WERKBOEK NIVEAU 4
Onderwijsassistent School en didactiek PW
Deze uitgave Onderwijsassistent School en didactiek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaken uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk. P3-K2-W1 Voert voorwaardelijke werkzaamheden uit ten behoeve van het lesprogramma P3-K2-W2 Voert administratieve taken uit P3-K2-W3 Houdt toezicht en begeleidt buiten de lessen P3-K2-W4 Voert coรถrdinerende taken binnen de school uit De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.
pedagogisch werk
PW Onderwijsassistent School en didactiek PW WERKBOEK
De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff.nl/trajectwelzijn.
Auteurs: M. Baseler R.F.M van Midde Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 483963
MBO_WB_OnderwijsasSchoolEnDidactiek_PW_210x297mm.indd All Pages
17/01/18 11:47
Onderwijsassistent School en didactiek PW Niveau 4
M. Baseler R.F.M. van Midde
Colofon
Redactie
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een Over ThiemeMeulenhoff learning design company. Wezich brengen content, uitgeverij leerontwerp en learning ThiemeMeulenhoff ontwikkelt van educatieve tot een technologie samen. onzecontent, groeiende expertise,enervaring en samen. design company. We Met brengen leerontwerp technologie Met onze groeiende ervaring en leeroplossingen zijn we een partner leeroplossingen zijn expertise, we een partner voor scholen bij het vernieuwen en voor scholenvan bij onderwijs. het vernieuwen en verbeteren van beter onderwijs. kunnen verbeteren Zo kunnen we samen rechtZo doen aan we de samen betertussen recht doen aan en de verschillen en verschillen lerenden scholen entussen ervoorlerenden zorgen en datscholen leren steeds ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.
M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
Samen leren vernieuwen.
Colofon Auteurs M. Baseler R.F.M. van Midde
Vormgeving en omslag
Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl
Studio Fraaj, Rotterdam
ISBN 978 90 06 48396 3 Eerste druk, eerste oplage, 2018 www.thiememeulenhoff.nl © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2018 ISBN 978 90 06 48396 3 Eerste druk, voorbehouden. eerste oplage, 2018 Alle rechten Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, of openbaar gemaakt, in enige vorm2018 of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van uitgave de uitgever. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of Voor zover gemaakt, het makeninvan kopieën uitgavewijze, is toegestaan op grond openbaar enige vormuitofdeze op enige hetzij elektronisch, van artikel 16Bdoor Auteurswet 1912 j°opnamen, het Besluitofvan 23 augustus 1985, Stbl. 471 mechanisch, fotokopieën, enig andere manier, zonder en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de wettelijk verschuldigde voorafgaande schriftelijke toestemming vandaarvoor de uitgever. vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 2130uit KBdeze Hoofddorp Voor zover het maken van3060, kopieën uitgave(www.stichting-pro. is toegestaan op nl). Voorvan hetartikel overnemen van gedeelte(n) dezeBesluit uitgavevan in bloemlezingen, grond 16B Auteurswet 1912 uit j° het 23 augustus 1985, readers andere (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot Stbl. 471enen artikelcompilatiewerken 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk de uitgever te wenden. Voor meer informatie het gebruik van muziek, film verschuldigde vergoedingen te voldoen aanover Stichting Publicatieen en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave Debloemlezingen, uitgever heeft ernaar gestreefd de compilatiewerken auteursrechten te regelen volgens de in readers en andere (artikel 16 Auteurswet) dient menDegenen zich tot de te wenden. Voor meer wettelijke bepalingen. dieuitgever desondanks menen zekere rechten te informatie over het gebruik enuitgever het maken van kopieën in kunnen doen gelden, kunnenvan zichmuziek, alsnog film tot de wenden. het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
Fotografie omslag Mathilde Karrèr
Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens Deze uitgave is bepalingen. volledig CO2-neutraal geproduceerd. de wettelijke Degenen die desondanks menen zekere rechten Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van de het uitgever FSC®-keurmerk. te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot wenden. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Rondleiding door dit werkboek Het werkboek is verdeeld in thema’s. Een thema in het werkboek sluit precies aan bij een thema in de theorie. Thema 1 Oriëntatie op het werkveld PW
1
Themaopening Je leest waar het thema over gaat en welke hoofdstukken en onderwerpen aan de orde komen.
Dit thema gaat over welzijnswerk. Welzijnswerk noem je ook wel sociaal-agogisch werk. Welzijn heeft te maken met het welbevinden van mensen, met zich ‘gelukkig’ voelen. In het sociaal-agogisch werk houd je je dus bezig met het welzijn van mensen. Je probeert het gedrag van mensen zo te veranderen dat ze zich gelukkig(er) voelen. Het welzijnswerk heeft drie werkvelden: PW, MZ en SW. Elk werkveld heeft zijn eigen doelgroep en aandachtspunten. • Jij hebt gekozen voor PW. Dat staat voor pedagogisch werk. Je houdt je daar bezig met de opvoeding (pedagogiek) en opvang van kinderen en jongeren tot 23 jaar. Er zijn drie opleidingen op niveau 3 en 4. • Bij MZ (maatschappelijke zorg) draait het om het geven van ondersteuning en zorg aan mensen die dat nodig hebben. Binnen MZ zijn er zes opleidingen op niveau 3 en 4. • De afkorting SW betekent sociaal werk. In dit werkveld word je opgeleid om cliënten actief mee te laten doen in de samenleving en hun maatschappelijke positie te verbeteren. SW heeft twee opleidingen, beide op niveau 4. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Sociaal-agogisch werk • sociaal-agogisch werk = welzijnswerk • beroepen in de welzijnssector - kiezen voor sociaal-agogisch werk • beroepshouding Hoofdstuk 2: Pedagogisch werk • een baan als pedagogisch medewerker • werkvelden
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Sociaal-agogisch werk 1 1
1
1
Bij sociaal-agogisch werk gaat het om het welzijn van mens en samenleving. a Geef een ander woord voor sociaal-agogisch werk.
8
b
1
In dit werkboek staan verschillende soorten opdrachten. Deze helpen je om je de benodigde vakkennis en beroepsvaardigheden eigen te maken.
2
Wat is het doel van sociaal-agogisch werk?
c
Geef een voorbeeld van PW waarmee je dit doel laat zien.
d
Maak een mindmap met als titel: sociaal-agogisch werk. Een mindmap is een woordweb, waarbij je onderwerpen rondom een thema (in dit geval: sociaalagogisch werk) noteert. Je kunt een mindmap gewoon op papier maken, maar het kan ook op een leuke manier digitaal, via ‘Coggle’. Je kunt inloggen in op www.coggle.it met een Google-account. Coggle is gratis. Het werkt eenvoudig, maar er zijn op YouTube ook instructiefilmpjes te vinden.
De welzijnssector bevat verschillende beroepsgroepen. a Welke drie hoofdgroepen kun je onderscheiden?
Verwerking Verwerkingsopdrachten helpen je de theorie te leren en te begrijpen. Ze zijn geordend per hoofdstuk.
1 9
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Toepassing Praktijksituaties hiermee pas je de theorie toe in realistische praktijkbeschrijvingen.
Toepassing Praktijksituaties Veiligheid en uitdaging De leerlingen van basisschool De Kring hebben hun jaarlijkse sportdag. De kinderen zijn door hun leerkrachten in teams verdeeld. In elk team zit van elke jaargroep een kind. De leeftijdsverschillen zijn dus groot. Dat is bewust gedaan. Kinderen kunnen elkaar zo niet alleen helpen, er ontstaat ook een goede band tussen de verschillende groepen. Naast de activiteiten op de sportdag die elk jaar terugkomen, zijn er ook elk jaar nieuwe activiteiten. Dat maakt de dag voor alle kinderen spannend en uitdagend. Nikki is onderwijsassistent op De Kring. Ze heeft een belangrijk aandeel gehad in de voorbereiding van de jaarlijkse sportdag. Ze zat in de onderzoekscommissie. Een van haar taken was het bedenken van een nieuwe activiteit en de begeleiding ervan op de dag zelf. De leerlingen en hun begeleiders hebben geluk: het is prachtig weer en het belooft een fantastische dag te worden. Nikki begeleidt het spel ‘schat veroveren’. Ze heeft het spel zelf bedacht. Ze legt uit wat de bedoeling is: In het midden van het speelveld staat een kist. Daarin ligt een schat. Aan beide kanten van het veld staat een team achter een lijn, de jongste kinderen vooraan. Op haar fluitsignaal rent het eerste kind van beide teams naar de kist en pakt er een goudstaaf uit. De kinderen rennen terug naar hun team en tikken het volgende kind aan. Pas dan mag die teamgenoot in actie komen om een volgende goudstaaf te veroveren. Als de kist leeg is, is het spel afgelopen en worden de goudstaven geteld. Het team dat het meeste goud heeft veroverd, heeft gewonnen. ‘Duidelijk? Zijn er nog vragen?’ Die zijn er niet, het spel kan beginnen. Als het fluitsignaal klinkt, sprinten de eerste twee kinderen naar het midden van het veld, duiken tegelijkertijd in de kist om een goudstaaf te pakken en knallen met hun koppen tegen elkaar. De EHBO’er kan meteen aan het begin van de dag in actie komen en voor beide kinderen is het voor die dag over en uit. Met een buil op hun hoofd en waarschijnlijk een lichte hersenschudding worden ze vroegtijdig opgehaald door hun ouders. Nikki voelt zich schuldig. Had ze dit kunnen voorkomen?
Vaardigheden om de benodigde beroepsvaardigheden aan te leren. Themaopdrachten grotere opdrachten waarmee je met de kennis en vaardigheden aan de slag gaat. Je werkt dan ook aan belangrijke algemene vaardigheden als samenwerken, informatie zoeken, presenteren, kritisch denken, plannen en problemen oplossen.
1
1
Je maakt de opdracht in een groep van vier studenten. Jullie maken een analyse van de beschreven situatie en jullie bedenken een oplossing waarmee het spel veiliger wordt.
Werkwijze Maak deze analyse aan de hand van de volgende punten en zet je uitkomsten op papier: a Bij deze sportdag is het belangrijk om een goede balans te vinden tussen uitdaging en veiligheid. Geef in je analyse aan waarom die balans belangrijk is.
1 18
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Evaluatie Studiehulp
1 Sociaal-agogisch werk 1
Stelling 1 Een ander woord voor welzijnswerk is sociaal-agogisch werk. 2 Pedagogiek is de wetenschap die zich bezighoudt met het veranderen van het gedrag van mensen. 3 Welzijn is de mate van welbevinden. 4 MZ is de afkorting voor maatschappelijke zorg. 5 MZ bestaat uit zes opleidingen. 6 PW is de afkorting van professioneel werk. 7 Een PW’er kan werken in de kinderopvang. 8 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 9 SW is de afkorting van sociaal werk. 10 De opleiding tot agogisch werker GGZ is een van de opleidingen bij SW. 11 De cliënten waar je werk op is gericht, noem je de doelgroep. 12 Een goede beroepshouding bestaat uit: echtheid, waardering en empathie. 13 Een ander woord voor empathie is inlevingsvermogen. 14 Integer zijn wil zeggen dat je kunt opkomen voor jezelf. 15 Assertief zijn betekent dat je je kunt inleven in de cliënt.
Juist Onjuist
◯ ◯
◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
Evaluatie Studiehulp een zelftoets waarmee je controleert of je de theorie kent. Antwoorden zijn op te vragen bij je docent.
Hoeveel vragen heb je goed beantwoord?
1 Pedagogisch werk 2
Stelling 1 Bij PW werk je in de kinderopvang of in het onderwijs. 2 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 3 Onder het bijzonder onderwijs vallen scholen die uitgaan van een bepaalde levensovertuiging. 4 In een kinderdagverblijf komen kinderen van twee tot zes jaar. 5 Peuterspeelzalen zijn er voor kinderen tussen de nul en twee jaar. 6 Een gastouder mag slechts een beperkt aantal kinderen opvangen. 7 Een BSO-plus heeft een thema (zoals sport, kunst of drama) als extra. 8 Een tienercentrum is een vervolg op de buitenschoolse opvang. Er komen jongeren tussen de elf en vijftien jaar. 9 Dagopvang noem je ook wel semiresidentiële of semimurale hulpverlening. 10 24-uursopvang noem je ook wel thuisopvang of ambulante hulpverlening. 11 Een Boddaertcentrum is bedoeld voor kinderen met een meervoudige beperking.
1 28
Juist Onjuist
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
Evaluatie evalueren en reflecteren zijn belangrijke vaardigheden voor jouw toekomstige beroep: zet na elk thema op een rij wat je goed beheerst en wat je actiepunten zijn.
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Vaardigheden Een vaardigheid heeft een vaste opbouw: Oefenen Toepassen Transfer Oriënteren
Vaardigheden De juiste beroepshouding tonen Oriënteren
1 1
1 2 3
Bestudeer de theorie over kiezen voor sociaal-agogisch werk en beroepshouding. Zoek drie personeelsadvertenties uit jouw toekomstige werkveld. Geef aan hoe je daarin de beroepshouding terugziet.
4
Zoek op het internet naar het kwalificatiedossier Pedagogisch werk (https://www.s-bb. nl/onderwijs/kwalificeren-en-examineren/kwalificatiedossiers) en bekijk dit. Wat zegt dat dossier over een goede beroepshouding?
5
Oefenen 6 7
Bekijk het reflectieschema hierna. Vul op de lijnen nu zelf een hulpvraag in.
Observatielijsten
Observatielijsten Bij sommige vaardigheden horen observatielijsten. Die vind je direct achter in dit werkboek. De observatielijsten zijn geordend per thema. Bovenaan staat bij welke vaardigheid de observatielijst hoort. Een observatielijst kun je gemakkelijk uit je werkboek halen. Zo kun je ze in de klas of in je BPV laten invullen.
Thema 1 Lichamelijke verzorging
277
Zorgvrager wassen op bed 277 Zorgvrager wassen op bed met wasdoekjes 281 Zorgvrager wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 285 Haren wassen op bed 289 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met een elektrisch scheerapparaat 291 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met scheermes en scheerzeep 293 Tandenpoetsen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 295 Gebitsprothese verzorgen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 297 Mondholte reinigen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 299 Therapeutische elastische kousen met een open teenstuk aantrekken 301 Therapeutische elastische kousen met een gesloten teenstuk aantrekken 303 Therapeutische elastische kousen uittrekken 305 Hygiënische verzorging van een baby 307
Thema 2 Hulp bieden bij de opname van voeding en vocht Hulp bieden aan een zorgvrager die zelf niet kan eten en drinken Flesvoeding geven 311
Thema 3 Hulp bieden bij de uitscheiding
309
1 22
309
313
Hulp bij het gebruik van een po op bed 313 Hulp bij het gebruik van een urinaal op bed 317 Verwisselen van een incontinentiemat 319 Externe katheter of condoomkatheter verwisselen 321 Katheterzak verwisselen 325 Verzorgen van een blaaskatheter 327 Laxerende zetpil toedienen 329 Microklysma (microlax) of fosfaatklysma toedienen 331 Hulp bieden bij het manueel verwijderen van ontlasting 333 Hulp bieden bij het opgeven van sputum 335 Hulp bieden bij braken 337 Hulp bieden bij het inbrengen van een tampon bij menstruatie
339
Thema 4 Hygiënisch en ergonomisch verantwoord werken
341
Handen wassen met (vloeibare) zeep 341 Handen desinfecteren met handalcohol 343 Aan- en uittrekken van steriele handschoenen 345 Creëren van een schoon of steriel werkveld 347
1 275
Iconen helpen je op weg In de kantlijn staan icoontjes. Die geven aan wat je in de opdracht kunt verwachten.
1 1 1 1 1 1 1
geeft aan dat je een deel van de theorie (nog een keer) leest om de vraag te kunnen beantwoorden. bij deze opdracht werk je samen met anderen. bij deze opdracht heb je een computer met internet nodig om informatie op te zoeken. bij deze opdracht werk je aan je schrijfvaardigheden, bijvoorbeeld met het schrijven van een uitgebreid antwoord, verslag of rapport. bij deze opdracht laat je de uitkomsten zien in een mondelinge presentatie. geeft aan dat het gaat om een creatieve opdracht. geeft aan dat deze opdracht op niveau 4 is.
Werken met dit werkboek Vind je het prettig om eerst de theorie te lezen en dan te kijken of je het weet en begrepen hebt? Lees dan eerst de theorie en maak daarna de verwerkingsvragen. Ben je meer iemand die het liefst de theorie doorneemt aan de hand van vragen? Start dan met de verwerkingsvragen en leg je theorieboek ernaast. Werk je het liefst vanuit de praktijk? Begin dan met een praktijksituatie of een themaopdracht en kijk of je de vragen kunt beantwoorden met de informatie uit de theorie.
Inhoudsopgave Thema 1 Onderwijs als werkveld
8
Verwerking 9 Verwerkingsopdrachten 9 Hoofdstuk 1 Onderwijs in Nederland 9 Hoofdstuk 2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent
19
Toepassing 30 Praktijksituaties 30 Twee kapiteins op één schip 30 Ontmasker de Facebook-faker 32 Vaardigheden 34 Emotionele ondersteuning bieden 34 Themaopdrachten 38 Evaluatie 40 Studiehulp 40 Hoofdstuk 1 Onderwijs in Nederland 40 Hoofdstuk 2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent Evaluatie en reflectie 42
Thema 2 Didactiek
41
44
Verwerking 45 Verwerkingsopdrachten 45 Hoofdstuk 3 Visie op leren 45 Hoofdstuk 4 Didactisch begeleiden 55 Toepassing 65 Praktijksituaties 65 Groep 8 maakt een poll 65 Breuken oefenen met vouwblaadjes 67 Vaardigheden 69 Didactisch begeleiden en werken met het didactisch model Themaopdrachten 72 Evaluatie 73 Studiehulp 73 Hoofdstuk 3 Visie op leren 73 Hoofdstuk 4 Didactisch begeleiden 74 Evaluatie en reflectie 75
1 6
69
Thema 3 Organisatie van het onderwijs
77
Verwerking 78 Verwerkingsopdrachten 78 Hoofdstuk 5 Klassenmanagement 78 Hoofdstuk 6 Toezicht houden buiten de lessen Hoofdstuk 7 Administratie en coördinatie 90 Toepassing 102 Praktijksituaties 102 Anouk begeleidt groep 3 102 Juf Trudy begeleidt een excursie 104 Vaardigheden 106 Buitenschoolse activiteiten organiseren Themaopdrachten 109
106
Evaluatie 111 Studiehulp 111 Hoofdstuk 5 Klassenmanagement 111 Hoofdstuk 6 Toezicht houden buiten de lessen Hoofdstuk 7 Administratie en coördinatie 113 Evaluatie en reflectie 114
Observatielijsten
87
116
1 7
112
Thema 1 Onderwijs als werkveld
1
Introductie Als onderwijsassistent werk je in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs of het speciaal onderwijs. Je helpt een leerkracht, ondersteunt leerlingen die extra begeleiding nodig hebben, signaleert problemen, houdt toezicht op het speelplein en begeleidt leerlingen tijdens buitenschoolse activiteiten. Ook help je de leerkracht tijdens ouderavonden en kun je een presentatie of uitleg geven. Belangrijk is dat je goede interactievaardigheden en 21e-eeuwse vaardigheden ontwikkelt. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp en reflectieopdrachten over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Onderwijs in Nederland • het Nederlandse onderwijs door de eeuwen heen • het onderwijssysteem in Nederland • doelgroepen • taken van een onderwijsassistent • werken in een team Hoofdstuk 2: Kernvaardigheden van de onderwijsassistent • interactievaardigheden • ICT-bekwaamheid • 21e-eeuwse vaardigheden
1 8
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Onderwijs in Nederland 1
1
Door de jaren heen is er veel veranderd in het Nederlandse onderwijs. a Vanaf de achtste eeuw kwamen er steeds meer plaatsen waar jongens les kregen. Welke organisatie zorgde daar in eerste instantie voor? Kies het juiste antwoord. a de gemeente b de kerk c de koning d de regering b Vul de volgende woorden in: lijfstraffen – lesbevoegdheid – ezelsoren – overheidstaak – lager onderwijs Rond 1800 werd onderwijs steeds meer een
. In 1806
kwam de eerste onderwijswet. Deze wet regelde het Onderwijzers moesten toen voor het eerst een hebben. In 1820 werden
min of meer verboden. Toch was het
niet altijd leuk in de groep. Als de meester vond dat een leerling een domme op.
opmerking maakte, kreeg hij de
2
c
Wat was de schoolstrijd?
d
Wat werd er in de wet op het basisonderwijs in 1985 geregeld? Kies het juiste antwoord. a kinderen later over laten gaan naar het voortgezet onderwijs b samenvoegen van de kleuterschool en de lagere school c verplicht stellen van de Cito-eindtoets d welke vakken er op de basisschool gegeven moeten worden
Het onderwijssysteem in Nederland is zo ingedeeld, dat iedereen op zijn eigen niveau kan leren. a Vanaf welke leeftijd is een kind in Nederland leerplichtig? Kies het juiste antwoord. a 3 jaar b 4 jaar c 5 jaar d 6 jaar
1 9
.
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
b
c
3
1
Voor welke kinderen is voor- en vroegschoolse educatie bedoeld? Kies het juiste antwoord. a Kinderen aan het eind van de middelbare school die nog niet precies weten welke vervolgopleiding ze willen volgen. b Kinderen in groep 3 en 4 die moeite hebben met lezen en schrijven. c Kinderen in groep 7 en 8 die met extra ondersteuning naar een hoger niveau in het voortgezet onderwijs kunnen. d Kinderen tussen de 2,5 en 5 jaar die een onderwijsachterstand dreigen op te lopen. Kies de juiste woorden. Het reguliere basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs vormen samen het primair onderwijs / secundair onderwijs. Het speciaal onderwijs is opgedeeld in clusters. Langdurig zieke kinderen en kinderen met een verstandelijke beperking krijgen les in cluster 2 / cluster 3. Het vmbo heeft vier verschillende niveaus. Vmbo gl / vmbo kader is voor leerlingen die gemakkelijk leren en zich willen voorbereiden op een beroepsopleiding. Het vwo bestaat uit het gymnasium en het atheneum. Er is een verschil tussen beide scholen. Op het gymnasium krijgen de leerlingen Latijn / natuurkunde en op het atheneum niet. Voor leerlingen voor wie het vmbo te hoog is gegrepen, is er het bijzonder onderwijs / praktijkonderwijs. Mbo-scholen leiden studenten op voor een beroep. Op een aoc / roc kun je een agrarisch beroep leren. Mbo-studenten die de bbl / bol volgen, hebben meer BPV dan ze op school zitten. Studenten die een studie in het hoger beroepsonderwijs afronden, krijgen een bachelordiploma / hogeschooldiploma. Scholen worden ingedeeld in twee groepen. Het bijzonder onderwijs / openbaar onderwijs bestaat uit scholen met een bepaalde levensovertuiging of onderwijsvisie.
Het onderwijs is tegenwoordig toekomstgericht. Wat leerlingen nu leren, kan over een maand of een jaar alweer verouderd zijn. Naast kennis worden ook vaardigheden aangeleerd. a In het onderwijs is veel aandacht voor 21st century skills. Bedenk een leeractiviteit die aansluit bij 21st century skills. Beschrijf de activiteit kort en geef aan waarom de activiteit aansluit bij 21st century skills.
1 10
Verwerkingsopdrachten
b
1 Onderwijs in Nederland
Volgens het Platform Onderwijs2032 moet toekomstgericht onderwijs aan vijf kenmerken voldoen. Die kenmerken staan in de linkerkolom. In de rechterkolom staan korte beschrijvingen van onderwijsactiviteiten. Combineer het kenmerk met de activiteit.
Kenmerk
c
Activiteit
1
Leerlingen doen kennis en vaardigheden op door creatief en nieuwsgierig te zijn.
A
Leerlingen krijgen de opdracht te reecteren op hun eigen gedrag tijdens het maken van een opdracht.
2
Leerlingen vormen hun persoonlijkheid.
B
Studenten op de opleiding mbo Onderwijsassistent onderhouden contacten met vakgenoten in verschillende landen.
3
Leerlingen leren om te gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Ook leren ze over grenzen heen te kijken.
C
De leerkracht van groep 7 differentieert bij de taalles. Leerlingen die extra uitleg nodig hebben, komen aan de instructietafel.
4
Leerlingen leren de kansen van de digitale wereld te benutten.
D
Leerlingen van vmbo 1 doen onderzoek naar verschillende soorten motoren en ontwerpen dan zelf een motor.
5
Leerlingen krijgen betekenisvol onderwijs op maat.
E
Mbo-studenten doen hun BPV op verschillende scholen en moeten lesgeven aan groepjes leerlingen.
Wat is het verschil tussen een brede school en een integraal kindcentrum?
1 11
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
4
Mensen blijven zich hun leven lang ontwikkelen. Bij die ontwikkeling hoort het eigen maken van vaardigheden. a Bij elke doelgroep horen vaardigheden die de doelgroep zich eigen moet maken. In de tabel staat een aantal vaardigheden. Geef aan welke vaardigheid door welke doelgroep wordt aangeleerd.
Vaardigheid
Baby
Peuter
Kleuter
Schoolkind
Jongere
Volwassene
Zelf een bekertje suiker lenen bij de buurvrouw Een reis naar het buitenland plannen en maken Een cursus met uitzichten op een nieuwe baan kiezen Alleen naar school ďŹ etsen Blokken in een bakje stoppen Samen een zandtaart maken
b
Als het om leren van vaardigheden gaat, onderscheidt Vygotsky twee zones. De zone van actuele ontwikkeling en de zone van naaste ontwikkeling. Een leerling in groep 3 kan plussommen maken tot 10 (3 + 5 = 8, 2 + 4 = 6 enzovoort). Het maken van plussommen tot 10 is de zone van actuele ontwikkeling. Wat is de zone van naaste ontwikkeling voor deze leerling? Leg uit waarom.
1 12
Verwerkingsopdrachten
c
1 Onderwijs in Nederland
Ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) richt zich op de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit van leerlingen. Geef aan of de volgende stellingen over OGO juist of onjuist zijn.
Stelling
Juist
Een voorbeeld van ontwikkelen is het aanleren van een strategie voor het vinden van de persoonsvorm in een zin. De Olympische winterspelen zijn bezig. De onderwijsassistent maakt een boekje met opdrachten over de spelen. Leerlingen kunnen opzoeken waar de spelen worden gehouden, tekensommen maken die te maken hebben met schaatsen en leren over edelmetalen (goud, zilver en brons). Dit is een voorbeeld van een zinvolle en betekenisvolle leeractiviteit. Een onderwijsassistent ziet dat een leerling in de groep moeite heeft met begrijpend lezen. De leerling moet iets terugzoeken in de tekst, maar begint steeds van vooraf aan de tekst te lezen. De onderwijsassistent besluit de leerling niet te helpen, omdat de leerling zelf om hulp moet vragen. De onderwijsassistent heeft een goed besluit genomen. Drie kleuters spelen samen in de poppenhoek. De onderwijsassistent neemt niet deel aan het spel, want het is beter niet actief met leeractiviteiten mee te doen. Drie jongens uit groep 7 zijn geĂŻnteresseerd in het weer. Zij bedenken samen met de onderwijsassistent een paar onderzoeksvragen en bouwen dan een eenvoudig weerstation. Dit is een voorbeeld van een werkwijze die past bij OGO. In groep 4 leren de leerlingen de tafels. De leerlingen krijgen de tafel van vijf op een papiertje mee naar huis. Als ze de tafel kennen, mogen ze hem bij de juf opzeggen. Dit is een voorbeeld van een activiteit die past bij OGO. In een groep wordt thematisch gewerkt. Gekozen is voor het thema supermarkt. Eerst maken de kinderen sommen over de supermarkt. Daarna maken alle kinderen een taalles over de supermarkt. Deze manier van thematisch werken past bij OGO. Een onderwijsassistent heeft activiteiten over zintuigen bedacht. Overal in het lokaal staan proefjes klaar waarmee leerlingen aan de slag kunnen. Als de leerlingen aan het werk zijn, loopt de onderwijsassistent rond. Hij stelt vragen en helpt leerlingen waar dat nodig is. De onderwijsassistent voert zijn taak binnen OGO goed uit.
1 13
Onjuist
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
5
6
Taalontwikkeling blijft belangrijk, ook als kinderen goed kunnen praten. Daarom moet ook in de bovenbouw van de basisschool en in het voorgezet onderwijs aandacht zijn voor taalontwikkeling. a Stel, je bent onderwijsassistent en je wilt in groep 8 een activiteit aanbieden waarbij leerlingen met elkaar in gesprek moeten gaan. Hoe zou je dit aanpakken? Let erop dat de oefening betekenisvol en zinvol is en dat leerlingen uitgedaagd worden hun mening te geven.
b
Je werkt als onderwijsassistent in groep 2. Een jongetje komt naar je toe en zegt: ‘Gisteren ben ik in de winkel gegaan en toen heb ik een nieuwe bal gekoopt.’ Hoe reageer jij op die zin en waarom?
a
Welk voordeel hebben kinderen die tweetalig zijn opgevoed?
b
Je overlegt met de leerkracht. Samen werken jullie in groep 2. Een leerling met Syrische ouders spreekt niet goed Nederlands. Hij is een jaar geleden als vluchteling in ons land komen wonen. De leerkracht wil alleen aandacht besteden aan de uitbreiding van de Nederlandse woordenschat. Welk advies geef jij aan de leerkracht en waarom?
c
Een leerling in groep 3 heeft een beperkte woordenschat. Wat is het beste advies dat je de ouders van het kind kunt geven? Kies het juiste antwoord. a Laat uw kind veel naar kindertelevisieprogramma’s kijken. b Lees uw kind veel voor en lees samen boekjes met hem. c Spreek uw kind aan met korte, overzichtelijke zinnen.
1 14
Verwerkingsopdrachten
7
Als onderwijsassistent kun je te maken krijgen met ouders uit een andere cultuur. Goed communiceren is niet altijd eenvoudig en cultuurverschillen kunnen voor problemen zorgen. a Je kunt allerlei dingen doen voor het bevorderen van een goed onderling begrip. Noem twee dingen en geef van elk een concreet voorbeeld.
b
8
1 Onderwijs in Nederland
Samen met de leerkracht voer je tienminutengesprekken met de ouders van de leerlingen. Een gesprek met de ouders van Sinan verloopt niet prettig. De ouders lijken de woorden van de leerkracht niet te begrijpen, ze maken de school veel verwijten en ze luisteren niet naar wat jullie te zeggen hebben. Na het gesprek besluiten jullie het TOPOI-model te gebruiken voor een analyse. Bij welk onderdelen van het TOPOI-model vindt de juiste analyse plaats? Kies de juiste antwoorden. a Taal: De leerkracht vraagt zich af of hij het gesprek niet te overheersend is begonnen. b Ordening: De leerkracht geeft aan dat hij moeite heeft met het gebrek aan gezag dat hij heeft ten opzichte van de ouders. c Personen: De leerkracht bedenkt dat hij de ouders van Sinan niet helemaal juist heeft benaderd in het begin van het gesprek. Wellicht heeft hij ze onderschat. d Organisatie: De leerkracht bedenkt dat het gesprek misschien anders was verlopen als hij direct zijn gezag had laten gelden. e Inzet: De leerkracht bedenkt dat hij eigenlijk maar weinig weet van de situatie van Sinan en dat hij er ook niet veel aan doet om meer over de leerling en de ouders te weten te komen.
Diversiteit gaat over verschillen tussen mensen. Culturele verschillen, maar ook over verschillen binnen culturen. a Het is van groot belang dat kinderen ervaren dat hun cultuur ertoe doet en dat ze mogen zijn wie ze zijn. Anders ontstaat er een conict tussen het leven op school en het leven thuis. Hoe kun je bereiken dat kinderen op school ervaren dat hun cultuur ertoe doet? Beschrijf een activiteit.
1 15
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
b
c
9
Kinderen met een taalachterstand zijn gebaat bij VVE. Welke stellingen over VVE zijn waar? Kies de juiste antwoorden. a Door de introductie van integrale kindcentra is de kans groter dat onderwijsassistenten met VVE te maken krijgen. b Elke onderwijsassistent met een mbo-diploma kan een rol spelen binnen een VVE-programma. c Het heeft geen zin om Nederlandse ouders te adviseren over VVE, want het programma richt zich alleen op ouders met een migratieachtergrond. d Het veel voorlezen door ouders als het kind naar bed gaat, kan bij een VVEprogramma horen. Als je als onderwijsassistent binnen een VVE-programma werkt, moet je kunnen observeren, interacteren, een rijke speel- en leeromgeving kunnen creëren en betekenisvolle educatieve situaties kunnen organiseren. Wat is een voorbeeld van een rijke speel- en leeromgeving?
Een zorgleerling is een leerling die zonder extra begeleiding niet of moeilijk meekomt op school. Een zorgleerling heeft vaak een leer- of gedragsprobleem. a In de tabel staat een aantal leer- en gedragsproblemen. Rechts staan beschrijvingen van leerlingen met een probleem. Welk leer- of gedragsprobleem hoort bij welke beschrijving? Koppel de problemen aan de beschrijvingen.
Leer- of gedragsprobleem
Leerling
1
ADHD
A
Simone heeft moeite met het automatiseren van de tafels. Ze zit in groep 7 en kent de tafels van één tot en met tien nog steeds niet uit haar hoofd.
2
Dyslexie
B
Dylan is erg bewegelijk. Hij zit vaak achterstevoren en heeft zijn werk meestal niet af. Hij weet vaak niet wat hij moet doen.
3
Dyscalculie
C
De leerkracht heeft Gea uit de groep gestuurd. Het meisje is kwaad en scheldt de docent uit. Bij de deur schopt ze tegen de prullenbak.
4
Gedragsstoornis
D
Voor begrijpend lezen scoort Vincent laag. Hij is ook niet goed in technisch lezen. Hij leest voldoende, maar hij vindt het moeilijk.
1 16
Verwerkingsopdrachten
1 Onderwijs in Nederland
b
Een handelingsplan is een plan voor de begeleiding van een leerling. Devin is een leerling uit groep 6. Uit de toetsen blijkt dat hij moeite heeft met breuksommen. Hoe ziet het handelingsplan van Devin er in grote lijnen uit?
c
In 2014 is de wet Passend onderwijs ingegaan. Kies de juiste woorden. Scholen moeten een passende plek vinden voor leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Dit wordt zorgplicht / meldplicht genoemd. Sylvia kan veel beter leren dan de meeste andere kinderen. Op haar is de wet Passend onderwijs ook / niet van toepassing. Als een ouder zijn kind aanmeldt voor een school, dan is die school verplicht / niet verplicht het kind op de eigen school te plaatsen. De scholen in een regio werken samen in een samenwerkingsverband / bovenschoolse organisatie. Scholen kunnen zich specialiseren. Dan krijgt die school bijvoorbeeld leerlingen met ADHD uit de regio. Het is wel zo dat alle scholen een cursus Omgaan met beperkingen / Basisondersteuning moeten kunnen bieden.
10
Het takenpakket van de onderwijsassistent verandert. Onderwijsassistenten krijgen meer te maken met een-op-eenbegeleiding en het begeleiden van groepjes. En het takenpakket kan ook uitgebreid worden. a Wat is een combinatiefunctionaris? Kies het juiste antwoord. a Een leerkracht die onderwijstaken op een IKC heeft. b Een onderwijsassistent die kinderopvangtaken en onderwijstaken heeft. c Een onderwijsassistent die zich specialiseert in bepaalde functies binnen een school. d Een pedagogisch medewerker die ook opvangtaken op school uitvoert. b Als onderwijsassistent krijg je in je opleiding te maken met twee basiskerntaken en twee proďŹ elkerntaken. Welke kerntaken zijn dat? Kies de juiste antwoorden. a Je begeleidt kinderen bij hun ontwikkeling. b Je registreert de ontwikkeling van kinderen. c Je voert lesactiviteiten uit in overleg met de docent. d Je voert opvangactiviteiten uit op een basisschool. e Je voert taken uit rondom de lessen. f Je werkt aan kwaliteit en deskundigheid.
11
Als onderwijsassistent ga je een functionele relatie aan met leerlingen, ouders en collega’s. a Wat is een functionele relatie?
1 17
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
b
Welke beschrijving hoort bij de begrippen? Combineer begrippen met de beschrijving ervan.
Begrip
c
Beschrijving
1
Macht
A
Een kind voelt zich bij jou veilig en kan persoonlijke zaken aan je vertellen.
2
Gezag
B
Kinderen doen heel gemakkelijk wat je zegt. Je oefent gemakkelijk invloed uit op anderen.
3
Overwicht
C
Kinderen en ouders kunnen jou wel persoonlijke zaken vertellen, maar jij deelt geen persoonlijke zaken over jezelf met kinderen en ouders.
4
Professionele afstand
D
Dit krijg je vrijwillig van je functionele relaties. Jij zult wel weten wat goed is, omdat je de juf/meester bent.
5
Vertrouwensrelatie
E
Dit komt voort vanuit je positie. Kinderen moeten doen wat je zegt omdat jij de juf/meester bent.
De beroepshouding van een onderwijsassistent bestaat onder meer uit betrokkenheid, empathie, assertiviteit, representativiteit en integriteit. Vul deze begrippen in op de lege plaatsen in de tekst. Een onderwijsassistent kan zich goed inleven in de leerlingen. Dat noemen we . Een onderwijsassistent toont
door verantwoord en naar eer en
geweten te handelen. Door zich in te zetten voor het welzijn van de leerlingen toont de onderwijsassistent
.
Als een onderwijsassistent de organisatie waar hij voor werkt op een goede manier vertegenwoordigt, spreken we van
.
Door op te komen voor zichzelf en rekening te houden met de ander, maar ook met zijn eigen positie en verantwoordelijkheden, toont de onderwijsassistent .
1 18
Verwerkingsopdrachten
d
2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent
In het onderwijs werk je altijd in een team. Je moet dan samenwerken en krijgt te maken met een teamcultuur. Wat betekent teamwerk precies?
Wat is de teamcultuur?
1 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent 2
1
Als onderwijsassistent moet je over voldoende interactievaardigheden beschikken. Die interactievaardigheden heb je nodig om kinderen en jongeren emotioneel te begeleiden. a Interactie is een wisselwerking tussen jou en de leerling. Interactie vraagt om een grondhouding waarbij bepaalde begrippen erg belangrijk zijn. Om welke begrippen gaat het? Kies de juiste antwoorden. a bevlogenheid b respect c collegialiteit d echtheid e empathie f kennis g onvoorwaardelijke acceptatie b Wat zijn voorbeelden van sensitieve responsiviteit? Kies de juiste antwoorden. a De onderwijsassistent staat voor groep 4. Hij laat de kinderen eerst nog even kletsen, maar begint dan met de les. Hij deelt bladen uit en vertelt wat de kinderen moeten doen. b Een kind uit groep 2 laat haar tekening zien aan de onderwijsassistent. Die kijkt naar de tekening en begint een gesprek met de leerling over de tekening. c Een leerling in havo 3 komt woedend het lokaal binnen. Ze voelt zich slecht behandeld door een leerkracht. De onderwijsassistent hoort het verhaal aan en praat met de leerling over het probleem. d Een student op het mbo snapt een opdracht niet. Hij kijkt om zich heen en leest de opdracht dan nog een keer. De onderwijsassistent gaat naar de student toe en vraagt of hij kan helpen. e Twee leerlingen uit groep 8 hebben ruzie. De onderwijsassistent kijkt van een afstand toe. Ze laat de leerlingen eerst zelf het probleem oplossen.
1 19
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
c
Een onderwijsassistent moet goed om kunnen gaan met zijn eigen emoties. Hij moet over emotionele zelfkennis beschikken. Wat is een voorbeeld van een emotie die een onderwijsassistent kan hebben? Beschrijf de emotie en de situatie waarin de emotie zich kan voordoen.
d
Kinderen en jongeren komen pas tot leren als ze zich veilig voelen. De school moet dan ook zorgen voor de mentale veiligheid van leerlingen. Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet wordt aangetast. Wat zijn voorbeelden van het aantasten van psychische, sociale en fysieke veiligheid? Zet het juiste woord achter de juiste uitleg. Een jongen in groep 6 wordt in de kleedkamer bij gym vaak geslagen en geschopt. Een meisje in het voortgezet onderwijs wordt zonder reden uit de groepsapp gezet. Een student op het mbo wordt constant gekleineerd door zijn groepsgenoten. Ze zeggen dat hij dom is en er niks van snapt.
e
2
Bij de emotionele begeleiding van kinderen en jongeren is een actieve luisterhouding erg belangrijk. Stel, een leerling op het voorgezet onderwijs zit alleen in een groep. Hij is duidelijk boos over iets en je wilt aan hem vragen wat er aan de hand is. Hoe kun je een actieve luisterhouding laten zien? Geef aan hoe je een actieve luisterhouding kunt laten zien en hoe je die juist niet laat zien.
Een leerkracht en een onderwijsassistent doen er goed aan de autonomie van kinderen en jongeren te respecteren. a Wat versta je onder de autonomie van kinderen en jongeren?
b
Als kinderen en jongeren zelf keuzes mogen maken, hebben ze meer interesse en plezier in leren. Wat verbetert er bij leerlingen als ze zelf keuzes mogen maken? Kies de juiste antwoorden. a eigenwaarde b schoolprestaties c sociale positie d taakgerichtheid e zelfbeeld f zelfvertrouwen
1 20
Verwerkingsopdrachten
2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent
c
Een groepje leerlingen in de bovenbouw onderzoekt de leefwijze van de Romeinen. Ze komen tot een verkeerde conclusie. Hoe kun jij reageren met respect voor de autonomie van de kinderen? Geef ook aan hoe je kunt reageren zonder de autonomie van de kinderen te respecteren. Leg ook uit waarom.
d
In de tabel staan voorbeelden van keuzes die leerlingen mogen maken. Geef aan of het gaat om een optiekeuze of om een actiekeuze.
Voorbeeld
Optiekeuze Actiekeuze
De leerlingen van groep 1 en 2 mogen kiezen uit werkjes die op verschillende tafels klaarliggen. Leerlingen uit de eerste klas van het voortgezet onderwijs moeten een presentatie geven over een muziekinstrument. Ze bepalen zelf het instrument, met wie ze de opdracht uitvoeren en hoe de presentatie eruitziet. Studenten van mbo Verpleegkunde onderzoeken een ziektebeeld. Ze schrijven een verslag over het onderzoek. Leerlingen uit groep 8 mogen kiezen of ze beginnen met rekenen of met spelling. Een onderwijsassistent bespreekt in groep 5 drie verschillende onderwerpen van het vak geschiedenis: kastelen, transport en democratie. De leerlingen mogen kiezen aan welk onderwerp ze gaan werken.
3
Een leerkracht en een onderwijsassistent geven leiding en bieden structuur aan een groep. a Een onderwijsassistent in het mbo wil dat de studenten de komende periode aan hun opdracht over anatomie gaan werken. Welke instructie kan de onderwijsassistent geven?
1 21
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
b
De woorden ‘gezag’ en ‘overwicht’ kunnen nog wel eens verkeerd uitgelegd worden. Het is geen eenrichtingsverkeer. Je zult overwicht en gezag moeten verdienen. Dat kun je doen door leerlingen gelijkwaardig te behandelen. Uit welke uitspraken blijft dat de onderwijsassistent zich gelijkwaardig voelt aan de leerling? Geef aan welke uitspraak gelijkwaardig is en welke niet gelijkwaardig is.
Uitspraak
Gelijkwaardig
Niet gelijkwaardig
‘Kan het even wat stiller daar in die hoek?’ ‘Ik zie dat je hem schopt en dat mag niet. Ik wil dat je daar gaat zitten tot ik bij je kom om hierover te praten.’ ‘Je bent echt een vervelend ventje en je krijgt straf. Vanmiddag blijf je tot vier uur na.’ ‘Ik vind je echt een vervelend kind. Dat doe je toch niet?’ ‘Als jij zo tegen me tekeergaat heb ik geen zin om naar je te luisteren. Ik vind dat je eerst wat rustiger moet worden. Dan kun je je verhaal nog een keer vertellen.’
4
c
Op een basisschool verlopen de pauzes erg onrustig. Elke keer als groep 6 terugkomt in de les moet de onderwijsassistent brandjes blussen. Daar wil ze vanaf. Welke regels zou de onderwijsassistent op kunnen stellen voor het buiten spelen?
d
Twee jongeren uit de tweede klas van het voortgezet onderwijs hebben ruzie. Hoe los je die ruzie eerlijk op? Leg uit waarom.
Een belangrijk deel van het werk van een onderwijsassistent bestaat uit informatie en uitleg geven. a Kies de juiste woorden. b Als je iets uitlegt, zorg je altijd voor voldoende afwisseling / overeenstemming. c Voor je iets uitlegt, bedenk je hoe je het beste kunt aansluiten bij de doelstelling / voorkennis van de leerling. d Het is noodzakelijk dat je bij het geven van uitleg betekenis / verdieping geeft aan de inhoud van de les of de opdracht.
1 22
Verwerkingsopdrachten
e
2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent
Een goede uitleg verloopt in drie stappen. Welke zinnen of opdrachten horen bij welke stap? Combineer de stappen en de zinnen/opdrachten.
Stap
1
f
5
Zin/opdracht
1
Stap 1
A
Neem vijf minuten de tijd om na te denken wat je zou willen weten over de Tweede Wereldoorlog.
2
Stap 2
B
Schrijf op een blaadje wat je voor de les nog niet wist over kastelen en wat je er nu wel over weet.
3
Stap 3
C
De wet van vraag en aanbod bepaalt bijvoorbeeld welke smartphone jullie allemaal in je broekzak hebben.
In de theorie lees je over de elementen van instructie. De volgende vragen komen aan de orde: Wat? Hoe? Waarom? Tijd? Beoordeling? Hulp? Je bent onderwijsassistent op een mbo. De studenten gaan leren hoe ze drankjes moeten uitserveren op een terras. Geef een kort antwoord op de vragen Wat? Hoe? Waarom? Tijd? Beoordeling? Hulp?
Het onderwijs is gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van leerlingen. Leerlingen willen niet altijd leren. Daarom is het belangrijk dat onderwijsassistenten hun leerlingen goed kunnen motiveren. a Welke voorbeelden kunnen duiden op een motivatieprobleem? Kies de juiste antwoorden. a Een groepje leerlingen zit in de hal en praat veel over de opdracht. b Een leerling haalt zijn schouders op als de onderwijsassistent vraagt of het lukt. c Een leerling heeft nog geen opdracht gemaakt en staart alleen maar naar buiten. d Een leerling snapt de sommen niet, maar vraagt geen hulp. e Een leerling zit achteraf in de groep stilletjes in z’n eentje te werken. f Een leerling schopt de hele tijd zijn buurman onder de tafel.
1 23
THEMA 1 Onderwijs als werkveld
1
b
Noem twee oorzaken van gebrek aan motivatie.
c
Bij motivatie kan er sprake zijn van intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie. Geef aan bij welk voorbeeld je intrinsieke motivatie en bij welk voorbeeld je extrinsieke motivatie ziet.
Voorbeeld
Intrinsieke motivatie
Extrinsieke motivatie
Een leerling schrijft in de les Nederlands een liefdesgedicht voor het meisje dat hij leuk vindt. Een jongen doet extra zijn best bij een wiskundeoverhoring, omdat hij een hoog cijfer nodig heeft. De groepjes in de keuken werken hard. Het winnende groepje mag alle koekjes mee naar huis nemen. Een leerling komt na zijn laatste les naar de techniekruimte om verder te sleutelen aan de auto die daar staat. Een leerling van een basisschool vraagt of hij in de pauze verder mag gaan in de schooltuin.
1 1
d
In de theorie lees je over de rol van de leerkracht/onderwijsassistent bij het intrinsiek motiveren van leerlingen. Er wordt een aantal zaken genoemd, zoals: • aansluiten bij de interesse van de leerling; • de leerling nieuwe ervaringen op laten doen; • verantwoordelijkheid en keuzes geven aan leerlingen; • hoge verwachtingen uitspreken; • je aandacht richten op wat leerlingen goed doen; • een uitnodigende omgeving creëren; • leerlingen begeleiden, stimuleren en inspireren. Bedenk een lesactiviteit waarin je bovenstaande punten of een deel van die punten terug laat komen. Onderbouw je activiteit.
1 24
Verwerkingsopdrachten
6
1
2 Kernvaardigheden van de onderwijsassistent
De school is een plek waar kinderen en jongeren de kans hebben te leren hoe ze met anderen om kunnen gaan. a In de theorie lees je meer over concrete vragen die je kunt stellen over de onderlinge omgang tussen kinderen. De concrete vragen staan in de tabel. Bedenk bij elke concrete vraag een zin die je kan gebruiken. Zet die zin in de tabel.
Vraag
Zin
Hoe kan ik het verschil duidelijk maken tussen plagen en pesten? Hoe kan ik de sfeer in mijn groep verbeteren? Hoe kan ik de stille en onzekere leerlingen erbij betrekken? Hoe kan ik leerlingen leren samenwerken in een groepje? Hoe zorg ik ervoor dat drukke leerlingen niet alle aandacht opeisen? Hoe zorg ik ervoor dat leerlingen meer samenspelen op het schoolplein?
b
In een vmbo 3-klas zit een aantal leerlingen dat moeite heeft deel te nemen aan en initiatief te nemen tot sociale interactie. Deze leerlingen zijn niet sociaal competent. Je wilt dat deze leerlingen werken aan hun houding die ze nodig hebben in sociale situaties. Met welke leeractiviteit zou dat kunnen?
c
In een groep 5 op een basisschool is het klimaat in de groep negatief. Kinderen letten voortdurend op elkaar en er zijn vaak ruzies en pesterijen. Wat kun je doen om het klimaat in de groep positiever te maken? Noem twee acties en leg uit waarom die acties bijdragen aan een positief klassenklimaat.
1 25
WERKBOEK NIVEAU 4
Onderwijsassistent School en didactiek PW
Deze uitgave Onderwijsassistent School en didactiek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaken uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk. P3-K2-W1 Voert voorwaardelijke werkzaamheden uit ten behoeve van het lesprogramma P3-K2-W2 Voert administratieve taken uit P3-K2-W3 Houdt toezicht en begeleidt buiten de lessen P3-K2-W4 Voert coรถrdinerende taken binnen de school uit De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.
pedagogisch werk
PW Onderwijsassistent School en didactiek PW WERKBOEK
De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff.nl/trajectwelzijn.
Auteurs: M. Baseler R.F.M van Midde Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 483963
MBO_WB_OnderwijsasSchoolEnDidactiek_PW_210x297mm.indd All Pages
17/01/18 11:47