zonder te smelten Een bewoonbare aarde Voor nu en voor later Een bewoonbare aarde Waar pinguïns en ijsberen Waar apen en slangen Waar kikkers en vissen Gewoon kunnen leven
15
20
Wij dumpen ons afval En stoten giftige gassen uit Onze fabrieken, onze auto’s Onze centrales, onze uitvindingen Een onbewoonbare aarde Maar wat men niet ziet Ligt in het verschiet Een onbewoonbare aarde Waar de horizon grijs is En waar je niet ademen kan Geen ijsberen, apen of vissen Dus … Wat maken we ervan?
7.2 Een warmer wordende aarde Voor je aanpak bij het lezen van teksten kun je het leesplan gebruiken. [7.2]
3 Hoofdzaken herkennen a
Oriënteer je op tekst 2. 1 Wat is volgens jou het onderwerp van deze tekst? 2 Wat weet jij al over dit onderwerp? Noteer je antwoord in maximaal twintig woorden. 3 Welke nieuwe informatie denk je te weten te komen na het lezen van deze tekst?
b Lees de vragen hierna door. Welke leesmanier ga je gebruiken om de tekst te lezen? Gebruik hierbij het leesplan. Leg je antwoord kort uit.
c
Noteer in je eigen woorden wat de volgende woorden betekenen. Gebruik de woordraadstrategieën in het Stappenplan moeilijke woorden. 1 Planeet in de penarie. 2 het loodje leggen (r. xx)
d Wat voel je als je in een snikhete kas staat of zonder airconditioning op de achterbank van een auto zit?
e
1 Het tussenkopje ‘Dikke deken’ past het beste bij: a alinea 2; b alinea 3;
7.2 Een warmer wordende aarde
c alinea 2 en 3. 2 Leg je keuze uit.
f g
‘Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw begon de industriële revolutie.’ (r. 00) 1 Is deze zin uit alinea 3 wel belangrijk of niet belangrijk? 2 Leg je antwoord uit. Gebruik daarbij informatie uit de alinea.
Planeet in de penarie 1
5
10
15
2
20
Heb je weleens op een zonnige dag rondgelopen in een snikhete kas? Zo eentje waar tropische planten het goed doen, terwijl ze buiten in de koele natte Nederlandse grond al snel het loodje zouden leggen? Vermoedelijk had die kas ramen van glas of kunststof. Ze laten lekker veel warmte naar binnen. Fijn voor die tropische planten die opfleuren van die hitte. Nooit in een kas gestaan? Nou, ga maar (heel even!) op een warme 3 dag met die raampjes dicht en zonder airconditioning op de achterbank van een auto zitten. Dat geeft ook een goed idee. Dikke deken De aarde wordt ongeveer op dezelfde manier verwarmd als een kas. Vandaar de naam ‘broeikaseffect’, die je vast weleens hebt gehoord. De warmte die de zon op de aarde afstraalt, wordt vastgehouden door broeikasgassen. Dat zijn vooral waterdamp (H₂O) en koolstofdioxide CO₂). Ze hangen als
25
30
35
40
45
een soort dekentje om de aarde heen. Die deken laat de warmte van de zon binnen en houdt een groot deel ervan vast. Gelukkig maar, anders hadden we het net als die tropische planten in de koude Nederlandse grond zwaar: dan zou het met gemiddeld -18 graden ijs- en ijskoud op de planeet zijn. Goed geregeld, waar doe je dan moeilijk over zou je misschien denken. Nou, dat zit zo. Als alleen die natuurlijke broeikasgassen de warmte zouden vasthouden, hadden we een lekker dekentje en niet meer dan dat. Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw begon de industriële revolutie. We gingen toen steeds meer met machines en dus met fabrieken maken. Dat zorgde voor nog veel meer broeikasgassen in de lucht. De hoeveelheid CO₂ in de lucht is de afgelopen 250 jaar met 40 procent gestegen. Daardoor wordt de deken in de atmosfeer steeds dikker en dreigt de aarde wel erg heet te worden.
Bron: Planeet in de penarie, Lotte Stegeman. In: Groene voeten
4 Inhoud begrijpen Oriënteer je op tekst 3.
a
Heeft deze tekst hetzelfde onderwerp als tekst 2? Leg uit waarom wel of niet. Lees tekst 3 intensief en beantwoord de vragen.
b Noteer de betekenis van de volgende woorden: 1 bizarre experimenten (r. 00) 2 ecosysteempje (r. 00)
c
1 Om welke reden koos Kurtis Baute snelgroeiende planten? 2 Welk signaalwoord helpt je het antwoord op vraag a snel te vinden in de tekst?
d 1 ‘Toen het te gevaarlijk werd, ben ik naar buiten gegaan.’ (r. 00) Waarom werd het voor Kurtis Baute te gevaarlijk in de tent? 2 Had Kurtis Baute het langer in de tent volgehouden als het een zonnige dag was geweest tijdens zijn experiment? Licht je antwoord toe.
[3.7]
7
7.2 Een warmer wordende aarde e f
1 Wat was het doel dat Kurtis Baute met zijn experiment had? 2 Heeft Kurtis Baute met dit experiment zijn doel bereikt? Licht je mening toe.
5 Inhoud teksten vergelijken Vragen bij tekst 2 en 3.
a
Noteer in je eigen woorden wat wordt bedoeld met het broeikaseffect. Gebruik voor je antwoord de informatie uit de teksten 2 en 3.
b 1 Noteer het onderwerp van de teksten 2 en 3. 2 Had je het onderwerp bij de vragen 1 van opdracht 3 en 4 goed voorspeld? Leg uit waarom wel of niet. 3 Welke nieuwe informatie heb je in de teksten gelezen?
c
Bron: ‘De CO₂ liet me bijna stikken.’ Bouwien Jansen. In: 7Days WETENSCHAP
‘DE CO2 LIET ME BIJNA STIKKEN’ 1
5
2
10
3 15
20
4 25
Bizarre experimenten. De Canadese wetenschapper Kurtis Baute kan er geen genoeg van krijgen. Maar vorige week ging hij wel erg ver: hij sloot zichzelf op in een luchtdichte tent, om te kijken hoe lang hij in40leven zou blijven. Tweehonderd planten moesten voor zuurstof zorgen. Na vijftien uur moest hij stoppen. ‘Ik werd heel sloom, maar mijn hart ging tekeer.’ Hoe kwam je op dit idiote idee? ‘Op mijn bureau staat een plantje in een afgesloten, glazen pot. Een klein ecosysteempje dus. Ik vroeg me opeens af hoeveel groter die pot zou moeten zijn om er een mens in te laten leven. Toen wist ik het: ik móét dit uitproberen!’ En dat deed je, in de achtertuin van je broer. Heb je speciale planten gekozen voor je experiment? ‘Jazeker! Ik koos snelgroeiende planten zoals maïs en zonnebloemen, want hoe harder een plant groeit, hoe meer CO₂ hij nodig heeft. En dat was weer goed voor mij, want vanaf een bepaalde dosis is CO₂ levensgevaarlijk voor mensen.’ Klinkt heftig! Was je niet bang in die tent? ‘Nee, maar wel nerveus. Ik had me goed voorbereid, maar via YouTube keken veel mensen mee. Ik wist niet hoe ik op een stijgend CO₂-niveau zou reageren. Dat maakte me zenuwachtig.’
5 30
35
6
40
En? Hoe reageerde je? ‘Ik werd heel sloom en ik had moeite me te concentreren. Ik voelde me heel snel steeds vermoeider worden, terwijl ik tegelijkertijd mijn hart tekeer voelde gaan.’ Na vijftien uur moest je stoppen Dat is best snel, toch? ‘Klopt. Dat komt omdat het een bewolkte dag was. Planten hebben zonlicht nodig om CO₂ om te zetten in zuurstof. Toen het te gevaarlijk werd, ben ik naar buiten gegaan.’
50
Is je missie daarmee mislukt? ‘Helemaal niet. Met dit experiment wilde ik mensen laten zien hoe groot het effect van te veel CO₂ is. Het liet mij bijna stikken. Maar wereldwijd leidt CO₂ tot de opwarming van de aarde en als we niet snel ingrijpen tot nog veel meer doden. Daarvoor wil ik waarschuwen.’
55
Ga je het op een zonnige dag nog een keer proberen? ‘Haha, nee! Ik ga nu weer lekker makkelijk ademen, maar ik blijf pleiten voor actie!’
7 45
8
7.3 Onze kijk op de groene voetafdruk
7.3 Onze kijk op de groene voetafdruk Voor je aanpak van kijk- en luisterfragmenten kun je het kijk- en luisterplan gebruiken. [8.2]
6 Nadenken over de voetafdruk
[av]
Je gaat kijken en luisteren naar een fragment over de voetafdruk. Bekijk eerst de vragen 2 t/m 9.
a
1 Welke luistermanier kies je? 2 Vind je het nodig om aantekeningen te maken? Leg uit waarom wel of niet. Kijk en luister nu naar fragment 1 en beantwoord daarna vraag 2 t/m 10.
b a Met welk beeld start het fragment? b Vind je dit wel of geen passend begin van dit fragment? Leg uit waarom.
c
‘Iedereen veroorzaakt uitstoot van het broeikasgas CO₂.’ Op welke van de genoemde manieren in het fragment draag jij ook bij aan de uitstoot van CO₂?
d Hoeveel kilo voedsel verspilt de gemiddelde Nederlander per jaar volgens dit fragment? e Voedselverspilling is een manier van energieverspilling. Leg uit hoe dit kan. Gebruik de informatie uit het fragment.
f g h
Hoe groot is de afdruk van Nederland volgens dit fragment?
i j
Heb je nieuwe informatie gehoord? Zo ja, welke?
Het verschil in voetafdruk tussen rijke en arme landen is groot. Waardoor komt dat, denk je? Uitspraak: ‘Als je naar het overzicht van de mondiale afdruk kijkt, valt het in Nederland wel mee.’ Kies een van beide antwoorden en licht je mening toe. a Met deze uitspraak ben ik het eens. b Met deze uitspraak ben ik het oneens. Kijk terug naar je antwoorden op vraag 1. a Heb je de juiste luistermanier gekozen? b Heb je (goede) aantekeningen gemaakt?
7 Informatie kritisch beoordelen
[5.3.6]
Lees tekst 4 intensief.
a
Markeer de signaalwoorden voor opsomming en tegenstelling in de tekst. Gebruik voor elk soort signaalwoord een andere kleur.
b Lees de stellingen in figuur 1 bij tekst 4. 1 Bepaal voor jezelf per stelling of je het eens bent met de ondervraagde jongeren. 2 Zet een kruisje voor de stelling(en) waarover jij een andere mening hebt. Leg je mening bij deze stelling(en) uit.
c
Reageer op de volgende uitspraken. Leg je antwoord elke keer uit met behulp van de informatie uit de grafiek bij tekst 4. a ‘Jongeren hebben veel vertrouwen in menselijke oplossingen om de aarde te behouden.’ Ja/Nee, want uit de grafiek blijkt … . b ‘Jongeren zien de gevolgen voor de natuur van menselijk gedrag.’ Ja/Nee, want uit de grafiek blijkt … . c ‘Jongeren vinden dat er nu snel iets moet gebeuren om de aarde te redden.’ Ja/Nee, want uit de grafiek blijkt … .
d Welke voorbeelden van duurzaam gedrag staan er in tekst 4? e Welk(e) negatieve punt(en) constateerden de onderzoekers? f Praat jij weleens over het milieu? Zo ja, met wie?
6
7
7.3 Onze kijk op de groene voetafdruk g
Uitspraak: ‘Een groen wereldbeeld gaat samen met groen gedrag.’ 1 Onderstreep de zin(nen) uit tekst 4 die hiervoor het bewijs is (zijn). 2 Ben jij het met deze uitspraak eens of oneens? Leg je antwoord uit met ervaringen van jezelf en/of anderen.
h
Vind je de informatie uit tekst 4 betrouwbaar? Leg uit waarom wel of niet. Naar: https://www.oneworld.nl
DUURZAAMHEID
GAAN NEDERLANDSE JONGEREN DE WERELD REDDEN? Kaleidos Research heeft onder 1.366 Nederlandse jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar een representatief onderzoek uitgevoerd. In de afbeelding zie je hoeveel procent van deze jongeren het eens is met de gegeven stellingen.
1
2 5
10
15
3
20
Verder geven de onderzoekers aan dat Nederlandse jongeren een redelijk groen wereldbeeld hebben en dat jongeren met een groen wereldbeeld zich duurzamer gedragen dan jongeren met een minder groen wereldbeeld. Dat geldt vooral voor groene gedragingen zoals minder vlees eten, zuinig zijn met water, meer tweedehands spullen kopen en minder eten weggooien dat nog goed is. Daarnaast spreken steeds meer jongeren zich in kleine kring, naar familie en vrienden, uit over het milieu. Toch blijken er ook een aantal negatieve punten te zijn. Zo is het aandeel jongeren dat aangeeft dat zij de oplader van hun mobieltje in het stopcontact laten zitten (waardoor energie kan ‘weglekken’) is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Ook geven ze steeds minder
25
vaak online hun mening over problemen in de wereld. Nederlandse jongeren over de relatie mens-natuur (% = (helemaal) mee eens).
8 Mindmap groene voetafdruk presenteren Samen met twee klasgenoten maak je een mindmap bij het onderwerp groene voetafdruk.
a
oe maak je een mindmap? H Bekijk fragment 2. Maak aantekeningen van de informatie die je kunt gebruiken om de mindmap te maken.
b Noteer het onderwerp (groene voetafdruk) in het midden.
c
De deelonderwerpen zijn kleding/ spullen, voedsel, plastic/plastic afval. 1 Verdeel de deelonderwerpen onder elkaar. 2 Teken voor jouw deelonderwerp de tak. 3 Vul je tak met je deelonderwerp aan met zijtakken. Noteer wat er in je opkomt.
7.4 De voetafdruk van mode d 1 Bekijk na tien minuten alle takken van jullie mindmap. 2 Vul aan, wijzig of schrap woorden bij de zijtakken. Gebruik hiervoor maximaal vijf minuten. 3 Leg kort aan elkaar uit waarom je juist die aanvulling of wijziging hebt gedaan.Werk je eigen deelonderwerp uit in een korte tekst, waarin je vertelt hoe jouw tak in elkaar zit en waarom die keuzes zijn gemaakt. Gebruik signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden.
e
1 2 3 4
f
Oefen om de beurt de presentatie en geef elkaar feedback op het presenteren. Let daarbij op: • rubrics Structuur nummer 16, 17, 18, 19. • rubrics Inhoud nummer 7, 9. • rubrics Taalgebruik en techniek nummer 34, 35, 36, 37.
g
Een van jullie presenteert in één minuut de mindmap aan de klas.
Verzamel de drie teksten in een Worddocument. Schrijf er een paar inleidende zinnen bij. Sluit de tekst af met één of twee zinnen. Zorg ervoor dat elk lid van de groep de mindmap kan presenteren.
7.4 De voetafdruk van mode 9 Hoofd- en bijzaken onderscheiden Oriënteer je op tekst 5.
a
1 Noteer vier dingen die je denkt te weten te komen door het lezen van de tekst. 2 Lijkt deze tekst je interessant? Noteer twee redenen bij je antwoord. Lees de tekst nu intensief en beantwoord de vragen.
b Welke manier gebruikt de schrijver om tekst 5 in te leiden? a b c d
c
De schrijver kondigt het onderwerp aan. De schrijver noemt de aanleiding voor het schrijven van de tekst. De schrijver stelt een of meer vragen. De schrijver vertelt een kort, grappig of bijzonder verhaaltje.
c Kleding is een statement. (r. xx) 1 Noteer in je eigen woorden wat de schrijver met deze zin bedoelt. 2 Ben jij het met de schrijver eens? Leg je antwoord kort uit.
d De modewereld is bepaald niet milieuvriendelijk. Onderstreep in alinea 2 de milieuonvriendelijke voorbeelden.
e f g h i j k
Markeer de kernzin van alinea 3. Vaak gaat dit soort kleding maar één seizoen mee. (r. xx) Waarom is deze zin een bijzaak? Markeer de eerste twee en de laatste twee woorden van de zinnen die in alinea 5 een toelichting bij de kernzin zijn. Leg uit wat bedoeld wordt met de zin ‘Fairtradekleding overlapt duurzame kleding’ (r. xx). Noteer boven de alinea’s 3, 4 en 5 een tussenkopje dat de inhoud van de alinea weergeeft. Kun je met duurzame mode en slow fashion ook een statement maken? Leg je antwoord uit. ... kleding die je maar één seizoen draagt, is eigenlijk weggegooid geld. (r. 00) 1 Schrijf in je eigen woorden op wat de schrijver hiermee bedoelt. 2 Vind jij dit ook? Leg je antwoord kort uit.
[3.5]
7
7.4 De voetafdruk van mode
Naar: https://ecogoodies.nl. MODE
DUURZAME MODE, FAIRTRADEKLEDING EN SLOW FASHION 1
5
2 10
15
20
3 25
30
35
40
45
4
Je kijkt in je kledingkast. Dat hippe rokje, je favoriete stijlvolle vest, die lekker zittende spijkerbroek … Ja, die draag je allemaal nog regelmatig. Maar na een seizoen is dat éne shirtje niet meer in de mode en zijn de kleuren van je truien niet meer hip. Tijdens het shoppen zie je een geweldig hemdje, een prachtige blouse en een echt supermooie spijkerbroek. Die moet je allemaal hebben! Zo hangt je kledingkast nog wat voller dan de dag ervoor en heb je nóg meer kleding, die maar één seizoen meegaat. Milieuonvriendelijke mode Kleding is een statement. Je laat zien hoe je bent en hoe je je voelt. Ook kan kleding zeker bijdragen aan je zelfvertrouwen. Maar de modewereld is bepaald niet milieuvriendelijk. Voor de productie van een shirt is er zo’n 3000 liter water nodig! Dat is hoeveel jij in 3 jaar verbruikt. En dan heb je het nog niet eens over de mensonterende omstandigheden in naaiateliers, kinderarbeid, lage lonen en de chemische stoffen, zoals verf, die het milieu belasten. Het alternatief is te kiezen voor duurzame mode, fairtradekleding of slow fashion. Wat is het verschil eigenlijk? 5 Als je kleding koopt die valt onder de noemer slow fashion, kies je voor een bewust alternatief voor fast fashion. Fast fashion is: massaproductie, goedkope kwaliteit stoffen, kleding als wegwerpartikel. Vaak gaat dit soort kleding maar één seizoen mee. De kleuren vervagen, naadjes gaan rafelen en er komen gaatjes in de synthetische stoffen. Er is tijdens de productie weinig aandacht voor het milieu, de mensen en de kwaliteit, omdat er in zo’n hoog tempo geproduceerd wordt. Slow fashion is het tegenovergestelde. De gebruikte stoffen zoals linnen, zijde en wol gaan lang mee en zijn van uitstekende kwaliteit. Een kledingstuk dat slow fashion is, kost wel 6 meer, maar gaat jaren mee. Slow fashion is minder modegevoelig, maar het past wel bij jou als persoon. Je kiest de broek of trui die jou goed staat. Het is tijdloze mode. Trouwens, tweedehandskleding en zelf kleding maken zijn ook duurzaam en slow fashion. Als je kleding duurzaam is, is er
50
55
60
65
70
75
80
85
tijdens de productie gelet op het welzijn van mensen en de planeet. De werkomstandigheden van de arbeiders zijn veilig en er is sprake van eerlijke handel en eerlijke lonen. Ook de kleding zelf is van goede kwaliteit. Duurzame stoffen gaan lang mee. Voorbeelden van dit soort stoffen zijn: bamboe, linnen, bandnetel, hennep en biologische katoen. Tijdens de productie wordt ook het milieu zo min mogelijk belast. Dit gaat over de hele productieketen: van zaaien, oogsten, transport tot de fabricage van de kleding. Dus ook tijdens het naaien en verven wordt hierop gelet. Fairtradekleding overlapt duurzame kleding. De nadruk bij fair trade ligt op de eerlijke handel. Alle arbeiders en medewerkers krijgen een eerlijk loon, waardoor een menswaardig bestaan mogelijk is. Er wordt zo veel mogelijk rechtstreeks ingekocht bij de producent in het derdewereldland. Als je fairtradekleding koopt, weet je dat alle betrokkenen goed betaald worden voor hun werk. Bij de productie zijn geen kinderen ingezet en er wordt met de opbrengst gezorgd voor gezondheidszorg, scholing en milieuvriendelijke productiemethodes. Kies voor je eigen stijl Dus kun je ook kiezen voor hippe en mooie kleding die bij jou past. Daarmee voorkom je dat je elk seizoen achter de stijlgoeroes aanrent. Wat is er trouwens leuk aan kleding die iedereen om je heen ook al draagt? Maak een echt statement en kies voor een betere wereld. Steek je in kleding die heerlijk zit en echt goed voelt. Uiteindelijk is dat
7.4 De voetafdruk van mode
Naar: https://ecogoodies.nl.
misschien nog beter voor je portemonnee ook, want kleding die je maar één seizoen draagt, is eigenlijk weggegooid geld.
7 90
Wat hangt er allemaal in jouw kast? Sta jij stil bij wat je koopt? Ga je voor tijdloze mode die jaren meegaat, of wil je toch graag de laatste mode volgen?
10 Hoofdzaken samenvatten
[5.2.2]
Lees tekst 6 globaal.
a Wat is het onderwerp van de tekst? b Markeer in alinea 2, 3 en 4 de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden. Gebruik voor elk soort signaalwoord een andere kleur.
c
1 Wat is Positief nieuws (r. xx)? 2 Waarom is dit positief nieuws?
d Teken een paginagrote piramide (zie afbeelding). e Zoals je in de theorie hebt gelezen, heeft een tekst hoofd- en bijzaken. Lees tekst 6 nu intensief en vul de drie delen van de piramide in. • In de bovenste laag noteer je de allerbelangrijkste boodschap van de tekst. • In de middelste laag noteer je in kernwoorden de belangrijkste informatie uit de alinea’s. • In de onderste laag noteer je in enkele woorden belangrijke toelichting en/of voorbeelden.
f
Vorm nu een groep van drie leerlingen. Om de beurt vertelt ieder van jullie aan de andere groepsleden de inhoud van de tekst met behulp van de piramide. Doe het op de volgende manier: • Dek met een blaadje laag 2 en 3 af en vertel wat je bij laag 1 hebt genoteerd. • Daarna laat je je blaadje een laag zakken en vertel je wat je bij laag 2 hebt genoteerd. • Ten slotte vertel je wat er bij laag 3 staat. Je groepsgenoten moeten in één keer precies kunnen volgen wat je zegt. Oefen eerst het spreken drie minuten voor jezelf. Let daarbij op de volgende punten: • Gebruik volledige zinnen. • Zorg voor een vloeiend verhaal. • Spreek duidelijk en rustig. • Lees niet voor, maar gebruik de tekst als geheugensteuntje.
g
Luister kritisch naar elkaars tekst. Maak aantekeningen als je iets opvalt in het verhaal van een groepslid.
h
Bespreek de aantekeningen met elkaar en geef elkaar (opbouwende) feedback. Stel vragen als iets je onduidelijk is.
i
Vul een nieuwe piramide in. Dit is de groepspiramide. Hierin komt de beste weergave van de tekst te staan. Je mag dus delen, zinnen en woorden van elkaars piramide gebruiken.
j
Vraag aan je docent hoe jullie de opdracht nabespreken.
7
7.4 De voetafdruk van mode
Naar: https://www.oneworld.nl TRENDS
TWEEDEHANDS STEEDS POPULAIRDER ONDER NEDERLANDSE JONGEREN Steeds meer Nederlandse jongeren kopen tweedehands spullen, zo blijkt uit jaarlijks onderzoek van Kaleidos Research onder jongeren tussen de 12 en 18 jaar. In de afgelopen vier jaar is het percentage jongeren dat gebruikte spullen koopt bijna verdubbeld van 9 naar 16 procent.
1
2 5
10
15
20
Besparingsmotief Positief nieuws, zeker op de Dag van de Duurzaamheid, want hergebruik bespaart grondstoffen voor het maken van nieuwe spullen. Ook zorgt het voor minder afval. Of jongeren ook echt duurzaamheid voorop hebben staan wanneer zij tweedehands spullen kopen, is nog maar de vraag. Een krappe portemonnee kan ook een motief zijn voor duurzaam gedrag. Zo blijkt dat jongeren uit een gezin met een relatief hoog inkomen veel minder tweedehands spullen kopen dan jongeren uit een gezin met een lager inkomen. Waar onder rijkere jongeren slechts 8 procent tweedehands koopt, is dat onder jongeren uit ‘armere’ gezinnen 20 procent.
35
40
4
45
50
55
3
25
Tweedehands als trend Nog een mogelijke verklaring voor de toename in tweedehands aankopen is de trend om tweedehands kleding te dragen. Ook het aanbod verandert. Steeds meer online en offline winkels bieden tweedehands spullen aan, soms
5 60
65
11 Tekst over voor- en nadelen schrijven
naast hun gebruikelijke ‘nieuwe’ assortiment. Denk aan online warenhuis Bol. com, waar bij de zoekopdracht naar een nieuw boek ook het tweedehands alternatief direct in beeld komt. Of een winkel als LEAPP, dat afgedankte Apple elektronica opknapt en vervolgens weer verkoopt. Vies Jongeren kopen dan wel steeds meer tweedehands, maar er is ook nog altijd een flinke groep die zijn of haar neus ervoor optrekt. Eerder vroegen we aan die groep waarom zij géén tweedehands spullen kopen. Veel 12 tot 18-jarigen vinden het niet fijn om spullen te gebruiken van mensen die ze niet kennen. Ze twijfelen over de kwaliteit of zijn bang dat het al stuk is, zonder de garantie om het te ruilen voor een product zonder gebreken. Ook valt het woord ‘vies’ vaak als het gaat om tweedehands artikelen. Jongeren willen daarnaast meegaan met trends en dat kan volgens hen niet altijd met tweedehands spullen. Dit is één van de bevindingen uit het onderzoek naar duurzaam gedrag en houdingen dat Kaleidos Research jaarlijks uitvoert onder Nederlandse jongeren en volwassenen. In het najaar verschijnen de volledige publicaties, met een schat aan informatie over duurzaam gedrag.
[10.5, 10.8]
Tekst 5 eindigt met de volgende vragen: Ga je voor tijdloze mode die jaren meegaat, of wil je toch graag de laatste mode volgen? Deze vragen hoef je nu niet te beantwoorden, maar je gaat wel nadenken over de voor- en nadelen van duurzame kleding en je onderzoekt de mening van anderen hierover. De antwoorden verwerk je in een tekst. Je werkt bij deze opdracht in een groepje van vier leerlingen, maar iedereen krijgt een eigen taak.
7.4 De voetafdruk van mode a
Onderzoek in jouw gezin, familie of vriendengroep welke voor- en nadelen van duurzame kleding worden genoemd. 1 Maak op basis van de informatie in de teksten 4 en 5 een vragenlijst van vier tot zes vragen. 2 Lees de theorie over gesprek voeren nog eens goed door. (zie 10.2) 3 Stel zo veel mogelijk open vragen en vraag door. (zie de theorie over vraagtechnieken, 10.4) 4 Lees rubrics nummer 25 en 26 (Gesprekspartners) door en bepaal wat je wilt oefenen. 5 Stel minimaal zes mensen de vragen en pas de gespreksregels toe. Het stellen van de vragen kan ook telefonisch.
b Bekijk de voor- en nadelen kritisch en maak een lijstje van de drie belangrijkste voor- en nadelen. Zet ze in volgorde van belangrijkheid. Neem dit lijstje mee naar de volgende les.
c
Wissel in de groep de voor- en nadelen met elkaar uit. Houd je bij de uitwisseling aan de gespreksregels (zie 10.2).
d Voer een discussie om een gezamenlijk antwoord te formuleren op de vraag: Wat zijn de belangrijkste twee voor- en nadelen van duurzame kleding?
e f g
Verdeel de voor- en nadelen onder elkaar. Ieder van jullie schrijft één alinea.
h i
Voeg de vier alinea’s bij elkaar in een Wordbestand en zorg ervoor dat iedereen de tekst heeft.
j
1 Lees je eigen tekst door en let op de volgende punten: • rubrics Voorbereiding nummer 2. • rubrics Inhoud nummer 4, 6. • rubrics Structuur nummer 13, 15, 16. • rubrics Taalverzorging nummer 30, 31, 32. 2 Verbeter de tekst als dat nodig is.
k
1 Bepaal voor jezelf welk niveau je bij elke rubric hebt. 2 Kies bij Gesprekken en bij Schrijven twee rubrics die je wilt verbeteren in dit hoofdstuk.
Vul voor je eigen alinea het schrijfplan in. Schrijf je eigen alinea. • De alinea telt tussen de 60 en 80 woorden. • Begin met de kernzin. • Geef in de rest van de alinea toelichting/voorbeelden bij de kernzin. • Gebruik signaal- en verwijswoorden. • Formuleer correcte zinnen. • Spel de woorden op de juiste manier. Schrijf de tekst nu zelf verder af. 1 Verbind de alinea’s met signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden aan elkaar. 2 Noteer twee passende tussenkopjes in de tekst. 3 Schrijf een inleiding en een slot bij de tekst. Kies zelf een of meer manieren voor de inleiding en het slot.
Onderwerp: voor- en nadelen van duurzame kleding Publiek: jongeren Alinea Zoekvraag Antwoord op de zoekvraag = kernzin
12
2
Wat is een voordeel van duurzame kleding?
3
Wat is ook een voordeel van duurzame kleding?
4
Wat is een nadeel van duurzame kleding?
5
Wat is nog een nadeel van duurzame kleding?
Toelichting
7
7.5 De voetafdruk van voedsel
7.5 De voetafdruk van voedsel 12 Fragment beoordelen
[av]
Kijk en luister globaal naar fragment 3. Maak aantekeningen van belangrijke woorden en informatie.
a
Lees de vragen bij deze opdracht door. Welke vragen kun je nu al beantwoorden? Luister nog een keer naar fragment 3, maar nu intensief. Let op de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden.
b c d e f
Wat is het onderwerp van het fragment? Welke twee deelonderwerpen worden in het fragment besproken? Hoe groot is het aandeel dat voedsel heeft op de uitstoot van broeikasgassen? ‘Vlees en zuivel nemen al de helft van de totale uitstoot voor hun rekening.’ 1 Wat betekent ‘voor hun rekening nemen’? 2 Hoeveel procent bedoelt de spreker? Noteer alle oorzaken die de spreker noemt voor de uitstoot van broeikasgassen voor de productie van voedsel.
g h i
Het fragment tussen 0:43 en 1:35 is een hoofdzaak/bijzaak, want …
j
Op welke manieren kun jij, als consument, bijdragen aan de vermindering van het aandeel dat voedsel heeft op de uitstoot van broeikasgassen?
k l
Leg in je eigen woorden uit wat de spreker bedoelt met: ‘Een beter klimaat begint op je bord.’
Welke negatieve gevolgen heeft het eten van te veel vlees? ‘Elke Nederlander eet gemiddeld 750 gram vlees per week.’ Is deze uitspraak wel of niet juist? Geef twee redenen bij je antwoord.
De spreker vertelt ook dat er bossen worden gekapt voor landbouwgrond. Leg in je eigen woorden uit waarom het kappen van bossen schadelijk is voor het milieu.
m Vind je de informatie in fragment 3 betrouwbaar? Leg uit waarom wel of niet.
13 Tekst begrijpen en slotalinea schrijven Oriënteer je op het lezen van tekst 7. Lees de vragen en bepaal welke leesmanier je gaat gebruiken.
a
b c d e f
Welke manier gebruikt de schrijver om tekst 7 in te leiden? a De schrijver kondigt het onderwerp aan. b De schrijver noemt de aanleiding voor het schrijven van de tekst. c De schrijver stelt een of meer vragen. d De schrijver vertelt een kort, grappig of bijzonder verhaaltje. Noteer in je eigen woorden wat voedselverspilling is. Gebruik de informatie uit alinea 2. Wat is het belangrijkste gevolg van voedselverspilling? Het deel Neem de … CO₂-uitstoot (r. xx-xx) is een hoofdzaak/bijzaak. Onderstreep de zin die de hoofdzaak van alinea 3 aangeeft. 1 Het tussenkopje Oorzaken hoort: a bij alinea 3. b bij alinea 3 en 4. 2 Leg je keuze uit.
g
1 Markeer de signaalwoorden voor tegenstelling in alinea 5. 2 Wat wil de schrijver duidelijk maken met het eerste signaalwoord?
h i
Wat is het deelonderwerp van alinea 5? 1 Wat bedoelt de schrijver met relaxter omgaan met de THT-datum (r. xx)? 2 Waarom kan de consument relaxter met de THT-datum omgaan?
[1.1-1.2]
7.5 De voetafdruk van voedsel j
1 Wat is het tekstdoel van tekst 7? a beschouwen b overtuigen c uitleg geven 2 Leg je antwoord uit met behulp van voorbeelden uit de tekst.
k
De tekst heeft geen echte slotalinea. Schrijf een slotalinea van maximaal 65 woorden, waarin je: • kort het probleem, de belangrijkste oorzaak/oorzaken en de oplossing samenvat. • een zin opneemt waarmee je de consument laat nadenken over zijn voedselverspilling.
l
Ruil je tekst met die van een klasgenoot en geef feedback op de volgende punten: • Zijn de punten van vraag 11 voldoende verwerkt? • Zijn de zinnen goed geformuleerd? • Zijn de woorden goed gespeld? Naar: https://www.oneworld.nl DUURZAAMHEID
DE HARDE FEITEN VAN VOEDSELVERSPILLING 1
Een derde van al ons voedsel belandt in de prullenbak. In Nederland gooien consumenten jaarlijks zo’n 800 miljoen kilo (10.000 vrachtwagens vol) eetbaar voedsel weg ter waarde van 2,4 miljoen euro. Voedselverspilling is niet alleen een kwestie van eten en geld weggooien. Het veroorzaakt ook onnodige milieuschade.
2 5
Voedselverspilling is simpel gezegd eten dat bestemd is voor menselijke consumptie en uiteindelijk niet voor dat doel wordt gebruikt. Maar voedselverspilling is meer dan alleen een bord eten in de prullenbak kieperen. Het is ook een kwestie van verkwisting van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Het landbouwinstituut van de VN kwam onlangs tot de conclusie dat een derde van al de beschikbare grond voor land- 4 bouw wordt gebruikt voor verspild eten. Neem de verspilling van een banaan. Om deze te telen is er onder andere grond, water en arbeid nodig. Misschien moeten we daar ook chemische bestrijdingsmiddelen aan toevoegen. Daarbij zorgen het transport en de afvalverwerking voor enorme CO₂-uitstoot. Verspilling zorgt er dus voor dat het milieu en klimaat onnodig schade lijden. 5
10
15
20
25
3
30
Oorzaken Bananen, die een complete wereldreis hebben gemaakt, voordat ze hier op de fruitschaal belanden, worden om verschillende redenen weggegooid. Sommige bananen lopen een beschadiging op tijdens het transport, andere worden niet verkocht in de supermarkt,
35
40
45
50
55
60
6
weer andere liggen te lang op de fruitschaal in de huiskamer. Oorzaken als slecht inkopen, fout plannen, verkeerd vervoeren of bewaren liggen daar vaak aan ten grondslag. Telers, groothandels, supermarkten, restaurants, verzorgingstehuizen, schoolkantines, consumenten, kortom iedereen maakt zich er weleens schuldig aan. Een ander veelgehoord probleem zijn de schoonheidseisen die leveranciers aan producten stellen. Zo zie je nauwelijks hele kromme of juist rechte bananen in het schap. Officieel schafte de EU in 2009 de schoonheidseisen voor 26 soorten groente en fruit af. Zo ook voor kromme komkommers. Maar zeg zelf, hoe vaak zie je nu een kromme komkommer in de supermarkt liggen? Toch zijn niet de boeren of supermarkten de grootste verspillers, maar zijn dat de consumenten. Die kopen 20 procent te veel in, koken vervolgens 30 procent te veel voor de avondmaaltijd, zodat uiteindelijk 10 tot 17 procent in de prullenbak belandt. 40 tot 50 procent minder voedselverspilling zou mogelijk moeten zijn. Onderzoeksbureau CREM conclu-
7
7.5 De voetafdruk van voedsel
Naar: https://www.oneworld.nl
65
7 70
75
80
deerde uit hun onderzoek onder inwoners van Nederlandse dorpen en steden dat de consument ongeveer 44 kilo voedsel verspild per jaar. Eén huishouden kan zo’n 350 euro per jaar besparen door simpelweg minder voedsel te verspillen. Minder verspilling Er zijn vrij eenvoudige manieren om voedselverspilling terug te dringen. Consumenten kunnen creatiever koken met hun kliekjes, shoppen met een boodschappenlijst en de koelkast op de juiste temperatuur afstellen. Ook kunnen ze relaxter omgaan met de THT-datum, want een ongeopend pak rijst of een blik bonen kun je na de verstreken Tenminste Houdbaar Tot (THT)-datum in principe nog prima eten. Bij sommige producten gaat de kleur of smaak slechts wat achteruit, maar dat is alles. Dit in tegenstelling tot versproducten als vlees, vis, banket die de Te Gebruiken Tot (TGT)-datum dragen. Deze datum
85
8
90
95
dient wel strikt gehanteerd te worden. Niet alleen consumenten, ook supermarkten en horeca kunnen stappen zetten om voedselverspilling terug te dringen. Door afgedankte producten weg te geven aan de Voedselbank, levensmiddelen waarbij de houdbaarheidsdatum nadert tijdig af te prijzen of gratis weg te geven aan hun klanten. Supermarkten kunnen kleinere porties bieden, leuke acties bedenken rond kromme komkommers of tweelingbananen en hun inkoopbeleid verbeteren.
14 Discussie voorbereiden Bij deze opdracht bereid je je voor op de discussie bij opdracht 15 over de vraag: Is insecten eten als alternatief voor vlees dé oplossing om voedsel milieuvriendelijker te maken?
a Leest tekst 8 intensief. b Bekijk en beluister de fragmenten 4, 5 en 6 intensief.. Maak zo veel mogelijk aantekeningen die je bij de discussie kunt gebruiken. Kies zelf een manier die jij handig vindt. fragment 4
Broodje rups
1
5
10
In veel Aziatische landen liggen ze al jaren op de markt. Maar ook in Nederland en andere westerse landen zie je ze weleens: insecten. Eh, dat zijn eetbare insecten dus: sprinkhanen, meelwormen, larven, kakkerlakken. Veel minder schadelijk voor de planeet dan vlees. Het is een beetje een griezelig idee om zo’n kriebelbeest in je mond te stoppen, maar dat komt ook omdat we het niet gewend zijn. Eetbare insecten zijn supergezond, als ze goed zijn klaarge-
15
20
fragment 5
fragment 6
maakt. Ze zitten bomvol eiwitten die ook in vlees zitten. Eet je geen vlees, dan zijn insecten dus een prima vervanger. Koken, bakken, frituren: je kunt er van alles mee. En verwerkt in een insectenburger, met een dotje ketchup erop, is het misschien al iets aantrekkelijker? Een broodje gebakken sprinkhaan met gedroogde meelwormchips en een toefje torrentapenade: misschien wordt dat voor jouw kinderen wel doodnormaal!
Bron: Broodje rups. In: Groene voeten
7.5 De voetafdruk van voedsel
15 Onderwerp van verschillende kanten bekijken Bij deze opdracht voer je met drie klasgenoten een discussie over de vraag van opdracht 14: Is insecten eten als alternatief voor vlees dé oplossing om voedsel milieuvriendelijker te maken?
a Vorm een groep van vier leerlingen. b Bekijk de vraag elke keer van een andere kant. Dit doe je in verschillende gespreksrondes aan de hand van de denkhoeden.
c
d e
f
Bereid de gespreksrondes voor. • Lees de tekst bij de denkhoeden in afbeelding 2. • Bereid je inbreng voor de verschillende rondes voor. • Zoek zo nodig informatie in betrouwbare bronnen. Formuleer hiervoor goede zoekwoorden en -vragen. Noteer de bron die je hebt gevonden. 1 Bekijk de rubrics bij vraag 7. 2 Bij opdracht 11 heb je voor rubric nummer 25 en 26 je doel aangegeven. Bepaal voor de andere nummers welk niveau je wilt behalen. Voer de gespreksrondes uit. Iedere ronde duurt twee minuten. Pas de vraagtechnieken toe als de inbreng van een groepslid onduidelijk is. Ronde 1 – De witte hoed: ieder groepslid brengt zo veel mogelijk objectieve informatie in. Ronde 2 – De groene hoed: ieder groepslid brengt zo veel mogelijk ideeën in. Ronde 3 – De rode hoed: ieder groepslid uit zijn emoties, vermoedens. Ronde 4 – De groene hoed: ieder groepslid brengt een creatieve, alternatieve oplossing in. Ronde 5 – De zwarte hoed: ieder groepslid brengt negatieve kanten en risico’s in. Ronde 6 – De blauwe hoed: ieder groepslid vat de hoofdzaken van de informatie uit de rondes voor zichzelf samen. Voer een discussie om een gezamenlijk antwoord te formuleren op de vraag: Is insecten eten als alternatief voor vlees dé oplossing om voedsel milieuvriendelijker te maken?
g
Geef elkaar feedback op de deelname aan het gesprek en de discussie. Gebruik hiervoor de volgende rubrics: • Structuur nummer 20, 21. • Gesprekspartners nummer 25, 26, 27 en 28. • Woordenschat nummer 29. • Taalgebruik en techniek nummer 34, 35.
h
Bekijk de feedback van je groepsgenoten en je antwoord op vraag 4b. 1 Heb je het door jou aangegeven niveau van de rubrics behaald? 2 Waarom heb je het wel of niet behaald? 3 Hoe zorg je ervoor dat een volgend gesprek of een volgende discussie nog beter verloopt?
7
7.6 De voetafdruk van plastic
7.6 De voetafdruk van plastic 16 Hoofdzaken benoemen Lees tekst 9 intensief.
a
Markeer de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden die je ziet in de tekst. Gebruik voor elke soort signaalwoord een andere kleur.
b Vervang de vetgedrukte woorden in de tekst door passende verwijswoorden. Noteer ze erachter.
c
Bedenk bij elke alinea een vraag. • Het antwoord op die vraag is de hoofdzaak van de alinea. • Formuleer de vraag in een goed opgebouwde zin.
d 1 Wat is het tekstdoel van tekst 9? a beschouwen b overtuigen c uitleg geven 2 Leg je antwoord uit.
e f
Noteer een passende titel boven de tekst. Schrijf bij de alinea’s een passende inleiding van ongeveer 45 woorden. Gebruik daarbij de volgende manieren: • een of meer vragen stellen; • het onderwerp aankondigen.
g
Lees je inleiding goed door en let daarbij op de volgende punten: • Heb je de manieren bij vraag 6 gebruikt? • Past de alinea bij de inhoud van de tekst? • Heb je je zinnen goed opgebouwd? • Heb je de woorden correct gespeld? https://www.sevendays.nl
1
5
10
2
Dat is handig, want we hebben nogal wat plastic afval. En plastic afval is slecht voor het milieu. Toch brengt deze ontdekking niet direct de oplossing voor het plasticprobleem, want daarvoor hebben we heel wat rupsen van de grote wasmot (nachtvlinder) nodig. Omgerekend doet een rups er honderd dagen over om een plastic tas te verwerken. Gaatjes De rupsen zijn vaak in bijennesten te vinden, omdat de rupsen honing en bijenwas eten. De ontdekking was puur toeval, schrijft onderzoeker Federica
15
20
Bertocchini. ‘Ik houd bijen en had last van de rupsen. De rupsen stopte ik in een plastic tas. Toen ik even later terugkwam, waren ze weg en zat de zak vol gaatjes. Er was slechts één uitleg mogelijk: de rupsen maakten de gaatjes en zijn ontsnapt. Toen begon het project.’
7.6 De voetafdruk van plastic
https://www.sevendays.nl 3
25
Doorbraak Tijdens het verteren verandert het plastic in een stofje dat ook in antivries en polyester zit. Het stofje breekt zichzelf in een paar weken af. Hoe de rups dat precies doet, weten de onderzoekers nog niet. De onderzoekers hebben wel
30
een idee: ‘De rupsen produceren iets wat de chemische bindingen verbreekt’, zegt de onderzoeker. Nog even door met het onderzoeken dus. Dan zou dit wel eens een heel grote doorbraak kunnen zijn.
17 Inhoud begrijpen
[av]
Bekijk en beluister fragment 7 intensief.
a b c d e
Wat bedoelt Bahram als hij zegt: Dat is de ironie van plastic?
f
Vind je dat dit fragment de kijkers bewuster maakt van hun plasticgebruik? Geef twee argumenten voor je mening.
Bahram vertelt wat met plastic soep wordt bedoeld. Noteer de hoofdzaken van zijn uitleg. Defano kreeg ook stickers op zijn T-shirt en broek. Waarom, denk je? Is Bahram tegen plastic? Defano stelt de vraag: Denk je dat we ons in Nederland bewust zijn van het plasticgebruik? 1 Wat is het antwoord van Bahram op deze vraag? 2 Is dit het antwoord dat je had verwacht? Leg je antwoord uit.
18 Oplossingen voor plastic soep beoordelen Lees tekst 10 intensief.
a
1 Wat doe je als je iets klakkeloos overneemt? (r.xx) 2 Wat bedoelt de schrijver met Haar schatting is dus nattevingerwerk? (r. xx)
b 1 Wij beoordelen die stelling als onwaar. (r. xx). Welke stelling is volgens NRC onwaar? 2 Om welke drie redenen is de stelling onwaar?
c Onderstreep in alinea 4 de zin die de hoofdzaak van deze alinea aangeeft. d Wat bedoelt de schrijver met de titel van deze tekst? e In de tekst zijn vier oplossingen genoemd. Zoek op internet naar betrouwbare informatie over deze vier oplossingen voor het plasticprobleem. Elk project heeft een eigen doel. 1 Noteer per project het doel, of jij denkt dat het doel bereikt zal worden en de reden waarom je dat denkt. Project
Doel
Doel zal bereikt worden? Reden
The Seabin Project
Wat is een voordeel van duurzame kleding?
ja/nee
The Ocean Cleanup
Wat is ook een voordeel van duurzame kleding?
ja/nee
TrashUre Hunt
Wat is een nadeel van duurzame kleding?
ja/nee
Wat is nog een nadeel van duurzame kleding?
ja/nee
Plastic Whale
2 Bespreek je antwoord op vraag a met een paar klasgenoten. 3 Bepaal na het bespreken of je je antwoorden nog aanpast.
7
7.6 De voetafdruk van plastic
Naar: https://duurzaamdenhaag.nl MILIEU
HET PLASTIC PROBLEEM: DENK IN OPLOSSINGEN! 1
Vorige week was het overal in het nieuws te lezen: ‘In 2050 meer plastic dan vis in de zee.’ Een bericht dat iedereen klakkeloos overnam, zoals dat tegenwoordig gaat met nieuws op internet. NRC nam de stelling onder de loep. Er is een grote kans dat deze stelling iets te voorbarig is gedeeld.
2 5
De stelling is afkomstig van Ellen MacArthur. Zij brak als solozeiler verschillende records op de oceanen. De Britse heeft een eigen stichting opgericht en streeft naar een kringloopeconomie. Dinsdag verscheen een rapport van haar stichting over de toekomst van plastic. Daar staat in dat de oceaan in 2050 in gewicht meer plastic dan vis zal bevatten, als we niet anders met plastic omgaan. Waar is die verwachting op gebaseerd?
10
15
3
20
25
4
30
Wij beoordelen die stelling als onwaar. Ze levert geen onderbouwde cijfers over de huidige hoeveelheid plastic in zee en er is nooit een voorspelling gedaan voor de toename ervan tot 2050. Haar schatting is dus nattevingerwerk. Daarbij zal het aantal kilo’s plastic altijd nog minder zijn dan het gewicht van alle vissen in de zee. Positief blijven Of de stelling van MacArthur nu waar of onwaar is, het is belangrijk om ons te focussen op hoe we kunnen voorkomen dat er plastic in zee belandt. Wat hebben we eraan als we met zijn allen de wereld blijven bekijken met een negatieve blik? Niet veel. Positieve energie en positief denken levert veel meer op dan het tegenovergestelde. We moeten alle-
35
maal een steentje bijdragen. Hoe zorg je ervoor dat mensen bewuster met afval omgaan? Door het leuker of makkelijk te maken en door in oplossingen te denken in plaats van in problemen.
5 40
Met apps, sociale media en met spellen kun je menselijk gedrag op een positieve manier sturen. Ook kun je meer bereiken als je denkt in oplossingen en niet in problemen. Want hoe worden baanbrekende uitvindingen uitgevonden? Juist, door creatieve mensen die in oplossingen denken, zoals The Seabin Project, The Ocean Cleanup van Boyan Slat, TrashUre Hunt en Plastic Whale. Wat kun je zelf doen? Meer dan je denkt, want hoe afgezaagd het ook klinkt: een betere wereld begint bij jezelf.
45
6 50
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau Tussenstand Kijk terug naar de leerdoelen en de opdrachten van dit hoofdstuk. Ga naar p. 00 en geef per onderdeel aan hoe het gaat. Kies daarna de route die bij jou past. Ik kies de havo-route/vwo-route, omdat ... .
19 Tekst begrijpen en analyseren Lees tekst 11 intensief en beantwoord de vragen.
a
Welke manier van inleiden heeft de schrijfster gebruikt? Kies uit: a Ze kondigt het onderwerp aan. b Ze noemt de aanleiding voor het schrijven van de tekst. c Ze stelt een of meer vragen. d Ze vertelt een kort, grappig of bijzonder verhaaltje.
b 1 In de inleiding staat een signaalwoord voor tegenstelling. Markeer dit signaalwoord. 2 Noteer de tegenstelling die in de inleiding staat.
c
Markeer de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden in de rest van de tekst. Gebruik voor elke soort signaalwoord een andere kleur.
d e f g
Onderstreep de zin die de hoofdzaak van alinea 2 aangeeft.
h i
Noteer een passend tussenkopje boven alinea 3.
j k l
Noteer in je eigen woorden wat de schrijfster bedoelt met rijzen de pan uit. (r. xx) Wat is de aanleiding geweest voor de schrijfster om geen vlees meer te eten? 1 In alinea 3 noemt de schrijfster twee schaduwkanten van de vleesindustrie. Welke twee? 2 Verklaar voor elke schaduwkant waarom de vleesindustrie de oorzaak is. Op welke manier sluit de schrijfster de tekst af? a Ze geeft een advies. b Ze geeft een conclusie. c Ze geeft een korte samenvatting. 1 De schrijfster geeft in het slot aan dat het niet zo moeilijk is om vlees te laten staan. Welke reden geeft ze daarvoor? 2 Welk woord helpt jou het antwoord snel te vinden? Vind je het besluit van de schrijfster voorstelbaar? Leg uit waarom wel of niet. 1 Wat is het tekstdoel van tekst 11? a beschouwen b overtuigen c uitleg geven 2 Bedenk een titel die beter bij het tekstdoel past.
m De zinnen Als ik … steeds eten (r. xx) zijn wel/geen toelichting bij de kern van de alinea. Leg je keuze uit.
n
Is de informatie in tekst 11 betrouwbaar? Leg je antwoord uit.
7
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Bron: Iris Kegels, Dit is waarom ik geen vlees meer eet. Van: https://www.sevendays.nl VOEDING
DIT IS WAAROM IK GEEN VLEES MEER EET Ik had nooit gedacht dat ik het zou kunnen: stoppen met vlees eten. Vroeger hoorde ik altijd bij het ik-vind-het-wel-zielig-voor-de-dieren-maar-ik-vind-vlees-veel-telekker-groepje. Hamburgers, hotdogs. Ik was er echt gek op. Toch is de afgelopen jaren mijn beeld van vlees flink veranderd. Ik ontdekte waarom het véél meer is dan ‘zielig voor de dieren’.
1
5
2
10
15
20
Dat vlees en vis eten slecht is voor het milieu wist ik al. Dat heb ik van jongs af aan al van mijn ouders meegekregen. Maar dat het werkelijk voor meer CO2-uitstoot dan al het vervoer bij elkaar zorgt, had ik nooit verwacht. Stoppen was eigenlijk appeltje-eitje, omdat wij thuis al weinig vlees aten. De vegetari5 sche alternatieven rijzen gelukkig ook de pan uit. Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat ik nog steeds hamburgers zou kunnen eten, waarbij het verschil met echt vlees bijna niet meer te proeven is. Deze zijn gewoon van AH eigen merk. En ik ben ook dol op de broodjes bapao van de Vegetarische Slager.
35
40
45
5 3
25
4 30
De schokkende documentaire die we op school te zien kregen, gaat over de vele nadelen van de vleesindustrie. Vlees op ons bord zorgt niet alleen voor verdrietige koeien en benauwde kippen, maar ook voor schaduwkanten waar je misschien niet zo één-twee-drie op zou komen. Wist je bijvoorbeeld dat bijna het hele amazonegebied met de grond gelijk wordt gemaakt voor graslanden, zodat het vee kan grazen? De produc-
50
tie van vlees is ook de hoofdoorzaak van het uitsterven van dieren. Dit komt doordat één derde van het landoppervlak door veeteelt wordt ingenomen. De witte neushoorn is daar bijvoorbeeld de dupe van. Betere wereld Een wereld zonder dierlijke producten zou dus een stuk beter zijn. Dan zouden er niet nóg meer dieren uitsterven, want naast de witte neushoorn lopen ook dieren zoals panters, tijgers en apen gevaar. Als ik mijn steentje hieraan bij kan dragen door geen vlees meer te eten, dan doe ik dat dus graag. Dat is eigenlijk helemaal niet zo moeilijk, want die hamburgers en saucijzenbroodjes kan ik gewoon nog steeds eten.
20 Fragment begrijpen en erover nadenken Lees de vragen door. Bekijk en beluister fragment 8 intensief en maak aantekeningen. Beantwoord daarna de vragen.
a Wat is het onderwerp van fragment 8? b 1 Hoeveel kledingstukken kopen we in Nederland gemiddeld per jaar? 2 Hoeveel kledingstukken gooien we in Nederland gemiddeld per jaar weg?
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau c d e f g
Wat is er allemaal nodig om kleren te maken?
h i
Zet dit fragment jou aan tot nadenken over het ‘kledingprobleem’?
Waarom zijn polyester en nylon kledingstukken slecht voor het milieu? Wat kun jij volgens het fragment allemaal doen om het kledingoverschot te veranderen? De kledingindustrie kan kleding verhuren in plaats van verkopen. Wat vind jij van dat idee? a Waarom zal de kledingindustrie niet snel veranderen? b Wat vind jij van deze redenen? Fragment 8 is wel een/geen beschouwing. Leg je keuze uit.
21 Tekst begrijpen en analyseren Lees tekst 12 intensief en beantwoord de vragen.
a Waarom staat het woord statiegeld in de titel tussen aanhalingstekens? b 1 Onderstreep de kernzin van alinea 2. 2 Noteer het deelonderwerp van alinea 2.
c Om welke redenen is het inzamelen van afval goed voor het milieu? d 1 Het statiegeld is een ‘stok achter de deur’ om je oude troep niet zomaar overal te dumpen. (r. xx) Wat bedoelt de schrijver met deze zin? 2 Ben jij het eens of oneens met deze uitspraak? Leg je antwoord uit.
e f
Noteer voor elk van de vetgedrukte woorden in alinea 4 een passend verwijswoord.
g
‘Statiegeld’ in de vorm van spaarpunten of korting is gunstig voor de winkels. (r. xx) Vinden de winkeliers dit ook? Leg je antwoord uit met redenen uit de tekst.
h i j
Onderstreep de zin die de hoofdzaak van alinea 7 aangeeft.
k l
Wat is de mening van de schrijver over het heffen van ‘statiegeld’? Leg je antwoord uit.
Markeer in alinea 5 en 6 de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden. Gebruik voor elke soort signaalwoord een andere kleur.
Wat is de mening van de politiek over het heffen van ‘statiegeld’ volgens de tekst? 1 Jeroen van Dijken (...) zegt dat het helemaal geen probleem is. (r. xx) Wat is geen probleem volgens hem? 2 Welke redenen geeft hij bij zijn uitspraak? 1 Wat is het tekstdoel van tekst 12? a De lezer laten nadenken over de oplossing voor de troep op straat en de afvalberg. b De lezer overtuigen van het niet heffen van statiegeld op gebruikte spullen. c De lezer uitleggen dat het heffen van statiegeld een goede oplossing is. 2 Leg je keuze duidelijk uit.
7
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Naar: Menno Woudt, Statiegeld op gebruikte spullen? Van: https://www.sevendays.nl DUURZAAMHEID
‘STATIEGELD’ OP GEBRUIKTE SPULLEN? Er ligt in Nederland te veel troep op straat. Dat vindt een van de regeringspartijen. Daarom moet er ‘statiegeld’ op een heleboel producten komen. Een vergoeding voor bijvoorbeeld oude kleding: goed idee?
1
2 5
10
3 15
20
25
4 30
35
5 40
6 45
We gooien elk jaar per persoon meer dan vijfhonderd kilo aan afval weg. Een heleboel daarvan is nog goed te gebruiken en kan gerecycled worden. Dat gebeurt alleen nog te weinig. Daarom moet het inleveren van oude, gebruikte spullen worden gestimuleerd door een ‘retourpremie’ in te voeren. Er moet dan niet alleen ‘statiegeld’ komen voor oude kleding en speelgoed, maar ook voor kleine flesjes en blikjes.
50
55
7
Het inzamelen van afval is goed voor het milieu. Wanneer jouw oude spijkerbroek of plastic flesje in de natuur gaat rondzwerven, verpest dat de omgeving en moeten er weer nieuwe grondstoffen worden gebruikt om nieuwe producten te maken. Als je bedrijven verplicht gebruikte spullen in te nemen, worden beide zaken zo veel mogelijk voorko8 men. Het werkt al met statiegeld: 95 procent van de frisdrankflessen wordt ingeleverd bij de supermarkt en hergebruikt. Het statiegeld is een ‘stok achter de deur’ om je oude troep niet zomaar overal te dumpen. ‘Statiegeld’ in de vorm van spaarpunten of korting is gunstig voor de winkels. Winkels weten zo klanten aan zich te 9 binden, omdat klanten hun kortingsbon of spaarpunten daar toch ook weer in moeten ruilen. De spullen die je dan weer krijgt, kun je wéér inleveren, en … afijn, je hebt een idee. Het is ook niet onbelangrijk dat je iets terugkrijgt voor je ingeleverde spullen. Dat gebeurt niet zo snel als je het argeloos in de vuilnisbak kiepert. Hoe meer je inlevert hoe meer korting of spaarpunten. Dat klinkt nu al goed. Winkeliers zitten echter niet te springen om gebruikte spullen weer in te moeten nemen. Supermarkten vinden statiegeld
60
65
70
75
80
nu vaak al niets, omdat ze opgescheept zitten met al die plastic flessen en dan moeten de kleinere flesjes en blikjes daar ook nog bij. Te veel gedoe vinden ze. Ze zien liever dat de consumenten zelf hun afval goed scheiden. Dan kan er nog steeds gerecycled worden en hoeven de winkels zich er niet meer druk om te maken. Het instellen van een retourpremie zorgt voor onnodig veel ‘administratieve rompslomp’. Veel politieke partijen vinden het idee van statiegeld dan ook overbodig. Waarom moet de overheid zich bemoeien met wat mensen met hun spullen doen? Zo gaan er in de politiek ook veel stemmen op om het huidige statiegeld af te schaffen. Jeroen van Dijken, secretaris van de Raad Nederlandse Detailhandel, zegt dat het helemaal geen probleem is. Hij komt op voor de belangen van de winkels in Nederland. ‘Het is juist dat er goederen in de afvalbak verdwijnen’, stelt hij, ‘maar veel wordt al ingeleverd, terwijl oud speelgoed vaak naar familie of de kringloop gaat.’ Hij lijkt een punt te hebben, want op steeds meer plekken kun je je oude kleding of speelgoed al gewoon inleveren. Niet voor spaarpunten, maar voor een goed doel, zoals het Leger des Heils. Waarom zou je er zelf van moeten profiteren, als je anderen blij kunt maken met je gebruikte spullen?
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
22 Inhoud tekst begrijpen Lees tekst 13 intensief en beantwoord de vragen.
a Noteer een passend verwijswoord voor de vetgedrukte woorden in alinea 2. b 1 Markeer in alinea 3 de zin waaruit het standpunt van de schrijver blijkt. 2 Onderstreep het argument waarmee de schrijver zijn standpunt onderbouwt. 3 Aan welk signaalwoord herken je zijn argument? 4 Is dit argument van de schrijver gebaseerd op feiten? Leg je antwoord uit.
c d e f
Leg uit waarom Energiedrankjes wel of geen passend tussenkopje boven alinea 4 is. Noteer boven alinea 5 een tussenkopje dat past bij de boodschap van de alinea. Wat wil de schrijver eigenlijk zeggen met de laatste twee zinnen van alinea 5? 1 De zinnen Maar zou … zijn gekomen? (r. xx) en Nee, natuurlijk niet! (r. xx) behoren tot: a de hoofdzaak van alinea 5. b de bijzaken van alinea 5. 2 Leg je keuze uit.
g h
Wat bedoelt de schrijver met voeren een succesvolle lobby (r. xx)?
i j
Formuleer een kernzin voor alinea 6.
k l m n
Waarom vraagt de schrijver zich in alinea 7 af wie de mensen zijn die alles op straat smijten?
o
1 Markeer het signaalwoord voor tegenstelling dat de schrijver in alinea 6 gebruikt. 2 Welke tegenstelling geeft de schrijver met dit signaalwoord aan? De staatssecretaris zal vanaf 2021 statiegeld op plastic flesjes gaan heffen, als de doelstelling van 90 procent recycling niet wordt gehaald (alinea 3). Zal deze doelstelling gehaald worden? Baseer je antwoord op informatie uit alinea 6. Noteer in je eigen woorden wat een circulaire economie (r. xx) is. Op welke manier sluit de schrijver de tekst af? 1 Wat is het doel van tekst 13? a De lezer uitleg geven. b De lezer overtuigen. c De lezer zijn mening laten vormen. 2 Leg je keuze uit. Wat is de hoofdgedachte van tekst 13? Kies uit: a De Nederlandse regering moet stoppen met het uitstelgedrag en per direct statiegeld heffen op alle plastic flessen en blikjes. b De supermarkten moeten per direct stoppen met het tegenhouden van de heffing van statiegeld op alle plastic flessen en blikjes. c De overheid moet per direct statiegeld heffen op alle plastic flessen en blikjes om al het zwerfafval te laten verdwijnen.
7
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Bron: https://www.bndestem.nl MILIEU
STATIEGELD OP ALLEEN PLASTIC FLESJES IS NIET GOED GENOEG Bossen en bermen liggen er vol mee: zwerfafval. Vaak gaat het om blikjes en plastic flesjes. Daarom deze oproep aan de politiek: voer statiegeld in op meer dan plastic alleen!
1
2 5
10
3 15
20
25
4
30
De Brabantse Wal is een mooi natuurgebied, heerlijk om er te wandelen en te fietsen. Helaas ligt er ook enorm veel zwerfafval, waaronder duizenden blikjes en plastic flesjes, naast andere troep. Zwerfafval opruimen kost de Neder6 landse gemeenten, dus ons belastingbetalers, landelijk naar schatting 200 miljoen euro per jaar. En zwerfafval opruimen lost niets op, want het is dweilen met de kraan open. Veel gemeenten ruimen enkel nog het ergste vuil op dat bijvoorbeeld via de app Buiten Beter door burgers gemeld wordt. De staatssecretaris heeft een oplossing voor ogen. Zij wil in 2021 statiegeld op plastic flesjes gaan heffen, als de doelstelling van 90 procent recycling niet wordt gehaald. Dat gaat niet ver genoeg. Een groot deel van het afval langs de kant van de weg bestaat namelijk uit weggesmeten blikjes. Kijk zelf maar eens rond.
45
50
55
60
7 65
Energiedrankjes Ik ga er geen gewoonte van maken, maar vorige week heb ik op mijn wandeling een grijper en een paar vuilniszakken meegenomen. Binnen een half uur had ik 80 blikjes en 30 flesjes opgeraapt, op nog geen kilometer berm. Het merendeel betrof dus blikjes, vooral van energiedrankjes en bier.
70
75
5 35
40
Nu een rekensom: als er 10 cent statiegeld op het door mij verzamelde zwerfafval had gezeten, zou ik 11 euro verdiend hebben. Bij 15 cent 16,50 euro en bij 25 cent zelfs 27,50 euro. Dat zou een aardig uurloon zijn! In Duitsland is er een woord voor mensen die blikjes en flesjes verzamelen om het statiegeld
8
80
te incasseren: Pfandsammler. Maar zou ik dan ook met twee volle vuilniszakken naar huis zijn gekomen? Nee, natuurlijk niet! Waarom zijn we in Nederland zovoorzichtig met statiegeld? De levensmiddelenindustrie en de supermarkten zien het inzamelen niet zitten en voeren een succesvolle lobby. In 2002 beloofde het bedrijfsleven al om het zwerfafval met 80 procent te verminderen. Er volgden publiekscampagnes (Plastic Heroes, Schoon Belonen), maar het resultaat was nihil. De levensmiddelenindustrie kwam ermee weg en de politiek zat te suffen. De supermarkten hadden het geld beter kunnen besteden aan het aanschaffen van statiegeldmachines, zoals in Scandinavië en Duitsland. Waarom kan het daar wel? Vorig jaar oktober is er een Statiegeldalliantie opgericht. Alle gemeenten op de Brabantse Wal hebben zich daarbij aangesloten en ze zijn niet de enige. Inmiddels vragen meer dan tweehonderd gemeenten in Nederland om statiegeld op flesjes én blikjes in te voeren. Uit enquêtes blijkt een enorm maatschappelijk draagvlak: 80 procent van de mensen is voor uitbreiding van het statiegeldsysteem! Je vraagt je daarmee wel meteen af wie de mensen zijn die alles op straat smijten … De overige 20 procent? Uitstelgedrag Statiegeld past prima in de circulaire economie die in 2050 in Nederland gerealiseerd moet zijn. Afval bestaat dan niet meer; alle afval is grondstof, ingezameld via zuivere reststromen, bijvoorbeeld via statiegeld.
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Bron: https://www.bndestem.nl 9 85
Hopelijk gaat de Tweede Kamer een stap verder dan het plan van de staatssecretaris. Of blijven we eeuwig geduld hebben met het uitstelgedrag van de
90
fabrikanten en supermarkten? Kabinet en Tweede Kamer: hak de knoop door. Statiegeld op álle plastic flessen en blikjes! Nu.
23 Tekst begrijpen en analyseren Lees tekst 14 intensief.
a
1 Noteer in je eigen woorden wat een weergaloos idee (r. xx) is. 2 Noteer in je eigen woorden wat een behoorlijk omvangrijk probleem (r. xx) is.
b 1 Wat betekent de uitdrukking dweilen met de kraan open (r. xx)? 2 Leg uit waarom het werk van The Ocean Cleanup als dweilen met de kraan open wordt gezien.
c
1 Onderstreep de kernzin van alinea 2. 2 Noteer het deelonderwerp van alinea 2.
d e f g
Noteer de hoofdzaak van alinea 3. Gebruik maximaal dertig woorden.
h
Voor nu richt de organisatie zich echter alleen op het opruimen van een fractie van de rommel die we reeds gemaakt hebben en is er weinig aandacht voor preventie. (r. xx) Is deze zin een feit (objectief) of een mening (subjectief)? Leg je antwoord uit.
i
1 De titel van tekst 14 is een vraag. Wat is volgens de tekst het antwoord op deze vraag? 2 Noteer in ieder geval twee bewijzen uit de tekst bij je antwoord.
j
1 Tekst 14 bevat wel/geen betrouwbare informatie. 2 Onderbouw je antwoord met twee voorbeelden.
k
Wat is de hoofdgedachte van tekst 14? a The Ocean Cleanup is een briljant plan voor het opruimen van de plastic soep in de Grote Oceaan, maar een deel van het geld moet ook aan andere oplossingen worden uitgegeven. b The Ocean Cleanup is een goed plan voor het opruimen van een deel van de plastic soep, maar voor het oplossen van het plasticprobleem zijn daarnaast andere oplossingen nodig. c The Ocean Cleanup is een nutteloos plan voor het opruimen van de plastic soep, maar de organisatie heeft nu geen geld over voor andere basale en dus betere oplossingen.
l
1 Wat is het tekstdoel van tekst 14? a beschouwen b overtuigen c uitleg geven 2 Leg je antwoord uit aan de hand van voorbeelden uit de tekst.
Onderstreep de zin die de hoofdzaak van alinea 4 aangeeft. Wat wordt bedoeld met symptoombestrijding (r. xx)? 1 Vindt Van Franeker dat het werk van The Ocean Cleanup moet stoppen? 2 Welke voorbeelden geeft Van Franeker van basale oplossingen (r. xx)? 3 Wat bedoelt hij met basale oplossingen (r. xx)?
7
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Naar: https://www.scientias.nl DUURZAAMHEID
THE OCEAN CLEANUP: BRILJANT OF ZINLOOS? 1
5
2
10
15
20
25
3
Het opruimen van de plasticsoep klinkt als een weergaloos idee. Maar is dat het dan ook? 8 september 2018 is The Ocean Cleanup officieel van start gegaan. Het eerste 600 meter lange opruimsysteem wordt op dit moment voor de kust van San Francisco getest en moet over een paar weken naar de Great Garbage Patch in de Stille Oceaan worden gesleept om daar korte metten te maken met de plasticsoep.
Hoe werkt het? Het opruimsysteem bestaat uit een 600 meter lange, drijvende u-vormige ‘barrière’ waaraan een drie meter lang scherm hangt. Het complete systeem wordt voortbewogen door de wind en golven en beweegt net iets sneller dan drijvend plastic afval. Dat plastic is dan ook gedoemd om gevangen te komen zitten in de gigantische armen van het opruimsysteem. Op dit moment heeft The Ocean Cleanup één zo’n opruimsysteem in gebruik, maar op termijn hoopt de organisatie zeker zestig van deze systemen in de Stille Oceaan in te zetten. Het plastic dat zij ‘vangen’, zal zo af en toe door schepen worden opgeladen en naar land worden gebracht, alwaar het gerecycled kan worden. The Ocean Cleanup verwacht de plasticsoep met een vloot van zestig opruimsystemen in vijf jaar tijd te kunnen halveren. De omvang van het probleem Het is een geweldig plan dat op een hoop media-aandacht kan rekenen, maar gaat dit plan ook echt een ver-
30
35
40
45
50
schil maken? Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het goed om eerst eens te kijken naar het probleem dat The Ocean Cleanup wil aanpakken: de plasticvervuiling in zee. Dat is een behoorlijk omvangrijk probleem. Recente studies tonen aan dat er elk jaar rond de 8 miljoen ton plastic in zee belandt. Een deel van dat plastic belandt onder invloed van stroming in de zogenoemde Great Garbage Patch: een regio in de Stille Oceaan. In dit gebied schijnt meer dan 79.000 ton plastic te zijn. Dat is gigantisch veel, maar de plasticsoep vormt slechts een fractie van de totale hoeveelheid plastic die wij elk jaar naar zee brengen. The Ocean Cleanup wil die plasticsoep in vijf jaar halveren. Dat zou betekenen dat er in vijf jaar tijd zo’n 40.000 ton plastic uit de oceaan wordt gehaald. Ondertussen brengen wij in diezelfde periode zo’n 40 miljoen ton plastic naar zee. Over het werk van The Ocean Cleanup kun je dan zeggen: Dat is dweilen met de kraan open. Marine bioloog Jan Andries van Franeker denkt dan ook niet dat The Ocean Cleanup
7.7 Lezen, luisteren en denken op mijn niveau
Naar: https://www.scientias.nl 55
5 60
65
70
een grote impact zal hebben op dier en milieu. ‘Als we de plasticvervuiling – zowel op het land als op zee – niet stoppen, heeft The Ocean Cleanup slechts een gering effect.’ Symptoombestrijding De organisatie richt zich voor nu voornamelijk op symptoombestrijding. ‘Ik zou graag zien dat de organisatie de enorme hoeveelheid geld die ze bij elkaar heeft gebracht voor een aanzienlijk deel ook gebruikt om met basale oplossingen te komen’, vindt Van Franeker. ‘Denk aan technieken die het eenmalig gebruik van plastic tegengaan of het dichter bij de bron verzamelen van plastic afval. Dat laatste ziet The Ocean Cleanup zelf ook wel zitten. Op termijn hoopt de organisatie ook opruimsystemen te ontwikkelen die wat dichter bij de kust – mogelijk zelfs in riviermon-
75
80
85
90
95
dingen – worden ingezet en het plastic vangen voordat het het ruime sop kiest. Voor nu richt de organisatie zich echter alleen op het opruimen van een fractie van de rommel die we reeds gemaakt hebben en is er weinig aandacht voor preventie. The Ocean Cleanup is één groot avontuur; dit is nog nooit gedaan. En dus zullen we door schade en schande wijs moeten worden. De komende jaren zal duidelijk worden welke impact het ambitieuze plan van Boyan Slat op de plasticvervuiling heeft. Voor nu lijkt het erop dat The Ocean Cleanup een prijzenswaardig initiatief is, maar niet het verschil kan gaan maken waar velen op hopen. Voor dat verschil moeten we namelijk niet alleen op volle zee, maar ook – of zelf voornamelijk – op het land zijn.
24 Fragment begrijpen en mening vormen Lees de vragen door. Bekijk en beluister fragment 9 intensief en maak aantekeningen.
a b c d
Welke manier van inleiden gebruikt de voice-over?
e
1 Waarom wordt er een insect in de lolly verwerkt? 2 Waarom kiezen de mensen op straat overwegend voor de snoepjes waarin insecten zitten en niet voor de lolly?
f
‘Oh, dan ben ik gauw klaar. Dat lust ik niet.’ Dit zegt de meneer die een snoepje wil proeven. 1 Wat vind jij van zijn uitspraak? 2 Klopt zijn uitspraak op basis van de informatie uit het fragment?
g h i j
Hoe wordt kweekvlees volgens Peter Verstrate gemaakt?
k
28
Wat is het onderwerp van fragment 9? Waarom is volgens hoogleraar Dicke het eten van insecten belangrijk voor de toekomst? Insecten eten is heel normaal. 1 Welke voorbeelden geeft hoogleraar Dicke bij deze bewering? 2 Wat zijn de redenen dat er insecten in producten worden verwerkt?
Hoe duur was de eerste hamburger van kweekvlees? Waarom was die zo duur? Kweekvlees moet een competitief product worden. Wat wordt hiermee bedoeld? ‘Insecten eten is onvermijdelijk’ is de titel van fragment 9. Deze titel kun je op basis van de inhoud van het fragment op twee manieren uitleggen. Welke twee? Heeft de inhoud van fragment 9 jouw idee over het eten van insecten veranderd? Leg je antwoord uit.
7
7.8 Een betere plek om te leven
7.8 Een betere plek om te leven In 2015 ondertekenden de 193 wereldleiders van de Verenigde Naties het document waarin 17 Werelddoelen zijn opgenomen. Deze Werelddoelen moeten ervoor zorgen dat de wereld in 2030 een betere plek is om te leven. Voor iedereen! Op 1 juni 2017 benoemde het ministerie van Buitenlandse Zaken de zeventien kinderen uit de campagne tot kinderambassadeurs voor de Werelddoelen. De aankomende jaren denken zij mee over oplossingen voor een eerlijke, veilige en schone wereld. Kijk op www.17doelendiejedeelt.nl. Bekijk en beluister ook de fragmenten van twee van de. kinderambassadeurs. Wat kun jij doen? Heb jij ook een idee? Schrijf ons jouw oplossing. Veel ideeën en initiatieven zorgen uiteindelijk voor een gezonde planeet.
fragment 10
fragment 11
fragment 12
Tijdens het doorwerken van dit hoofdstuk heb je al veel gelezen, gehoord, nagedacht en gesproken over de toekomst van de aarde en de problemen waar we mee te maken hebben op het gebied van kleding, voedsel en plastic. Deze informatie gebruik je bij het schrijven van een tekst waarin je de oplossing voor één van de problemen bekijkt. Lees de opdracht eerst helemaal door, zodat je weet wat je gaat doen. Let bij de beoordeling van je tekst op de volgende punten: Geschreven tekst • stijlregel 1 t/m 12. Gesproken tekst • rubrics Voorbereiding nummer 2. • rubrics Inhoud nummer 4, 6. • rubrics Structuur nummer 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16. • rubrics Publiekgerichtheid nummer 22, 23. • rubrics Woordenschat nummer 29. • rubrics Taalverzorging nummer 30, 31, 32.
Beschouwende tekst voorbereiden a
Bekijk het beoordelingsmodel bij deze opdracht. Bekijk ook de verbeterpunten die je voor jezelf hebt genoteerd bij opdracht 11.
b Kies een van de onderwerpen: kleding, voedsel of plastic. c 1 Neem de teksten en de fragmenten over je onderwerp in dit hoofdstuk globaal door. 2 Noteer de informatie die je wilt gebruiken en noteer ook alvast de bron.
d Maak een mindmap bij jouw onderwerp. • • •
Noteer het onderwerp in het midden. Maak vertakkingen voor: beschrijving probleem, oplossing, voordeel oplossing, nadeel oplossing. Vul de vertakkingen verder aan op basis van de informatie uit het hoofdstuk.
e
Zoek nog één of twee betrouwbare bronnen op internet, lees die intensief door en verwerk ook die informatie in je mindmap.
f
Vul op basis van je mindmap het schrijfplan in. • Kies je publiek: volwassenen of leeftijdgenoten. • Bedenk een aantrekkelijke en passende titel.
7.8 Een betere plek om te leven
Onderwerp: Tekstdoel: beschouwen Publiek: Titel: Gebruikte bronnen: Inleiding
Manier(en):
Alinea
Deelonderwerp
2
Probleem
3
Oplossing
4
Voordeel/voordelen oplossing
5
Nadeel/nadelen oplossing
Slot
Manier(en):
Inhoud in kernwoorden
g
Bestudeer je schrijfplan en zorg ervoor dat je bij de volgende opdracht in maximaal twee minuten aan twee klasgenoten kunt vertellen wat je wilt gaan schrijven.
h
Formuleer zo nodig één of een paar punten waarover je feedback wilt van je klasgenoten.
Informatie schrijfplan delen i j
Vorm een groep van drie. Ieder van jullie heeft een ander onderwerp gekozen.
k
Maak aantekeningen tijdens de spreekbeurt van je groepsgenoten. Zet daarbij drie hoeden op: • De witte hoed: noteer je opmerkingen als het gaat om objectieve informatie. Klopt deze, mis je iets? • De groene hoed: noteer wat je goed vindt aan de oplossing of wat een alternatief kan zijn. • De zwarte hoed: noteer kritische opmerkingen over de oplossing en de voor- en nadelen.
l
Houd voor elke spreker een feedbackronde. • Stel zo nodig vragen ter verduidelijking. • Deel de aantekeningen van vraag 11. • Bespreek de inbreng met elkaar.
Vertel elkaar om de beurt de inhoud van de tekst die je gaat schrijven. Houd hierbij rekening met de volgende punten: • De structuur van je tekst is voor de ander helder. • De hoofdpunten van elke alinea zijn duidelijk. • Je zinnen zijn goed opgebouwd. • Spreek niet langer dan twee minuten.
m Verwerk de feedback bij de inhoud van je tekst in het schrijfplan.
Tekst schrijven n
Schrijf je tekst. • De tekst telt tussen de 300 en 400 woorden. • Begin elke alinea met de kernzin. • Geef in de rest van de alinea toelichting/voorbeelden bij de kernzin. • Gebruik signaal- en verwijswoorden. • Verbind de alinea’s met signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden aan elkaar. • Noteer minimaal twee passende tussenkopjes in de tekst. • Formuleer correcte zinnen. • Spel de woorden op de juiste manier.
7
7.8 Een betere plek om te leven
Feedbackronde op de tekst o
Vorm weer de groep van drie klasgenoten (zie vraag 9). Vertel elkaar welke feedback je hebt verwerkt in je schrijfplan en dus in je tekst.
p Verdeel jullie teksten in je groepje. Ieder leest dus een tekst van een ander. Houd de beoordelingscriteria erbij.
q Geef elkaar na de leesronde hardop feedback op de beoordelingscriteria. • •
r
Vraag en geef uitleg als dat nodig is. Houd je aan de gespreksregels.
Verwerk de feedback in je tekst.
Tussenstand /terugblik Binnen het thema schone aarde heb je je verdiept in de voetafdruk van mode, voedsel en plastic. Je kunt nu nog beter hoofdzaken van bijzaken onderscheiden en je eigen mening vormen over een onderwerp. Misschien is je mening over een van de onderwerpen in het hoofdstuk zelfs veranderd? Kijk nu terug op de inhoud van het hoofdstuk, de door jouw gekozen route en de eindopdracht. Beantwoord de volgende vragen en leg je antwoord elke keer kort uit.
Hoofdstuk a Vond je het thema van dit hoofdstuk interessant? b Welke drie punten over dit thema zou jij vertellen aan iemand die daarnaar vraagt? c Welke opdrachten van dit hoofdstuk vond jij leuk om uit te voeren?
Route a Bekijk de tussenstand (p. 000) die je hebt ingevuld voor het kiezen van de route. Zou je bij een of meer onderdelen nu andere smileys zetten? Bij welk(e) en waarom? b Welke onderdelen van lezen wilde je bij de terugblik op de route van hoofdstuk 5 verbeteren? c Heb je deze onderdelen verbeterd? d Waardoor komt het dat je deze onderdelen wel of niet hebt verbeterd?
Eindopdracht a Wat ging goed bij deze opdracht? Noteer twee dingen die jij heel goed vond gaan. b Waarom gingen die dingen zo goed? c Bij de terugblik van de eindopdracht van hoofdstuk 5 heb je voor jezelf een tip geformuleerd. Heb je deze tip gebruikt? Waarom wel of niet? d Wat heb je geleerd van deze opdracht? e Wat zou je een leerling adviseren die deze opdracht nog moet maken? f Ben je tevreden over de niveaus van de rubrics Schrijven die je dit schooljaar hebt behaald?
33
Inhoud Taalverzorging
Inhoud Taalverzorging In de hoofdstukken 1 t/m 9 ga je binnen een thema aan de slag met taalvaardigheid. In het leerstofoverzicht (zie p. 2-3) staat bij deze hoofdstukken aangegeven wat je van spelling, grammatica en formuleren moet weten en kunnen toepassen. Deze vaardigheden tellen mee in de beoordeling van opdrachten en toetsen. Je kunt de opdrachten Taalverzorging op verschillende momenten maken: • voordat je begint aan een hoofdstuk; • tijdens het werken aan een hoofdstuk; • als uit een beoordeling blijkt dat je fouten maakt in taalverzorging. Hfdst.
Paragraaf
Hfdst
Grammatica
Woordenschat
Woordsoorten • werkwoord • zelfstandig naamwoord • lidwoord • bijvoeglijk naamwoord • voorzetsel • persoonlijk voornaamwoord • bezittelijk voornaamwoord • zelfstandig werkwoord • hulpwerkwoord
Woordbetekenissen • schooltaalwoorden • woordenboek • woordraadstrategieën
Zinsdelen • werkwoord en werkwoordsvormen • onderwerp • zinnen en zinsdelen • lijdend voorwerp • werkworodstijden • meewerkend voorwerp (met ‘aan’ en ‘voor’) • bijwoordelijke bepaling
Spelling Leestekens • hoofdletters • punt • uitroepteken • vraagteken • komma • dubbele punt • apostrof Spellingregels • lettergrepen (woorden afbreken) • bezitsvorm • bijvoeglijk naamwoord • meervoud • verkleinwoorden • samenstellingen • afkortingen Werkwoordspelling • werkwoorden vervoegen • persoonsvorm tegenwoordige tijd • persoonsvorm verleden tijd • voltooid deelwoord
Taalgebruik • synoniemen en antoniemen • homoniemen en homofonen
Formuleren Formuleringsfouten • congruentiefout Stijlregels • stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens. • stijlregel 2: Gebruik geen afkortingen. • stijlregel 3: Maak hele zinnen. • stijlregel 4: Spreek je publiek aan op de juiste manier. (formeel en informeel taalgebruik) • stijlregel 5: Gebruik begrijpelijke woorden. • stijlregel 6: Maak niet te lange zinnen. • stijlregel 7: Vermijd stopwoorden. • stijlregel 8 : Gebruik verwijswoorden op de goede manier. • stijlregel 9: Gebruik signaalwoorden om het verband aan te geven. • stijlregel 10: Gebruik een komma bij een opsomming. • stijlregel 11: Gebruik een bronvermelding als je tekst overneemt. • stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden. Bijzonder taalgebruik • letterlijk en figuurlijk taalgebruik • stijlfiguren
Taalbeschouwing Woordvorming • trappen van vergelijking • samenstellingen • afleidingen Taalvariatie • sociale taalvariatie ( • vaktaal • jongerentaal • sociale media Over taal • beeldtaal (pictogram)
Paragraaf
13
Formuleren
1.1 Formuleringsfouten 1
Formuleringsfouten Kijk en luister naar dit fragment met Fred en Ria van het tv-programma Draadstaal.
a
Hoe komt Fred in dit fragment op jou over? Leg uit hoe zijn taalgebruik daaraan bijdraagt.
2 Congruentiefouten Lees de voorbeeldzin. De analyse van de persoonlijke gegevens blijven in handen van de onderzoekers.
a
Leg uit waarom de zinsbouw van deze zin niet correct is.
Lees de theorie over congruentiefouten en controleer je antwoord.
On
de
on c r
str
ie! t c u
In sommige van de volgende zinnen staat een congruentiefout.
b Geef aan welke zinnen een congruentiefout bevatten. □ □ □ □ □ □ □
Tijdens de ouderavond werd de gevolgen voor de leerlingen besproken. Het grote aantal onvoldoendes verraste de docent van de hardwerkende klas. Ondanks de lange periode van droogte liggen de voetbalvelden er nog goed bij. De school heeft regels opgesteld die de veiligheid van de leerlingen garandeert. Dinah en haar beste vriendin gaan in de pauze muziek luisteren. Een zwerm bijen achtervolgden de imker, die hard wegrende. Mijn ouders houden niet van scherp eten, dus wil ze ook liever niet naar de Mexicaan.
3
3
13
Formuleren er
d On
! e i t uc
r
st n co
1.1 Formuleringsfouten 1
Formuleringsfouten Kijk en luister naar dit fragment met Fred en Ria van het tv-programma Draadstaal.
a
Hoe komt Fred in dit fragment op jou over? Leg uit hoe zijn taalgebruik daaraan bijdraagt.
2 Congruentiefouten Lees de voorbeeldzin. De analyse van de persoonlijke gegevens blijven in handen van de onderzoekers.
a
Leg uit waarom de zinsbouw van deze zin niet correct is.
Lees de theorie over congruentiefouten en controleer je antwoord.
er
d On
2
ie! t c u
In sommige van de volgende zinnen staat een congruentiefout.
b Geef aan welke zinnen een congruentiefout bevatten.
co
r nst
□ □ □ □ □ □ □
2
Tijdens de ouderavond werd de gevolgen voor de leerlingen besproken. Het grote aantal onvoldoendes verraste de docent van de hardwerkende klas. Ondanks de lange periode van droogte liggen de voetbalvelden er nog goed bij. De school heeft regels opgesteld die de veiligheid van de leerlingen garandeert. Dinah en haar beste vriendin gaan in de pauze muziek luisteren. Een zwerm bijen achtervolgden de imker, die hard wegrende. Mijn ouders houden niet van scherp eten, dus wil ze ook liever niet naar de Mexicaan.
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels c
Verbeter de zinnen die een congruentiefout bevatten. 1 Tijdens de ouderavond werd de gevolgen voor de leerlingen besproken. 2 De school heeft regels opgesteld die de veiligheid van de leerlingen garandeert. 3 Een zwerm bijen achtervolgden de imker, die hard wegrende. 4 Mijn ouders houden niet van scherp eten, dus wil ze ook liever niet naar de Mexicaan.
3 Oriëntatie Bekijk de advertentie.
d Vul de juiste werkwoordsvorm in. Gebruik de tegenwoordige tijd als de tijd niet duidelijk uit de zin blijkt. 1 Samen met zijn twee beste vrienden
(gaan) Mees naar de wedstrijd.
2 Er (zijn) vorige week een heleboel mensen op de been om de kampioen te verwelkomen. 3 Volgende week nu doen. 4 De Bahama’s
(komen) verschillende oud-leerlingen vertellen over het werk dat ze (staan) bekend om de witte stranden en wuivende palmbomen.
5 Het transport van vee en andere dieren
(stoten) dagelijks veel CO2 uit.
6 De leerlingen hebben onderling afspraken gemaakt die pestgedrag voorkomen.
e
(moeten)
a
Verbeter de vier zinnen die een congruentiefout bevatten. 1 Uit de stemming bleek dat het merendeel van de aanwezigen tegen de komst van een skatepark zijn. 2 Toen Mark met zijn beste vrienden naar de stad wilden, reden de bussen niet. 3 De Nederlandse Spoorwegen hopen met het vervangend busvervoer tegemoet te komen aan de wensen van de reizigers. 4 Een kudde paarden staken vanmorgen plotseling de snelweg over. 5 Sociale media zorgen bij veel jongeren voor concentratieproblemen. 6 De helft van de genodigden waren niet op tijd aanwezig om de officiële opening mee te maken.
Verbeter de fout. Ga je door deze fout anders over de schrijver van de tekst denken? Leg je antwoord uit.
b In welke van de volgende teksten kun je beter geen spel- en taalfouten maken? □ □ □ □ □ □ □
Kijk of het onderwerp enkelvoud of meervoud is. De persoonsvorm moet bij het onderwerp passen.
Een e-mailbericht aan een vriendin. Een bericht op Facebook. Een e-mail aan een bedrijf. Een blogtekst. Een dagboektekst. Een brief aan de gemeente. Een schrijfopdracht voor school.
Meestal wil je dat je boodschap zo goed mogelijk overkomt bij de lezer. Je moet er dan voor zorgen dat je geen spel- en taalfouten maakt. Er zijn ook tekstsoorten waarbij fouten minder storend zijn. Bij de vorige opdracht heb je aangegeven in welke teksten je beter geen spel- en taalfouten kunt maken.
c
Leg uit waarom je in sommige van de volgende teksten beter geen spel- en taalfouten kunt maken. • Een e-mailbericht aan een vriendin. • Een bericht op Facebook. • Een e-mail aan een bedrijf. • Een blogtekst. • Een dagboektekst. • Een brief aan de gemeente. • Een schrijfopdracht voor school.
5
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels c
Verbeter de zinnen die een congruentiefout bevatten. 1 Tijdens de ouderavond werd de gevolgen voor de leerlingen besproken. 2 De school heeft regels opgesteld die de veiligheid van de leerlingen garandeert. 3 Een zwerm bijen achtervolgden de imker, die hard wegrende. 4 Mijn ouders houden niet van scherp eten, dus wil ze ook liever niet naar de Mexicaan.
3 Oriëntatie Bekijk de advertentie.
d Vul de juiste werkwoordsvorm in. Gebruik de tegenwoordige tijd als de tijd niet duidelijk uit de zin blijkt. 1 Samen met zijn twee beste vrienden
(gaan) Mees naar de wedstrijd.
2 Er (zijn) vorige week een heleboel mensen op de been om de kampioen te verwelkomen. 3 Volgende week nu doen. 4 De Bahama’s
(komen) verschillende oud-leerlingen vertellen over het werk dat ze (staan) bekend om de witte stranden en wuivende palmbomen.
5 Het transport van vee en andere dieren
(stoten) dagelijks veel CO2 uit.
6 De leerlingen hebben onderling afspraken gemaakt die pestgedrag voorkomen.
e
(moeten)
a
Verbeter de vier zinnen die een congruentiefout bevatten. 1 Uit de stemming bleek dat het merendeel van de aanwezigen tegen de komst van een skatepark zijn. 2 Toen Mark met zijn beste vrienden naar de stad wilden, reden de bussen niet. 3 De Nederlandse Spoorwegen hopen met het vervangend busvervoer tegemoet te komen aan de wensen van de reizigers. 4 Een kudde paarden staken vanmorgen plotseling de snelweg over. 5 Sociale media zorgen bij veel jongeren voor concentratieproblemen. 6 De helft van de genodigden waren niet op tijd aanwezig om de officiële opening mee te maken.
Verbeter de fout. Ga je door deze fout anders over de schrijver van de tekst denken? Leg je antwoord uit.
b In welke van de volgende teksten kun je beter geen spel- en taalfouten maken? □ □ □ □ □ □ □
Kijk of het onderwerp enkelvoud of meervoud is. De persoonsvorm moet bij het onderwerp passen.
4
Een e-mailbericht aan een vriendin. Een bericht op Facebook. Een e-mail aan een bedrijf. Een blogtekst. Een dagboektekst. Een brief aan de gemeente. Een schrijfopdracht voor school.
Meestal wil je dat je boodschap zo goed mogelijk overkomt bij de lezer. Je moet er dan voor zorgen dat je geen spel- en taalfouten maakt. Er zijn ook tekstsoorten waarbij fouten minder storend zijn. Bij de vorige opdracht heb je aangegeven in welke teksten je beter geen spel- en taalfouten kunt maken.
c
Leg uit waarom je in sommige van de volgende teksten beter geen spel- en taalfouten kunt maken. • Een e-mailbericht aan een vriendin. • Een bericht op Facebook. • Een e-mail aan een bedrijf. • Een blogtekst. • Een dagboektekst. • Een brief aan de gemeente. • Een schrijfopdracht voor school.
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
c
Kopieer de tekst en voeg de ontbrekende hoofdletters en leestekens toe. Fluisteren of tikken: amina (12) maakt populaire ASMR-video’s amina van 12 heeft haar eigen kanaal op youtube waarop ze iedere week ASMR-video’s post dat zijn filmpjes met rustgevende geluiden ze fluistert bijvoorbeeld of tikt zachtjes met haar vingers filmpjes met dat soort rustgevende geluiden zijn hartstikke populair mensen worden er rustig van of vallen er zelfs door in slaap vaak zijn ze miljoenen keren bekeken wat is ASMR de term is een Engelse afkorting het staat voor een tintelend gevoel dat je kunt krijgen als je iets fijns hoort of voelt veel mensen krijgen dat gevoel van zachte geluiden zoals een fluisterende stem of ritselend papier Naar: Jeugdjournaal.nl
4 Stijlregel 1 en 2 1 Gebruik hoofdletters en leestekens. 2 Gebruik geen afkortingen. Lees de tekst van een contactadvertentie uit een krant.
5 Stijlregel 3 en 4
a’dam aantr. m. 50+, hbo, fin. onafh., n.r., zkt. rust. sl. spont. bl. vr. <1.75 voor ser. rel.
3 Maak hele zinnen.
Schrijf de contactadvertentie volledig uit. Verklaar waarom deze tekst zo in de krant heeft gestaan. Gebruik je zelf weleens afkortingen? Zo ja, in wat voor soort teksten? In welke teksten horen afkortingen volgens jou niet thuis? Leg uit waarom.
4 Spreek je publiek op de juiste manier aan. Lees de zinnen. Kunt u mij misschien vertellen waar het station is? Hé, waar is het station? In beide zinnen wordt eigenlijk dezelfde vraag gesteld, maar de boodschap komt anders over.
a Leg het verschil tussen de zinnen uit. b In welke zinnen is stijlregel 3 niet goed toegepast?
a
□ □ □ □ □ □ In welke zinnen zijn de stijlregels 1 en 2 niet goed toegepast? □ Waar denk jij dat Cato haar dagboek heeft verstopt. □ Zonder Tim wil Joep liever niet naar het feestje van Yara. □ Voordat we vertrekken, moet ik eerst nog ff plassen. □ Wil degene die rommel maakt, dit ook zelf opruimen!!! □ Pff, die kisten met appels zijn behoorlijk zwaar! □ Btw, vergeet je niet vanavond het oud papier aan de straat te zetten?
c
Morgenvroeg eerst met de bus naar de tandarts, dan pas naar school. Zonder je handen aan het stuur fietst toch wat onhandig. Het maakt niet uit hoe laat je zaterdag langskomt, zolang het maar vóór drie uur is. Heb geen idee waar Beltrum ligt. Ben vanmorgen al voordat de wekker ging opgestaan. Pff, wat een uitslover is dat!
Verbeter de zinnen. 1 Ben echt helemaal klaar met dat irritante liedje dat steeds op de radio komt. 2 In het pretpark afgelopen zaterdag twaalf keer in de achtbaan geweest. 3 Weet niet wanneer ik de toets mag herkansen. 4 Zal voor de zekerheid die middag vrijhouden. 5 Deze zomer op vakantie naar Terschelling geweest.
b Verbeter de zinnen. 1 2 3 4 5 6 7 8
Of het nu regent of niet, de training gaat vanavond sws door. Als ik de betekenis van een woord niet ken, zoek ik die op in de van dale. Pas op, achter je!! Veel afko’s maken een tekst vaak moeilijk leesbaar. Ik weet niet wanneer ik de uitslag krijg, maar wrsch pas na het weekend? Ik zal iig een set schone kleding meenemen op survivalweekend. Wie heeft er zin om morgen mee te gaan naar de film. Morgen gaan we alysha en jiro ophalen op weg naar utrecht?
d Geef aan of je in de volgende situaties formele of informele taal gebruikt.
7
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
c
Kopieer de tekst en voeg de ontbrekende hoofdletters en leestekens toe. Fluisteren of tikken: amina (12) maakt populaire ASMR-video’s amina van 12 heeft haar eigen kanaal op youtube waarop ze iedere week ASMR-video’s post dat zijn filmpjes met rustgevende geluiden ze fluistert bijvoorbeeld of tikt zachtjes met haar vingers filmpjes met dat soort rustgevende geluiden zijn hartstikke populair mensen worden er rustig van of vallen er zelfs door in slaap vaak zijn ze miljoenen keren bekeken wat is ASMR de term is een Engelse afkorting het staat voor een tintelend gevoel dat je kunt krijgen als je iets fijns hoort of voelt veel mensen krijgen dat gevoel van zachte geluiden zoals een fluisterende stem of ritselend papier Naar: Jeugdjournaal.nl
4 Stijlregel 1 en 2 1 Gebruik hoofdletters en leestekens. 2 Gebruik geen afkortingen. Lees de tekst van een contactadvertentie uit een krant.
5 Stijlregel 3 en 4
a’dam aantr. m. 50+, hbo, fin. onafh., n.r., zkt. rust. sl. spont. bl. vr. <1.75 voor ser. rel.
3 Maak hele zinnen.
Schrijf de contactadvertentie volledig uit. Verklaar waarom deze tekst zo in de krant heeft gestaan. Gebruik je zelf weleens afkortingen? Zo ja, in wat voor soort teksten? In welke teksten horen afkortingen volgens jou niet thuis? Leg uit waarom.
4 Spreek je publiek op de juiste manier aan. Lees de zinnen. Kunt u mij misschien vertellen waar het station is? Hé, waar is het station? In beide zinnen wordt eigenlijk dezelfde vraag gesteld, maar de boodschap komt anders over.
a Leg het verschil tussen de zinnen uit. b In welke zinnen is stijlregel 3 niet goed toegepast?
a
□ □ □ □ □ □ In welke zinnen zijn de stijlregels 1 en 2 niet goed toegepast? □ Waar denk jij dat Cato haar dagboek heeft verstopt. □ Zonder Tim wil Joep liever niet naar het feestje van Yara. □ Voordat we vertrekken, moet ik eerst nog ff plassen. □ Wil degene die rommel maakt, dit ook zelf opruimen!!! □ Pff, die kisten met appels zijn behoorlijk zwaar! □ Btw, vergeet je niet vanavond het oud papier aan de straat te zetten?
c
Morgenvroeg eerst met de bus naar de tandarts, dan pas naar school. Zonder je handen aan het stuur fietst toch wat onhandig. Het maakt niet uit hoe laat je zaterdag langskomt, zolang het maar vóór drie uur is. Heb geen idee waar Beltrum ligt. Ben vanmorgen al voordat de wekker ging opgestaan. Pff, wat een uitslover is dat!
Verbeter de zinnen. 1 Ben echt helemaal klaar met dat irritante liedje dat steeds op de radio komt. 2 In het pretpark afgelopen zaterdag twaalf keer in de achtbaan geweest. 3 Weet niet wanneer ik de toets mag herkansen. 4 Zal voor de zekerheid die middag vrijhouden. 5 Deze zomer op vakantie naar Terschelling geweest.
b Verbeter de zinnen. 1 2 3 4 5 6 7 8
6
Of het nu regent of niet, de training gaat vanavond sws door. Als ik de betekenis van een woord niet ken, zoek ik die op in de van dale. Pas op, achter je!! Veel afko’s maken een tekst vaak moeilijk leesbaar. Ik weet niet wanneer ik de uitslag krijg, maar wrsch pas na het weekend? Ik zal iig een set schone kleding meenemen op survivalweekend. Wie heeft er zin om morgen mee te gaan naar de film. Morgen gaan we alysha en jiro ophalen op weg naar utrecht?
d Geef aan of je in de volgende situaties formele of informele taal gebruikt.
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
formeel taalgebruik
informeel taalgebruik
• Je spreekt met een oudere man met een hond die je onderweg tegenkomt.
◯
◯
• Je spreekt met de rector als je uit de klas bent gestuurd.
◯
◯
• Je spreekt met je vrienden af om te gaan schaatsen.
◯
◯
• Je spreekt met de dokter om uit te leggen waar je pijn hebt.
◯
◯
• Je spreekt met je buurjongen die een grapje maakt over je nieuwe kapsel.
◯
◯
• Je stuurt een e-mail naar een docent met een vraag over het huiswerk.
◯
• Je stuurt een klachtenbrief aan je telefoonprovider.
f
Zet de woorden op volgorde van formeel naar informeel.
▢▢ontvreemden ▢▢achteroverdrukken ▢▢stelen ▢▢jatten g
Geef aan of de volgende zinnen formele of informele taal bevatten. formeel
informeel
• Hierbij verklaar ik de vergadering voor geopend.
◯
◯
◯
• Vergeet je niet je horloge te laten repareren?
◯
◯
◯
◯
• Over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd.
◯
◯
• Je schrijft een kaart om je tante te feliciteren met haar verjaardag.
◯
◯
• Ik verwacht niet dat we nog eens naar Schotland op vakantie zullen gaan.
◯
◯
• Je chat met de klantenservice van de bank, omdat je je pinpas bent verloren.
◯
◯
• Wij verheugen ons op uw komst.
◯
◯
Je hebt een artikel gelezen over Franse restaurants die het maken van foto’s van je eten willen gaan verbieden. Je wilt daar graag op reageren, dus besluit je een e-mail te schrijven aan de (jou onbekende) auteur van het artikel. Tekst 1 Beste mevrouw, Deze week las ik in de krant uw tekst over foto’s maken van je eten en het verbod hierop in een aantal Franse restaurants. In deze mail geef ik mijn reactie. Ik snap wel dat er restaurants zijn die een verbod op fotograferen invoeren. Niet dat ik vind dat je nergens eten mag fotograferen, maar de aandacht gaat wel van het eten naar de foto’s en wat je daarmee kunt doen. Wat ik zelf heel vervelend vind, zijn de flitslichten. Daarmee kun je andere gasten lastigvallen. Elk restaurant zou een verbod op flitsen moeten instellen. Ik ben benieuwd naar de andere reacties. Wilt u mij laten weten waar ik die kan lezen? Met vriendelijke groet, C. de Geijn Tekst 2 Hai Carolien, In je krantje las ik over de actie van een aantal Franse restaurants. Belachelijk hoor. Wat maakt dat nou uit of die mensen foto’s maken van hun eten? Moeten ze toch lekker zelf weten. Zij laten hun eten hartstikke koud worden. Die koks hebben hun werk toch gedaan. Waar bemoeien ze zich mee. Echt een overdreven reactie. Ik vind het altijd leuk om te zien wat iedereen eet. Nou, hier heb je dan mijn ongezouten mening. Doei, Cheyenne
e
De woordkeuze bepaalt voor een deel of de zin formeel of informeel is.
6 Stijlregel 5, 6 en 7 5 Gebruik begrijpelijke woorden. 6 Maak niet te lange zinnen. 7 Vermijd stopwoorden zo veel mogelijk. In de supermarkt zie je bij het schap met jouw favoriete appelsoort deze tekst hangen. Het moeizame importseizoen en de vertraging van het Hollandse seizoen zorgen voor een gat in de aansluiting van de teelt, hetgeen resulteert in extreme tekorten en kwaliteitsproblemen. Effecten van beschikbaarheid en kwaliteit leiden tot een extreem hoog prijsniveau, waardoor niet alles geleverd of gequoteerd wordt. Hiervoor onze excuses.
a
Bereikt de winkelier met deze tekst zijn doelgroep? Leg uit waarom wel of niet.
b Wat had de winkelier beter anders kunnen doen?
c
Schrijf een verbeterde versie van de tekst. Je mag informatie die niet belangrijk is voor de doelgroep weglaten.
Welke tekst past het best bij het publiek? Leg je antwoord uit.
d Herschrijf de zinnen. • Kies een eenvoudiger woord voor de vetgedrukte woorden. • Deel de zin op in een aantal kortere zinnen. 1 Onze oceanen zijn door verschillende oorzaken ernstig verontreinigd, want verwering, zonlicht en golfslag zorgen ervoor dat plastic dat door fabrieken wordt geloosd en door vissers en schepen in het water wordt gegooid in de oceanen zakt. 2 De TassenBol is een initiatief van Nederlanders die de vervuiling van het milieu door plastic tasjes willen stoppen door op plaatsen als scholen, supermarkten en bibliotheken een TassenBol 9
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
formeel taalgebruik
informeel taalgebruik
• Je spreekt met een oudere man met een hond die je onderweg tegenkomt.
◯
◯
• Je spreekt met de rector als je uit de klas bent gestuurd.
◯
◯
• Je spreekt met je vrienden af om te gaan schaatsen.
◯
◯
• Je spreekt met de dokter om uit te leggen waar je pijn hebt.
◯
◯
• Je spreekt met je buurjongen die een grapje maakt over je nieuwe kapsel.
◯
◯
• Je stuurt een e-mail naar een docent met een vraag over het huiswerk.
◯
• Je stuurt een klachtenbrief aan je telefoonprovider.
f
Zet de woorden op volgorde van formeel naar informeel.
▢▢ontvreemden ▢▢achteroverdrukken ▢▢stelen ▢▢jatten g
Geef aan of de volgende zinnen formele of informele taal bevatten. formeel
informeel
• Hierbij verklaar ik de vergadering voor geopend.
◯
◯
◯
• Vergeet je niet je horloge te laten repareren?
◯
◯
◯
◯
• Over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd.
◯
◯
• Je schrijft een kaart om je tante te feliciteren met haar verjaardag.
◯
◯
• Ik verwacht niet dat we nog eens naar Schotland op vakantie zullen gaan.
◯
◯
• Je chat met de klantenservice van de bank, omdat je je pinpas bent verloren.
◯
◯
• Wij verheugen ons op uw komst.
◯
◯
Je hebt een artikel gelezen over Franse restaurants die het maken van foto’s van je eten willen gaan verbieden. Je wilt daar graag op reageren, dus besluit je een e-mail te schrijven aan de (jou onbekende) auteur van het artikel. Tekst 1 Beste mevrouw, Deze week las ik in de krant uw tekst over foto’s maken van je eten en het verbod hierop in een aantal Franse restaurants. In deze mail geef ik mijn reactie. Ik snap wel dat er restaurants zijn die een verbod op fotograferen invoeren. Niet dat ik vind dat je nergens eten mag fotograferen, maar de aandacht gaat wel van het eten naar de foto’s en wat je daarmee kunt doen. Wat ik zelf heel vervelend vind, zijn de flitslichten. Daarmee kun je andere gasten lastigvallen. Elk restaurant zou een verbod op flitsen moeten instellen. Ik ben benieuwd naar de andere reacties. Wilt u mij laten weten waar ik die kan lezen? Met vriendelijke groet, C. de Geijn Tekst 2 Hai Carolien, In je krantje las ik over de actie van een aantal Franse restaurants. Belachelijk hoor. Wat maakt dat nou uit of die mensen foto’s maken van hun eten? Moeten ze toch lekker zelf weten. Zij laten hun eten hartstikke koud worden. Die koks hebben hun werk toch gedaan. Waar bemoeien ze zich mee. Echt een overdreven reactie. Ik vind het altijd leuk om te zien wat iedereen eet. Nou, hier heb je dan mijn ongezouten mening. Doei, Cheyenne
e
De woordkeuze bepaalt voor een deel of de zin formeel of informeel is.
6 Stijlregel 5, 6 en 7 5 Gebruik begrijpelijke woorden. 6 Maak niet te lange zinnen. 7 Vermijd stopwoorden zo veel mogelijk. In de supermarkt zie je bij het schap met jouw favoriete appelsoort deze tekst hangen. Het moeizame importseizoen en de vertraging van het Hollandse seizoen zorgen voor een gat in de aansluiting van de teelt, hetgeen resulteert in extreme tekorten en kwaliteitsproblemen. Effecten van beschikbaarheid en kwaliteit leiden tot een extreem hoog prijsniveau, waardoor niet alles geleverd of gequoteerd wordt. Hiervoor onze excuses.
a
Bereikt de winkelier met deze tekst zijn doelgroep? Leg uit waarom wel of niet.
b Wat had de winkelier beter anders kunnen doen?
c
Schrijf een verbeterde versie van de tekst. Je mag informatie die niet belangrijk is voor de doelgroep weglaten.
Welke tekst past het best bij het publiek? Leg je antwoord uit.
d Herschrijf de zinnen. • •
Kies een eenvoudiger woord voor de vetgedrukte woorden. Deel de zin op in een aantal kortere zinnen.
1 Onze oceanen zijn door verschillende oorzaken ernstig verontreinigd, want verwering, zonlicht en golfslag zorgen ervoor dat plastic dat door fabrieken wordt geloosd en door vissers en schepen in het water wordt gegooid in de oceanen zakt. 2 De TassenBol is een initiatief van Nederlanders die de vervuiling van het milieu door plastic tasjes willen stoppen door op plaatsen als scholen, supermarkten en bibliotheken een TassenBol 8
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
te zetten die ervoor zorgt dat mensen hun overtollige plastic tasjes van thuis niet in de natuur gooien, maar in de TassenBol stoppen, zodat andere mensen een tasje uit de bol kunnen pakken en daar hun boodschappen in kunnen doen, waardoor er minder zwerftasjes komen.
zo’n beetje door iedereen gebruikt. Ik heb nu gewoon een lange lijst van stopwoordjes gemaakt die ik regelmatig hoor of zelf gebruik. Veel mensen gebruiken stopwoorden, soms zonder dat ze zich er bewust van zijn. Dat merk je in dit fragment met zanger Frans Bauer. Kijk en luister naar het fragment. Gebruik je zelf ook ongemerkt stopwoorden?
h
e
Herschrijf de zinnen. • Kies een eenvoudiger woord voor de vetgedrukte woorden. • Deel de zin op in een aantal kortere zinnen als dat nodig is.
Welke stopwoorden gebruik jij? 1 Noteer de stopwoorden die je zelf vaak gebruikt. Vraag indien nodig hulp van vrienden of familie. 2 Welk effect hebben deze stopwoorden op de betekenis van dat wat je zegt?
7 Stijlregel 8a, 9 en 10 8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
1 De directeur laat sporadisch impulsief gedrag zien. Hij motiveert elke beslissing en selecteert zijn woorden heel precies. 2 Het introduceren van de nieuwe manier van thuiswerken bij het administratieve segment van het bedrijf toont aan dat er sprake is van een grote kostenbesparing. 3 Als je die dominante aap observeert, ontdek je dat eten zijn primaire behoefte is.
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen. 10 Gebruik komma’s op de juiste plaats. Lees de tekst. Morgen gaat Luuk voor het eerst waterpoloën. Luuk zit al langer op zwemmen, maar Luuk miste het teamgevoel in de sport zwemmen. Daarom raadde Luuks trainer Luuk aan om eens te gaan kijken bij waterpolo. Luuk heeft zo veel zin om te gaan dat Luuks tas al drie dagen in de gang klaarstaat.
a
Wat valt je op als je deze tekst leest?
b Hoe zou je de tekst beter leesbaar kunnen maken? f
Noteer per zin de woorden zonder inhoudelijke betekenis. 1 Ik voel me eigenlijk niet zo lekker. 2 Pakt u nou toch nog maar eens lekker even een momentje rust. 3 Nou ja, ik heb zoiets van je moet wel voor jezelf opkomen hoor. 4 Je moet serieus echt beter je best gaan doen. 5 Dus jij hebt gewoon je kamer opgeruimd of zo? 6 Weet u soms ook hoe laat het is?
c
Herschrijf de tekst, zodat deze prettiger te lezen is.
In de volgende zinnen staat steeds een woord vetgedrukt. Dat woord verwijst naar een ander woord in de zin.
d Geef aan naar welk woord (of welke woordgroep) het vetgedrukte woord verwijst.
g
Selecteer 12 stopwoorden in de volgende tekst. Afgelopen week las ik een paar leuke blogs over irritante stopwoordjes, weet je wel. Toen realiseerde ik me dat ik eigenlijk ook best veel stopwoordjes gebruik. De stopwoordjes die ik in principe veel gebruik zijn: toch, of zo, WTF, OMG en dus. Iedereen heeft natuurlijk weer andere stopwoordjes en deze veranderen ook door de maanden heen. Sommige woorden zijn gedurende een bepaalde periode zeg maar heel populair. Ze worden dan
1 Tijdens zijn campagne, die een week duurde, probeerde de politicus zo veel mogelijk stemmen te winnen. 2 Een concert dat binnen een halfuur uitverkocht is, wordt soms verplaatst naar een grotere zaal. 3 Na afloop van de wedstrijd viel de coach hard uit naar zijn spelers. 4 Die bloemist zegt bloemen die na vijf dagen al verlept zijn gratis te vervangen. 5 Dat hotel midden in het centrum is heel duur, maar dit bij het station is al veel beter te betalen.
11
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
te zetten die ervoor zorgt dat mensen hun overtollige plastic tasjes van thuis niet in de natuur gooien, maar in de TassenBol stoppen, zodat andere mensen een tasje uit de bol kunnen pakken en daar hun boodschappen in kunnen doen, waardoor er minder zwerftasjes komen.
zo’n beetje door iedereen gebruikt. Ik heb nu gewoon een lange lijst van stopwoordjes gemaakt die ik regelmatig hoor of zelf gebruik. Veel mensen gebruiken stopwoorden, soms zonder dat ze zich er bewust van zijn. Dat merk je in dit fragment met zanger Frans Bauer. Kijk en luister naar het fragment. Gebruik je zelf ook ongemerkt stopwoorden?
h
e
Herschrijf de zinnen. • Kies een eenvoudiger woord voor de vetgedrukte woorden. • Deel de zin op in een aantal kortere zinnen als dat nodig is.
Welke stopwoorden gebruik jij? 1 Noteer de stopwoorden die je zelf vaak gebruikt. Vraag indien nodig hulp van vrienden of familie. 2 Welk effect hebben deze stopwoorden op de betekenis van dat wat je zegt?
7 Stijlregel 8a, 9 en 10 8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
1 De directeur laat sporadisch impulsief gedrag zien. Hij motiveert elke beslissing en selecteert zijn woorden heel precies. 2 Het introduceren van de nieuwe manier van thuiswerken bij het administratieve segment van het bedrijf toont aan dat er sprake is van een grote kostenbesparing. 3 Als je die dominante aap observeert, ontdek je dat eten zijn primaire behoefte is.
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen. 10 Gebruik komma’s op de juiste plaats. Lees de tekst. Morgen gaat Luuk voor het eerst waterpoloën. Luuk zit al langer op zwemmen, maar Luuk miste het teamgevoel in de sport zwemmen. Daarom raadde Luuks trainer Luuk aan om eens te gaan kijken bij waterpolo. Luuk heeft zo veel zin om te gaan dat Luuks tas al drie dagen in de gang klaarstaat.
a
Wat valt je op als je deze tekst leest?
b Hoe zou je de tekst beter leesbaar kunnen maken? f
Noteer per zin de woorden zonder inhoudelijke betekenis. 1 Ik voel me eigenlijk niet zo lekker. 2 Pakt u nou toch nog maar eens lekker even een momentje rust. 3 Nou ja, ik heb zoiets van je moet wel voor jezelf opkomen hoor. 4 Je moet serieus echt beter je best gaan doen. 5 Dus jij hebt gewoon je kamer opgeruimd of zo? 6 Weet u soms ook hoe laat het is?
c
Herschrijf de tekst, zodat deze prettiger te lezen is.
In de volgende zinnen staat steeds een woord vetgedrukt. Dat woord verwijst naar een ander woord in de zin.
d Geef aan naar welk woord (of welke woordgroep) het vetgedrukte woord verwijst.
g
Selecteer 12 stopwoorden in de volgende tekst. Afgelopen week las ik een paar leuke blogs over irritante stopwoordjes, weet je wel. Toen realiseerde ik me dat ik eigenlijk ook best veel stopwoordjes gebruik. De stopwoordjes die ik in principe veel gebruik zijn: toch, of zo, WTF, OMG en dus. Iedereen heeft natuurlijk weer andere stopwoordjes en deze veranderen ook door de maanden heen. Sommige woorden zijn gedurende een bepaalde periode zeg maar heel populair. Ze worden dan
10
1 Tijdens zijn campagne, die een week duurde, probeerde de politicus zo veel mogelijk stemmen te winnen. 2 Een concert dat binnen een halfuur uitverkocht is, wordt soms verplaatst naar een grotere zaal. 3 Na afloop van de wedstrijd viel de coach hard uit naar zijn spelers. 4 Die bloemist zegt bloemen die na vijf dagen al verlept zijn gratis te vervangen. 5 Dat hotel midden in het centrum is heel duur, maar dit bij het station is al veel beter te betalen.
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
Waar verwijst het verwijswoord naar?
e
op. Tijdens zijn bezoekje buiten werktijd, die ruim een uur duurde, beloofde Jaap met de werkgever te gaan praten. De manager van het kantoor, die overigens op fietsafstand van ons huis is, is volgens Jaap wel voor rede vatbaar. Hij was ervan overtuigd dat mijn vader volgende maand aan de slag kon. De foute verwijswoorden zijn 4 x ‘die’ en 1 x ‘dit’. In de vorige opdracht heb je onjuiste verwijswoorden aangewezen. Deze ga je nu verbeteren.
Zet de verwijswoorden bij het goede zelfstandig naamwoord.
• • • • •
1 de-woord in het enkelvoud (de boom) 2 het-woord in het enkelvoud (het huis) 3 mannelijk persoon enkelvoud (André) 4 vrouwelijk persoon enkelvoud (Anne) 5 mannelijk/vrouwelijk persoon meervoud (André en Anne)
• • • • •
deze, die dat, dit, het hij, hem, zijn
j
ze, zij, haar
1 een contract die – een contract 2 Mijn vaders vorige werkcoach was een stuk afstandelijker dan dit. - Mijn vaders vorige werk-
ze, zij, hen
coach was een stuk afstandelijker dan
Kijk eerst naar het woord tussen haakjes. Kijk daarna welk verwijswoord erachter past of in plaats van het woord gebruikt kan worden. Bijvoorbeeld: de boom die.
f
g
Vervang de vetgedrukte woorden in de tekst door passende verwijswoorden. De regenboog Weet je wat een regenboog is? Heel simpel: een regenboog is een gekleurde boog van regendruppels. De regenboog Hij/Deze/Die ontstaat als de zon schijnt en het regent, of als er veel vocht in de lucht is en de zon erg fel is. Als het licht door de regendruppels schijnt, wordt het licht het/dit/dat gebroken en dan zie je de kleuren. Je ziet de kleuren ze/die/deze allemaal apart. De vorm van de regenboog is rond, want regendruppels zijn ook rond. In de ochtend of aan het eind van de middag zie je de grootste regenbogen. De grootste regenbogen Die/Deze zie je soms ook op wat grijze middagen. De zon moet laag staan. Hoe lager de zon hij/deze/die staat, hoe meer je van de regenboog ziet. Vul het verwijswoord in dat in de zin past. 1 De sleutels lagen klaar bij de deur, zodat Marcel
3 Ons spel was deze wedstrijd niet slecht, maar beter dan strijd niet worden. 4 Daar staan veel meisjes.
4 zijn bezoekje die – zijn bezoekje 5 het kantoor die – het kantoor Bij een het-woord in het enkelvoud passen de verwijswoorden ‘dat’, ‘dit’ of ‘het’. Kies de beste van deze drie uit. Zoek een nieuwsbericht (online of op papier) van 300 tot 350 woorden. Op papier is dat een half A4’tje aan tekst.
k
Markeer alle verwijswoorden die je tegenkomt. Zet een pijltje tussen het verwijswoord en het woord, de woordgroep of de zin waarnaar het verwijst.
l
Geef de signaalwoorden voor opsomming en tegenstelling aan. 1 Deze snoepjes zijn heel lekker. Bovendien bevatten ze erg weinig suiker. 2 Op mijn verjaardag kwamen veel familieleden op bezoek. Daarnaast zijn mijn drie beste vrienden langsgeweest. 3 Dat klinkt als een leuke film. Toch kan ik vanavond beter vroeg naar bed gaan. 4 Hij lijkt misschien aardig, maar in werkelijkheid is hij heel achterbaks. 5 Dit spel heb je snel uitgespeeld. Met dat andere ben je daarentegen wel een poosje bezig. 6 De band begon het concert met wat oudere nummers, speelde vervolgens liedjes van de nieuwe plaat, om ten slotte te eindigen met de grootste hit. 7 Aan de ene kant begrijp ik haar wel, maar aan de andere kant vind ik dat de regels gewoon voor iedereen gelden. 8 Het hotel beschikt over een eigen fitnessruimte. Daarnaast kun je als gast gebruikmaken van de sauna en een verwarmd zwembad.
meegenomen tijdens de zal ons spel de volgende wed-
staan te wachten op de aankomst van de boyband.
Zet eerst het zelfstandig naamwoord op de open plek. Klopt de zin? Welk verwijswoord past bij dat zelfstandig naamwoord?
h
Vul het juiste verwijswoord in. 1 Daar ligt het laatste boek van mijn favoriete schrijver
ik nu aan het lezen ben.
2 De spanning bereikte een hoogtepunt toen de illusionist ter liet zakken.
lichaam langzaam in het wa-
3 De vlek hebben we afgedekt met een kleedje met grappige vogeltjes genoeg was. 4 De directrice trakteert artiest.
Sommige zinnen bevatten meer dan één signaalwoord.
m Bepaal het zinsverband dat de vetgedrukte signaalwoorden aangeven. precies groot
1 In mijn etui zitten naast pennen ook nog potloden en stiften. opsomming/tegenstelling 2 Denk je dat ik moe ben? Integendeel, ik voel me topfit! opsomming/tegenstelling 3 Polle zou helpen verhuizen. Uiteindelijk haakte hij echter toch af. opsomming/tegenstelling 4 Dit waren de punten die ik wilde bespreken. Verder heb ik er niets aan toe te voegen. opsomming/tegenstelling 5 Je zou verwachten dat we vroeg thuis waren. Toch was het al bijna middernacht voor we naar bed konden. opsomming/tegenstelling 6 Caro is ziek naar huis gegaan, maar eigenlijk had ze gewoon geen zin meer om te trainen. opsomming/tegenstelling
medewerkers elk jaar op een groot feest met een bekende
5 Op de website van de school staat een filmpje van de verbouwing van het bijgebouw volgende maand van start zal gaan. 6 Vincent knipoogde naar het meisje
hij zo grappig vond.
Zet eerst het zelfstandig naamwoord op de open plek. Klopt de zin? Welk verwijswoord past bij dat zelfstandig naamwoord?
i
.
3 het bedrijf die – het bedrijf
niet zou vergeten als hij wegging.
2 Omdat hij verwachtte zijn zakmes nodig te hebben, had hij excursie.
Vul rechts het juiste verwijswoord in.
Selecteer in de tekst de vijf onjuiste verwijswoorden. Toen mijn vader een nieuwe baan had gevonden, werd hem een contract aangeboden die niet voldeed aan de richtlijnen van de cao. Zijn werkcoach, die hem was toegewezen door de gemeente, is toen bij ons op bezoek geweest om hierover te praten tijdens een kop koffie. Mijn vaders vorige werkcoach was een stuk afstandelijker dan dit. Die wist niet eens de naam van het bedrijf die mijn vader na drie positieve gesprekken alsnog had afgewezen. De nieuwe, die mijn vader Jaap mag noemen, komt echt voor zijn cliënten
n
Vul een passend signaalwoord voor opsomming of tegenstelling in. 1 Ties kan nog niet gaan gamen, want hij heeft zijn huiswerk niet af. eerst zijn moeder helpen opruimen. 2 Fieke houdt niet van tomaten. Ze is
moet hij
gek op ketchup.
3 Dat klinkt als een interessante documentaire.
kijk ik vanavond liever een romantische
13
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
Waar verwijst het verwijswoord naar?
e
op. Tijdens zijn bezoekje buiten werktijd, die ruim een uur duurde, beloofde Jaap met de werkgever te gaan praten. De manager van het kantoor, die overigens op fietsafstand van ons huis is, is volgens Jaap wel voor rede vatbaar. Hij was ervan overtuigd dat mijn vader volgende maand aan de slag kon. De foute verwijswoorden zijn 4 x ‘die’ en 1 x ‘dit’. In de vorige opdracht heb je onjuiste verwijswoorden aangewezen. Deze ga je nu verbeteren.
Zet de verwijswoorden bij het goede zelfstandig naamwoord.
• • • • •
1 de-woord in het enkelvoud (de boom) 2 het-woord in het enkelvoud (het huis) 3 mannelijk persoon enkelvoud (André) 4 vrouwelijk persoon enkelvoud (Anne) 5 mannelijk/vrouwelijk persoon meervoud (André en Anne)
• • • • •
deze, die dat, dit, het hij, hem, zijn
j
ze, zij, haar
1 een contract die – een contract 2 Mijn vaders vorige werkcoach was een stuk afstandelijker dan dit. - Mijn vaders vorige werk-
ze, zij, hen
coach was een stuk afstandelijker dan
Kijk eerst naar het woord tussen haakjes. Kijk daarna welk verwijswoord erachter past of in plaats van het woord gebruikt kan worden. Bijvoorbeeld: de boom die.
f
g
Vervang de vetgedrukte woorden in de tekst door passende verwijswoorden. De regenboog Weet je wat een regenboog is? Heel simpel: een regenboog is een gekleurde boog van regendruppels. De regenboog Hij/Deze/Die ontstaat als de zon schijnt en het regent, of als er veel vocht in de lucht is en de zon erg fel is. Als het licht door de regendruppels schijnt, wordt het licht het/dit/dat gebroken en dan zie je de kleuren. Je ziet de kleuren ze/die/deze allemaal apart. De vorm van de regenboog is rond, want regendruppels zijn ook rond. In de ochtend of aan het eind van de middag zie je de grootste regenbogen. De grootste regenbogen Die/Deze zie je soms ook op wat grijze middagen. De zon moet laag staan. Hoe lager de zon hij/deze/die staat, hoe meer je van de regenboog ziet. Vul het verwijswoord in dat in de zin past. 1 De sleutels lagen klaar bij de deur, zodat Marcel
3 Ons spel was deze wedstrijd niet slecht, maar beter dan strijd niet worden. 4 Daar staan veel meisjes.
4 zijn bezoekje die – zijn bezoekje 5 het kantoor die – het kantoor Bij een het-woord in het enkelvoud passen de verwijswoorden ‘dat’, ‘dit’ of ‘het’. Kies de beste van deze drie uit. Zoek een nieuwsbericht (online of op papier) van 300 tot 350 woorden. Op papier is dat een half A4’tje aan tekst.
k
Markeer alle verwijswoorden die je tegenkomt. Zet een pijltje tussen het verwijswoord en het woord, de woordgroep of de zin waarnaar het verwijst.
l
Geef de signaalwoorden voor opsomming en tegenstelling aan. 1 Deze snoepjes zijn heel lekker. Bovendien bevatten ze erg weinig suiker. 2 Op mijn verjaardag kwamen veel familieleden op bezoek. Daarnaast zijn mijn drie beste vrienden langsgeweest. 3 Dat klinkt als een leuke film. Toch kan ik vanavond beter vroeg naar bed gaan. 4 Hij lijkt misschien aardig, maar in werkelijkheid is hij heel achterbaks. 5 Dit spel heb je snel uitgespeeld. Met dat andere ben je daarentegen wel een poosje bezig. 6 De band begon het concert met wat oudere nummers, speelde vervolgens liedjes van de nieuwe plaat, om ten slotte te eindigen met de grootste hit. 7 Aan de ene kant begrijp ik haar wel, maar aan de andere kant vind ik dat de regels gewoon voor iedereen gelden. 8 Het hotel beschikt over een eigen fitnessruimte. Daarnaast kun je als gast gebruikmaken van de sauna en een verwarmd zwembad.
meegenomen tijdens de zal ons spel de volgende wed-
staan te wachten op de aankomst van de boyband.
Zet eerst het zelfstandig naamwoord op de open plek. Klopt de zin? Welk verwijswoord past bij dat zelfstandig naamwoord?
h
Vul het juiste verwijswoord in. 1 Daar ligt het laatste boek van mijn favoriete schrijver
ik nu aan het lezen ben.
2 De spanning bereikte een hoogtepunt toen de illusionist ter liet zakken.
lichaam langzaam in het wa-
3 De vlek hebben we afgedekt met een kleedje met grappige vogeltjes genoeg was. 4 De directrice trakteert artiest.
Sommige zinnen bevatten meer dan één signaalwoord.
m Bepaal het zinsverband dat de vetgedrukte signaalwoorden aangeven. precies groot
1 In mijn etui zitten naast pennen ook nog potloden en stiften. opsomming/tegenstelling 2 Denk je dat ik moe ben? Integendeel, ik voel me topfit! opsomming/tegenstelling 3 Polle zou helpen verhuizen. Uiteindelijk haakte hij echter toch af. opsomming/tegenstelling 4 Dit waren de punten die ik wilde bespreken. Verder heb ik er niets aan toe te voegen. opsomming/tegenstelling 5 Je zou verwachten dat we vroeg thuis waren. Toch was het al bijna middernacht voor we naar bed konden. opsomming/tegenstelling 6 Caro is ziek naar huis gegaan, maar eigenlijk had ze gewoon geen zin meer om te trainen. opsomming/tegenstelling
medewerkers elk jaar op een groot feest met een bekende
5 Op de website van de school staat een filmpje van de verbouwing van het bijgebouw volgende maand van start zal gaan. 6 Vincent knipoogde naar het meisje
hij zo grappig vond.
Zet eerst het zelfstandig naamwoord op de open plek. Klopt de zin? Welk verwijswoord past bij dat zelfstandig naamwoord?
i
Selecteer in de tekst de vijf onjuiste verwijswoorden. Toen mijn vader een nieuwe baan had gevonden, werd hem een contract aangeboden die niet voldeed aan de richtlijnen van de cao. Zijn werkcoach, die hem was toegewezen door de gemeente, is toen bij ons op bezoek geweest om hierover te praten tijdens een kop koffie. Mijn vaders vorige werkcoach was een stuk afstandelijker dan dit. Die wist niet eens de naam van het bedrijf die mijn vader na drie positieve gesprekken alsnog had afgewezen. De nieuwe, die mijn vader Jaap mag noemen, komt echt voor zijn cliënten
12
.
3 het bedrijf die – het bedrijf
niet zou vergeten als hij wegging.
2 Omdat hij verwachtte zijn zakmes nodig te hebben, had hij excursie.
Vul rechts het juiste verwijswoord in.
n
Vul een passend signaalwoord voor opsomming of tegenstelling in. 1 Ties kan nog niet gaan gamen, want hij heeft zijn huiswerk niet af. eerst zijn moeder helpen opruimen. 2 Fieke houdt niet van tomaten. Ze is
moet hij
gek op ketchup.
3 Dat klinkt als een interessante documentaire.
kijk ik vanavond liever een romantische
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
komedie.
4 Komen
4 Mijn moeders lasagne is
heel lekker,
heel voedzaam en gezond.
5 Vorig jaar heb ik
De opdrachten bij deze stijlregel vind je in de paragraaf Spelling, Leestekens opdracht 2 en opdracht 3.
6 Mijn moeder vertelde 7 Na de zomer hopen
8 Stijlregel 8b, 9, 11 en 12 8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken.
Selecteer de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling of reden. 1 De coureur was boos op zijn collega, omdat hij door zijn inhaalactie de koppositie in de race moest afstaan. 2 De collega-coureur vond echter dat hij niets verkeerd had gedaan, want hij mocht daar gewoon inhalen. 3 Ook de baas van de inhalende coureur dacht er zo over. 4 Toch kreeg hij een straf van de organisatie. 5 Hij moest namelijk tijdens een pitstop tien seconden extra stilstaan. 6 Maar de boze coureur komt er ook niet zonder straf vanaf. 7 Hij krijgt twee dagen taakstraf, omdat hij zijn tegenstander na de wedstrijd een duw gaf. 8 De coureur hoeft dan geen perkjes te schoffelen, maar zal waarschijnlijk een training moeten geven in een lagere klasse. Sommige zinnen bevatten meer dan één signaalwoord.
g
Bepaal het zinsverband dat de vetgedrukte signaalwoorden aangeven. 1 Aan de ene kant vind ik dat we een goede wedstrijd hebben gespeeld, maar aan de andere kant ben ik natuurlijk teleurgesteld dat we niet gewonnen hebben. tegenstelling/opsomming/reden 2 Mijn tante zet zich al dertig jaar in voor eenzame ouderen. Daarom krijgt ze binnenkort een lintje van de burgemeester. reden/opsomming/tegenstelling 3 Kleed je goed warm aan als je naar buiten gaat, want het is kouder dan het lijkt. reden/opsomming/tegenstelling 4 Na een korte uitleg en een lange toespraak over alle regels en afspraken voor de komende dagen, wenste de docent ons ten slotte nog een fijn schoolkamp. opsomming/tegenstelling/reden 5 Die zelfgemaakte appeltaart ziet er heerlijk uit. Toch denk ik dat ik voor de vruchtenvlaai ga. tegenstelling/opsomming/reden 6 Het oude gebouw wordt gesloopt, omdat het plaats moet maken voor een appartementencomplex. reden/opsomming/tegenstelling 7 Blockchain is geen milieuvriendelijke technologie. De vele servers die ervoor nodig zijn, gebruiken namelijk heel veel stroom. reden/opsomming/tegenstelling 8 De spits viel tijdens de wedstrijd niet alleen op vanwege zijn mooie voorzet, maar ook door zijn sportieve gedrag. opsomming/tegenstelling/reden
h
Vul een passend signaalwoord voor opsomming, tegenstelling of reden in.
Leg uit waar deze strip over gaat. Zegt de naam Atilla je niets? Googel deze naam dan.
b Weet jij altijd wanneer je ‘hun’ of ‘zij’ moet gebruiken? Licht je antwoord toe. Stijlregel 8a: Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
1
willen volgende zomervakantie met een camper door Amerika trekken.
2 Waarom hebben 3 Ik bood
niet gewoon verteld wat er aan de hand is?
twintig euro voor die oude televisie.
te laat in het restaurant.
f
Lees de strip.
d Vul het juiste verwijswoord in. Kies uit: hun, zij of ze.
eindelijk tijd te hebben om meer te gaan sporten.
Kies het juiste verwijswoord. 1 Je kunt beter niet naar hen/hun luisteren, volgens mij. 2 Pjotr schonk hen/hun een glaasje ranja in. 3 Linda luisterde hen/hun stiekem af tijdens het gamen. 4 Doordat ze zo afgeleid waren, zagen ze niet wat er naast hen/hun gebeurde. 5 Toen ik het echt niet meer wist, vroeg ik hen/hun om advies. 6 Mijn broer liet hen/hun ons nieuwe tuinhuisje zien. 7 De docent feliciteerde hen/hun met het behaalde diploma. 8 Wij vieren ieder jaar Sinterklaas bij hen/hun.
12 Controleer de betekenis van woorden.
Kies het juiste verwijswoord. 1 Waarom hebben zij/hun niet gewoon gezegd dat ze het nu even te druk hebben? 2 Het hondje waarmee/met wie ik elke zondag ging wandelen, heeft een gebroken pootje. 3 Het enige wat/dat we nog moeten doen, is het aan onze ouders vertellen. 4 De docent duwde hen/hun vriendelijk richting de uitgang. 5 Het saaiste wat/dat ik ooit zag, was een film met alleen maar schapen in een weiland. 6 De zanger, over wie/waarover de laatste tijd veel is geschreven, durft amper zijn huis nog uit. 7 Dat is het beste nieuws dat/wat ik in tijden heb gehoord. 8 De omgeving van het ziekenhuis kwam hun/hen bekend voor. 9 Zij is iemand voor wie/waarvoor ik door het vuur zou gaan. 10 Vergeet je niet om hun/hen nog een berichtje te sturen?
dat het tijd was om naar huis te gaan.
e
11 Voeg een bronvermelding toe als je een tekst overneemt.
c
nog op hun vingers leren fluiten.
8 Vanwege de grote drukte op de weg waren
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen.
a
ook naar de balletuitvoering van je zusje?
1
mijn moeder snel bezorgd is, moet ik altijd een berichtje sturen als ik later thuiskom.
2 Je zou denken dat Thomas zijn lesje inmiddels wel geleerd heeft. Vanmorgen was hij weer te laat op school. 3 Ik zou nog even wachten met die aankoop, tien procent korting op.
volgende week geeft die winkel overal
15
13
1.2 Stijlregels
1.2 Stijlregels
komedie.
4 Komen
4 Mijn moeders lasagne is
heel lekker,
heel voedzaam en gezond.
5 Vorig jaar heb ik
De opdrachten bij deze stijlregel vind je in de paragraaf Spelling, Leestekens opdracht 2 en opdracht 3.
6 Mijn moeder vertelde 7 Na de zomer hopen
8 Stijlregel 8b, 9, 11 en 12 8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken.
Selecteer de signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling of reden. 1 De coureur was boos op zijn collega, omdat hij door zijn inhaalactie de koppositie in de race moest afstaan. 2 De collega-coureur vond echter dat hij niets verkeerd had gedaan, want hij mocht daar gewoon inhalen. 3 Ook de baas van de inhalende coureur dacht er zo over. 4 Toch kreeg hij een straf van de organisatie. 5 Hij moest namelijk tijdens een pitstop tien seconden extra stilstaan. 6 Maar de boze coureur komt er ook niet zonder straf vanaf. 7 Hij krijgt twee dagen taakstraf, omdat hij zijn tegenstander na de wedstrijd een duw gaf. 8 De coureur hoeft dan geen perkjes te schoffelen, maar zal waarschijnlijk een training moeten geven in een lagere klasse. Sommige zinnen bevatten meer dan één signaalwoord.
g
Bepaal het zinsverband dat de vetgedrukte signaalwoorden aangeven. 1 Aan de ene kant vind ik dat we een goede wedstrijd hebben gespeeld, maar aan de andere kant ben ik natuurlijk teleurgesteld dat we niet gewonnen hebben. tegenstelling/opsomming/reden 2 Mijn tante zet zich al dertig jaar in voor eenzame ouderen. Daarom krijgt ze binnenkort een lintje van de burgemeester. reden/opsomming/tegenstelling 3 Kleed je goed warm aan als je naar buiten gaat, want het is kouder dan het lijkt. reden/opsomming/tegenstelling 4 Na een korte uitleg en een lange toespraak over alle regels en afspraken voor de komende dagen, wenste de docent ons ten slotte nog een fijn schoolkamp. opsomming/tegenstelling/reden 5 Die zelfgemaakte appeltaart ziet er heerlijk uit. Toch denk ik dat ik voor de vruchtenvlaai ga. tegenstelling/opsomming/reden 6 Het oude gebouw wordt gesloopt, omdat het plaats moet maken voor een appartementencomplex. reden/opsomming/tegenstelling 7 Blockchain is geen milieuvriendelijke technologie. De vele servers die ervoor nodig zijn, gebruiken namelijk heel veel stroom. reden/opsomming/tegenstelling 8 De spits viel tijdens de wedstrijd niet alleen op vanwege zijn mooie voorzet, maar ook door zijn sportieve gedrag. opsomming/tegenstelling/reden
h
Vul een passend signaalwoord voor opsomming, tegenstelling of reden in.
Leg uit waar deze strip over gaat. Zegt de naam Atilla je niets? Googel deze naam dan.
b Weet jij altijd wanneer je ‘hun’ of ‘zij’ moet gebruiken? Licht je antwoord toe. Stijlregel 8a: Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
1
willen volgende zomervakantie met een camper door Amerika trekken.
2 Waarom hebben 3 Ik bood
14
niet gewoon verteld wat er aan de hand is?
twintig euro voor die oude televisie.
te laat in het restaurant.
f
Lees de strip.
d Vul het juiste verwijswoord in. Kies uit: hun, zij of ze.
eindelijk tijd te hebben om meer te gaan sporten.
Kies het juiste verwijswoord. 1 Je kunt beter niet naar hen/hun luisteren, volgens mij. 2 Pjotr schonk hen/hun een glaasje ranja in. 3 Linda luisterde hen/hun stiekem af tijdens het gamen. 4 Doordat ze zo afgeleid waren, zagen ze niet wat er naast hen/hun gebeurde. 5 Toen ik het echt niet meer wist, vroeg ik hen/hun om advies. 6 Mijn broer liet hen/hun ons nieuwe tuinhuisje zien. 7 De docent feliciteerde hen/hun met het behaalde diploma. 8 Wij vieren ieder jaar Sinterklaas bij hen/hun.
12 Controleer de betekenis van woorden.
Kies het juiste verwijswoord. 1 Waarom hebben zij/hun niet gewoon gezegd dat ze het nu even te druk hebben? 2 Het hondje waarmee/met wie ik elke zondag ging wandelen, heeft een gebroken pootje. 3 Het enige wat/dat we nog moeten doen, is het aan onze ouders vertellen. 4 De docent duwde hen/hun vriendelijk richting de uitgang. 5 Het saaiste wat/dat ik ooit zag, was een film met alleen maar schapen in een weiland. 6 De zanger, over wie/waarover de laatste tijd veel is geschreven, durft amper zijn huis nog uit. 7 Dat is het beste nieuws dat/wat ik in tijden heb gehoord. 8 De omgeving van het ziekenhuis kwam hun/hen bekend voor. 9 Zij is iemand voor wie/waarvoor ik door het vuur zou gaan. 10 Vergeet je niet om hun/hen nog een berichtje te sturen?
dat het tijd was om naar huis te gaan.
e
11 Voeg een bronvermelding toe als je een tekst overneemt.
c
nog op hun vingers leren fluiten.
8 Vanwege de grote drukte op de weg waren
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen.
a
ook naar de balletuitvoering van je zusje?
1
mijn moeder snel bezorgd is, moet ik altijd een berichtje sturen als ik later thuiskom.
2 Je zou denken dat Thomas zijn lesje inmiddels wel geleerd heeft. Vanmorgen was hij weer te laat op school. 3 Ik zou nog even wachten met die aankoop, tien procent korting op.
volgende week geeft die winkel overal
13
1.2 Stijlregels
1.3 Bijzonder taalgebruik
4 Door te gaan volleyballen wil ik nieuwe vrienden maken. verbeteren.
hoop ik mijn conditie te
5 Marcus vond de documentaire niet saai. , hij vond hem juist heel interessant. 6 Kijk altijd goed naar de kleine lettertjes bij het kopen van concertkaartjes. Er worden
1.3 Bijzonder taalgebruik 9 Bijzonder taalgebruik
vaak extra kosten gerekend. Zoek een nieuwsbericht (online of op papier) van 300 tot 350 woorden. Op papier is dat een half A4’tje aan tekst.
i
Markeer alle signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden die je tegenkomt. Zet erbij om welk soort verband het gaat. De volgende bronvermeldingen zijn niet compleet.
j
Geef aan welk onderdeel ontbreekt. Kies uit: datum/jaartal, schrijver, titel of uitgever en plaats van uitgave. 1 Boek: Els Pelgrom (2011). De Griekse mythen. Helden & Donder en bliksem. 2 Boek: Taal voor de leuk (2018). Uitgeverij Cornelisse, Amsterdam. 3 Website: Elles Lalieu. Illegale organen te koop. NEMO Kennislink, https://www.nemokennislink.nl/ publicaties/illegale-organen-te-koop/. 4 Artikel: Ellen de Visser (2018). Artsen laten patiënt met dwarslaesie zelfstandig lopen.
k
Is het altijd erg als er geen bronvermelding is of als deze niet correct of volledig is? Wanneer moet je in elk geval wél de bron(nen) vermelden?
Lees het gedicht.
a
Ik had het niet durven dromen maar ik besloot het wel te doen ~ Derek Otte Vind jij het taalgebruik in dit korte gedicht bijzonder? Leg uit waarom wel of niet.
b Wat doet dit gedicht met jou? Licht je antwoord toe.
10 Letterlijk en figuurlijk taalgebruik a
Omschrijf in je eigen woorden wat het woord beeldspraak betekent.
b Geef aan of de zin letterlijk of figuurlijk is bedoeld. letterlijk In het dagelijks leven gaan mensen niet altijd even zorgvuldig met bronvermeldingen om. Ze vertellen bijvoorbeeld een verhaal of een grap van een ander alsof ze het zelf hebben meegemaakt of bedacht. Of ze ‘kennen iemand’ die iets heel bijzonders heeft meegemaakt en dat blijkt dan te gaan om het buurmeisje van de neef van de kapper van een vriendin.
l
• Mijn beste vriendin heeft het hart op de tong. • Voor een belangrijke toets heb ik soms hartkloppingen. • Elke keer als hij haar ziet, voelt Farid vlinders in zijn buik.
Beschrijf een situatie die je zelf hebt meegemaakt waarin iemand (of jijzelf) niet zo netjes met het vermelden van de bron omging. Noteer ook wat je daarvan vond. Waarom vond je dat? Stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden. Lees de theorie 16.1.12 Woordgebruik – Betekenis controleren. Pas deze theorie toe in al je teksten.
• De plannen voor het schoolreisje vielen in goede aarde. • Als je het te zoet vindt, moet je wat water bij de frisdrank doen. • Arya stond met haar mond vol tanden te kijken naar de discussie.
In de volgende paragrafen vind je de theorie over het woordenboek:
• Nagelbijtend heb ik de spannende film zitten kijken.
• • • • • • •
• Afgelopen zondag hebben wij onze tegenstanders in de pan gehakt.
15.2.1 Alfabetische volgorde 15.2.2 Zoekwoorden 15.2.3 Grondwoorden 15.2.4 Betekenissen 15.2.5 De-woorden en het-woorden 15.2.6 Afkortingen 15.2.7 Uitdrukkingen opzoeken
Stijlregel 13 13 Voorkom formuleringsfouten.
figuurlijk
• Ik had een druk feestje verwacht, maar er was geen hond. • Het laatste puzzelstukje bewaart mijn opa altijd voor mij. Lees de zinnen. Het nieuws ging letterlijk als een lopend vuurtje door het dorp. Hij is letterlijk een vreemde eend in de bijt. We hebben ons werkstuk letterlijk op de valreep ingeleverd.
c
Leg uit welk effect het gebruik van letterlijk hier heeft. Waarom kun je het woord letterlijk zo niet gebruiken?
De opdrachten bij deze stijlregel vind je in de paragraaf Formuleringsfouten Congruentiefouten.
17
13
1.2 Stijlregels
1.3 Bijzonder taalgebruik
4 Door te gaan volleyballen wil ik nieuwe vrienden maken. verbeteren.
hoop ik mijn conditie te
5 Marcus vond de documentaire niet saai. , hij vond hem juist heel interessant. 6 Kijk altijd goed naar de kleine lettertjes bij het kopen van concertkaartjes. Er worden
1.3 Bijzonder taalgebruik 9 Bijzonder taalgebruik
vaak extra kosten gerekend. Zoek een nieuwsbericht (online of op papier) van 300 tot 350 woorden. Op papier is dat een half A4’tje aan tekst.
i
Markeer alle signaalwoorden voor opsomming, tegenstelling en reden die je tegenkomt. Zet erbij om welk soort verband het gaat. De volgende bronvermeldingen zijn niet compleet.
j
Geef aan welk onderdeel ontbreekt. Kies uit: datum/jaartal, schrijver, titel of uitgever en plaats van uitgave. 1 Boek: Els Pelgrom (2011). De Griekse mythen. Helden & Donder en bliksem. 2 Boek: Taal voor de leuk (2018). Uitgeverij Cornelisse, Amsterdam. 3 Website: Elles Lalieu. Illegale organen te koop. NEMO Kennislink, https://www.nemokennislink.nl/ publicaties/illegale-organen-te-koop/. 4 Artikel: Ellen de Visser (2018). Artsen laten patiënt met dwarslaesie zelfstandig lopen.
k
Is het altijd erg als er geen bronvermelding is of als deze niet correct of volledig is? Wanneer moet je in elk geval wél de bron(nen) vermelden?
Lees het gedicht.
a
Ik had het niet durven dromen maar ik besloot het wel te doen ~ Derek Otte Vind jij het taalgebruik in dit korte gedicht bijzonder? Leg uit waarom wel of niet.
b Wat doet dit gedicht met jou? Licht je antwoord toe.
10 Letterlijk en figuurlijk taalgebruik a
Omschrijf in je eigen woorden wat het woord beeldspraak betekent.
b Geef aan of de zin letterlijk of figuurlijk is bedoeld. letterlijk In het dagelijks leven gaan mensen niet altijd even zorgvuldig met bronvermeldingen om. Ze vertellen bijvoorbeeld een verhaal of een grap van een ander alsof ze het zelf hebben meegemaakt of bedacht. Of ze ‘kennen iemand’ die iets heel bijzonders heeft meegemaakt en dat blijkt dan te gaan om het buurmeisje van de neef van de kapper van een vriendin.
l
• Voor een belangrijke toets heb ik soms hartkloppingen. • Elke keer als hij haar ziet, voelt Farid vlinders in zijn buik.
Beschrijf een situatie die je zelf hebt meegemaakt waarin iemand (of jijzelf) niet zo netjes met het vermelden van de bron omging. Noteer ook wat je daarvan vond. Waarom vond je dat? Stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden. Lees de theorie 16.1.12 Woordgebruik – Betekenis controleren. Pas deze theorie toe in al je teksten.
• De plannen voor het schoolreisje vielen in goede aarde. • Als je het te zoet vindt, moet je wat water bij de frisdrank doen. • Arya stond met haar mond vol tanden te kijken naar de discussie.
In de volgende paragrafen vind je de theorie over het woordenboek:
• Nagelbijtend heb ik de spannende film zitten kijken.
• • • • • • •
• Afgelopen zondag hebben wij onze tegenstanders in de pan gehakt.
15.2.1 Alfabetische volgorde 15.2.2 Zoekwoorden 15.2.3 Grondwoorden 15.2.4 Betekenissen 15.2.5 De-woorden en het-woorden 15.2.6 Afkortingen 15.2.7 Uitdrukkingen opzoeken
Stijlregel 13 13 Voorkom formuleringsfouten. De opdrachten bij deze stijlregel vind je in de paragraaf Formuleringsfouten Congruentiefouten.
16
• Mijn beste vriendin heeft het hart op de tong.
• Ik had een druk feestje verwacht, maar er was geen hond. • Het laatste puzzelstukje bewaart mijn opa altijd voor mij. Lees de zinnen. Het nieuws ging letterlijk als een lopend vuurtje door het dorp. Hij is letterlijk een vreemde eend in de bijt. We hebben ons werkstuk letterlijk op de valreep ingeleverd.
c
Leg uit welk effect het gebruik van letterlijk hier heeft. Waarom kun je het woord letterlijk zo niet gebruiken?
figuurlijk
13
1.3 Bijzonder taalgebruik
1.3 Bijzonder taalgebruik
d Wat betekenen deze spreekwoorden en uitdrukkingen? Schrijf de betekenis op. 1 Blaffende honden bijten niet.
2 Iemand de
uitsteken.
3 Iemand een
aannaaien.
4 Iemand over de 5 Met zijn 2 De beste stuurlui staan aan wal.
in de boter vallen.
6 Met twee
h 3 De bloemetjes buitenzetten.
laten gaan. spreken.
Vul de betekenis van de uitdrukkingen in. 1 Haar op de tanden hebben: 2 Iemand de ogen uitsteken:
4 De kat op het spek binden.
3 Iemand een oor aannaaien: 4 Iemand over de tong laten gaan:
5 Het hart op de tong hebben.
5 Met zijn neus in de boter vallen: 6 Met twee monden spreken:
6 Elk huisje heeft zijn kruisje.
Gebruik alleen een woordenboek als je twijfelt. Deze tekst bevat negen spreekwoorden.
e
Gebruik bij twijfel een woordenboek.
Op de kinderboerderij
Kies een spreekwoord.
Zelfs na zes maanden voelde Iris zich nog altijd een vreemde eend in de bijt tussen de andere vrijwilligers op de kinderboerderij. Inmiddels kon ze met iedereen goed opschieten, maar in het begin had ze toch een beetje de kat uit de boom gekeken. Zo moest ze erg wennen aan Henk, die al meer dan veertig jaar op de boerderij meehielp. Hij haalde continu oude koeien uit de sloot. Daar ergerde Henriëtte zich dan weer aan, die op haar beurt behoorlijk over het paard getild was. Zij was vroeger een succesvolle zakenvrouw en had inmiddels haar schaapjes op het droge. Toen Iris net met het werk begonnen was, dacht ze dat ze flink in de aap gelogeerd was. Maar ze wist dat je geen slapende honden wakker moet maken, want ze wilde niet de kans lopen haar nieuwe baan kwijt te raken. Inmiddels beseft ze dat elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Ze gaat er elke week met plezier naartoe en gaat daarna tevreden en voldaan met de kippen op stok.
Geef zowel de letterlijke als de figuurlijke betekenis van het spreekwoord. Dieren worden vaak gebruikt om het karakter van bepaalde mensen te verbeelden. Iemand die dom is, noem je bijvoorbeeld een ezel.
f
Welk type mens wordt met deze dieren aangeduid? 1 rund: 2 gans: 3 beer: 4 kwal:
i
5 zwijn:
Noteer de spreekwoorden en zet de betekenis erachter. 1 2 3 4 5 6 7 8 9
g
In de uitdrukkingen ontbreekt een onderdeel van het gezicht. Vul het juiste woord in. 1 Haar op de
hebben. 19
13
1.3 Bijzonder taalgebruik
1.3 Bijzonder taalgebruik
d Wat betekenen deze spreekwoorden en uitdrukkingen? Schrijf de betekenis op. 1 Blaffende honden bijten niet.
2 Iemand de
uitsteken.
3 Iemand een
aannaaien.
4 Iemand over de 5 Met zijn 2 De beste stuurlui staan aan wal.
in de boter vallen.
6 Met twee
h 3 De bloemetjes buitenzetten.
laten gaan. spreken.
Vul de betekenis van de uitdrukkingen in. 1 Haar op de tanden hebben: 2 Iemand de ogen uitsteken:
4 De kat op het spek binden.
3 Iemand een oor aannaaien: 4 Iemand over de tong laten gaan:
5 Het hart op de tong hebben.
5 Met zijn neus in de boter vallen: 6 Met twee monden spreken:
6 Elk huisje heeft zijn kruisje.
Gebruik alleen een woordenboek als je twijfelt. Deze tekst bevat negen spreekwoorden.
e
Gebruik bij twijfel een woordenboek.
Op de kinderboerderij
Kies een spreekwoord.
Zelfs na zes maanden voelde Iris zich nog altijd een vreemde eend in de bijt tussen de andere vrijwilligers op de kinderboerderij. Inmiddels kon ze met iedereen goed opschieten, maar in het begin had ze toch een beetje de kat uit de boom gekeken. Zo moest ze erg wennen aan Henk, die al meer dan veertig jaar op de boerderij meehielp. Hij haalde continu oude koeien uit de sloot. Daar ergerde Henriëtte zich dan weer aan, die op haar beurt behoorlijk over het paard getild was. Zij was vroeger een succesvolle zakenvrouw en had inmiddels haar schaapjes op het droge. Toen Iris net met het werk begonnen was, dacht ze dat ze flink in de aap gelogeerd was. Maar ze wist dat je geen slapende honden wakker moet maken, want ze wilde niet de kans lopen haar nieuwe baan kwijt te raken. Inmiddels beseft ze dat elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Ze gaat er elke week met plezier naartoe en gaat daarna tevreden en voldaan met de kippen op stok.
Geef zowel de letterlijke als de figuurlijke betekenis van het spreekwoord. Dieren worden vaak gebruikt om het karakter van bepaalde mensen te verbeelden. Iemand die dom is, noem je bijvoorbeeld een ezel.
f
Welk type mens wordt met deze dieren aangeduid? 1 rund: 2 gans: 3 beer: 4 kwal:
i
5 zwijn:
Noteer de spreekwoorden en zet de betekenis erachter. 1 2 3 4 5 6 7 8 9
g
In de uitdrukkingen ontbreekt een onderdeel van het gezicht. Vul het juiste woord in. 1 Haar op de
18
hebben.
13
1.3 Bijzonder taalgebruik
1.3 Bijzonder taalgebruik
11 Stijlfiguren a
1 Komma en zinsbetekenis 1
• Om de top te halen, moet je trainen, trainen en nog eens trainen.
Neem de zin over. Plaats of verplaats een komma om de betekenis van de zin te veranderen. 1 Pas op de baby. 2 Wacht, niet schieten! 3 Hij is knap eigenwijs en sportief. 4 Waar eten we oma? 5 Schiet op Norah! 6 Ik hou van je oma.
• We waren afgelopen weekend allemaal ziek, zwak en misselijk.
2 Komma tussen bijvoeglijke naamwoorden
Geef aan welke stijlfiguur is gebruikt. herhaling
opsomming tegenstelling
overdrijving
• Ik mag ook nooit wat! • Wast een berg, kost een beetje.
• Veel opvoedexperts zweren bij rust, reinheid en regelmaat. • Twee halen, één betalen. • Die achtbaan gaat niet één, niet twee, maar drie keer over de kop. • Nooit, nee nooit meer zal ik gaan bungyjumpen. • Ik sterf van de honger. • Goedkoop is meestal duurkoop. Reclamemakers maken vaak gebruik van stijlfiguren.
b Noteer drie voorbeelden van stijlfiguren in reclames. Zet erbij om welke stijlfiguur het gaat: herhaling, opsomming, tegenstelling of overdrijving.
c
Leg uit waarom reclamemakers graag stijlfiguren gebruiken in hun slogans.
In lichte verstandelijke beperking hoef je geen komma te schrijven.
2 Leg uit waarom dat zo is. Stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden. Als je twijfelt over een woord of uitdrukking, controleer dan altijd de betekenis. Vraag de betekenis aan een ander of gebruik een woordenboek. De docent scheikunde fungeert al jaren onder het niveau dat de school wenst. Het woord fungeert is verkeerd gebruikt. Het betekent: een taak of functie vervullen. In deze zin wordt bedoeld dat de docent scheikunde de functie uitvoert onder het niveau dat de school wenst. Je gebruikt dan functioneert. 15.2.1 Alfabetische volgorde De woorden in een woordenboek staan op alfabetische volgorde. Je moet het alfabet goed kennen als je een woord wilt opzoeken. Als je woorden op alfabetische volgorde zet, kijk je naar de eerste letter. Als deze beginletter hetzelfde is, kijk je naar de tweede letter. Als ook deze letter hetzelfde is, kijk je naar de derde letter. Zo ga je verder. Het korte woord met dezelfde beginletters komt voor het lange woord. Muziek komt dus voor muziekles. 15.2.2 Zoekwoorden Bovenaan de bladzijden in een woordenboek staan twee of vier opvallende woorden. Dat zijn zoekwoorden. Het eerste zoekwoord is het eerste woord dat op die bladzijde staat. Het tweede zoekwoord is het laatste woord op die bladzijde. Zo zie je sneller of je een woord op die bladzijde kunt vinden.
15.2.3 Grondwoorden Veel woorden komen voor in verschillende vormen. In het woordenboek zoek je altijd de basisvorm van een woord: het grondwoord. vond zoek je bij het grondwoord vinden; gepresenteerd zoek je bij het grondwoord presenteren; apparaatje zoek je bij het grondwoord apparaat; musea zoek je bij het grondwoord museum; broze zoek je bij het grondwoord broos en superhygiënisch zoek je bij het grondwoord hygiënisch.
21
Theorie
Theorie
Theorie Inhoud In de hoofdstukken 1 t/m 9 ga je binnen een thema aan de slag met taalvaardigheid en verhalende teksten. In het leerstofoverzicht op bladzijde staat bij deze hoofdstukken aangegeven wat je van spelling, grammatica en formuleren moet weten en kunnen toepassen. Deze vaardigheden tellen mee in de beoordeling van opdrachten en toetsen. Je kunt Taalverzorging op verschillende manieren aanpakken: • voordat je begint aan een hoofdstuk; • tijdens het werken aan een hoofdstuk; • als uit een beoordeling blijkt dat je fouten maakt in taalverzorging.
3 Structuur 3.1 Titel, tussenkopjes, bronvermelding 3.2 Inleiding, middenstuk, slot 3.3 Onderwerp, deelonderwerp 3.4 Alinea, kernzin 3.5 Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte 3.6 Zinsverbanden, alineaverbanden en signaalwoorden 3.7 Soorten verbanden en signaalwoorden 3.8 Manieren om alinea’s met elkaar te verbinden 3.9 Functies van tekstgedeelten 3.10 Tekststructuren 4 Standpunt en argumentatie 4.1 Feit en mening 4.2 Standpunt en argumenten 4.3 Objectieve en subjectieve argumenten 4.4 Subjectieve en objectieve tekstsoorten 4.5 Argument, tegenargument en weerlegging 4.6 Soorten argumenten 4.7 Argumentatiestructuur 4.8 Basisschema’s voor argumentatie 4.9 Argumentaties beoordelen 4.10 Drogredenen 5 Informatie 5.1 Beeld en vormgeving 5.1.1 Tekst en beeld 5.1.2 Vormgeving 5.2 Aantekeningen maken en samenvatten 5.2.1 Aantekeningen maken 5.2.2 Samenvatten 5.3 Informatie verzamelen 5.3.1 De 5W+1H-vragen 5.3.2 Woordweb en overzicht van woordsoorten 5.3.3 Deelonderwerpen en zoekvragen 5.3.4 Zoekvragen formuleren 5.3.5 Informatie zoeken 5.3.6 Betrouwbare informatie 5.3.7 Bruikbaarheid van informatie beoordelen 5.3.8 Bronvermelding en citaat 6 Communicatie 6.1 Verbale en non-verbale communicatie 6.2 Lichaamstaal 6.3 Online communicatie 6.4 Feedback geven en ontvangen 7 Lezen 7.1. Leesmanieren 7.2 Leesplan 8 Kijken en luisteren 8.1 Luistermanieren 8.2 Kijk- en luisterplan
1 Tekstdoelen en tekstsoorten 1.1 Informerende teksten 1.2 Waarderende teksten 1.3 Verhalende teksten 2 Publiek 2.1 Publiekgerichtheid 2.2 Publiek bepalen 2.3 Inhoud afstemmen op publiek 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek 3
Theorie
Theorie
Theorie Inhoud In de hoofdstukken 1 t/m 9 ga je binnen een thema aan de slag met taalvaardigheid en verhalende teksten. In het leerstofoverzicht op bladzijde staat bij deze hoofdstukken aangegeven wat je van spelling, grammatica en formuleren moet weten en kunnen toepassen. Deze vaardigheden tellen mee in de beoordeling van opdrachten en toetsen. Je kunt Taalverzorging op verschillende manieren aanpakken: • voordat je begint aan een hoofdstuk; • tijdens het werken aan een hoofdstuk; • als uit een beoordeling blijkt dat je fouten maakt in taalverzorging.
1 Tekstdoelen en tekstsoorten 1.1 Informerende teksten 1.2 Waarderende teksten 1.3 Verhalende teksten 2 Publiek 2.1 Publiekgerichtheid 2.2 Publiek bepalen 2.3 Inhoud afstemmen op publiek 2.4 Taalgebruik afstemmen op publiek 2
3 Structuur 3.1 Titel, tussenkopjes, bronvermelding 3.2 Inleiding, middenstuk, slot 3.3 Onderwerp, deelonderwerp 3.4 Alinea, kernzin 3.5 Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte 3.6 Zinsverbanden, alineaverbanden en signaalwoorden 3.7 Soorten verbanden en signaalwoorden 3.8 Manieren om alinea’s met elkaar te verbinden 3.9 Functies van tekstgedeelten 3.10 Tekststructuren 4 Standpunt en argumentatie 4.1 Feit en mening 4.2 Standpunt en argumenten 4.3 Objectieve en subjectieve argumenten 4.4 Subjectieve en objectieve tekstsoorten 4.5 Argument, tegenargument en weerlegging 4.6 Soorten argumenten 4.7 Argumentatiestructuur 4.8 Basisschema’s voor argumentatie 4.9 Argumentaties beoordelen 4.10 Drogredenen 5 Informatie 5.1 Beeld en vormgeving 5.1.1 Tekst en beeld 5.1.2 Vormgeving 5.2 Aantekeningen maken en samenvatten 5.2.1 Aantekeningen maken 5.2.2 Samenvatten 5.3 Informatie verzamelen 5.3.1 De 5W+1H-vragen 5.3.2 Woordweb en overzicht van woordsoorten 5.3.3 Deelonderwerpen en zoekvragen 5.3.4 Zoekvragen formuleren 5.3.5 Informatie zoeken 5.3.6 Betrouwbare informatie 5.3.7 Bruikbaarheid van informatie beoordelen 5.3.8 Bronvermelding en citaat 6 Communicatie 6.1 Verbale en non-verbale communicatie 6.2 Lichaamstaal 6.3 Online communicatie 6.4 Feedback geven en ontvangen 7 Lezen 7.1. Leesmanieren 7.2 Leesplan 8 Kijken en luisteren 8.1 Luistermanieren 8.2 Kijk- en luisterplan
Theorie
Theorie
9 Spreken 9.1 Monoloog 9.2 Presentatie voorbereiden 9.3 Spreekplan maken 9.4 Inleiding en slot van een presentatie 9.5 Hulpmiddelen bij een presentatie 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie 9.7 Tijdens de presentatie 9.8 Aandacht vasthouden 9.9 Presentatie beoordelen 10 Gesprekken 10.1 Dialoog en groepsgesprek 10.2 Gesprek voeren 10.3 Gesprekstechnieken 10.4 Vraagtechnieken 10.5 Van mening verschillen 10.6 Interview 10.7 Vergadering 10.8 Discussie 10.9 Probleemoplossende discussie 10.10 Meningvormende discussie 10.11 Debat 10.12 Gesprekken beoordelen 11 Schrijven 11.1 Schrijven voorbereiden 11.2 Schrijfplan maken 11.3 Tekst beoordelen 11.4 Tekst herschrijven 11.5 Spellingcontrole 11.6 Werkwijzer zakelijke e-mail 11.7 Werkwijzer zakelijke brief 12 Fictie 12.1 Fictie 12.1.1 Fictie en non-fictie 12.1.2 Soorten fictie 12.2 Verhalen 12.2.1 Boeken uitkiezen 12.2.2 Genres 12.2.3 Realistisch of niet? 12.2.4 Leeservaring beschrijven Personages 12.2.5 Hoofdpersoon en bijfiguren 12.2.6 Rollen van personen 12.2.7 Personen beschrijven 12.2.8 Vertelperspectief Tijd in verhalen 12.2.9 Tijd waarin een verhaal zich afspeelt 12.2.10 Vertelde tijd 12.2.11 Vertelvolgorde 12.2.12 Functie van de vertelvolgorde 12.2.13 Verteltempo Setting en sfeer 12.2.14 Ruimte 12.2.15 Sfeer Spanning in verhalen 12.2.16 Spanning 12.2.17 Spanningsboog
12 Fictie 12.1 Fictie 12.1.1 Fictie en non-fictie 12.1.2 Soorten fictie 12.2 Verhalen 12.2.1 Boeken uitkiezen 12.2.2 Genres 12.2.3 Realistisch of niet? 12.2.4 Leeservaring beschrijven Personages 12.2.5 Hoofdpersoon en bijfiguren 12.2.6 Rollen van personen 12.2.7 Personen beschrijven 12.2.8 Vertelperspectief Tijd in verhalen 12.2.9 Tijd waarin een verhaal zich afspeelt 12.2.10 Vertelde tijd 12.2.11 Vertelvolgorde 12.2.12 Functie van de vertelvolgorde 12.2.13 Verteltempo Setting en sfeer 12.2.14 Ruimte 12.2.15 Sfeer Spanning in verhalen 12.2.16 Spanning 12.2.17 Spanningsboog Verhaalopbouw 12.2.18 Verhaalbegin en verhaaleinde 12.2.19 Opbouwschema 12.2.20 Proloog en epiloog 12.2.21 Onderzoek doen Betekenis 12.2.22 Thema 12.2.23 Moraal 12.2.24 Motief 12.2.25 Soorten motieven 12.2.26 Recensie 12.2.27 Literaire prijzen 12.3 Poëzie/Gedichten 12.3.1 Gedichten 12.3.2 Strofe 12.3.3 Rijm 12.3.4 Rijmschema 12.3.5 Soorten rijm 12.3.6 verbanden tussen strofen 12.4 Verhalen schrijven 12.4.1 Een verhaal beginnen 12.4.2 Werkwoordstijden in verhalen 12.4.3 Schrijven vanuit één persoon 12.4.4 Niet uitleggen, maar laten zien 12.4.5 De omgeving en de tijd beschrijven 12.4.6 Een verhaal vaart geven 12.4.7 De opmaak van een verhaal 12.5 Gedichten schrijven 12.5.1 Gedichten schrijven
5
Theorie
Theorie
9 Spreken 9.1 Monoloog 9.2 Presentatie voorbereiden 9.3 Spreekplan maken 9.4 Inleiding en slot van een presentatie 9.5 Hulpmiddelen bij een presentatie 9.6 Stemgebruik en non-verbale communicatie 9.7 Tijdens de presentatie 9.8 Aandacht vasthouden 9.9 Presentatie beoordelen 10 Gesprekken 10.1 Dialoog en groepsgesprek 10.2 Gesprek voeren 10.3 Gesprekstechnieken 10.4 Vraagtechnieken 10.5 Van mening verschillen 10.6 Interview 10.7 Vergadering 10.8 Discussie 10.9 Probleemoplossende discussie 10.10 Meningvormende discussie 10.11 Debat 10.12 Gesprekken beoordelen 11 Schrijven 11.1 Schrijven voorbereiden 11.2 Schrijfplan maken 11.3 Tekst beoordelen 11.4 Tekst herschrijven 11.5 Spellingcontrole 11.6 Werkwijzer zakelijke e-mail 11.7 Werkwijzer zakelijke brief
Verhaalopbouw 12.2.18 Verhaalbegin en verhaaleinde 12.2.19 Opbouwschema 12.2.20 Proloog en epiloog 12.2.21 Onderzoek doen Betekenis 12.2.22 Thema 12.2.23 Moraal 12.2.24 Motief 12.2.25 Soorten motieven 12.2.26 Recensie 12.2.27 Literaire prijzen 12.3 Poëzie/Gedichten 12.3.1 Gedichten 12.3.2 Strofe 12.3.3 Rijm 12.3.4 Rijmschema 12.3.5 Soorten rijm 12.3.6 verbanden tussen strofen 12.4 Verhalen schrijven 12.4.1 Een verhaal beginnen 12.4.2 Werkwoordstijden in verhalen 12.4.3 Schrijven vanuit één persoon 12.4.4 Niet uitleggen, maar laten zien 12.4.5 De omgeving en de tijd beschrijven 12.4.6 Een verhaal vaart geven 12.4.7 De opmaak van een verhaal 12.5 Gedichten schrijven 12.5.1 Gedichten schrijven 13 Grammatica 13.1 Woordsoorten 13.1.1 Zelfstandig naamwoord 13.1.2 Lidwoord 13.1.3 a. Bijvoeglijk naamwoord b. Bijvoeglijk naamwoord c. Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord 13.1.4 Voorzetsel 13.1.5 Werkwoord 13.1.6 Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord 13.1.7 Koppelwerkwoord 13.1.8 Hulpwerkwoord en koppelwerkwoord 13.1.9 Persoonlijk voornaamwoord 13.1.10 Bezittelijk voornaamwoord 13.1.11 Wederkerend voornaamwoord 13.1.12 Wederkerig voornaamwoord 13.1.13 Vragend voornaamwoord 13.1.14 Aanwijzend voornaamwoord 13.1.15 a. Betrekkelijk voornaamwoord b. Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent 13.1.16 Onbepaald voornaamwoord 13.1.17 Telwoord 13.1.18 Voegwoord 13.1.19 Bijwoord 13.1.20 Voornaamwoordelijk bijwoord
4
Theorieďťż
Theorieďťż
13.2 Zinsdelen 13.2.1 Werkwoord en werkwoordsvormen 13.2.2 Persoonsvorm 13.2.3 Werkwoordstijden 13.2.4 Werkwoordelijk gezegde 13.2.5 Scheidbaar samengesteld werkwoord 13.2.6 Onderwerp 13.2.7 Zin 13.2.8 Zinsdeel 13.2.9 Bouwplan van een zin 13.2.10 Zinsdelen herkennen 13.2.11 a. Lijdend voorwerp b. Wel of geen lijdend voorwerp? 13.2.12 a. Meewerkend voorwerp b. Wel of geen meewerkend voorwerp? c. Meewerkend voorwerp met 'voor' 13.2.13 Bijwoordelijke bepaling 13.2.14 Bijvoeglijke bepaling 13.2.15 Bijstelling 13.2.16 Naamwoordelijk gezegde 13.2.17 a. Voorzetselvoorwerp b. Verschil tussen voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling 13.2.18 a. Bedrijvende en lijdende vorm b. Lijdende zinnen herschrijven tot bedrijvende zinnen 13.2.19 Enkelvoudige en samengestelde zinnen 13.2.20 Hoofd- en bijzinnen 13.2.21 Bijzinnen maken 13.2.22 Bijzinnen vervangen 13.2.23 Samengestelde zinnen ontleden 13.2.24 a. Bijvoeglijke bijzin (bvbzin) b. Beperkende en uitbreidende bijvoeglijke bijzin 13.2.25 Beknopte bijzin 13.2.26 Meervoudig samengestelde zin 13.2.27 Samentrekking 13.3 Werkwijzer grammatica 14 Spelling 14.1 Leestekens 14.1.1 Hoofdletters en kleine letters 14.1.2 Punt, vraagteken en uitroepteken 14.1.3 Komma 14.1.4 Dubbele punt 14.1.5 Apostrof 14.1.6 Trema 14.1.7 Koppelteken 14.1.8 Puntkomma 14.1.9 Directe rede 14.1.10 Accenttekens
13.2.27 Samentrekking 13.3 Werkwijzer grammatica 14 Spelling 14.1 Leestekens 14.1.1 Hoofdletters en kleine letters 14.1.2 Punt, vraagteken en uitroepteken 14.1.3 Komma 14.1.4 Dubbele punt 14.1.5 Apostrof 14.1.6 Trema 14.1.7 Koppelteken 14.1.8 Puntkomma 14.1.9 Directe rede 14.1.10 Accenttekens 14.2 Spellingregels 14.2.1 Klinkers en medeklinkers 14.2.2 Klankgroepen 14.2.3 Woorden langer maken 14.2.4 Lettergrepen 14.2.5 i of ie? 14.2.6 au of ou? 14.2.7 b of p, d of t? 14.2.8 ij of ei? 14.2.9 Woorden met een g-klank 14.2.10 Woorden met -heid en -teit 14.2.11 Woorden met -ig 14.2.12 Woorden met -lijk 14.2.13 Woorden met een m- en n-klank 14.2.14 Woorden met een l-klank 14.2.15 Woorden met een p- en r-klank 14.2.16 Woorden met een k-klank 14.2.17 Bijvoeglijke naamwoorden 14.2.18 Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 14.2.19 Te + infinitief als bijvoeglijk naamwoord 14.2.20 Meervoud van zelfstandige naamwoorden 14.2.21 Samenstellingen 14.2.22 Samenstellingen: los of aan elkaar? 14.2.23 Samentrekkingen 14.2.24 Verkleinwoorden 14.2.25 Bezitsvorm 14.2.26 Afkortingen 14.2.27 Cijfers en getallen 14.2.28 Meervouds-n bij verwijzingen 14.3 Werkwoordspelling 14.3.1 Werkwoorden vervoegen 14.3.2 Werkwoord vervoegen: kies de goede regel 14.3.3 Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd 14.3.4 Stam 14.3.5 Persoonsvorm in de verleden tijd 14.3.6 Voltooid deelwoord 14.3.7 Gebiedende wijs 14.3.8 Werkwoorden uit het Engels 14.3.9 Persoonsvorm of voltooid deelwoord? 14.4 Werkwijzer Werkwoordspelling
7
Theorieďťż
Theorieďťż
13 Grammatica 13.1 Woordsoorten 13.1.1 Zelfstandig naamwoord 13.1.2 Lidwoord 13.1.3 a. Bijvoeglijk naamwoord b. Bijvoeglijk naamwoord c. Zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord 13.1.4 Voorzetsel 13.1.5 Werkwoord 13.1.6 Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord 13.1.7 Koppelwerkwoord 13.1.8 Hulpwerkwoord en koppelwerkwoord 13.1.9 Persoonlijk voornaamwoord 13.1.10 Bezittelijk voornaamwoord 13.1.11 Wederkerend voornaamwoord 13.1.12 Wederkerig voornaamwoord 13.1.13 Vragend voornaamwoord 13.1.14 Aanwijzend voornaamwoord 13.1.15 a. Betrekkelijk voornaamwoord b. Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent 13.1.16 Onbepaald voornaamwoord 13.1.17 Telwoord 13.1.18 Voegwoord 13.1.19 Bijwoord 13.1.20 Voornaamwoordelijk bijwoord 13.2 Zinsdelen 13.2.1 Werkwoord en werkwoordsvormen 13.2.2 Persoonsvorm 13.2.3 Werkwoordstijden 13.2.4 Werkwoordelijk gezegde 13.2.5 Scheidbaar samengesteld werkwoord 13.2.6 Onderwerp 13.2.7 Zin 13.2.8 Zinsdeel 13.2.9 Bouwplan van een zin 13.2.10 Zinsdelen herkennen 13.2.11 a. Lijdend voorwerp b. Wel of geen lijdend voorwerp? 13.2.12 a. Meewerkend voorwerp b. Wel of geen meewerkend voorwerp? c. Meewerkend voorwerp met 'voor' 13.2.13 Bijwoordelijke bepaling 13.2.14 Bijvoeglijke bepaling 13.2.15 Bijstelling 13.2.16 Naamwoordelijk gezegde 13.2.17 a. Voorzetselvoorwerp b. Verschil tussen voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling 13.2.18 a. Bedrijvende en lijdende vorm b. Lijdende zinnen herschrijven tot bedrijvende zinnen 13.2.19 Enkelvoudige en samengestelde zinnen 13.2.20 Hoofd- en bijzinnen 13.2.21 Bijzinnen maken 13.2.22 Bijzinnen vervangen 13.2.23 Samengestelde zinnen ontleden 13.2.24 a. Bijvoeglijke bijzin (bvbzin) b. Beperkende en uitbreidende bijvoeglijke bijzin 13.2.25 Beknopte bijzin 13.2.26 Meervoudig samengestelde zin
6
14.2 Spellingregels 14.2.1 Klinkers en medeklinkers 14.2.2 Klankgroepen 14.2.3 Woorden langer maken 14.2.4 Lettergrepen 14.2.5 i of ie? 14.2.6 au of ou? 14.2.7 b of p, d of t? 14.2.8 ij of ei? 14.2.9 Woorden met een g-klank 14.2.10 Woorden met -heid en -teit 14.2.11 Woorden met -ig 14.2.12 Woorden met -lijk 14.2.13 Woorden met een m- en n-klank 14.2.14 Woorden met een l-klank 14.2.15 Woorden met een p- en r-klank 14.2.16 Woorden met een k-klank 14.2.17 Bijvoeglijke naamwoorden 14.2.18 Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord 14.2.19 Te + infinitief als bijvoeglijk naamwoord 14.2.20 Meervoud van zelfstandige naamwoorden 14.2.21 Samenstellingen 14.2.22 Samenstellingen: los of aan elkaar? 14.2.23 Samentrekkingen 14.2.24 Verkleinwoorden 14.2.25 Bezitsvorm 14.2.26 Afkortingen 14.2.27 Cijfers en getallen 14.2.28 Meervouds-n bij verwijzingen 14.3 Werkwoordspelling 14.3.1 Werkwoorden vervoegen 14.3.2 Werkwoord vervoegen: kies de goede regel 14.3.3 Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd 14.3.4 Stam 14.3.5 Persoonsvorm in de verleden tijd 14.3.6 Voltooid deelwoord 14.3.7 Gebiedende wijs 14.3.8 Werkwoorden uit het Engels 14.3.9 Persoonsvorm of voltooid deelwoord? 14.4 Werkwijzer Werkwoordspelling 15 Woordenschat 15.1 Schooltaalwoorden 15.2 Woordenboek 15.2.1 Alfabetische volgorde 15.2.2 Zoekwoorden 15.2.3 Grondwoorden 15.2.4 Betekenissen 15.2.5 De-woorden en het-woorden 15.2.6 Afkortingen 15.2.7 Uitdrukkingen opzoeken 15.3 Stappenplan moeilijke woorden 15.4 Synoniemen 15.5 Antoniemen 15.6 Homoniemen 15.7 Homofonen
Theorie
Theorie
16 Formuleren 16.1 Stijlregels Stijlregel 1 Gebruik hoofdletters en leestekens Stijlregel 2 Gebruik geen afkortingen Stijlregel 3 Maak hele zinnen Stijlregel 4 Spreek je publiek aan op de juiste manier Stijlregel 5 Woordgebruik – Begrijpelijke woorden Stijlregel 6 Maak niet te lange zinnen Stijlregel 7 Vermijd wtopwoorden Stijlregel 8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier Stijlregel 8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken Stijlregel 9 Soorten verbanden en signaalwoorden Stijlrelg 10 Komma Stijlregel 11 Bronvermelding en citaat Stijlregel 12 Controleer de betekenis van woorden Stijlregel 13 Voorkom formulerings fouten 16.1.14 Woordgebruik – Betekenis controleren 16.1.15 Woordgebruik – Gevoelswaarde 16.1.16Citeren 16.1.17 Vast voorzetsel 16.1.18 Wederkerend voornaamwoord 16.1.19 Lijdende en bedrijvende zinnen 16.1.20 Komma 16.1.21 Formuleringsfouten 16.2 Formuleringsfouten Onjuiste woordkeus 16.2.1 Verkeerd woord 16.2.2 Contaminatie Fouten in zinsbouw 16.2.3 Congruentiefout 16.2.4 Dat/als-constructie 16.2.5 Ontspoorde zin 16.2.6 Foutieve begrenzing 16.2.7 Foutieve inversie 16.2.8 Verkeerd aansluitende beknopte bijzin 16.2.9 Foutieve samentrekking Stijlfouten 16.2.10 Storende herhaling 16.2.11 Dubbele ontkenning 16.2.12 Foutief pleonasme 16.2.13 Foutieve tautologie 16.3 Bijzonder taalgebruik 16.3.1 Letterlijk en figuurlijk taalgebruik 16.3.2 Beeldspraak 16.3.3 Stijlfiguren
16 Formuleren 16.1 Stijlregels Stijlregel 1 Gebruik hoofdletters en leestekens Stijlregel 2 Gebruik geen afkortingen Stijlregel 3 Maak hele zinnen Stijlregel 4 Spreek je publiek aan op de juiste manier Stijlregel 5 Woordgebruik – Begrijpelijke woorden Stijlregel 6 Maak niet te lange zinnen Stijlregel 7 Vermijd wtopwoorden Stijlregel 8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier Stijlregel 8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken Stijlregel 9 Soorten verbanden en signaalwoorden Stijlrelg 10 Komma Stijlregel 11 Bronvermelding en citaat Stijlregel 12 Controleer de betekenis van woorden Stijlregel 13 Voorkom formulerings fouten 16.1.14 Woordgebruik – Betekenis controleren 16.1.15 Woordgebruik – Gevoelswaarde 16.1.16Citeren 16.1.17 Vast voorzetsel 16.1.18 Wederkerend voornaamwoord 16.1.19 Lijdende en bedrijvende zinnen 16.1.20 Komma 16.1.21 Formuleringsfouten 16.2 Formuleringsfouten Onjuiste woordkeus 16.2.1 Verkeerd woord 16.2.2 Contaminatie Fouten in zinsbouw 16.2.3 Congruentiefout 16.2.4 Dat/als-constructie 16.2.5 Ontspoorde zin 16.2.6 Foutieve begrenzing 16.2.7 Foutieve inversie 16.2.8 Verkeerd aansluitende beknopte bijzin 16.2.9 Foutieve samentrekking Stijlfouten 16.2.10 Storende herhaling 16.2.11 Dubbele ontkenning 16.2.12 Foutief pleonasme 16.2.13 Foutieve tautologie 16.3 Bijzonder taalgebruik 16.3.1 Letterlijk en figuurlijk taalgebruik 16.3.2 Beeldspraak 16.3.3 Stijlfiguren
17 Taalbeschouwing 17.1 Woordvorming 17.1.1 Woorden vormen 17.1.2 Samenstellingen 17.1.3 Meerledige samenste lingen 17.1.4 Afleidingen 17.1.5 Trappen van vergelijking 17.2 Taalvariatie 17.2.1 Regionale taalvariati 17.2.2 Sociale taalvariatie 17.2.3 Jongerentaal 17.2.4 Taal op sociale med 17.3 Taalverwerving 17.3.1 Meertaligheid 17.3.2 Kindertaal 17.4 Over taalgebruik 17.4.1 Taalverandering 17.4.2 Leenwoorden en etymologie 17.4.3 Beeldtaal 17.4.4 Dieren en taal 17.4.5 Taalfamilies 17.4.6 Bedreigde talen 17.4.7 Geschiedenis van het Nederlands 17.4.8 Taal- en spraaktechnologie 17.4.9 Schriftsystemen
9
Theorieďťż
Theorieďťż
15 Woordenschat 15.1 Schooltaalwoorden 15.2 Woordenboek 15.2.1 Alfabetische volgorde 15.2.2 Zoekwoorden 15.2.3 Grondwoorden 15.2.4 Betekenissen 15.2.5 De-woorden en het-woorden 15.2.6 Afkortingen 15.2.7 Uitdrukkingen opzoeken 15.3 Stappenplan moeilijke woorden 15.4 Synoniemen 15.5 Antoniemen 15.6 Homoniemen 15.7 Homofonen
8
17 Taalbeschouwing 17.1 Woordvorming 17.1.1 Woorden vormen 17.1.2 Samenstellingen 17.1.3 Meerledige samenstel lingen 17.1.4 Afleidingen 17.1.5 Trappen van vergelijking 17.2 Taalvariatie 17.2.1 Regionale taalvariatie 17.2.2 Sociale taalvariatie 17.2.3 Jongerentaal 17.2.4 Taal op sociale media 17.3 Taalverwerving 17.3.1 Meertaligheid 17.3.2 Kindertaal 17.4 Over taalgebruik 17.4.1 Taalverandering 17.4.2 Leenwoorden en etymologie 17.4.3 Beeldtaal 17.4.4 Dieren en taal 17.4.5 Taalfamilies 17.4.6 Bedreigde talen 17.4.7 Geschiedenis van het Nederlands 17.4.8 Taal- en spraaktechnologie 17.4.9 Schriftsystemen
Theorie
Theorie — 2
1 Tekstdoelen en tekstsoorten [1.1] Tekstdoelen en tekstsoorten Je leest of beluistert een tekst altijd met een bepaald doel. Je wilt bijvoorbeeld uitleg krijgen of de mening van een ander te weten komen. Schrijvers van teksten houden rekening met het leesdoel en het luisterdoel als ze een tekst schrijven. Een schrijver wil met zijn tekst namelijk iets bereiken. Zodra een schrijver weet wat het schrijfdoel voor een tekst is, stemt hij zijn tekst daarop af. Een tekst kan ook meerdere doelen hebben, maar meestal is er één hoofddoel. Elke tekst heeft dus een tekstdoel. Bij elk tekstdoel hoort een tekstsoort. Zo hoort de informerende tekst bij het tekstdoel informeren. Tekstsoorten kun je tegenkomen in geschreven en in gesproken vorm, zoals een nieuwsbericht op internet of op tv, een advertentie in een tijdschrift of een radioreclame. Hier staan de belangrijkste tekstdoelen en de bijbehorende tekstsoorten:
1.1 Informerende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Informeren
Informerende tekst
Alleen (nieuwe) informatie over een onderwerp.
• nieuwsbericht • verslag • zakelijke brief • notulen • werkstuk • journaal
Uitleg geven
Instructie geven
Uiteenzettende tekst
Instructieve tekst
Een uitleg, beschrijving • tekst in schoolboek of verklaring van een • achtergrondtekst in krant, onderwerp. tijdschrift of online • naslagwerk • uitlegfilmpje Aanwijzingen over hoe je iets moet doen, hoe iets werkt of gebruikt moet worden.
• handleiding • recept • gebruiksaanwijzing • videotutorial • routebeschrijving
[1.2] Waarderende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Beschouwen
Beschouwende tekst
Verschillende kanten van een onderwerp laten zien, aan het nadenken zetten.
• achtergrondtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • documentaire • probleemoplossende discussie • vergadering
Overtuigen
Betogende tekst
Met argumenten van een mening overtuigen.
• ingezonden brief • recensie • meningtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • discussie
Activeren
Activerende tekst
Met argumenten activeren iets te kopen of te gaan doen.
• klachtenbrief • sollicitatiebrief • flyer, folder, brochure • advertentie, reclame
Publiek
1.3 Verhalende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Amuseren
Amuserende tekst
Vermaken.
• verhaal, jongerenroman • gedicht, songtekst • toneelstuk, cabaret • soapserie, film
2 Publiek [2.1] Publiekgerichtheid Wanneer je een tekst schrijft of een gesprek voert, dan wil je daarmee iets bereiken bij iemand of bij een groep. Een geschreven of een gesproken tekst is altijd bestemd voor een bepaald publiek. Het is belangrijk dat je weet wie je publiek is, zodat je er rekening mee kunt houden. Je wilt namelijk je doel bereiken. Dat doe je door de inhoud en je taalgebruik te ‘richten’ op je publiek. Dit noem je publiekgerichtheid.
[2.2] Publiek bepalen Je kunt het publiek op deze manier indelen: Een persoon
Een groep
Bekend
Je kent de persoon goed, bijvoorbeeld een vriend(in).
Je kent de groep. Bijvoorbeeld je klasgenoten.
Onbekend
Je kent de persoon niet. Bijvoorbeeld de medewerker van een telefoonwinkel.
Het is een heel grote groep. Bijvoorbeeld jongeren of de inwoners van je stad of dorp.
[2.3] Inhoud afstemmen op publiek Als je weet wie je publiek is, dan stem je de inhoud van je tekst erop af. Daarvoor stel je jezelf de volgende vragen: 1 Wat weet mijn publiek al van het onderwerp? (= voorkennis) 2 Welke informatie heeft mijn publiek nodig? (= vraag) 3 Wat vindt mijn publiek van het onderwerp? (= standpunt) De lezer of luisteraar moet je tekst kunnen begrijpen. Het onderwerp moet dus geschikt zijn voor je publiek. Als je te veel of te weinig informatie geeft, dan haakt je publiek af. Sluit altijd aan bij de voorkennis, de vraag en het standpunt van je publiek. Maak de inhoud uitnodigend: zorg ervoor dat je de aandacht van je publiek trekt en vasthoudt. Dat kun je bijvoorbeeld doen met een pakkende inleiding, een goed gekozen beeld of een passend grapje of verhaaltje.
[2.4] Taalgebruik afstemmen op publiek Voor een publiek van leeftijdgenoten kies je andere woorden dan voor een publiek dat uit volwassenen bestaat. Om goed aan te sluiten bij je publiek is het belangrijk dat je nadenkt over de taal die je gebruikt. Bij vrienden en bekenden hoef je niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Bij een publiek van volwassenen of onbekenden is het wel belangrijk om na te denken over je woorden. Je gebruikt nette woorden en je bent beleefd, dus je spreekt ze aan met ‘u’. Dit noem je formeel taalgebruik.
11
Theorie
Theorie — 2
1 Tekstdoelen en tekstsoorten [1.1] Tekstdoelen en tekstsoorten Je leest of beluistert een tekst altijd met een bepaald doel. Je wilt bijvoorbeeld uitleg krijgen of de mening van een ander te weten komen. Schrijvers van teksten houden rekening met het leesdoel en het luisterdoel als ze een tekst schrijven. Een schrijver wil met zijn tekst namelijk iets bereiken. Zodra een schrijver weet wat het schrijfdoel voor een tekst is, stemt hij zijn tekst daarop af. Een tekst kan ook meerdere doelen hebben, maar meestal is er één hoofddoel. Elke tekst heeft dus een tekstdoel. Bij elk tekstdoel hoort een tekstsoort. Zo hoort de informerende tekst bij het tekstdoel informeren. Tekstsoorten kun je tegenkomen in geschreven en in gesproken vorm, zoals een nieuwsbericht op internet of op tv, een advertentie in een tijdschrift of een radioreclame. Hier staan de belangrijkste tekstdoelen en de bijbehorende tekstsoorten:
1.1 Informerende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Informeren
Informerende tekst
Alleen (nieuwe) informatie over een onderwerp.
• nieuwsbericht • verslag • zakelijke brief • notulen • werkstuk • journaal
Uitleg geven
Instructie geven
Uiteenzettende tekst
Instructieve tekst
Een uitleg, beschrijving • tekst in schoolboek of verklaring van een • achtergrondtekst in krant, onderwerp. tijdschrift of online • naslagwerk • uitlegfilmpje Aanwijzingen over hoe je iets moet doen, hoe iets werkt of gebruikt moet worden.
• handleiding • recept • gebruiksaanwijzing • videotutorial • routebeschrijving
[1.2] Waarderende teksten
10
Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Beschouwen
Beschouwende tekst
Verschillende kanten van een onderwerp laten zien, aan het nadenken zetten.
• achtergrondtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • documentaire • probleemoplossende discussie • vergadering
Overtuigen
Betogende tekst
Met argumenten van een mening overtuigen.
• ingezonden brief • recensie • meningtekst in krant, tijdschrift of online • column of weblog • discussie
Activeren
Activerende tekst
Met argumenten activeren iets te kopen of te gaan doen.
• klachtenbrief • sollicitatiebrief • flyer, folder, brochure • advertentie, reclame
Publiek
1.3 Verhalende teksten Tekstdoel
Tekstsoort
Uitleg
Voorbeelden
Amuseren
Amuserende tekst
Vermaken.
• • • •
verhaal, jongerenroman gedicht, songtekst toneelstuk, cabaret soapserie, film
2 Publiek [2.1] Publiekgerichtheid Wanneer je een tekst schrijft of een gesprek voert, dan wil je daarmee iets bereiken bij iemand of bij een groep. Een geschreven of een gesproken tekst is altijd bestemd voor een bepaald publiek. Het is belangrijk dat je weet wie je publiek is, zodat je er rekening mee kunt houden. Je wilt namelijk je doel bereiken. Dat doe je door de inhoud en je taalgebruik te ‘richten’ op je publiek. Dit noem je publiekgerichtheid.
[2.2] Publiek bepalen Je kunt het publiek op deze manier indelen: Een persoon
Een groep
Bekend
Je kent de persoon goed, bijvoorbeeld een vriend(in).
Je kent de groep. Bijvoorbeeld je klasgenoten.
Onbekend
Je kent de persoon niet. Bijvoorbeeld de medewerker van een telefoonwinkel.
Het is een heel grote groep. Bijvoorbeeld jongeren of de inwoners van je stad of dorp.
[2.3] Inhoud afstemmen op publiek Als je weet wie je publiek is, dan stem je de inhoud van je tekst erop af. Daarvoor stel je jezelf de volgende vragen: 1 Wat weet mijn publiek al van het onderwerp? (= voorkennis) 2 Welke informatie heeft mijn publiek nodig? (= vraag) 3 Wat vindt mijn publiek van het onderwerp? (= standpunt) De lezer of luisteraar moet je tekst kunnen begrijpen. Het onderwerp moet dus geschikt zijn voor je publiek. Als je te veel of te weinig informatie geeft, dan haakt je publiek af. Sluit altijd aan bij de voorkennis, de vraag en het standpunt van je publiek. Maak de inhoud uitnodigend: zorg ervoor dat je de aandacht van je publiek trekt en vasthoudt. Dat kun je bijvoorbeeld doen met een pakkende inleiding, een goed gekozen beeld of een passend grapje of verhaaltje.
[2.4] Taalgebruik afstemmen op publiek Voor een publiek van leeftijdgenoten kies je andere woorden dan voor een publiek dat uit volwassenen bestaat. Om goed aan te sluiten bij je publiek is het belangrijk dat je nadenkt over de taal die je gebruikt. Bij vrienden en bekenden hoef je niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Bij een publiek van volwassenen of onbekenden is het wel belangrijk om na te denken over je woorden. Je gebruikt nette woorden en je bent beleefd, dus je spreekt ze aan met ‘u’. Dit noem je formeel taalgebruik.
Theorie — 3
Structuur
Neem in je taalgebruik de volgende punten mee: 1 Gebruik woorden die bekend zijn voor je publiek. 2 Varieer je woorden: herhaal niet steeds hetzelfde woord. 3 Vermijd te lange zinnen en wissel korte en langere zinnen af. 4 Gebruik de toon die bij je publiek past. In een zakelijke brief mag je taal bijvoorbeeld niet te populair zijn.
Theorie — 3
Structuur
Een goed opgebouwde alinea heeft altijd een kernzin: de zin waarin de belangrijkste mededeling van de alinea staat. Deze zin staat meestal vooraan in de alinea. Het is dan de eerste of tweede zin. Soms staat de kernzin achteraan. De andere zinnen van de alinea zijn voorbeelden of een toelichting bij de kernzin.
3 Structuur [3.1] Titel, tussenkopjes, bronvermelding Elke tekst moet een titel hebben. De titel maakt vaak duidelijk waar de tekst over gaat, maar kan je ook nieuwsgierig maken naar de rest van de tekst. In langere teksten staan meestal tussenkopjes. Die maken duidelijk waar de tekst die eronder staat over gaat. Ze maken een tekst overzichtelijker. Onderaan de tekst staat de bronvermelding (zie Bronvermelding en citaat). Deze geeft aan waar de tekst vandaan komt.
[3.2] Inleiding, middenstuk, slot Een tekst bestaat meestal uit drie delen: inleiding, middenstuk en slot. Elk deel heeft een functie binnen de hele tekst. De inleiding is bedoeld om de lezer of luisteraar nieuwsgierig te maken. In het middenstuk wordt het onderwerp verder uitgewerkt en het slot rondt de tekst af. In de afbeelding zie je op welke manieren je een tekst kunt inleiden en afsluiten. Je kunt ook meer manieren gebruiken. Eén manier is meestal de belangrijkste.
[3.5] Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte De belangrijkste zaken in een tekst noem je de hoofdzaken. Minder belangrijke zaken zoals uitleg, toelichting en voorbeelden noem je bijzaken. De hoofdgedachte van een tekst is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst. Als je het onderwerp en de hoofdzaken met elkaar verbindt, kun je de hoofdgedachte van een tekst meestal in één zin beschrijven. De hoofdgedachte = de samenvatting van het onderwerp + de hoofdzaken, geformuleerd in één zin. Zo bepaal je de hoofdgedachte: 1 Schrijf het onderwerp van de tekst op. 2 Stel de vraag: Wat vertelt de schrijver van deze tekst over het onderwerp? 3 Zoek naar een aanwijzing in de titel, de inleiding of het slot. 4 Vat de hoofdzaken over het onderwerp samen. 5 Formuleer de hoofdgedachte in één complete zin. 6 De hoofdgedachte is nooit een vraag.
[3.6] Zinsverbanden, alineaverbanden en signaalwoorden
[3.3] Onderwerp, deelonderwerp Een tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst. Je kunt het meestal in een of enkele woorden beschrijven. Een onderwerp bestaat vaak uit verschillende deelonderwerpen. In een deelonderwerp wordt een gedeelte van het onderwerp besproken.
[3.4] Alinea, kernzin
Zinnen en alinea’s staan niet zomaar achter elkaar. In een goed opgebouwde tekst bestaat er een logisch verband binnen zinnen, tussen zinnen en tussen alinea’s. Een verband binnen een zin of tussen zinnen is een zinsverband. Een verband tussen alinea’s is een alineaverband. Vaak wordt een verband aangegeven door een signaalwoord of een groepje signaalwoorden. Signaalwoorden laten zien welk verband er is tussen zinnen of alinea’s.
[3.7] Soorten verbanden en signaalwoorden Met een signaalwoord of een groepje signaalwoorden kun je laten zien wat zinnen of alinea’s met elkaar te maken hebben. Signaalwoorden kunnen verschillende soorten verbanden aangeven:
Een stukje tekst over een deelonderwerp noem je een alinea. Een alinea van een geschreven tekst begint altijd op een nieuwe regel. Een alinea van een gesproken tekst herken je aan de korte pauze die de spreker na de alinea neemt. Het middenstuk van een tekst bestaat uit verschillende alinea’s. Het deelonderwerp kan in een of meer alinea’s worden uitgewerkt. 13
Theorie — 3
Structuur
Neem in je taalgebruik de volgende punten mee: 1 Gebruik woorden die bekend zijn voor je publiek. 2 Varieer je woorden: herhaal niet steeds hetzelfde woord. 3 Vermijd te lange zinnen en wissel korte en langere zinnen af. 4 Gebruik de toon die bij je publiek past. In een zakelijke brief mag je taal bijvoorbeeld niet te populair zijn.
Theorie — 3
Structuur
Een goed opgebouwde alinea heeft altijd een kernzin: de zin waarin de belangrijkste mededeling van de alinea staat. Deze zin staat meestal vooraan in de alinea. Het is dan de eerste of tweede zin. Soms staat de kernzin achteraan. De andere zinnen van de alinea zijn voorbeelden of een toelichting bij de kernzin.
3 Structuur [3.1] Titel, tussenkopjes, bronvermelding Elke tekst moet een titel hebben. De titel maakt vaak duidelijk waar de tekst over gaat, maar kan je ook nieuwsgierig maken naar de rest van de tekst. In langere teksten staan meestal tussenkopjes. Die maken duidelijk waar de tekst die eronder staat over gaat. Ze maken een tekst overzichtelijker. Onderaan de tekst staat de bronvermelding (zie Bronvermelding en citaat). Deze geeft aan waar de tekst vandaan komt.
[3.2] Inleiding, middenstuk, slot Een tekst bestaat meestal uit drie delen: inleiding, middenstuk en slot. Elk deel heeft een functie binnen de hele tekst. De inleiding is bedoeld om de lezer of luisteraar nieuwsgierig te maken. In het middenstuk wordt het onderwerp verder uitgewerkt en het slot rondt de tekst af. In de afbeelding zie je op welke manieren je een tekst kunt inleiden en afsluiten. Je kunt ook meer manieren gebruiken. Eén manier is meestal de belangrijkste.
[3.5] Hoofdzaken, bijzaken, hoofdgedachte De belangrijkste zaken in een tekst noem je de hoofdzaken. Minder belangrijke zaken zoals uitleg, toelichting en voorbeelden noem je bijzaken. De hoofdgedachte van een tekst is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst. Als je het onderwerp en de hoofdzaken met elkaar verbindt, kun je de hoofdgedachte van een tekst meestal in één zin beschrijven. De hoofdgedachte = de samenvatting van het onderwerp + de hoofdzaken, geformuleerd in één zin. Zo bepaal je de hoofdgedachte: 1 Schrijf het onderwerp van de tekst op. 2 Stel de vraag: Wat vertelt de schrijver van deze tekst over het onderwerp? 3 Zoek naar een aanwijzing in de titel, de inleiding of het slot. 4 Vat de hoofdzaken over het onderwerp samen. 5 Formuleer de hoofdgedachte in één complete zin. 6 De hoofdgedachte is nooit een vraag.
[3.6] Zinsverbanden, alineaverbanden en signaalwoorden
[3.3] Onderwerp, deelonderwerp Een tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst. Je kunt het meestal in een of enkele woorden beschrijven. Een onderwerp bestaat vaak uit verschillende deelonderwerpen. In een deelonderwerp wordt een gedeelte van het onderwerp besproken.
[3.4] Alinea, kernzin Een stukje tekst over een deelonderwerp noem je een alinea. Een alinea van een geschreven tekst begint altijd op een nieuwe regel. Een alinea van een gesproken tekst herken je aan de korte pauze die de spreker na de alinea neemt. Het middenstuk van een tekst bestaat uit verschillende alinea’s. Het deelonderwerp kan in een of meer alinea’s worden uitgewerkt. 12
Zinnen en alinea’s staan niet zomaar achter elkaar. In een goed opgebouwde tekst bestaat er een logisch verband binnen zinnen, tussen zinnen en tussen alinea’s. Een verband binnen een zin of tussen zinnen is een zinsverband. Een verband tussen alinea’s is een alineaverband. Vaak wordt een verband aangegeven door een signaalwoord of een groepje signaalwoorden. Signaalwoorden laten zien welk verband er is tussen zinnen of alinea’s.
[3.7] Soorten verbanden en signaalwoorden Met een signaalwoord of een groepje signaalwoorden kun je laten zien wat zinnen of alinea’s met elkaar te maken hebben. Signaalwoorden kunnen verschillende soorten verbanden aangeven:
Theorie — 4
Standpunt en argumentatie
Theorie — 5
Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
opsomming
Je noemt verschillende dingen achter elkaar op.
ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, en, niet alleen ... maar ook, ten eerste, ten tweede, vervolgens, ten slotte Hardlopen heeft veel voordelen. Ten eerste is het een goedkope sport.
tegenstelling
Na een uitspraak beweer je meteen het tegengestelde.
maar, daarentegen, echter, integendeel, aan de ene kant ... aan de andere kant, daar staat tegenover, toch Deze telefoon heeft een groter scherm, maar de foto's zijn minder goed.
reden
Je geeft een reden. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
daarom, want, omdat, namelijk Veel scholieren slaan het ontbijt over, omdat ze er geen tijd voor hebben.
Informatie
Doordat het hogedrukgebied vanuit Engeland naar Nederland trekt, wordt de kans op motregen later vandaag klein.
Een mening beschrijf je met subjectieve (persoonlijke) woorden. ‘De dansers bewogen prachtig over het toneel. De voorstelling was dan ook buitengewoon goed.’
[4.2] Standpunt en argumenten Een standpunt is een uitspraak of bewering over een bepaald onderwerp. Je hebt een opvatting of mening over het onderwerp, die je duidelijk wilt maken aan je publiek. Daarvoor gebruik je argumenten. Dat zijn redenen waarom je iets vindt. Je gebruikt ze om je standpunt te onderbouwen. Het standpunt en de argumenten samen noem je de argumentatie. Tijdens de schooltijden moeten mobiele telefoons in de kluisjes worden opgeborgen (standpunt), want te veel leerlingen kunnen zich niet concentreren met hun mobiele telefoon in de buurt (argument).
5 Informatie Mummies onder elkaar
4 Standpunt en argumentatie
5.1
Beeld en vormgeving
[5.1.1] Tekst en beeld [4.1] Feit en mening In een tekst kunnen feiten en meningen staan.
Bij of in teksten zie je vaak verschillende soorten beelden, zoals foto’s, tekeningen, illustraties, schema’s, animaties, pictogrammen en infographics. Met beelden kun je een gesproken of geschreven tekst verduidelijken, aanvullen of levendiger maken. Denk aan deze tips als je beeld toevoegt aan je tekst: • Gebruik alleen beelden bij de belangrijkste onderwerpen. • Gebruik een beeld om iets ingewikkelds uit te leggen. • Kies goede beelden met mooie kleuren. Nietszeggende of onduidelijke afbeelding versterken je tekst niet. • Gebruik niet te veel beelden. Eén ‘sterk’ afbeelding heeft meer effect dan tien matige afbeeldingen.
[5.1.2] Vormgeving
Een feit beschrijf je met objectieve (zakelijke, niet-persoonlijke) woorden.
De vormgeving (ook wel opmaak of lay-out genoemd) is alles wat je doet aan de verzorging van je geschreven tekst. Denk daarbij aan het lettertype, de kleuren, de illustraties en de hoeveelheid wit op de pagina. Met een goede vormgeving bereik je je publiek beter. Tips voor een goede vormgeving: • Laat belangrijke onderdelen in de tekst opvallen. Gebruik bijvoorbeeld een vetgedrukt, gekleurd en/of groter lettertype voor titels en tussenkopjes. • Zorg voor een duidelijke alinea-indeling en gebruik witregels tussen de alinea’s. Witregels maken je tekst beter leesbaar. 15
Theorie — 4
Standpunt en argumentatie
Theorie — 5
Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
opsomming
Je noemt verschillende dingen achter elkaar op.
ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, en, niet alleen ... maar ook, ten eerste, ten tweede, vervolgens, ten slotte Hardlopen heeft veel voordelen. Ten eerste is het een goedkope sport.
tegenstelling
Na een uitspraak beweer je meteen het tegengestelde.
maar, daarentegen, echter, integendeel, aan de ene kant ... aan de andere kant, daar staat tegenover, toch Deze telefoon heeft een groter scherm, maar de foto's zijn minder goed.
reden
Je geeft een reden. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
daarom, want, omdat, namelijk Veel scholieren slaan het ontbijt over, omdat ze er geen tijd voor hebben.
Informatie
Doordat het hogedrukgebied vanuit Engeland naar Nederland trekt, wordt de kans op motregen later vandaag klein.
Een mening beschrijf je met subjectieve (persoonlijke) woorden. ‘De dansers bewogen prachtig over het toneel. De voorstelling was dan ook buitengewoon goed.’
[4.2] Standpunt en argumenten Een standpunt is een uitspraak of bewering over een bepaald onderwerp. Je hebt een opvatting of mening over het onderwerp, die je duidelijk wilt maken aan je publiek. Daarvoor gebruik je argumenten. Dat zijn redenen waarom je iets vindt. Je gebruikt ze om je standpunt te onderbouwen. Het standpunt en de argumenten samen noem je de argumentatie. Tijdens de schooltijden moeten mobiele telefoons in de kluisjes worden opgeborgen (standpunt), want te veel leerlingen kunnen zich niet concentreren met hun mobiele telefoon in de buurt (argument).
5 Informatie Mummies onder elkaar
4 Standpunt en argumentatie
5.1 Beeld en vormgeving [5.1.1] Tekst en beeld
[4.1] Feit en mening In een tekst kunnen feiten en meningen staan.
Bij of in teksten zie je vaak verschillende soorten beelden, zoals foto’s, tekeningen, illustraties, schema’s, animaties, pictogrammen en infographics. Met beelden kun je een gesproken of geschreven tekst verduidelijken, aanvullen of levendiger maken. Denk aan deze tips als je beeld toevoegt aan je tekst: • Gebruik alleen beelden bij de belangrijkste onderwerpen. • Gebruik een beeld om iets ingewikkelds uit te leggen. • Kies goede beelden met mooie kleuren. Nietszeggende of onduidelijke afbeelding versterken je tekst niet. • Gebruik niet te veel beelden. Eén ‘sterk’ afbeelding heeft meer effect dan tien matige afbeeldingen.
[5.1.2] Vormgeving
Een feit beschrijf je met objectieve (zakelijke, niet-persoonlijke) woorden.
14
De vormgeving (ook wel opmaak of lay-out genoemd) is alles wat je doet aan de verzorging van je geschreven tekst. Denk daarbij aan het lettertype, de kleuren, de illustraties en de hoeveelheid wit op de pagina. Met een goede vormgeving bereik je je publiek beter. Tips voor een goede vormgeving: • Laat belangrijke onderdelen in de tekst opvallen. Gebruik bijvoorbeeld een vetgedrukt, gekleurd en/of groter lettertype voor titels en tussenkopjes. • Zorg voor een duidelijke alinea-indeling en gebruik witregels tussen de alinea’s. Witregels maken je tekst beter leesbaar.
Theorie — 5
• • • •
Informatie
Theorie — 5
Informatie
Maak gebruik van korte tussenkopjes om de deelonderwerpen aan te geven. Gebruik mooie, passende afbeeldingen die je tekst ondersteunen. Gebruik niet te veel kleuren, vormen en lettertypes. Zorg voor rust en evenwicht. Stem de vormgeving af op je publiek. In een tekst voor kinderen kun je veel beelden en kleuren gebruiken, maar in een zakelijke brief doe je dat niet.
5.2 Aantekeningen maken en samenvatten [5.2.1] Aantekeningen maken Als je informatie wilt of moet onthouden, dan is het belangrijk dat je goede aantekeningen kunt maken. Aantekeningen maak je bijvoorbeeld als je extra informatie van je docent krijgt tijdens de les. Maar ook als je een samenvatting, een verslag of een werkstuk maakt, dan helpen aantekeningen je om te kunnen onthouden wat je leest, ziet of hoort. Gebruik deze tips: • Lees of luister goed naar alles wat wordt gezegd. • Onderscheid hoofdzaken en bijzaken van elkaar. Schrijf alleen de hoofdzaken op. • Sla regels over, zodat je ruimte overhoudt voor aanvullingen. • Gebruik trefwoorden. Dat zijn de belangrijkste woorden in een tekst. • Gebruik afkortingen die je later zelf nog begrijpt. • Schrijf schematisch. Gebruik iconen, pijlen, kleuren en andere tekens waarmee je het verband tussen woorden en zinnen aangeeft. • Gebruik eventueel tussenkopjes boven delen van je aantekeningen. • Lees je aantekeningen na afloop door en vul ze zo nodig aan. Is alles duidelijk? Wacht niet te lang met het uitwerken van je aantekeningen, want je kunt al snel iets belangrijks vergeten.
5.3 Informatie verzamelen [5.3.1] De 5W+1H-vragen Een nieuwsbericht moet altijd antwoord geven op de volgende vragen: • Wat is het nieuws? • Wie speelt een rol in dit nieuws? • Waar is het gebeurd? • Wanneer is het gebeurd? • Waarom is het gebeurd? • Hoe is het gebeurd? Ook als je je oriënteert op een onderwerp voor een tekst of een presentatie, dan kunnen deze 5W+1H-vragen je daarbij helpen.
[5.3.2] Woordweb en overzicht van woordsoorten Wanneer je het schrijven of presenteren van een tekst gaat voorbereiden, zet je volgende stappen: Stap 1 Bedenk een onderwerp. Beantwoord voor jezelf de volgende vragen: • Wat vind ik een interessant onderwerp? • Waarom vind ik dit onderwerp interessant? • Voor wie is dit onderwerp ook interessant? Stap 2 Verken het onderwerp. Denk na over wat je allemaal over het onderwerp weet. Dit kan op verschillende manieren: • Stel vragen bij het onderwerp (de 5W+1H-vragen). • Maak een woordweb bij het onderwerp. • Maak een overzicht van woordsoorten bij het onderwerp.
[5.2.2] Samenvatten Bij het samenvatten van een tekst of tekstdeel haal je de hoofdzaken uit de tekst of het tekstdeel. In de samenvatting van een hele tekst moeten de bedoeling en de hoofdgedachte juist zijn weergegeven. In de samenvatting van een tekstdeel moeten de hoofdzaken zijn weergegeven. De samenvatting moet geschreven zijn in goed Nederlands en prettig leesbaar zijn. Je laat details, voorbeelden, uitweidingen en herhalingen altijd weg. Het maken van een schema kan een handig hulpmiddel zijn bij het samenvatten van een tekst. Met een schema in tabelvorm kun je de opbouw van de tekst goed weergeven. Een mindmap kan heel geschikt zijn om bepaalde verbanden aan te geven, zoals oorzaak-gevolg of probleem-oplossing. In het midden zet je de hoofdgedachte. Deze verbind je door middel van lijnen met de hoofdzaken. Woordweb en overzicht van woordsoorten
17
Theorie — 5
• • • •
Informatie
Theorie — 5
Informatie
Maak gebruik van korte tussenkopjes om de deelonderwerpen aan te geven. Gebruik mooie, passende afbeeldingen die je tekst ondersteunen. Gebruik niet te veel kleuren, vormen en lettertypes. Zorg voor rust en evenwicht. Stem de vormgeving af op je publiek. In een tekst voor kinderen kun je veel beelden en kleuren gebruiken, maar in een zakelijke brief doe je dat niet.
5.2 Aantekeningen maken en samenvatten [5.2.1] Aantekeningen maken Als je informatie wilt of moet onthouden, dan is het belangrijk dat je goede aantekeningen kunt maken. Aantekeningen maak je bijvoorbeeld als je extra informatie van je docent krijgt tijdens de les. Maar ook als je een samenvatting, een verslag of een werkstuk maakt, dan helpen aantekeningen je om te kunnen onthouden wat je leest, ziet of hoort. Gebruik deze tips: • Lees of luister goed naar alles wat wordt gezegd. • Onderscheid hoofdzaken en bijzaken van elkaar. Schrijf alleen de hoofdzaken op. • Sla regels over, zodat je ruimte overhoudt voor aanvullingen. • Gebruik trefwoorden. Dat zijn de belangrijkste woorden in een tekst. • Gebruik afkortingen die je later zelf nog begrijpt. • Schrijf schematisch. Gebruik iconen, pijlen, kleuren en andere tekens waarmee je het verband tussen woorden en zinnen aangeeft. • Gebruik eventueel tussenkopjes boven delen van je aantekeningen. • Lees je aantekeningen na afloop door en vul ze zo nodig aan. Is alles duidelijk? Wacht niet te lang met het uitwerken van je aantekeningen, want je kunt al snel iets belangrijks vergeten.
5.3 Informatie verzamelen [5.3.1] De 5W+1H-vragen Een nieuwsbericht moet altijd antwoord geven op de volgende vragen: • Wat is het nieuws? • Wie speelt een rol in dit nieuws? • Waar is het gebeurd? • Wanneer is het gebeurd? • Waarom is het gebeurd? • Hoe is het gebeurd? Ook als je je oriënteert op een onderwerp voor een tekst of een presentatie, dan kunnen deze 5W+1H-vragen je daarbij helpen.
[5.3.2] Woordweb en overzicht van woordsoorten Wanneer je het schrijven of presenteren van een tekst gaat voorbereiden, zet je volgende stappen: Stap 1 Bedenk een onderwerp. Beantwoord voor jezelf de volgende vragen: • Wat vind ik een interessant onderwerp? • Waarom vind ik dit onderwerp interessant? • Voor wie is dit onderwerp ook interessant? Stap 2 Verken het onderwerp. Denk na over wat je allemaal over het onderwerp weet. Dit kan op verschillende manieren: • Stel vragen bij het onderwerp (de 5W+1H-vragen). • Maak een woordweb bij het onderwerp. • Maak een overzicht van woordsoorten bij het onderwerp.
[5.2.2] Samenvatten Bij het samenvatten van een tekst of tekstdeel haal je de hoofdzaken uit de tekst of het tekstdeel. In de samenvatting van een hele tekst moeten de bedoeling en de hoofdgedachte juist zijn weergegeven. In de samenvatting van een tekstdeel moeten de hoofdzaken zijn weergegeven. De samenvatting moet geschreven zijn in goed Nederlands en prettig leesbaar zijn. Je laat details, voorbeelden, uitweidingen en herhalingen altijd weg. Het maken van een schema kan een handig hulpmiddel zijn bij het samenvatten van een tekst. Met een schema in tabelvorm kun je de opbouw van de tekst goed weergeven. Een mindmap kan heel geschikt zijn om bepaalde verbanden aan te geven, zoals oorzaak-gevolg of probleem-oplossing. In het midden zet je de hoofdgedachte. Deze verbind je door middel van lijnen met de hoofdzaken. Woordweb en overzicht van woordsoorten
16
Theorie — 5
Informatie
Theorie — 6
[5.3.3] Deelonderwerpen en zoekvragen Nadat je het onderwerp van de tekst hebt verkend, ga je de tekst verder voorbereiden. • Bekijk welke woorden bij elkaar horen. • Bedenk het deelonderwerp bij een groepje woorden. • Kies de deelonderwerpen die je wilt gebruiken. • Bedenk bij elk deelonderwerp een zoekvraag. De zoekvragen probeer je eerst te beantwoorden met de informatie die je zelf al weet. De deelonderwerpen bij het onderwerp 'woestijn' zijn de volgende: Woorden
Deelonderwerp
Zoekvraag
woestijnvolken, verschillende, overleven, rondtrekken, kameel
woestijnvolken
Hoe leven woestijnvolken?
temperatuur, hitte, water, zon, droogte, koude, warme, hoge, verschrikkelijke, waaien, regenen, zandstormen
klimaat in woestijn
Hoe is het klimaat in de woestijn?
oase, planten, water, schaduw, onvruchtbare, groeien
planten in woestijn
Welke planten kunnen in de woestijn leven?
[5.3.4] Zoekvragen formuleren Over sommige woorden of woordgroepen bij je onderwerp wil je meer informatie verzamelen. Hiervoor formuleer je een of meer zoekvragen. Als je een passend antwoord op je vraag wilt hebben, moet je de vraag goed formuleren. Zet daarbij in elk geval de volgende stappen: 1 Bedenk eerst wat je precies wilt weten. 2 Formuleer de vraag in goed Nederlands. 3 Lees je vraag en bedenk of de vraag duidelijk is gesteld. 4 Verander de vraag als het nodig is.
[5.3.5] Informatie zoeken Als het niet goed lukt om met je eigen kennis de zoekvragen te beantwoorden, dan kun je aanvullende informatie zoeken. Daarvoor kun je allerlei bronnen gebruiken. Een paar zoektips: • Maak altijd een lijst met zoekwoorden bij je onderwerp. • Zoek in tijdschriften en boeken in de inhoudsopgave of je iets over je onderwerp ziet staan. • Zoek in boeken in het register naar trefwoorden. • Lees in kranten de krantenkoppen en tekst die op een andere manier gedrukt is. Gebruik deze tips bij het zoeken op internet: • Typ bij de zoekfunctie zo precies mogelijk in waarnaar je op zoek bent. • Gebruik bij voorkeur zelfstandige naamwoorden. Het trefwoord vrijheid zal meer betrouwbare bronnen opleveren dan je vrij voelen. Bij de laatste trefwoorden vind je bijvoorbeeld Ik wil me weer vrij voelen. Op die site zul je persoonlijke ervaringen lezen. • Gebruik het +teken tussen de woorden als je op verschillende combinaties wilt zoeken. • Zet woorden tussen aanhalingstekens als je die woorden precies in die volgorde in de zoekresultaten wilt vinden. • Controleer in de trefferlijst altijd de naam van de site. Informatie van www.nemokennislink.nl is nuttiger dan informatie van www.goeievraag.nl.
[5.3.6] Betrouwbare informatie Niet alle informatie op internet is even betrouwbaar. Haal je informatie van internet voor een tekst? Gebruik dan alleen betrouwbare informatie. Om te achterhalen of de website en de informatie erop betrouwbaar zijn, stel je jezelf in elk geval de volgende vragen:
Communicatie
• Wie heeft de informatie op internet gezet? • Kun je de inhoud controleren met behulp van andere bronnen? • Wat is het doel van de informatie op internet? Als de schrijver je wil informeren, dan moet zijn informatie compleet zijn. Wil de schrijver je overtuigen of aansporen tot een bepaalde actie? Let dan goed op, want de schrijver kan dan bewust bepaalde informatie voor je achterhouden of iets mooier maken dan het in werkelijkheid is. • Is de schrijver een deskundige op het gebied van het onderwerp? • Is de informatie actueel? • Staan er weinig tot geen spelfouten in de tekst?
[5.3.7] Bruikbaarheid van informatie beoordelen Als je een tekst gaat schrijven of een presentatie gaat voorbereiden, dan ga je vaak op zoek naar informatie in teksten van anderen. Bij het beoordelen van informatie stel je jezelf drie vragen: 1 Is de informatie belangrijk voor wat ik wil vertellen? 2 Is de tekst betrouwbaar? (zie 5.3.6 Betrouwbare informatie) 3 Spreekt de tekst zichzelf niet tegen?
[5.3.8] Bronvermelding en citaat Als je een werkstuk of een presentatie maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen. Je kijkt bijvoorbeeld programma’s, je bezoekt websites en je leest kranten. Van deze bronnen moet je een aantal gegevens bijhouden. Dit noem je een bronvermelding. Aan het eind van je tekst of achter in je werkstuk voeg je een bronnenlijst toe. Daarmee laat je aan je publiek zien hoe jij aan je informatie bent gekomen. De lezer kan controleren of de informatie correct is en eventueel zelf de bron opzoeken voor meer informatie. Bronnen vermeld je meestal aan het eind van de tekst. Noteer van elke bron in elk geval de auteur, de titel en de datum of het jaartal. Noteer ook de vindplaats van de bron: • Bij boeken vermeld je de uitgever en de plaats van uitgave. • Bij artikelen uit kranten of tijdschriften vermeld je de titel van de krant of het tijdschrift. • Bij websites vermeld je de url van de website. Als je een stuk tekst woord voor woord overneemt, gebruik je een citaat. Zet dit citaat tussen aanhalingstekens en vermeld aan het eind van het citaat tussen haakjes de bron.
6 Communicatie [6.1] Verbale en non-verbale communicatie Communicatie is een proces waarin iemand informatie overdraagt aan een ander. Het doel van communicatie is het overbrengen van de boodschap. Een communicatieproces heeft daarom altijd een zender en een ontvanger. Als je een boodschap aan iemand overbrengt, ben je aan het communiceren. De boodschap kan op verschillende manieren worden overgebracht. Dat kan met taal, bijvoorbeeld door te praten, e-mailen, bellen of berichtjes te sturen. Dit zijn allemaal vormen van verbale communicatie. Er is ook non-verbale communicatie. Dat is communicatie zonder woorden. Een voorbeeld daarvan is een foto die je op sociale media zet of een beeld dat je toevoegt aan een tekst of presentatie. Een ander voorbeeld van non-verbale communicatie is je gezichtsuitdrukking. Soms gebruik je daarbij je stem, bijvoorbeeld als je lacht, zucht of kreunt. Ook andere vormen van lichaamstaal − zoals houding, gebaren en oogcontact − vallen onder non-verbale communicatie. Als de boodschap van de zender niet goed overkomt bij de ontvanger, dan spreek je van miscommunicatie. Miscommunicatie kan door verschillende oorzaken ontstaan. Enkele voorbeelden:
19
Theorie — 5
Informatie
Theorie — 6
[5.3.3] Deelonderwerpen en zoekvragen Nadat je het onderwerp van de tekst hebt verkend, ga je de tekst verder voorbereiden. • Bekijk welke woorden bij elkaar horen. • Bedenk het deelonderwerp bij een groepje woorden. • Kies de deelonderwerpen die je wilt gebruiken. • Bedenk bij elk deelonderwerp een zoekvraag. De zoekvragen probeer je eerst te beantwoorden met de informatie die je zelf al weet. De deelonderwerpen bij het onderwerp 'woestijn' zijn de volgende: Woorden
Deelonderwerp
Zoekvraag
woestijnvolken, verschillende, overleven, rondtrekken, kameel
woestijnvolken
Hoe leven woestijnvolken?
temperatuur, hitte, water, zon, droogte, koude, warme, hoge, verschrikkelijke, waaien, regenen, zandstormen
klimaat in woestijn
Hoe is het klimaat in de woestijn?
oase, planten, water, schaduw, onvruchtbare, groeien
planten in woestijn
Welke planten kunnen in de woestijn leven?
[5.3.4] Zoekvragen formuleren Over sommige woorden of woordgroepen bij je onderwerp wil je meer informatie verzamelen. Hiervoor formuleer je een of meer zoekvragen. Als je een passend antwoord op je vraag wilt hebben, moet je de vraag goed formuleren. Zet daarbij in elk geval de volgende stappen: 1 Bedenk eerst wat je precies wilt weten. 2 Formuleer de vraag in goed Nederlands. 3 Lees je vraag en bedenk of de vraag duidelijk is gesteld. 4 Verander de vraag als het nodig is.
[5.3.5] Informatie zoeken Als het niet goed lukt om met je eigen kennis de zoekvragen te beantwoorden, dan kun je aanvullende informatie zoeken. Daarvoor kun je allerlei bronnen gebruiken. Een paar zoektips: • Maak altijd een lijst met zoekwoorden bij je onderwerp. • Zoek in tijdschriften en boeken in de inhoudsopgave of je iets over je onderwerp ziet staan. • Zoek in boeken in het register naar trefwoorden. • Lees in kranten de krantenkoppen en tekst die op een andere manier gedrukt is. Gebruik deze tips bij het zoeken op internet: • Typ bij de zoekfunctie zo precies mogelijk in waarnaar je op zoek bent. • Gebruik bij voorkeur zelfstandige naamwoorden. Het trefwoord vrijheid zal meer betrouwbare bronnen opleveren dan je vrij voelen. Bij de laatste trefwoorden vind je bijvoorbeeld Ik wil me weer vrij voelen. Op die site zul je persoonlijke ervaringen lezen. • Gebruik het +teken tussen de woorden als je op verschillende combinaties wilt zoeken. • Zet woorden tussen aanhalingstekens als je die woorden precies in die volgorde in de zoekresultaten wilt vinden. • Controleer in de trefferlijst altijd de naam van de site. Informatie van www.nemokennislink.nl is nuttiger dan informatie van www.goeievraag.nl.
[5.3.6] Betrouwbare informatie Niet alle informatie op internet is even betrouwbaar. Haal je informatie van internet voor een tekst? Gebruik dan alleen betrouwbare informatie. Om te achterhalen of de website en de informatie erop betrouwbaar zijn, stel je jezelf in elk geval de volgende vragen:
18
Communicatie
• Wie heeft de informatie op internet gezet? • Kun je de inhoud controleren met behulp van andere bronnen? • Wat is het doel van de informatie op internet? Als de schrijver je wil informeren, dan moet zijn informatie compleet zijn. Wil de schrijver je overtuigen of aansporen tot een bepaalde actie? Let dan goed op, want de schrijver kan dan bewust bepaalde informatie voor je achterhouden of iets mooier maken dan het in werkelijkheid is. • Is de schrijver een deskundige op het gebied van het onderwerp? • Is de informatie actueel? • Staan er weinig tot geen spelfouten in de tekst?
[5.3.7] Bruikbaarheid van informatie beoordelen Als je een tekst gaat schrijven of een presentatie gaat voorbereiden, dan ga je vaak op zoek naar informatie in teksten van anderen. Bij het beoordelen van informatie stel je jezelf drie vragen: 1 Is de informatie belangrijk voor wat ik wil vertellen? 2 Is de tekst betrouwbaar? (zie 5.3.6 Betrouwbare informatie) 3 Spreekt de tekst zichzelf niet tegen?
[5.3.8] Bronvermelding en citaat Als je een werkstuk of een presentatie maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen. Je kijkt bijvoorbeeld programma’s, je bezoekt websites en je leest kranten. Van deze bronnen moet je een aantal gegevens bijhouden. Dit noem je een bronvermelding. Aan het eind van je tekst of achter in je werkstuk voeg je een bronnenlijst toe. Daarmee laat je aan je publiek zien hoe jij aan je informatie bent gekomen. De lezer kan controleren of de informatie correct is en eventueel zelf de bron opzoeken voor meer informatie. Bronnen vermeld je meestal aan het eind van de tekst. Noteer van elke bron in elk geval de auteur, de titel en de datum of het jaartal. Noteer ook de vindplaats van de bron: • Bij boeken vermeld je de uitgever en de plaats van uitgave. • Bij artikelen uit kranten of tijdschriften vermeld je de titel van de krant of het tijdschrift. • Bij websites vermeld je de url van de website. Als je een stuk tekst woord voor woord overneemt, gebruik je een citaat. Zet dit citaat tussen aanhalingstekens en vermeld aan het eind van het citaat tussen haakjes de bron.
6 Communicatie [6.1] Verbale en non-verbale communicatie Communicatie is een proces waarin iemand informatie overdraagt aan een ander. Het doel van communicatie is het overbrengen van de boodschap. Een communicatieproces heeft daarom altijd een zender en een ontvanger. Als je een boodschap aan iemand overbrengt, ben je aan het communiceren. De boodschap kan op verschillende manieren worden overgebracht. Dat kan met taal, bijvoorbeeld door te praten, e-mailen, bellen of berichtjes te sturen. Dit zijn allemaal vormen van verbale communicatie. Er is ook non-verbale communicatie. Dat is communicatie zonder woorden. Een voorbeeld daarvan is een foto die je op sociale media zet of een beeld dat je toevoegt aan een tekst of presentatie. Een ander voorbeeld van non-verbale communicatie is je gezichtsuitdrukking. Soms gebruik je daarbij je stem, bijvoorbeeld als je lacht, zucht of kreunt. Ook andere vormen van lichaamstaal − zoals houding, gebaren en oogcontact − vallen onder non-verbale communicatie. Als de boodschap van de zender niet goed overkomt bij de ontvanger, dan spreek je van miscommunicatie. Miscommunicatie kan door verschillende oorzaken ontstaan. Enkele voorbeelden:
Theorie — 6 Communicatie
Theorie — 7
• Er is storend geluid op de achtergrond of de telefoon valt uit. • De zender gebruikt woorden die te moeilijk zijn voor de ontvanger. • De ontvanger denkt dat de zender iets anders bedoelt. In het laatste geval speelt non-verbale communicatie vaak een belangrijke rol. De zender van de boodschap maakt bijvoorbeeld een grapje met een serieus gezicht, waardoor de ontvanger denkt dat de boodschap serieus bedoeld is.
[6.2] Lichaamstaal
Lezen
• Flame niet. Post geen aanvallende, beledigende of agressieve reacties op anderen. Geef gewoon een goed onderbouwde mening in een discussie. • Plaats of stuur geen ongevraagde reclame (spam). • Lees altijd je berichten na voordat je ze op internet zet of verstuurt. Correcte spellingregels zijn overal van toepassing. • Respecteer de privacy van anderen.
[6.4] Feedback geven en ontvangen
Lichaamstaal is de taal die je spreekt met je lichaam en niet met je stem. Je kunt met je lichaam spreken via je houding, je handen en je gezicht. Je lichaam speelt dus een belangrijke rol bij het overbrengen van informatie. Je geeft er een gesproken boodschap extra nadruk mee. Oogcontact is een krachtige vorm van lichaamstaal. Denk maar aan de uitdrukking ‘de ogen zijn de spiegels van de ziel’. De voorbeelden hieronder zijn niet op elke situatie en persoon van toepassing. Dat komt omdat iedereen zijn lichaam op zijn eigen, unieke manier gebruikt. blij
handen omhoog, lachen, wenkbrauwen omhoog
verontwaardigd
handen in de zij, wenkbrauwen gefronst
bang
weglopen, wegkijken
verdrietig
tranen in de ogen, hoofd gebogen
ongeïnteresseerd
handen in de zakken
woedend
samengeknepen gezicht, rood hoofd
Soms geef je met je lichaam signalen af die je niet zo bedoelt. Als je bijvoorbeeld ingespannen bezig bent, kun je boos kijken. Als je schouders en je hoofd naar voren hangen, kom je onzeker over, terwijl je dat misschien helemaal niet bent.
Feedback krijgen kan moeilijk zijn, maar feedback geven is soms nog veel moeilijker. Je wilt iemand niet beledigen of aanvallen, maar je vindt wel dat er nog iets verbeterd kan worden. Hoe doe je dat dan? In de eerste plaats door eerlijk te zijn en ervoor te zorgen dat je precies weet waarover je het hebt. Probeer het zo over te brengen dat je ook echt begrepen wordt. Gebruik duidelijke woorden, zonder beschuldigingen. Houd het niet alleen bij commentaar, maar geef ook suggesties voor verbetering. Bied eventueel je hulp aan. Wat ook heel belangrijk is: geef complimenten. Laat de ander weten wat naar jouw idee heel goed was en waarom. Als je feedback ontvangt, doe er dan je voordeel mee. Ga niet meteen in de verdediging, maar luister goed naar wat de ander te vertellen heeft. Vraag zo nodig om toelichting en denk na over wat je met de opmerkingen kunt doen. Je kunt veel leren van wat anderen je vertellen over jezelf of je werk. Zie het als een advies om nog beter te worden. Feedback geven: dit werkt niet
Feedback geven: dit werkt wel
Je tekst is slecht.
In je tekst ontbreekt een duidelijke opbouw. Maak een goede indeling in inleiding, middenstuk en slot.
Je mompelde maar wat en niemand kon je verstaan.
Achterin was je niet goed verstaanbaar. Probeer iedereen aan te kijken en de woorden duidelijker uit te spreken.
Je keek steeds naar de grond.
Je was een beetje verlegen. Als je mensen af en toe aankijkt, luisteren ze beter naar je verhaal.
Je zei voortdurend ‘ehhh’ en dat was super irritant.
Als je niet weet hoe je verder moet, laat dan gewoon een stilte vallen. Dat is minder erg dan steeds ‘ehhh’ zeggen.
Je presentatie was oersaai.
De inhoud (of iets anders) was goed, maar je kunt je verhaal levendiger maken door ... (beeld te gebruiken, je toonhoogte te variëren, de luisteraars meer te betrekken bij de presentatie, enzovoort).
[6.3] Online communicatie Communiceren via internet is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Er zijn veel verschillende vormen van online communicatie. Je kunt iemand een e-mail sturen, je kunt een website bijhouden, chatten, bellen via internet (Skype), video’s online zetten (op YouTube of Vimeo), muziek online zetten in de vorm van een podcast, of je kunt een weblog of een vlog bijhouden. Je kunt ook communiceren via een sociaal netwerk (Instagram) of een virtuele wereld (Fortnite). Alle websites en apps die erop gericht zijn om gebruikers informatie met elkaar te laten delen, worden sociale media genoemd. Vaak kunnen andere gebruikers reageren op de informatie en deze verder delen. Sociale media maken het mogelijk om online te communiceren met je eigen omgeving (community). Via sociale media kun je veel mensen tegelijk bereiken. Je kunt de tijd nemen om na te denken over wat je deelt met iedereen. Ook hoef je nooit direct te reageren op een ander, zoals in een telefoongesprek of een persoonlijk gesprek. Bij online communicatie is er meestal geen sprake van non-verbale communicatie. Er is dan ook geen lichaamstaal uit je boodschap ‘af te lezen’. Daardoor is de kans groter dat je bericht verkeerd geïnterpreteerd wordt. Het is daarom belangrijk dat je goed nadenkt over hoe je je boodschap verwoordt, en dat je je daarnaast aan een aantal beleefdheidsregels houdt. Er zijn geen officiële regels, maar er is wel een algemene gedragscode voor het gebruik van e-mail en internet. Deze gedragscode wordt netiquette genoemd: een samentrekking van net + etiquette. Enkele netiquetteregels: • Gebruik geen HOOFDLETTERS om iets te benadrukken. Dat staat gelijk aan schreeuwen. • Gebruik geen sms-taal of afkortingen. Dat kan natuurlijk wel in een persoonlijk berichtje via je telefoon, maar niet in zakelijke e-mails en teksten op internet. • Gebruik emoticons of smileys met mate en alleen als ze passen binnen de situatie. • Trol niet. Plaats geen reacties die alleen maar tot doel hebben een emotionele reactie bij een ander los te maken.
7 Lezen [7.1] Leesmanieren Je kunt een tekst op verschillende manieren lezen. De manier die je kiest, hangt af van je doel. Je moet bijvoorbeeld iets leren, je moet vragen over de tekst beantwoorden of je bent op zoek naar informatie. Nog voordat je begint met lezen, oriënteer je je op de tekst. Je kijkt naar de titel, de inleiding, het slot, de afbeelding(en), de tussenkopjes, opvallend gedrukte woorden en de bron. Daarna ga je de tekst op een andere manier lezen. Daarvoor kies je de leesmanier die bij jouw doel past. Niet alles wat in een tekst staat, is even belangrijk. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie in een tekst is, dan lees je hem globaal. Als je een tekst helemaal wilt begrijpen, dan lees je de hele tekst intensief en kritisch. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan lees je een tekst zoekend. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in de tekst. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende leesmanieren gebruikt: 21
Theorie — 6 Communicatie
Theorie — 7
• Er is storend geluid op de achtergrond of de telefoon valt uit. • De zender gebruikt woorden die te moeilijk zijn voor de ontvanger. • De ontvanger denkt dat de zender iets anders bedoelt. In het laatste geval speelt non-verbale communicatie vaak een belangrijke rol. De zender van de boodschap maakt bijvoorbeeld een grapje met een serieus gezicht, waardoor de ontvanger denkt dat de boodschap serieus bedoeld is.
[6.2] Lichaamstaal
Lezen
• Flame niet. Post geen aanvallende, beledigende of agressieve reacties op anderen. Geef gewoon een goed onderbouwde mening in een discussie. • Plaats of stuur geen ongevraagde reclame (spam). • Lees altijd je berichten na voordat je ze op internet zet of verstuurt. Correcte spellingregels zijn overal van toepassing. • Respecteer de privacy van anderen.
[6.4] Feedback geven en ontvangen
Lichaamstaal is de taal die je spreekt met je lichaam en niet met je stem. Je kunt met je lichaam spreken via je houding, je handen en je gezicht. Je lichaam speelt dus een belangrijke rol bij het overbrengen van informatie. Je geeft er een gesproken boodschap extra nadruk mee. Oogcontact is een krachtige vorm van lichaamstaal. Denk maar aan de uitdrukking ‘de ogen zijn de spiegels van de ziel’. De voorbeelden hieronder zijn niet op elke situatie en persoon van toepassing. Dat komt omdat iedereen zijn lichaam op zijn eigen, unieke manier gebruikt. blij
handen omhoog, lachen, wenkbrauwen omhoog
verontwaardigd
handen in de zij, wenkbrauwen gefronst
bang
weglopen, wegkijken
verdrietig
tranen in de ogen, hoofd gebogen
ongeïnteresseerd
handen in de zakken
woedend
samengeknepen gezicht, rood hoofd
Soms geef je met je lichaam signalen af die je niet zo bedoelt. Als je bijvoorbeeld ingespannen bezig bent, kun je boos kijken. Als je schouders en je hoofd naar voren hangen, kom je onzeker over, terwijl je dat misschien helemaal niet bent.
Feedback krijgen kan moeilijk zijn, maar feedback geven is soms nog veel moeilijker. Je wilt iemand niet beledigen of aanvallen, maar je vindt wel dat er nog iets verbeterd kan worden. Hoe doe je dat dan? In de eerste plaats door eerlijk te zijn en ervoor te zorgen dat je precies weet waarover je het hebt. Probeer het zo over te brengen dat je ook echt begrepen wordt. Gebruik duidelijke woorden, zonder beschuldigingen. Houd het niet alleen bij commentaar, maar geef ook suggesties voor verbetering. Bied eventueel je hulp aan. Wat ook heel belangrijk is: geef complimenten. Laat de ander weten wat naar jouw idee heel goed was en waarom. Als je feedback ontvangt, doe er dan je voordeel mee. Ga niet meteen in de verdediging, maar luister goed naar wat de ander te vertellen heeft. Vraag zo nodig om toelichting en denk na over wat je met de opmerkingen kunt doen. Je kunt veel leren van wat anderen je vertellen over jezelf of je werk. Zie het als een advies om nog beter te worden. Feedback geven: dit werkt niet
Feedback geven: dit werkt wel
Je tekst is slecht.
In je tekst ontbreekt een duidelijke opbouw. Maak een goede indeling in inleiding, middenstuk en slot.
Je mompelde maar wat en niemand kon je verstaan.
Achterin was je niet goed verstaanbaar. Probeer iedereen aan te kijken en de woorden duidelijker uit te spreken.
Je keek steeds naar de grond.
Je was een beetje verlegen. Als je mensen af en toe aankijkt, luisteren ze beter naar je verhaal.
Je zei voortdurend ‘ehhh’ en dat was super irritant.
Als je niet weet hoe je verder moet, laat dan gewoon een stilte vallen. Dat is minder erg dan steeds ‘ehhh’ zeggen.
Je presentatie was oersaai.
De inhoud (of iets anders) was goed, maar je kunt je verhaal levendiger maken door ... (beeld te gebruiken, je toonhoogte te variëren, de luisteraars meer te betrekken bij de presentatie, enzovoort).
[6.3] Online communicatie Communiceren via internet is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Er zijn veel verschillende vormen van online communicatie. Je kunt iemand een e-mail sturen, je kunt een website bijhouden, chatten, bellen via internet (Skype), video’s online zetten (op YouTube of Vimeo), muziek online zetten in de vorm van een podcast, of je kunt een weblog of een vlog bijhouden. Je kunt ook communiceren via een sociaal netwerk (Instagram) of een virtuele wereld (Fortnite). Alle websites en apps die erop gericht zijn om gebruikers informatie met elkaar te laten delen, worden sociale media genoemd. Vaak kunnen andere gebruikers reageren op de informatie en deze verder delen. Sociale media maken het mogelijk om online te communiceren met je eigen omgeving (community). Via sociale media kun je veel mensen tegelijk bereiken. Je kunt de tijd nemen om na te denken over wat je deelt met iedereen. Ook hoef je nooit direct te reageren op een ander, zoals in een telefoongesprek of een persoonlijk gesprek. Bij online communicatie is er meestal geen sprake van non-verbale communicatie. Er is dan ook geen lichaamstaal uit je boodschap ‘af te lezen’. Daardoor is de kans groter dat je bericht verkeerd geïnterpreteerd wordt. Het is daarom belangrijk dat je goed nadenkt over hoe je je boodschap verwoordt, en dat je je daarnaast aan een aantal beleefdheidsregels houdt. Er zijn geen officiële regels, maar er is wel een algemene gedragscode voor het gebruik van e-mail en internet. Deze gedragscode wordt netiquette genoemd: een samentrekking van net + etiquette. Enkele netiquetteregels: • Gebruik geen HOOFDLETTERS om iets te benadrukken. Dat staat gelijk aan schreeuwen. • Gebruik geen sms-taal of afkortingen. Dat kan natuurlijk wel in een persoonlijk berichtje via je telefoon, maar niet in zakelijke e-mails en teksten op internet. • Gebruik emoticons of smileys met mate en alleen als ze passen binnen de situatie. • Trol niet. Plaats geen reacties die alleen maar tot doel hebben een emotionele reactie bij een ander los te maken.
20
7 Lezen [7.1] Leesmanieren Je kunt een tekst op verschillende manieren lezen. De manier die je kiest, hangt af van je doel. Je moet bijvoorbeeld iets leren, je moet vragen over de tekst beantwoorden of je bent op zoek naar informatie. Nog voordat je begint met lezen, oriënteer je je op de tekst. Je kijkt naar de titel, de inleiding, het slot, de afbeelding(en), de tussenkopjes, opvallend gedrukte woorden en de bron. Daarna ga je de tekst op een andere manier lezen. Daarvoor kies je de leesmanier die bij jouw doel past. Niet alles wat in een tekst staat, is even belangrijk. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie in een tekst is, dan lees je hem globaal. Als je een tekst helemaal wilt begrijpen, dan lees je de hele tekst intensief en kritisch. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan lees je een tekst zoekend. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in de tekst. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende leesmanieren gebruikt:
Theorie — 8
Kijken en luisteren
Leesmanier Zoekend lezen
Theorie — 9
Globaal lezen
Spreken
Intensief lezen
Kritisch lezen
Luistermanier Selectief luisteren
Globaal luisteren
Intensief luisteren
Kritisch luisteren
Doel
gericht zoeken de hoofdzaken naar een antwoord uit de tekst in de tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
Doel
gericht luisteren naar uitspraken of beweringen
de hoofdzaken uit de tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
Je let op:
• tussenkopjes • opvallend gedrukte woorden • de inhoudsopgave en/of het register (van een boek)
• het onderwerp van de hele tekst • de deelonderwerpen van elke alinea • wat de alinea’s met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • moeilijke zinnen (lees deze twee keer of lees ze zachtjes voor jezelf) • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
zie intensief lezen, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
Je let op:
• een bepaald deel van het fragment
• het eerste en laatste deel • belangrijke woorden die herhaald worden
• het onderwerp • alle deelonderwerpen • wat de deelonderwerpen met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
zie intensief luisteren, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
• de eerste alinea • de kernzinnen van alle alinea’s • de laatste alinea
[7.2] Leesplan In het leesplan zie je hoe je het lezen van teksten aanpakt:
[8.2] Kijk- en luisterplan In het kijk- en luisterplan zie je hoe je het kijken en luisteren naar fragmenten aanpakt:
Kijk- en luisterplan Leesplan
8 Kijken en luisteren [8.1] Luistermanieren Wanneer je luistert naar een spreker, dan luister je altijd met een doel. Je wilt bijvoorbeeld geïnformeerd worden, uitleg krijgen of geamuseerd worden. Dit doel bepaalt je luistermanier. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie is, dan luister je globaal. Dit doe je bijvoorbeeld als je voor de eerste keer kijkt en luistert naar een fragment. Als je de informatie helemaal wilt begrijpen en onthouden, dan luister je intensief en kritisch. Maak dan ook aantekeningen, want je kunt al snel iets vergeten. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan luister je selectief. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in het fragment. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende luistermanieren gebruikt:
9 Spreken [9.1] Monoloog Als je een tekst voorleest of een presentatie geeft, dan is dat een monoloog. Bij een monoloog is en blijft er steeds één persoon aan het woord. Een monoloog is dus geen gesprek, maar een toespraak.
[9.2] Presentatie voorbereiden Een presentatie staat of valt met de voorbereiding. Zorg ervoor dat je precies weet waar je presentatie aan moet voldoen en hoelang je presentatie mag duren. Ga ook na welke hulpmiddelen je kunt inzetten (zie 9.5). Zoek naar informatie in betrouwbare bronnen waar je interessante gegevens en goede voorbeelden uit kunt halen. Houd daarbij ook rekening met de voorkennis van je publiek. Wat weet je publiek al over het onderwerp? De belangrijkste punten verwerk je in een overzichtelijk spreekplan (zie 9.3).
23
Theorie — 8
Kijken en luisteren
Leesmanier Zoekend lezen
Theorie — 9
Globaal lezen
Spreken
Intensief lezen
Kritisch lezen
Luistermanier Selectief luisteren
Globaal luisteren
Intensief luisteren
Kritisch luisteren
Doel
gericht zoeken de hoofdzaken naar een antwoord uit de tekst in de tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
Doel
gericht luisteren naar uitspraken of beweringen
de hoofdzaken uit de tekst halen
de tekst helemaal begrijpen
de tekst beoordelen
Je let op:
• tussenkopjes • opvallend gedrukte woorden • de inhoudsopgave en/of het register (van een boek)
• het onderwerp van de hele tekst • de deelonderwerpen van elke alinea • wat de alinea’s met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • moeilijke zinnen (lees deze twee keer of lees ze zachtjes voor jezelf) • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
zie intensief lezen, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
Je let op:
• een bepaald deel van het fragment
• het eerste en laatste deel • belangrijke woorden die herhaald worden
• het onderwerp • alle deelonderwerpen • wat de deelonderwerpen met elkaar te maken hebben • het doel van de tekst • de betekenis van woorden (zoek onbekende woorden op)
zie intensief luisteren, en: • de informatie (is die juist en volledig?) • de argumenten (zijn die eerlijk en overtuigend?)
• de eerste alinea • de kernzinnen van alle alinea’s • de laatste alinea
[7.2] Leesplan In het leesplan zie je hoe je het lezen van teksten aanpakt:
[8.2] Kijk- en luisterplan In het kijk- en luisterplan zie je hoe je het kijken en luisteren naar fragmenten aanpakt:
Kijk- en luisterplan Leesplan
8 Kijken en luisteren [8.1]
Luistermanieren
Wanneer je luistert naar een spreker, dan luister je altijd met een doel. Je wilt bijvoorbeeld geïnformeerd worden, uitleg krijgen of geamuseerd worden. Dit doel bepaalt je luistermanier. Als je alleen wilt weten wat de belangrijkste informatie is, dan luister je globaal. Dit doe je bijvoorbeeld als je voor de eerste keer kijkt en luistert naar een fragment. Als je de informatie helemaal wilt begrijpen en onthouden, dan luister je intensief en kritisch. Maak dan ook aantekeningen, want je kunt al snel iets vergeten. Wanneer je gericht op zoek gaat naar informatie, dan luister je selectief. Dat doe je bijvoorbeeld als je op zoek gaat naar antwoorden op vragen in het fragment. In dit overzicht zie je wanneer en hoe je de verschillende luistermanieren gebruikt:
22
9 Spreken [9.1] Monoloog Als je een tekst voorleest of een presentatie geeft, dan is dat een monoloog. Bij een monoloog is en blijft er steeds één persoon aan het woord. Een monoloog is dus geen gesprek, maar een toespraak.
[9.2] Presentatie voorbereiden Een presentatie staat of valt met de voorbereiding. Zorg ervoor dat je precies weet waar je presentatie aan moet voldoen en hoelang je presentatie mag duren. Ga ook na welke hulpmiddelen je kunt inzetten (zie 9.5). Zoek naar informatie in betrouwbare bronnen waar je interessante gegevens en goede voorbeelden uit kunt halen. Houd daarbij ook rekening met de voorkennis van je publiek. Wat weet je publiek al over het onderwerp? De belangrijkste punten verwerk je in een overzichtelijk spreekplan (zie 9.3).
Theorie — 9 Spreken
Theorie — 9
[9.3] Spreekplan maken Als voorbereiding op je presentatie maak je een spreekplan. Dit is een schema waarin je de opbouw van je presentatie vastlegt. Met een spreekplan kun je dus een goed opgebouwde presentatie maken. Tijdens de presentatie kun je het spreekplan gebruiken om je houvast te geven. In het spreekplan noteer je het onderwerp, het spreekdoel, de tekstsoort en het publiek. Je schrijft ook de deelonderwerpen op. Daarachter noteer je in enkele woorden wat je gaat vertellen over de deelonderwerpen. Spreekplan bij een presentatie over een nieuw ontdekte dinosaurussoort.
Spreken
tekst aan voor een dia en gebruik per regel maximaal zes woorden. Maak ook niet te veel dia’s, want dat leidt af van wat je vertelt. Ga uit van minimaal drie minuten spreektijd per dia
Onderwerp: nieuw ontdekte dinosaurussoort Spreekdoel: informeren Tekstsoort: informerende tekst Publiek: klasgenoten Inleiding
Manier(en):
Alinea
Deelonderwerp
Inhoud
2
nieuwe soort
nieuwe dinosaurussoort ontdekt in Oezbekistan
3
uiterlijk
Timurlengia euotica lijkt op Tyrannosaurus rex, maar is kleiner
4
belang van de ontdekking
de nieuwe soort schept duidelijkheid in de ontwikkeling van de T-rex van klein naar reusachtig
Slot
Manier(en):
Een slecht en een goed opgemaakte presentatie-dia
[9.4] Inleiding en slot van een presentatie Je houdt de aandacht van het publiek beter vast als de structuur van je presentatie helder is. De luisteraar weet dan wat hij ongeveer kan verwachten. Het is daarom belangrijk dat je presentatie een duidelijke indeling heeft, met een pakkende inleiding en een aantrekkelijk slot (zie 3.2 Inleiding, middenstuk, slot). Tips voor een pakkende inleiding: • Kondig het onderwerp aan op een originele manier. • Vertel de aanleiding voor je presentatie over dit onderwerp. • Verwoord de hoofdgedachte van je presentatie. • Kondig (bij een lange presentatie) de opbouw van je presentatie aan. • Geef aan dat het publiek na afloop van de presentatie vragen mag stellen. Tips voor een aantrekkelijk slot: 1 Sluit aan bij het spreekdoel van je presentatie. 2 Vat de hoofdpunten van je presentatie op een pakkende manier samen. 3 Sluit af met een krachtige eindzin. 4 Eindig ook eens met een prikkelende vraag of een stelling, waarop je publiek kan reageren.
[9.5] Hulpmiddelen bij een presentatie Bij een presentatie kun je allerlei hulpmiddelen gebruiken. Ze moeten je boodschap ondersteunen, maar mogen nooit te veel afleiden van jouw verhaal. Tijdens je presentatie gaat het vooral om wat jij zegt en hoe jij het zegt. Voorbeelden van hulpmiddelen zijn filmpjes, geluidsfragmenten, illustraties, schema’s, grafieken, een flip-over en een digibord. Je kunt ook een voorwerp gebruiken als hulpmiddel. Laat dat voorwerp nooit rondgaan: als iedereen het moet doorgeven, raak je de aandacht van je luisteraars kwijt. Met Prezi, Keynote of PowerPoint kun je mooie dia’s ontwerpen om je presentatie te ondersteunen. Let op dat je nooit te veel tekst op een dia zet. Houd maximaal zes regels
[9.6] Stemgebruik en non-verbale communicatie De manier waarop je iets zegt, bepaalt of de inhoud van je boodschap goed overkomt. Met andere woorden: het gaat niet alleen om wát je zegt, maar ook om hóé je iets zegt. Dat heeft te maken met de momenten waarop je pauzes neemt in een zin, maar ook met de nadruk die je legt op sommige woorden en met je stemgebruik. Een goede stem begint met een rustige ademhaling. En een rustige ademhaling begint met een goede lichaamshouding. Tips voor je houding: • Sta of zit met beide voeten stevig, maar nog wel ontspannen, op de grond. • Ontspan je schouders. • Houd je hoofd rechtop. • Adem naar je buik. Als je deze tips gebruikt, dan krijg je met een kleine inspanning een grotere longinhoud. Hoe meer lucht je inademt, hoe duidelijker je kunt spreken. Tips voor je spreektechniek: • De toonhoogte van je stem kun je afwisselen. Als je afwisselend wat hoger en lager spreekt, dan houd je de aandacht van de luisteraar beter vast. Een lagere stem is prettiger om naar te luisteren dan een hoge stem. Probeer daar rekening mee te houden. • Let tijdens het spreken op je volume. Als je te zacht praat, zal niet iedereen je verstaan. Te hard praten schrikt de luisteraar af. Stem je volume af op de ruimte waarin je spreekt. • Denk ook aan het tempo waarin je spreekt. Te snel spreken is vermoeiend voor jezelf en voor de luisteraar, dus praat vooral rustig. • Bij het gebruik van je stem geeft de intonatie je stemming aan. Je kunt aan de intonatie vaak al horen of iemand blij, moe, ongeduldig, verrast, angstig of enthousiast is. Blijf je ook bewust van de non-verbale communicatie (6.2 Lichaamstaal) die je uitstraalt. Zorg ervoor dat deze past bij wat je vertelt, anders komt je boodschap niet goed over.
[9.7] Tijdens de presentatie Tijdens de presentatie is het belangrijk dat je het spreekdoel goed in de gaten blijft houden. Maak gebruik van je spreekplan als geheugensteuntje tijdens je presentatie. Denk daarnaast aan de manier waarop je jezelf presenteert: • Betrek je publiek bij je presentatie en kijk je luisteraars aan. • Let erop dat je houding je verhaal ondersteunt. • Zorg ervoor dat je goed verstaanbaar bent (zie 9.6 Stemgebruik). • Geef je publiek aan het eind van je presentatie de ruimte om vragen te stellen. Beantwoord de vragen zo goed mogelijk en zeg het eerlijk als je het antwoord niet weet.
[9.9] Presentatie beoordelen
25
Theorie — 9 Spreken
Theorie — 9
[9.3] Spreekplan maken Als voorbereiding op je presentatie maak je een spreekplan. Dit is een schema waarin je de opbouw van je presentatie vastlegt. Met een spreekplan kun je dus een goed opgebouwde presentatie maken. Tijdens de presentatie kun je het spreekplan gebruiken om je houvast te geven. In het spreekplan noteer je het onderwerp, het spreekdoel, de tekstsoort en het publiek. Je schrijft ook de deelonderwerpen op. Daarachter noteer je in enkele woorden wat je gaat vertellen over de deelonderwerpen. Spreekplan bij een presentatie over een nieuw ontdekte dinosaurussoort.
Spreken
tekst aan voor een dia en gebruik per regel maximaal zes woorden. Maak ook niet te veel dia’s, want dat leidt af van wat je vertelt. Ga uit van minimaal drie minuten spreektijd per dia
Onderwerp: nieuw ontdekte dinosaurussoort Spreekdoel: informeren Tekstsoort: informerende tekst Publiek: klasgenoten Inleiding
Manier(en):
Alinea
Deelonderwerp
Inhoud
2
nieuwe soort
nieuwe dinosaurussoort ontdekt in Oezbekistan
3
uiterlijk
Timurlengia euotica lijkt op Tyrannosaurus rex, maar is kleiner
4
belang van de ontdekking
de nieuwe soort schept duidelijkheid in de ontwikkeling van de T-rex van klein naar reusachtig
Slot
Manier(en):
[9.4] Inleiding en slot van een presentatie Je houdt de aandacht van het publiek beter vast als de structuur van je presentatie helder is. De luisteraar weet dan wat hij ongeveer kan verwachten. Het is daarom belangrijk dat je presentatie een duidelijke indeling heeft, met een pakkende inleiding en een aantrekkelijk slot (zie 3.2 Inleiding, middenstuk, slot). Tips voor een pakkende inleiding: • Kondig het onderwerp aan op een originele manier. • Vertel de aanleiding voor je presentatie over dit onderwerp. • Verwoord de hoofdgedachte van je presentatie. • Kondig (bij een lange presentatie) de opbouw van je presentatie aan. • Geef aan dat het publiek na afloop van de presentatie vragen mag stellen. Tips voor een aantrekkelijk slot: 1 Sluit aan bij het spreekdoel van je presentatie. 2 Vat de hoofdpunten van je presentatie op een pakkende manier samen. 3 Sluit af met een krachtige eindzin. 4 Eindig ook eens met een prikkelende vraag of een stelling, waarop je publiek kan reageren.
[9.5] Hulpmiddelen bij een presentatie Bij een presentatie kun je allerlei hulpmiddelen gebruiken. Ze moeten je boodschap ondersteunen, maar mogen nooit te veel afleiden van jouw verhaal. Tijdens je presentatie gaat het vooral om wat jij zegt en hoe jij het zegt. Voorbeelden van hulpmiddelen zijn filmpjes, geluidsfragmenten, illustraties, schema’s, grafieken, een flip-over en een digibord. Je kunt ook een voorwerp gebruiken als hulpmiddel. Laat dat voorwerp nooit rondgaan: als iedereen het moet doorgeven, raak je de aandacht van je luisteraars kwijt. Met Prezi, Keynote of PowerPoint kun je mooie dia’s ontwerpen om je presentatie te ondersteunen. Let op dat je nooit te veel tekst op een dia zet. Houd maximaal zes regels
24
Een slecht en een goed opgemaakte presentatie-dia
[9.6] Stemgebruik en non-verbale communicatie De manier waarop je iets zegt, bepaalt of de inhoud van je boodschap goed overkomt. Met andere woorden: het gaat niet alleen om wát je zegt, maar ook om hóé je iets zegt. Dat heeft te maken met de momenten waarop je pauzes neemt in een zin, maar ook met de nadruk die je legt op sommige woorden en met je stemgebruik. Een goede stem begint met een rustige ademhaling. En een rustige ademhaling begint met een goede lichaamshouding. Tips voor je houding: • Sta of zit met beide voeten stevig, maar nog wel ontspannen, op de grond. • Ontspan je schouders. • Houd je hoofd rechtop. • Adem naar je buik. Als je deze tips gebruikt, dan krijg je met een kleine inspanning een grotere longinhoud. Hoe meer lucht je inademt, hoe duidelijker je kunt spreken. Tips voor je spreektechniek: • De toonhoogte van je stem kun je afwisselen. Als je afwisselend wat hoger en lager spreekt, dan houd je de aandacht van de luisteraar beter vast. Een lagere stem is prettiger om naar te luisteren dan een hoge stem. Probeer daar rekening mee te houden. • Let tijdens het spreken op je volume. Als je te zacht praat, zal niet iedereen je verstaan. Te hard praten schrikt de luisteraar af. Stem je volume af op de ruimte waarin je spreekt. • Denk ook aan het tempo waarin je spreekt. Te snel spreken is vermoeiend voor jezelf en voor de luisteraar, dus praat vooral rustig. • Bij het gebruik van je stem geeft de intonatie je stemming aan. Je kunt aan de intonatie vaak al horen of iemand blij, moe, ongeduldig, verrast, angstig of enthousiast is. Blijf je ook bewust van de non-verbale communicatie (6.2 Lichaamstaal) die je uitstraalt. Zorg ervoor dat deze past bij wat je vertelt, anders komt je boodschap niet goed over.
[9.7] Tijdens de presentatie Tijdens de presentatie is het belangrijk dat je het spreekdoel goed in de gaten blijft houden. Maak gebruik van je spreekplan als geheugensteuntje tijdens je presentatie. Denk daarnaast aan de manier waarop je jezelf presenteert: • Betrek je publiek bij je presentatie en kijk je luisteraars aan. • Let erop dat je houding je verhaal ondersteunt. • Zorg ervoor dat je goed verstaanbaar bent (zie 9.6 Stemgebruik). • Geef je publiek aan het eind van je presentatie de ruimte om vragen te stellen. Beantwoord de vragen zo goed mogelijk en zeg het eerlijk als je het antwoord niet weet.
[9.9] Presentatie beoordelen
Theorie — 10 Gesprekken
Bij de beoordeling van een presentatie kun je gebruikmaken van de rubrics Spreken. In de rubrics zie je dat je een spreker op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalgebruik, • techniek. In de opdracht zie je op welke rubrics je let tijdens de presentatie. Per rubric kies je het niveau dat de spreker volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op andere specifieke punten. Dat staat dan ook bij de opdracht.
10 Gesprekken [10.1] Dialoog en groepsgesprek Er zijn verschillende soorten gesprekken. Een dialoog is een gesprek tussen twee personen. Denk aan een interview of een telefoongesprek. Als er drie of meer mensen met elkaar spreken en op elkaar reageren, dan is er sprake van een groepsgesprek. Hierbij kun je denken aan een vergadering, een discussie of een debat.
[10.2] Gesprek voeren Een goed gesprek voer je samen. Je luistert naar elkaar, reageert op wat de ander zegt en stelt een vraag als je iets niet snapt. In een gesprek met je vrienden kun je elkaar gerust onderbreken. In een formeel gesprek doe je dat juist niet. Vaak is het dan ook verstandig om jezelf goed voor te bereiden. Met welk doel voer je het gesprek en hoe pak je dat aan? Als je zelf een gesprek begint, vraag dan eerst de aandacht en vertel daarna waar het gesprek over gaat. Denk tijdens een gesprek aan de volgende gespreksregels: • Blijf bij het onderwerp en houd je gespreksdoel voor ogen. Laat je niet afleiden en dwaal niet af van het onderwerp. • Laat de ander uitpraten. Praat dus niet door iemand heen. • Neem een actieve lichaamshouding aan. Zit of sta rechtop, ga niet hangen. • Kijk vriendelijk en met een open blik. • Maak oogcontact. Daarmee toon je interesse en kun je zien of de ander je begrijpt. • Stem je woordgebruik en spreektempo af op de ander. • Laat weten dat je het belangrijk vindt wat de ander zegt, bijvoorbeeld door instemmend te knikken, door vragen te stellen of door te reageren op het antwoord van de ander. • Herhaal soms wat de ander zegt om te controleren of je het goed hebt begrepen. • Betrek alle betrokkenen bij het gesprek. Na afloop kun je controleren of iedereen heeft gezegd wat hij wilde zeggen. Bedank de ander(en) ook voor het gesprek.
[10.4] Vraagtechnieken Er zijn verschillende vraagtechnieken die je kunt gebruiken als je iemand interviewt. De manier waarop je je vragen stelt, hangt af van wat je te weten wilt komen. Je kunt: • open vragen stellen. Dit zijn vragen waarop je van de geïnterviewde een uitgebreid antwoord wilt. ‘Wat vind je van reizen met het openbaar vervoer?’ • gesloten vragen stellen. Dit zijn vragen waarop je een kort antwoord wilt krijgen (ja of nee). ‘Ben je op de fiets gekomen?’ • doorvragen over een onderwerp. Je reageert dan op wat de geïnterviewde net heeft
Theorie — 10
Gesprekken
geantwoord. Dit doe je als je meer over het onderwerp wilt weten of als je nog niet tevreden bent met het antwoord. ‘Vertel daar eens iets meer over.’ ‘Waarom denk je dat?’ ‘Vind je het lastig om daarover te praten? Waarom?’ ‘Dat zeg je nou wel, maar ...’
[10.5] Van mening verschillen In een gesprek, een discussie of een debat kun je met elkaar van mening verschillen. Je probeert de ander dan met goede argumenten te overtuigen van jouw mening. Een verschil van mening noem je ook wel een conflict. Als een conflict stap voor stap erger wordt, dan kan het escaleren: er ontstaat een ruzie. Dit kun je zo voorkomen: • Vermijd grof taalgebruik. • Accepteer dat jullie van mening verschillen. Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn. • Toon begrip voor de mening van de ander. • Geef geen persoonlijke kritiek. • Blijf bij het onderwerp. Dwaal niet af.
[10.8] Discussie Als je met elkaar van mening verschilt, dan kun je daarover een discussie voeren. Een georganiseerde discussie wordt geleid door een voorzitter en gevoerd aan de hand van een stelling. Een stelling is een korte uitspraak over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld: ‘Het vak Chinees moet verplicht worden voor alle vwo-leerlingen’. Met deze stelling kun je het wel of niet eens zijn. Je probeert de anderen dan met goede argumenten te overtuigen van jouw standpunt. Als je meedoet aan een discussie, denk dan eerst na over de stelling. Een goede stelling moet interessant zijn, verschil van mening oproepen en over een onderwerp gaan waar verschillende kanten aan zitten. Bepaal of je het met de stelling eens bent of niet en verzamel argumenten waarmee je de andere deelnemers kunt overtuigen. Uiteindelijk wil je dat de anderen er net zo over gaan denken als jij. Tips voor een goede discussie: • Praat niet door elkaar heen, maar laat elkaar uitspreken. • Zorg dat alle deelnemers ongeveer even vaak en even lang aan het woord zijn. • Zorg voor voldoende argumenten die je mening ondersteunen. • Luister naar wat de ander zegt en reageer daarop met een goed argument. • Toon begrip voor de mening van de ander, ook al ben je het er niet mee eens. • Gebruik krachtige woorden, maar overdrijf niet. (Zeg niet: ‘Je bent hartstikke blind als je niet ziet dat …’, maar zeg: ‘Het is ontzettend belangrijk dat …’)
[10.12] Gesprekken beoordelen Bij de beoordeling van een gesprek kun je gebruikmaken van de rubrics Gesprekken. In de rubrics zie je dat je een deelnemer aan een gesprek op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalgebruik, • techniek. In de opdracht zie je op welke rubrics je let tijdens het gesprek. Per rubric kies je het niveau dat de deelnemer aan het gesprek volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op an-
27
Theorie — 10 Gesprekken
Bij de beoordeling van een presentatie kun je gebruikmaken van de rubrics Spreken. In de rubrics zie je dat je een spreker op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalgebruik, • techniek. In de opdracht zie je op welke rubrics je let tijdens de presentatie. Per rubric kies je het niveau dat de spreker volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op andere specifieke punten. Dat staat dan ook bij de opdracht.
10 Gesprekken [10.1] Dialoog en groepsgesprek Er zijn verschillende soorten gesprekken. Een dialoog is een gesprek tussen twee personen. Denk aan een interview of een telefoongesprek. Als er drie of meer mensen met elkaar spreken en op elkaar reageren, dan is er sprake van een groepsgesprek. Hierbij kun je denken aan een vergadering, een discussie of een debat.
[10.2] Gesprek voeren Een goed gesprek voer je samen. Je luistert naar elkaar, reageert op wat de ander zegt en stelt een vraag als je iets niet snapt. In een gesprek met je vrienden kun je elkaar gerust onderbreken. In een formeel gesprek doe je dat juist niet. Vaak is het dan ook verstandig om jezelf goed voor te bereiden. Met welk doel voer je het gesprek en hoe pak je dat aan? Als je zelf een gesprek begint, vraag dan eerst de aandacht en vertel daarna waar het gesprek over gaat. Denk tijdens een gesprek aan de volgende gespreksregels: • Blijf bij het onderwerp en houd je gespreksdoel voor ogen. Laat je niet afleiden en dwaal niet af van het onderwerp. • Laat de ander uitpraten. Praat dus niet door iemand heen. • Neem een actieve lichaamshouding aan. Zit of sta rechtop, ga niet hangen. • Kijk vriendelijk en met een open blik. • Maak oogcontact. Daarmee toon je interesse en kun je zien of de ander je begrijpt. • Stem je woordgebruik en spreektempo af op de ander. • Laat weten dat je het belangrijk vindt wat de ander zegt, bijvoorbeeld door instemmend te knikken, door vragen te stellen of door te reageren op het antwoord van de ander. • Herhaal soms wat de ander zegt om te controleren of je het goed hebt begrepen. • Betrek alle betrokkenen bij het gesprek. Na afloop kun je controleren of iedereen heeft gezegd wat hij wilde zeggen. Bedank de ander(en) ook voor het gesprek.
[10.4] Vraagtechnieken Er zijn verschillende vraagtechnieken die je kunt gebruiken als je iemand interviewt. De manier waarop je je vragen stelt, hangt af van wat je te weten wilt komen. Je kunt: • open vragen stellen. Dit zijn vragen waarop je van de geïnterviewde een uitgebreid antwoord wilt. ‘Wat vind je van reizen met het openbaar vervoer?’ • gesloten vragen stellen. Dit zijn vragen waarop je een kort antwoord wilt krijgen (ja of nee). ‘Ben je op de fiets gekomen?’ • doorvragen over een onderwerp. Je reageert dan op wat de geïnterviewde net heeft
26
Theorie — 10
geantwoord. Dit doe je als je meer over het onderwerp wilt weten of als je nog niet tevreden bent met het antwoord. ‘Vertel daar eens iets meer over.’ ‘Waarom denk je dat?’ ‘Vind je het lastig om daarover te praten? Waarom?’ ‘Dat zeg je nou wel, maar ...’
[10.5] Van mening verschillen In een gesprek, een discussie of een debat kun je met elkaar van mening verschillen. Je probeert de ander dan met goede argumenten te overtuigen van jouw mening. Een verschil van mening noem je ook wel een conflict. Als een conflict stap voor stap erger wordt, dan kan het escaleren: er ontstaat een ruzie. Dit kun je zo voorkomen: • Vermijd grof taalgebruik. • Accepteer dat jullie van mening verschillen. Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn. • Toon begrip voor de mening van de ander. • Geef geen persoonlijke kritiek. • Blijf bij het onderwerp. Dwaal niet af.
[10.8] Discussie Als je met elkaar van mening verschilt, dan kun je daarover een discussie voeren. Een georganiseerde discussie wordt geleid door een voorzitter en gevoerd aan de hand van een stelling. Een stelling is een korte uitspraak over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld: ‘Het vak Chinees moet verplicht worden voor alle vwo-leerlingen’. Met deze stelling kun je het wel of niet eens zijn. Je probeert de anderen dan met goede argumenten te overtuigen van jouw standpunt. Als je meedoet aan een discussie, denk dan eerst na over de stelling. Een goede stelling moet interessant zijn, verschil van mening oproepen en over een onderwerp gaan waar verschillende kanten aan zitten. Bepaal of je het met de stelling eens bent of niet en verzamel argumenten waarmee je de andere deelnemers kunt overtuigen. Uiteindelijk wil je dat de anderen er net zo over gaan denken als jij. Tips voor een goede discussie: • Praat niet door elkaar heen, maar laat elkaar uitspreken. • Zorg dat alle deelnemers ongeveer even vaak en even lang aan het woord zijn. • Zorg voor voldoende argumenten die je mening ondersteunen. • Luister naar wat de ander zegt en reageer daarop met een goed argument. • Toon begrip voor de mening van de ander, ook al ben je het er niet mee eens. • Gebruik krachtige woorden, maar overdrijf niet. (Zeg niet: ‘Je bent hartstikke blind als je niet ziet dat …’, maar zeg: ‘Het is ontzettend belangrijk dat …’)
[10.12] Gesprekken beoordelen Bij de beoordeling van een gesprek kun je gebruikmaken van de rubrics Gesprekken. In de rubrics zie je dat je een deelnemer aan een gesprek op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalgebruik, • techniek. In de opdracht zie je op welke rubrics je let tijdens het gesprek. Per rubric kies je het niveau dat de deelnemer aan het gesprek volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op an-
Gesprekken
Theorie — 11 Schrijven
Theorie — 11
dere specifieke punten. Bij een discussie let je bijvoorbeeld op de argumentatie. Dat staat dan ook bij de opdracht.
11 Schrijven
slot (zei 3.2) lees je op welke verschillende manieren je de tekst kunt inleiden en afsluiten. Bedenk ook een goede, korte titel voor je tekst. Net als met de inleiding trek je hiermee de aandacht van de lezer. Denk naast de titel aan tussenkopjes boven de alinea’s (zie 3.4), aan de eventuele bronvermelding (zie 5.3.8) en aan beeld en vormgeving (zie 5.1.1 en 5.1.2).
[11.3] Tekst beoordelen
[11.1] Schrijven voorbereiden Een tekst schud je vaak niet zomaar uit je mouw. Aan een goede tekst gaat meestal een goede voorbereiding vooraf. Voordat je een tekst gaat schrijven, denk je na over het onderwerp, bepaal je de deelonderwerpen en ga je op zoek naar informatie in betrouwbare bronnen (zie 5.3.6). Hierbij houd je ook rekening met de voorkennis van je publiek. De belangrijkste punten verwerk je in een schrijfplan (zie 11.2).
[11.2] Schrijfplan maken Als voorbereiding op het schrijven maak je een overzichtelijk schrijfplan. Dit geeft je houvast om de alinea’s makkelijker te kunnen schrijven. Schrijfplan bij het onderwerp woestijn Onderwerp: woestijn Tekstdoel: informeren Tekstsoort: informerende tekst Publiek: leerlingen groep 6
Elke tekst die je inlevert, moet voldoen aan bepaalde eisen. Bij de beoordeling van een tekst kun je gebruikmaken van de rubrics Schrijven. In de rubrics zie je dat je een tekst op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalverzorging. In de opdracht zie je op welke rubrics je let bij de tekst. Per rubric kies je het niveau dat de tekst volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op andere specifieke punten. Bij een zakelijke e-mail let je bijvoorbeeld op de vormkenmerken en bij een betoog op de argumentatie. Dat staat dan ook bij de opdracht.
[11.4] Tekst herschrijven
Inleiding
Manier(en):
Alinea
Zoekvraag
Antwoord op zoekvraag = kernzin
Aanvullende informatie = toelichting/voorbeeld bij de kernzin
2
Hoe leven woestijnvolken?
Woestijnvolken trekken van oudsher rond op kamelen en leven in tenten van dierenhuiden of haren van dieren.
nomadische levensstijl, tenten, dierenhuiden of haren van dieren, isolatie tegen kou en hitte, kuddes dieren, Toearegs, Aborigines, tegenwoordig ook vrachtauto’s, traditionele levensstijl vasthouden is moeilijk, vaak arm, handel
3
Hoe is het klimaat in de woestijn?
De woestijn heeft voornamelijk een droog klimaat met grote temperatuurverschillen.
droog klimaat, regen, minder dan 200 mm per jaar, plotseling stortregen, veel water in één keer, groot temperatuurverschil, overdag heel heet, ’s nachts onder vriespunt
4
Welke planten kun- In de woestijn groeien nen in de woestijn verschillende planten leven? die goed water kunnen vasthouden.
Slot
Schrijven
soorten afhankelijk van vocht, te droog - niets, vijf centimeter regen - paar planten, wortels net onder de grond, water bewaren, cactussen, lange wortels, dikke stengel, dikke vlezige bladeren, water in stengels, na regenbui in korte tijd veel planten en bloemen, verspreiden van zaad, volgende regenbui
Je schrijft een tekst bijna nooit in één keer helemaal goed. Het schrijven van een tekst is een heel proces. Het herschrijven van je tekst hoort daarbij. Eerst schrijf je een kladversie, daarna vul je dingen aan of schrap je bepaalde stukken. Het is ook goed om je tekst door anderen te laten beoordelen. Voor het herschrijven kun je deze lijst gebruiken om je tekst te controleren: 1 Kijk eerst naar de inhoud. • Is het doel van de tekst duidelijk? • Past de informatie bij het publiek? • Heb je passende tussenkopjes gebruikt? • Past de titel bij de hele tekst? • Zijn de deelonderwerpen in de alinea’s uitgewerkt? • Is het onderwerp van de tekst duidelijk? 2 Kijk daarna naar de indeling. • Is de tekst goed in alinea’s verdeeld? • Is de vormgeving van je tekst afgestemd op het doel en het publiek van je tekst? 3 Kijk tot slot naar de taalverzorging. 1 Heb je alle stijlregels goed toegepast? 2 Let nog eens goed op interpunctie, de spelling van (werk)woorden, woordkeus, schrijfstijl, zinsbouw en verwijswoorden.
[11.4] Tekst herschrijven Je schrijft een tekst bijna nooit in één keer helemaal goed. Het schrijven van een tekst is een heel proces. Het herschrijven van je tekst hoort daarbij. Eerst schrijf je een kladversie, daarna vul je dingen aan of schrap je bepaalde stukken. Het is ook goed om je tekst door anderen te laten beoordelen. Voor het herschrijven kun je deze lijst gebruiken om je tekst te controleren:
Manier(en):
Het schrijven van een alinea is nu eenvoudig: 1 Schrijf de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea. De kernzin is het antwoord op de zoekvraag bij het deelonderwerp. 2 Gebruik de woorden onder toelichting/voorbeeld in goede zinnen die je achter elkaar uitschrijft. De toelichting of voorbeelden zijn de zinnen die je gemaakt hebt van de aanvullende informatie bij het deelonderwerp. Nu je het schrijfplan hebt gemaakt, kun je de tekst uitschrijven. In Inleiding, middenstuk,
29
Theorie — 11 Schrijven
Theorie — 11
dere specifieke punten. Bij een discussie let je bijvoorbeeld op de argumentatie. Dat staat dan ook bij de opdracht.
11 Schrijven Een tekst schud je vaak niet zomaar uit je mouw. Aan een goede tekst gaat meestal een goede voorbereiding vooraf. Voordat je een tekst gaat schrijven, denk je na over het onderwerp, bepaal je de deelonderwerpen en ga je op zoek naar informatie in betrouwbare bronnen (zie 5.3.6). Hierbij houd je ook rekening met de voorkennis van je publiek. De belangrijkste punten verwerk je in een schrijfplan (zie 11.2).
[11.2] Schrijfplan maken Als voorbereiding op het schrijven maak je een overzichtelijk schrijfplan. Dit geeft je houvast om de alinea’s makkelijker te kunnen schrijven. Schrijfplan bij het onderwerp woestijn Onderwerp: woestijn Tekstdoel: informeren Tekstsoort: informerende tekst Publiek: leerlingen groep 6
Elke tekst die je inlevert, moet voldoen aan bepaalde eisen. Bij de beoordeling van een tekst kun je gebruikmaken van de rubrics Schrijven. In de rubrics zie je dat je een tekst op de volgende punten kunt beoordelen: • voorbereiding, • inhoud, • structuur, • publiekgerichtheid, • woordenschat, • taalverzorging. In de opdracht zie je op welke rubrics je let bij de tekst. Per rubric kies je het niveau dat de tekst volgens jou heeft. Naast de rubrics let je soms op andere specifieke punten. Bij een zakelijke e-mail let je bijvoorbeeld op de vormkenmerken en bij een betoog op de argumentatie. Dat staat dan ook bij de opdracht.
[11.4] Tekst herschrijven
Inleiding
Manier(en):
Alinea
Zoekvraag
Antwoord op zoekvraag = kernzin
Aanvullende informatie = toelichting/voorbeeld bij de kernzin
2
Hoe leven woestijnvolken?
Woestijnvolken trekken van oudsher rond op kamelen en leven in tenten van dierenhuiden of haren van dieren.
nomadische levensstijl, tenten, dierenhuiden of haren van dieren, isolatie tegen kou en hitte, kuddes dieren, Toearegs, Aborigines, tegenwoordig ook vrachtauto’s, traditionele levensstijl vasthouden is moeilijk, vaak arm, handel
3
Hoe is het klimaat in de woestijn?
De woestijn heeft voornamelijk een droog klimaat met grote temperatuurverschillen.
droog klimaat, regen, minder dan 200 mm per jaar, plotseling stortregen, veel water in één keer, groot temperatuurverschil, overdag heel heet, ’s nachts onder vriespunt
4
Welke planten kun- In de woestijn groeien nen in de woestijn verschillende planten leven? die goed water kunnen vasthouden.
soorten afhankelijk van vocht, te droog - niets, vijf centimeter regen - paar planten, wortels net onder de grond, water bewaren, cactussen, lange wortels, dikke stengel, dikke vlezige bladeren, water in stengels, na regenbui in korte tijd veel planten en bloemen, verspreiden van zaad, volgende regenbui
Manier(en):
Het schrijven van een alinea is nu eenvoudig: 1 Schrijf de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea. De kernzin is het antwoord op de zoekvraag bij het deelonderwerp. 2 Gebruik de woorden onder toelichting/voorbeeld in goede zinnen die je achter elkaar uitschrijft. De toelichting of voorbeelden zijn de zinnen die je gemaakt hebt van de aanvullende informatie bij het deelonderwerp. Nu je het schrijfplan hebt gemaakt, kun je de tekst uitschrijven. In Inleiding, middenstuk,
28
slot (zei 3.2) lees je op welke verschillende manieren je de tekst kunt inleiden en afsluiten. Bedenk ook een goede, korte titel voor je tekst. Net als met de inleiding trek je hiermee de aandacht van de lezer. Denk naast de titel aan tussenkopjes boven de alinea’s (zie 3.4), aan de eventuele bronvermelding (zie 5.3.8) en aan beeld en vormgeving (zie 5.1.1 en 5.1.2).
[11.3] Tekst beoordelen
[11.1] Schrijven voorbereiden
Slot
Schrijven
Je schrijft een tekst bijna nooit in één keer helemaal goed. Het schrijven van een tekst is een heel proces. Het herschrijven van je tekst hoort daarbij. Eerst schrijf je een kladversie, daarna vul je dingen aan of schrap je bepaalde stukken. Het is ook goed om je tekst door anderen te laten beoordelen. Voor het herschrijven kun je deze lijst gebruiken om je tekst te controleren: 1 Kijk eerst naar de inhoud. • Is het doel van de tekst duidelijk? • Past de informatie bij het publiek? • Heb je passende tussenkopjes gebruikt? • Past de titel bij de hele tekst? • Zijn de deelonderwerpen in de alinea’s uitgewerkt? • Is het onderwerp van de tekst duidelijk? 2 Kijk daarna naar de indeling. • Is de tekst goed in alinea’s verdeeld? • Is de vormgeving van je tekst afgestemd op het doel en het publiek van je tekst? 3 Kijk tot slot naar de taalverzorging. 1 Heb je alle stijlregels goed toegepast? 2 Let nog eens goed op interpunctie, de spelling van (werk)woorden, woordkeus, schrijfstijl, zinsbouw en verwijswoorden.
[11.4] Tekst herschrijven Je schrijft een tekst bijna nooit in één keer helemaal goed. Het schrijven van een tekst is een heel proces. Het herschrijven van je tekst hoort daarbij. Eerst schrijf je een kladversie, daarna vul je dingen aan of schrap je bepaalde stukken. Het is ook goed om je tekst door anderen te laten beoordelen. Voor het herschrijven kun je deze lijst gebruiken om je tekst te controleren:
Theorie — 11 Schrijven
1 • • • • • • • • • • • 2 • • 3 1 2
Kijk eerst naar de inhoud. Is het doel van de tekst duidelijk? Past de informatie bij het publiek? Heb je passende tussenkopjes gebruikt? Past de titel bij de hele tekst? Zijn de deelonderwerpen in de alinea’s uitgewerkt? Is het onderwerp van de tekst duidelijk? Zijn alle onderdelen van het schrijfplan goed uitgewerkt? Maakt de inleiding de lezer nieuwsgierig naar de rest van de tekst? Is het slot een goede afsluiting van de tekst? Is de kernzin van elke alinea duidelijk? Passen de voorbeelden en/of past de toelichting bij de kernzinnen? Kijk daarna naar de indeling. Is de tekst goed in alinea’s verdeeld? Is de vormgeving van je tekst afgestemd op het doel en het publiek van je tekst? Kijk tot slot naar de taalverzorging. Heb je alle stijlregels goed toegepast? Let nog eens goed op interpunctie, de spelling van (werk)woorden, woordkeus, schrijfstijl, zinsbouw en verwijswoorden.
[11.5] Spellingcontrole Veel programma’s op de computer hebben een functie om de spelling van je tekst te controleren. Er verschijnt dan een (rood) lijntje onder een woord dat volgens de spellingcontrole mogelijk fout is gespeld. Er verschijnt dan ook een suggestie hoe het woord wél gespeld zou moeten worden. Deze functie is heel handig, maar niet altijd betrouwbaar. Fouten in de spelling van werkwoorden bijvoorbeeld worden niet altijd als fout herkend. Zo kan de spellingcontrole geen d- en t-fouten aan het eind van werkwoorden aangeven, omdat hij geen onderscheid kan maken tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord. Andere woorden worden soms als fout aangegeven omdat de spellingchecker het woord niet kent. Ook bij het los of aaneenschrijven van woorden gaat het niet altijd goed. Neem suggesties daarom nooit zomaar over, maar gebruik je eigen verstand.
Theorie — 12 Fictie
3 4 5 6 7
hef zet je een komma. Daarna druk je twee keer op enter. Schrijf in de eerste zinnen wat het onderwerp is en waarom je de e-mail schrijft. Verdeel de tekst van je e-mail in alinea’s. Druk na elke alinea twee keer op enter. Eindig je e-mail met een of enkele slotzinnen. Druk daarna twee keer op enter. Sluit af met de slotformule: Met vriendelijke groet, Schrijf je naam en eventueel telefoonnummer op.
Zakelijke e-mail
12 Fictie 12.1
Fictie
[12.1] Fictie en non fictie Wat je leest en bekijkt in boeken, tijdschriften, op internet en op televisie, kun je verdelen in twee groepen: fictie en non-fictie. Verzonnen verhalen zijn fictie. Teksten en beelden over de werkelijkheid zijn non-fictie. Wat is het?
Voorbeelden
Fictie
teksten en beelden over gebeurtenissen en mensen die verzonnen zijn
leesboek, stripverhaal, gedicht, film, televisieserie, musical, toneelstuk
Non-fictie
teksten en beelden over de werkelijkheid, met feiten, over echte mensen en gebeurtenissen, niet verzonnen
krantenbericht, tijdschriftartikel, studieboek, informatief boek, journaal, documentaire, tekst op Wikipedia
De spellingcontrole herkend helaas niet alle fouten in je tekst. Bij twijfel over de juiste spelling van een woord kun je gebruikmaken van de elektronische Woordenlijst Nederlandse Taal via de website www.woordenlijst.org. Voor de juiste spelling van werkwoorden kun je de werkwijzer werkwoordspelling raadplegen.
[11.6] Werkwijzer zakelijke e-mail Een zakelijke e-mail schrijf je aan een bedrijf, een organisatie of een gemeente. Je schrijft de e-mail omdat je informatie wilt, een klacht hebt of om een andere reden. Een zakelijke e-mail herken je aan de volgende kenmerken: • de vorm; de e-mail bouw je volgens vaste regels op. • het uiterlijk; de e-mail ziet er altijd netjes uit. • de taal; je gebruikt formele taal en je past de spellingregels en alle stijlregels toe. Als je een zakelijke e-mail stuurt, zorg er dan voor dat het e-mailadres dat je gebruikt ook zakelijk is. Stuur dus geen mail vanuit je e-mailaccount laurakusjezzzzz@hotmail.com, maar gebruik een adres met je eigen naam, bijvoorbeeld laura.willems@hotmail.com. Dan zal je e-mail eerder serieus genomen worden. 1 Schrijf in de onderwerpregel het onderwerp van je e-mail. 2 Begin de e-mail met een aanhef: Beste meneer De Groot, Beste mevrouw Van Belzen, Geachte mevrouw/heer. Je begint de aanhef altijd met een hoofdletter. Achter de aan-
12.2 Verhalen [12.2.1] Boeken uitkiezen Het is belangrijk om te ontdekken welke boeken jij graag leest. Zo ontdek je jouw eigen leessmaak of leesvoorkeur. Gebruik de volgende manieren om te onderzoeken of een boek bij jouw voorkeur past of om een nieuw boek te vinden. 1 Lees de titel van het boek. Maakt de titel jou nieuwsgierig? 2 Bekijk het omslag van het boek. Spreekt het omslag je aan? Het omslag is maar een verpakking en zegt niet alles. Soms is een boek met een saai omslag heel spannend. Ook kan een boek met een prachtige buitenkant juist tegenvallen. 3 Lees de flaptekst, de tekst op de achterkant van het boek. Deze tekst vertelt wat voor soort verhaal het is. Maakt de flaptekst je nieuwsgierig? 4 Kijk wie de auteur van het boek is. Ken je meer boeken van deze schrijver? 5 Lees de eerste bladzijden van het boek. Wil je graag verder lezen? 6 Vraag tips aan je klasgenoten of docent. Welke boeken hebben zij met plezier gelezen?
31
Theorie — 11 Schrijven
1 • • • • • • • • • • • 2 • • 3 1 2
Kijk eerst naar de inhoud. Is het doel van de tekst duidelijk? Past de informatie bij het publiek? Heb je passende tussenkopjes gebruikt? Past de titel bij de hele tekst? Zijn de deelonderwerpen in de alinea’s uitgewerkt? Is het onderwerp van de tekst duidelijk? Zijn alle onderdelen van het schrijfplan goed uitgewerkt? Maakt de inleiding de lezer nieuwsgierig naar de rest van de tekst? Is het slot een goede afsluiting van de tekst? Is de kernzin van elke alinea duidelijk? Passen de voorbeelden en/of past de toelichting bij de kernzinnen? Kijk daarna naar de indeling. Is de tekst goed in alinea’s verdeeld? Is de vormgeving van je tekst afgestemd op het doel en het publiek van je tekst? Kijk tot slot naar de taalverzorging. Heb je alle stijlregels goed toegepast? Let nog eens goed op interpunctie, de spelling van (werk)woorden, woordkeus, schrijfstijl, zinsbouw en verwijswoorden.
[11.5] Spellingcontrole Veel programma’s op de computer hebben een functie om de spelling van je tekst te controleren. Er verschijnt dan een (rood) lijntje onder een woord dat volgens de spellingcontrole mogelijk fout is gespeld. Er verschijnt dan ook een suggestie hoe het woord wél gespeld zou moeten worden. Deze functie is heel handig, maar niet altijd betrouwbaar. Fouten in de spelling van werkwoorden bijvoorbeeld worden niet altijd als fout herkend. Zo kan de spellingcontrole geen d- en t-fouten aan het eind van werkwoorden aangeven, omdat hij geen onderscheid kan maken tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord. Andere woorden worden soms als fout aangegeven omdat de spellingchecker het woord niet kent. Ook bij het los of aaneenschrijven van woorden gaat het niet altijd goed. Neem suggesties daarom nooit zomaar over, maar gebruik je eigen verstand.
Theorie — 12 Fictie
3 4 5 6 7
hef zet je een komma. Daarna druk je twee keer op enter. Schrijf in de eerste zinnen wat het onderwerp is en waarom je de e-mail schrijft. Verdeel de tekst van je e-mail in alinea’s. Druk na elke alinea twee keer op enter. Eindig je e-mail met een of enkele slotzinnen. Druk daarna twee keer op enter. Sluit af met de slotformule: Met vriendelijke groet, Schrijf je naam en eventueel telefoonnummer op.
Zakelijke e-mail
12 Fictie 12.1 Fictie [12.1] Fictie en non fictie Wat je leest en bekijkt in boeken, tijdschriften, op internet en op televisie, kun je verdelen in twee groepen: fictie en non-fictie. Verzonnen verhalen zijn fictie. Teksten en beelden over de werkelijkheid zijn non-fictie. Wat is het?
Voorbeelden
Fictie
teksten en beelden over gebeurtenissen en mensen die verzonnen zijn
leesboek, stripverhaal, gedicht, film, televisieserie, musical, toneelstuk
Non-fictie
teksten en beelden over de werkelijkheid, met feiten, over echte mensen en gebeurtenissen, niet verzonnen
krantenbericht, tijdschriftartikel, studieboek, informatief boek, journaal, documentaire, tekst op Wikipedia
De spellingcontrole herkend helaas niet alle fouten in je tekst. Bij twijfel over de juiste spelling van een woord kun je gebruikmaken van de elektronische Woordenlijst Nederlandse Taal via de website www.woordenlijst.org. Voor de juiste spelling van werkwoorden kun je de werkwijzer werkwoordspelling raadplegen.
[11.6] Werkwijzer zakelijke e-mail Een zakelijke e-mail schrijf je aan een bedrijf, een organisatie of een gemeente. Je schrijft de e-mail omdat je informatie wilt, een klacht hebt of om een andere reden. Een zakelijke e-mail herken je aan de volgende kenmerken: • de vorm; de e-mail bouw je volgens vaste regels op. • het uiterlijk; de e-mail ziet er altijd netjes uit. • de taal; je gebruikt formele taal en je past de spellingregels en alle stijlregels toe. Als je een zakelijke e-mail stuurt, zorg er dan voor dat het e-mailadres dat je gebruikt ook zakelijk is. Stuur dus geen mail vanuit je e-mailaccount laurakusjezzzzz@hotmail.com, maar gebruik een adres met je eigen naam, bijvoorbeeld laura.willems@hotmail.com. Dan zal je e-mail eerder serieus genomen worden. 1 Schrijf in de onderwerpregel het onderwerp van je e-mail. 2 Begin de e-mail met een aanhef: Beste meneer De Groot, Beste mevrouw Van Belzen, Geachte mevrouw/heer. Je begint de aanhef altijd met een hoofdletter. Achter de aan-
30
12.2 Verhalen [12.2.1] Boeken uitkiezen Het is belangrijk om te ontdekken welke boeken jij graag leest. Zo ontdek je jouw eigen leessmaak of leesvoorkeur. Gebruik de volgende manieren om te onderzoeken of een boek bij jouw voorkeur past of om een nieuw boek te vinden. 1 Lees de titel van het boek. Maakt de titel jou nieuwsgierig? 2 Bekijk het omslag van het boek. Spreekt het omslag je aan? Het omslag is maar een verpakking en zegt niet alles. Soms is een boek met een saai omslag heel spannend. Ook kan een boek met een prachtige buitenkant juist tegenvallen. 3 Lees de flaptekst, de tekst op de achterkant van het boek. Deze tekst vertelt wat voor soort verhaal het is. Maakt de flaptekst je nieuwsgierig? 4 Kijk wie de auteur van het boek is. Ken je meer boeken van deze schrijver? 5 Lees de eerste bladzijden van het boek. Wil je graag verder lezen? 6 Vraag tips aan je klasgenoten of docent. Welke boeken hebben zij met plezier gelezen?
Theorie — 12 Fictie
7 Zoek informatie op het internet. Kijk bijvoorbeeld op wjeugdboekenplein.nl of www. jongejury.nl. 8 Lees beoordelingen door andere lezers.
Een auteur is iemand die een boek schrijft. Een uitgever is iemand die van een tekst een boek maakt. De uitgever zorgt voor een omslag, hij zorgt ervoor dat het boek gedrukt wordt en hij zorgt ervoor dat boekwinkels en bibliotheken weten dat het boek er is. Een uitgever werkt bij een uitgeverij. Een boek komt uit of verschijnt. Het nieuwe boek van Caja Cazemier verschijnt in juni bij uitgeverij Ploegsma. Haaieneiland is verschenen bij uitgeverij Querido.
[12.2.2] Genres Fictie is er in veel verschillende vormen: korte verhalen, leesboeken, gedichten, liedteksten, stripverhalen, tv-series, films, cabaret en toneelstukken. Al deze vormen kun je verder verdelen in verschillende verhaalsoorten. Een ander woord voor verhaalsoort is genre. Je weet bij welk genre een verhaal hoort door te bekijken welk onderwerp belangrijk is in het verhaal. Bekende genres zijn het avonturenverhaal, oorlogsverhaal, liefdesverhaal, probleemverhaal, grappig verhaal, meidenverhaal, historisch verhaal en sprookje. Maar er zijn meer genres. In de bibliotheek kun je een aantal genres herkennen aan pictogrammen. Voorbeelden van genres zijn: Avonturenverhaal Oorlogsverhaal Liefdesverhaal Sprookje Grappig verhaal Griezelverhaal
Theorie — 12 Fictie
[12.2.3] Realistisch of niet? Verhalen zijn altijd verzonnen. Toch is er veel verschil in de manier waarop schrijvers dingen verzinnen. Een schrijver kan mensen en gebeurtenissen verzinnen die erg lijken op de werkelijkheid. Dan is een verhaal realistisch. Het is dan net of het verhaal echt gebeurd is. Een schrijver kan ook een verhaal verzinnen met veel dingen die in werkelijkheid niet kunnen. Dan is het duidelijk dat het verhaal niet-realistisch is. In bijna elk verhaal komen realistische en minder realistische dingen voor. Je kunt je mening hierover geven door te letten op het volgende: Dit maakt een verhaal realistisch (net echt):
Dit maakt een verhaal minder realistisch (duidelijk verzonnen):
Mensen lijken echt in wat ze denken, doen en zeggen.
Mensen lijken onecht in wat ze denken, doen of zeggen.
De omgeving lijkt echt.
De wereld is verzonnen.
Gebeurtenissen zijn in werkelijkheid ook mogelijk.
Gebeurtenissen zijn wel heel erg toevallig.
Er komen mensen en plaatsen in voor die echt (hebben) bestaan.
Er komen verzonnen wezens en fantasiefiguren in voor.
Problemen en oplossingen zijn zoals in het echte leven.
Problemen en oplossingen zijn onvoorstelbaar.
De afloop van het verhaal is logisch en zou echt kunnen.
De afloop van het verhaal is te mooi om waar te zijn.
[12.2.4] Leeservaring beschrijven Als je een verhaal leest, gebeurt er iets met je. Het verhaal doet iets met je. Het verhaal maakt je bijvoorbeeld vrolijk of je wordt nieuwsgierig naar hoe het verdergaat. Je leeft mee met de hoofdpersoon, je wordt verdrietig door wat hem of haar overkomt of je maakt je ergens boos over. Het verhaal laat je even de wereld om je heen vergeten, of het verhaal verveelt je. Dit noem je je leeservaring. Als je uitlegt wat er met jou gebeurt als je een verhaal leest, gebruik je beoordelingswoorden. Als je uitlegt wat er met jou gebeurt als je een verhaal leest, beschrijf je jouw leeservaring. Die ervaring is voor iedereen anders, en heel persoonlijk. Het is goed als je jouw leeservaring onder woorden kunt brengen en kunt uitleggen. Beoordelingswoorden helpen je daarbij. Hierna staat een lijst met voorbeelden van zulke woorden. Ze staan in paren naast elkaar, telkens twee woorden die tegenover elkaar staan. spannend — saai begrijpelijk — onbegrijpelijk griezelig — rustgevend laat me meeleven — zegt me niets maakt me nieuwsgierig naar de afloop — is voorspelbaar laat me even alles vergeten — kan me niet boeien apart — gewoon geheimzinnig — helder duidelijk — verwarrend humoristisch — zonder humor maakt me verdrietig — maakt me vrolijk maakt me enthousiast — verveelt me veel actie — er gebeurt weinig vol vaart — traag leest moeilijk — leest makkelijk
Historisch verhaal
33
Theorie — 12 Fictie
7 Zoek informatie op het internet. Kijk bijvoorbeeld op wjeugdboekenplein.nl of www. jongejury.nl. 8 Lees beoordelingen door andere lezers.
Een auteur is iemand die een boek schrijft. Een uitgever is iemand die van een tekst een boek maakt. De uitgever zorgt voor een omslag, hij zorgt ervoor dat het boek gedrukt wordt en hij zorgt ervoor dat boekwinkels en bibliotheken weten dat het boek er is. Een uitgever werkt bij een uitgeverij. Een boek komt uit of verschijnt. Het nieuwe boek van Caja Cazemier verschijnt in juni bij uitgeverij Ploegsma. Haaieneiland is verschenen bij uitgeverij Querido.
[12.2.2] Genres Fictie is er in veel verschillende vormen: korte verhalen, leesboeken, gedichten, liedteksten, stripverhalen, tv-series, films, cabaret en toneelstukken. Al deze vormen kun je verder verdelen in verschillende verhaalsoorten. Een ander woord voor verhaalsoort is genre. Je weet bij welk genre een verhaal hoort door te bekijken welk onderwerp belangrijk is in het verhaal. Bekende genres zijn het avonturenverhaal, oorlogsverhaal, liefdesverhaal, probleemverhaal, grappig verhaal, meidenverhaal, historisch verhaal en sprookje. Maar er zijn meer genres. In de bibliotheek kun je een aantal genres herkennen aan pictogrammen. Voorbeelden van genres zijn: Avonturenverhaal Oorlogsverhaal Liefdesverhaal Sprookje Grappig verhaal Griezelverhaal Historisch verhaal
32
Theorie — 12 Fictie
[12.2.3] Realistisch of niet? Verhalen zijn altijd verzonnen. Toch is er veel verschil in de manier waarop schrijvers dingen verzinnen. Een schrijver kan mensen en gebeurtenissen verzinnen die erg lijken op de werkelijkheid. Dan is een verhaal realistisch. Het is dan net of het verhaal echt gebeurd is. Een schrijver kan ook een verhaal verzinnen met veel dingen die in werkelijkheid niet kunnen. Dan is het duidelijk dat het verhaal niet-realistisch is. In bijna elk verhaal komen realistische en minder realistische dingen voor. Je kunt je mening hierover geven door te letten op het volgende: Dit maakt een verhaal realistisch (net echt):
Dit maakt een verhaal minder realistisch (duidelijk verzonnen):
Mensen lijken echt in wat ze denken, doen en zeggen.
Mensen lijken onecht in wat ze denken, doen of zeggen.
De omgeving lijkt echt.
De wereld is verzonnen.
Gebeurtenissen zijn in werkelijkheid ook mogelijk.
Gebeurtenissen zijn wel heel erg toevallig.
Er komen mensen en plaatsen in voor die echt (hebben) bestaan.
Er komen verzonnen wezens en fantasiefiguren in voor.
Problemen en oplossingen zijn zoals in het echte leven.
Problemen en oplossingen zijn onvoorstelbaar.
De afloop van het verhaal is logisch en zou echt kunnen.
De afloop van het verhaal is te mooi om waar te zijn.
[12.2.4] Leeservaring beschrijven Als je een verhaal leest, gebeurt er iets met je. Het verhaal doet iets met je. Het verhaal maakt je bijvoorbeeld vrolijk of je wordt nieuwsgierig naar hoe het verdergaat. Je leeft mee met de hoofdpersoon, je wordt verdrietig door wat hem of haar overkomt of je maakt je ergens boos over. Het verhaal laat je even de wereld om je heen vergeten, of het verhaal verveelt je. Dit noem je je leeservaring. Als je uitlegt wat er met jou gebeurt als je een verhaal leest, gebruik je beoordelingswoorden. Als je uitlegt wat er met jou gebeurt als je een verhaal leest, beschrijf je jouw leeservaring. Die ervaring is voor iedereen anders, en heel persoonlijk. Het is goed als je jouw leeservaring onder woorden kunt brengen en kunt uitleggen. Beoordelingswoorden helpen je daarbij. Hierna staat een lijst met voorbeelden van zulke woorden. Ze staan in paren naast elkaar, telkens twee woorden die tegenover elkaar staan. spannend — saai begrijpelijk — onbegrijpelijk griezelig — rustgevend laat me meeleven — zegt me niets maakt me nieuwsgierig naar de afloop — is voorspelbaar laat me even alles vergeten — kan me niet boeien apart — gewoon geheimzinnig — helder duidelijk — verwarrend humoristisch — zonder humor maakt me verdrietig — maakt me vrolijk maakt me enthousiast — verveelt me veel actie — er gebeurt weinig vol vaart — traag leest moeilijk — leest makkelijk
Theorie — 12 Fictie
Personages [12.2.5] Hoofdpersoon en bijfiguren De belangrijkste persoon in een verhaal noem je de hoofdpersoon. Veel verhalen hebben één hoofdpersoon, maar soms zijn er twee of meer hoofdpersonen. Je kunt een hoofdpersoon herkennen door te letten op de volgende dingen: • Hij of zij wordt uitgebreid beschreven. Je leest wat deze persoon doet en hoe hij of zij eruitziet, maar ook wat hij of zij denkt en voelt. Je leert deze persoon dus heel goed kennen, van binnenuit. • Het grootste deel van het verhaal ‘beleef’ je vanuit een hoofdpersoon. Je ziet de gebeurtenissen door zijn of haar ogen. • Een hoofdpersoon heeft in het verhaal een belangrijk probleem of een opdracht. Hij of zij heeft een duidelijk doel: het probleem oplossen of de opdracht volbrengen. Andere personen in het verhaal noem je bijfiguren. Deze personen zijn minder belangrijk, je komt over hen minder te weten en je leert hen minder goed kennen dan de hoofdpersoon.
[12.2.6] Rollen van personen De bijfiguren in een verhaal zijn minder belangrijk en hun karakter wordt minder uitgebreid beschreven. Een bijfiguur heeft vaak een bepaalde rol in het verhaal. Er zijn verschillende rollen. Een helper helpt de hoofdpersoon bij het oplossen van zijn probleem of het bereiken van zijn doel. Een tegenstander maakt het de hoofdpersoon juist moeilijk.
[12.2.7] Personen beschrijven Echte mensen hebben allerlei verschillende eigenschappen. Daar kom je achter als je met iemand omgaat. Dat is ook zo bij personen in verhalen. Vooral over een hoofdpersoon kom je veel te weten. Je leert hem of haar van binnenuit kennen, doordat je van een hoofdpersoon ook de gedachten en de gevoelens leest. In een film of stripverhaal zie je hoe een persoon eruitziet. In verhalen wordt daar soms iets over gezegd, maar soms moet je het ook zelf bedenken. Hieronder staat een lijst met eigenschappen. Je kunt ze gebruiken om een persoon te beschrijven. Het zijn telkens twee woorden die tegenover elkaar staan.
Theorie — 12 Fictie
druk — rustig actief — wacht af slim — dom aardig — gemeen verlegen — vrij eigenwijs — gehoorzaam driftig — niet gauw boos gaat eigen weg — meeloper denkt vooral aan zichzelf — zorgzaam betrouwbaar — onbetrouwbaar goedgelovig — twijfelt aan anderen, achterdochtig zachtaardig — wreed blijft haten, haatdragend — kan vergeven, vergevingsgezind piekert veel — zorgeloos agressief — zoekt vrede opvliegend — beheerst zichzelf gespannen — ontspannen nieuwsgierig — ongeïnteresseerd open, spontaan — gesloten, geremd eerlijk — oneerlijk snel in paniek — kalm
heldhaftig — laf angstig — dapper denkt eerst na — komt meteen in actie brutaal — beleefd ijverig – lui arrogant — bescheiden luidruchtig — stil chaotisch — ordelijk kinderachtig — volwassen gevoelig — ongevoelig sterk — zwak gewelddadig — vredelievend voorzichtig — onvoorzichtig sociaal — op zichzelf serieus — zorgeloos twijfelend, besluiteloos — neemt makkelijk besluiten, besluitvaardig wil veel bereiken, ambitieus — is gauw tevreden, niet ambitieus gaat af op verstand, rationeel — gaat af op gevoel, emotioneel warm, gezellig — koel, afstandelijk optimistisch — pessimistisch
Als je een personage (persoon) uit een verhaal beschrijft, let je op verschillende dingen in het verhaal: • het uiterlijk van de persoon (lichaam, gezicht, haar, kleding); • de karaktereigenschappen die je ontdekt door te letten op wat iemand doet, zegt en denkt; • belangrijke kenmerken (bijvoorbeeld leeftijd, gezondheid, arm of rijk). Bij het beschrijven van een personage geef je vooral feiten weer. Daarnaast kun je je mening geven over een personage. Je legt uit of je een personage wel of niet sympathiek vindt en je geeft je oordeel over zijn of haar daden, keuzes of meningen.
[12.2.8] Vertelperspectief Als je een verhaal leest, bekijk je alles vanuit een bepaalde persoon. Dit heet het vertelperspectief. Een schrijver kan kiezen uit verschillende mogelijkheden: • Ik-vertelperspectief : alles wordt verteld door een personage (persoon) in de ik-vorm. Je zit als lezer als het ware ‘in het hoofd’ van deze ik-persoon. Vooral bij het ik-perspectief kun je zo goed meeleven met de hoofdpersoon dat het bijna is alsof jij zelf die persoon bent. • Hij-/zij-vertelperspectief: de gebeurtenissen worden verteld door een personage (persoon) in de hij- of zij-vorm. Je beleeft de gebeurtenissen door de ogen van de hij- of zij-figuur, doordat je de ‘binnenwereld’ van hem of haar leert kennen en doordat deze persoon aanwezig is in alle scènes van het verhaal.
Tijd in verhalen [12.2.9] Tijd waarin een verhaal zich afspeelt Elk verhaal speelt zich af in een bepaalde tijd. Een schrijver kan op verschillende manieren aan de lezer laten zien in welke tijd het verhaal zich afspeelt. 1 Door een jaartal te noemen, bijvoorbeeld in de flaptekst, voor in het boek of boven een hoofdstuk. 2 Door in het verhaal bekende historische figuren uit de tijd van het verhaal te laten voorkomen of een beroemd persoon te kiezen als hoofdpersoon. 3 Door in het verhaal te vertellen over bekende historische gebeurtenissen uit de tijd van het verhaal.
35
Theorie — 12 Fictie
Personages [12.2.5] Hoofdpersoon en bijfiguren De belangrijkste persoon in een verhaal noem je de hoofdpersoon. Veel verhalen hebben één hoofdpersoon, maar soms zijn er twee of meer hoofdpersonen. Je kunt een hoofdpersoon herkennen door te letten op de volgende dingen: • Hij of zij wordt uitgebreid beschreven. Je leest wat deze persoon doet en hoe hij of zij eruitziet, maar ook wat hij of zij denkt en voelt. Je leert deze persoon dus heel goed kennen, van binnenuit. • Het grootste deel van het verhaal ‘beleef’ je vanuit een hoofdpersoon. Je ziet de gebeurtenissen door zijn of haar ogen. • Een hoofdpersoon heeft in het verhaal een belangrijk probleem of een opdracht. Hij of zij heeft een duidelijk doel: het probleem oplossen of de opdracht volbrengen. Andere personen in het verhaal noem je bijfiguren. Deze personen zijn minder belangrijk, je komt over hen minder te weten en je leert hen minder goed kennen dan de hoofdpersoon.
[12.2.6] Rollen van personen De bijfiguren in een verhaal zijn minder belangrijk en hun karakter wordt minder uitgebreid beschreven. Een bijfiguur heeft vaak een bepaalde rol in het verhaal. Er zijn verschillende rollen. Een helper helpt de hoofdpersoon bij het oplossen van zijn probleem of het bereiken van zijn doel. Een tegenstander maakt het de hoofdpersoon juist moeilijk.
[12.2.7] Personen beschrijven Echte mensen hebben allerlei verschillende eigenschappen. Daar kom je achter als je met iemand omgaat. Dat is ook zo bij personen in verhalen. Vooral over een hoofdpersoon kom je veel te weten. Je leert hem of haar van binnenuit kennen, doordat je van een hoofdpersoon ook de gedachten en de gevoelens leest. In een film of stripverhaal zie je hoe een persoon eruitziet. In verhalen wordt daar soms iets over gezegd, maar soms moet je het ook zelf bedenken. Hieronder staat een lijst met eigenschappen. Je kunt ze gebruiken om een persoon te beschrijven. Het zijn telkens twee woorden die tegenover elkaar staan.
Theorie — 12 Fictie
druk — rustig actief — wacht af slim — dom aardig — gemeen verlegen — vrij eigenwijs — gehoorzaam driftig — niet gauw boos gaat eigen weg — meeloper denkt vooral aan zichzelf — zorgzaam betrouwbaar — onbetrouwbaar goedgelovig — twijfelt aan anderen, achterdochtig zachtaardig — wreed blijft haten, haatdragend — kan vergeven, vergevingsgezind piekert veel — zorgeloos agressief — zoekt vrede opvliegend — beheerst zichzelf gespannen — ontspannen nieuwsgierig — ongeïnteresseerd open, spontaan — gesloten, geremd eerlijk — oneerlijk snel in paniek — kalm
heldhaftig — laf angstig — dapper denkt eerst na — komt meteen in actie brutaal — beleefd ijverig – lui arrogant — bescheiden luidruchtig — stil chaotisch — ordelijk kinderachtig — volwassen gevoelig — ongevoelig sterk — zwak gewelddadig — vredelievend voorzichtig — onvoorzichtig sociaal — op zichzelf serieus — zorgeloos twijfelend, besluiteloos — neemt makkelijk besluiten, besluitvaardig wil veel bereiken, ambitieus — is gauw tevreden, niet ambitieus gaat af op verstand, rationeel — gaat af op gevoel, emotioneel warm, gezellig — koel, afstandelijk optimistisch — pessimistisch
Als je een personage (persoon) uit een verhaal beschrijft, let je op verschillende dingen in het verhaal: • het uiterlijk van de persoon (lichaam, gezicht, haar, kleding); • de karaktereigenschappen die je ontdekt door te letten op wat iemand doet, zegt en denkt; • belangrijke kenmerken (bijvoorbeeld leeftijd, gezondheid, arm of rijk). Bij het beschrijven van een personage geef je vooral feiten weer. Daarnaast kun je je mening geven over een personage. Je legt uit of je een personage wel of niet sympathiek vindt en je geeft je oordeel over zijn of haar daden, keuzes of meningen.
[12.2.8] Vertelperspectief Als je een verhaal leest, bekijk je alles vanuit een bepaalde persoon. Dit heet het vertelperspectief. Een schrijver kan kiezen uit verschillende mogelijkheden: • Ik-vertelperspectief : alles wordt verteld door een personage (persoon) in de ik-vorm. Je zit als lezer als het ware ‘in het hoofd’ van deze ik-persoon. Vooral bij het ik-perspectief kun je zo goed meeleven met de hoofdpersoon dat het bijna is alsof jij zelf die persoon bent. • Hij-/zij-vertelperspectief: de gebeurtenissen worden verteld door een personage (persoon) in de hij- of zij-vorm. Je beleeft de gebeurtenissen door de ogen van de hij- of zij-figuur, doordat je de ‘binnenwereld’ van hem of haar leert kennen en doordat deze persoon aanwezig is in alle scènes van het verhaal.
Tijd in verhalen [12.2.9] Tijd waarin een verhaal zich afspeelt Elk verhaal speelt zich af in een bepaalde tijd. Een schrijver kan op verschillende manieren aan de lezer laten zien in welke tijd het verhaal zich afspeelt. 1 Door een jaartal te noemen, bijvoorbeeld in de flaptekst, voor in het boek of boven een hoofdstuk. 2 Door in het verhaal bekende historische figuren uit de tijd van het verhaal te laten voorkomen of een beroemd persoon te kiezen als hoofdpersoon. 3 Door in het verhaal te vertellen over bekende historische gebeurtenissen uit de tijd van het verhaal.
34
Theorie — 12 Fictie
4 Door te vertellen over gebruiken, gewoontes, voorwerpen, kleding en eten uit de tijd van het verhaal. 5 Door te laten zien hoe de omgeving eruitziet in de tijd van het verhaal.
Theorie — 12 Fictie
Stap 1 Lees een stukje terug of verder in de tekst. De tekst rondom een woord wordt de context genoemd. De context geeft je vaak al aanwijzingen over de betekenis van het woord. Misschien zie je daar wel: a. een ander woord met dezelfde betekenis (een synoniem); b. een woord met een tegengestelde betekenis (een antoniem); c. een omschrijving; d. een voorbeeld. Bij a: De houten constructie in de speeltuin was onveilig, dus besloot de gemeente het bouwwerk te slopen. Bij b: Nu fietst Sascha nog als amateur, maar later wil ze wielrenner van beroep worden. Bij c: De koninklijke familie maakt een rondrit in een landauer, een koets voor vier personen. Bij d: Dounia is op school goed in de exacte vakken, zoals wiskunde en natuurkunde.
Als de schrijver geen jaartal noemt, moet je als lezer zelf ontdekken in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Dat doe je door goed op alle andere aanwijzingen te letten.
[12.2.10] Vertelde tijd In verhalen gaat ook tijd voorbij. Dit is de vertelde tijd. Een verhaal kan bijvoorbeeld vertellen over een dag van zeven uur ’s morgens totdat de hoofdpersoon ’s avonds om elf uur in slaap valt. De vertelde tijd is dan veertien uur. Een verhaal kan ook gaan over een schooljaar, van de eerste dag na de zomervakantie tot het begin van de volgende zomervakantie. De vertelde tijd is dan een schooljaar. Wanneer het hele leven van de hoofdpersoon wordt verteld tot aan zijn veertiende verjaardag, dan is de vertelde tijd dus veertien jaar. De schrijver van een verhaal geeft af en toe aanwijzingen over de vertelde tijd. Hij vertelt of het ochtend, middag of avond is, hoe laat het is, of het een dag of een week later is. of Hij kan ook een maand, een seizoen of een leeftijd van een persoon noemen. De lezer weet dan hoeveel tijd er voorbijgaat en hoe snel de gebeurtenissen elkaar opvolgen.
Stap 2 Kijk naar de delen van het woord. Een moeilijk woord kan soms ook zélf al een deel van de betekenis verraden. Kijk of het moeilijke woord misschien lijkt op een woord dat je wel kent. Misschien herken je in het woord een ander woord of een deel daarvan. Zo kun je alsnog de betekenis afleiden. In het woord miscommunicatie herken je de delen mis- en communicatie. Het voorvoegsel mis- betekent ‘slecht’ of ‘mislukt’. Communicatie draait om het uitwisselen van informatie. Bij miscommunicatie is dit dus mislukt. Stap 3 Kijk naar de afbeeldingen bij de tekst. Bij een tekst staan soms afbeeldingen. Kijk daar goed naar, want ze kunnen je helpen om moeilijke woorden uit de tekst te begrijpen. Zo vouw je een papieren vliegtuigje: Stap 1 – Vouw het papier in de lengte dubbel. Stap 2 - Vouw de punten aan de bovenkant diagonaal naar binnen. Je weet niet zeker wat diagonaal betekent. Als je kijkt naar stap 2 op het plaatje, dan zie je dat diagonaal ‘schuin’ betekent.
[15.3] Stappenplan moeilijke woorden Als je regelmatig de krant of een boek leest en het nieuws volgt op radio, tv of internet, leer je vanzelf steeds meer nieuwe woorden. Wanneer je een moeilijk woord tegenkomt, kun je het opzoeken in een woordenboek. Vaak is dat niet nodig. Gebruik bij woorden die je niet begrijpt dit stappenplan:
Stap 4 Zoek de betekenis op in een woordenboek. Hebben de vorige drie stappen je niet geholpen? Dan kun je de betekenis aan iemand vragen of opzoeken in een woordenboek.
Stappenplan moeilijke woorden
37
Theorie — 12 Fictie
4 Door te vertellen over gebruiken, gewoontes, voorwerpen, kleding en eten uit de tijd van het verhaal. 5 Door te laten zien hoe de omgeving eruitziet in de tijd van het verhaal.
Theorie — 12 Fictie
Stap 1 Lees een stukje terug of verder in de tekst. De tekst rondom een woord wordt de context genoemd. De context geeft je vaak al aanwijzingen over de betekenis van het woord. Misschien zie je daar wel: a. een ander woord met dezelfde betekenis (een synoniem); b. een woord met een tegengestelde betekenis (een antoniem); c. een omschrijving; d. een voorbeeld. Bij a: De houten constructie in de speeltuin was onveilig, dus besloot de gemeente het bouwwerk te slopen. Bij b: Nu fietst Sascha nog als amateur, maar later wil ze wielrenner van beroep worden. Bij c: De koninklijke familie maakt een rondrit in een landauer, een koets voor vier personen. Bij d: Dounia is op school goed in de exacte vakken, zoals wiskunde en natuurkunde.
Als de schrijver geen jaartal noemt, moet je als lezer zelf ontdekken in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Dat doe je door goed op alle andere aanwijzingen te letten.
[12.2.10] Vertelde tijd In verhalen gaat ook tijd voorbij. Dit is de vertelde tijd. Een verhaal kan bijvoorbeeld vertellen over een dag van zeven uur ’s morgens totdat de hoofdpersoon ’s avonds om elf uur in slaap valt. De vertelde tijd is dan veertien uur. Een verhaal kan ook gaan over een schooljaar, van de eerste dag na de zomervakantie tot het begin van de volgende zomervakantie. De vertelde tijd is dan een schooljaar. Wanneer het hele leven van de hoofdpersoon wordt verteld tot aan zijn veertiende verjaardag, dan is de vertelde tijd dus veertien jaar. De schrijver van een verhaal geeft af en toe aanwijzingen over de vertelde tijd. Hij vertelt of het ochtend, middag of avond is, hoe laat het is, of het een dag of een week later is. of Hij kan ook een maand, een seizoen of een leeftijd van een persoon noemen. De lezer weet dan hoeveel tijd er voorbijgaat en hoe snel de gebeurtenissen elkaar opvolgen.
Stap 2 Kijk naar de delen van het woord. Een moeilijk woord kan soms ook zélf al een deel van de betekenis verraden. Kijk of het moeilijke woord misschien lijkt op een woord dat je wel kent. Misschien herken je in het woord een ander woord of een deel daarvan. Zo kun je alsnog de betekenis afleiden. In het woord miscommunicatie herken je de delen mis- en communicatie. Het voorvoegsel mis- betekent ‘slecht’ of ‘mislukt’. Communicatie draait om het uitwisselen van informatie. Bij miscommunicatie is dit dus mislukt. Stap 3 Kijk naar de afbeeldingen bij de tekst. Bij een tekst staan soms afbeeldingen. Kijk daar goed naar, want ze kunnen je helpen om moeilijke woorden uit de tekst te begrijpen. Zo vouw je een papieren vliegtuigje: Stap 1 – Vouw het papier in de lengte dubbel. Stap 2 - Vouw de punten aan de bovenkant diagonaal naar binnen. Je weet niet zeker wat diagonaal betekent. Als je kijkt naar stap 2 op het plaatje, dan zie je dat diagonaal ‘schuin’ betekent.
[15.3] Stappenplan moeilijke woorden Als je regelmatig de krant of een boek leest en het nieuws volgt op radio, tv of internet, leer je vanzelf steeds meer nieuwe woorden. Wanneer je een moeilijk woord tegenkomt, kun je het opzoeken in een woordenboek. Vaak is dat niet nodig. Gebruik bij woorden die je niet begrijpt dit stappenplan:
Stap 4 Zoek de betekenis op in een woordenboek. Hebben de vorige drie stappen je niet geholpen? Dan kun je de betekenis aan iemand vragen of opzoeken in een woordenboek.
Stappenplan moeilijke woorden
36
Theorie — 12 Fictie
Spanning in verhalen [12.2.1] Spanning Als je een verhaal leest, wil je graag dat het spannend is. Een schrijver kan op verschillende manieren zorgen voor meer spanning in een verhaal: 1 De hoofdpersoon is in gevaar. Je wilt graag weten hoe het verdergaat, dus lees of kijk je verder. 2 Het verhaal speelt zich af op een gevaarlijke plek, bijvoorbeeld in een dichtbegroeid bos, in een leegstaand gebouw of in een donkere trein. 3 Er is een raadsel of een geheim. Je bent benieuwd naar de oplossing, dus lees of kijk je verder. 4 Je komt er bijna achter hoe iets zit, maar dan is er eerst uitstel: de schrijver laat je wachten voordat je ontdekt hoe het afloopt. Alles wat je benieuwd maakt naar het vervolg of de afloop van een verhaal is spanning. Spanning zorgt ervoor dat je verder wilt lezen. Een schrijver kan verschillende technieken gebruiken om spanning op te bouwen. 1 Technieken die vooral te maken hebben met de gebeurtenissen in het verhaal: • De hoofdpersoon bevindt zich in een bedreigende situatie of in een gevaarlijke omgeving. Je kunt hierbij denken aan de gebeurtenissen, maar de spanning kan ook ontstaan in de relaties tussen personages. • Het verhaal krijgt een onverwachte wending: er gebeurt plotseling iets wat je niet had verwacht. • Een hoofdstuk eindigt met een cliffhanger, een onderbreking van het verhaal op een beslissend moment. 2 Technieken die niet alleen te maken hebben met de gebeurtenissen, maar ook met de opbouw van het verhaal: • Het verhaal bevat open plekken. Dat zijn vragen die het verhaal bij je oproept, maar waar je nog niet meteen antwoord op krijgt. Je leest verder om te ontdekken hoe de open plekken worden ingevuld. • De schrijver wekt bepaalde vermoedens door aanwijzingen in het verhaal. Je moet verder lezen om erachter te komen of je vermoedens juist of onjuist zijn. • De ontknoping van het verhaal laat op zich wachten. Er is sprake van uitstel. • De lezer krijgt een informatievoorsprong . Hij weet iets wat de hoofdpersoon nog niet weet.
12.3 Poëzie/Gedichten [12.3.1] Gedichten Gedichten zijn anders dan verhalen. Kijk je naar de vorm, dan herken je een gedicht aan de volgende eigenschappen: • De regels zijn niet helemaal volgeschreven. Er is veel wit op de bladzijde. Een gedicht is verdeeld in versregels. • De regels staan vaak in groepjes bij elkaar. Een groepje regels noem je een strofe. • Soms wordt een strofe herhaald, vooral in liedteksten. Een herhaalde strofe heet refrein, de andere strofen zijn de coupletten. Kijk je naar de inhoud en de klank, dan herken je een gedicht aan de volgende eigenschappen: • Een gedicht gaat vaak over één gebeurtenis, moment of gevoel. • In een gedicht komt soms rijm voor. • Een gedicht heeft ritme. Je hoort dat goed als je het gedicht hardop leest. Ritme is de afwisseling tussen lettergrepen met en zonder klemtoon. • In gedichten komt vaak figuurlijke taal voor. Niet elk gedicht heeft al deze eigenschappen. Zo zijn er bijvoorbeeld gedichten die niet
Theorie — 12 Fictie
zijn verdeeld in strofen. Ook zijn er gedichten zonder rijm.
[12.3.2] Strofe Gedichten zijn opgebouwd uit versregels. Versregels komen niet altijd overeen met zinnen. Een zin in een gedicht kan korter of langer zijn dan een versregel. Veel moderne gedichten hebben geen of weinig interpunctie. Soms wordt een versregel afgebroken op een plaats in de zin waar normaal gesproken geen pauze valt. Al lezende merk je pas dat de zin doorloopt in de volgende versregel. Zo’n oversprong heet enjambement. Versregels zijn vaak verdeeld over strofen. In liedteksten herken je vaak meerdere coupletten, afgewisseld met een refrein. Het aantal regels bepaalt de naam van een strofe: • distichon - een strofe van twee versregels • terzet - een strofe van drie versregels • kwatrijn - een strofe van vier versregels Gedichten zonder een vaste strofebouw en een vast ritme zijn vrije verzen. Vaak ontbreekt hierbij ook het rijm.
[12.3.3] Rijm Woorden in een gedicht kunnen op verschillende manieren rijmen.Soms kiest een dichter ervoor de laatste woorden van de regels die na elkaar komen te laten rijmen. We noemen dit gepaard rijm. De rijmwoorden vormen een paar. Bij Noordwijk zwom een nat konijn te midden van een school tonijn. ‘Tja,’ sprak het beest, ‘dat tomt er van als men de ta niet zeggen tan.’ Kees Stip Een schrijver kan ook de laatste woorden van de regels om en om laten rijmen. Dit heet gekruist rijm. Mevrouw De Pauw wou graag een hond. Ze was zo vaak alleen. Toen kreeg mevrouw De Pauw een hond en dat was nummer een. Joke van Leeuwen, O zo heppiejer
[12.3.4] Rijmschema Een dichter kan op verschillende manieren woorden in een gedicht laten rijmen. Rijmende woorden die in dezelfde regel staan, noem je binnenrijm. Rijmende woorden aan het eind van regels noem je eindrijm. Als eindrijm een bepaald patroon heeft, noem je dat een rijmschema. • Gepaard rijm: er rijmen telkens twee regels op elkaar (a-a-b-b). • Gekruist rijm: de regels rijmen om en om op elkaar (a-b-a-b). • Omarmend rijm: regel 1 en 4 rijmen op elkaar, daartussen rijmen regel 2 en 3 op elkaar (a-b-b-a). • Slagrijm: -alle versregels rijmen (a-a-a-a). • Gebroken rijm: een rijmschema wordt gedeeltelijk gebruikt (bijvoorbeeld a-b-c-b). Komt hier het eerste woord te staan Dan loopt het rijm er achteraan en daarna komt er een ander woord waar ook meteen een rijm bij hoort. Ze kruisen zich niet echt, ze lopen in de rij. Toch wordt dat zo gezegd en niet alleen door mij. Twee zinnen en nog twee ertussen, 39
Theorie — 12 Fictie
Theorie — 12 Fictie
Spanning in verhalen [12.2.1] Spanning Als je een verhaal leest, wil je graag dat het spannend is. Een schrijver kan op verschillende manieren zorgen voor meer spanning in een verhaal: 1 De hoofdpersoon is in gevaar. Je wilt graag weten hoe het verdergaat, dus lees of kijk je verder. 2 Het verhaal speelt zich af op een gevaarlijke plek, bijvoorbeeld in een dichtbegroeid bos, in een leegstaand gebouw of in een donkere trein. 3 Er is een raadsel of een geheim. Je bent benieuwd naar de oplossing, dus lees of kijk je verder. 4 Je komt er bijna achter hoe iets zit, maar dan is er eerst uitstel: de schrijver laat je wachten voordat je ontdekt hoe het afloopt. Alles wat je benieuwd maakt naar het vervolg of de afloop van een verhaal is spanning. Spanning zorgt ervoor dat je verder wilt lezen. Een schrijver kan verschillende technieken gebruiken om spanning op te bouwen. 1 Technieken die vooral te maken hebben met de gebeurtenissen in het verhaal: • De hoofdpersoon bevindt zich in een bedreigende situatie of in een gevaarlijke omgeving. Je kunt hierbij denken aan de gebeurtenissen, maar de spanning kan ook ontstaan in de relaties tussen personages. • Het verhaal krijgt een onverwachte wending: er gebeurt plotseling iets wat je niet had verwacht. • Een hoofdstuk eindigt met een cliffhanger, een onderbreking van het verhaal op een beslissend moment. 2 Technieken die niet alleen te maken hebben met de gebeurtenissen, maar ook met de opbouw van het verhaal: • Het verhaal bevat open plekken. Dat zijn vragen die het verhaal bij je oproept, maar waar je nog niet meteen antwoord op krijgt. Je leest verder om te ontdekken hoe de open plekken worden ingevuld. • De schrijver wekt bepaalde vermoedens door aanwijzingen in het verhaal. Je moet verder lezen om erachter te komen of je vermoedens juist of onjuist zijn. • De ontknoping van het verhaal laat op zich wachten. Er is sprake van uitstel. • De lezer krijgt een informatievoorsprong . Hij weet iets wat de hoofdpersoon nog niet weet.
12.3 Poëzie/Gedichten [12.3.1]
Gedichten
Gedichten zijn anders dan verhalen. Kijk je naar de vorm, dan herken je een gedicht aan de volgende eigenschappen: • De regels zijn niet helemaal volgeschreven. Er is veel wit op de bladzijde. Een gedicht is verdeeld in versregels. • De regels staan vaak in groepjes bij elkaar. Een groepje regels noem je een strofe. • Soms wordt een strofe herhaald, vooral in liedteksten. Een herhaalde strofe heet refrein, de andere strofen zijn de coupletten. Kijk je naar de inhoud en de klank, dan herken je een gedicht aan de volgende eigenschappen: • Een gedicht gaat vaak over één gebeurtenis, moment of gevoel. • In een gedicht komt soms rijm voor. • Een gedicht heeft ritme. Je hoort dat goed als je het gedicht hardop leest. Ritme is de afwisseling tussen lettergrepen met en zonder klemtoon. • In gedichten komt vaak figuurlijke taal voor. Niet elk gedicht heeft al deze eigenschappen. Zo zijn er bijvoorbeeld gedichten die niet
38
zijn verdeeld in strofen. Ook zijn er gedichten zonder rijm.
[12.3.2] Strofe Gedichten zijn opgebouwd uit versregels. Versregels komen niet altijd overeen met zinnen. Een zin in een gedicht kan korter of langer zijn dan een versregel. Veel moderne gedichten hebben geen of weinig interpunctie. Soms wordt een versregel afgebroken op een plaats in de zin waar normaal gesproken geen pauze valt. Al lezende merk je pas dat de zin doorloopt in de volgende versregel. Zo’n oversprong heet enjambement. Versregels zijn vaak verdeeld over strofen. In liedteksten herken je vaak meerdere coupletten, afgewisseld met een refrein. Het aantal regels bepaalt de naam van een strofe: • distichon - een strofe van twee versregels • terzet - een strofe van drie versregels • kwatrijn - een strofe van vier versregels Gedichten zonder een vaste strofebouw en een vast ritme zijn vrije verzen. Vaak ontbreekt hierbij ook het rijm.
[12.3.3] Rijm Woorden in een gedicht kunnen op verschillende manieren rijmen.Soms kiest een dichter ervoor de laatste woorden van de regels die na elkaar komen te laten rijmen. We noemen dit gepaard rijm. De rijmwoorden vormen een paar. Bij Noordwijk zwom een nat konijn te midden van een school tonijn. ‘Tja,’ sprak het beest, ‘dat tomt er van als men de ta niet zeggen tan.’ Kees Stip Een schrijver kan ook de laatste woorden van de regels om en om laten rijmen. Dit heet gekruist rijm. Mevrouw De Pauw wou graag een hond. Ze was zo vaak alleen. Toen kreeg mevrouw De Pauw een hond en dat was nummer een. Joke van Leeuwen, O zo heppiejer
[12.3.4] Rijmschema Een dichter kan op verschillende manieren woorden in een gedicht laten rijmen. Rijmende woorden die in dezelfde regel staan, noem je binnenrijm. Rijmende woorden aan het eind van regels noem je eindrijm. Als eindrijm een bepaald patroon heeft, noem je dat een rijmschema. • Gepaard rijm: er rijmen telkens twee regels op elkaar (a-a-b-b). • Gekruist rijm: de regels rijmen om en om op elkaar (a-b-a-b). • Omarmend rijm: regel 1 en 4 rijmen op elkaar, daartussen rijmen regel 2 en 3 op elkaar (a-b-b-a). • Slagrijm: -alle versregels rijmen (a-a-a-a). • Gebroken rijm: een rijmschema wordt gedeeltelijk gebruikt (bijvoorbeeld a-b-c-b). Komt hier het eerste woord te staan Dan loopt het rijm er achteraan en daarna komt er een ander woord waar ook meteen een rijm bij hoort. Ze kruisen zich niet echt, ze lopen in de rij. Toch wordt dat zo gezegd en niet alleen door mij. Twee zinnen en nog twee ertussen,
Theorie — 12 Fictie
Theorie — 12 Fictie
zin twee en drie die zich hier warmen aan één en vier die hen omarmen. Alleen omarmen, hoor, niet kussen. Uit: Joke van Leeuwen, Waarom een buitenboordmotor eenzaam is
12.4 Verhalen schrijven [12.4.1] Een verhaal beginnen Vroeger begonnen verhalen vaak met een inleiding. De brief voor de koning, het beroemde boek van Tonke Dragt uit 1962, begint zo:
[12.3.5] Soorten rijm Je spreekt van volrijm als de beklemtoonde klinker en de erop volgende klanken van de rijmwoorden hetzelfde zijn. Bij halfrijm rijmen alleen de klinkers of de medeklinkers. Er zijn twee vormen van halfrijm: • Assonantie: alleen de klinkers rijmen. • Alliteratie: de beginmedeklinkers van woorden zijn hetzelfde.
Inleiding De ridders van koning Dagonaut Dit is een verhaal van lang geleden, toen er nog ridders waren. Het speelt zich af in twee koninkrijken: het land van koning Dagonaut ten oosten van het Grote Gebergte en het land van koning Unauwen ten westen van het Grote Gebergte.
loemoem lammoem laroem lakoem bergamotse pergolas boestroem bastroem bestroem bostroem arboesti arboesas Uit: H.N. Werkman, Klankdicht. In: Kees Fens (ed.), Nou hoor je het eens van een ander, Gedichten voor de Hubbeltjes en andere kinderen. Amsterdam: Querido, 1982) Het rijmschema in deze versregels is gepaard (a-b-a-b). In versregel 1 komt zowel volrijm (vier woorden eindigen op oem) als alliteratie (vier woorden beginnen met een l) voor. In versregel 2 komt assonantie voor (ber - per) In het volgende gedicht is aan het eind van de regels klinkerrijm gebruikt. Midden in de regels komt medeklinkerrijm, volrijm en halfrijm voor. Het geheim van de dichter is niet zo groot. Hij verstopt het gewoon waar hij wil. Het vliegt als een vogel of vaart als een boot maar houdt zich verschrikkelijk stil. Uit: Johanna Kruit, Het geheim van de dichter mag niemand zien. In: Lees maar lang en wees gelukkig, De 500 mooiste, beste fijnste gedichten & beelden van Plint. Eindhoven: Plint, 2013. Tot slot een voorbeeld van halfrijm (assonantie): Ze zijn er als ik wakker word, de platte, zwarte mannen. Uit: Bies van Ede, Schaduw op de muur. In: Gerrit Komrij (ed.), De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Amsterdam: Prometheus, 2007.
[12.3.6] Verbanden tussen strofen Bijzonder taalgebruik en tekstverbanden komen ook voor in gedichten. Zo kunnen regels of strofen op een bepaalde manier met elkaar verbonden zijn. Opsomming: regels of strofen zijn onderdeel van een opsomming. Tegenstelling: de inhoud van regels of strofen staat tegenover elkaar, bijvoorbeeld een strofe over de dag en een strofe over de nacht. Stijlfiguur
Uitleg
Opsomming
Regels of strofen zijn onderdeel van een opsomming.
Tegenstelling
De inhoud van regels of strofen staat tegenover elkaar, bijvoorbeeld een strofe over de dag en een strofe over de nacht.
Tonke Dragt, De brief voor de koning
Door zo’n inleiding weet je alvast het een en ander voordat het verhaal echt begint. Dat kan handig zijn, maar het kan je ook ongeduldig maken. Tegenwoordig beginnen verhalen vaak anders: als lezer ‘plof’ je meteen midden in het verhaal. Zonder uitleg begint het verhaal gewoon. Het lijkt alsof je meteen in het verhaal ‘gezogen’ wordt. In de eerste zinnen krijg je een klein beetje informatie, bijvoorbeeld over wie er aan het woord is, waar de personen zijn of wat er aan de hand is. Maar lang niet alles wordt uitgelegd. Als je verder leest, kom je vanzelf te weten hoe het zit doordat tussendoor telkens meer informatie wordt gegeven. Wat de eerste zinnen vaak wel doen, is een vraag oproepen bij jou als lezer. Je wordt meteen benieuwd naar het antwoord op die vraag en daarom wil je verder lezen. De wolven kwamen uit de richting van Oostburg. Daar hadden ze gedronken uit de kapotgeschoten put op de markt en nu hadden ze honger. Rob Ruggenberg, Piratenzoon
Jona’s longen stonden in brand. Er leek geen einde te komen aan de trappen. Ze sloeg dubbel en hapte naar adem. Marloes Morshuis, De schaduwen van Radovar
Ties en ik zitten naast elkaar in een duinpan. Voor ons slaan de golven op het strand. ‘Ooit ben ik hier weg.’ Maren Stoffels, Race
Duitsers! Ward remt. Een rood-wit hek staat dwars over de Zutphensestraat. Vier soldaten. Twee overvalwagens. Jan Heerze, Gevaarlijk geheim
De storm blies dichte sneeuwvlagen over de weg en alles kolkte en dwarrelde door elkaar. Het waaide zo hard dat het busje trilde. Ik was bang dat we gingen kapseizen. Marjolijn Hof, De regels van drie
41
Theorie — 12 Fictie
Theorie — 12 Fictie
zin twee en drie die zich hier warmen aan één en vier die hen omarmen. Alleen omarmen, hoor, niet kussen. Uit: Joke van Leeuwen, Waarom een buitenboordmotor eenzaam is
12.4 Verhalen schrijven [12.4.1] Een verhaal beginnen Vroeger begonnen verhalen vaak met een inleiding. De brief voor de koning, het beroemde boek van Tonke Dragt uit 1962, begint zo:
[12.3.5] Soorten rijm Je spreekt van volrijm als de beklemtoonde klinker en de erop volgende klanken van de rijmwoorden hetzelfde zijn. Bij halfrijm rijmen alleen de klinkers of de medeklinkers. Er zijn twee vormen van halfrijm: • Assonantie: alleen de klinkers rijmen. • Alliteratie: de beginmedeklinkers van woorden zijn hetzelfde.
Inleiding De ridders van koning Dagonaut Dit is een verhaal van lang geleden, toen er nog ridders waren. Het speelt zich af in twee koninkrijken: het land van koning Dagonaut ten oosten van het Grote Gebergte en het land van koning Unauwen ten westen van het Grote Gebergte.
loemoem lammoem laroem lakoem bergamotse pergolas boestroem bastroem bestroem bostroem arboesti arboesas Uit: H.N. Werkman, Klankdicht. In: Kees Fens (ed.), Nou hoor je het eens van een ander, Gedichten voor de Hubbeltjes en andere kinderen. Amsterdam: Querido, 1982) Het rijmschema in deze versregels is gepaard (a-b-a-b). In versregel 1 komt zowel volrijm (vier woorden eindigen op oem) als alliteratie (vier woorden beginnen met een l) voor. In versregel 2 komt assonantie voor (ber - per) In het volgende gedicht is aan het eind van de regels klinkerrijm gebruikt. Midden in de regels komt medeklinkerrijm, volrijm en halfrijm voor. Het geheim van de dichter is niet zo groot. Hij verstopt het gewoon waar hij wil. Het vliegt als een vogel of vaart als een boot maar houdt zich verschrikkelijk stil. Uit: Johanna Kruit, Het geheim van de dichter mag niemand zien. In: Lees maar lang en wees gelukkig, De 500 mooiste, beste fijnste gedichten & beelden van Plint. Eindhoven: Plint, 2013. Tot slot een voorbeeld van halfrijm (assonantie): Ze zijn er als ik wakker word, de platte, zwarte mannen. Uit: Bies van Ede, Schaduw op de muur. In: Gerrit Komrij (ed.), De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Amsterdam: Prometheus, 2007.
[12.3.6] Verbanden tussen strofen Bijzonder taalgebruik en tekstverbanden komen ook voor in gedichten. Zo kunnen regels of strofen op een bepaalde manier met elkaar verbonden zijn. Opsomming: regels of strofen zijn onderdeel van een opsomming. Tegenstelling: de inhoud van regels of strofen staat tegenover elkaar, bijvoorbeeld een strofe over de dag en een strofe over de nacht. Stijlfiguur
Uitleg
Opsomming
Regels of strofen zijn onderdeel van een opsomming.
Tegenstelling
De inhoud van regels of strofen staat tegenover elkaar, bijvoorbeeld een strofe over de dag en een strofe over de nacht.
Tonke Dragt, De brief voor de koning
Door zo’n inleiding weet je alvast het een en ander voordat het verhaal echt begint. Dat kan handig zijn, maar het kan je ook ongeduldig maken. Tegenwoordig beginnen verhalen vaak anders: als lezer ‘plof’ je meteen midden in het verhaal. Zonder uitleg begint het verhaal gewoon. Het lijkt alsof je meteen in het verhaal ‘gezogen’ wordt. In de eerste zinnen krijg je een klein beetje informatie, bijvoorbeeld over wie er aan het woord is, waar de personen zijn of wat er aan de hand is. Maar lang niet alles wordt uitgelegd. Als je verder leest, kom je vanzelf te weten hoe het zit doordat tussendoor telkens meer informatie wordt gegeven. Wat de eerste zinnen vaak wel doen, is een vraag oproepen bij jou als lezer. Je wordt meteen benieuwd naar het antwoord op die vraag en daarom wil je verder lezen. De wolven kwamen uit de richting van Oostburg. Daar hadden ze gedronken uit de kapotgeschoten put op de markt en nu hadden ze honger. Rob Ruggenberg, Piratenzoon
Jona’s longen stonden in brand. Er leek geen einde te komen aan de trappen. Ze sloeg dubbel en hapte naar adem. Marloes Morshuis, De schaduwen van Radovar
Ties en ik zitten naast elkaar in een duinpan. Voor ons slaan de golven op het strand. ‘Ooit ben ik hier weg.’ Maren Stoffels, Race
Duitsers! Ward remt. Een rood-wit hek staat dwars over de Zutphensestraat. Vier soldaten. Twee overvalwagens. Jan Heerze, Gevaarlijk geheim
De storm blies dichte sneeuwvlagen over de weg en alles kolkte en dwarrelde door elkaar. Het waaide zo hard dat het busje trilde. Ik was bang dat we gingen kapseizen. Marjolijn Hof, De regels van drie
40
Theorie — 12 Fictie
Schrijf je zelf een verhaal, begin dan niet met een saaie inleiding en leg niet te veel uit. Bedenk een zin • waarin je een beetje informatie geeft over de personen, de plaats of de situatie • en die een vraag oproept. De lezer vraagt zich af: • Hoe gaat dit verder? • Wat is er precies aan de hand? • Hoe is dit zo gekomen? Laat het antwoord op de vragen van de lezer beetje bij beetje duidelijk worden door tussendoor telkens wat meer informatie te geven. Begin dus niet zo: Rob was een jongen van veertien jaar met blond haar en blauwe ogen. Rob had vaak ruzie met zijn vader, omdat hij een bijbaantje wilde. Maar zijn vader was bang dat Rob dan niet genoeg tijd meer zou hebben voor school. Maar zo: ‘Je begrijpt het gewoon niet!’ snauwde Rob. ‘Ik heb geld nodig!’ Zijn vader haalde zijn schouders op. ‘Dat zal best. Maar school is belangrijker dan dat baantje. Dus vergeet het maar.’ Met deze zinnen laat je zonder uitleg zien: • dat het verhaal gaat over Rob en zijn vader; • dat ze een vervelend gesprek hebben (Rob snauwt, vader haalt zijn schouders op); • dat de ruzie over geld gaat. De lezer vraagt zich af: • Waarom heeft Rob geld nodig? • Zal Rob uiteindelijk toch zijn zin krijgen? • Hoe zit het tussen Rob en zijn vader? Hebben ze vaker ruzie?
[12.4.2] Werkwoordstijden in verhalen Schrijf je een verhaal, dan kun je kiezen uit de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. De werkwoordstijd die je gebruikt, heeft invloed op het verhaal. Een verhaal in de tegenwoordige tijd komt voor de lezer wat dichterbij. Het is net of de lezer het zelf op dit moment meemaakt. Een verhaal in de verleden tijd heeft iets meer afstand. De ene werkwoordstijd is niet beter dan de andere. Je schrijft een stukje van je verhaal in de tegenwoordige tijd. Daarna schrijf je hetzelfde stukje nog een keer, maar dan in de verleden tijd. Kies dan wat het beste bij jouw verhaal past. Let wel op dat je niet halverwege het verhaal opeens overgaat in de andere tijd. Een uur later stond de tent. Terwijl Hans erop los timmerde om de haringen de grond in te slaan, sleepte mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakte alles uit. Wat moest ik doen? Ik verveelde me nu al. Er is op deze camping helemaal niets te doen. Er is geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kunt staan en daarachter een eindeloos bos. Ik slenter tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? Je kunt wel van tijd wisselen als je de hoofdpersoon laat terugdenken aan iets wat al eerder gebeurd is. Je noemt dit een terugblik. Gebruik je de tegenwoordige tijd in je verhaal, gebruik dan in de terugblik de verleden tijd. Een uur later staat de tent. Terwijl Hans erop los timmert om de haringen de grond in te slaan, sleept mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakt alles uit. Wat moet ik doen? Ik verveel me nu al. Er is op deze camping helemaal niets te doen. Er is geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kunt staan en daarachter een eindeloos bos.
Theorie — 12 Fictie
Ik slenter tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? ‘We gaan samen leuke dingen doen’, zei mama vanmorgen. Met een brede lach haalde ze bij een picknickbank haar zelfgebakken appeltaart uit de koeltas. Achter mijn rug raasden de auto’s over de snelweg. ‘Ik hoef geen taart’, zei ik. ‘Het komt wel goed’, zei Hans. Hij waagde het ook nog zijn hand op mijn schouder te leggen. Ik schudde hem af, stond op en propte mezelf weer op de achterbank van de auto. Ik ga linksaf, in de richting van het kleine dorpje. Misschien is daar iets te beleven. Iets zonder mijn moeder en zeker zonder die Hans van haar. Gebruik je de verleden tijd in je verhaal, schrijf dan de eerste zinnen van een terugblik in de voltooid verleden tijd. Na de eerste zinnen kun je weer overgaan naar de verleden tijd. Met de inhoud van de zinnen laat je zien waar je teruggaat naar het ‘nu’, dus waar de terugblik stopt. Een uur later stond de tent. Terwijl Hans erop los timmerde om de haringen de grond in te slaan, sleepte mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakte alles uit. Wat moest ik doen? Ik verveelde me nu al. Er was op deze camping helemaal niets te doen. Er was geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kon staan en daarachter een eindeloos bos. Ik slenterde tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? ‘We gaan samen leuke dingen doen’, had mama vanmorgen gezegd. Met een brede lach had ze bij een picknickbank haar zelfgebakken appeltaart uit de koeltas gehaald. Achter mijn rug raasden de auto’s over de snelweg. ‘Ik hoef geen taart’, zei ik. ‘Het komt wel goed’, zei Hans. Hij waagde het ook nog zijn hand op mijn schouder te leggen. Ik schudde hem af, stond op en propte mezelf weer op de achterbank van de auto. Ik ging linksaf, in de richting van het kleine dorpje. Misschien was daar iets te beleven. Iets zonder mijn moeder en zeker zonder die Hans van haar.
[12.4.3] Schrijven vanuit één persoon In een verhaal kijk je als lezer bijna altijd mee vanuit een van de personen. Dit noem je het vertelperspectief. Het lijkt alsof je in het hoofd van die persoon zit. Je weet wat die persoon 'van binnen' denkt en voelt. Van de andere personen weet je dat alleen ‘van buitenaf’, dus alleen als de gedachten worden uitgesproken of als de gevoelens duidelijk worden gemaakt door woorden of door lichaamstaal. In veel verhalen blijf je als lezer de hele tijd kijken vanuit dezelfde persoon. Er zijn ook verhalen waarin je afwisselend kijkt vanuit verschillende personen. Er is dan meestal afwisseling per hoofdstuk. Een fout die veel beginnende schrijvers maken, is dat het verhaal ongemerkt ‘verspringt’ van de ene naar de andere persoon. Janita verschoof de twee glazen op het aanrecht een stukje naar links. En daarna weer een stukje naar rechts. Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken dat ze al tijden op hem zat te wachten als alles al klaar stond? Ze controleerde voor de vierde keer of er een volle fles cola in de koelkast stond. De bel. Ze schrok toch nog, veegde haar zweterige handen nog even vlug af aan haar broek en liep naar de voordeur. ‘Hey, daar ben ik dan!’ zei Tycho. Hij keek haar aan vanonder de lok die over zijn voorhoofd viel. Ze ziet er goed uit. Had ze zich speciaal voor hem zo mooi opgemaakt? 43
Theorie — 12 Fictie
Schrijf je zelf een verhaal, begin dan niet met een saaie inleiding en leg niet te veel uit. Bedenk een zin • waarin je een beetje informatie geeft over de personen, de plaats of de situatie • en die een vraag oproept. De lezer vraagt zich af: • Hoe gaat dit verder? • Wat is er precies aan de hand? • Hoe is dit zo gekomen? Laat het antwoord op de vragen van de lezer beetje bij beetje duidelijk worden door tussendoor telkens wat meer informatie te geven. Begin dus niet zo: Rob was een jongen van veertien jaar met blond haar en blauwe ogen. Rob had vaak ruzie met zijn vader, omdat hij een bijbaantje wilde. Maar zijn vader was bang dat Rob dan niet genoeg tijd meer zou hebben voor school. Maar zo: ‘Je begrijpt het gewoon niet!’ snauwde Rob. ‘Ik heb geld nodig!’ Zijn vader haalde zijn schouders op. ‘Dat zal best. Maar school is belangrijker dan dat baantje. Dus vergeet het maar.’ Met deze zinnen laat je zonder uitleg zien: • dat het verhaal gaat over Rob en zijn vader; • dat ze een vervelend gesprek hebben (Rob snauwt, vader haalt zijn schouders op); • dat de ruzie over geld gaat. De lezer vraagt zich af: • Waarom heeft Rob geld nodig? • Zal Rob uiteindelijk toch zijn zin krijgen? • Hoe zit het tussen Rob en zijn vader? Hebben ze vaker ruzie?
[12.4.2] Werkwoordstijden in verhalen Schrijf je een verhaal, dan kun je kiezen uit de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. De werkwoordstijd die je gebruikt, heeft invloed op het verhaal. Een verhaal in de tegenwoordige tijd komt voor de lezer wat dichterbij. Het is net of de lezer het zelf op dit moment meemaakt. Een verhaal in de verleden tijd heeft iets meer afstand. De ene werkwoordstijd is niet beter dan de andere. Je schrijft een stukje van je verhaal in de tegenwoordige tijd. Daarna schrijf je hetzelfde stukje nog een keer, maar dan in de verleden tijd. Kies dan wat het beste bij jouw verhaal past. Let wel op dat je niet halverwege het verhaal opeens overgaat in de andere tijd. Een uur later stond de tent. Terwijl Hans erop los timmerde om de haringen de grond in te slaan, sleepte mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakte alles uit. Wat moest ik doen? Ik verveelde me nu al. Er is op deze camping helemaal niets te doen. Er is geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kunt staan en daarachter een eindeloos bos. Ik slenter tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? Je kunt wel van tijd wisselen als je de hoofdpersoon laat terugdenken aan iets wat al eerder gebeurd is. Je noemt dit een terugblik. Gebruik je de tegenwoordige tijd in je verhaal, gebruik dan in de terugblik de verleden tijd. Een uur later staat de tent. Terwijl Hans erop los timmert om de haringen de grond in te slaan, sleept mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakt alles uit. Wat moet ik doen? Ik verveel me nu al. Er is op deze camping helemaal niets te doen. Er is geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kunt staan en daarachter een eindeloos bos.
42
Theorie — 12 Fictie
Ik slenter tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? ‘We gaan samen leuke dingen doen’, zei mama vanmorgen. Met een brede lach haalde ze bij een picknickbank haar zelfgebakken appeltaart uit de koeltas. Achter mijn rug raasden de auto’s over de snelweg. ‘Ik hoef geen taart’, zei ik. ‘Het komt wel goed’, zei Hans. Hij waagde het ook nog zijn hand op mijn schouder te leggen. Ik schudde hem af, stond op en propte mezelf weer op de achterbank van de auto. Ik ga linksaf, in de richting van het kleine dorpje. Misschien is daar iets te beleven. Iets zonder mijn moeder en zeker zonder die Hans van haar. Gebruik je de verleden tijd in je verhaal, schrijf dan de eerste zinnen van een terugblik in de voltooid verleden tijd. Na de eerste zinnen kun je weer overgaan naar de verleden tijd. Met de inhoud van de zinnen laat je zien waar je teruggaat naar het ‘nu’, dus waar de terugblik stopt. Een uur later stond de tent. Terwijl Hans erop los timmerde om de haringen de grond in te slaan, sleepte mijn moeder de tassen en kratten naar binnen en pakte alles uit. Wat moest ik doen? Ik verveelde me nu al. Er was op deze camping helemaal niets te doen. Er was geen strand, geen disco en zelfs geen tafeltennistafel. Alleen maar een half droogstaand riviertje waar je nog niet eens tot je knieën in het water kon staan en daarachter een eindeloos bos. Ik slenterde tussen de caravans door naar de weg. Linksaf of rechtsaf? ‘We gaan samen leuke dingen doen’, had mama vanmorgen gezegd. Met een brede lach had ze bij een picknickbank haar zelfgebakken appeltaart uit de koeltas gehaald. Achter mijn rug raasden de auto’s over de snelweg. ‘Ik hoef geen taart’, zei ik. ‘Het komt wel goed’, zei Hans. Hij waagde het ook nog zijn hand op mijn schouder te leggen. Ik schudde hem af, stond op en propte mezelf weer op de achterbank van de auto. Ik ging linksaf, in de richting van het kleine dorpje. Misschien was daar iets te beleven. Iets zonder mijn moeder en zeker zonder die Hans van haar.
[12.4.3] Schrijven vanuit één persoon In een verhaal kijk je als lezer bijna altijd mee vanuit een van de personen. Dit noem je het vertelperspectief. Het lijkt alsof je in het hoofd van die persoon zit. Je weet wat die persoon 'van binnen' denkt en voelt. Van de andere personen weet je dat alleen ‘van buitenaf’, dus alleen als de gedachten worden uitgesproken of als de gevoelens duidelijk worden gemaakt door woorden of door lichaamstaal. In veel verhalen blijf je als lezer de hele tijd kijken vanuit dezelfde persoon. Er zijn ook verhalen waarin je afwisselend kijkt vanuit verschillende personen. Er is dan meestal afwisseling per hoofdstuk. Een fout die veel beginnende schrijvers maken, is dat het verhaal ongemerkt ‘verspringt’ van de ene naar de andere persoon. Janita verschoof de twee glazen op het aanrecht een stukje naar links. En daarna weer een stukje naar rechts. Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken dat ze al tijden op hem zat te wachten als alles al klaar stond? Ze controleerde voor de vierde keer of er een volle fles cola in de koelkast stond. De bel. Ze schrok toch nog, veegde haar zweterige handen nog even vlug af aan haar broek en liep naar de voordeur. ‘Hey, daar ben ik dan!’ zei Tycho. Hij keek haar aan vanonder de lok die over zijn voorhoofd viel. Ze ziet er goed uit. Had ze zich speciaal voor hem zo mooi opgemaakt?
Theorie — 12 Fictie
Even trok er een kramp door zijn buik. Hij stapte naar binnen en liet zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg Janita. Ze schudde haar lange haar van haar rechter schouder naar de linker en liep voor Tycho uit naar de keuken. ‘Is cola goed? Of wil je thee? Ik kan ook thee zetten, hoor.’ ‘Cola is goed, lekker.’ Tycho keek om zich heen. Hij knikte naar de grote tafel die tegen het kookeiland stond. ‘Gaan we hier zitten?’ Hij wilde niet naar haar kamer, ze moest hier niet meer achter zoeken. Hij wilde alleen maar samen die moeilijke Engelse songtekst vertalen. Janita slikte. ‘Ja, prima hoor.’ * Ze wilde hem zo graag haar kamer laten zien, ze wilde dat hij op haar bed zou zitten. En zij naast hem, tegen hem aan. Ze had niet voor niets haar hele verzameling kussens zo neergelegd dat er nog maar een kleine ruimte was overgebleven om te zitten. Ze pakte de cola uit de koelkast en vulde de glazen. Ze zag nu pas dat die vol stonden met haar zweterige vingerafdrukken. In het voorbeeld kijk je eerst vanuit Janita. Je leest haar gedachten: ‘Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken…’ En je leest haar gevoelens: ‘Ze schrok toch nog…’ Maar even later lees je ook de gedachten van Tycho: ‘Ze ziet er goed uit. Had ze zich speciaal voor hem zo mooi opgemaakt?’ En je leest zijn gevoelens: ‘Even trok er een kramp door zijn buik.’ Het vertelperspectief verspringt hier van Janita naar Tycho. Blijft het verhaal bij Janita, dan zou het er zo uitzien: Janita verschoof de twee glazen op het aanrecht een stukje naar links. En daarna weer een stukje naar rechts. Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken dat ze al tijden op hem zat te wachten als alles al klaar stond? Ze controleerde voor de vierde keer of er een volle fles cola in de koelkast stond. De bel. Ze schrok toch nog, veegde haar zweterige handen nog even vlug af aan haar broek en liep naar de voordeur. ‘Hey, daar ben ik dan!’ zei Tycho. Hij keek haar aan vanonder de lok die over zijn voorhoofd viel. Hij legde even zijn hand op zijn buik. Toen stapte hij naar binnen en liet zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg Janita. Ze schudde haar lange haar van haar rechter schouder naar de linker en liep voor Tycho uit naar de keuken. ‘Is cola goed? Of wil je thee? Ik kan ook thee zetten, hoor.’ ‘Cola is goed, lekker.’ Tycho keek om zich heen. Hij knikte naar de grote tafel die tegen het kookeiland stond. ‘Gaan we hier zitten?’ Janita slikte. ‘Ja, prima hoor.’ Ze wilde hem zo graag haar kamer laten zien, ze wilde dat hij op haar bed zou zitten. En zij naast hem, tegen hem aan. Ze had niet voor niets haar hele verzameling kussens zo neergelegd dat er nog maar een kleine ruimte was overgebleven om te zitten. Ze pakte de cola uit de koelkast en vulde de glazen. Ze zag nu pas dat die vol stonden met haar zweterige vingerafdrukken. In het eerste voorbeeld, waarin je ook leest over de gedachten en gevoelens van Tycho, weet je als lezer meteen dat Tycho iets anders wil dan Janita. In het tweede voorbeeld ziet Janita wel de lichaamstaal van Tycho: hij legt even zijn hand op zijn buik. Maar waarom hij dat doet, wat hij daarbij voelt of denkt, dat weet ze niet. Jij als lezer weet het dus ook niet. Je krijgt wel een beetje een vermoeden dat er iets aan de hand is, maar je weet nog niet welke kant het op gaat. Tycho kijkt vanonder zijn lok naar Janita. Misschien is hij verlegen? Of is het juist een verleidelijke blik? En hij legt zijn hand even op zijn buik. Is hij zenuwachtig? Is dat omdat hij verliefd is op Janita en het spannend vindt om bij haar thuis te komen? Of is dat omdat hij denkt dat zij verliefd is en iets van hem verwacht terwijl hij niet verliefd is op haar? Als lezer heb je in deze versie van het verhaal meer vragen en vermoedens en mag je meer zelf nadenken. Dit zorgt voor meer spanning in het verhaal.
Theorie — 12 Fictie
[12.4.4] Niet uitleggen, maar laten zien Als je een verhaal leest, is het fijn als je zelf dingen mag bedenken en invullen. Niet alles hoeft te worden uitgelegd. Het verhaal laat dingen zien en je mag zelf bedenken wat ze betekenen. Schrijf je een verhaal, probeer dan niet te veel uit te leggen. Zeg niet wat er aan de hand is, of hoe een persoon zich voelt of welke karaktereigenschappen iemand heeft, maar laat het zien door details te beschrijven. Denk bijvoorbeeld aan de lichaamstaal van de personen, aaan kleine dingen die ze doen of hoe hun omgeving eruitziet. Tycho smeet zijn tas onder zijn bureau en liet zich achterover op zijn bed vallen. Hij liet het scherm van zijn mobiel oplichten en opende WhatsApp. Zijn handen zakten naar beneden. Het scherm doofde. Opnieuw opende hij de app, zocht Janita’s naam en begon te tikken. Sorry, ik wilde niet Wat wilde hij niet? Hij kwakte de telefoon op het nachtkastje, de kom die er nog stond van zijn ontbijt kieperde op de grond. Tycho draaide zich naar de muur en verborg zijn gezicht in zijn handen. Janita deed rustig de voordeur dicht en telde in gedachten tot tien. Toen wapperde ze met haar handen, rende naar de keuken en danste een rondje om het kookeiland en de tafel. Ze rukte de stoelen een voor een van hun plaats en sprong boven op de laatste stoel. ‘Jeeeeh!’ gilde ze. Tycho stapte Janita’s kamer binnen. Zijn eigen kamer paste wel twee keer in deze lichte ruimte. Een houten vloer met een dik wit kleed in het midden. Links een grote kledingkast. In het midden, onder een breed raam, een bureau met een witte draaistoel. Haar schoolboeken stonden er in een rij, met kleurig kaftpapier, van groot naar klein. Rechts stond haar bed. Ze had er een soort nest van gemaakt, bijna helemaal vol met kussens die pasten bij het blauw van de gordijnen en het groen van het dekbed. Janita stapte Tycho’s kamer binnen. Ze zoog haar adem naar binnen. Ze kon nauwelijks zien waar zijn bed ophield en waar zijn bureau begon. Elk oppervlak was bedekt onder een laag snoeren, kabels, knoppen, tangen, schroevendraaiers, boeken, papieren, boxen en beeldschermen. ‘Je hebt tegen me gelogen!’ Janita balde haar vuisten. ‘Overdrijf niet zo,’ zuchtte Tycho. Leg je te veel uit, dan zou dat ongeveer zo klinken: Tycho smeet zijn tas onder zijn bureau en liet zich kwaad achterover op zijn bed vallen. Hoe had hij zo stom kunnen zijn om Janita te zoenen? Hij had er meteen al spijt van. En hij had het nog veel erger gemaakt door dat niet meteen te zeggen. Hij liet het scherm van zijn mobiel oplichten. Janita deed rustig de voordeur dicht en telde in gedachten tot tien. Toen hield ze het niet meer en liet haar blijdschap eruit knallen. ‘Jeeeeh!’ gilde ze terwijl ze vrolijk rondjes danste door de keuken. Ze had zich nog nooit eerder zo happy gevoeld. Tycho stapte Janita’s kamer binnen. Wat was haar kamer groot! En wat was alles licht en netjes. Onder het grote raam stond een mooi bureau met een witte draaistoel. Ze had haar schoolboeken keurig in een rij gezet, van groot naar klein. En van haar bed had ze met kleurige kussens een gezellig nest gemaakt. Janita stapte Tycho’s kamer binnen. Ze schrok. Wat een ongelofelijke bende was het hier! ‘Je hebt tegen me gelogen!’ riep Janita kwaad. Tycho zuchtte geërgerd. ‘Overdrijf niet zo.’
[12.4.5] De omgeving en de tijd beschrijven De lezer van een verhaal moet weten waar het zich afspeelt en in welke tijd. Dat helpt om het verhaal te kunnen begrijpen. Schrijf je een verhaal, vertel dan ook iets over de plaats en de tijd. De beschrijvingen hoeven niet lang te zijn, want dat maakt het verhaal te langdradig. Kies een paar dingen waardoor de lezer voor zich kan zien hoe de omgeving eruitziet.
45
Theorie — 12 Fictie
Even trok er een kramp door zijn buik. Hij stapte naar binnen en liet zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg Janita. Ze schudde haar lange haar van haar rechter schouder naar de linker en liep voor Tycho uit naar de keuken. ‘Is cola goed? Of wil je thee? Ik kan ook thee zetten, hoor.’ ‘Cola is goed, lekker.’ Tycho keek om zich heen. Hij knikte naar de grote tafel die tegen het kookeiland stond. ‘Gaan we hier zitten?’ Hij wilde niet naar haar kamer, ze moest hier niet meer achter zoeken. Hij wilde alleen maar samen die moeilijke Engelse songtekst vertalen. Janita slikte. ‘Ja, prima hoor.’ * Ze wilde hem zo graag haar kamer laten zien, ze wilde dat hij op haar bed zou zitten. En zij naast hem, tegen hem aan. Ze had niet voor niets haar hele verzameling kussens zo neergelegd dat er nog maar een kleine ruimte was overgebleven om te zitten. Ze pakte de cola uit de koelkast en vulde de glazen. Ze zag nu pas dat die vol stonden met haar zweterige vingerafdrukken. In het voorbeeld kijk je eerst vanuit Janita. Je leest haar gedachten: ‘Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken…’ En je leest haar gevoelens: ‘Ze schrok toch nog…’ Maar even later lees je ook de gedachten van Tycho: ‘Ze ziet er goed uit. Had ze zich speciaal voor hem zo mooi opgemaakt?’ En je leest zijn gevoelens: ‘Even trok er een kramp door zijn buik.’ Het vertelperspectief verspringt hier van Janita naar Tycho. Blijft het verhaal bij Janita, dan zou het er zo uitzien: Janita verschoof de twee glazen op het aanrecht een stukje naar links. En daarna weer een stukje naar rechts. Of moest ze de glazen weer in de kast zetten? Zou Tycho denken dat ze al tijden op hem zat te wachten als alles al klaar stond? Ze controleerde voor de vierde keer of er een volle fles cola in de koelkast stond. De bel. Ze schrok toch nog, veegde haar zweterige handen nog even vlug af aan haar broek en liep naar de voordeur. ‘Hey, daar ben ik dan!’ zei Tycho. Hij keek haar aan vanonder de lok die over zijn voorhoofd viel. Hij legde even zijn hand op zijn buik. Toen stapte hij naar binnen en liet zijn tas van zijn schouders glijden. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg Janita. Ze schudde haar lange haar van haar rechter schouder naar de linker en liep voor Tycho uit naar de keuken. ‘Is cola goed? Of wil je thee? Ik kan ook thee zetten, hoor.’ ‘Cola is goed, lekker.’ Tycho keek om zich heen. Hij knikte naar de grote tafel die tegen het kookeiland stond. ‘Gaan we hier zitten?’ Janita slikte. ‘Ja, prima hoor.’ Ze wilde hem zo graag haar kamer laten zien, ze wilde dat hij op haar bed zou zitten. En zij naast hem, tegen hem aan. Ze had niet voor niets haar hele verzameling kussens zo neergelegd dat er nog maar een kleine ruimte was overgebleven om te zitten. Ze pakte de cola uit de koelkast en vulde de glazen. Ze zag nu pas dat die vol stonden met haar zweterige vingerafdrukken. In het eerste voorbeeld, waarin je ook leest over de gedachten en gevoelens van Tycho, weet je als lezer meteen dat Tycho iets anders wil dan Janita. In het tweede voorbeeld ziet Janita wel de lichaamstaal van Tycho: hij legt even zijn hand op zijn buik. Maar waarom hij dat doet, wat hij daarbij voelt of denkt, dat weet ze niet. Jij als lezer weet het dus ook niet. Je krijgt wel een beetje een vermoeden dat er iets aan de hand is, maar je weet nog niet welke kant het op gaat. Tycho kijkt vanonder zijn lok naar Janita. Misschien is hij verlegen? Of is het juist een verleidelijke blik? En hij legt zijn hand even op zijn buik. Is hij zenuwachtig? Is dat omdat hij verliefd is op Janita en het spannend vindt om bij haar thuis te komen? Of is dat omdat hij denkt dat zij verliefd is en iets van hem verwacht terwijl hij niet verliefd is op haar? Als lezer heb je in deze versie van het verhaal meer vragen en vermoedens en mag je meer zelf nadenken. Dit zorgt voor meer spanning in het verhaal.
44
Theorie — 12 Fictie
[12.4.4] Niet uitleggen, maar laten zien Als je een verhaal leest, is het fijn als je zelf dingen mag bedenken en invullen. Niet alles hoeft te worden uitgelegd. Het verhaal laat dingen zien en je mag zelf bedenken wat ze betekenen. Schrijf je een verhaal, probeer dan niet te veel uit te leggen. Zeg niet wat er aan de hand is, of hoe een persoon zich voelt of welke karaktereigenschappen iemand heeft, maar laat het zien door details te beschrijven. Denk bijvoorbeeld aan de lichaamstaal van de personen, aaan kleine dingen die ze doen of hoe hun omgeving eruitziet. Tycho smeet zijn tas onder zijn bureau en liet zich achterover op zijn bed vallen. Hij liet het scherm van zijn mobiel oplichten en opende WhatsApp. Zijn handen zakten naar beneden. Het scherm doofde. Opnieuw opende hij de app, zocht Janita’s naam en begon te tikken. Sorry, ik wilde niet Wat wilde hij niet? Hij kwakte de telefoon op het nachtkastje, de kom die er nog stond van zijn ontbijt kieperde op de grond. Tycho draaide zich naar de muur en verborg zijn gezicht in zijn handen. Janita deed rustig de voordeur dicht en telde in gedachten tot tien. Toen wapperde ze met haar handen, rende naar de keuken en danste een rondje om het kookeiland en de tafel. Ze rukte de stoelen een voor een van hun plaats en sprong boven op de laatste stoel. ‘Jeeeeh!’ gilde ze. Tycho stapte Janita’s kamer binnen. Zijn eigen kamer paste wel twee keer in deze lichte ruimte. Een houten vloer met een dik wit kleed in het midden. Links een grote kledingkast. In het midden, onder een breed raam, een bureau met een witte draaistoel. Haar schoolboeken stonden er in een rij, met kleurig kaftpapier, van groot naar klein. Rechts stond haar bed. Ze had er een soort nest van gemaakt, bijna helemaal vol met kussens die pasten bij het blauw van de gordijnen en het groen van het dekbed. Janita stapte Tycho’s kamer binnen. Ze zoog haar adem naar binnen. Ze kon nauwelijks zien waar zijn bed ophield en waar zijn bureau begon. Elk oppervlak was bedekt onder een laag snoeren, kabels, knoppen, tangen, schroevendraaiers, boeken, papieren, boxen en beeldschermen. ‘Je hebt tegen me gelogen!’ Janita balde haar vuisten. ‘Overdrijf niet zo,’ zuchtte Tycho. Leg je te veel uit, dan zou dat ongeveer zo klinken: Tycho smeet zijn tas onder zijn bureau en liet zich kwaad achterover op zijn bed vallen. Hoe had hij zo stom kunnen zijn om Janita te zoenen? Hij had er meteen al spijt van. En hij had het nog veel erger gemaakt door dat niet meteen te zeggen. Hij liet het scherm van zijn mobiel oplichten. Janita deed rustig de voordeur dicht en telde in gedachten tot tien. Toen hield ze het niet meer en liet haar blijdschap eruit knallen. ‘Jeeeeh!’ gilde ze terwijl ze vrolijk rondjes danste door de keuken. Ze had zich nog nooit eerder zo happy gevoeld. Tycho stapte Janita’s kamer binnen. Wat was haar kamer groot! En wat was alles licht en netjes. Onder het grote raam stond een mooi bureau met een witte draaistoel. Ze had haar schoolboeken keurig in een rij gezet, van groot naar klein. En van haar bed had ze met kleurige kussens een gezellig nest gemaakt. Janita stapte Tycho’s kamer binnen. Ze schrok. Wat een ongelofelijke bende was het hier! ‘Je hebt tegen me gelogen!’ riep Janita kwaad. Tycho zuchtte geërgerd. ‘Overdrijf niet zo.’
[12.4.5] De omgeving en de tijd beschrijven De lezer van een verhaal moet weten waar het zich afspeelt en in welke tijd. Dat helpt om het verhaal te kunnen begrijpen. Schrijf je een verhaal, vertel dan ook iets over de plaats en de tijd. De beschrijvingen hoeven niet lang te zijn, want dat maakt het verhaal te langdradig. Kies een paar dingen waardoor de lezer voor zich kan zien hoe de omgeving eruitziet.
Theorie — 12 Fictie
Laat deze details zien door ze te beschrijven, maar leg ze niet uit. Je kunt kiezen uit veel verschillende soorten details. Denk aan de omgeving: gebouwen, huizen en straten, maar ook de natuur en het weer. Beschrijf je een plaats binnen, dan kun je vertellen over meubels en voorwerpen, maar ook over het licht (of het donker), over geluiden en geuren. Een beeld van de tijd geef je ook door gewoontes, gedrag, kleding en voedsel te beschrijven. Vertel dus ‘in geuren en kleuren’. Wil je bijvoorbeeld duidelijk maken dat iemand arm of rijk is? Schrijf dan niet: ‘Meneer Van Dommelen was erg rijk.’, of: ‘De straat zag er armoedig uit.’ Beschrijf een paar rake details waarmee je het laat zien. Verder kan de lezer het zelf bedenken. De oprit was afgesloten met een metalen hek. Erachter stond een glimmende zwarte Mercedes. Op de stenen paal naast het hek ontdekte Ibrahim een intercom en een camera. Hij drukte op het knopje. De voortuintjes in deze straat waren zo klein, dat de kliko’s die er stonden meer dan de helft van de ruimte in beslag namen. Sommige bakken puilden uit en verspreidden een rottende stank. Van tuinieren hielden ze hier ook niet. In plaats van planten stonden er plastic tuinstoelen, roestige fietsjes en dozen oud papier. Ook de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, laat je zien met een paar details. Marijn grinnikte verlegen en vlug stak hij zijn hoofd door een van de schietgaten om te zien, wat er beneden in De Willemstad - aan de voet van het Fort - gebeurde. Hetzelfde! Ossenwagens en ezelkarretjes, schreeuwende varkens en blaffende honden; kooplieden en slaven, die elkaar op het zanderige pad tussen de huizen voor de voeten en de wielen liepen en reden. En lawaai uit de kroegjes, en een paar kerels die elkaar scheldend achterna zaten, de richting van de Waterkant uit. En de omroeper met z’n trommeltje voor z’n buik, die boven het rumoer uit aankondigde, dat morgen drie slaven te schande zouden worden gezet. Uit: Miep Diekmann, Marijn bij de lorredraaiers Niet veel later zijn ze onderweg naar de tempel van Bastet. Djemes stoel wordt gedragen door vier bedienden en Kai loopt naast haar. Zes gewapende paleiswachten lopen voor hen uit en ze worden gevolgd door een stoet van dertig bedienden en slaven die alles dragen wat hare majesteit maar nodig kan hebben, van water tot versnaperingen en waaiers. Uit: Annejoke Smids, Bloedzusters ‘Werk je voor het Imperium, Darin? Werk je voor de Krijgers?’ Hij reageert niet, maar ik meen het antwoord in zijn ogen te lezen. Mijn maag keert zich om. Verraadt mijn broer zijn eigen mensen? Heeft hij zich aan de zijde van het Imperium geschaard? Ik zou het begrijpen als hij in het geheim graanvoorraden aanlegde, boeken verkocht of kinderen leerde lezen. Dan zou ik trots op hem zijn, want dan deed hij dingen die ik zelf nooit zou durven. Het zijn ‘misdaden’ waarvoor het Imperium je in de gevangenis kan gooien en waarvoor je zelfs de doodstraf kunt krijgen. Uit: Sabaa Tahir, Vuur en as, De heerschappij van de Maskers
[12.4.6] Een verhaal vaart geven Een verhaal moet lekker vlot lezen, het moet ‘vaart’ hebben. Je krijgt dit voor elkaar door niet letterlijk van seconde tot seconde alles te beschrijven wat er gebeurt. Erik sjeesde het schoolplein op, sprintte naar de fietsenstalling en mikte zijn fiets in het rek. Hij zette zijn fiets op slot en stopte het sleuteltje in zijn zak. Met zijn rugtas bonkend op zijn rug spurtte hij naar de voordeur. Hij remde af en wachtte tot de schuifdeur openging. De conciërge zat al op zijn post achter zijn balie om iedereen te noteren die te laat was, maar de tweede bel was nog niet gegaan. Erik rende de gang door, vloog de bocht om en nam de trap met twee treden tegelijk. Meneer Westerveld stond nog in de deuropening. De bel galmde door de gang. Net op tijd glipte Erik langs de leraar. Hij liep tussen de tafeltjes door naar zijn plek en liet zijn tas op de grond vallen. Youssef zat al op zijn plek, onderuitgezakt zoals altijd, zijn lange benen onder de stoel van Mirjam voor hem. Hij keek nauwelijks op toen Erik op de stoel naast hem neerplofte.
Theorie — 12 Fictie
‘Het is gelukt’, siste Erik terwijl Westerveld in zijn handen klapte om de klas stil te krijgen. Youssef stak heel even zijn duim omhoog, toen trok hij zijn wiskundeboek naar zich toe. Heel veel uit dit stukje kun je weglaten. Denk na over wat je duidelijk wilt maken en beschrijf alleen dat. In het voorbeeld hiervoor wil je laten zien dat Erik bijna te laat komt en hoe het gesprekje tussen Erik en Youssef gaat. Alle andere details voegen niets toe aan het verhaal. Tijd waarin er niets gebeurt wat nodig is voor het verhaal, sla je over. Kleine sprongetjes in de tijd hoef je niet te laten zien. Sla je langere tijd over, gebruik dan een witregel in het verhaal. Geef hier en daar een aanwijzing over het voorbijgaan van de tijd, bijvoorbeeld: ‘niet veel later’, ‘er was nog geen uur voorbijgegaan’, ‘de volgende dag’, ‘toen de blaadjes van de bomen begonnen te vallen’. Erik sjeesde het schoolplein op en mikte zijn fiets in het rek. Even later glipte hij nog net op tijd langs meneer Westerveld, die in de deuropening van het wiskundelokaal stond. Youssef zat al op zijn plek, onderuitgezakt zoals altijd, zijn lange benen onder de stoel van Mirjam voor hem. Hij keek nauwelijks op toen Erik op de stoel naast hem neerplofte. ‘Het is gelukt’, siste Erik terwijl Westerveld in zijn handen klapte om de klas stil te krijgen. Youssef stak heel even zijn duim omhoog, toen trok hij zijn wiskundeboek naar zich toe.
[12.4.7] De opmaak van een verhaal Een nette opmaak van een verhaal zorgt ervoor dat het prettig leest. Maak je verhaal op volgens deze regels: 1 Alinea’s Schrijf de zinnen achter elkaar, dus druk niet na elke punt op enter. Je begint pas een nieuwe alinea als er een nieuwe gebeurtenis komt, als het verhaal overgaat naar een andere plaats of naar een volgende gedachte. In verhalen kunnen korte alinea’s voorkomen en zelfs alinea’s van maar één zinnetje, maar ook langere. Kortere en langere alinea’s mogen elkaar afwisselen. De eerste regel van een alinea springt in, behalve als het de eerste regel van een nieuw hoofdstuk of de eerste regel na een witregel is. De regel dat een alinea een kernzin heeft met daarbij uitleg of voorbeelden geldt niet voor verhalen. Ook gaat niet elke alinea over een nieuw deelonderwerp, zoals bij non-fictie. De weg liep met een flauwe bocht een heuvel op. Aan beide kanten stonden struiken, waardoor ik niet ver kon kijken. Ik wilde weten wat er voorbij de bocht was. De weg verdween daar achter de heuveltop. Ik was buiten adem toen ik eindelijk boven was. Ik keek uit over groene heuvels en grijze rotsen, recht de diepte in. Hier en daar stonden groepjes bomen naast lage witte huisjes. Ver beneden me lag het dorp, een wirwar van rode daken en kronkelende straatjes. Precies in het midden stond een kerkje. Er was geen enkel geluid, behalve het getsjilp van een paar vogels ergens in de struiken. Achter het dorp glinsterde het water. En nog weer verder, aan de overkant, doemden hoge bergen op. Ik was ademloos. 2 Witregels Laat bij een grotere overgang een regel wit. Het verhaal gaat na de witregel verder op een andere plaats of een poosje verder in de tijd, of het springt over naar een andere hoofdpersoon of naar een heel andere gebeurtenis. Bij een langer verhaal begin je bij een aantal van deze overgangen een nieuw hoofdstuk. Na een witregel springt de eerste regel niet in. Ik was ademloos. Minutenlang keek ik naar het vreemde land. Pas toen een auto toeterend achter mij de bocht door kwam, kwam ik weer in beweging. Ik keek even achterom, naar waar de camping lag. Zouden mama en Hans me al missen?
47
Theorie — 12 Fictie
Laat deze details zien door ze te beschrijven, maar leg ze niet uit. Je kunt kiezen uit veel verschillende soorten details. Denk aan de omgeving: gebouwen, huizen en straten, maar ook de natuur en het weer. Beschrijf je een plaats binnen, dan kun je vertellen over meubels en voorwerpen, maar ook over het licht (of het donker), over geluiden en geuren. Een beeld van de tijd geef je ook door gewoontes, gedrag, kleding en voedsel te beschrijven. Vertel dus ‘in geuren en kleuren’. Wil je bijvoorbeeld duidelijk maken dat iemand arm of rijk is? Schrijf dan niet: ‘Meneer Van Dommelen was erg rijk.’, of: ‘De straat zag er armoedig uit.’ Beschrijf een paar rake details waarmee je het laat zien. Verder kan de lezer het zelf bedenken. De oprit was afgesloten met een metalen hek. Erachter stond een glimmende zwarte Mercedes. Op de stenen paal naast het hek ontdekte Ibrahim een intercom en een camera. Hij drukte op het knopje. De voortuintjes in deze straat waren zo klein, dat de kliko’s die er stonden meer dan de helft van de ruimte in beslag namen. Sommige bakken puilden uit en verspreidden een rottende stank. Van tuinieren hielden ze hier ook niet. In plaats van planten stonden er plastic tuinstoelen, roestige fietsjes en dozen oud papier. Ook de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, laat je zien met een paar details. Marijn grinnikte verlegen en vlug stak hij zijn hoofd door een van de schietgaten om te zien, wat er beneden in De Willemstad - aan de voet van het Fort - gebeurde. Hetzelfde! Ossenwagens en ezelkarretjes, schreeuwende varkens en blaffende honden; kooplieden en slaven, die elkaar op het zanderige pad tussen de huizen voor de voeten en de wielen liepen en reden. En lawaai uit de kroegjes, en een paar kerels die elkaar scheldend achterna zaten, de richting van de Waterkant uit. En de omroeper met z’n trommeltje voor z’n buik, die boven het rumoer uit aankondigde, dat morgen drie slaven te schande zouden worden gezet. Uit: Miep Diekmann, Marijn bij de lorredraaiers Niet veel later zijn ze onderweg naar de tempel van Bastet. Djemes stoel wordt gedragen door vier bedienden en Kai loopt naast haar. Zes gewapende paleiswachten lopen voor hen uit en ze worden gevolgd door een stoet van dertig bedienden en slaven die alles dragen wat hare majesteit maar nodig kan hebben, van water tot versnaperingen en waaiers. Uit: Annejoke Smids, Bloedzusters ‘Werk je voor het Imperium, Darin? Werk je voor de Krijgers?’ Hij reageert niet, maar ik meen het antwoord in zijn ogen te lezen. Mijn maag keert zich om. Verraadt mijn broer zijn eigen mensen? Heeft hij zich aan de zijde van het Imperium geschaard? Ik zou het begrijpen als hij in het geheim graanvoorraden aanlegde, boeken verkocht of kinderen leerde lezen. Dan zou ik trots op hem zijn, want dan deed hij dingen die ik zelf nooit zou durven. Het zijn ‘misdaden’ waarvoor het Imperium je in de gevangenis kan gooien en waarvoor je zelfs de doodstraf kunt krijgen. Uit: Sabaa Tahir, Vuur en as, De heerschappij van de Maskers
[12.4.6] Een verhaal vaart geven Een verhaal moet lekker vlot lezen, het moet ‘vaart’ hebben. Je krijgt dit voor elkaar door niet letterlijk van seconde tot seconde alles te beschrijven wat er gebeurt. Erik sjeesde het schoolplein op, sprintte naar de fietsenstalling en mikte zijn fiets in het rek. Hij zette zijn fiets op slot en stopte het sleuteltje in zijn zak. Met zijn rugtas bonkend op zijn rug spurtte hij naar de voordeur. Hij remde af en wachtte tot de schuifdeur openging. De conciërge zat al op zijn post achter zijn balie om iedereen te noteren die te laat was, maar de tweede bel was nog niet gegaan. Erik rende de gang door, vloog de bocht om en nam de trap met twee treden tegelijk. Meneer Westerveld stond nog in de deuropening. De bel galmde door de gang. Net op tijd glipte Erik langs de leraar. Hij liep tussen de tafeltjes door naar zijn plek en liet zijn tas op de grond vallen. Youssef zat al op zijn plek, onderuitgezakt zoals altijd, zijn lange benen onder de stoel van Mirjam voor hem. Hij keek nauwelijks op toen Erik op de stoel naast hem neerplofte.
46
Theorie — 12 Fictie
‘Het is gelukt’, siste Erik terwijl Westerveld in zijn handen klapte om de klas stil te krijgen. Youssef stak heel even zijn duim omhoog, toen trok hij zijn wiskundeboek naar zich toe. Heel veel uit dit stukje kun je weglaten. Denk na over wat je duidelijk wilt maken en beschrijf alleen dat. In het voorbeeld hiervoor wil je laten zien dat Erik bijna te laat komt en hoe het gesprekje tussen Erik en Youssef gaat. Alle andere details voegen niets toe aan het verhaal. Tijd waarin er niets gebeurt wat nodig is voor het verhaal, sla je over. Kleine sprongetjes in de tijd hoef je niet te laten zien. Sla je langere tijd over, gebruik dan een witregel in het verhaal. Geef hier en daar een aanwijzing over het voorbijgaan van de tijd, bijvoorbeeld: ‘niet veel later’, ‘er was nog geen uur voorbijgegaan’, ‘de volgende dag’, ‘toen de blaadjes van de bomen begonnen te vallen’. Erik sjeesde het schoolplein op en mikte zijn fiets in het rek. Even later glipte hij nog net op tijd langs meneer Westerveld, die in de deuropening van het wiskundelokaal stond. Youssef zat al op zijn plek, onderuitgezakt zoals altijd, zijn lange benen onder de stoel van Mirjam voor hem. Hij keek nauwelijks op toen Erik op de stoel naast hem neerplofte. ‘Het is gelukt’, siste Erik terwijl Westerveld in zijn handen klapte om de klas stil te krijgen. Youssef stak heel even zijn duim omhoog, toen trok hij zijn wiskundeboek naar zich toe.
[12.4.7] De opmaak van een verhaal Een nette opmaak van een verhaal zorgt ervoor dat het prettig leest. Maak je verhaal op volgens deze regels: 1 Alinea’s Schrijf de zinnen achter elkaar, dus druk niet na elke punt op enter. Je begint pas een nieuwe alinea als er een nieuwe gebeurtenis komt, als het verhaal overgaat naar een andere plaats of naar een volgende gedachte. In verhalen kunnen korte alinea’s voorkomen en zelfs alinea’s van maar één zinnetje, maar ook langere. Kortere en langere alinea’s mogen elkaar afwisselen. De eerste regel van een alinea springt in, behalve als het de eerste regel van een nieuw hoofdstuk of de eerste regel na een witregel is. De regel dat een alinea een kernzin heeft met daarbij uitleg of voorbeelden geldt niet voor verhalen. Ook gaat niet elke alinea over een nieuw deelonderwerp, zoals bij non-fictie. De weg liep met een flauwe bocht een heuvel op. Aan beide kanten stonden struiken, waardoor ik niet ver kon kijken. Ik wilde weten wat er voorbij de bocht was. De weg verdween daar achter de heuveltop. Ik was buiten adem toen ik eindelijk boven was. Ik keek uit over groene heuvels en grijze rotsen, recht de diepte in. Hier en daar stonden groepjes bomen naast lage witte huisjes. Ver beneden me lag het dorp, een wirwar van rode daken en kronkelende straatjes. Precies in het midden stond een kerkje. Er was geen enkel geluid, behalve het getsjilp van een paar vogels ergens in de struiken. Achter het dorp glinsterde het water. En nog weer verder, aan de overkant, doemden hoge bergen op. Ik was ademloos. 2 Witregels Laat bij een grotere overgang een regel wit. Het verhaal gaat na de witregel verder op een andere plaats of een poosje verder in de tijd, of het springt over naar een andere hoofdpersoon of naar een heel andere gebeurtenis. Bij een langer verhaal begin je bij een aantal van deze overgangen een nieuw hoofdstuk. Na een witregel springt de eerste regel niet in. Ik was ademloos. Minutenlang keek ik naar het vreemde land. Pas toen een auto toeterend achter mij de bocht door kwam, kwam ik weer in beweging. Ik keek even achterom, naar waar de camping lag. Zouden mama en Hans me al missen?
Theorie — 12 Fictie
Ik ademde diep in en liep verder. Op de steiger in het kleine haventje schopte ik mijn sneakers uit. Ik ging zitten en liet mijn voeten voorzichtig in het water glijden. Het was niet eens erg koud. Toen pas keek ik achterom. 3 Gesprekken Een goede opmaak van de gesprekken in een verhaal helpt de lezer om te begrijpen wie er iets zegt zonder dat dit er steeds bij staat. Alle woorden die worden gezegd, zet je tussen aanhalingstekens . Bij elke wisseling in het gesprek begin je een nieuwe alinea. De eerste regel springt dan dus in. Zolang dezelfde persoon aan het woord blijft, laat je de alinea doorlopen. Dit doe je ook als je andere stukjes schrijft voordat de persoon verder praat, zoals gedachten of wat iemand doet. Begin je na een witregel met iets wat iemand zegt, dan hoeft de regel niet in te springen. ‘Waar wás je?!’ Mijn moeder stond voor de tent, haar handen op haar heupen. ‘Ik ben even naar het dorp gelopen.’ ‘Even naar het dórp?’ Haar stem schoot omhoog. ‘Had je dat niet even kunnen zeggen? Je bent meer dan twee uur weggeweest.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Sorry.’ Een zweetdruppel gleed van mijn voorhoofd in mijn ooghoek. ‘Ik ga douchen.’ ‘Nee, dat ga je niet’, zei mijn moeder, ‘we gaan eerst eten.’
12.5 Gedichten schrijven [12.5.1] Gedichten schrijven Een gedicht schrijven is gemakkelijker dan je denkt. Er zijn maar een paar echt verplichte 'regels' om een gedicht te krijgen: • gebruik weinig woorden • verdeel de woorden over korte regels weinig woorden zeggen veel maken een gedicht Maak het jezelf niet onnodig moeilijk door te beginnen met allerlei regels voor rijm, rijmschema's, ritme en strofen. Gebruik bij het schrijven van gedichten de volgende tips: • In een gedicht hoeft niet veel te gebeuren. Het gaat vaak om iets wat je opvalt, een gedachte of een gevoel. Een 'verhaal' met begin en eind is niet nodig. • Kies geen woorden omdat ze zo mooi rijmen, maar eigenlijk niet passen bij wat je wilt vertellen. Rijmen mag, maar hoeft beslist niet. Dwing je jezelf om toch te rijmen, dan krijg je rare zinnen. Of je kiest alleen maar woorden waar je gemakkelijk mee kunt rijmen. Dat noemen we 'rijmelarij'. Zoiets als 'Sinterklaas zat te denken wat hij jou nu weer zou schenken'. Niet echt origineel… • Denk bij rijm niet alleen aan eindrijm. Je kunt ook rijmen door woorden te gebruiken met dezelfde klinker of dezelfde beginletter. En dat kan ook binnen één regel. Maar ook hier geldt: doe het alleen als de woorden echt in het gedicht passen. • Je kunt hier en daar in je gedicht woorden laten rijmen. Je kunt dus gerust regels die wel rijmen afwisselen met regels die niet rijmen. Rijm aan het eind van het gedicht is dan wel een mooie afsluiter. • Een gedicht is vaak kort maar krachtig. Haal alle woorden weg die weg kunnen. • Bij een gedicht staat er veel wit op de bladzijde. Je kunt zinnen in kortere stukjes 'knippen' en elk stukje op een nieuwe regel zetten. Je kunt 'knippen' op een plek waar je een pauze in de zin hoort, maar het mag ook best op een andere plek. • Gedichten hebben vaak ritme. Dat komt doordat lettergrepen met en zonder klem-
Theorie — 13
Grammatica
toon elkaar afwisselen. Wat kraduipt er, wat sladuipt er in de tuin door de straduiken? Wie kladappert met de luiken, wie kladopt er op het raam? Lees je gedicht hardop. Om het ritme kloppend te krijgen, kun je hier een daar een woord of een lettergreep weglaten of juist erbij zetten. De volgorde van de zin veranderen kan ook helpen. Je kunt ook kijken of je een synoniem kunt bedenken voor een woord dat te veel of te weinig lettergrepen heeft. • In een gedicht staan soms witregels. Daarmee verdeel je het gedicht in stukjes. Doe je dat bijvoorbeeld bij de laatste regels, dan krijgen die meer nadruk. Wordt jouw gedicht mooier als je dat doet? • Door stijlfiguren te gebruiken kun je een gedicht iets extra's geven. Herhaal woorden of zinnen, of herhaal iets in net weer andere woorden. Geef een opsomming. Overdrijf eens lekker. Zet dingen in tegenstellingen tegenover elkaar. • Kijk of je ergens figuurlijke taal kunt gebruiken. Doe dit alleen als het past bij het gedicht of als je een goede inval hebt. Gebruik geen afgezaagde uitdrukkingen of clichés. Beeldspraak kan mooi zijn, maar is niet verplicht. • Een gedicht krijg je meestal niet in een keer goed op papier. Schrijf een stukje, lees het, verbeter wat en laat het dan een dag liggen. Lees het daarna opnieuw en schrijf weer een stukje verder. Neem het gedicht in gedachten mee. Wacht op een mooie inval. Schaaf en schrap net zo lang tot je tevreden bent!
13 Grammatica [13.1.1] Zelfstandig naamwoord Een zelfstandig naamwoord (znw) is een woord voor mensen, dieren, planten en dingen. Je kunt er een lidwoord voor zetten: de, het of een. Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een meervoudsvorm en een verkleinwoord maken. kind
het kind
de kinderen
het kindje
lamp
de lamp
de lampen
het lampje
Ook namen zijn zelfstandige naamwoorden. Je noemt ze eigennamen. Er staat geen lidwoord voor. Ze komen ook niet als meervoudsvorm of verkleinwoord voor. Victor, Gelderland, Kampen, Schiphol, Rembrandtplein, Omniversum, maart
[13.1.2] Lidwoord In het Nederlands zijn er drie lidwoorden (lw): de, het en een. Ze staan voor zelfstandige naamwoorden. Soms staan daar nog andere woorden tussen. de drie biggetjes het gezellige feestje
[13.1.3] Bijvoeglijk naamwoord Je kunt zinsdelen aanvullen door kenmerken of eigenschappen toe te voegen aan zelfstandige naamwoorden. De geoefende acrobaat sprong zonder beveiliging vanaf het hoogste punt. In deze zin voegt geoefende een eigenschap van de acrobaat toe en hoogste voegt een kenmerk van het punt toe. Woorden als geoefende en hoogste zijn bijvoeglijk naamwoorden.
49
Theorie — 12 Fictie
Ik ademde diep in en liep verder. Op de steiger in het kleine haventje schopte ik mijn sneakers uit. Ik ging zitten en liet mijn voeten voorzichtig in het water glijden. Het was niet eens erg koud. Toen pas keek ik achterom. 3 Gesprekken Een goede opmaak van de gesprekken in een verhaal helpt de lezer om te begrijpen wie er iets zegt zonder dat dit er steeds bij staat. Alle woorden die worden gezegd, zet je tussen aanhalingstekens . Bij elke wisseling in het gesprek begin je een nieuwe alinea. De eerste regel springt dan dus in. Zolang dezelfde persoon aan het woord blijft, laat je de alinea doorlopen. Dit doe je ook als je andere stukjes schrijft voordat de persoon verder praat, zoals gedachten of wat iemand doet. Begin je na een witregel met iets wat iemand zegt, dan hoeft de regel niet in te springen. ‘Waar wás je?!’ Mijn moeder stond voor de tent, haar handen op haar heupen. ‘Ik ben even naar het dorp gelopen.’ ‘Even naar het dórp?’ Haar stem schoot omhoog. ‘Had je dat niet even kunnen zeggen? Je bent meer dan twee uur weggeweest.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Sorry.’ Een zweetdruppel gleed van mijn voorhoofd in mijn ooghoek. ‘Ik ga douchen.’ ‘Nee, dat ga je niet’, zei mijn moeder, ‘we gaan eerst eten.’
12.5 Gedichten schrijven [12.5.1] Gedichten schrijven Een gedicht schrijven is gemakkelijker dan je denkt. Er zijn maar een paar echt verplichte 'regels' om een gedicht te krijgen: • gebruik weinig woorden • verdeel de woorden over korte regels weinig woorden zeggen veel maken een gedicht Maak het jezelf niet onnodig moeilijk door te beginnen met allerlei regels voor rijm, rijmschema's, ritme en strofen. Gebruik bij het schrijven van gedichten de volgende tips: • In een gedicht hoeft niet veel te gebeuren. Het gaat vaak om iets wat je opvalt, een gedachte of een gevoel. Een 'verhaal' met begin en eind is niet nodig. • Kies geen woorden omdat ze zo mooi rijmen, maar eigenlijk niet passen bij wat je wilt vertellen. Rijmen mag, maar hoeft beslist niet. Dwing je jezelf om toch te rijmen, dan krijg je rare zinnen. Of je kiest alleen maar woorden waar je gemakkelijk mee kunt rijmen. Dat noemen we 'rijmelarij'. Zoiets als 'Sinterklaas zat te denken wat hij jou nu weer zou schenken'. Niet echt origineel… • Denk bij rijm niet alleen aan eindrijm. Je kunt ook rijmen door woorden te gebruiken met dezelfde klinker of dezelfde beginletter. En dat kan ook binnen één regel. Maar ook hier geldt: doe het alleen als de woorden echt in het gedicht passen. • Je kunt hier en daar in je gedicht woorden laten rijmen. Je kunt dus gerust regels die wel rijmen afwisselen met regels die niet rijmen. Rijm aan het eind van het gedicht is dan wel een mooie afsluiter. • Een gedicht is vaak kort maar krachtig. Haal alle woorden weg die weg kunnen. • Bij een gedicht staat er veel wit op de bladzijde. Je kunt zinnen in kortere stukjes 'knippen' en elk stukje op een nieuwe regel zetten. Je kunt 'knippen' op een plek waar je een pauze in de zin hoort, maar het mag ook best op een andere plek. • Gedichten hebben vaak ritme. Dat komt doordat lettergrepen met en zonder klem-
48
Theorie — 13
Grammatica
toon elkaar afwisselen. Wat kraduipt er, wat sladuipt er in de tuin door de straduiken? Wie kladappert met de luiken, wie kladopt er op het raam? Lees je gedicht hardop. Om het ritme kloppend te krijgen, kun je hier een daar een woord of een lettergreep weglaten of juist erbij zetten. De volgorde van de zin veranderen kan ook helpen. Je kunt ook kijken of je een synoniem kunt bedenken voor een woord dat te veel of te weinig lettergrepen heeft. • In een gedicht staan soms witregels. Daarmee verdeel je het gedicht in stukjes. Doe je dat bijvoorbeeld bij de laatste regels, dan krijgen die meer nadruk. Wordt jouw gedicht mooier als je dat doet? • Door stijlfiguren te gebruiken kun je een gedicht iets extra's geven. Herhaal woorden of zinnen, of herhaal iets in net weer andere woorden. Geef een opsomming. Overdrijf eens lekker. Zet dingen in tegenstellingen tegenover elkaar. • Kijk of je ergens figuurlijke taal kunt gebruiken. Doe dit alleen als het past bij het gedicht of als je een goede inval hebt. Gebruik geen afgezaagde uitdrukkingen of clichés. Beeldspraak kan mooi zijn, maar is niet verplicht. • Een gedicht krijg je meestal niet in een keer goed op papier. Schrijf een stukje, lees het, verbeter wat en laat het dan een dag liggen. Lees het daarna opnieuw en schrijf weer een stukje verder. Neem het gedicht in gedachten mee. Wacht op een mooie inval. Schaaf en schrap net zo lang tot je tevreden bent!
13 Grammatica [13.1.1] Zelfstandig naamwoord Een zelfstandig naamwoord (znw) is een woord voor mensen, dieren, planten en dingen. Je kunt er een lidwoord voor zetten: de, het of een. Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een meervoudsvorm en een verkleinwoord maken. kind
het kind
de kinderen
het kindje
lamp
de lamp
de lampen
het lampje
Ook namen zijn zelfstandige naamwoorden. Je noemt ze eigennamen. Er staat geen lidwoord voor. Ze komen ook niet als meervoudsvorm of verkleinwoord voor. Victor, Gelderland, Kampen, Schiphol, Rembrandtplein, Omniversum, maart
[13.1.2] Lidwoord In het Nederlands zijn er drie lidwoorden (lw): de, het en een. Ze staan voor zelfstandige naamwoorden. Soms staan daar nog andere woorden tussen. de drie biggetjes het gezellige feestje
[13.1.3] Bijvoeglijk naamwoord Je kunt zinsdelen aanvullen door kenmerken of eigenschappen toe te voegen aan zelfstandige naamwoorden. De geoefende acrobaat sprong zonder beveiliging vanaf het hoogste punt. In deze zin voegt geoefende een eigenschap van de acrobaat toe en hoogste voegt een kenmerk van het punt toe. Woorden als geoefende en hoogste zijn bijvoeglijk naamwoorden.
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
[13.1.4] Voorzetsel
• Hun gebruik je alleen als meewerkend voorwerp en nooit als onderwerp.
Voorzetsels (vz) staan in zinsdelen waarbij je een vraag kunt stellen als waarin, waaronder, waarmee of waardoor. Voorbeelden van voorzetsels zijn: van, na, met, tegen, achter, in, naast, langs. De meeste voorzetsels kun je invullen op de puntjes van een van de volgende woordgroepen: '… de kamer', '… het feest' of '… het bureau'. Een voorzetsel staat nooit los in een zin. Het is altijd een onderdeel van een zinsdeel. Op de zeebodem van de Noordzee | liggen | allerlei scheepswrakken | volgens de duikers.
[13.1.5] Werkwoord Werkwoorden (ww) zijn de belangrijkste onderdelen van een zin. Ze vertellen je wat iemand of iets doet, of wat er gebeurt. Een zin zonder werkwoord is geen goede zin.
De trainer heeft hun de oranje hesjes gegeven. • Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Waarom heb je hen uitgenodigd? Wil je deze eieren aan hen overhandigen?
[13.1.10] Bezittelijk voornaamwoord Een bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw) geeft een bezit aan. Het kan bijvoeglijk of zelfstandig in een zin voorkomen. Wanneer het zelfstandig wordt gebruikt staat er een lidwoord voor. Wil je haar boeken lenen? Je kunt beter de mijne lenen. Enkelvoud
[13.1.6] Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord Werkwoorden kun je onderverdelen in verschillende vormen, zoals persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief. Je kunt werkwoorden ook op een andere manier van elkaar onderscheiden, namelijk naar soort. Er zijn verschillende soorten werkwoorden. Eén daarvan is het zelfstandig werkwoord (zww). Dit is het werkwoord dat de handeling aangeeft in de zin. 1 Kelly bestudeert de paragraaf aandachtig. 2 Kelly heeft de paragraaf aandachtig bestudeerd. 3 Kelly zal de paragraaf aandachtig bestuderen. De werkwoordsvormen bestudeert, bestudeerd en bestuderen geven in de zinnen de handeling aan. Het zijn zelfstandige werkwoorden. Je ziet dat de vorm elke keer anders is: persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief. Om de vormen voltooid deelwoord en infinitief te kunnen schrijven, is een ander werkwoord als persoonsvorm nodig. In het voorbeeld zijn dat heeft en zal. Deze werkwoorden zijn hulpwerkwoorden (hww).
Persoonlijke voornaamwoorden (pers. vnw) verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.
Meervoud
Meervoud
Bijvoeglijk
Zelfstandig
eerste persoon
mijn
de/het mijne
tweede persoon
jouw (je) uw
de/het jouwe de/het uwe
derde persoon
zijn haar
de/het zijne de/het hare
eerste persoon
onze ons
de/het onze
tweede persoon
jullie uw
de/het uwe
derde persoon
hun
de/het hunne
Let op! • Je moet jouw fiets verplaatsen. (jouw = bezittelijk voornaamwoord) • Deze fiets is van jou. (jou = persoonlijk voornaamwoord)
13.2 Zinsdelen
[13.1.9] Persoonlijk voornaamwoord
Enkelvoud
Grammatica
Onderwerpsvorm
Voorwerpsvorm (lv of mv)
eerste persoon
ik
mij (me)
tweede persoon
jij (je) u
jou (je) u
derde persoon
hij zij (ze) het
hem haar het
eerste persoon
wij
ons
tweede persoon
jullie
jullie
derde persoon
zij (ze)
hun, hen, ze
Persoonlijke voornaamwoorden zijn aparte zinsdelen die je kunt benoemen als onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp. Let op! • Het is alleen een persoonlijk voornaamwoord als het een apart zinsdeel is. Als het een deel van een zinsdeel is, dan is het een lidwoord. Het is opgeknapt.
Het = persoonlijk voornaamwoord
Het weer is opgeknapt.
Het = lidwoord
[13.2.1] Werkwoord en werkwoordsvormen Werkwoorden (ww) zijn de belangrijkste onderdelen van een zin. Ze vertellen je wat iemand of iets doet, of wat er gebeurt. Het werkwoord kan in verschillende vormen voorkomen: als persoonsvorm, als infinitief (heel werkwoord) en als voltooid deelwoord. 1 Wesley surft graag over de hoge golven aan de kust van Australië. 2 Wesley wil graag over de hoge golven aan de kust van Australië surfen. 3 Wesley heeft in december over de hoge golven aan de kust van Australië gesurft. In zin 1 is surft de persoonsvorm (pv). Dit is de werkwoordsvorm die verandert als je de zin in een andere tijd zet. In zin 2 is surfen de infinitief (inf), ook wel het hele werkwoord genoemd. Dit is de vorm die in het woordenboek staat. Als er een infinitief in de zin voorkomt, is een andere werkwoordsvorm de persoonsvorm. In deze zin is wil de persoonsvorm. In zin 3 is gesurft het voltooid deelwoord (vdw). Dit is de werkwoordsvorm die bij een persoonsvorm van de werkwoorden hebben, worden of zijn in de zin staat. In zin 3 is heeft de persoonsvorm. Voorbeelden met worden en zijn: Over de hoge golven aan de kust van Australië wordt door Wesley gesurft. Over de hoge golven aan de kust van Australië is door Wesley gesurft.
[13.2.2] Persoonsvorm Als je een zin ontleedt, begin je altijd met het zoeken van de persoonsvorm (pv). Staat er één werkwoord in de zin, dan is dat automatisch de persoonsvorm. Als er meer werk-
51
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
[13.1.4] Voorzetsel
• Hun gebruik je alleen als meewerkend voorwerp en nooit als onderwerp.
Voorzetsels (vz) staan in zinsdelen waarbij je een vraag kunt stellen als waarin, waaronder, waarmee of waardoor. Voorbeelden van voorzetsels zijn: van, na, met, tegen, achter, in, naast, langs. De meeste voorzetsels kun je invullen op de puntjes van een van de volgende woordgroepen: '… de kamer', '… het feest' of '… het bureau'. Een voorzetsel staat nooit los in een zin. Het is altijd een onderdeel van een zinsdeel. Op de zeebodem van de Noordzee | liggen | allerlei scheepswrakken | volgens de duikers.
[13.1.5] Werkwoord Werkwoorden (ww) zijn de belangrijkste onderdelen van een zin. Ze vertellen je wat iemand of iets doet, of wat er gebeurt. Een zin zonder werkwoord is geen goede zin.
De trainer heeft hun de oranje hesjes gegeven. • Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Waarom heb je hen uitgenodigd? Wil je deze eieren aan hen overhandigen?
[13.1.10] Bezittelijk voornaamwoord Een bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw) geeft een bezit aan. Het kan bijvoeglijk of zelfstandig in een zin voorkomen. Wanneer het zelfstandig wordt gebruikt staat er een lidwoord voor. Wil je haar boeken lenen? Je kunt beter de mijne lenen. Enkelvoud
[13.1.6] Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord Werkwoorden kun je onderverdelen in verschillende vormen, zoals persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief. Je kunt werkwoorden ook op een andere manier van elkaar onderscheiden, namelijk naar soort. Er zijn verschillende soorten werkwoorden. Eén daarvan is het zelfstandig werkwoord (zww). Dit is het werkwoord dat de handeling aangeeft in de zin. 1 Kelly bestudeert de paragraaf aandachtig. 2 Kelly heeft de paragraaf aandachtig bestudeerd. 3 Kelly zal de paragraaf aandachtig bestuderen. De werkwoordsvormen bestudeert, bestudeerd en bestuderen geven in de zinnen de handeling aan. Het zijn zelfstandige werkwoorden. Je ziet dat de vorm elke keer anders is: persoonsvorm, voltooid deelwoord en infinitief. Om de vormen voltooid deelwoord en infinitief te kunnen schrijven, is een ander werkwoord als persoonsvorm nodig. In het voorbeeld zijn dat heeft en zal. Deze werkwoorden zijn hulpwerkwoorden (hww).
Persoonlijke voornaamwoorden (pers. vnw) verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.
Meervoud
Onderwerpsvorm
Voorwerpsvorm (lv of mv)
eerste persoon
ik
mij (me)
tweede persoon
jij (je) u
jou (je) u
derde persoon
hij zij (ze) het
hem haar het
eerste persoon
wij
ons
tweede persoon
jullie
jullie
derde persoon
zij (ze)
hun, hen, ze
Persoonlijke voornaamwoorden zijn aparte zinsdelen die je kunt benoemen als onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp. Let op! • Het is alleen een persoonlijk voornaamwoord als het een apart zinsdeel is. Als het een deel van een zinsdeel is, dan is het een lidwoord.
50
Meervoud
Bijvoeglijk
Zelfstandig
eerste persoon
mijn
de/het mijne
tweede persoon
jouw (je) uw
de/het jouwe de/het uwe
derde persoon
zijn haar
de/het zijne de/het hare
eerste persoon
onze ons
de/het onze
tweede persoon
jullie uw
de/het uwe
derde persoon
hun
de/het hunne
Let op! • Je moet jouw fiets verplaatsen. (jouw = bezittelijk voornaamwoord) • Deze fiets is van jou. (jou = persoonlijk voornaamwoord)
13.2 Zinsdelen
[13.1.9] Persoonlijk voornaamwoord
Enkelvoud
Grammatica
Het is opgeknapt.
Het = persoonlijk voornaamwoord
Het weer is opgeknapt.
Het = lidwoord
[13.2.1] Werkwoord en werkwoordsvormen Werkwoorden (ww) zijn de belangrijkste onderdelen van een zin. Ze vertellen je wat iemand of iets doet, of wat er gebeurt. Het werkwoord kan in verschillende vormen voorkomen: als persoonsvorm, als infinitief (heel werkwoord) en als voltooid deelwoord. 1 Wesley surft graag over de hoge golven aan de kust van Australië. 2 Wesley wil graag over de hoge golven aan de kust van Australië surfen. 3 Wesley heeft in december over de hoge golven aan de kust van Australië gesurft. In zin 1 is surft de persoonsvorm (pv). Dit is de werkwoordsvorm die verandert als je de zin in een andere tijd zet. In zin 2 is surfen de infinitief (inf), ook wel het hele werkwoord genoemd. Dit is de vorm die in het woordenboek staat. Als er een infinitief in de zin voorkomt, is een andere werkwoordsvorm de persoonsvorm. In deze zin is wil de persoonsvorm. In zin 3 is gesurft het voltooid deelwoord (vdw). Dit is de werkwoordsvorm die bij een persoonsvorm van de werkwoorden hebben, worden of zijn in de zin staat. In zin 3 is heeft de persoonsvorm. Voorbeelden met worden en zijn: Over de hoge golven aan de kust van Australië wordt door Wesley gesurft. Over de hoge golven aan de kust van Australië is door Wesley gesurft.
[13.2.2] Persoonsvorm Als je een zin ontleedt, begin je altijd met het zoeken van de persoonsvorm (pv). Staat er één werkwoord in de zin, dan is dat automatisch de persoonsvorm. Als er meer werk-
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
woorden in de zin staan, dan kun je twee manieren gebruiken om de persoonsvorm te vinden: de tijdproef en de getalproef. Tijdproef De persoonsvorm geeft aan in welke tijd de zin staat. Je vindt de persoonsvorm door de zin in een andere tijd te zetten (de tijdproef). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm. Pieter-Willem signaleert een fout in de opgave. Pieter-Willem signaleerde een fout in de opgave. Getalproef Een zin kan in het enkelvoud of in het meervoud staan. Dit noem je het getal van een zin. Je vindt de persoonsvorm door de zin in het enkelvoud of in het meervoud te zetten (de getalproef). De persoonsvorm is meestal nauw verbonden met het deel van de zin dat het getal aangeeft. Als de persoonsvorm van getal verandert, dan verandert dat deel van de zin mee. De ijsbeer leeft een halfjaar in een donkere omgeving. IJsberen leven een halfjaar in een donkere omgeving.
Grammatica
[13.2.4] Werkwoordelijk gezegde Het werkwoordelijk gezegde van een zin kan uit een of meer werkwoorden bestaan. Je vindt het werkwoordelijk gezegde (wwg) van een zin door de volgende stappen te volgen: 1 Voer de tijdproef of de getalproef uit en schrijf de persoonsvorm op. 2 Zoek de andere werkwoordsvormen en schrijf die achter de persoonsvorm. Soms staat er voor de infinitief het woord te. Als dat zo is, dan schrijf je dit woord ook op bij het werkwoordelijk gezegde. De medewerker vraagt mij de microscoop te pakken. wwg = vraagt te pakken
[13.2.5] Scheidbaar samengesteld werkwoord De persoonsvorm van sommige werkwoorden kan gescheiden in de zin voorkomen. Deze werkwoorden noem je scheidbaar samengestelde werkwoorden. Indy schrijft de goede antwoorden meteen op.
[13.2.3] Werkwoordstijden Vaak zie je aan een zin of de gebeurtenis zich nu, in de toekomst of in het verleden afspeelt. Dat kun je zien aan tijdwoorden zoals volgende week, morgen, gisteren, vorig jaar, straks en nu, maar ook aan de werkwoorden in de zin. Voor het leren van vreemde talen is het belangrijk dat je weet welke werkwoordstijden er zijn. Een zin kan in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd staan. Aan de persoonsvorm kun je zien in welke tijd een zin staat. Om te bepalen of een zin in de tegenwoordige of in de verleden tijd staat, kijk je alleen naar de persoonsvorm. Je kijkt niet naar tijdwoorden in een zin om de tijd te bepalen. 1 Mijn oom heeft vorig jaar de alternatieve Elfstedentocht geschaatst. (tegenwoordige tijd) 2 Tessa wilde vandaag kaartjes voor de voorstelling bestellen. (verleden tijd) 3 Wij zullen je morgen wel ophalen. (tegenwoordige tijd) Een zin kan daarnaast in de voltooide tijd of in de onvoltooide tijd staan. Een zin staat in de voltooide tijd als een vorm van de werkwoorden hebben of zijn als hulpwerkwoord in de zin voorkomt. Er staat dan ook altijd een voltooid deelwoord in de zin. Als een zin in de onvoltooide tijd staat, staat er geen hulpwerkwoord van de werkwoorden hebben of zijn in de zin. 1 De groep toeristen heeft/had de vertrektijd van de bus niet goed onthouden. (voltooide tijd) 2 De vertrektijd van de bus is/was door de groep toeristen niet goed onthouden. (voltooide tijd) 3 De groep toeristen onthoudt/onthield de vertrektijd van de bus. (onvoltooide tijd) 4 De groep toeristen wil/wilde de vertrektijd van de bus onthouden. (onvoltooide tijd) Om te bepalen in welke tijd een zin staat, stel je dus de volgende vragen: 1 In welke tijd staat de persoonsvorm? 2 Staat het hulpwerkwoord hebben/zijn in de zin én staat er een voltooid deelwoord in de zin? Overzicht van de werkwoordstijden in het Nederlands Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Floor bezoekt de tandarts.
Achmed klimt.
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Floor bezocht de tandarts.
Achmed klom.
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Floor heeft de tandarts bezocht.
Achmed is geklommen.
Voltooid verleden tijd (vvt)
Floor had de tandarts bezocht.
Achmed was geklommen.
Schrijft op is één werkwoord. Het komt van het werkwoord opschrijven. Schrijft op is de persoonsvorm. Schrijft op is ook het werkwoordelijk gezegde.
[13.2.6] Onderwerp In bijna elke zin staat een onderwerp (ond). Het onderwerp en het gezegde horen bij elkaar. Ze vormen samen de kortste zin. Het onderwerp geeft aan wie of wat iets doet of is. Als je het onderwerp van de zin zoekt, volg je de volgende stappen: 1 Schrijf het gezegde van de zin op. 2 Stel de vraag: Wie of wat + gezegde? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp van de zin.
[13.2.7] Zin Een zin is een verzameling woorden. Deze woorden vormen samen een tekst waarvan de betekenis duidelijk is. Een zin bestaat uit twee basisdelen: • een deel dat 'zegt' wat de handeling is (= gezegde); • een deel dat 'zegt' wie of wat de handeling uitvoert (= onderwerp). Voorbeeld 1 De jongens
voetballen
In deze zin is voetballen de handeling, en de jongens voeren de handeling uit. De zin in voorbeeld 1 is een erg korte zin. Je kunt de zin langer maken door er delen aan toe te voegen. Deze delen geven extra informatie. Voordat je de zin schrijft, bedenk je wat je wilt toevoegen. Hiervoor gebruik je vraagwoorden als wat, wie, aan wie, met wie, wanneer, waar, waarmee en waardoor. Voorbeeld 2 De jongens
voetballen
met wie?
wanneer?
waar?
[13.2.8] Zinsdeel De delen waaruit een zin bestaat, noem je zinsdelen. Een zinsdeel kan uit één woord of uit meer woorden bestaan. Elk zinsdeel heeft een betekenis. Het laat bijvoorbeeld weten wie iets doet, wat er gebeurt, met wie iets gebeurt, wanneer iets gebeurt, waar iets gebeurt of hoe iets gebeurt. Je kunt de volgorde van de zinsdelen veranderen, maar de woorden in een zinsdeel horen bij elkaar. Ze vormen samen een begrijpelijk onderdeel van de zin. De zin in het voorbeeld bestaat uit vijf zinsdelen met elk hun eigen betekenis. De jongens
voetballen
met wie?
wanneer?
waar?
53
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
woorden in de zin staan, dan kun je twee manieren gebruiken om de persoonsvorm te vinden: de tijdproef en de getalproef. Tijdproef De persoonsvorm geeft aan in welke tijd de zin staat. Je vindt de persoonsvorm door de zin in een andere tijd te zetten (de tijdproef). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm. Pieter-Willem signaleert een fout in de opgave. Pieter-Willem signaleerde een fout in de opgave. Getalproef Een zin kan in het enkelvoud of in het meervoud staan. Dit noem je het getal van een zin. Je vindt de persoonsvorm door de zin in het enkelvoud of in het meervoud te zetten (de getalproef). De persoonsvorm is meestal nauw verbonden met het deel van de zin dat het getal aangeeft. Als de persoonsvorm van getal verandert, dan verandert dat deel van de zin mee. De ijsbeer leeft een halfjaar in een donkere omgeving. IJsberen leven een halfjaar in een donkere omgeving.
[13.2.4] Werkwoordelijk gezegde Het werkwoordelijk gezegde van een zin kan uit een of meer werkwoorden bestaan. Je vindt het werkwoordelijk gezegde (wwg) van een zin door de volgende stappen te volgen: 1 Voer de tijdproef of de getalproef uit en schrijf de persoonsvorm op. 2 Zoek de andere werkwoordsvormen en schrijf die achter de persoonsvorm. Soms staat er voor de infinitief het woord te. Als dat zo is, dan schrijf je dit woord ook op bij het werkwoordelijk gezegde. De medewerker vraagt mij de microscoop te pakken. wwg = vraagt te pakken
[13.2.5] Scheidbaar samengesteld werkwoord De persoonsvorm van sommige werkwoorden kan gescheiden in de zin voorkomen. Deze werkwoorden noem je scheidbaar samengestelde werkwoorden. Indy schrijft de goede antwoorden meteen op.
[13.2.3] Werkwoordstijden Vaak zie je aan een zin of de gebeurtenis zich nu, in de toekomst of in het verleden afspeelt. Dat kun je zien aan tijdwoorden zoals volgende week, morgen, gisteren, vorig jaar, straks en nu, maar ook aan de werkwoorden in de zin. Voor het leren van vreemde talen is het belangrijk dat je weet welke werkwoordstijden er zijn. Een zin kan in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd staan. Aan de persoonsvorm kun je zien in welke tijd een zin staat. Om te bepalen of een zin in de tegenwoordige of in de verleden tijd staat, kijk je alleen naar de persoonsvorm. Je kijkt niet naar tijdwoorden in een zin om de tijd te bepalen. 1 Mijn oom heeft vorig jaar de alternatieve Elfstedentocht geschaatst. (tegenwoordige tijd) 2 Tessa wilde vandaag kaartjes voor de voorstelling bestellen. (verleden tijd) 3 Wij zullen je morgen wel ophalen. (tegenwoordige tijd) Een zin kan daarnaast in de voltooide tijd of in de onvoltooide tijd staan. Een zin staat in de voltooide tijd als een vorm van de werkwoorden hebben of zijn als hulpwerkwoord in de zin voorkomt. Er staat dan ook altijd een voltooid deelwoord in de zin. Als een zin in de onvoltooide tijd staat, staat er geen hulpwerkwoord van de werkwoorden hebben of zijn in de zin. 1 De groep toeristen heeft/had de vertrektijd van de bus niet goed onthouden. (voltooide tijd) 2 De vertrektijd van de bus is/was door de groep toeristen niet goed onthouden. (voltooide tijd) 3 De groep toeristen onthoudt/onthield de vertrektijd van de bus. (onvoltooide tijd) 4 De groep toeristen wil/wilde de vertrektijd van de bus onthouden. (onvoltooide tijd) Om te bepalen in welke tijd een zin staat, stel je dus de volgende vragen: 1 In welke tijd staat de persoonsvorm? 2 Staat het hulpwerkwoord hebben/zijn in de zin én staat er een voltooid deelwoord in de zin? Overzicht van de werkwoordstijden in het Nederlands Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Floor bezoekt de tandarts.
Achmed klimt.
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Floor bezocht de tandarts.
Achmed klom.
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Floor heeft de tandarts bezocht.
Achmed is geklommen.
Voltooid verleden tijd (vvt)
Floor had de tandarts bezocht.
Achmed was geklommen.
Schrijft op is één werkwoord. Het komt van het werkwoord opschrijven. Schrijft op is de persoonsvorm. Schrijft op is ook het werkwoordelijk gezegde.
[13.2.6] Onderwerp In bijna elke zin staat een onderwerp (ond). Het onderwerp en het gezegde horen bij elkaar. Ze vormen samen de kortste zin. Het onderwerp geeft aan wie of wat iets doet of is. Als je het onderwerp van de zin zoekt, volg je de volgende stappen: 1 Schrijf het gezegde van de zin op. 2 Stel de vraag: Wie of wat + gezegde? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp van de zin.
[13.2.7] Zin Een zin is een verzameling woorden. Deze woorden vormen samen een tekst waarvan de betekenis duidelijk is. Een zin bestaat uit twee basisdelen: • een deel dat 'zegt' wat de handeling is (= gezegde); • een deel dat 'zegt' wie of wat de handeling uitvoert (= onderwerp). Voorbeeld 1 De jongens
voetballen
In deze zin is voetballen de handeling, en de jongens voeren de handeling uit. De zin in voorbeeld 1 is een erg korte zin. Je kunt de zin langer maken door er delen aan toe te voegen. Deze delen geven extra informatie. Voordat je de zin schrijft, bedenk je wat je wilt toevoegen. Hiervoor gebruik je vraagwoorden als wat, wie, aan wie, met wie, wanneer, waar, waarmee en waardoor. Voorbeeld 2 De jongens
voetballen
met wie?
wanneer?
waar?
[13.2.8] Zinsdeel De delen waaruit een zin bestaat, noem je zinsdelen. Een zinsdeel kan uit één woord of uit meer woorden bestaan. Elk zinsdeel heeft een betekenis. Het laat bijvoorbeeld weten wie iets doet, wat er gebeurt, met wie iets gebeurt, wanneer iets gebeurt, waar iets gebeurt of hoe iets gebeurt. Je kunt de volgorde van de zinsdelen veranderen, maar de woorden in een zinsdeel horen bij elkaar. Ze vormen samen een begrijpelijk onderdeel van de zin. De zin in het voorbeeld bestaat uit vijf zinsdelen met elk hun eigen betekenis. De jongens
52
Grammatica
voetballen
met wie?
wanneer?
waar?
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
[13.2.9] Bouwplan van een zin Voordat je een zin schrijft, denk je na over de informatie die je erin wilt zetten. Je maakt een bouwplan voor je zin. Bij sommige werkwoorden weet je van tevoren dat je bepaalde zinsdelen moet toevoegen en andere zinsdelen mag toevoegen. Dit heeft te maken met de betekenis van het werkwoord. De betekenis van het werkwoord wassen zorgt ervoor dat je altijd twee vragen stelt en dus twee delen moet toevoegen: 1 Wie wast? 2 Wat wast de persoon?
Grammatica
3
De zin heeft vier zinsdelen.
→
Elk zinsdeel is een antwoord op een vraag:
Gisteren
vergat
Cheung
zijn boeken.
Wanneer?
Handeling?
Wie?
Wat?
In een zin staan de werkwoorden niet altijd naast elkaar. Toch vormen alle werkwoorden en delen van werkwoorden van een zin samen een zinsdeel. 1 Volgens onderzoekers | raken | we | sneller | geïrriteerd. (vier zinsdelen) 2 Knapt | de klusjesman | de twee slaapkamers | voor de lente | op? (vier zinsdelen)
[13.2.11a] Lijdend voorwerp Het lijdend voorwerp (lv) is het voorwerp dat of de persoon die nodig is om de handeling uit te voeren. Het lijdend voorwerp maakt de handeling mee zonder zelf iets te doen. De journalist interviewde om vijf uur de minister-president. Harmen en Cheyenne ruimden hun afval niet op. De minister-president en hun afval doen zelf niets. Toch zijn ze nodig in de zin, want de werkwoorden interviewen en opruimen 'vragen' om iemand die de handeling uitvoert én om iets wat of iemand die nodig is bij de handeling.
[13.2.10] Zinsdelen herkennen Wanneer je de schrijver van een tekst bent, maak je je eigen zinnen volgens een bouwplan. Wanneer je de lezer van een tekst bent, zijn de zinnen al gemaakt. Om erachter te komen wat de schrijver precies bedoelt, moet je een zin in zinsdelen kunnen verdelen en de betekenis van de delen achterhalen. Op deze manier verdeel je een zin in zinsdelen: 1 Zoek de persoonsvorm. Zet een verticale streep voor en achter de persoonsvorm. Het woord (of de woorden) vóór de persoonsvorm vormt (of vormen) een zinsdeel. 2 Maak van de overgebleven woorden begrijpelijke delen. Zet hier ook steeds een verticale streep achter. Alleen begrijpelijke delen vormen een zinsdeel. Een zinsdeel kun je in zijn geheel op een andere plaats in de zin opschrijven. De betekenis van de hele zin moet dan hetzelfde blijven. 3 Bekijk hoeveel zinsdelen de zin heeft. Gisteren vergat Cheung zijn boeken. 1
De persoonsvorm = vergat.
→
Gisteren | vergat | Cheung zijn boeken.
2
Zet ik een streep achter Cheung?
→
Gisteren | vergat | Cheung | zijn boeken.
→
Ja, dat is een zinsdeel: Cheung | vergat | gisteren | zijn boeken.
→
Nee, dan is de zin onbegrijpelijk; zijn is niet te verplaatsen: Zijn | gisteren | vergat | Cheung | boeken. ✘
Zet ik een streep achter zijn?
Om snel het lijdend voorwerp te kunnen vinden, stel je de volgende vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp? Kijk maar: Vraag: Wie of wat interviewde de journalist? Antwoord: de minister-president = lijdend voorwerp. Vraag: Wie of wat ruimden Harmen en Cheyenne niet op? Antwoord: hun afval = lijdend voorwerp.
[13.2.11b] Wel of geen lijdend voorwerp? Soms lijkt een zinsdeel een lijdend voorwerp, maar is het dat niet. Bij het zoeken naar het lijdend voorwerp let je altijd op het bouwplan van de basiszin. Op de volgende twee manieren kun je bepalen of een zin geen lijdend voorwerp heeft: • Als de basiszin uit twee delen bestaat. Er is niets of niemand nodig bij de handeling, dus er is geen lijdend voorwerp. • Als je geen antwoord kunt geven op de vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp?, dan ontbreekt het lijdend voorwerp. Als het werkwoord een bouwplan heeft waarbij de basiszin uit drie delen bestaat, dan is er wél een lijdend voorwerp. Je kunt dan ook antwoord geven op de vraag Wie of wat + gezegde + onderwerp?
[13.2.12a] Meewerkend voorwerp De aanvoerder gaf zijn medespelers de gewonnen kampioensbeker. Ashanti leent aan niemand haar nieuwe fiets uit.
55
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
[13.2.9] Bouwplan van een zin Voordat je een zin schrijft, denk je na over de informatie die je erin wilt zetten. Je maakt een bouwplan voor je zin. Bij sommige werkwoorden weet je van tevoren dat je bepaalde zinsdelen moet toevoegen en andere zinsdelen mag toevoegen. Dit heeft te maken met de betekenis van het werkwoord. De betekenis van het werkwoord wassen zorgt ervoor dat je altijd twee vragen stelt en dus twee delen moet toevoegen: 1 Wie wast? 2 Wat wast de persoon?
Grammatica
3
De zin heeft vier zinsdelen.
→
Elk zinsdeel is een antwoord op een vraag:
Gisteren
vergat
Cheung
zijn boeken.
Wanneer?
Handeling?
Wie?
Wat?
In een zin staan de werkwoorden niet altijd naast elkaar. Toch vormen alle werkwoorden en delen van werkwoorden van een zin samen een zinsdeel. 1 Volgens onderzoekers | raken | we | sneller | geïrriteerd. (vier zinsdelen) 2 Knapt | de klusjesman | de twee slaapkamers | voor de lente | op? (vier zinsdelen)
[13.2.11a] Lijdend voorwerp Het lijdend voorwerp (lv) is het voorwerp dat of de persoon die nodig is om de handeling uit te voeren. Het lijdend voorwerp maakt de handeling mee zonder zelf iets te doen. De journalist interviewde om vijf uur de minister-president. Harmen en Cheyenne ruimden hun afval niet op. De minister-president en hun afval doen zelf niets. Toch zijn ze nodig in de zin, want de werkwoorden interviewen en opruimen 'vragen' om iemand die de handeling uitvoert én om iets wat of iemand die nodig is bij de handeling.
[13.2.10] Zinsdelen herkennen Wanneer je de schrijver van een tekst bent, maak je je eigen zinnen volgens een bouwplan. Wanneer je de lezer van een tekst bent, zijn de zinnen al gemaakt. Om erachter te komen wat de schrijver precies bedoelt, moet je een zin in zinsdelen kunnen verdelen en de betekenis van de delen achterhalen. Op deze manier verdeel je een zin in zinsdelen: 1 Zoek de persoonsvorm. Zet een verticale streep voor en achter de persoonsvorm. Het woord (of de woorden) vóór de persoonsvorm vormt (of vormen) een zinsdeel. 2 Maak van de overgebleven woorden begrijpelijke delen. Zet hier ook steeds een verticale streep achter. Alleen begrijpelijke delen vormen een zinsdeel. Een zinsdeel kun je in zijn geheel op een andere plaats in de zin opschrijven. De betekenis van de hele zin moet dan hetzelfde blijven. 3 Bekijk hoeveel zinsdelen de zin heeft. Gisteren vergat Cheung zijn boeken. 1
De persoonsvorm = vergat.
→
Gisteren | vergat | Cheung zijn boeken.
2
Zet ik een streep achter Cheung?
→
Gisteren | vergat | Cheung | zijn boeken.
→
Ja, dat is een zinsdeel: Cheung | vergat | gisteren | zijn boeken.
→
Nee, dan is de zin onbegrijpelijk; zijn is niet te verplaatsen: Zijn | gisteren | vergat | Cheung | boeken. ✘
Zet ik een streep achter zijn?
54
Om snel het lijdend voorwerp te kunnen vinden, stel je de volgende vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp? Kijk maar: Vraag: Wie of wat interviewde de journalist? Antwoord: de minister-president = lijdend voorwerp. Vraag: Wie of wat ruimden Harmen en Cheyenne niet op? Antwoord: hun afval = lijdend voorwerp.
[13.2.11b] Wel of geen lijdend voorwerp? Soms lijkt een zinsdeel een lijdend voorwerp, maar is het dat niet. Bij het zoeken naar het lijdend voorwerp let je altijd op het bouwplan van de basiszin. Op de volgende twee manieren kun je bepalen of een zin geen lijdend voorwerp heeft: • Als de basiszin uit twee delen bestaat. Er is niets of niemand nodig bij de handeling, dus er is geen lijdend voorwerp. • Als je geen antwoord kunt geven op de vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp?, dan ontbreekt het lijdend voorwerp. Als het werkwoord een bouwplan heeft waarbij de basiszin uit drie delen bestaat, dan is er wél een lijdend voorwerp. Je kunt dan ook antwoord geven op de vraag Wie of wat + gezegde + onderwerp?
[13.2.12a] Meewerkend voorwerp De aanvoerder gaf zijn medespelers de gewonnen kampioensbeker. Ashanti leent aan niemand haar nieuwe fiets uit.
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
De zinsdelen zijn medespelers en aan niemand voeren niet de handeling van het werkwoord uit. Toch werken ze wél mee aan de handeling. De werkwoorden geven en uitlenen 'vragen' om iemand die iets ontvangt. De basiszin van deze werkwoorden bestaan uit vier delen:
gaf
De aanvoerder
de gewonnen kampioensbeker
zijn medespelers
leent uit
Ashanti
haar nieuwe fiets
aan niemand
werkwoordelijk gezegde
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Grammatica
[13.2.13] Bijwoordelijke bepaling Zinsdelen als met zijn mobiele telefoon, aan de bomen, eindelijk zijn zinsdelen die iets over de handeling in de zin vertellen. Ze geven bijvoorbeeld aan waar, wanneer en/of waarom iets gebeurt. Je noemt zo'n zinsdeel een bijwoordelijke bepaling (bwb).
Het meewerkend voorwerp (mv) komt voor in zinnen waarin het werkwoord (de handeling) aangeeft, bijvoorbeeld: iemand geeft of vertelt iets aan iemand. De persoon die ontvangt, noem je het meewerkend voorwerp. Om snel het meewerkend voorwerp te kunnen vinden, stel je de volgende vraag: Aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Kijk maar: Vraag: Aan wie gaf de aanvoerder de gewonnen kampioensbeker? Antwoord: zijn medespelers = meewerkend voorwerp. Vraag: Aan wie leent Ashanti haar nieuwe fiets uit? Antwoord: aan niemand = meewerkend voorwerp.
[13.2.12b] Wel of geen meewerkend voorwerp? Een meewerkend voorwerp (mv) kan met het voorzetsel aan beginnen, maar dat hoeft niet. Niet alle zinsdelen die met aan beginnen, zijn meewerkend voorwerp. Zo controleer je of een zinsdeel een meewerkend voorwerp is: • Let altijd goed op het bouwplan van de basiszin bij het werkwoord. Het werkwoord 'vraagt' om iemand die iets ontvangt. • Als je het voorzetsel aan kunt weglaten, dan is het zinsdeel een meewerkend voorwerp. Je mag de zinsdelen verplaatsen. • Als je het voorzetsel aan kunt toevoegen, dan is het zinsdeel een meewerkend voorwerp.
[13.2.12c] Meewerkend voorwerp met 'voor' Een meewerkend voorwerp (mv) kan ook met het voorzetsel voor beginnen. Het werkwoord geeft dan aan dat iets voor iemand bestemd is. Je stelt dan de vraag: Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Tamar zal voor de buurvrouw een boeket bloemen meenemen. Vraag: Voor wie zal Tamar een boeket bloemen meenemen? Antwoord: voor de buurvrouw = meewerkend voorwerp. Een zinsdeel dat met voor begint, is niet altijd een meewerkend voorwerp. Voor mij zie ik een blauwe zee. Voor mij is in deze zin geen meewerkend voorwerp: • De basiszin van het werkwoord zien heeft twee delen. • Voor mij betekent hier niet 'bestemd voor'. • Het zinsdeel geeft een plaats aan en is dus een bijwoordelijke bepaling.
schema bijwoordelijke bepaling
• Om snel de bijwoordelijke bepaling te vinden, stel je vragen als: waar, wanneer, waardoor, waarmee, waarnaar, wanneer, hoe, hoeveel? • Een bijwoordelijke bepaling begint vaak met een voorzetsel. • Als de vraagwoorden waar, wanneer, waardoor, waarmee (enzovoort) aparte zinsdelen zijn, zijn dat ook bijwoordelijke bepalingen. • Zinsdelen die je gemakkelijk kunt weglaten als ook, wel, niet en toch zijn ook bijwoordelijke bepalingen.
57
Theorie — 13 Grammatica
Theorie — 13
De zinsdelen zijn medespelers en aan niemand voeren niet de handeling van het werkwoord uit. Toch werken ze wél mee aan de handeling. De werkwoorden geven en uitlenen 'vragen' om iemand die iets ontvangt. De basiszin van deze werkwoorden bestaan uit vier delen:
gaf
De aanvoerder
de gewonnen kampioensbeker
zijn medespelers
leent uit
Ashanti
haar nieuwe fiets
aan niemand
werkwoordelijk gezegde
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp (mv) komt voor in zinnen waarin het werkwoord (de handeling) aangeeft, bijvoorbeeld: iemand geeft of vertelt iets aan iemand. De persoon die ontvangt, noem je het meewerkend voorwerp. Om snel het meewerkend voorwerp te kunnen vinden, stel je de volgende vraag: Aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Kijk maar: Vraag: Aan wie gaf de aanvoerder de gewonnen kampioensbeker? Antwoord: zijn medespelers = meewerkend voorwerp. Vraag: Aan wie leent Ashanti haar nieuwe fiets uit? Antwoord: aan niemand = meewerkend voorwerp.
[13.2.12b] Wel of geen meewerkend voorwerp? Een meewerkend voorwerp (mv) kan met het voorzetsel aan beginnen, maar dat hoeft niet. Niet alle zinsdelen die met aan beginnen, zijn meewerkend voorwerp. Zo controleer je of een zinsdeel een meewerkend voorwerp is: • Let altijd goed op het bouwplan van de basiszin bij het werkwoord. Het werkwoord 'vraagt' om iemand die iets ontvangt. • Als je het voorzetsel aan kunt weglaten, dan is het zinsdeel een meewerkend voorwerp. Je mag de zinsdelen verplaatsen. • Als je het voorzetsel aan kunt toevoegen, dan is het zinsdeel een meewerkend voorwerp.
[13.2.12c] Meewerkend voorwerp met 'voor' Een meewerkend voorwerp (mv) kan ook met het voorzetsel voor beginnen. Het werkwoord geeft dan aan dat iets voor iemand bestemd is. Je stelt dan de vraag: Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? Tamar zal voor de buurvrouw een boeket bloemen meenemen. Vraag: Voor wie zal Tamar een boeket bloemen meenemen? Antwoord: voor de buurvrouw = meewerkend voorwerp. Een zinsdeel dat met voor begint, is niet altijd een meewerkend voorwerp. Voor mij zie ik een blauwe zee. Voor mij is in deze zin geen meewerkend voorwerp: • De basiszin van het werkwoord zien heeft twee delen. • Voor mij betekent hier niet 'bestemd voor'. • Het zinsdeel geeft een plaats aan en is dus een bijwoordelijke bepaling.
56
[13.2.13] Bijwoordelijke bepaling Zinsdelen als met zijn mobiele telefoon, aan de bomen, eindelijk zijn zinsdelen die iets over de handeling in de zin vertellen. Ze geven bijvoorbeeld aan waar, wanneer en/of waarom iets gebeurt. Je noemt zo'n zinsdeel een bijwoordelijke bepaling (bwb).
schema bijwoordelijke bepaling
• Om snel de bijwoordelijke bepaling te vinden, stel je vragen als: waar, wanneer, waardoor, waarmee, waarnaar, wanneer, hoe, hoeveel? • Een bijwoordelijke bepaling begint vaak met een voorzetsel. • Als de vraagwoorden waar, wanneer, waardoor, waarmee (enzovoort) aparte zinsdelen zijn, zijn dat ook bijwoordelijke bepalingen. • Zinsdelen die je gemakkelijk kunt weglaten als ook, wel, niet en toch zijn ook bijwoordelijke bepalingen.
Grammatica
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
[14.1.3] Komma
14 Spelling
Met een komma maak je een zin overzichtelijker. Je laat zien waar de lezer een korte pauze kan inlassen.
14.1 Leestekens [14.1.1] Hoofdletters en kleine letters
Regel
Voorbeeld
1
Gebruik een komma tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen.
Dat is een kleine, blauwe tafel.
2
Zet komma’s tussen de delen van een opsomming. Voor en of of schrijf je geen komma.
Wil je twee, drie of vier kaartjes bestellen?
3
• Na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin schrijf je een komma.
• Poeh, moet dat allemaal naar boven?
• Voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin schrijf je een komma.
• Komt u maar, meneer De Jong.
Het eerste woord van een zin schrijf je altijd met een hoofdletter, net als namen. Er zijn een paar uitzonderingen en aanvullingen op deze regel. 1
2
3
Spelling
Uitzondering of aanvulling
Voorbeeld
• Als de zin met een apostrof begint, schrijf je het tweede woord met een hoofdletter.
’s Morgens ga ik zwemmen.
• Als de zin met een getal begint, schrijf je geen hoofdletter.
72 procent rijdt door.
• Tussenvoegsels van namen schrijf je met een kleine letter als er een ander deel van de naam voor staat.
Eva van Ham mevrouw Ras-de Vries
• Als er geen deel van de naam voor het tussenvoegsel staat, schrijf je wel een hoofdletter.
mevrouw Van Hammeneer mevrouw El Hamdaoui
• Merknamen schrijf je met een hoofdletter.
een Apple, de Porsche
• Woorden waarbij je niet meer aan de eigennaam denkt, schrijf je met een kleine letter.
coopertest, barbiepop
[14.1.4] Dubbele punt De dubbele punt gebruik je voor een opsomming. We kregen drie maaltijden: ontbijt, lunch en diner.
[14.1.5] Apostrof 4
• Namen van heilige personen en zaken schrijf God, Allah, de Heer, de Bijbel je met een hoofdletter. • Namen van geloven, gelovigen en politieke stromingen schrijf je met een kleine letter.
christendom, moslim, liberaal
• Feestdagen schrijf je met een hoofdletter.
Koningsdag, Nieuwjaar, Kerstmis
• Woorden die zijn afgeleid van feestdagen schrijf je met een kleine letter.
nieuwjaarsdag, eerste kerstdag
6
Namen van periodes en tijdperken schrijf je met een kleine letter.
steentijd, oudheid
7
Dagen, maanden, seizoenen en windstreken schrijf je met een kleine letter.
woensdag, april, herfst, noordwest, oosterse filosofie
8
Titels van boeken, series, films enzovoort beginnen met een hoofdletter.
het boek De hongerspelen
5
Een apostrof heb je soms nodig om uitspraakproblemen te voorkomen, bijvoorbeeld bij sommige meervoudsvormen, bezitsvormen en verkleinwoorden. Je kunt ’m ook gebruiken als je letters weglaat. In dit overzicht vind je de belangrijkste regels voor de apostrof. Regel
Voorbeelden
Gebruik een apostrof: • bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden op -a, -i, -o, -u of -y (met een medeklinker voor de y).
radio’s, taxi’s, baby’s
• bij het meervoud van letters en afkortingen.
k’s, mp3’s
2
Bij het verkleinwoord van letters, cijfers, afkortingen en woorden die eindigen op een -y (met een medeklinker ervoor) gebruik je een apostrof.
party’tje, p’tje, 4’tje, dvd’tje
3
Plaats een apostrof bij de bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden om uitspraakproblemen te voorkomen. Als het woord eindigt op een sisklank, schrijf je alleen een apostrof, geen extra -s.
oma’s breiwerk, Lars’ idee
4
Gebruik een apostrof bij achtervoegsels van afkortingen.
zzp’er, sms’en
5
Als je in een woord letters weglaat, vervang je deze door een apostrof.
’s avonds, jus d’orange, ’t waait
1
[14.1.2] Punt, vraagteken en uitroepteken Aan het eind van een zin plaats je altijd een punt, vraagteken of uitroepteken. Regel
Voorbeeld
• na een gewone zin
Veel mensen hebben een huisdier.
• bij veel afkortingen
o.a. (onder andere), enz. (enzovoort)
• na een voorletter
S.A. de Vries
Vraagteken
• na een vragende zin
Hoe laat is het?
Uitroepteken
• na een uitroep
Wat leuk!
• na een waarschuwing
Kijk uit!
• na een bevel
Kom hier!
Punt
59
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
[14.1.3] Komma
14 Spelling
Met een komma maak je een zin overzichtelijker. Je laat zien waar de lezer een korte pauze kan inlassen.
14.1 Leestekens [14.1.1] Hoofdletters en kleine letters
Regel
Voorbeeld
1
Gebruik een komma tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen.
Dat is een kleine, blauwe tafel.
2
Zet komma’s tussen de delen van een opsomming. Voor en of of schrijf je geen komma.
Wil je twee, drie of vier kaartjes bestellen?
3
• Na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin schrijf je een komma.
• Poeh, moet dat allemaal naar boven?
• Voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin schrijf je een komma.
• Komt u maar, meneer De Jong.
Het eerste woord van een zin schrijf je altijd met een hoofdletter, net als namen. Er zijn een paar uitzonderingen en aanvullingen op deze regel. 1
2
3
Spelling
Uitzondering of aanvulling
Voorbeeld
• Als de zin met een apostrof begint, schrijf je het tweede woord met een hoofdletter.
’s Morgens ga ik zwemmen.
• Als de zin met een getal begint, schrijf je geen hoofdletter.
72 procent rijdt door.
• Tussenvoegsels van namen schrijf je met een kleine letter als er een ander deel van de naam voor staat.
Eva van Ham mevrouw Ras-de Vries
• Als er geen deel van de naam voor het tussenvoegsel staat, schrijf je wel een hoofdletter.
mevrouw Van Hammeneer mevrouw El Hamdaoui
• Merknamen schrijf je met een hoofdletter.
een Apple, de Porsche
• Woorden waarbij je niet meer aan de eigennaam denkt, schrijf je met een kleine letter.
coopertest, barbiepop
[14.1.4] Dubbele punt De dubbele punt gebruik je voor een opsomming. We kregen drie maaltijden: ontbijt, lunch en diner.
[14.1.5] Apostrof 4
• Namen van heilige personen en zaken schrijf God, Allah, de Heer, de Bijbel je met een hoofdletter. • Namen van geloven, gelovigen en politieke stromingen schrijf je met een kleine letter.
christendom, moslim, liberaal
• Feestdagen schrijf je met een hoofdletter.
Koningsdag, Nieuwjaar, Kerstmis
• Woorden die zijn afgeleid van feestdagen schrijf je met een kleine letter.
nieuwjaarsdag, eerste kerstdag
6
Namen van periodes en tijdperken schrijf je met een kleine letter.
steentijd, oudheid
7
Dagen, maanden, seizoenen en windstreken schrijf je met een kleine letter.
woensdag, april, herfst, noordwest, oosterse filosofie
8
Titels van boeken, series, films enzovoort beginnen met een hoofdletter.
het boek De hongerspelen
5
Een apostrof heb je soms nodig om uitspraakproblemen te voorkomen, bijvoorbeeld bij sommige meervoudsvormen, bezitsvormen en verkleinwoorden. Je kunt ’m ook gebruiken als je letters weglaat. In dit overzicht vind je de belangrijkste regels voor de apostrof. Regel
Voorbeelden
Gebruik een apostrof: • bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden op -a, -i, -o, -u of -y (met een medeklinker voor de y).
radio’s, taxi’s, baby’s
• bij het meervoud van letters en afkortingen.
k’s, mp3’s
2
Bij het verkleinwoord van letters, cijfers, afkortingen en woorden die eindigen op een -y (met een medeklinker ervoor) gebruik je een apostrof.
party’tje, p’tje, 4’tje, dvd’tje
3
Plaats een apostrof bij de bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden om uitspraakproblemen te voorkomen. Als het woord eindigt op een sisklank, schrijf je alleen een apostrof, geen extra -s.
oma’s breiwerk, Lars’ idee
4
Gebruik een apostrof bij achtervoegsels van afkortingen.
zzp’er, sms’en
5
Als je in een woord letters weglaat, vervang je deze door een apostrof.
’s avonds, jus d’orange, ’t waait
1
[14.1.2] Punt, vraagteken en uitroepteken Aan het eind van een zin plaats je altijd een punt, vraagteken of uitroepteken. Regel
Voorbeeld
• na een gewone zin
Veel mensen hebben een huisdier.
• bij veel afkortingen
o.a. (onder andere), enz. (enzovoort)
• na een voorletter
S.A. de Vries
Vraagteken
• na een vragende zin
Hoe laat is het?
Uitroepteken
• na een uitroep
Wat leuk!
• na een waarschuwing
Kijk uit!
• na een bevel
Kom hier!
Punt
58
Theorie — 14 Spelling
14.2 Spellingsregels [14.2.4] Lettergrepen De meeste woorden bestaan uit twee of meer lettergrepen. au∙to vracht∙wa∙gen lo∙co∙mo∙tief In de meeste woordenboeken staat een punt tussen de lettergrepen. Als een woord niet helemaal op een regel past, kun je het afbreken tussen twee lettergrepen. Daartussen schrijf je een afbreekstreepje (-). Let daarbij op de volgende punten: • Breek samenstellingen af tussen de woorddelen. samensmel-ting → samen-smelting ban-ketbakker → banket-bakker • Breek niet af voor of na een lettergreep van één letter. e-verzwijn → ever-zwijn studi-o → stu-dio • Speciale tekens en extra letters in verkleinwoorden laat je weg bij het afbreken. mee--eter → mee-eter twee-ëntwintig → twee-entwintig pianoo-tje → piano-tje taxie-tje → taxi-tje sherry’-tje → sherry-tje • Zorg dat het woord niet verkeerd kan worden gelezen. reserve-ring → reser-vering beste-ding → be-steding Als je twijfelt, kun je het best het hele woord op een nieuwe regel zetten. Op de computer kun je je tekstverwerkingsprogramma (zoals Word) zo instellen dat het automatisch woorden voor je afbreekt als ze niet op de regel passen. Kijk wel altijd na of dit goed gaat, zodat er niet bijvoorbeeld kant-oren staat in plaats van kan-toren.
Theorie — 14
Regel
Voltooid deelwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Als het voltooid deelwoord eindigt op -en, schrijf je het bijvoeglijk naamwoord ook met -en.
Het pak koekjes is aangebroken.
Het aangebroken pak koekjes.
Als het voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, dan krijgt het bijvoeglijk naamwoord meestal -e als uitgang.
De speler werd gehinderd.
De gehinderde speler.
Een bijvoeglijk naamwoord dat Het deeg is gekneed. is afgeleid van een voltooid De dader is gespot. deelwoord schrijf je altijd zo kort mogelijk. Je schrijft dus alleen dd of tt als dat nodig is voor een goede uitspraak.
De gespotte dader.
Na te schrijf je het bijvoeglijk naamwoord als infinitief. De te downloaden bestanden.
[14.2.20] Meervoud van zelfstandige naamwoorden De meeste zelfstandige naamwoorden zet je in het meervoud door er -(e)n, -s, of -eren achter te zetten. Vaak kun je het meervoud gewoon opschrijven zoals je het hoort. Sommige zelfstandige naamwoorden hebben een bijzondere meervoudsvorm. In dit overzicht zie je zulke woorden met hun spellingregel. Regel
Voorbeelden
1
Sommige woorden die eindigen op -e hebben twee meervoudsvormen.
seconde - secondes/seconden keuze - keuzes/keuzen
2
Sommige woorden hebben twee meervoudsvormen met elk een eigen betekenis.
been - benen (lichaamsdeel)/beenderen (botten) portier - portiers (bij een ingang)/portieren (deuren)
3
Bij woorden die eindigen op -s of -f moet je in het meervoud soms de laatste letter veranderen in een z of een v.
grens - grenzen staaf - staven
4
Woorden die eindigen op -ee of -ie krijgen een trema in het meervoud. Als de klemtoon op de laatste lettergreep ligt, dan voeg je in het meervoud -ën toe. Anders zet je het trema op de laatste e van het woord.
idee - ideeën knie - knieën bacterie - bacteriën porie - poriën
5
Bij woorden die eindigen op een klinker schrijf je een apostrof + s (’s) als je het woord anders verkeerd zou uitspreken.
oma - oma’s radio - radio’s baby - baby’s
6
Bij woorden die eindigen op een onbeklemtoonde -el, -es, -et, -ik of -it verdubbel je de laatste medeklinker in het meervoud niet.
dreumes - dreumesen havik - haviken
7
Sommige woorden op -man kunnen als meervoud ook -lieden of -lui hebben. Dit zijn meestal beroepen.
zakenman - zakenmannen/zakenlieden/ zakenlui werkman - werkmannen/werklieden/werklui
8
In sommige woorden verandert de klinker in het meervoud.
stad - steden schip - schepen
[14.2.18] Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord Van werkwoorden kun je bijvoeglijke naamwoorden maken. Je gebruikt hiervoor het voltooid deelwoord.
Het geknede deeg.
[14.2.19] Te + infinitief als bijvoeglijk naamwoord
[14.2.17] Bijvoeglijke naamwoorden Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Als je twijfelt of het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -e of -en, kun je dit schema gebruiken:
Spelling
(maar: wens - wensen) (maar: fotograaf fotografen)
maar: douche - douches spray - sprays
61
Theorie — 14 Spelling
14.2 Spellingsregels [14.2.4] Lettergrepen De meeste woorden bestaan uit twee of meer lettergrepen. au∙to vracht∙wa∙gen lo∙co∙mo∙tief In de meeste woordenboeken staat een punt tussen de lettergrepen. Als een woord niet helemaal op een regel past, kun je het afbreken tussen twee lettergrepen. Daartussen schrijf je een afbreekstreepje (-). Let daarbij op de volgende punten: • Breek samenstellingen af tussen de woorddelen. samensmel-ting → samen-smelting ban-ketbakker → banket-bakker • Breek niet af voor of na een lettergreep van één letter. e-verzwijn → ever-zwijn studi-o → stu-dio • Speciale tekens en extra letters in verkleinwoorden laat je weg bij het afbreken. mee--eter → mee-eter twee-ëntwintig → twee-entwintig pianoo-tje → piano-tje taxie-tje → taxi-tje sherry’-tje → sherry-tje • Zorg dat het woord niet verkeerd kan worden gelezen. reserve-ring → reser-vering beste-ding → be-steding Als je twijfelt, kun je het best het hele woord op een nieuwe regel zetten. Op de computer kun je je tekstverwerkingsprogramma (zoals Word) zo instellen dat het automatisch woorden voor je afbreekt als ze niet op de regel passen. Kijk wel altijd na of dit goed gaat, zodat er niet bijvoorbeeld kant-oren staat in plaats van kan-toren.
Theorie — 14
Regel
Voltooid deelwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Als het voltooid deelwoord eindigt op -en, schrijf je het bijvoeglijk naamwoord ook met -en.
Het pak koekjes is aangebroken.
Het aangebroken pak koekjes.
Als het voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, dan krijgt het bijvoeglijk naamwoord meestal -e als uitgang.
De speler werd gehinderd.
De gehinderde speler.
Een bijvoeglijk naamwoord dat Het deeg is gekneed. is afgeleid van een voltooid De dader is gespot. deelwoord schrijf je altijd zo kort mogelijk. Je schrijft dus alleen dd of tt als dat nodig is voor een goede uitspraak.
60
De gespotte dader.
Na te schrijf je het bijvoeglijk naamwoord als infinitief. De te downloaden bestanden.
[14.2.20] Meervoud van zelfstandige naamwoorden De meeste zelfstandige naamwoorden zet je in het meervoud door er -(e)n, -s, of -eren achter te zetten. Vaak kun je het meervoud gewoon opschrijven zoals je het hoort. Sommige zelfstandige naamwoorden hebben een bijzondere meervoudsvorm. In dit overzicht zie je zulke woorden met hun spellingregel. Regel
Voorbeelden
1
Sommige woorden die eindigen op -e hebben twee meervoudsvormen.
seconde - secondes/seconden keuze - keuzes/keuzen
2
Sommige woorden hebben twee meervoudsvormen met elk een eigen betekenis.
been - benen (lichaamsdeel)/beenderen (botten) portier - portiers (bij een ingang)/portieren (deuren)
3
Bij woorden die eindigen op -s of -f moet je in het meervoud soms de laatste letter veranderen in een z of een v.
grens - grenzen staaf - staven
4
Woorden die eindigen op -ee of -ie krijgen een trema in het meervoud. Als de klemtoon op de laatste lettergreep ligt, dan voeg je in het meervoud -ën toe. Anders zet je het trema op de laatste e van het woord.
idee - ideeën knie - knieën bacterie - bacteriën porie - poriën
5
Bij woorden die eindigen op een klinker schrijf je een apostrof + s (’s) als je het woord anders verkeerd zou uitspreken.
oma - oma’s radio - radio’s baby - baby’s
6
Bij woorden die eindigen op een onbeklemtoonde -el, -es, -et, -ik of -it verdubbel je de laatste medeklinker in het meervoud niet.
dreumes - dreumesen havik - haviken
7
Sommige woorden op -man kunnen als meervoud ook -lieden of -lui hebben. Dit zijn meestal beroepen.
zakenman - zakenmannen/zakenlieden/ zakenlui werkman - werkmannen/werklieden/werklui
8
In sommige woorden verandert de klinker in het meervoud.
stad - steden schip - schepen
[14.2.18] Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord Van werkwoorden kun je bijvoeglijke naamwoorden maken. Je gebruikt hiervoor het voltooid deelwoord.
Het geknede deeg.
[14.2.19] Te + infinitief als bijvoeglijk naamwoord
[14.2.17] Bijvoeglijke naamwoorden Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Als je twijfelt of het bijvoeglijk naamwoord eindigt op -e of -en, kun je dit schema gebruiken:
Spelling
(maar: wens - wensen) (maar: fotograaf fotografen)
maar: douche - douches spray - sprays
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
• Bij woorden die eindigen op -ng schrijf je -nkje of -etje.
Regel
Voorbeelden
9
Woorden die uit het Latijn komen, hebben soms nog hun Latijnse meervoudsuitgang.
museum - musea (of: museums) medicus - medici
10
Sommige woorden hebben alleen een enkelvoud of alleen een meervoud.
rommel, vee, zand hersenen, inkomsten, omstreken
poging – poginkje wang – wangetje
[14.2.21] Samenstellingen Een samenstelling maak je door twee bestaande woorden samen te voegen. Soms moet je daartussen -e ,-en of -s schrijven. In het volgende overzicht vind je de regels voor deze tussenletters. Samenstellingen met een tussen-n Schrijf -(e)n-:
Voorbeelden
Als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -n of -en heeft.
vissenkom verdachtenverhoor bloemenvaas
Samenstellingen zonder tussen-n Schrijf geen -n-:
Voorbeelden
Als het eerste deel van de samenstelling geen meervoud heeft.
roggebrood, ereplaats
Als het eerste deel van de samenstelling alleen een meervoud op -s heeft.
aspergebed, etagewoning
Als het eerste deel van de samenstelling een meervoud op -s en -n heeft.
lindebloesem, aktetas
Als het eerste deel van de samenstelling geen zelfstandig naamwoord is.
huilebalk, rodekool
Als het eerste deel van de samenstelling de betekenis van het tweede deel versterkt.
apetrots, reuzeleuk
Als het eerste deel van de samenstelling een unieke persoon of zaak is.
zonnebank, Koninginnedag
Als het woord niet (meer) herkenbaar is als een samenstelling. Soms lijkt een woord een samenstelling, maar is het dat nooit geweest.
schattebout, spillebeen
Samenstellingen met een tussen-s Schrijf -s-:
Voorbeelden
Als je die klank hoort. Als het tweede woorddeel begint met een sisklank, kun je de klank niet horen. Vervang het tweede woorddeel, zodat je hoort of je een tussen-s moet schrijven.
dorpskern, reddingsboot dus ook: dorpsstraat, reddingsschip
[14.2.24] Verkleinwoorden Met een achtervoegsel kun je van een zelfstandig naamwoord een verkleinwoord maken. Meestal schrijf je het verkleinwoord zoals het klinkt. vork – vorkje film – filmpje appel – appeltje tang – tangetje
Spelling
• Bij woorden die eindigen op een lange klinker moet je de klinker verdubbelen. oma – omaatje video – videootje café – cafeetje paraplu - parapluutje • Bij woorden die eindigen op -i voeg je een -e toe. Bij woorden op -y (met een medeklinker ervoor) of op -u (uitgesproken als oe) schrijf je een apostrof. taxi – taxietje lolly – lolly’tje spray – spraytje sudoku – sudoku’tje • Je gebruikt ook een apostrof bij cijfer- en letterwoorden. mp3 - mp3’tje wc - wc’tje s - s’je Als je een verkleinwoord aan het eind van de regel afbreekt, laat je de apostrof en extra letters weg. pianootje - piano-tje cafeetje - café-tje baby’tje - baby-tje
[14.2.25] Bezitsvorm In plaats van de boormachine van mijn oom kun je ook zeggen mijn ooms boormachine. De bezitsvorm van een zelfstandig naamwoord maak je meestal door er een -s achter te zetten. de mountainbike van mijn broer de viool van Okke de passer van Farah het broodje van Corné
mijn broers mountainbike Okkes viool Farahs passer Cornés broodje
Eindigt het zelfstandig naamwoord op een a, i, o, u of y die lang klank? Schrijf dan een apostrof voor de s: Mila's regels, Amy's roddels. Eindigt het zelfstandig naamwoord op een sisklank? Schrijf dan alleen een apostrof: Morris’ kaartspel, Patrice’ gereedschap.
[14.2.26] Afkortingen Als je je boodschap kort wilt overbrengen, kun je afkortingen gebruiken in plaats van volledige woorden. Soms is een afkorting ook gebruikelijker dan het volledige woord. tv, kB, blz., a.u.b., NS, AOW, z.o.z., PvdA Er zijn geen duidelijke regels voor de spelling van afkortingen. Gebruik daarom een woordenboek als je niet weet hoe je de afkorting schrijft. Dit zijn de meest voorkomende manieren om een afkorting te schrijven: Met kleine letters én punten
i.p.v. (in plaats van), mevr. (mevrouw), s.v.p. (s’il vous plaît), bijv. (bijvoorbeeld)
Met kleine letters, maar zonder punten (bij sommige veelgebruikte afkortingen)
cm (centimeter), dvd (digital versatile disc), gps (global positioning system), vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs)
63
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
• Bij woorden die eindigen op -ng schrijf je -nkje of -etje.
Regel
Voorbeelden
9
Woorden die uit het Latijn komen, hebben soms nog hun Latijnse meervoudsuitgang.
museum - musea (of: museums) medicus - medici
10
Sommige woorden hebben alleen een enkelvoud of alleen een meervoud.
rommel, vee, zand hersenen, inkomsten, omstreken
poging – poginkje wang – wangetje
[14.2.21] Samenstellingen Een samenstelling maak je door twee bestaande woorden samen te voegen. Soms moet je daartussen -e ,-en of -s schrijven. In het volgende overzicht vind je de regels voor deze tussenletters. Samenstellingen met een tussen-n Schrijf -(e)n-:
Voorbeelden
Als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -n of -en heeft.
vissenkom verdachtenverhoor bloemenvaas
Samenstellingen zonder tussen-n Schrijf geen -n-:
Voorbeelden
Als het eerste deel van de samenstelling geen meervoud heeft.
roggebrood, ereplaats
Als het eerste deel van de samenstelling alleen een meervoud op -s heeft.
aspergebed, etagewoning
Als het eerste deel van de samenstelling een meervoud op -s en -n heeft.
lindebloesem, aktetas
Als het eerste deel van de samenstelling geen zelfstandig naamwoord is.
huilebalk, rodekool
Als het eerste deel van de samenstelling de betekenis van het tweede deel versterkt.
apetrots, reuzeleuk
Als het eerste deel van de samenstelling een unieke persoon of zaak is.
zonnebank, Koninginnedag
Als het woord niet (meer) herkenbaar is als een samenstelling. Soms lijkt een woord een samenstelling, maar is het dat nooit geweest.
schattebout, spillebeen
Samenstellingen met een tussen-s Schrijf -s-:
Voorbeelden
Als je die klank hoort. Als het tweede woorddeel begint met een sisklank, kun je de klank niet horen. Vervang het tweede woorddeel, zodat je hoort of je een tussen-s moet schrijven.
dorpskern, reddingsboot dus ook: dorpsstraat, reddingsschip
[14.2.24] Verkleinwoorden Met een achtervoegsel kun je van een zelfstandig naamwoord een verkleinwoord maken. Meestal schrijf je het verkleinwoord zoals het klinkt. vork – vorkje film – filmpje appel – appeltje tang – tangetje
62
Spelling
• Bij woorden die eindigen op een lange klinker moet je de klinker verdubbelen. oma – omaatje video – videootje café – cafeetje paraplu - parapluutje • Bij woorden die eindigen op -i voeg je een -e toe. Bij woorden op -y (met een medeklinker ervoor) of op -u (uitgesproken als oe) schrijf je een apostrof. taxi – taxietje lolly – lolly’tje spray – spraytje sudoku – sudoku’tje • Je gebruikt ook een apostrof bij cijfer- en letterwoorden. mp3 - mp3’tje wc - wc’tje s - s’je Als je een verkleinwoord aan het eind van de regel afbreekt, laat je de apostrof en extra letters weg. pianootje - piano-tje cafeetje - café-tje baby’tje - baby-tje
[14.2.25] Bezitsvorm In plaats van de boormachine van mijn oom kun je ook zeggen mijn ooms boormachine. De bezitsvorm van een zelfstandig naamwoord maak je meestal door er een -s achter te zetten. de mountainbike van mijn broer mijn broers mountainbike de viool van Okke Okkes viool de passer van Farah Farahs passer Cornés broodje het broodje van Corné Eindigt het zelfstandig naamwoord op een a, i, o, u of y die lang klank? Schrijf dan een apostrof voor de s: Mila's regels, Amy's roddels. Eindigt het zelfstandig naamwoord op een sisklank? Schrijf dan alleen een apostrof: Morris’ kaartspel, Patrice’ gereedschap.
[14.2.26] Afkortingen Als je je boodschap kort wilt overbrengen, kun je afkortingen gebruiken in plaats van volledige woorden. Soms is een afkorting ook gebruikelijker dan het volledige woord. tv, kB, blz., a.u.b., NS, AOW, z.o.z., PvdA Er zijn geen duidelijke regels voor de spelling van afkortingen. Gebruik daarom een woordenboek als je niet weet hoe je de afkorting schrijft. Dit zijn de meest voorkomende manieren om een afkorting te schrijven: Met kleine letters én punten
i.p.v. (in plaats van), mevr. (mevrouw), s.v.p. (s’il vous plaît), bijv. (bijvoorbeeld)
Met kleine letters, maar zonder punten (bij sommige veelgebruikte afkortingen)
cm (centimeter), dvd (digital versatile disc), gps (global positioning system), vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs)
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
Met hoofdletters, maar zonder punten (bij bedrijfsnamen en minder vaak voorkomende afkortingen)
KLM (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij), VN (Verenigde Naties), NB (nota bene), ADHD (attention deficit hyperactivity disorder)
Met hoofdletters én punten (heel zeldzaam)
Z.K.H. (Zijne Koninklijke Hoogheid)
Spelling
persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. In zin 2 is verward het voltooid deelwoord, want het werkwoord heeft hoort erbij (heeft verward). Je gebruikt dus de regel voor het voltooid deelwoord.
[14.3.3] Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd In het enkelvoud heeft de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (tt) twee verschillende vormen: de ik-vorm en de ik-vorm + t. De ik-vorm is de persoonsvorm die je schrijft achter het onderwerp ik. In het meervoud schrijf je de persoonsvorm als infinitief (heel werkwoord).
14.3 Werkwoordspelling [14.3.1] Werkwoorden vervoegen
Voorbeelden
Werkwoorden kun je vervoegen. Dat wil zeggen dat je de vorm van het werkwoord aanpast, zodat deze goed past in de zin. De persoonsvorm is een vervoegde vorm van het werkwoord. Hij bevat veel grammaticale informatie over de zin waar hij in staat. Drie kenmerken zijn van invloed op de persoonsvorm: 1 Getal: enkelvoud of meervoud. Het getal van de persoonsvorm is altijd hetzelfde als dat van het onderwerp. 2 Persoon: eerste, tweede of derde persoon. De persoonsvorm staat altijd in dezelfde persoon als het onderwerp. 3 Tijd: tegenwoordige of verleden tijd. Als je in een zin een of meer van deze kenmerken verandert, dan verandert ook de persoonsvorm. In dit schema zie je de verschillende persoonsvormen van het werkwoord lachen. Getal
Enkelvoud
Meervoud
Persoon
Tijd Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
eerste persoon
ik
lach
lachte
tweede persoon
jij (je)/u
lacht
lachte
derde persoon
hij/zij (ze)/het
lacht
lachte
eerste persoon
wij
lachen
lachten
tweede persoon
jullie
lachen
lachten
derde persoon
zij (ze)
lachen
lachten
Je kunt hij, zij (ze) of het vervangen door andere woorden, zoals mijn broer, de hond van de buren of de sportschoenen.
[14.3.2] Werkwoorden vervoegen: kies de goede regel Als je een werkwoord gaat vervoegen, moet je eerst weten met welke werkwoordsvorm je te maken hebt. Gaat het om een persoonsvorm, een voltooid deelwoord of een heel werkwoord? Daarna kun je de spellingregel gebruiken die hoort bij die werkwoordsvorm. Dus: Stap 1 Kijk welke vorm van het werkwoord het is. • Een persoonsvorm kan van tijd veranderen. (Doe de tijdproef of de getalproef.) • Een voltooid deelwoord gaat altijd samen met een vorm van hebben, zijn of worden. Stap 2 Denk na welke regel daarbij hoort. • Persoonsvorm: is het de tegenwoordige of de verleden tijd? Gebruik de goede regel (Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en Persoonsvorm in de verleden tijd). • Voltooid deelwoord: gebruik de goede regel (Voltooid deelwoord). 1 De leraar verwart die twee leerlingen steeds met elkaar. 2 De leraar heeft die twee leerlingen met elkaar verward. In zin 1 is verwart de persoonsvorm, want dit woord verandert als je de tijdproef of de getalproef doet. De zin staat in de tegenwoordige tijd, dus je gebruikt de regel voor de
Getal
Persoon
Vorm
dansen
worden
praten
Enkelvoud
eerste persoon
ik-vorm
ik dans
ik word
ik praat
tweede persoon
ik-vorm + t
jij danst
jij wordt
jij praat
derde persoon
ik-vorm + t
hij danst
het wordt
zij praat
eerste persoon
infinitief
wij dansen
we worden
wij praten
tweede persoon
infinitief
jullie dansen
jullie worden
jullie praten
derde persoon
infinitief
zij dansen
ze worden
zij praten
Meervoud
Soms eindigt de ik-vorm al op een -t, zoals bij ik praat. Je hoeft dan geen tweede -t te schrijven in de tweede en derde persoon enkelvoud. Soms eindigt de ik-vorm op een t-klank, zoals bij ik word. Je schrijft dan in de tweede en derde persoon enkelvoud nog steeds de ik-vorm + t: jij wordt, hij vindt. Als het onderwerp jij of je achter de persoonsvorm staat, dan spreek je geen t uit. Je schrijft de t daarom ook niet. Je schrijft alleen de ik-vorm. Blijf jij? Vind je?
[14.3.4] Stam Om een werkwoord te kunnen vervoegen in de verleden tijd en in de voltooide tijd, heb je soms de stam van het werkwoord nodig. Dat is de infinitief zonder -en. Infinitief
Stam
vinden
vind
lopen
lop
vallen
vall
durven
durv
reizen
reiz
De stam is soms hetzelfde als de ik-vorm, zoals bij het werkwoord vinden. Maar in het schema hierboven zie je dat dit niet altijd zo is. Je moet dan de stam aanpassen om de ik-vorm te krijgen. Je moet dan bijvoorbeeld: • een klinker toevoegen: lop → ik loop; • een medeklinker weglaten: vall → ik val; • een letter veranderen (van een v in een f, of van een z in een s): durv → ik durf, reiz → ik reis.
[14.3.5] Persoonsvorm in de verleden tijd Er bestaan twee soorten werkwoorden: klankveranderende en klankvaste werkwoorden. Bij klankveranderende of sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd (v.t.).
65
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 14
Met hoofdletters, maar zonder punten (bij bedrijfsnamen en minder vaak voorkomende afkortingen)
KLM (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij), VN (Verenigde Naties), NB (nota bene), ADHD (attention deficit hyperactivity disorder)
Met hoofdletters én punten (heel zeldzaam)
Z.K.H. (Zijne Koninklijke Hoogheid)
Spelling
persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. In zin 2 is verward het voltooid deelwoord, want het werkwoord heeft hoort erbij (heeft verward). Je gebruikt dus de regel voor het voltooid deelwoord.
[14.3.3] Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd In het enkelvoud heeft de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (tt) twee verschillende vormen: de ik-vorm en de ik-vorm + t. De ik-vorm is de persoonsvorm die je schrijft achter het onderwerp ik. In het meervoud schrijf je de persoonsvorm als infinitief (heel werkwoord).
14.3 Werkwoordspelling [14.3.1] Werkwoorden vervoegen
Voorbeelden
Werkwoorden kun je vervoegen. Dat wil zeggen dat je de vorm van het werkwoord aanpast, zodat deze goed past in de zin. De persoonsvorm is een vervoegde vorm van het werkwoord. Hij bevat veel grammaticale informatie over de zin waar hij in staat. Drie kenmerken zijn van invloed op de persoonsvorm: 1 Getal: enkelvoud of meervoud. Het getal van de persoonsvorm is altijd hetzelfde als dat van het onderwerp. 2 Persoon: eerste, tweede of derde persoon. De persoonsvorm staat altijd in dezelfde persoon als het onderwerp. 3 Tijd: tegenwoordige of verleden tijd. Als je in een zin een of meer van deze kenmerken verandert, dan verandert ook de persoonsvorm. In dit schema zie je de verschillende persoonsvormen van het werkwoord lachen. Getal
Enkelvoud
Meervoud
Persoon
Tijd Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
eerste persoon
ik
lach
lachte
tweede persoon
jij (je)/u
lacht
lachte
derde persoon
hij/zij (ze)/het
lacht
lachte
eerste persoon
wij
lachen
lachten
tweede persoon
jullie
lachen
lachten
derde persoon
zij (ze)
lachen
lachten
Je kunt hij, zij (ze) of het vervangen door andere woorden, zoals mijn broer, de hond van de buren of de sportschoenen.
[14.3.2] Werkwoorden vervoegen: kies de goede regel Als je een werkwoord gaat vervoegen, moet je eerst weten met welke werkwoordsvorm je te maken hebt. Gaat het om een persoonsvorm, een voltooid deelwoord of een heel werkwoord? Daarna kun je de spellingregel gebruiken die hoort bij die werkwoordsvorm. Dus: Stap 1 Kijk welke vorm van het werkwoord het is. • Een persoonsvorm kan van tijd veranderen. (Doe de tijdproef of de getalproef.) • Een voltooid deelwoord gaat altijd samen met een vorm van hebben, zijn of worden. Stap 2 Denk na welke regel daarbij hoort. • Persoonsvorm: is het de tegenwoordige of de verleden tijd? Gebruik de goede regel (Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en Persoonsvorm in de verleden tijd). • Voltooid deelwoord: gebruik de goede regel (Voltooid deelwoord). 1 De leraar verwart die twee leerlingen steeds met elkaar. 2 De leraar heeft die twee leerlingen met elkaar verward. In zin 1 is verwart de persoonsvorm, want dit woord verandert als je de tijdproef of de getalproef doet. De zin staat in de tegenwoordige tijd, dus je gebruikt de regel voor de
64
Getal
Persoon
Vorm
dansen
worden
praten
Enkelvoud
eerste persoon
ik-vorm
ik dans
ik word
ik praat
tweede persoon
ik-vorm + t
jij danst
jij wordt
jij praat
derde persoon
ik-vorm + t
hij danst
het wordt
zij praat
eerste persoon
infinitief
wij dansen
we worden
wij praten
tweede persoon
infinitief
jullie dansen
jullie worden
jullie praten
derde persoon
infinitief
zij dansen
ze worden
zij praten
Meervoud
Soms eindigt de ik-vorm al op een -t, zoals bij ik praat. Je hoeft dan geen tweede -t te schrijven in de tweede en derde persoon enkelvoud. Soms eindigt de ik-vorm op een t-klank, zoals bij ik word. Je schrijft dan in de tweede en derde persoon enkelvoud nog steeds de ik-vorm + t: jij wordt, hij vindt. Als het onderwerp jij of je achter de persoonsvorm staat, dan spreek je geen t uit. Je schrijft de t daarom ook niet. Je schrijft alleen de ik-vorm. Blijf jij? Vind je?
[14.3.4] Stam Om een werkwoord te kunnen vervoegen in de verleden tijd en in de voltooide tijd, heb je soms de stam van het werkwoord nodig. Dat is de infinitief zonder -en. Infinitief
Stam
vinden
vind
lopen
lop
vallen
vall
durven
durv
reizen
reiz
De stam is soms hetzelfde als de ik-vorm, zoals bij het werkwoord vinden. Maar in het schema hierboven zie je dat dit niet altijd zo is. Je moet dan de stam aanpassen om de ik-vorm te krijgen. Je moet dan bijvoorbeeld: • een klinker toevoegen: lop → ik loop; • een medeklinker weglaten: vall → ik val; • een letter veranderen (van een v in een f, of van een z in een s): durv → ik durf, reiz → ik reis.
[14.3.5] Persoonsvorm in de verleden tijd Er bestaan twee soorten werkwoorden: klankveranderende en klankvaste werkwoorden. Bij klankveranderende of sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd (v.t.).
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 15 Woordenschat
Infinitief
Ik-vorm v.t.
houden
ik hield
nemen
ik nam
15 Woordenschat
Klankvaste of zwakke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de klank niet verandert. De persoonsvorm in de verleden tijd schrijf je met de ik-vorm + te(n) of ik-vorm + de(n). Infinitief
Persoonsvorm v.t.
bakken
ik bakte
planten
wij plantten
grijnzen
ik grijnsde
verantwoorden
wij verantwoordden
[15.1] Schooltaalwoorden Op school kom je andere woorden tegen dan thuis. Deze woorden noem je schooltaalwoorden. Een speciaal soort schooltaalwoorden zijn instructiewoorden. Als je de betekenis van deze woorden kent, weet je sneller wat je moet doen.
15.2 Woordenboek [15.2.1] Alfabetische volgorde
Om te bepalen of je + te(n) of + de(n) moet schrijven, kun je de regel van ’t kofschip gebruiken. Volg daarvoor de volgende stappen: 1 Neem de stam van het werkwoord. 2 Kijk naar de laatste letter van de stam. 3 Is dat een medeklinker uit ’t kofschip of is het een x? Schrijf dan de ik-vorm + te(n). Is dat geen medeklinker uit ’t kofschip en ook geen x? Schrijf dan de ik-vorm + de(n). De letter x telt ook als een medeklinker uit ’t kofschip, omdat die klank eindigt op een s. De stam van waxen krijgt dus + te(n). Stap 1
Stap 2
Stap 3
Infinitief
Stam
Laatste letter
’t Kofschip?
Persoonsvorm v.t.
proeven
proev
v
nee →
ik proefde
sussen
suss
s
ja →
wij susten
De woorden in een woordenboek staan op alfabetische volgorde. Je moet het alfabet goed kennen als je een woord wilt opzoeken. Als je woorden op alfabetische volgorde zet, kijk je naar de eerste letter. Als deze beginletter hetzelfde is, kijk je naar de tweede letter. Als ook deze letter hetzelfde is, kijk je naar de derde letter. Zo ga je verder. Het korte woord met dezelfde beginletters komt voor het lange woord. Muziek komt dus voor muziekles.
[15.2.2] Zoekwoorden Bovenaan de bladzijden in een woordenboek staan twee of vier opvallende woorden. Dat zijn zoekwoorden. Het eerste zoekwoord is het eerste woord dat op die bladzijde staat. Het tweede zoekwoord is het laatste woord op die bladzijde. Zo zie je sneller of je een woord op die bladzijde kunt vinden.
[14.3.6] Voltooid deelwoord Bij klankveranderende werkwoorden kun je meestal horen hoe je het voltooid deelwoord spelt: eten → Ik heb een appel gegeten. brengen → Hij heeft een boek gebracht. Klankvaste werkwoorden hebben een voltooid deelwoord dat eindigt op -t of -d. Soms kun je horen welke eindletter je moet schrijven als je het werkwoord in de verleden tijd zet. Je schrijft dan in het voltooid deelwoord dezelfde letter die je hoort in de verleden tijd: ik werkte → ik heb gewerkt ik baalde → ik heb gebaald Als je niet kunt horen of je -t of -d moet schrijven, kun je een van de volgende manieren gebruiken. 1 Maak het voltooid deelwoord langer. Luister of je aan het eind een d of een t hoort. Infinitief
Langer maken
Voltooid deelwoord
rijpen
het gerijpte fruit
hij is gerijpt
rimpelen
de gerimpelde huid
hij is gerimpeld
2 1 2 3
Gebruik de regel van ’t kofschip. Volg daarvoor de volgende stappen: Neem de stam van het werkwoord. Kijk naar de laatste letter van de stam. Is dat een medeklinker uit ’t kofschip of is het een x? Schrijf dan -t. Is dat geen medeklinker uit ’t kofschip en ook geen x? Schrijf dan -d.
[15.2.3] Grondwoorden Veel woorden komen voor in verschillende vormen. In het woordenboek zoek je altijd de basisvorm van een woord: het grondwoord. vond zoek je bij het grondwoord vinden; gepresenteerd zoek je bij het grondwoord presenteren; apparaatje zoek je bij het grondwoord apparaat; musea zoek je bij het grondwoord museum; broze zoek je bij het grondwoord broos en superhygiënisch zoek je bij het grondwoord hygiënisch.
[15.2.4] Betekenissen Je gebruikt een woordenboek vooral om de betekenis van woorden op te zoeken. De definitie is de omschrijving van de betekenis van een woord. Veel woorden hebben meer dan één betekenis. Elke betekenis heeft een nummer, een stip of een streepje. Lees alle betekenissen goed door om te bekijken welke betekenis past bij de zin die je gelezen hebt.
67
Theorie — 14 Spelling
Theorie — 15 Woordenschat
Infinitief
Ik-vorm v.t.
houden
ik hield
nemen
ik nam
15 Woordenschat
Klankvaste of zwakke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de klank niet verandert. De persoonsvorm in de verleden tijd schrijf je met de ik-vorm + te(n) of ik-vorm + de(n). Infinitief
Persoonsvorm v.t.
bakken
ik bakte
planten
wij plantten
grijnzen
ik grijnsde
verantwoorden
wij verantwoordden
[15.1] Schooltaalwoorden Op school kom je andere woorden tegen dan thuis. Deze woorden noem je schooltaalwoorden. Een speciaal soort schooltaalwoorden zijn instructiewoorden. Als je de betekenis van deze woorden kent, weet je sneller wat je moet doen.
15.2 Woordenboek [15.2.1] Alfabetische volgorde
Om te bepalen of je + te(n) of + de(n) moet schrijven, kun je de regel van ’t kofschip gebruiken. Volg daarvoor de volgende stappen: 1 Neem de stam van het werkwoord. 2 Kijk naar de laatste letter van de stam. 3 Is dat een medeklinker uit ’t kofschip of is het een x? Schrijf dan de ik-vorm + te(n). Is dat geen medeklinker uit ’t kofschip en ook geen x? Schrijf dan de ik-vorm + de(n). De letter x telt ook als een medeklinker uit ’t kofschip, omdat die klank eindigt op een s. De stam van waxen krijgt dus + te(n). Stap 1
Stap 2
Stap 3
Infinitief
Stam
Laatste letter
’t Kofschip?
Persoonsvorm v.t.
proeven
proev
v
nee →
ik proefde
sussen
suss
s
ja →
wij susten
De woorden in een woordenboek staan op alfabetische volgorde. Je moet het alfabet goed kennen als je een woord wilt opzoeken. Als je woorden op alfabetische volgorde zet, kijk je naar de eerste letter. Als deze beginletter hetzelfde is, kijk je naar de tweede letter. Als ook deze letter hetzelfde is, kijk je naar de derde letter. Zo ga je verder. Het korte woord met dezelfde beginletters komt voor het lange woord. Muziek komt dus voor muziekles.
[15.2.2] Zoekwoorden Bovenaan de bladzijden in een woordenboek staan twee of vier opvallende woorden. Dat zijn zoekwoorden. Het eerste zoekwoord is het eerste woord dat op die bladzijde staat. Het tweede zoekwoord is het laatste woord op die bladzijde. Zo zie je sneller of je een woord op die bladzijde kunt vinden.
[14.3.6] Voltooid deelwoord Bij klankveranderende werkwoorden kun je meestal horen hoe je het voltooid deelwoord spelt: eten → Ik heb een appel gegeten. brengen → Hij heeft een boek gebracht. Klankvaste werkwoorden hebben een voltooid deelwoord dat eindigt op -t of -d. Soms kun je horen welke eindletter je moet schrijven als je het werkwoord in de verleden tijd zet. Je schrijft dan in het voltooid deelwoord dezelfde letter die je hoort in de verleden tijd: ik werkte → ik heb gewerkt ik baalde → ik heb gebaald Als je niet kunt horen of je -t of -d moet schrijven, kun je een van de volgende manieren gebruiken. 1 Maak het voltooid deelwoord langer. Luister of je aan het eind een d of een t hoort. Infinitief
Langer maken
Voltooid deelwoord
rijpen
het gerijpte fruit
hij is gerijpt
rimpelen
de gerimpelde huid
hij is gerimpeld
2 1 2 3
66
Gebruik de regel van ’t kofschip. Volg daarvoor de volgende stappen: Neem de stam van het werkwoord. Kijk naar de laatste letter van de stam. Is dat een medeklinker uit ’t kofschip of is het een x? Schrijf dan -t. Is dat geen medeklinker uit ’t kofschip en ook geen x? Schrijf dan -d.
[15.2.3] Grondwoorden Veel woorden komen voor in verschillende vormen. In het woordenboek zoek je altijd de basisvorm van een woord: het grondwoord. vond zoek je bij het grondwoord vinden; gepresenteerd zoek je bij het grondwoord presenteren; apparaatje zoek je bij het grondwoord apparaat; musea zoek je bij het grondwoord museum; broze zoek je bij het grondwoord broos en superhygiënisch zoek je bij het grondwoord hygiënisch.
[15.2.4] Betekenissen Je gebruikt een woordenboek vooral om de betekenis van woorden op te zoeken. De definitie is de omschrijving van de betekenis van een woord. Veel woorden hebben meer dan één betekenis. Elke betekenis heeft een nummer, een stip of een streepje. Lees alle betekenissen goed door om te bekijken welke betekenis past bij de zin die je gelezen hebt.
Theorie — 15 Woordenschat
Wil je in je nieuwe kamer behang met of zonder motief? In het woordenboek zie je twee betekenissen:
Theorie — 15 Woordenschat
[15.3] Stappenplan moeilijke woorden Als je regelmatig de krant of een boek leest en het nieuws volgt op radio, tv of internet, leer je vanzelf steeds meer nieuwe woorden. Wanneer je een moeilijk woord tegenkomt, kun je het opzoeken in een woordenboek. Vaak is dat niet nodig. Gebruik bij woorden die je niet begrijpt dit stappenplan:
In jouw zin gaat het over behang. Je begrijpt dat je betekenis 2 moet hebben en dat behang met een motief behang met figuurtjes is.
[15.2.5] De-woorden en het-woorden In een woordenboek kun je opzoeken of een woord een de-woord of een het-woord is. Voor een de-woord zet je de of die. Voor een het-woord zet je het of dat. In het woordenboek staat bij de-woorden de letter m of v (van mannelijk of vrouwelijk) of er staat de bij, soms tussen haakjes. Bij het-woorden staat de letter o (van onzijdig) of er staat het bij, soms tussen haakjes.
Stappenplan moeilijke woorden
Stap 1 Lees een stukje terug of verder in de tekst. De tekst rondom een woord wordt de context genoemd. De context geeft je vaak al aanwijzingen over de betekenis van het woord. Misschien zie je daar wel: a. een ander woord met dezelfde betekenis (een synoniem); b. een woord met een tegengestelde betekenis (een antoniem); c. een omschrijving; d. een voorbeeld.
[15.2.6] Afkortingen In een woordenboek kun je opzoeken uit welke woorden afkortingen bestaan. Soms staat de betekenis van de afkorting er ook bij. Afkortingen staan in het woordenboek in alfabetische volgorde tussen de gewone woorden. De afkorting m.b.v. vind je dus na de woorden die beginnen met ma- en voor de woorden die beginnen met me-. Je mag deze opgave oplossen m.b.v. een rekenmachine. De afkorting m.b.v. betekent met behulp van. Bij deze opgave mag je dus je rekenmachine gebruiken.
[15.2.7] Uitdrukkingen opzoeken Ook de betekenis van uitdrukkingen en spreekwoorden kun je opzoeken in het woordenboek. Dat doe je zo: • Kies het belangrijkste woord van de uitdrukking. • Zoek dat woord op. • Staat de uitdrukking er niet bij? Zoek dan bij een ander woord in de uitdrukking.
Bij a: De houten constructie in de speeltuin was onveilig, dus besloot de gemeente het bouwwerk te slopen. Bij b: Nu fietst Sascha nog als amateur, maar later wil ze wielrenner van beroep worden. Bij c: De koninklijke familie maakt een rondrit in een landauer, een koets voor vier personen. Bij d: Dounia is op school goed in de exacte vakken, zoals wiskunde en natuurkunde. Stap 2 Kijk naar de delen van het woord. Een moeilijk woord kan soms ook zélf al een deel van de betekenis verraden. Kijk of het moeilijke woord misschien lijkt op een woord dat je wel kent. Misschien herken je in het woord een ander woord of een deel daarvan. Zo kun je alsnog de betekenis afleiden. In het woord miscommunicatie herken je de delen mis- en communicatie. Het voorvoegsel mis- betekent ‘slecht’ of ‘mislukt’. Communicatie draait om het uitwisselen van informatie. Bij miscommunicatie is dit dus mislukt. Stap 3 Kijk naar de afbeeldingen bij de tekst. Bij een tekst staan soms afbeeldingen. Kijk daar goed naar, want ze kunnen je helpen om moeilijke woorden uit de tekst te begrijpen. Zo vouw je een papieren vliegtuigje: Stap 1 – Vouw het papier in de lengte dubbel. Stap 2 - Vouw de punten aan de bovenkant diagonaal naar binnen. Je weet niet zeker wat diagonaal betekent. Als je kijkt naar stap 2 op het plaatje, dan zie je dat diagonaal ‘schuin’ betekent.
69
Theorie — 15 Woordenschat
Wil je in je nieuwe kamer behang met of zonder motief? In het woordenboek zie je twee betekenissen:
Theorie — 15 Woordenschat
[15.3] Stappenplan moeilijke woorden Als je regelmatig de krant of een boek leest en het nieuws volgt op radio, tv of internet, leer je vanzelf steeds meer nieuwe woorden. Wanneer je een moeilijk woord tegenkomt, kun je het opzoeken in een woordenboek. Vaak is dat niet nodig. Gebruik bij woorden die je niet begrijpt dit stappenplan:
In jouw zin gaat het over behang. Je begrijpt dat je betekenis 2 moet hebben en dat behang met een motief behang met figuurtjes is.
[15.2.5] De-woorden en het-woorden In een woordenboek kun je opzoeken of een woord een de-woord of een het-woord is. Voor een de-woord zet je de of die. Voor een het-woord zet je het of dat. In het woordenboek staat bij de-woorden de letter m of v (van mannelijk of vrouwelijk) of er staat de bij, soms tussen haakjes. Bij het-woorden staat de letter o (van onzijdig) of er staat het bij, soms tussen haakjes.
Stappenplan moeilijke woorden
Stap 1 Lees een stukje terug of verder in de tekst. De tekst rondom een woord wordt de context genoemd. De context geeft je vaak al aanwijzingen over de betekenis van het woord. Misschien zie je daar wel: a. een ander woord met dezelfde betekenis (een synoniem); b. een woord met een tegengestelde betekenis (een antoniem); c. een omschrijving; d. een voorbeeld.
[15.2.6] Afkortingen In een woordenboek kun je opzoeken uit welke woorden afkortingen bestaan. Soms staat de betekenis van de afkorting er ook bij. Afkortingen staan in het woordenboek in alfabetische volgorde tussen de gewone woorden. De afkorting m.b.v. vind je dus na de woorden die beginnen met ma- en voor de woorden die beginnen met me-. Je mag deze opgave oplossen m.b.v. een rekenmachine. De afkorting m.b.v. betekent met behulp van. Bij deze opgave mag je dus je rekenmachine gebruiken.
[15.2.7] Uitdrukkingen opzoeken Ook de betekenis van uitdrukkingen en spreekwoorden kun je opzoeken in het woordenboek. Dat doe je zo: • Kies het belangrijkste woord van de uitdrukking. • Zoek dat woord op. • Staat de uitdrukking er niet bij? Zoek dan bij een ander woord in de uitdrukking.
68
Bij a: De houten constructie in de speeltuin was onveilig, dus besloot de gemeente het bouwwerk te slopen. Bij b: Nu fietst Sascha nog als amateur, maar later wil ze wielrenner van beroep worden. Bij c: De koninklijke familie maakt een rondrit in een landauer, een koets voor vier personen. Bij d: Dounia is op school goed in de exacte vakken, zoals wiskunde en natuurkunde. Stap 2 Kijk naar de delen van het woord. Een moeilijk woord kan soms ook zélf al een deel van de betekenis verraden. Kijk of het moeilijke woord misschien lijkt op een woord dat je wel kent. Misschien herken je in het woord een ander woord of een deel daarvan. Zo kun je alsnog de betekenis afleiden. In het woord miscommunicatie herken je de delen mis- en communicatie. Het voorvoegsel mis- betekent ‘slecht’ of ‘mislukt’. Communicatie draait om het uitwisselen van informatie. Bij miscommunicatie is dit dus mislukt. Stap 3 Kijk naar de afbeeldingen bij de tekst. Bij een tekst staan soms afbeeldingen. Kijk daar goed naar, want ze kunnen je helpen om moeilijke woorden uit de tekst te begrijpen. Zo vouw je een papieren vliegtuigje: Stap 1 – Vouw het papier in de lengte dubbel. Stap 2 - Vouw de punten aan de bovenkant diagonaal naar binnen. Je weet niet zeker wat diagonaal betekent. Als je kijkt naar stap 2 op het plaatje, dan zie je dat diagonaal ‘schuin’ betekent.
Theorie — 15 Woordenschat
Theorie — 16 Formuleren
16 Formuleren 16.1 Stijlregels [16.1] Stijlregels Als je spreekt of een tekst schrijft, dan wil je dat je boodschap zo goed mogelijk overkomt. Het is dan belangrijk dat je je houdt aan de stijlregels: de afspraken die zijn gemaakt over hoe een goede tekst eruitziet. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat de ontvanger je niet serieus neemt of nauwelijks aandacht heeft voor jouw boodschap. Besteed daarom bij elke tekst aandacht aan deze regels voor spelling, zinsbouw, leestekens en stijl.
Stap 4 Zoek de betekenis op in een woordenboek. Hebben de vorige drie stappen je niet geholpen? Dan kun je de betekenis aan iemand vragen of opzoeken in een woordenboek.
[15.4] Synoniemen
1 Gebruik hoofdletters en leestekens.
• Begin elke zin met een hoofdletter. • Schrijf namen met hoofdletters. • Zet achter een gewone zin een punt. • Zet achter een vragende zin een vraagteken. • Zet achter een uitroep een uitroepteken. • Gebruik nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken per keer. Eén is genoeg.
2 Gebruik geen afkortingen.
Schrijf in brieven, e-mails en teksten woorden altijd volledig uit.
3 Maak hele zinnen.
Schrijf in elke zin een onderwerp en een gezegde.
4 Spreek je publiek op de juiste manier aan.
Bij vrienden en bekenden kun je zeggen wat je wilt. Je hoeft niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Over je taalgebruik bij onbekenden moet je van tevoren wel goed nadenken. Gebruik beleefde woorden die passen bij het publiek. In dit geval kies je voor formeel taalgebruik.
5 Gebruik begrijpelijke woorden.
Houd rekening met je publiek. Vermijd moeilijke woorden of leg ze uit.
6 Maak niet te lange zinnen.
De lezer raakt dan de draad kwijt en stopt met lezen. Wissel lange zinnen af met korte zinnen.
7 Vermijd stopwoorden zo veel mogelijk.
Stopwoorden, woorden zonder duidelijke betekenis, kun je gebruiken om je boodschap te verzachten of te versterken. Gebruik ze zo weinig mogelijk, anders komt je boodschap niet goed over.
8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
Een overzicht van de verwijswoorden vind je hier.
8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken.
Een overzicht van de verwijswoorden vind je hier.
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen.
Een overzicht van de signaalwoorden vind je hier.
10 Gebruik komma’s op de juiste plaats.
Zet een komma: • tussen de delen van een opsomming; • tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen; • na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin; • voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin. Meer toelichting bij deze regels vind je hier.
Synoniemen zijn woorden die (ongeveer) hetzelfde betekenen. Als je af en toe een synoniem gebruikt, wordt je tekst afwisselender en daardoor leuker om te lezen. Mijn kleren waren doorweekt van de regen. Mijn broek was kletsnat en mijn trui kledder. In Word kun je automatisch zoeken naar synoniemen. Je selecteert een woord (let op: het werkt alleen bij de grondvorm!). Bij Synoniemen draagt het programma zelf alternatieven aan. Deze functie kun je gebruiken om de betekenis op te zoeken of om je eigen tekst wat levendiger te maken. Je moet wel goed opletten, want soms betekent een synoniem nét iets anders. Denk maar eens aan het woord gevangenis. De woorden bajes en detentiecentrum betekenen hetzelfde, maar het eerste woord is straattaal, terwijl het tweede woord formeler is. Houd daar rekening mee bij je keuze.
[15.5] Antoniemen Woorden met een tegengestelde betekenis noem je antoniemen. Zo is ‘figuurlijk’ het antoniem van ‘letterlijk’. Antoniemen kun je soms herkennen aan een voorvoegsel: niet-
(niet-)bestaand, (niet-)alledaags
on-
(on)acceptabel, (on)leesbaar
de(s)-
(de)monteren, (des)infecteren
in-
(in)direct, (in)formeel
im-
(im)moreel, (im)populair
a(n)-
(a)sociaal, (an)alfabeet
il-
(il)legaal
ir-
(ir)reëel, (ir)regulier
71
Theorie — 15 Woordenschat
Theorie — 16 Formuleren
16 Formuleren 16.1 Stijlregels [16.1] Stijlregels Als je spreekt of een tekst schrijft, dan wil je dat je boodschap zo goed mogelijk overkomt. Het is dan belangrijk dat je je houdt aan de stijlregels: de afspraken die zijn gemaakt over hoe een goede tekst eruitziet. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat de ontvanger je niet serieus neemt of nauwelijks aandacht heeft voor jouw boodschap. Besteed daarom bij elke tekst aandacht aan deze regels voor spelling, zinsbouw, leestekens en stijl.
Stap 4 Zoek de betekenis op in een woordenboek. Hebben de vorige drie stappen je niet geholpen? Dan kun je de betekenis aan iemand vragen of opzoeken in een woordenboek.
[15.4] Synoniemen
1 Gebruik hoofdletters en leestekens.
• Begin elke zin met een hoofdletter. • Schrijf namen met hoofdletters. • Zet achter een gewone zin een punt. • Zet achter een vragende zin een vraagteken. • Zet achter een uitroep een uitroepteken. • Gebruik nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken per keer. Eén is genoeg.
2 Gebruik geen afkortingen.
Schrijf in brieven, e-mails en teksten woorden altijd volledig uit.
3 Maak hele zinnen.
Schrijf in elke zin een onderwerp en een gezegde.
4 Spreek je publiek op de juiste manier aan.
Bij vrienden en bekenden kun je zeggen wat je wilt. Je hoeft niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Over je taalgebruik bij onbekenden moet je van tevoren wel goed nadenken. Gebruik beleefde woorden die passen bij het publiek. In dit geval kies je voor formeel taalgebruik.
5 Gebruik begrijpelijke woorden.
Houd rekening met je publiek. Vermijd moeilijke woorden of leg ze uit.
6 Maak niet te lange zinnen.
De lezer raakt dan de draad kwijt en stopt met lezen. Wissel lange zinnen af met korte zinnen.
7 Vermijd stopwoorden zo veel mogelijk.
Stopwoorden, woorden zonder duidelijke betekenis, kun je gebruiken om je boodschap te verzachten of te versterken. Gebruik ze zo weinig mogelijk, anders komt je boodschap niet goed over.
8a Gebruik verwijswoorden op de goede manier.
Een overzicht van de verwijswoorden vind je hier.
8b Verwijs op een goede manier naar personen en zaken.
Een overzicht van de verwijswoorden vind je hier.
9 Gebruik passende signaalwoorden tussen de delen van een zin of tussen zinnen.
Een overzicht van de signaalwoorden vind je hier.
10 Gebruik komma’s op de juiste plaats.
Zet een komma: • tussen de delen van een opsomming; • tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen; • na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin; • voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin. Meer toelichting bij deze regels vind je hier.
Synoniemen zijn woorden die (ongeveer) hetzelfde betekenen. Als je af en toe een synoniem gebruikt, wordt je tekst afwisselender en daardoor leuker om te lezen. Mijn kleren waren doorweekt van de regen. Mijn broek was kletsnat en mijn trui kledder. In Word kun je automatisch zoeken naar synoniemen. Je selecteert een woord (let op: het werkt alleen bij de grondvorm!). Bij Synoniemen draagt het programma zelf alternatieven aan. Deze functie kun je gebruiken om de betekenis op te zoeken of om je eigen tekst wat levendiger te maken. Je moet wel goed opletten, want soms betekent een synoniem nét iets anders. Denk maar eens aan het woord gevangenis. De woorden bajes en detentiecentrum betekenen hetzelfde, maar het eerste woord is straattaal, terwijl het tweede woord formeler is. Houd daar rekening mee bij je keuze.
[15.5] Antoniemen Woorden met een tegengestelde betekenis noem je antoniemen. Zo is ‘figuurlijk’ het antoniem van ‘letterlijk’. Antoniemen kun je soms herkennen aan een voorvoegsel:
70
niet-
(niet-)bestaand, (niet-)alledaags
on-
(on)acceptabel, (on)leesbaar
de(s)-
(de)monteren, (des)infecteren
in-
(in)direct, (in)formeel
im-
(im)moreel, (im)populair
a(n)-
(a)sociaal, (an)alfabeet
il-
(il)legaal
ir-
(ir)reëel, (ir)regulier
Theorie — 16 Formuleren
Theorie — 16 Formuleren
11 Voeg een bronvermelding toe als je een tekst overneemt.
Neem deze gegevens op in je bronvermelding: Bron: auteur, titel, datum, vindplaats. De uitgebreidere regels vind je hier.
12 Controleer de betekenis van woorden.
Als je twijfelt over een woord of uitdrukking, controleer de betekenis dan altijd.
13 Voorkom formuleringsfouten.
Let op congruentiefouten. De theorie vind je hier.
Stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens Gebruik hoofdletters en leestekens. Een tekst waarin hoofdletters en leestekens zijn gebruikt, is namelijk makkelijker te lezen. De leestekens laten zien dat er een verband is tussen woorden en zinnen. • Begin elke zin met een hoofdletter. • Schrijf namen met hoofdletters. • Zet achter een gewone zin een punt. • Zet achter een vragende zin een vraagteken. • Zet achter een uitroep een uitroepteken. Met een uitroepende zin kun je verbazing, bewondering, woede of een gebod (bevel) aangeven. • Gebruik nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken per keer. Eén is genoeg. Als je een uitroep extra wilt benadrukken, doe dat dan met woorden. Volgens de weervrouw gaat het deze week ’s nachts al vriezen. Heb je dat goed gehoord, Jalou? Hè, zo begint het wintergevoel wel erg vroeg!
Stijlregel 2: Gebruik geen afkortingen Schrijf in brieven en teksten woorden altijd volledig uit. Gebruik geen afkortingen. Ze maken je tekst moeilijker leesbaar, want niet iedereen begrijpt ze. De beklimming van de Mont Blanc was idd ’n groot avontuur. ✘ (fout) De beklimming van de Mont Blanc was inderdaad een groot avontuur. ✓ (goed)
Stijlregel 3: Maak hele zinnen Maak hele zinnen. Schrijf dus in elke zin een onderwerp en een gezegde. Volgende week tennissen? ✘ (fout) Ga je volgende week met me tennissen? ✓ (goed)
Stijlregel 4: Spreek je publiek aan op de juiste manier Bij vrienden en bekenden kun je zeggen en schrijven wat je wilt. Je hoeft niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Over je taalgebruik bij onbekenden moet je van tevoren wel goed nadenken. Je gebruikt woorden die passen bij het publiek en je blijft altijd beleefd. In dit geval kies je voor formeel taalgebruik.
Stijlregel 5: Gebruik begrijpelijke woorden Als je ergens veel van afweet, gebruik je misschien woorden die onbekend zijn voor je publiek. Bedenk voor wie je tekst is en welke woorden je publiek wel of niet zal kennen. Gebruik begrijpelijke woorden. Leg moeilijke woorden uit of gebruik ze helemaal niet.
Stijlregel 6: Maak niet te lange zinnen Maak niet te lange zinnen, want dan raakt de lezer de draad kwijt en stopt hij met lezen. In een te lange zin maak je ook eerder fouten. Wissel lange zinnen af met korte zinnen.
Bij het bedenken van de invulling van een leuke avond voor onze klas gisteren had je om de meningen van iedereen te verzamelen beter gebruik kunnen maken van die handige post-its dan de briefjes en potjes lijm die je nu hebt gebruikt, want die handige papiertjes die bedoeld zijn voor notities hebben een plakstrip waarmee je ze gemakkelijk zonder dat je zit te knoeien op grote vellen papier of ergens anders op kunt plakken en als het moet weer verwijderen. Herschreven zin Gisteravond had je beter post-its kunnen gebruiken voor het verzamelen van ideeën voor de invulling van een leuke klassenavond. Deze handige papiertjes kun je vanwege de plakstrip zonder geknoei opplakken en weer verwijderen.
Stijlregel 7: Vermijd stopwoorden Het Nederlands kent veel korte woordjes die geen duidelijke betekenis hebben, maar wel van invloed zijn op de toon van de zin. Ze kunnen de boodschap versterken of juist verzachten. Zulke stopwoorden maken je boodschap meestal minder duidelijk. Je kunt ze dus het best zo veel mogelijk vermijden. Luister nou toch eens even!
versterkend, laat irritatie doorklinken
In principe vind ik een stukje samenwerking heel goed.
wollig, overbodig
Ik denk dus zeg maar serieus dat ik eigenlijk gewoon maar eens naar huis moet.
storend, veel stopwoorden
Kunt u misschien een beetje opzijgaan?
verzachtend, klinkt beleefder
Stijlregel 8a: Gebruik verwijswoorden op de goede manier Verwijswoorden gebruik je om terug of vooruit te wijzen naar een woord, woordgroep of soms een hele zin. Zo voorkom je dat je woorden onnodig herhaalt. Welk verwijswoord je kiest, hangt af van het woord of de woorden waarnaar je verwijst. Verwijswoord
Verwijst naar:
Voorbeeld
hij, hem, zijn, deze, die
de-woord, mannelijk enkelvoud
Onze hond loopt mank, maar hij is ook al oud.
zij, ze, haar, deze, die
de-woord, vrouwelijk enkelvoud
De lerares Engels is jarig. Ze zal wel trakteren.
het, dit, dat, zijn
het-woord, onzijdig enkelvoud Het boek dat ik moet lezen, is veel te dik.
ze, zij, hen, hun, deze, die
woorden in het meervoud
Komen jullie vrienden ook? Nee, die kunnen niet.
het, dit, dat, wat
een hele zin of een deel van de zin
Natascha verft haar haar in alle kleuren van de regenboog. Dit vinden veel mensen maar gek.
hier, daar, er
een plaats
Morgen ga ik naar Praag. Ik ben daar nog nooit geweest.
wat
een overtreffende trap of het woord alles, iets, niets, veel, enige.
Het mooiste wat ik hoorde, was dit lied. Er is iets wat je nog moet weten.
Als een de-woord over een man of een vrouw gaat, kun je meteen het goede verwijswoord bepalen. Bij andere de-woorden heb je hulpmiddelen nodig. 1 Soms zie je aan het achtervoegsel dat een woord vrouwelijk is, zoals bij: -heid: overheid -de, -te: liefde, grootte -ing: opmerking -ij: partij
73
Theorie — 16 Formuleren
Theorie — 16 Formuleren
11 Voeg een bronvermelding toe als je een tekst overneemt.
Neem deze gegevens op in je bronvermelding: Bron: auteur, titel, datum, vindplaats. De uitgebreidere regels vind je hier.
12 Controleer de betekenis van woorden.
Als je twijfelt over een woord of uitdrukking, controleer de betekenis dan altijd.
13 Voorkom formuleringsfouten.
Let op congruentiefouten. De theorie vind je hier.
Stijlregel 1: Gebruik hoofdletters en leestekens Gebruik hoofdletters en leestekens. Een tekst waarin hoofdletters en leestekens zijn gebruikt, is namelijk makkelijker te lezen. De leestekens laten zien dat er een verband is tussen woorden en zinnen. • Begin elke zin met een hoofdletter. • Schrijf namen met hoofdletters. • Zet achter een gewone zin een punt. • Zet achter een vragende zin een vraagteken. • Zet achter een uitroep een uitroepteken. Met een uitroepende zin kun je verbazing, bewondering, woede of een gebod (bevel) aangeven. • Gebruik nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken per keer. Eén is genoeg. Als je een uitroep extra wilt benadrukken, doe dat dan met woorden. Volgens de weervrouw gaat het deze week ’s nachts al vriezen. Heb je dat goed gehoord, Jalou? Hè, zo begint het wintergevoel wel erg vroeg!
Stijlregel 2: Gebruik geen afkortingen Schrijf in brieven en teksten woorden altijd volledig uit. Gebruik geen afkortingen. Ze maken je tekst moeilijker leesbaar, want niet iedereen begrijpt ze. De beklimming van de Mont Blanc was idd ’n groot avontuur. ✘ (fout) De beklimming van de Mont Blanc was inderdaad een groot avontuur. ✓ (goed)
Stijlregel 3: Maak hele zinnen Maak hele zinnen. Schrijf dus in elke zin een onderwerp en een gezegde. Volgende week tennissen? ✘ (fout) Ga je volgende week met me tennissen? ✓ (goed)
Stijlregel 4: Spreek je publiek aan op de juiste manier Bij vrienden en bekenden kun je zeggen en schrijven wat je wilt. Je hoeft niet zo na te denken over de woorden die je gebruikt. Je kiest dan voor informeel taalgebruik. Over je taalgebruik bij onbekenden moet je van tevoren wel goed nadenken. Je gebruikt woorden die passen bij het publiek en je blijft altijd beleefd. In dit geval kies je voor formeel taalgebruik.
Stijlregel 5: Gebruik begrijpelijke woorden Als je ergens veel van afweet, gebruik je misschien woorden die onbekend zijn voor je publiek. Bedenk voor wie je tekst is en welke woorden je publiek wel of niet zal kennen. Gebruik begrijpelijke woorden. Leg moeilijke woorden uit of gebruik ze helemaal niet.
Stijlregel 6: Maak niet te lange zinnen Maak niet te lange zinnen, want dan raakt de lezer de draad kwijt en stopt hij met lezen. In een te lange zin maak je ook eerder fouten. Wissel lange zinnen af met korte zinnen.
72
Bij het bedenken van de invulling van een leuke avond voor onze klas gisteren had je om de meningen van iedereen te verzamelen beter gebruik kunnen maken van die handige post-its dan de briefjes en potjes lijm die je nu hebt gebruikt, want die handige papiertjes die bedoeld zijn voor notities hebben een plakstrip waarmee je ze gemakkelijk zonder dat je zit te knoeien op grote vellen papier of ergens anders op kunt plakken en als het moet weer verwijderen. Herschreven zin Gisteravond had je beter post-its kunnen gebruiken voor het verzamelen van ideeën voor de invulling van een leuke klassenavond. Deze handige papiertjes kun je vanwege de plakstrip zonder geknoei opplakken en weer verwijderen.
Stijlregel 7: Vermijd stopwoorden Het Nederlands kent veel korte woordjes die geen duidelijke betekenis hebben, maar wel van invloed zijn op de toon van de zin. Ze kunnen de boodschap versterken of juist verzachten. Zulke stopwoorden maken je boodschap meestal minder duidelijk. Je kunt ze dus het best zo veel mogelijk vermijden. Luister nou toch eens even!
versterkend, laat irritatie doorklinken
In principe vind ik een stukje samenwerking heel goed.
wollig, overbodig
Ik denk dus zeg maar serieus dat ik eigenlijk gewoon maar eens naar huis moet.
storend, veel stopwoorden
Kunt u misschien een beetje opzijgaan?
verzachtend, klinkt beleefder
Stijlregel 8a: Gebruik verwijswoorden op de goede manier Verwijswoorden gebruik je om terug of vooruit te wijzen naar een woord, woordgroep of soms een hele zin. Zo voorkom je dat je woorden onnodig herhaalt. Welk verwijswoord je kiest, hangt af van het woord of de woorden waarnaar je verwijst. Verwijswoord
Verwijst naar:
Voorbeeld
hij, hem, zijn, deze, die
de-woord, mannelijk enkelvoud
Onze hond loopt mank, maar hij is ook al oud.
zij, ze, haar, deze, die
de-woord, vrouwelijk enkelvoud
De lerares Engels is jarig. Ze zal wel trakteren.
het, dit, dat, zijn
het-woord, onzijdig enkelvoud Het boek dat ik moet lezen, is veel te dik.
ze, zij, hen, hun, deze, die
woorden in het meervoud
Komen jullie vrienden ook? Nee, die kunnen niet.
het, dit, dat, wat
een hele zin of een deel van de zin
Natascha verft haar haar in alle kleuren van de regenboog. Dit vinden veel mensen maar gek.
hier, daar, er
een plaats
Morgen ga ik naar Praag. Ik ben daar nog nooit geweest.
wat
een overtreffende trap of het woord alles, iets, niets, veel, enige.
Het mooiste wat ik hoorde, was dit lied. Er is iets wat je nog moet weten.
Als een de-woord over een man of een vrouw gaat, kun je meteen het goede verwijswoord bepalen. Bij andere de-woorden heb je hulpmiddelen nodig. 1 Soms zie je aan het achtervoegsel dat een woord vrouwelijk is, zoals bij: -heid: overheid -de, -te: liefde, grootte -ing: opmerking -ij: partij
Theorie — 16 Formuleren
2
• • •
Theorie — 16 Formuleren
-ie: familie -theek: bibliotheek -tuur: natuur Als je twijfelt, kun je het woordgeslacht opzoeken in een woordenboek of op woordenlijst.org. Als er geen m of v staat, maar alleen het lidwoord de, dan is het woord zowel mannelijk als vrouwelijk. Je mag dan zelf kiezen of je mannelijke of vrouwelijke verwijswoorden gebruikt. De vereniging heeft haar leden uitgenodigd voor een barbecue. De vakbond heeft zijn leden opgeroepen tot een staking. Na diverse klachten heeft de bank zijn/haar website aangepast.
Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
Reden
Je geeft een reden. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
daarom, want, omdat, namelijk Veel scholieren slaan het ontbijt over, omdat ze er geen tijd voor hebben.
Stijlregel 8b: Verwijs op een goede manier naar personen en zaken Verwijs op een goede manier naar personen en zaken: Regel
Voorbeeld
Bij woorden die zaken aanduiden en in het meervoud staan, gebruik je ze.
Heb jij mijn zwarte schoenen gezien? Gisteren heb ik ze op het houten kastje gezet.
Bij personen gebruik je zij en ze als het om een onderwerp gaat. Hun gebruik je nooit als onderwerp.
Zij hebben de sleutel eindelijk in hun tas gevonden. Mummies onder elkaar
Bij personen gebruik je hen of ze als het om een Ga je hen echt voor dat feest uitnodigen? lijdend voorwerp gaat. Ook na een voorzetsel Die reis is te duur voor hen. gebruik je hen. Bij personen gebruik je hun als het om een meewerkend voorwerp gaat.
Je moet het hun niet vertellen.
Om naar personen te verwijzen, gebruik je aan wie, voor wie, met wie enzovoort.
De jongens aan wie ik een flesje cola heb gegeven, zijn mijn vrienden.
Om naar zaken te verwijzen, gebruik je waaraan, waarvoor, waarmee enzovoort.
Het gebouw waaraan het billboard hangt, staat aan de rand van de stad.
Stijlregel 9: Gebruik passende signaalwoorden Met een signaalwoord of een groepje signaalwoorden kun je laten zien wat zinnen of alinea’s met elkaar te maken hebben. Signaalwoorden kunnen verschillende soorten verbanden aangeven: Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
Opsomming
Je noemt verschillende dingen achter elkaar op.
ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, en, niet alleen ... maar ook, ten eerste, ten tweede, vervolgens, ten slotte Hardlopen heeft veel voordelen. Ten eerste is het een goedkope sport.
Tegenstelling
Na een uitspraak beweer je meteen het tegengestelde.
maar, daarentegen, echter, integendeel, aan de ene kant ... aan de andere kant, daar staat tegenover, toch Deze telefoon heeft een groter scherm, maar de foto’s zijn minder goed.
Stijlregel 10: Gebruik komma's op de juiste plaats Met een komma maak je een zin overzichtelijker. Je laat zien waar de lezer een korte pauze kan inlassen. Regel
Voorbeeld
1
Gebruik een komma tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen.
Dat is een kleine, blauwe tafel.
2
Zet komma’s tussen de delen van een opsomming. Voor en of of schrijf je geen komma.
Wil je twee, drie of vier kaartjes bestellen?
3
• Na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin schrijf je een komma.
• Poeh, moet dat allemaal naar boven?
• Voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin schrijf je een komma.
• Komt u maar, meneer De Jong.
Stijlregel 11: Voeg een bronvermelding toe Als je een werkstuk of een presentatie maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen. Je kijkt bijvoorbeeld programma’s, je bezoekt websites en je leest kranten. Van deze bronnen moet je een aantal gegevens bijhouden. Dit noem je een bronvermelding. Aan het eind van je tekst of achter in je werkstuk voeg je een bronnenlijst toe. Daarmee laat je aan je publiek zien hoe jij aan je informatie bent gekomen. De lezer kan controleren of de informatie correct is en eventueel zelf de bron opzoeken voor meer informatie. Bronnen vermeld je meestal aan het eind van de tekst. Noteer van elke bron in elk geval de auteur, de titel en de datum of het jaartal. Noteer ook de vindplaats van de bron: • Bij boeken vermeld je de uitgever en de plaats van uitgave. • Bij artikelen uit kranten of tijdschriften vermeld je de titel van de krant of het tijdschrift. • Bij websites vermeld je de URL van de website. Als je een stuk tekst woord voor woord overneemt, gebruik je een citaat. Zet dit citaat tussen aanhalingstekens en vermeld aan het eind van het citaat tussen haakjes de bron.
75
Theorie — 16 Formuleren
2
• • •
Theorie — 16 Formuleren
-ie: familie -theek: bibliotheek -tuur: natuur Als je twijfelt, kun je het woordgeslacht opzoeken in een woordenboek of op woordenlijst.org. Als er geen m of v staat, maar alleen het lidwoord de, dan is het woord zowel mannelijk als vrouwelijk. Je mag dan zelf kiezen of je mannelijke of vrouwelijke verwijswoorden gebruikt. De vereniging heeft haar leden uitgenodigd voor een barbecue. De vakbond heeft zijn leden opgeroepen tot een staking. Na diverse klachten heeft de bank zijn/haar website aangepast.
Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
Reden
Je geeft een reden. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
daarom, want, omdat, namelijk Veel scholieren slaan het ontbijt over, omdat ze er geen tijd voor hebben.
Stijlregel 8b: Verwijs op een goede manier naar personen en zaken Verwijs op een goede manier naar personen en zaken: Regel
Voorbeeld
Bij woorden die zaken aanduiden en in het meervoud staan, gebruik je ze.
Heb jij mijn zwarte schoenen gezien? Gisteren heb ik ze op het houten kastje gezet.
Bij personen gebruik je zij en ze als het om een onderwerp gaat. Hun gebruik je nooit als onderwerp.
Zij hebben de sleutel eindelijk in hun tas gevonden. Mummies onder elkaar
Bij personen gebruik je hen of ze als het om een Ga je hen echt voor dat feest uitnodigen? lijdend voorwerp gaat. Ook na een voorzetsel Die reis is te duur voor hen. gebruik je hen. Bij personen gebruik je hun als het om een meewerkend voorwerp gaat.
Je moet het hun niet vertellen.
Om naar personen te verwijzen, gebruik je aan wie, voor wie, met wie enzovoort.
De jongens aan wie ik een flesje cola heb gegeven, zijn mijn vrienden.
Om naar zaken te verwijzen, gebruik je waaraan, waarvoor, waarmee enzovoort.
Het gebouw waaraan het billboard hangt, staat aan de rand van de stad.
Stijlregel 9: Gebruik passende signaalwoorden Met een signaalwoord of een groepje signaalwoorden kun je laten zien wat zinnen of alinea’s met elkaar te maken hebben. Signaalwoorden kunnen verschillende soorten verbanden aangeven: Soort verband
Uitleg
Voorbeelden
Opsomming
Je noemt verschillende dingen achter elkaar op.
ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, en, niet alleen ... maar ook, ten eerste, ten tweede, vervolgens, ten slotte Hardlopen heeft veel voordelen. Ten eerste is het een goedkope sport.
Tegenstelling
74
Na een uitspraak beweer je meteen het tegengestelde.
maar, daarentegen, echter, integendeel, aan de ene kant ... aan de andere kant, daar staat tegenover, toch Deze telefoon heeft een groter scherm, maar de foto’s zijn minder goed.
Stijlregel 10: Gebruik komma's op de juiste plaats Met een komma maak je een zin overzichtelijker. Je laat zien waar de lezer een korte pauze kan inlassen. Regel
Voorbeeld
1
Gebruik een komma tussen bijvoeglijke naamwoorden die van plek kunnen wisselen.
Dat is een kleine, blauwe tafel.
2
Zet komma’s tussen de delen van een opsomming. Voor en of of schrijf je geen komma.
Wil je twee, drie of vier kaartjes bestellen?
3
• Na een naam, aanhef of uitroep aan het begin van de zin schrijf je een komma.
• Poeh, moet dat allemaal naar boven?
• Voor een naam, aanhef of uitroep aan het eind van de zin schrijf je een komma.
• Komt u maar, meneer De Jong.
Stijlregel 11: Voeg een bronvermelding toe Als je een werkstuk of een presentatie maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen. Je kijkt bijvoorbeeld programma’s, je bezoekt websites en je leest kranten. Van deze bronnen moet je een aantal gegevens bijhouden. Dit noem je een bronvermelding. Aan het eind van je tekst of achter in je werkstuk voeg je een bronnenlijst toe. Daarmee laat je aan je publiek zien hoe jij aan je informatie bent gekomen. De lezer kan controleren of de informatie correct is en eventueel zelf de bron opzoeken voor meer informatie. Bronnen vermeld je meestal aan het eind van de tekst. Noteer van elke bron in elk geval de auteur, de titel en de datum of het jaartal. Noteer ook de vindplaats van de bron: • Bij boeken vermeld je de uitgever en de plaats van uitgave. • Bij artikelen uit kranten of tijdschriften vermeld je de titel van de krant of het tijdschrift. • Bij websites vermeld je de URL van de website. Als je een stuk tekst woord voor woord overneemt, gebruik je een citaat. Zet dit citaat tussen aanhalingstekens en vermeld aan het eind van het citaat tussen haakjes de bron.
Theorie — 16 Formuleren
Stijlregel 12: Controleer de betekenis van woorden Als je twijfelt over een woord of uitdrukking, controleer dan altijd de betekenis. Vraag de betekenis aan een ander of gebruik een woordenboek. De docent scheikunde fungeert al jaren onder het niveau dat de school wenst. Het woord fungeert is verkeerd gebruikt. Het betekent: een taak of functie vervullen. In deze zin wordt bedoeld dat de docent scheikunde de functie uitvoert onder het niveau dat de school wenst. Je gebruikt dan functioneert.
Stijlregel 13: Voorkom formuleringsfouten Let op congruentiefouten. Het onderwerp en de persoonsvorm moeten gelijk zijn in getal. Met andere woorden: onderwerp en persoonsvorm moeten congruent zijn. Als dat niet het geval is, dan is er sprake van een congruentiefout. 1 De groep jongeren heeft de reisleiding een origineel afscheidscadeau gegeven. (goed) 2 De media heeft veel aandacht aan de diskwalificatie van die schaatser besteed. (fout) 3 De politieagenten hebben gisteravond de overvallers vrij snel kunnen arresteren, omdat ze een doodlopende straat had genomen. (fout) In zin 1 is in het zinsdeel de groep jongeren het woord groep het belangrijkste woord. Dit woord staat in het enkelvoud, dus de persoonsvorm staat ook in het enkelvoud. In zin 2 staat het woord media in het meervoud (enkelvoud = medium). De persoonsvorm moet dan in het meervoud staan: de media hebben. In zin 3 is in de bijzin het verwijswoord ze gebruikt. Dit verwijswoord kan verwijzen naar een woord in het enkelvoud of in het meervoud. In deze zin verwijst ze naar een woord in het meervoud, namelijk overvallers. De persoonsvorm moet dus ook in het meervoud staan: ze hadden. Let bij het gebruik van het verwijswoord ze altijd heel goed op.
16.2 Formuleringsfouten [16.2.3] Congruentiefout Het onderwerp en de persoonsvorm moeten gelijk zijn in getal. Met andere woorden: onderwerp en persoonsvorm moeten congruent zijn. Als dat niet het geval is, dan is er sprake van een congruentiefout. 1 De groep jongeren heeft de reisleiding een origineel afscheidscadeau gegeven. (goed) 2 De media heeft veel aandacht aan de diskwalificatie van die schaatser besteed. (fout) 3 De politieagenten hebben gisteravond de overvallers vrij snel kunnen arresteren, omdat ze een doodlopende straat had genomen. (fout) In zin 1 is in het zinsdeel de groep jongeren het woord groep het belangrijkste woord. Dit woord staat in het enkelvoud, dus de persoonsvorm staat ook in het enkelvoud. In zin 2 staat het woord media in het meervoud (enkelvoud = medium). De persoonsvorm moet dan in het meervoud staan: de media hebben. In zin 3 is in de bijzin het verwijswoord ze gebruikt. Dit verwijswoord kan verwijzen naar een woord in het enkelvoud of in het meervoud. In deze zin verwijst ze naar een woord in het meervoud, namelijk overvallers. De persoonsvorm moet dus ook in het meervoud staan: ze hadden. Let bij het gebruik van het verwijswoord ze altijd heel goed op.
16.3 Bijzonder taalgebruik [16.3] Bijzonder taalgebruik
Theorie — 16 Formuleren
Schrijvers en sprekers gebruiken taal niet alleen om informatie over te brengen, maar ook om ermee te spelen. Met bijzonder taalgebruik maak je een tekst levendiger. Je trekt zo de aandacht van de lezer of luisteraar. Als je je woorden net iets anders kiest dan de lezer of luisteraar verwacht, dan raakt hij meer betrokken bij je tekst. De tekst doet dan iets met de ontvanger: je kunt hem verrassen, verbazen of laten genieten.
[16.3.1] Letterlijk en figuurlijk taalgebruik Wat een ongelofelijke hond! Als iemand dit zegt over een huisdier dat trucjes kan, dan is de taal letterlijk gebruikt. Maar je kunt deze zin ook tegenkomen in de figuurlijke betekenis. De spreker of schrijver heeft het dan niet echt over een hond, maar over een mens. Hij probeert een beeld te schetsen in je hoofd, zodat je begrijpt dat hij diegene onbeschoft vindt. Daarom heet figuurlijk taalgebruik ook wel beeldspraak.
[16.3.2] Beeldspraak Beeldspraak betekent: spreken in beelden. Je bedoelt niet letterlijk wat je zegt, maar figuurlijk. Veel uitdrukkingen zijn beeldspraak. Omdat iedereen die uitdrukkingen vaak gebruikt, zijn ze meestal nogal afgezaagd. Schrijvers en sprekers gebruiken vaak nieuwe, verrassende beeldspraak. Je ziet dan in beelden voor je wat je leest of hoort. In beeldspraak worden vaak twee dingen die op elkaar lijken met elkaar vergeleken. Als je dat doet, gebruik je een vergelijking. … zodra ik mijn armen om haar heen sloeg, kroop ze tegen mijn borst alsof ik haar lievelingskussen was. Iedereen deed heel zachtjes, behalve Sebastian, die ongeveer zo onopvallend was als een giraf. (Veronica Rossi, Riders)
[16.3.3] Stijlfiguren Schrijvers en sprekers maken hun teksten vaak mooier door iets op een bijzondere manier te zeggen. Stijlfiguren kun je tegenkomen in verhalen, films, reclames, speeches en uiteenlopende artikelen. Ze kunnen je tekst versterken of levendiger maken. Enkele stijlfiguren zijn: Stijlfiguur
Uitleg
Voorbeelden
Herhaling
Je herhaalt woorden of zinnen, of je zegt meerdere keren hetzelfde, maar telkens net iets anders.
In zijn beroemde speech begint Martin Luther King acht zinnen op rij met ‘I have a dream …’
Opsomming
Je zet een aantal dingen op een rij of je noemt ze na elkaar op.
‘Dit werkstuk heeft ons bloed, zweet en tranen gekost.’
Tegenstelling
Je zet dingen tegenover elkaar, waardoor de verschillen opvallen.
‘Het brood is oud, maar m’n schoenen zijn vers.’ [Uit: De Jeugd van Tegenwoordig, ’t Gaat te fur]
Overdrijving
Je maakt iets erger of groter dan het in werkelijkheid is.
‘Als mijn ouders me betrappen, krijg ik tachtig jaar huisarrest!’
Theorie — 17 Taalbeschouwing
17 Taalbeschouwing 17.1 Woordvorming [17.1.1] Woorden vormen Het Nederlands kent ontelbaar veel woorden. Telkens kun je weer nieuwe woorden vormen door bestaande woorden een beetje te veranderen. Zo’n nieuwe woordvorm kun je op verschillende manieren maken: • Je kunt twee of meer hele woorden samenvoegen. Zo kun je van leerling en raad het woord leerlingenraad maken. Dit noem je een samenstelling. • Je kunt het begin of het eind van een woord veranderen. Hierdoor verandert de betekenis en soms ook de woordsoort. Van het werkwoord eten kun je bijvoorbeeld het bijvoeglijk naamwoord eetbaar maken. Dit noem je een afleiding.
[17.1.2] Samenstellingen Je kunt een nieuwe woordvorm maken door twee of meer bestaande woorden samen te voegen. Zo’n woord heet een samenstelling. De delen van een samenstelling kunnen ook als losse woorden voorkomen. Om een samenstelling te vormen, moet je de delen soms verbuigen of letters toevoegen. wereld + titel = wereldtitel zon + verduistering = zonsverduistering drie + kamer + woning = driekamerwoning terug + betaling + regeling = terugbetalingsregeling meer + jaar + plan = meerjarenplan
[17.1.3] Meerledige samenstellingen Samenstellingen die uit meer dan twee delen bestaan, noem je meerledige samenstellingen. Je schrijft deze woorden aan elkaar. In het Nederlands komen regelmatig drieledige samenstellingen voor. Vierledige samenstellingen zijn zeldzaam. Zulke lange woorden worden al snel onoverzichtelijk. langeafstandsloper → loper van lange afstanden tieneurobiljetten → biljetten van tien euro gebruiktekledinginzamelingsactie → inzamelingsactie voor gebruikte kleding Als je in meerledige samenstellingen een spatie gebruikt, verandert de betekenis. lange afstandsloper → afstandsloper die lang is tien eurobiljetten → tien biljetten van euro’s gebruikte kledinginzamelingsactie → kledinginzamelingsactie die al gebruikt is
[17.1.4] Afleidingen Je kunt een nieuwe woordvorm maken door aan een grondwoord een voorvoegsel of een achtervoegsel te koppelen. Dat zijn woorddelen die het nieuwe woord een andere betekenis geven. Een achtervoegsel kan bovendien de woordsoort van een woord veranderen. Soms verandert het grondwoord een beetje als je een afleiding vormt. on + afhankelijk = niet afhankelijk
probleem + loos = zonder problemen
her + gebruiken = opnieuw gebruiken
eten + baar (eetbaar) = geschikt om te eten
over + duidelijk = heel erg duidelijk
masseren + euse (masseuse) = vrouw die masseert als beroep
De extra woorddelen in een afleiding zijn meestal niet zelfstandig te gebruiken. Alleen voorzetsels kunnen zowel als voorvoegsel als zelfstandig gebruikt worden. Met de voorzetsels op, af en om kun je bijvoorbeeld de woorden opbouwen, afbouwen en ombouwen vormen.
Theorie — 17 Taalbeschouwing
[17.1.5] Trappen van vergelijking Van bijvoeglijke naamwoorden kun je afleidingen vormen die aangeven hoe sterk de eigenschap is. Je gebruikt hiervoor de trappen van vergelijking. Onze auto is snel. Die van de buurvrouw is sneller. Mijn neefs auto is het snelst. Jij hebt een kleine hond, zij hebben een kleinere hond, maar mijn oma heeft de kleinste hond. De grondvorm noem je de stellende trap. Daar maak je een vergrotende trap van door -er erachter te zetten. Soms moet je daarbij de spelling een beetje aanpassen: hoog - hoger, dwaas - dwazer. Je maakt de overtreffende trap meestal door -st achter de stellende trap te zetten: oud - oudst, lang - langst. Er zijn een paar uitzonderingen: Als de stellende trap eindigt op een r, schrijf je vaak ook een d erbij in de vergrotende trap.
zuur - zuurder helder - helderder
Als de stellende trap eindigt op een s, schrijf je geen extra s in de overtreffende trap.
vers - verst dwaas - dwaast
Als de stellende trap eindigt op -de, -isch, -sd, -sk of -st, schrijf je in de overtreffende trap meest.
stupide - meest stupide logisch - meest logisch verbaasd - meest verbaasd pittoresk - meest pittoresk vast - meest vast
Bij sommige woorden zijn de trappen van vergelijking onregelmatig. Deze moet je uit je hoofd leren.
goed - beter - best graag - liever - liefst
17.2 Taalvariatie ]17.2.1] Sociale taalvariatie De media, de overheid en het onderwijs gebruiken standaardtaal. Dat is de taal die is vastgelegd in woordenboeken en naslagwerken. Volgens veel mensen is dat de taal ‘zoals het hoort’. In Nederland is het Standaardnederlands de standaardtaal. Dat is niet alleen de officiële taal in Nederland, maar ook in België, Suriname, Curaçao, Sint Maarten en Aruba. In de provincie Friesland is ook het Fries de standaardtaal. In het dagelijks leven kom je veel varianten op de standaardtaal tegen. Een marktkoopman spreekt anders Nederlands dan de minister-president. Als je ouders net zo zouden spreken als jij met je vrienden, zou je dat ook maar vreemd vinden. Met de taal die je gebruikt laat je zien bij welke groep je hoort. Zo kun je binnen elke taal verschillende groepstalen onderscheiden. Een ander woord voor groepstaal is jargon. In het volgende schema zie je drie voorbeelden van sociale taalvarianten. 78
Theorie — 17 Taalbeschouwing
Vaktaal
Taal die bij een beroep hoort. De betekenis van vakjargon hangt soms af van het vakgebied. Zo is een ‘schaal’ voor een interieurinrichter iets anders dan voor een kaartenmaker.
Bijvoorbeeld kapperstaal, agrarische taal, monteurstaal.
Sporttaal
Taal die hoort bij sport in het algemeen of bij een specifieke sport. Vooral de woordenschat wijkt af van de standaardtaal.
Bijvoorbeeld voetbaltaal of wielrentaal.
Jongerentaal
Taalvariant die jongeren onderling met elkaar spreken en schrijven. Deze groepstaal verandert continu. Straattaal is een vorm van jongerentaal waarbij andere talen, zoals het Marokkaans en Antilliaans, worden vermengd met het Nederlands. Niet alleen de woordenschat, maar ook de spelling is anders dan die van de standaardtaal.
Bijvoorbeeld straattaal.
[17.2.2] Regionale taalvariatie Hoe iemand spreekt, verraadt vaak waar hij vandaan komt. Meestal hoor je dat alleen aan de uitspraak, maar soms ook aan de woordkeuze of de zinsbouw. De taal wijkt dan af van de standaardtaal, die als norm geldt in een land. Elke taal heeft zo zijn eigen regionale taalvarianten. Dialect
Een lokale taalvariant die in een klein gebied wordt gesproken, vooral in informele situaties. Meestal gaat het om één of enkele dorpen, er zijn geen duidelijke grenzen. Een dialect verschilt van de standaardtaal in spelling, woordenschat, zinsbouw en uitspraak.
Bijvoorbeeld Sevenums, Geleens, Haags.
Regiolect
Een regionale taalvariant die is ontstaan doordat dialecten naar elkaar toe groeien. Een regiolect wijkt af van de standaardtaal in uitspraak en (soms) in woordenschat.
Bijvoorbeeld Oost-Limburgs, West-Brabants.
[17.2.3] Jongerentaal Waarschijnlijk heb je sommige mensen weleens horen klagen dat de jeugd geen goed Nederlands meer spreekt en schrijft. Ze horen woorden en uitdrukkingen die zij nooit op school geleerd hebben. Maar toen zij jong waren, was dat niet anders: taalverandering is van alle tijden. Taalverandering begint vaak bij jongeren. Onderling spreken ze jongerentaal als groepstaal en ze gebruiken daarin veel nieuwe woorden en uitdrukkingen. Of die nieuwe woorden blijvertjes worden, hangt af van verschillende aspecten: • Wordt het woord veel gebruikt? • Klinkt het goed? • Kan het door verschillende groepen sprekers worden gebruikt? • Zijn er samenstellingen of afleidingen mee te maken? • Verwijst het woord naar iets blijvends?
Theorie — 17 Taalbeschouwing
Jongerentaal bestaat al heel lang, maar pas sinds de komst van sociale media wordt deze taal niet meer alleen gesproken, maar ook geschreven. De spelling die hiervoor wordt gebruikt, wijkt af van de officiële Nederlandse spelling. In formele situaties kun je daarom ook beter geen jongerentaal gebruiken.
17.2.4 Taal op sociale media Op sociale media wordt vaak een afwijkende spelling gebruikt. Je komt er veel afgekorte woorden tegen. In het volgende overzicht zie je enkele veelvoorkomende soorten afkortingen. Soort afkorting
Voorbeeld
Schrijf-spreektaal: letters die je niet hoort, laat je weg.
kweenie, lama
Letters vervangen: maak van twee letters één letter.
sgool, egt
Alleen eerste letters: schrijf alleen de eerste letters van woorden of lettergrepen.
ajb, hw
Alleen medeklinkers: schrijf alleen de medeklinkers van een woord.
lkkr, ltr
Letter-uitspraak: schrijf een deel van het woord met een letter uit het alfabet.
btje, cker, ff, wtje
Cijfer-uitspraak: schrijf een deel van het woord met een cijfer.
suc6, w817
17.3 Taalverwerving 17.4 Over taalgebruik [17.4.3] Beeldtaal Ook zonder woorden kun je iets duidelijk maken, bijvoorbeeld door een afbeelding te gebruiken. Dat heet beeldtaal. Als beeldtaal goed wordt gebruikt, kun je er heel snel informatie mee doorgeven. Bijvoorbeeld over hoe je je voelt, wat je moet doen (of juist niet) of wie iets heeft gemaakt. Ook mensen die een andere taal spreken, begrijpen direct wat er staat. Pictogrammen zijn voorbeelden van beeldtaal. Je ziet ze veel in het verkeer, in gebouwen en op de computer.
Colofon
Vormgeving Omslag: Buro de Kuijper visuele communicatie (basisstramien) en Daliz (omslagbeeld + achterplat) Binnenwerk: Buro de Kuijper visuele communicatie (basisstramien) en Sproud, Sanneke Vlam (ONO-aanpassingen) Opmaak Sproud, Sanneke Vlam Bureauredactie Tekst2000, Houten Methodeoverzicht Op niveau onderbouw is op de volgende manier opgebouwd: 100 % digitaal
• •
Mix boeken + digitaal: Op niveau LRN-line online + leerwerkboek
4 Op niveau LRN-line online leerjaar 4 4 vmbo-b
4 vmbo-k
4 vmbo-t (havo)
3 Op niveau LRN-line online leerjaar 3
3 vmbo-b
3 vmbo-k
3 vmbo-t
2 Op niveau LRN-line online leerjaar 2
2 vmbo-bk (t)
2 vmbo-t (havo) 2 havo (vwo)
2 vwo
1
1 vmbo-bk (t)
1 vmbo-t / havo
1 vwo
Op niveau LRN-line online leerjaar 1
3 havo
1 havo / vwo
3 vwo
Het niveau dat tussen haakjes staat is een digitale opstroommodule per hoofdstuk. Bij combinatieniveaus staat aangegeven wat de stof is voor beide niveaus en wat voor elk specifieke niveau. Er is voor beide niveaus een volwaardige route.
Dyslexie In de opmaak hebben we zo veel mogelijk rekening gehouden met dyslectische leerlingen. Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 97878 0 Derde druk, eerste oplage, 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2019 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.