Inhoud Zo werk je met Newton 1 Het vak NaSk 1.1 Starten 1.2 Natuurwetenschappen 1.3 Veilig proeven doen 1.4 Onderzoeken 1.5 Rekenen en resultaten tonen 1.6 Afsluiten 2 Licht en straling 2.1 Starten 2.2 Kleuren zien 2.3 Licht en schaduw 2.4 Lenzen 2.5 Spiegelbeelden 2.6 Andere straling 2.7 Afsluiten 3 Elektriciteit en magnetisme 3.1 Starten 3.2 Apparaten 3.3 Magneten 3.4 Spanningsbronnen 3.5 Elektrische stroom 3.6 Elektriciteit en veiligheid 3.7 Afsluiten 4 Energie en warmte 4.1 Starten 4.2 Hoe maak je iets warm? 4.3 Warmte verplaatsen 4.4 Verbranden 4.5 Temperatuur 4.6 Afsluiten 5 Kracht en beweging 5.1 Starten 5.2 Allerlei soorten krachten 5.3 De grootte van krachten 5.4 Snelheid 5.5 Veiligheid en verkeer 5.6 Afsluiten
6 Geluid 6.1 Starten 6.2 Geluidsbronnen en geluidstrillingen 6.3 De snelheid van geluid 6.4 Gehoorschade 6.5 Afsluiten 7 Stoffen en deeltjes 7.1 Starten 7.2 Deeltjes en fasen 7.3 Faseovergangen 7.4 Zwaar en licht 7.5 Stoffen en stofeigenschappen 7.6 Afsluiten Illustratieverantwoording
2 Licht en straling 2.1 Starten 2.2 Kleuren zien 2.3 Licht en schaduw 2.4 Lenzen 2.5 Spiegelbeelden 2.6 Andere straling 2.7 Afsluiten
34
2.1 Starten
2.1 Starten Op veel plaatsen zie je spiegels. Maar hoe werkt een spiegel eigenlijk? En hoe komt het dat je verschillende kleuren ziet? Hoe ontstaat schaduw? 1
2
3
Kies de lichtbronnen. Er zijn meerdere antwoorden juist. Een brandende kaars. Een brandende lamp. De maan. De zon.
□ □ □ □
Bij zonnig weer zie je schaduw. Wanneer is de schaduw het kortst? In de ochtend. In de middag. In de avond.
○ ○ ○
Bekijk de afbeelding. Als jij naar deze smiley kijkt, zie je dit:
Teken ernaast hoe de smiley zichzelf in de spiegel ziet.
4
Op welke manieren kun je gekleurd licht maken?
35
2.2 Kleuren zien
2.2 Kleuren zien Aan het eind van deze paragraaf kan ik: vertellen hoe een regenboog ontstaat; beschrijven wat een lichtbron is; uitleggen hoe je kleuren kunt splitsen en mengen; vertellen hoe je voorwerpen kunt zien; vertellen hoe je kleuren kunt zien.
□ □ □ □ □
Ontdekken Overdag zie je verschillende kleuren, maar ’s avonds lijken alle kleuren te verdwijnen. Zelfs in het licht van de straatlantaarns zie je kleuren niet goed meer. Waarom zie je dan de kleuren niet goed?
Proef
Welke kleur geeft een straatlantaarn? Je onderzoekt hoe je kleuren ziet in het licht van een straatlantaarn. Je hebt nodig • vier felgekleurde voorwerpen: een rood, een groen, een blauw en een geel voorwerp • natriumlamp of lamp met een oranje kleurenfilter • pen en papier Dit ga je doen 1 Bekijk allereerst de voorwerpen bij daglicht. Noteer de kleuren van de voorwerpen in de tabel. 2 De docent of technisch onderwijsassistent maakt nu het klaslokaal zo donker mogelijk zodat er alleen licht van de natriumlamp is. 3 Bekijk de voorwerpen in het natriumlicht. Noteer de kleuren die je nu ziet in de tabel. 1
Vul de tabel in. Voorwerp
Kleur bij daglicht
Kleur bij natriumlicht
rood groen blauw geel 2
In welk licht zie je de kleur van een voorwerp het best: in wit licht of in gekleurd licht?
3
Je ziet een fiets staan in het oranje licht van een straatlantaarn. Leg uit waarom je niet weet welke kleur de fiets heeft.
36
2.2 Kleuren zien
4
Waarom gebruiken we het liefst lampen die wit licht geven?
Begrijpen Ben jij weleens naar een popconcert geweest? Misschien heb je daar ook genoten van de lichtshow met lichtbundels in allerlei kleuren. Je leest wat een kleurenspectrum is en wat lichtbronnen zijn.
Kleuren van de regenboog Als het regent terwijl de zon schijnt, zie je een regenboog. Een regenboog ontstaat doordat het zonlicht op de regendruppels schijnt. Zonlicht is wit, maar de regendruppels splitsen het zonlicht in verschillende kleuren. In een regenboog zie je rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet.
In een regenboog zie je alle kleuren van het witte zonlicht.
In de afbeelding zie je die kleuren naast elkaar in een kleurenband. Zo’n kleurenband noem je een kleurenspectrum.
In het kleurenspectrum zie je alle kleuren van de regenboog.
Lichtbronnen De zon, lampen en kaarsen geven zelf licht. Daarom noem je ze lichtbronnen. Als je het licht van een lichtbron splitst, zie je aan het spectrum welke kleuren de lichtbron uitzendt. De zon, lampen en kaarsen geven wit licht. Dit licht is opgebouwd uit alle kleuren van de regenboog.
Gekleurde lichtbronnen Een lamp zendt alle kleuren licht uit. Alleen zijn niet alle kleuren van het spectrum even sterk. Een lamp geeft vooral geel en oranje licht. Er bestaan ook lampen die maar één kleur licht geven. Voorbeelden van zulke lampen zijn de rode en groene ledlampjes in verkeerslichten.
5
Proef
Kleuren mengen met een tol
37
2.2 Kleuren zien
ONTHOUDEN
• • • •
Sleutelbegrippen: regenboog, kleurenspectrum, lichtbron. Een regenboog ontstaat doordat regendruppels het zonlicht splitsen in verschillende kleuren. De kleuren van de regenboog vormen het kleurenspectrum. Een lichtbron is een voorwerp dat zelf licht geeft.
Lees de theorie Lichtbronnen. 5
Noem drie lichtbronnen.
Lees de theorie Kleuren van de regenboog. 6
7
8
Alle kleuren licht van de regenboog geven samen: paars licht. rood licht. wit licht. zwart licht.
○ ○ ○ ○
Wat is een kleurenspectrum?
Vul deze woorden in op de juiste plek. Je houdt een paar woorden over. één kleur – kleurenspectrum – wit – enkele – lichtbron – rood – regenboog . Een lichtbron die alle kleuren uit het
Licht wordt uitgezonden door een uitzendt, geeft
licht. Als een lichtbron maar
licht uitzendt, zie je gekleurd licht. Lees de theorie Kleuren van de regenboog en Lichtbronnen. 9
Lees de zinnen en geef aan of ze waar zijn of niet waar. Over de letters die tussen haakjes staan, gaat vraag 10. Een lichtbron is een lichtgevend voorwerp. Waar. (L) Niet waar. (F)
○ ○
Een fietsreflector is een lichtbron. Waar. (O) Niet waar. (A)
○ ○
Je ziet voorwerpen alleen als ze wit licht geven. Waar. (T) Niet waar. (M)
○ ○
Een regenboog zie je als het regent terwijl de zon schijnt. Waar. (P) Niet waar. (O)
10
○ ○
Noteer de letters van je gekozen antwoorden achter elkaar. Welk woord staat er nu?
38
2.2 Kleuren zien
Lees de theorie Gekleurde lichtbronnen. 11
Welke kleur licht krijg je als je rood, blauw en groen licht mengt? Paars. Roze. Wit. Zwart.
○ ○ ○ ○
Beheersen Je vindt het heel normaal dat je voorwerpen en kleuren ziet. Maar weet je altijd zeker wat je ziet? Zie je een bepaalde kleur wel altijd hetzelfde?
Voorwerpen zien Een lichtbron zie je doordat het licht ervan in je ogen komt. Voorwerpen die zelf geen licht geven, zie je ook. Die voorwerpen weerkaatsen het licht van een lichtbron en daarna komt dat licht in je ogen. Een wit voorwerp weerkaatst meer licht dan een donker gekleurd voorwerp. Een voorwerp dat zelf geen licht geeft en ook niet verlicht wordt, zie je niet. En in een ruimte zonder licht zie je ook niets.
Welke kleur heeft een shirt in wit licht? Je hebt in de proef Het licht van een straatlantaarn gezien dat je voorwerpen niet altijd in dezelfde kleur ziet. Dat komt door de kleur van de lichtbron. Een wit T-shirt weerkaatst alle kleuren van de regenboog. Daardoor zie je het als wit. Een rood T-shirt weerkaatst alleen rood licht. Je ziet het daardoor als rood. Het shirt absorbeert alle andere kleuren uit het witte licht. Absorberen betekent opnemen. Gekleurde voorwerpen weerkaatsen dus maar T-shirts in verschillende kleuren. een deel van het licht. Je ziet alleen de kleuren die weerkaatst worden. De kleuren die niet weerkaatst worden, worden geabsorbeerd. Een zwart voorwerp absorbeert alle kleuren. Je ziet dan geen kleur.
Onder een gekleurde lamp Voor straatverlichting worden vaak natriumlampen gebruikt. Onder een natriumlamp zie je geen verschil tussen een blauwe en een zwarte auto. Dat komt doordat een natriumlamp alleen oranje licht geeft. Maar een blauwe auto weerkaatst alleen blauw licht. Alle andere kleuren worden door een blauwe auto geabsorbeerd. Het oranje licht van de lamp wordt dus niet weerkaatst en daardoor zie je de auto zwart.
39
2.2 Kleuren zien
5
Proef
Kleuren zien bij natriumlicht
ONTHOUDEN
• • • • •
Sleutelbegrippen: weerkaatsen, absorberen. Je ziet voorwerpen doordat ze licht weerkaatsen. Een wit voorwerp weerkaatst alle kleuren licht. Een zwart voorwerp absorbeert alle kleuren licht en weerkaatst dus niets. Een gekleurd voorwerp weerkaatst alleen zijn eigen kleur en absorbeert alle andere kleuren.
Lees de theorie Voorwerpen zien. 12
Wat zie je in een kamer met weinig licht beter: een wit T-shirt of een bruin T-shirt? Leg uit waarom dat zo is.
13
Je ziet ’s nachts een kat in het licht van een straatlantaarn. Leg uit waardoor je de kat ziet.
Lees de theorie Welke kleur heeft een shirt in wit licht? 14
15
16
Absorberen betekent: opnemen. splitsen. terugkaatsen. weerkaatsen.
○ ○ ○ ○
De zon schijnt op een zwarte auto. De auto zal het zonlicht: helemaal absorberen. helemaal weerkaatsen. in kleuren splitsen. omzetten in wit licht.
○ ○ ○ ○
Lees de zinnen. Zijn de zinnen waar of niet waar? Een wit voorwerp absorbeert alle kleuren licht. Waar. Niet waar.
○ ○
Een rode bal weerkaatst alleen rood licht. Waar. Niet waar.
○ ○
Een zwart voorwerp absorbeert alle kleuren licht. Waar. Niet waar.
○ ○
40
2.2 Kleuren zien
Een blauw T-shirt weerkaatst alle kleuren licht. Waar. Niet waar.
○ ○
Lees de theorie Voorwerpen zien.
17
Welke kleur heeft een voorwerp dat alle kleuren licht weerkaatst? Blauw. Geel. Wit. Zwart.
○ ○ ○ ○
Lees de theorie Onder een gekleurde lamp.
18
Onder een straatlantaarn met een oranje natriumlamp staan een witte en een blauwe auto. Welke kleur hebben deze auto’s in het licht van de lantaarn?
Welke auto zal het licht van de lantaarn absorberen?
19
Lees de tekst Gezien worden.
Leestekst
Gezien worden In het verkeer is het belangrijk dat je iedereen goed ziet, en dat anderen jou goed zien. In het donker is dat lastig. Daarom heeft je fiets lampen en reflectoren. Een reflector weerkaatst het licht van auto’s en straatlantaarns zodat andere weggebruikers jou zien. Voor politieagenten en brandweermannen is het ook belangrijk dat iedereen hen ziet. Daarom dragen ze kleding met reflecterende strepen erop.
De strepen weerkaatsen het licht.
a
Teken blauwe pijlen bij de lichtbronnen in de afbeelding van de fiets hieronder.
b
Teken rode pijlen bij de reflectoren in de afbeelding van de fiets hieronder.
41
2.2 Kleuren zien
Plusvragen Plusvragen bij deze paragraaf vind je online. 5Plusvragen
Extra oefening Extra oefeningen bij deze paragraaf vind je online. 5Extra oefening
42
2.3 Licht en schaduw
2.3 Licht en schaduw Aan het eind van deze paragraaf kan ik: beschrijven wat een puntbron is; uitleggen hoe schaduwen ontstaan; uitleggen waar de grootte van een schaduw van afhangt; rekenen met vergrotingen.
□ □ □ □
Ontdekken Deze hardlopers zien hun schaduw voor zich. Maar waar zien ze die schaduw als ze in een andere richting lopen? En is hun schaduw altijd even groot?
Vóór de hardlopers zie je hun schaduwen.
Proef
Hoe verplaats je een schaduw? Zie je een schaduw altijd op dezelfde plek, en is een schaduw altijd even groot? Je hebt nodig • potlood • tonvoet • zaklantaarn of smartphone als lichtbron Dit ga je doen 1 Zet het potlood rechtop in de tonvoet. 2 De docent of toa maakt het lokaal zo donker mogelijk. 3 Houd de lichtbron recht boven het potlood. 4 Houd de lichtbron rechtsboven het potlood. 5 Beweeg de lichtbron nu naar de linkerkant van het potlood. 6 Laat de lichtbron nu onder een kleinere hoek op het potlood schijnen. 1
2
3
Zie je een schaduw als je de lichtbron recht boven het potlood houdt? Ja. Nee.
○ ○
Zie je een schaduw als je de lichtbron rechtsboven het potlood houdt? Ja. Nee.
○ ○
Aan welke kant van het potlood zie je de schaduw op dat moment?
43
2.3 Licht en schaduw
4
‘Beweeg de lichtbron nu naar de linkerkant van het potlood.’ Wat gebeurt er met de schaduw?
5
‘Laat de lichtbron nu onder een kleinere hoek op het potlood schijnen.’ Wat gebeurt er met de lengte van de schaduw?
Begrijpen Jullie krijgen een nieuw schoolplein! De leerlingenraad mag meepraten over de nieuwe inrichting. De meisjes willen vooral bankjes in de zon. Maar wat zijn de zonnigste plekken?
Schoolplein.
Lichtstralen en puntbron Licht beweegt langs rechte lijnen. Die lijnen noem je lichtstralen. Meestal zie je ze niet. Je ziet ze pas bij mist of rook. Bij een heel kleine lichtbron komen alle lichtstralen uit één punt. Zo’n lichtbron noem je een puntbron. Het lampje in je smartphone is zo’n puntbron. Bij grotere lichtbronnen, zoals een tl-balk, komen er lichtstralen vanuit alle punten van die lichtbron. Met behulp van lichtstralen kun je schaduwen tekenen. Dat gaat het best als je een puntbron gebruikt.
44
2.3 Licht en schaduw
Schaduw In de afbeelding zie je de lichtstralen van de zon niet. Je ziet wel schaduwen. Een schaduw is een plek waar geen of minder licht komt. De schaduwen op de foto ontstaan doordat de kamelen en de mensen het zonlicht tegenhouden. Als je de hele dag op dezelfde plek staat, zie je je schaduw steeds in een andere richting. Ook de lengte van je schaduw verandert. Dat komt doordat de aarde draait. Daardoor verandert de richting waarin het zonlicht op de aarde schijnt. Bij een hoge zonnestand, midden op de dag, is je schaduw kort. Bij een lage zonnestand is je schaduw lang.
5
De schaduwen zie je wél, de lichtstralen niet.
Proef
Maak een schaduw groter of scherper
ONTHOUDEN
• • • • •
Sleutelbegrippen: puntbron, schaduw. Een puntbron is een kleine lichtbron. Lichtstralen bewegen langs rechte lijnen. Lichtstralen zie je als ze worden weerkaatst, bijvoorbeeld door rookdeeltjes. Een schaduw is het gebied waar lichtstralen niet komen.
Lees de theorie Lichtstralen en puntbron. 6
Leg uit wanneer je een lichtbron een puntbron mag noemen.
7
Lichtstralen bewegen: alleen door rook. alleen vanuit een puntbron. langs gebogen lijnen. langs rechte lijnen.
○ ○ ○ ○
Lees de theorie Lichtstralen en puntbron en Schaduw.
8
Zijn de zinnen waar of niet waar? Lichtstralen zie je als ze tegen kleine deeltjes aan komen. Waar./Niet waar. Schaduw ontstaat als licht wordt tegengehouden. Waar./Niet waar. Lichtstralen gaan soms langs gebogen lijnen. Waar./Niet waar.
45
2.3 Licht en schaduw
Lichtstralen kun je altijd goed zien. Waar./Niet waar. 9
Welke drie dingen zijn er nodig voor het ontstaan van een schaduw?
10
Maak de zin af. Lichtstralen zie je pas als ...
11
Lees de tekst Grote en kleine schaduwen.
Leestekst
Grote en kleine schaduwen Met schaduwen kun je spelen. Dat doen mensen in een schimmenspel. Dat is een soort poppenkast, maar dan met schaduwen van poppen. Een bekend schimmenspel is de Indonesische wajang. De wajangpoppen maken een schaduw op een doek. De poppenspeler kan de pop vlak bij het doek houden of er juist ver vandaan. Zo kan hij de schaduw groter of kleiner maken.
Een schimmenspel met wajangpoppen.
Amanda houdt haar hand tussen een lamp en een scherm. Op het scherm ziet zij de schaduw van haar hand. Amanda wil een kleinere schaduw. Moet zij de afstand tussen haar hand en het scherm groter of kleiner maken? Groter./Kleiner.
Schaduw.
46
2.3 Licht en schaduw
12
Lees de tekst Lasershow.
Leestekst
Lasershow Met een laser kun je heel smalle lichtbundels maken. Mooi voor een lichtshow! Maar dan moet je de lichtstralen wel kunnen zien. Daarom wordt bij lichtshows een rookmachine gebruikt. Het licht weerkaatst tegen de rookdeeltjes. Daardoor zie je de lichtbundels zoals in de afbeelding. Je ziet dan goed dat lichtstralen langs rechte lijnen gaan. Door de rook zie je de lichtstralen. Leg uit waarom je met een laser mooiere lichtshows kunt maken dan met gewone lampen.
Beheersen Bij zonnig weer en bij fel lamplicht zie je schaduwen. Hoe teken je een schaduw? Hoe kun je uitrekenen hoe lang een schaduw is?
Schaduw tekenen In de afbeelding zie je een lamp, die is getekend als een puntbron. Verder zie je een voorwerp en een muur. De lamp straalt licht uit naar alle kanten. Met twee lichtstralen kun je de schaduw tekenen. Die twee lichtstralen zijn rood getekend. Ze gaan langs de randen van het voorwerp en komen vervolgens tegen de muur. De lichtstralen tussen deze rode stralen komen tegen het voorwerp aan en bereiken de muur dus niet. Achter het voorwerp blijft de muur donker. Dat is de schaduw. De lichtstralen buiten de rode stralen komen wel op de muur. Daardoor is de muur daar wel verlicht.
voorwerp
muur
Zo kun je bepalen waar de schaduw komt.
De schaduw kan groot of klein zijn. In de linker afbeelding op de volgende bladzijde staat het voorwerp vlak voor de lamp. De schaduw is daar groot. In de andere afbeelding staat het voorwerp ver van de lamp. De schaduw is nu kleiner.
47
2.3 Licht en schaduw
lamp
lamp
voorwerp
voorwerp
scherm
scherm
Voorwerp verder van lamp: schaduw kleiner.
Voorwerp dicht bij lamp: schaduw groter.
Vergrotingsfactor In de afbeelding is de schaduw 2,5 maal zo groot als de pop. Je zegt: de vergrotingsfactor is 2,5. Bij schaduwvorming geldt: lengte schaduw = N × lengte voorwerp N is de vergrotingsfactor. Je kunt de vergrotingsfactor uitrekenen met de formule: N¼
De schaduw is 2,5 maal zo groot als de pop.
afstand schaduw tot lamp afstand voorwerp tot lamp
Rekenopgaven maken Bij het maken van rekenopgaven is het handig om te werken met Gegeven – Gevraagd – Uitwerking – Formule – Formule invullen. Voordat je Gegeven invult, lees je eerst wat er in de opgave staat en zoek je de Formule op die je gaat gebruiken. Bij het invullen van Gegeven gebruik je dan de begrippen die in de formule staan.
Rekenvoorbeeld Gegeven Bij een schimmenspel staat het scherm op 120 cm van de lamp. Een pop van 12 cm lengte staat tussen de lamp en het scherm op 60 cm van de lamp. Gevraagd Wat is de vergrotingsfactor? Uitwerking De vergrotingsfactor is: N¼
afstand schaduw tot lamp 120 ¼N¼ ¼2 afstand voorwerp tot lamp 60
De vergrotingsfactor is dus 2.
48
2.3 Licht en schaduw
Gevraagd Hoe groot is de schaduw? Uitwerking Lengte schaduw = N × lengte voorwerp. Lengte schaduw = 2 × 12 cm = 24 cm.
5
Proef
De vergrotingsfactor berekenen
ONTHOUDEN
• • • • • •
Sleutelbegrip: vergrotingsfactor. De vergrotingsfactor N geeft aan dat de schaduw N maal zo groot is als het voorwerp. Je kunt de grootte van de schaduw berekenen met de formule: lengte schaduw = N × lengte voorwerp. De schaduw is niet altijd even groot. Als je een voorwerp bij de lamp vandaan schuift, wordt de schaduw kleiner. Als je een voorwerp naar de lamp toe schuift, wordt de schaduw groter.
Lees de theorie Schaduw tekenen. 13
14
Wat is nodig voor het ontstaan van een schaduw? Een lichtbron en een scherm. Een lichtbron en een niet-doorzichtig voorwerp. Een lichtbron, een niet-doorzichtig voorwerp en een scherm.
○ ○ ○
Bekijk de afbeelding. In de afbeelding zie je een lamp, een voorwerp en een muur.
a
Teken in de afbeelding de schaduw van het voorwerp op de muur.
b
Zet een L op de plaatsen waar licht op het scherm valt.
c
Zet een S op de plaats waar de muur donker is.
lamp
voorwerp
muur
49
2.3 Licht en schaduw
Lees de theorie Schaduw tekenen en Vergrotingsfactor. 15
Bekijk de afbeelding. In de afbeelding zie je twee lampen, een voorwerp en een muur.
a
Teken de schaduw die ontstaat door lamp 1.
b
Teken met een andere kleur de schaduw die ontstaat door lamp 2.
c
Kleur de muur rood op de plek waar helemaal geen licht komt.
d
Kleur de muur blauw op de plekken waar licht van ĂŠĂŠn lamp komt.
e
Kleur de muur groen op de plekken waar licht van twee lampen komt.
1
2
voorwerp
muur
16
Bekijk de afbeelding. In de afbeelding zie je een voorwerp en zijn schaduw. De lichtbron ontbreekt in de afbeelding.
a
Bepaal de plek van de lichtbron.
b
Laat in de afbeelding zien hoe je aan het antwoord komt.
voorwerp
muur + schaduw
50
2.3 Licht en schaduw
Lees de theorie Vergrotingsfactor. 17
Ruben maakt een schaduw van zijn potlood op een scherm. De vergrotingsfactor is 2. De afstand van de lamp tot het potlood is 5 cm. Bereken de afstand van de lamp tot het scherm. 2,5 cm. 5 cm. 7 cm. 10 cm.
○ ○ ○ ○
Plusvragen Plusvragen bij deze paragraaf vind je online. 5Plusvragen
Extra oefening Extra oefeningen bij deze paragraaf vind je online. 5Extra oefening
51
2.4 Lenzen
2.4 Lenzen Aan het eind van deze paragraaf kan ik: uitleggen hoe een bolle lens werkt; beschrijven wat het brandpunt van een lens is; uitleggen hoe je een beeld maakt met behulp van een lens.
□ □ □
Ontdekken Je hoort weleens zeggen, dat je planten niet overdag in het felle zonlicht mag besproeien. De waterdruppels zouden namelijk het zonlicht in één punt laten samenkomen. Daardoor ontstaan er mogelijk brandplekjes.
Proef
Waterlensjes maken Je maakt waterdruppels van verschillende grootte en bekijkt hoe ze het licht concentreren. Je hebt nodig • vlak stuk glas of doorzichtige kunststof • koffiebekertje • druppelpipet of spuitfles met water • vlak wit plaatje dat als scherm kan dienen • lamp Dit ga je doen 1 Leg het glazen plaatje op de koffiebeker. Zet het geheel onder een felle lamp of in de zon. 2 Druppel met de pipet of de spuitfles water op het deel van de glasplaat dat uitsteekt. Laat de druppels vlak boven de plaat los, zodat ze niet uit elkaar spatten. Maak grote en kleine druppels. 3 Kijk van opzij naar de hoogte van de druppels. 4 Beweeg het witte scherm langzaam onder de glasplaat omlaag. 5 Onderzoek waar je felle lichtpuntjes ziet. 1
Kies steeds het juiste woord: De grote/kleine druppels concentreren het licht dichter bij de glazen plaat. Er zijn wel/geen druppels waarbij je direct onder de glazen plaat een concentratie van licht krijgt. Planten kunnen dus wel/geen brandplekjes krijgen als je ze overdag in fel zonlicht besproeit. De grote/kleine druppels hebben het duidelijkst een bolvorm.
52
2.4 Lenzen
Begrijpen Lenzen vind je overal. In brillen, vergrootglazen, smartphones en zelfs in je ogen! Maar wat is een lens eigenlijk? En hoe werkt een lens?
Bolle lens Een lens is een doorzichtig voorwerp dat de richting van de lichtstralen verandert. Een bolle lens is in het midden dikker dan aan de rand. In je smartphone en in fototoestellen worden bolle lenzen gebruikt.
Brandpunt Een lens verandert de richting van de lichtstralen. Je kunt ook zeggen: een lens buigt de lichtstralen af. Dat zie je goed als je een bolle lens gebruikt als brandglas. De lens buigt de lichtstralen van de zon naar elkaar toe. Die komen dan in ĂŠĂŠn punt bij elkaar. Dat is het brandpunt van de lens. Het brandpunt geef je aan met de letter F. In het brandpunt kan het erg heet worden. Op een zonnige dag kun je met een bolle lens een stuk papier of zelfs een kampvuur aansteken.
5
Een brandglas buigt de zonnestralen naar het brandpunt.
Proef
Maak van een lens een brandglas Lenssterkte Hoe boller een lens is, hoe meer hij de lichtstralen afbuigt. Je zegt dan dat die lens sterker is. Hoe sterker de lens, hoe kleiner de afstand tussen de lens en het brandpunt.
F brandpuntsafstand
F
Bij een bollere lens is de afstand tot het brandpunt kleiner.
53
2.4 Lenzen
5
Proef
Bepaal het brandpunt van die lens
ONTHOUDEN
• • • • •
Sleutelbegrippen: bolle lens, brandpunt. Een bolle lens buigt de lichtstralen naar elkaar toe. Hoe boller de lens, hoe sterker. Een sterke lens buigt de lichtstralen meer af dan een zwakke lens. Als zonlicht op een bolle lens valt, komen de lichtstralen in het brandpunt bij elkaar.
Lees de theorie Bolle lens. 2
Bekijk de afbeelding.
A
B
C
a
Welke twee lenzen zijn hetzelfde?
b
Wat zijn de vier bolle lenzen? A. B. C. D. E. F.
D
□ □ □ □ □ □
54
E
F
2.4 Lenzen
Lees de theorie Brandpunt. 3
Bekijk de afbeelding.
Geef in de afbeelding met een pijl aan op welke plek de temperatuur het hoogst is. Lees de theorie Lenssterkte. 4
Bekijk de afbeelding.
a
Geef in de afbeelding aan hoe de lichtbundel achter de lens verdergaat.
b
Geef in de afbeelding het brandpunt aan. Lees de theorie Bolle lens.
5
Noem vijf apparaten met een lens.
Lees de theorie Brandpunt. 6
Bekijk de afbeelding.
Leg uit waardoor er brand kan ontstaan als je een bril in de zon legt.
55
2.4 Lenzen
Lees de theorie Bolle lens en Brandpunt. 7
Lees de zinnen Kies het juiste antwoord. De letters tussen haakjes heb je nodig bij vraag 8.
De bolle lens van een kleine camera is vlak boven de beeldsensor gemonteerd. In je mobieltje zit een bolle lens. Waar. (L) Niet waar. (F)
○ ○
Een bolle lens kun je als brandglas gebruiken. Waar. (E) Niet waar. (O)
○ ○
Een bolle lens is aan de rand dikker dan in het midden. Waar. (U) Niet waar. (N)
○ ○
De ooglens is een bolle lens. Waar. (S) Niet waar. (T)
8
○ ○
Noteer de letters van je antwoorden achter elkaar. Welk woord staat er nu?
Beheersen Fotocamera’s, mobieltjes, verrekijkers en telescopen ... al deze instrumenten maken beelden met behulp van lenzen. Hoe ontstaat een beeld?
Beelden maken met bolle lenzen Met een bolle lens kun je een voorwerp afbeelden op een scherm. Zie de afbeelding. Elke lamp van het verkeerslicht zendt licht uit. Die lichtstralen gaan door de lens. De lens verandert de richting van de lichtstralen. Aan de andere kant van de lens komen alle lichtstralen van één Met een bolle lens maak je een omgekeerd lamp in één punt bij elkaar. beeld. Op de plaats waar de lichtstralen op het scherm bij elkaar komen, zie je een afbeelding van het punt waar ze vandaan komen. Je noemt dat punt het beeldpunt. Zo wordt van ieder punt van de lamp een beeldpunt gemaakt. Samen vormen die beeldpunten het beeld van het verkeerslicht. Het beeld staat op zijn kop en links en rechts zijn verwisseld.
56
2.4 Lenzen
5
Proef
Beelden maken met verschillende lenzen
Vergroot of verkleind beeld In de proef Met een lens een beeld op een scherm maken heb je ontdekt dat het beeld altijd omgekeerd is. De afstand van het voorwerp tot de lens bepaalt hoe groot het beeld wordt. Het beeld kan vergroot of verkleind zijn. Wanneer je van dichtbij een foto maakt, wordt het beeld op je foto groot. Bij een kleine afstand van de lens tot het voorwerp hoort dus een groot beeld.
ONTHOUDEN
• • • • • •
Sleutelbegrippen: beeldpunt, beeld. Met een bolle lens kun je een voorwerp afbeelden op een scherm. Een bolle lens in het oog maakt een beeld op het netvlies. Als je oog te sterk of te zwak is, heb je een bril of contactlenzen nodig. Een beeld bestaat uit beeldpunten. Het beeld staat op zijn kop en kan vergroot of verkleind zijn.
Lees de theorie Beelden maken met bolle lenzen. 9
Bekijk de afbeelding. In de afbeelding zie je een lens, een voorwerp en een beeld.
a
Zet bij het voorwerp de letter V.
b
Zet bij de lens de letter L.
c
Zet bij het beeld de letter B.
57
2.4 Lenzen
Lees de theorie Vergroot of verkleind beeld. 10
Achmed maakt met een lens een beeld van een kaars op een scherm. Hij wil het beeld groter maken. In welke richting moet Achmed de lens verschuiven: richting A of richting B? +
A
11
B
â—‹ Richting A. â—‹ Richting B. Ellen heeft een brandende kaars en een bolle lens. Zij wil met deze lens een beeld maken van de kaars. Wat heeft Ellen nog meer nodig?
Plusvragen Plusvragen bij deze paragraaf vind je online. 5Plusvragen
Extra oefening Extra oefeningen bij deze paragraaf vind je online. 5Extra oefening
58
2.5 Spiegelbeelden
2.5 Spiegelbeelden Aan het eind van deze paragraaf kan ik: vertellen wat een spiegelbeeld is; uitleggen hoe lichtstralen weerkaatsen op gladde en ruwe oppervlakken; vertellen wat de dode hoek van een vrachtwagen is; de spiegelwet toepassen.
□ □ □ □
Ontdekken In oorlogsfilms zie je weleens een bemanningslid van een onderzeeër door een periscoop kijken. Met een periscoop zie je wat er boven water gebeurt, terwijl je zelf onder water blijft.
Zo kijk je vanuit een onderzeeër naar vijandelijke schepen.
Proef
Een periscoop bouwen Je maakt zelf een periscoop. Je hebt nodig • ruitjespapier met hokjes van 1 bij 1 cm • schaar • dun karton • potlood • geodriehoek • plakband • twee spiegeltjes van 4 bij 6 cm Dit ga je doen 1 Vraag aan je docent een plaatje van een uitgevouwen periscoop. Teken de periscoop na op ruitjespapier. 2 Knip de periscoop uit. 3 Trek de periscoop over op karton en knip hem uit. 4 De stippellijnen op het plaatje zijn vouwlijnen. Teken de vouwlijnen op het karton. Gebruik daarbij je geodriehoek. 5 Vouw alle vouwlijnen naar binnen toe en plak de periscoop dicht met plakband. 6 Plak de spiegeltjes op de schuine uiteinden vast met plakband. De spiegelende vlakken moeten aan de binnenkant zitten.
59
2.5 Spiegelbeelden
1
Kun je de periscoop omdraaien zodat je door het andere uiteinde kunt kijken?
Begrijpen In de spiegel zie je jezelf in spiegelbeeld. Maar hoe ontstaat dat spiegelbeeld en waar is het? En wat zijn de kenmerken van het spiegelbeeld?
Terugkaatsing van lichtstralen Lichtstralen kaatsen terug tegen een spiegel. Als je in een spiegel kijkt, komen de teruggekaatste lichtstralen in je oog. Je ziet dan je spiegelbeeld. Het lijkt alsof je spiegelbeeld achter het glas zit. Dat zie je goed als je naar de spiegel toe loopt. Je spiegelbeeld komt dan op je af.
Spiegelende terugkaatsing. Terugkaatsing. Een spiegel weerkaatst alle lichtstralen naar ĂŠĂŠn kant. Dat noem je spiegelende terugkaatsing. Spiegelende terugkaatsing komt bij elk glad oppervlak voor. Als je voor een witte muur staat, zie je geen spiegelbeeld. Een ruw oppervlak weerkaatst de lichtstralen op een andere manier dan een spiegel. Een ruw oppervlak weerkaatst de lichtstralen naar alle kanten.
Spiegelende terugkaatsing.
5
Proef
Waar komt het spiegelbeeld?
60
2.5 Spiegelbeelden
Plaats van het spiegelbeeld
spiegel
Waar is het spiegelbeeld van een voorwerp? Dat vind je zo: leg de geodriehoek onder de spiegel zoals in de afbeelding. Zet de spiegel rechtop op de middellijn van de geodriehoek. Meet de afstand van het voorwerp tot de spiegel. Aan de andere kant van de spiegel zet je op dezelfde afstand ook een stip. Deze stip is het spiegelbeeld.
beeld 7
6
voorwerp 5
4
3
2
1
0
1
2
3
4
5
6
7
Zo vind je de plaats van het spiegelbeeld.
Dode hoek Een automobilist ziet in zijn spiegels wat er naast en achter de auto gebeurt. Maar er is een gebied dat hij niet ziet. Dit gebied noem je de dode hoek. In de afbeelding zie je de dode hoek bij een vrachtwagen.
De dode hoek is rood gekleurd.
ONTHOUDEN
• • • • •
Sleutelbegrippen: spiegelende terugkaatsing, dode hoek. Bij een glad oppervlak krijg je spiegelende terugkaatsing. Bij een spiegel zie je het spiegelbeeld niet op het glas, maar recht achter de spiegel. Als je dichter bij de spiegel gaat staan, dan komt het spiegelbeeld ook dichterbij. De dode hoek is een gebied dat een automobilist niet kan zien.
Lees de theorie Terugkaatsing van lichtstralen. 2
Kies het juiste woord. Bij spiegelende terugkaatsing kaatsen alle lichtstralen wel/niet in dezelfde richting terug. Als lichtstralen op een witte muur vallen, krijg je wel/geen spiegelende terugkaatsing. Lees de theorie Plaats van het spiegelbeeld.
3
Ella past in de winkel een spijkerbroek en een shirt. Ze kijkt in de spiegel, maar ze ziet alleen haar bovenlichaam. Moet Ella naar voren of naar achteren lopen om zichzelf helemaal in de spiegel te zien?
61
2.5 Spiegelbeelden
4
In de linkertekening van de afbeelding zie je een vierkant met vier gekleurde vlakjes. Geef in de rechtertekening het spiegelbeeld.
5
In de afbeelding zie je een spiegel en een stip. Bepaal met een geodriehoek de plaats van het spiegelbeeld van de stip en geef dat in de afbeelding aan. spiegel voorwerp
Beheersen Tijdens de les spiegel je het zonlicht misschien weleens met je geodriehoek. Hoe weet je docent dat jij dat doet?
5
Proef
In welke richting weerkaatst de spiegel?
62
2.5 Spiegelbeelden
Spiegelwet Een glad oppervlak kaatst lichtstralen spiegelend terug. Met een tekening kun je laten zien in welke richting de teruggekaatste lichtstralen gaan. In de afbeeldingen zie je hoe je zo’n tekening maakt. invallende lichtstraal
invallende lichtstraal
Afbeelding 1
Afbeelding 2
invallende lichtstraal
normaal
invallende lichtstraal
normaal
normaal
i
i
Afbeelding 3
teruggekaatste lichtstraal
t
Afbeelding 4
In afbeelding 1 zie je een spiegel. Er valt een lichtstraal op de spiegel. Om de teruggekaatste lichtstraal te tekenen ga je als volgt te werk. Eerst teken je een stippellijn loodrecht op de spiegel (zie afbeelding 2). Dit doe je op de plek waar de lichtstraal de spiegel raakt. Je noemt deze lijn de normaal. Bij een echte spiegel zie je deze lijn niet. Het is een hulplijn die nodig is om de tekening af te maken. In afbeelding 3 zie je de normaal en de lichtstraal die op de spiegel valt. De hoek tussen de lichtstraal en de normaal is hoek i, de invalshoek. Met je geodriehoek meet je op hoe groot die hoek is. In afbeelding 4 is de teruggekaatste lichtstraal getekend. De hoek tussen de normaal en de teruggekaatste lichtstraal is hoek t. Deze hoek noem je de terugkaatsingshoek. De terugkaatsingshoek is even groot als de invalshoek. Als je de invalshoek opmeet, weet je dus ook hoe groot de terugkaatsingshoek is. Je kunt de teruggekaatste lichtstraal dan ook tekenen. Bij het tekenen van de teruggekaatste lichtstraal gebruik je de spiegelwet. De formule van de spiegelwet is: hoek i Âź hoek t Je zegt: de invalshoek is even groot als de terugkaatsingshoek.
63
2.5 Spiegelbeelden
Teruggekaatste lichtstralen tekenen In de afbeelding zie je een kaars. Hoe moet je de teruggekaatste lichtstralen tekenen? • Eerst teken je de normalen op beide plekken waar een lichtstraal de spiegel raakt (afbeelding 1). • Daarna meet je beide invalshoeken op. • Denk aan de spiegelwet: de invalshoek is even groot als de terugkaatsingshoek. • Teken de teruggekaatste lichtstralen en geef de invalshoek en de terugkaatsingshoek aan (afbeelding 2). 34o 34o
34o
37o
37o 37o
Afbeelding 1
Afbeelding 2
ONTHOUDEN
• • • •
Sleutelbegrippen: normaal, invalshoek, terugkaatsingshoek, spiegelwet. De invalshoek i is de hoek tussen de invallende lichtstraal en de normaal. De terugkaatsingshoek t is de hoek tussen de teruggekaatste lichtstraal en de normaal. De spiegelwet is hoek i = hoek t.
Lees de theorie Spiegelwet. 6
7
Wat is een normaal? Een hulplijn loodrecht op de spiegel. Een lichtstraal achter de spiegel. Een lichtstraal voor de spiegel. Een vlakke spiegel.
○ ○ ○ ○
Bekijk de afbeelding.
b a
c d
Welke hoek in de afbeelding is de hoek van inval? Hoek a. Hoek b. Hoek c. Hoek d.
○ ○ ○ ○
64
2.5 Spiegelbeelden
8
De spiegelwet zegt: de invalshoek is kleiner dan de terugkaatsingshoek. de invalshoek is even groot als de terugkaatsingshoek. de invalshoek is groter dan de terugkaatsingshoek.
○ ○ ○
Lees de theorie Spiegelwet en Teruggekaatste lichtstralen tekenen.
9
In de afbeelding zie je een spiegel en een invallende lichtstraal. Teken in de afbeelding de normaal en de teruggekaatste lichtstraal. L
10
Zijn de zinnen waar of niet waar? A: Het spiegelbeeld bevindt zich altijd recht achter de spiegel. Waar. Niet waar.
○ ○
B: Als je in de spiegel kijkt, zie je jezelf op de spiegel. Waar. Niet waar.
11
12
○ ○
Kijk naar de zinnen hierboven waar je ‘niet waar’ hebt gekozen. Noteer ze zó, dat ze wel waar zijn.
In de afbeelding zie je een periscoop. De periscoop heeft twee spiegels. Teken in de afbeelding hoe de lichtstraal verder gaat.
periscoop
Plusvragen Plusvragen bij deze paragraaf vind je online. 5Plusvragen
Extra oefening Extra oefeningen bij deze paragraaf vind je online. 5Extra oefening 65
2.6 Andere straling
2.6 Andere straling Aan het eind van deze paragraaf kan ik: vertellen welke soorten onzichtbare straling bestaan; uitleggen waarvoor de verschillende soorten straling gebruikt worden; beschrijven welke soorten straling gevaarlijk zijn.
□ □ □
Ontdekken Tijdens de sportdag ben je pijnlijk gevallen op je hand. In het ziekenhuis maken ze een röntgenfoto. Wat kun je op een röntgenfoto zien?
Proef
Bekijk de botjes in je hand Je onderzoekt wat je op een röntgenfoto ziet.
Dit ga je doen Zoek op internet naar röntgenfoto’s van een hand. Gebruik als zoekwoorden ‘röntgenfoto hand’. 1
Welke kleur hebben de botten op een röntgenfoto?
2
Hoeveel botjes zitten er in je vingers en in je duim?
3
Kun je op een röntgenfoto je huid zien?
66
2.6 Andere straling
Begrijpen Je drukt op een knopje van de afstandsbediening en de tv gaat uit. Tovenarij? Nee, onzichtbare straling. Daarmee bedien je de tv. Zijn er nog meer soorten onzichtbare straling en wat kun je ermee doen?
Onzichtbaar licht Zonlicht bestaat uit een mengsel van verschillende kleuren. Je ziet dit in de regenboog. Maar een deel van de zonnestraling zie je niet. De uitwerking van die straling merk je vaak wel. In zonlicht wordt een witte huid langzaam bruin. Dit komt door onzichtbare ultraviolette straling. In een zonnebank zenden speciale tl-balken deze straling ook uit. In zonnestraling zit ook warmtestraling. Deze straling noem je infrarode straling. Infrarode straling kun je ook niet zien. De afstandsbediening van de tv zendt infrarode straling uit.
Röntgenstraling Een ander voorbeeld van onzichtbare straling is röntgenstraling. Je huid laat röntgenstraling door, maar je botten niet. Dat zie je goed op een röntgenfoto: een foto die met behulp van röntgenstraling is gemaakt. Een röntgenfoto is zwart op plaatsen waar veel straling door het lichaam gaat en wit op plaatsen waar de straling wordt tegengehouden. De botten zijn op de foto dus wit. Op de Het bot is gebroken. röntgenfoto in de afbeelding zie je dat het bot gebroken is. Röntgenstraling is schadelijk. Je mag dus niet al te veel röntgenfoto’s laten maken.
Radiogolven Ook radiogolven zijn stralen die je niet ziet of voelt. Toch heb je er de hele dag mee te maken. Je gebruikt radiogolven om je vrienden te bellen en om te internetten via wifi. Ook brengen radiogolven berichten over van satellieten naar jou. Dankzij die satellieten kun je live naar een voetbalwedstrijd kijken. En door satellieten kan je smartphone jou de weg wijzen.
Radioactiviteit Een ander soort straling die je niet ziet, is radioactieve straling. Sommige stoffen geven die straling af. Stoffen die radioactieve straling afgeven, noem je radioactief. Elke dag vangt je lichaam wel een klein beetje radioactieve straling uit de natuur op. Je noemt dit achtergrondstraling. Grotere hoeveelheden radioactieve straling zijn, net als röntgenstraling, gevaarlijk.
Waarschuwing tegen stralingsgevaar.
67
2.6 Andere straling
ONTHOUDEN
•
Sleutelbegrippen: ultraviolette straling, infrarode straling, röntgenstraling, röntgenfoto, radiogolven, radioactief. In zonlicht komen ultraviolette en infrarode straling voor. Infrarode straling is warmtestraling. Sommige stoffen houden röntgenstraling tegen. Röntgenstraling gebruik je om röntgenfoto’s te maken. Radiogolven worden gebruikt om berichten door te geven. Radioactieve stoffen geven straling af. De straling van radioactieve stoffen en röntgenstraling is schadelijk.
• • • • • • •
Lees de theorie Onzichtbaar licht. 4
Welke soort straling is warmtestraling? Infrarode straling. Rood licht. Ultraviolette straling. Violet licht.
○ ○ ○ ○
Lees de theorie Röntgenstraling.
5
6
7
Waardoor zijn op een röntgenfoto de botten wit? Botten houden röntgenstraling tegen. Botten laten röntgenstraling goed door. Botten zenden röntgenstraling uit. Botten zijn radioactief.
○ ○ ○ ○
Wat is voor een arts het voordeel van röntgenstraling? De arts kan er botbreuken mee genezen. De arts kan met deze straling goed naar de spieren kijken. De arts kan zonder te opereren in het lichaam kijken. De straling is goed voor het lichaam.
○ ○ ○ ○
Lees de tekst De magnetron.
Leestekst
De magnetron Eten en drinken maak je snel warm in een magnetron. Een magnetron werkt met microgolven. Die microgolven zijn zelf niet heet, maar ze zorgen er wel voor dat je eten snel warm wordt. De binnenkant van de magnetron is van metaal. Metaal weerkaatst de microgolven. Daardoor wordt de oven zelf niet heet. In de ruit van de magnetron zit een metaalrooster. In een magnetron kun je snel je eten De straling kan daar niet doorheen. Eten warm opwarmen. je op in een bakje van glas, plastic of porselein. De straling gaat daar wel doorheen, maar die stoffen worden niet warm door de straling.
68
2.6 Andere straling
Welke bewering over de magnetron is juist? In een magnetron worden de wanden heet. In een magnetron worden röntgenstralen gebruikt. In een magnetron wordt alleen het voedsel heet van de straling. In een magnetron wordt infrarode straling gebruikt.
○ ○ ○ ○
Beheersen Veel mensen vinden onzichtbare straling eng, omdat je van sommige soorten straling ziek kunt worden. Maar onzichtbare straling kan ook handig zijn en kan je soms zelfs beter maken. Het is wel belangrijk dat je er verstandig mee omgaat.
Röntgenfoto’s maken De ene stof laat straling gemakkelijker door dan de andere. Dat geldt ook voor de stoffen waaruit je lichaam is opgebouwd. Botten houden röntgenstraling tegen. Weefsel en bloed laten de straling juist gemakkelijk door. Daardoor zie je op een röntgenfoto een soort schaduwbeeld. Bloed, spieren en huid laten de straling door en komen zwart op de foto. De botten laten weinig straling door en steken daarbij wit af. Het is niet gezond als er veel röntgenstraling door je lichaam gaat, want de straling beschadigt je lichaam. Je mag daarom niet te vaak röntgenfoto’s laten maken. Artsen die röntgenfoto’s maken, komen de hele dag met de straling in aanraking. Daarom dragen zij beschermende kleding met lood erin. Lood is een metaal dat röntgenstraling tegenhoudt.
Zo wordt een röntgenfoto gemaakt.
Kankercellen bestralen Radioactieve stoffen geven straling af. Die straling kan gevaarlijk zijn, maar je kunt er ook mensen mee helpen. Bij kanker groeien er cellen in het lichaam die er niet horen. Radioactieve straling kan zulke cellen vernietigen. Zo’n behandeling noem je bestraling. Gezonde cellen in je lichaam kunnen beter tegen de straling dan de kankercellen. De gezonde cellen die bestraald zijn, herstellen zich weer.
Zo wordt een patiënt met kanker bestraald.
Gevolgen van straling In een kerncentrale worden radioactieve stoffen gebruikt om elektriciteit op te wekken. Door een ongeluk kan er straling vrijkomen. Mensen die in de centrale werken of er in de buurt wonen, krijgen dan in korte tijd veel straling in hun lichaam. Ze worden misselijk en moeten overgeven. Dat noem je ‘stralingsziekte’. Bij ongelukken in kerncentrales kan een hoeveelheid straling vrijkomen, die direct dodelijk is. 69
2.6 Andere straling
ONTHOUDEN
• • •
Sleutelbegrippen: röntgenstraling, bestraling. Sommige stoffen laten meer röntgenstraling door dan andere. Met straling uit radioactieve stoffen kunnen artsen kankercellen vernietigen. Deze behandeling wordt bestraling genoemd.
Lees de theorie Röntgenfoto’s maken. 8
Wat laat meer röntgenstraling door: botten of spieren?
9
Een laborant die elke dag röntgenfoto’s maakt, draagt een loodschort. In een loodschort zit een dunne laag lood. Leg uit waarom een laborant een loodschort draagt.
Loodschort.
Plusvragen Plusvragen bij deze paragraaf vind je online. 5Plusvragen
Extra oefening Extra oefeningen bij deze paragraaf vind je online. 5Extra oefening 70
2.7 Afsluiten
2.7 Afsluiten Zo onthoud je alles
• • •
Check bij elke paragraaf of je de leerdoelen die aan het begin staan kunt afvinken. Lukt dat niet, neem dan de stof nog eens door. Maak op een vel wit papier een mindmap over dit hoofdstuk. Een mindmap is een poster waarop je alles wat je moet onthouden op een duidelijke manier uitbeeldt. Je mag belangrijke dingen opschrijven, maar je mag ook plaatjes gebruiken. Plaatjes onthoud je vaak gemakkelijker dan woorden. Natuurlijk kun je ook zelf dingen tekenen en mag je daarbij allerlei kleuren gebruiken.
Verder kijken Hier vind je beroepsgerichte theorie en opdrachten die aansluiten bij dit hoofdstuk. 5Verder kijken
• • • •
Lichttechniek Beveiliging Douane Tandarts
Proeftoets Maak de proeftoets online. 5Proeftoets
Begrippen KLEUREN ZIEN Begrip
Uitleg
regenboog
In een regenboog zie je de kleuren waaruit wit licht bestaat. Doordat het licht door waterdruppels gaat, zie je de bestanddelen van het zonlicht. In een regenboog zie je rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet.
kleurenspectrum
In een kleurenspectrum zie je de kleuren van de regenboog naast elkaar.
lichtbron
Een lichtbron is een voorwerp dat zelf licht geeft. Bijvoorbeeld: de zon, een lamp of een kaars.
weerkaatsen
Weerkaatsen is een ander woord voor terugkaatsing. Een spiegel weerkaatst al het licht. Een groen voorwerp weerkaatst alleen groen licht.
absorberen
Gekleurde voorwerpen weerkaatsen alleen hun eigen kleur. Een blauw voorwerp absorbeert alle kleuren behalve blauw. Dit noem je absorptie.
71
2.7 Afsluiten
LICHT EN SCHADUW Begrip
Uitleg
puntbron
Een puntbron is een heel kleine lichtbron. Bij een puntbron komen alle lichtstralen uit ĂŠĂŠn punt.
schaduw
Een schaduw is een gebied waar geen lichtstralen komen.
vergrotingsfactor
De vergrotingsfactor geeft aan hoeveel maal een schaduw groter is dan het voorwerp waarvan de schaduw is.
LENZEN Begrip
Uitleg
bolle lens
Een bolle lens is een doorzichtig stuk glas of plastic. Het is in het midden dikker dan aan de rand. Een bolle lens buigt de lichtstralen naar elkaar toe.
brandpunt
Evenwijdige lichtstralen, zoals van de zon, komen samen in het brandpunt van een lens. Een andere naam voor brandpunt is focus. Je geeft het brandpunt aan met de letter F.
beeldpunt
Een beeldpunt is het punt op het scherm waar de evenwijdige lichtstralen bij elkaar komen.
beeld
Een beeld is een verzameling van beeldpunten die samen een afbeelding van een voorwerp vormen.
SPIEGELBEELDEN Begrip
Uitleg
spiegelende terugkaatsing
Als je in een spiegel kijkt, komen de teruggekaatste lichtstralen in je oog. Je ziet dan je spiegelbeeld. Dit is spiegelende terugkaatsing.
dode hoek
Een automobilist ziet in zijn spiegels wat er naast en achter de auto gebeurt. Het gebied dat hij niet ziet, noem je de dode hoek.
normaal
De normaal is een onzichtbare hulplijn loodrecht op een spiegel.
invalshoek
De invalshoek is de hoek tussen een invallende lichtstraal en de normaal.
terugkaatsingshoek
De terugkaatsingshoek is de hoek tussen een teruggekaatste lichtstraal en de normaal.
spiegelwet
De spiegelwet zegt: de invalshoek is even groot als de terugkaatsingshoek. Je kunt ook zeggen: een lichtstraal die op een spiegel valt, kaatst onder dezelfde hoek weer terug.
ANDERE STRALING Begrip
Uitleg
ultraviolette straling
Ultraviolette straling is onzichtbare straling in zonnestraling. Je wordt er bruin van.
infrarode straling
Infrarode straling is onzichtbare warmtestraling in zonnestraling. Ook de afstandsbediening van de tv zendt infrarode straling uit.
72
röntgenstraling
Röntgenstraling is onzichtbare straling die wordt gebruikt om röntgenfoto’s te maken. Te veel röntgenstraling is schadelijk.
röntgenfoto
Een röntgenfoto is een foto die met behulp van röntgenstraling is gemaakt. Op een röntgenfoto zijn de botten goed te zien. Dat komt doordat de botten de röntgenstraling tegenhouden.
radiogolven
Radiogolven zijn onzichtbare stralen die gebruikt worden om berichten door te geven zoals bij televisie, telefoons en draadloos internet.
radioactief
Radioactieve stoffen geven straling af. Radioactieve straling is onzichtbare straling. Deze is schadelijk maar heeft ook nuttige toepassingen.
bestraling
Met radioactieve straling kunnen artsen kankercellen vernietigen. Zo’n behandeling noem je bestraling.
73