Nummer 2 Hoe zorg je voor studentbetrokkenheid?
en uit varing Met er tijk, tips de prak derwijs en uw on voor jo winactie! een
UIT LIEFDE VOOR HET VAK 6
Een magazine voor en door docenten
Gelijke kansen zijn essentieel Hoe zorg je dat steeds meer studenten optimaal onderwijs krijgen?
14 Studenten aan het woord “Geef studiepunten voor studentbetrokkenheid!”
30 Hoe start je met studentparticipatie? Acht stappen die je bij de voorbereiding helpen.
NIEUWE VRAGEN Het best mogelijke onderwijs. Daar streef je naar als docent. Sterker nog: je hele schoolorganisatie wil dat bereiken. Maar hoe valt dat doel te behalen? Onder meer door te zien voor wie je het wilt behalen. En door hen vervolgens nauw bij je plannen te betrekken. Dit antwoord (“betrek je studenten!”) roept natuurlijk wel nieuwe vragen op. Want hoe doe je dat dan: studenten betrekken? Hoe begin je er bijvoorbeeld mee? Op welke manieren kun je ze betrekken? Op welke gebieden? En wat kan studentbetrokkenheid je allemaal opleveren? Dat soort vragen komen aan bod in dit magazine. Je leest daar wat collega-docenten erover denken. Maar ook onderwijskundigen, onderzoekers en (uiteraard) studenten zelf krijgen het woord. Samen laten zij zien dat ‘studentbetrokkenheid’ best een complex onderwerp is. En maken ze het tegelijkertijd heel toegankelijk.
Colofon Uitgave van: ThiemeMeulenhoff (Eind)redactie: Bureau Middel / Marloes van Noort / Remco Phillipson Ontwerp: Studio Fraaj
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Copyright © 2022 ThiemeMeulenhoff
Bij ThiemeMeulenhoff delen we jouw liefde voor het vak. En dragen we graag bij aan steeds beter onderwijs. Vandaar dit magazine. Hierin vind je niet alleen de visies van anderen op ‘studentbetrokkenheid’. En zie je niet alleen hoe dit onderwerp andere actuele onderwijsthema’s raakt, zoals ‘differentiatie’ en ‘gelijke kansen’. Je krijgt ook praktische handvatten om studenten direct te betrekken. Van een handig stappenplan tot een lesbrief om Bingo te spelen met je klas. Hopelijk inspireren al deze artikelen je. Om studenten extra te betrekken. En om je onderwijs daardoor nóg beter te maken. Veel leesplezier! Team mbo ThiemeMeulenhoff
4
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
a) Als ze al een mening hebben, is die helaas zelden bruikbaar. b) Ze voelen zich doorgaans slimmer dan ze daadwerkelijk zijn. c) Ze voelen zich minder gewaardeerd dan studenten op hogere niveaus. (Het antwoord is c. Zie pagina 18!)
6. Hoe helpt de leeromgeving eDition jou om je studenten betrokken te houden?
a) Als ze nu al leren hoe dit spelletje werkt, kunnen ze er later makkelijker mooie prijzen mee winnen; van magnetrons tot wasmachines. b) Je kunt het spel inzetten om de groepsdynamiek te verbeteren. Studenten voelen zich dan meer op hun gemak en leren hierdoor beter. c) Ze leren dankzij Bingo om goed te luisteren en snel informatie te verwerken. Die skills vergroten hun betrokkenheid bij het onderwijs. (Het antwoord is b. Zie pagina 16!)
(Het antwoord is a. Zie pagina 6!)
a) Om studenten aan te sporen deze puzzels vaker te maken. Wie dat wekelijks doet, zo blijkt uit onderzoek, krijgt een aanzienlijk beter geheugen. b) De meeste studenten houden erg van puzzelen en zeker van kruiswoordpuzzels. Door op die behoefte in te spelen, houd je hen extra betrokken. c) Het brengt variatie aan in je lessen, wat studenten betrokken houdt. Ook onthouden studenten kennis beter en doen ze 21st century skills op.
4. Hoe help je studenten vooruit met het spelletje Bingo?
7.
9. Uit actueel onderzoek van de Open Universiteit blijkt dat… a) de onderzochte studenten door deel te nemen aan een leernetwerk meer kennis, skills, zelfvertrouwen en betrokkenheid bij het onderwijs laten zien; b) de onderzochte studenten nog vaak uit een leernetwerk stappen omdat ze onzeker worden van deelnemende docenten en wetenschappers; c) de onderzochte studenten het liefst niet met medestudenten in een leernetwerk zitten, maar wel met docenten en onderzoekers.
Wat zegt studentparticipatie-expert Marjolein niet?
a) Stel je doelen voor studentparticipatie gerust vast voordat je alle relevante personen gesproken hebt. b) Wat er al is aan studentparticipatie, vormt de basis voor je plan om studentparticipatie vorm te geven. c) Je moet studenten zéker veel vragen stellen, maar daar op een gegeven moment wel mee ophouden en een definitief plan maken.
10. Waar is het boek Passend onderwijs in het mbo volgens de auteurs voor bedoeld? a) Onder andere om vroegtijdige schoolverlating terug te dringen en ouders veel meer invloed te geven op onderwijs. b) Onder andere om de ontwikkeling van studenten te stimuleren en vroegtijdige schoolverlating terug te dringen. c) Onder andere om studenten tips te geven om zich betrokkener op te stellen bij hun onderwijs. Zo ontwikkelen ze zich beter. (Het antwoord is b. Zie pagina 46!)
2. Waarom zou je een les besteden aan kruiswoordpuzzels?
a) Daar krijgen studenten betere lessen door. b) Het vergroot hun motivatie. c) Ze kunnen studiepunten krijgen voor hun betrokkenheid.
(Het antwoord is c. Zie pagina 30!)
a) Als studenten minder toegang hebben tot onderwijs dan anderen, voelen zij zich minder betrokken bij hun lessen, stages en school. b) Studenten die zich inzetten voor gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen, mogen zeker ‘betrokken’ genoemd worden. c) Pas nadat je studenten betrokken hebt bij het onderwijs, kun je als school gelijke toegang creëren tot dit onderwijs.
3. Waarom is studentbetrokkenheid een goede zaak volgens studente Isabelle?
(Het antwoord is b. Zie pagina 14!)
Hoe koppelt docent Yucata ‘studentbetrokkenheid’ aan ‘gelijke kansen’?
(Het antwoord is a. Zie pagina 22!)
1.
a) Het toont je waar studenten staan in hun leerproces. Daardoor kun je makkelijker bepalen wat zij nodig hebben om betrokken te blijven bij dat proces. b) De omgeving staat vol concrete tips en tricks waarmee je studenten kun motiveren. c) Dit is niet waar je eDition voor kunt gebruiken.
a) Zorg dat elke student doet wat hij leuk vindt. b) Houd rekening met elk mogelijke verschil tussen studenten. c) Zorg dat het ontwikkelplan van elke student past in je lessen voor de groep.
(Het antwoord is a. Zie pagina 40!)
Geen idee waar je moet starten in dit magazine? Met deze quizvragen vind je de juiste richting! Check welke vragen je goed had, welke niet én welke onderwerpen je nieuwsgierig maken. Onder elke vraag zie je niet alleen het juiste antwoord, maar ook op welke pagina je meer over de inhoud van een vraag of onderwerp kunt lezen.
8. Wat is cruciaal voor differentiatie?
(Het antwoord is c. Zie pagina 36!)
Waar begin jij met lezen?
5. Wat zeggen roc-medewerkers Rinske en Annelies over studenten op mbo-niveau 2?
0-4 vragen goed?
5-8 vragen goed?
9-10 vragen goed?
Heel fijn; jij hebt nog heel veel te ontdekken in dit magazine. Kijk eens naar de vragen die je niet goed had. Welke van die vragen verraste je het allermeest? En bij welk artikel hoorde die? Lees dat artikel als eerste!
Jij laat je niet zo héél snel van de wijs brengen. Maar sommige vragen zetten je toch op het verkeerde been. Zet eens een vervolgstap in de bijbehorende teksten! Wedden dat je daar nog meer verrassingen tegenkomt?
Wauw! Voor jou hadden we deze quiz misschien iets moeilijker moeten maken… Maar je hebt in elk geval een indruk gekregen van de teksten in dit tijdschrift. Welk onderwerp spreekt je het meest aan? Dát is jouw starttekst!
(Het antwoord is c. Zie pagina 10!) Snelstartquiz
5
Snelstartquiz
6
Uit liefde voor het vak
“ IK WIL DOCENTEN LATEN
ZIEN HOE ESSENTIEEL GELIJKE KANSEN ZIJN OOK VOOR STUDENTBETROKKENHEID ” “Hoe meer betrokkenheid studenten voelen bij hun lessen, stages en school, hoe beter voor hun motivatie en prestaties”, zegt Yucata Lienga. “Dat gevoel is minder sterk als ze minder toegang hebben tot onderwijs dan anderen. Het is dus cruciaal om aan gelijke kansen te werken.” Zelf deed ze dat tot voor kort als docent en opleidingsontwerper op de School voor Zorg en Welzijn. Nu spoort ze er aankomende docenten toe aan op Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT).
Gelijke kansen
Uit liefde voor het vak
“Hoe meer ik het verschil kan maken voor studenten, hoe fijner ik mijn werk vind. Daarom zoek ik steeds rollen die me daartoe in staat stellen. Ik begon bijvoorbeeld als docent Anatomie en Basiszorg aan de opleiding Helpende Zorg. Het was fantastisch om zo bij te dragen aan de kennis en kunde van studenten. Maar nog leuker vond ik mijn functie als opleidingsontwerper. Daarin kon ik op een dieper niveau meehelpen om elke student het best passende onderwijs te bieden. Sinds augustus 2022 ben ik docent aan FLOT. In deze rol vind ik het belangrijk docenten af te leveren die zien hoe essentieel gelijke kansen zijn voor studentbetrokkenheid.”
Sekse en handicaps
“Voor mij betekent ‘gelijke kansen’ dat je optimaal onderwijs mogelijk maakt voor iedereen. En dat je voor je studenten dus alle belemmeringen wegneemt die je weg kúnt nemen. Ik zie dit als een van de belangrijkste verantwoordelijkheden van elke school. Gelukkig zijn er de afgelopen decennia belangrijke stappen gezet om onderwijs gelijker en inclusiever te maken. Zo hadden meisjes in Nederland vroeger minder kans op goed onderwijs dan jongens. Maar nu is sekse geen obstakel meer. Veel scholen werken er hard aan om ook andere verschillen irrelevant te maken. Dat werk is nodig. Zo blijkt het voor studenten met een fysieke handicap – bijvoorbeeld rolstoelgebruikers – vaak lastiger om een stage te vinden. Zij kunnen sommige handelingen moeilijker verrichten. Met wat creativiteit zijn er echter nog volop manieren te bedenken om hen toch zinvol bezig te laten zijn. Als school kun je dit soort manieren zelf bedenken, maar ook stageaanbieders aansporen tot het verzinnen van creatieve oplossingen. Diezelfde aanpak is nodig voor niet-neurotypische studenten, zoals mensen met autisme. Voor hen kan het bijvoorbeeld lastig zijn te werken in een ongestructureerde omgeving, snel meerdere instructies achter elkaar te krijgen, figuurlijk taalgebruik te begrijpen of inlevingsvermogen te tonen. En dat kan weer hun interactie met patiënten,
7
collega’s en leidinggevenden bemoeilijken. Toch blijken ook hier prima oplossingen voor te vinden. Zo zijn er doorgaans organisatieafdelingen waar juist deze studenten goed gedijen – bijvoorbeeld de IT-afdeling.”
“Het is goed meerdere opties paraat te hebben om taalachterstand terug te dringen” Taal en trauma’s
“Een veelvoorkomende belemmering op mbo-scholen is de beperkte taalbeheersing van sommige studenten. Op roc’s – zoals mijn vorige werkgever – zie je dat obstakel bijvoorbeeld bij jonge vluchtelingen die zich inschrijven voor niveau 2. Zij komen van internationale schakelklassen of een Entree-opleiding en mogen regulier mboonderwijs volgen, maar hebben nog wel een taalachterstand. Met online onderwijs is dat een extra groot probleem, want dan kunnen ze minder oppikken uit non-verbale communicatie. Hoe je hen kunt ondersteunen? Allereerst door hun taalachterstand te herkennen. Hiervoor is het noodzakelijk dat docenten het Nederlands zélf goed beheersen. Zo kan het voorkomen dat een docent met een Antilliaanse, Syrische of andere culturele achtergrond iets meer moeite heeft met de Nederlandse taal. Bij FLOT bieden we aankomende docenten waar nodig ondersteuning om hun eigen taalbeheersing op het juiste niveau te krijgen. Zodra je een taalachterstand bij je mbostudent herkent, kun je daar de juiste oplossing voor zoeken. Het is goed om meerdere opties paraat te hebben, zodat je zoveel mogelijk maatwerk kunt bieden. Misschien zijn er extra lessen Nederlands als Tweede Taal nodig. Of wellicht is het eerst voldoende de student te wijzen op de voorleesfunctie in een methode. Voor veel studenten is lesstof makkelijker te begrijpen als ze ernaar luisteren. En als ze niet weten hoe ze beroeps-
Gelijke kansen
8
Uit liefde voor het vak
vocabulaire moeten uitspreken, hoeven ze dat door zo’n functie niet steeds aan iemand te vragen. Bij studenten met een taalachterstand doen mbo-docenten er goed aan om net wat vaker te checken of ze uitleg goed begrepen hebben. En zeker bij vluchtelingen is het belangrijk om inlevingsvermogen te tonen. Om te begrijpen dat hun hoofd mogelijk vol zit met trauma’s en zorgen, bijvoorbeeld over verloren of achtergelaten familie. Dat ze daarom informatie soms moeilijker opnemen. En dat ze niet ongeschikt of ongemotiveerd zijn, maar juist heel graag onderwijs volgen, omdat ze vooruit willen in hun nieuwe samenleving. Dit laatste is de reden waarom ze vaak in no time de basis van het Nederlands hebben geleerd en daar nog steeds stappen in maken.”
Cultuur en kompas
“Op de mbo-school waar ik lesgaf zijn culturele achtergronden gelukkig geen belemmering voor gelijke kansen. Althans, niet in de zin dat men studenten om die reden minder aandacht geeft. Wel ziet men juist bij bepaalde etnische groepen zaken die een obstakel kunnen vormen voor optimaal onderwijs. Zo komt zwangerschap binnen de ene etnische groep vaker voor dan binnen de andere. Meiden doen daardoor soms langer over hun opleiding. Bijvoorbeeld omdat ze door hun zwangerschapsverlof een deel missen. Of omdat ze een nieuwe, eigen woning moeten vinden, waardoor ze stress ervaren en niet meer even scherp of geconcentreerd zijn.
Uit liefde voor het vak
Binnen de mogelijkheden van de school wordt er alles aan gedaan om hen toch goed door hun opleiding te krijgen. Een belangrijke vraag daarbij is waarom juist deze meiden vaker zwanger worden. Zou het helpen om hun gerichter seksuele voorlichting te geven? Ik zou aanraden om de inzet voor gelijke kansen een belangrijk onderdeel te maken van de onderwijsvisie die je als opleiding volgt. En om die visie vast te leggen in een document. Daarin kan bijvoorbeeld komen te staan dat elke student zichzelf moet kunnen zijn, inclusief religieuze of culturele uitingsvormen. Als dan bijvoorbeeld een keer het debat oplaait over de vraag of medewerkers in een bepaalde beroepsgroep wel of geen hoofddoek mogen dragen, heb je daar op je opleiding nauwelijks discussie over. Je kunt er dan gewoon de gezamenlijke visie bij pakken.”
“Gelijke kansen vereisen soms juist dat je niet iedereen hetzelfde behandelt” Behoeften en maatwerk
“Als je als opleiding gelijke kansen wilt voor je studenten, moet je allereerst hun behoeften kennen. Op veel mbo-scholen blijken studenten bijvoorbeeld niet te begrijpen waarom algemene vakken als Rekenen nuttig zijn voor de beroepspraktijk. Dat onbegrip demotiveert
hen, wat er weer voor zorgt dat ze niet het maximale uit hun lessen halen. Het helpt dan om ze in die vakken meer voorbeelden te geven waarin de lesstof wordt gekoppeld aan voorbeelden uit de beroepspraktijk. Ze zien dan meteen waar de kennis en skills die ze opdoen bruikbaar voor zijn. Ook maatwerk helpt om studenten gelijke kansen te bieden. Laat studenten zoveel mogelijk hun eigen route en tempo bepalen. Daarbij helpt het als docenten zien welke student meer en welke student minder aandacht nodig heeft; gelijke kansen vereisen soms juist dat je niet iedereen hetzelfde behandelt. En ook methodes waarin studenten makkelijk door- en vooruit kunnen werken – omdat de software direct feedback geeft – zijn heel handig. ThiemeMeulenhoff heeft dit soort methodes, waarin studenten ook zelf kunnen kiezen welke opdrachten ze eerst doen. Maatwerk invoeren vraagt van docenten een nieuwe, meer coachende manier van werken en denken. Om die verandering stevig te verankeren, kun je het best álle docenten bij de vormgeving, introductie en uitvoering ervan betrekken. Bijvoorbeeld door er al vanaf het prille begin evaluatieve teamoverleggen over te houden. Inclusief een periodieke beoordeling die kijkt naar uitval, schoolresultaten en studententevredenheid. Zo wordt iedere docent mede-eigenaar van de verandering. En wie mede-eigenaar is, zet minder snel de hakken in het zand.”
Afspraken en draagvlak
“Maak je in die teamoverleggen afspraken over maatwerk of andere manieren om gelijke kansen te vergroten? Vergeet dan niet om die vast te leggen in je onderwijs- en examenreglement. Want als een teamlid opeens toch weerstand voelt en anderen daarin mee dreigt te nemen, kun je altijd verwijzen naar dat reglement. Doorgaans ebt de weerstand dan weer weg. Zo blijft je draagvlak sterk. En maak je het voor steeds meer studenten makkelijker om optimaal onderwijs te krijgen.”
Yucata Lienga … is docent bij Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT) als lerarenopleider. Ook is ze betrokken bij diverse FLOT-brede innovatieprojecten/opdrachten, bijvoorbeeld op het gebied van Diversiteit en Inclusie. Na haar docentenopleidingen Biologie en Zorg & Welzijn voltooide ze de master Leren & Innoveren.
Gelijke kansen
Gelijke kansen
9
10
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
4
5
11
6
VAN PUZZELS VOOR JE STUDENTEN… Hoe houd je studenten betrokken bij je lessen en lesstof? Onder meer door die lessen zo gevarieerd mogelijk te maken. Op www.thiememeulenhoff.nl/mbo/lesbrieven vind je daar allerlei tips voor. Bijvoorbeeld het gebruik van kruiswoordpuzzels. Lees hiernaast hoe je die slim kunt inzetten. Zie welke vaardigheden studenten zo opdoen. En maak kans op een mooie prijs door alvast zelf zo’n puzzel te maken!
3
Kruiswoordpuzzel
7
1
2
W I ! N
Op basis van hints woorden raden die elk in een beperkt aantal vakjes moeten passen. Dat is de kern van kruiswoordpuzzelen. Niet alleen leuk om te doen, maar ook nuttig. Het kan jouw studenten bijvoorbeeld helpen hun lesstof te leren. Laat ze hiervoor eens zélf een kruiswoordpuzzel in elkaar zetten – alleen of in kleine groepjes. Laat ze vervolgens elkaars kruiswoordpuzzels oplossen. En zorg dat de woorden in hun puzzels relevant zijn voor hun latere beroep, zoals termen en concepten uit hun lesmateriaal. Doordat studenten op deze manier kruiswoordpuzzels creëren en oplossen, blijft kennis sneller en beter bij hen hangen. Bovendien doen ze er ook nog eens handige vaardigheden mee op. Denk aan 21e-eeuwse skills als samenwerken, creativiteit en communiceren. Enthousiast? Klik dan hier om onze lesbrief over kruiswoordpuzzels te bekijken!
Kruiswoordpuzzel
12
Uit liefde voor het vak
… TOT EEN PRIJSPUZZEL VOOR JOU Los de puzzel hiernaast op, mail de oplossing met je naam, adres en telefoonnummer naar uitliefdevoorhetvak@thiememeulenhoff.nl en maak kans op het boek Passend onderwijs in het mbo van Erik van Meersbergen en Ingrid Ketelaar. Onder de juiste inzendingen verloten we drie exemplaren. Lees meer over het boek op pagina 46!
Horizontaal
Kruiswoordpuzzel
1
3 gemoedstoestand waarbij niet iets anders verlangd wordt dan wat er is
2
3
n
4 verhouding tussen mensen
m
4
s
8 denkbeelden 5
12 (goed) niveau van de doelmatige overdracht van kennis, vaardigheden en attitudes 14 instelling waar onderwijs gegeven wordt
6
10 p
9
8 11
f
g b
17 actieve deelname
1 geloof in eigen kunnen
7
i j
16 bij de pinken
Verticaal
DOE JE MEE?
13
Uit liefde voor het vak
13
12
o r
14 a
2 met elkaar
d
15
16
t
5 het niveau en tempo van onderwijs laten verschillen per student in je klas
e
l c
6 recht om mee te beslissen over zaken waarbij je betrokken bent
h
7 verbondenheid met en/of inzet voor iets
17
k
9 raadgeving 10 zelfbeschikking 11 bereidheid tot bepaald gedrag 13 gerichte waarneming van de omgeving 15 iemand die een studie doet
NB De lange ij is één letter in deze puzzel en heeft dus aan één vakje genoeg. a
b
c
d
n
o
p
r
e
s
f
g
h
i
j
k
l
m
t
Titel
14
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
OPEN MIC “Geef studiepunten voor betrokkenheid” “Mijn opleiding is fantastisch. Je leert hier heel goed om fotograaf te worden. Daar droom ik al van sinds ik op mijn negende mijn eerste compactcamera kreeg. Maar zelfs een fantastische opleiding kan beter. Wat ik anders zou willen? Bijvoorbeeld dat docenten je met software leren werken die stagebedrijven op dat moment gebruiken. Dus met de laatste versies van relevante computerprogramma’s. Op die manier ben je goed voorbereid op je stage en haal je echt alles uit je opleiding. Zo’n verbeterpunt kan ik binnenkort misschien inbrengen in onze studentenraad. Want daar ga ik me verkiesbaar voor stellen. Die raad is hier een mooie manier waarop studenten ook schoolbrede voorstellen kunnen doen. Waarop ze structureel op dat niveau kunnen meedenken. Of ik zelf al zo’n voorstel heb? Ja, ik zou graag meer kruisbestuiving zien tussen opleidingen. Koppel bijvoorbeeld een student Interieuradvies aan een student Verpleegkunde. En laat hen dan, ik noem maar wat, samen onderzoeken welke kleuren op een ziekenhuisafdeling het welzijn van patiënten het meest verbeteren.”
STUDEN AAN HETEN WOORDT
“Interne audits waarin ook studenten vragen krijgen over het onderwijs. Klassevertegenwoordigers. En praktijkdocenten die wel eens vragen wat we willen leren in een periode of jaar. Ook dat zijn manieren waarop studenten op ons roc betrokken worden bij onderwijs. Toch weten veel studenten hier volgens mij nog niet dat ze met hun mening invloed kunnen hebben. Misschien omdat er nog niet genoeg vormen van studentbetrokkenheid zijn. En misschien ook omdat de meeste studenten die niet kennen of niet genoeg aangespoord worden er gebruik van te maken. Daar ligt een taak voor de communicatiespecialisten op dit roc. Zij zouden op ons intranet meer inspirerende interviews kunnen delen met studenten die zich al inzetten voor de school. Met daarbij handvatten om zelf ook actief te worden. En wellicht met extra incentives, zoals studiepunten. Dat je die krijgt als je bijvoorbeeld ambassadeur van je opleiding wordt, zoals ik ben. In die rol vertel ik op schoolevents voor aankomende studenten hoe ik mijn opleiding ervaar. Dat er veel leuke dingen zijn, maar ook minder leuke – al kunnen die per student verschillen. Eerlijke verhalen werken altijd het best.”
Yanick (21) Tweedejaars Fotografie, ROC Friese Poort
“Laat ons meebeslissen over de inhoud”
“Sta open voor onze ideeën en meningen”
“Mijn klasgenoten en ik hebben iedere week het vak ‘Playtime’. Daarin behandelen we onderwerpen waar we dieper op in willen gaan en die we aan het begin van elke periode aandragen. Onze docent vertelt dan over die onderwerpen of nodigt er een gastspreker voor uit – bijvoorbeeld iemand van het Leger des Heils of jongens die zelf behandeld zijn voor geestelijkegezondheidsproblemen. Ook studenten regelen soms gastsprekers. Zo heb ik mijn ouders wel eens gevraagd om te komen praten over hun praktijkervaringen. Mijn vader werkt namelijk bij de Spoedeisende Psychiatrie en mijn moeder op een gesloten psychiatrische afdeling. In de Playtime-lessen is trouwens ook ruimte om je eigen praktijkervaringen te bespreken. Bijvoorbeeld een casus uit je stage.”
“Het is heel belangrijk dat er naar studenten geluisterd wordt. Dat docenten, opleidingen en scholen erachter komen wat die studenten leuk vinden, dwarszit of anders zouden willen – als persoon of als groep. Want hoe wil je ook maar íéts voor ze verbeteren als je dat soort dingen niet weet? Binnen mijn opleiding heeft iedere student bijna maandelijks persoonlijke gesprekken met een studieloopbaanbegeleider. In elk geval in de eerste twee jaar, als ze nog niet vooral stagelopen. In die gesprekken kan het gaan over de thuissituatie, schoolervaringen of meningen over onderwijs. De meeste andere docenten vragen ook vaak hoe het gaat en staan open voor vragen over de lesstof. Ze zijn oprecht geïnteresseerd en willen rekening houden met elke student. Heel prettig is dat.”
“Ik denk dat het heel goed is als je studenten vraagt wat zij willen leren – of dat nu in een speciaal vak als Playtime is of in reguliere vakken. Zodra je zelf mag meebeslissen over de inhoud, ben je gemotiveerder om daarmee aan de slag te gaan. Dat geldt ook op een ander niveau; als het niet over de inhoud van lessen gaat, maar over die van opleidings- of schoolbesluiten. Zodra je studenten daarbij betrekt, voelen ze een sterkere band met hun opleiding en school, wat hun vaak gemotiveerdere studenten maakt. Zeker niet iedereen wil graag zijn ideeën delen over wat beter zou kunnen. Maar veel studenten wel, meer dan er klassenvertegenwoordiger of studentenraadslid kunnen worden. Deze twee opties spreken ook niet iedereen aan. Extra mogelijkheden zouden goed zijn.”
“Er zijn op dit roc ook andere manieren om je gedachten te delen over het onderwijs en de school. En niet alleen via de studentenraad. Zo ben ik zelf ambassadeur van mijn opleiding. In die rol maak ik aankomende studenten enthousiast over deze studie, bijvoorbeeld op open dagen of tijdens mijn bezoeken aan middelbare scholen. Ook praat ik als ambassadeur geregeld met docenten over ons onderwijs – en een enkele keer met de directeur. Afgelopen jaar kreeg ik zelfs de vraag om mijn mening te delen met de Raad van Toezicht. Toen zei ik bijvoorbeeld dat het beter zou zijn voor het onderwijs als de klassen kleiner zouden worden. Het liefst niet dertig studenten in één lokaal, maar vijftien. Ik snap dat zo’n verandering geld kost, maar ik denk dat het die investering waard is. Dat punt blijf ik zeker maken.”
Isabelle (19) Tweedejaars Persoonlijke Begeleiding Specifieke Doelgroepen, ROC van Flevoland
Ashley (24) Derdejaars Onderwijsassistente, ROC Friese Poort
Foto: Gerrit Miedema
Studenten aan het woord
15
Studenten aan het woord
16
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
ZOEK IEMAND DIE
Wie zich op zijn gemak voelt, leert beter. Hoe zorg je als docent dat jouw studenten zich op hun gemak voelen in de klas? Hoe creëer je al vanaf de eerste lesdag een prettige groepsdynamiek; één waarin iedereen mee durft te doen en mensen elkaar respecteren? Een goede kennismaking tussen studenten is de eerste stap – en het spelletje Bingo kan daarbij helpen! Wat is Bingo ook alweer? Bingo is een spel voor meerdere spelers. In de basisvorm krijgt elke speler een uniek formulier met getallen. De spelleider trekt vervolgens een papiertje met een getal uit een doos of kom. Hij leest dit getal hardop voor. Elke speler kijkt of het getal op zijn formulier voorkomt. Zo ja, dan mag de speler dit getal doorstrepen. De spelleider blijft getallen trekken en oplezen totdat iemand alle getallen op zijn formulier doorgestreept heeft en ‘bingo!’ roept. Die speler heeft het spel dan gewonnen. Zoals Bingo zijn er nog veel meer eenvoudige en originele manieren om leren leuker te maken voor studenten. En om ze nuttige (21e-eeuwse) vaardigheden bij te brengen. Laat je inspireren op www.thiememeulenhoff.nl/mbo/lesbrieven
Bingoooo!!!
Hoe kun jij Bingo inzetten? Er zijn veel varianten op de basisvorm van Bingo. Voor de kennismaking tussen studenten gebruik je de ‘Zoek iemand die…’-variant. Ook hierbij krijgen alle studenten een formulier, maar nu is elk papier gelijk. En in plaats van getallen staan er nu persoonlijke feiten op dat papier, zoals: ‘Heeft al tien jaar hetzelfde telefoonnummer’. (Zie hiernaast een voorbeeld van zo’n ‘Bingokaart’. Die mag je zeker gebruiken, al kun je er natuurlijk ook zelf één maken die beter past bij jouw klas.) Je studenten moeten zorgen dat ze bij elk feit een klasgenoot vinden op wie dat feit van toepassing is. Maar: ze mogen elke klasgenoot maar één keer noteren!
Klik hier om te zien hoe jij de ‘Bingo-les’ kunt voorbereiden en inleiden. Ontdek welke 21e-eeuwse vaardigheden studenten ermee oefenen. En vind een handig stappenplan dat studenten kunnen volgen om het spel goed te spelen.
... in de vakantie meer dan 3 boeken heeft gelezen
... zijn/haar rijbewijs heeft
... al 10 jaar hetzelfde telefoonnummer heeft
... een konijn als huisdier heeft
... een broer en een zus heeft
... heeft gerookt maar inmiddels gestopt is
... op zichzelf woont (op kamers of in een huis)
... meer dan 10 uur per week een bijbaantje heeft
... elke ochtend doucht
... minimaal 2 keer per week een gezonde maaltijd kookt
... een keer op vakantie is geweest in een ander wereldddeel
... lenzen in heeft
... ouders heeft die niet meer bij elkaar wonen
... meer dan 3 3 kwartier moet reizen om naar school te komen
... een leeftijdsverschil van minder dan 25 jaar met zijn ouders heeft
... altijd brood van huis meeneemt naar school
... meer dan 2 sporten beoefent
... al meer dan 2 jaar lang een relatie heeft
... geen melk lust
... meer dan 4 keer per week bezig is met zijn/haar sport
... een buitenlandstage heeft gedaan of wil doen
... elke dag minimaal 1 stuk fruit eet
... een bijzondere verzameling heeft
... een tijd in het buitenland heeft gewoond
... het liefst zwarte kleding draagt
Bingoooo!!!
17
18
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
Zo gaat het op niveau 2
“JULLIE LUISTEREN ECHT NAAR ONS, ZEGGEN ZE SOMS VERBAASD ” Zo gaat het op niveau 2
19
Studentbetrokkenheid is belangrijk op niveau 3 en 4 van het mbo. Maar misschien nog wel belangrijker op de andere niveaus – ook al bevinden zich daar minder studenten en opleidingen. Dat stellen Annelies Smit en Rinske van der Jagt van MBO Amersfoort. Zij stimuleren de betrokkenheid van niveau-2-studenten op hun school. Hoe doen ze dat? En waar letten ze extra op bij deze groep?
“Als je studenten serieus betrekt bij de vormgeving van je lessen, opleiding of school, dan voelen ze zich gewaardeerd. Dat geldt voor hen allemaal. Maar voor onze studenten is dat gevoel vaak minder normaal dan voor andere.” Zo legt docente Annelies uit waarom studentbetrokkenheid op niveau 2 extra belangrijk is.
Van sterkere student tot betere opleiding
“De meesten horen al sinds de basisschool dat ze dingen minder goed kunnen dan leeftijdsgenoten. In elk geval op onderwijsvlak. En daardoor hebben ze vaak de foute, maar hardnekkige overtuiging dat ze ook minder goed zijn.” Annelies vermoedt dat al snel 80 procent van deze jongeren kampt met een gebrek aan zelfvertrouwen. “Ze denken bijvoorbeeld dat ze maar weinig kunnen bereiken. Of dat hun studie niets voorstelt; dat ze ‘maar’ een niveau-2-opleiding doen. Voor hun motivatie, prestaties en geluk zijn dat soort gedachten niet heel bevorderlijk.” “Studentbetrokkenheid”, vult Rinske aan, “geeft niet alleen het zelfvertrouwen van studenten een boost. Je verhoogt er ook de kwaliteit en resultaten van je opleidingen mee.” Op haar ROC ziet ze dat nu gebeuren bij de opleiding Dienstverlening, helpende zorg en welzijn. De oud-docente staat aan het hoofd van het project om deze studie beter in te richten en vorm te geven. “Daarvoor is het cruciaal om ‘hoofdrolspelers’
te vragen naar hun mening, voorkeuren en behoeftes. Docenten en het werkveld, maar zéker ook studenten.”
Van kritische feedback tot slimme ideeën
Studenten geven hun mening onder andere via zes adviespanels. “Elk panel bestaat uit drie à vijf studenten en richt zich op één thema”, vertelt Rinske. “Die thema’s raken eigenlijk alles wat met onze opleiding te maken heeft, van ‘Inhoud van het onderwijs’ en ‘Roostering’ tot ‘Indeling van gebouwen’ en ‘Toetsing’.” Rinskes team selecteert de panelleden. “We zoeken die eerst onder studenten die tijdens de les direct hun mond opentrekken als ze het ergens niet mee eens zijn. ‘Je hebt al een kritische instelling’, zeggen we dan. ‘Dit is je kans om daar echt verschil mee te maken.’ Vaak trekt dat ze over de streep.” Panelleden komen met nuttige feedback. “Zo zien we nu scherper dat veel studenten de verplichte 5 procent lichaamsbeweging in ons curriculum niet prettig vinden. Én begrijpen we waarom. We weten nu bijvoorbeeld dat ze zich liever niet met elkaar willen douchen en omkleden. En dat velen niet begrijpen waarom het relevant is voor hun opleiding dat ze sporten.” Aan de hand van deze feedback ontstond onder meer het idee om studenten zelf een sport- en spelevent te laten organiseren, in het kader van hun opleiding. “Van die invulling werden de panelleden wél enthousiast.” Zo gaat het op niveau 2
20
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
21
Van app tot verandering
‘Heb je genoeg geleerd vandaag?’ Zo heet een andere manier waarop de opleiding de mening van studenten peilt. “Het is de naam van een app”, vertelt Annelies. “Gedurende het hele jaar krijgen steeds weer andere klassen – soms wel acht tegelijk – de vraag om een week lang via die app vragen te beantwoorden.” Anders dan de naam doet vermoeden, gaan deze vragen niet alleen over wat studenten geleerd hebben. “Het kan ook gaan over het gebrek aan broodjes in de kantine. Of over onhandige tussenuren. Of over zware boeken die men verplicht met zich meesleept zonder dat ze in de les gebruikt worden. De mogelijkheden zijn legio.” De feedback wordt gelabeld en gefilterd. “Persoonlijke meningen over een docent vinden we wat minder relevant. Maar als een punt meerdere keren en vanuit verschillende klassen opduikt, dan doen we daar iets mee. Zo was de klacht over zware boeken een extra reden voor ons om het eerstkomende schooljaar over te stappen op online onderwijs. Maar vaak kunnen we al sneller ingrijpen.” Klassen die de appvragen beantwoorden krijgen na enkele weken het verzoek dat opnieuw te doen. “Dan kunnen ze aangeven of ze verandering gemerkt hebben. En worden ze zich bewuster van hun impact. Jullie luisteren echt naar ons, zeggen ze soms verbaasd.”
Annelies Smit … begon als onderwijsassistente op MBO Amersfoort. Werd daar later ook docente. Kreeg vanwege haar werkervaring in de kraamzorg eerst alleen zorgvakken onder haar hoede. Daarna eveneens welzijnsvakken, mede door haar achtergrond als pedagogisch medewerker. Geeft nu les aan de opleidingen Dienstverlening en helpende Zorg & Welzijn, Pedagogisch medewerker en Gespecialiseerd pedagogisch medewerker.
Ook docenten zijn enthousiast over studentbetrokkenheid. “Ze zijn allemaal nieuwsgierig naar de reacties op panel- en appvragen”, zegt Rinske. “En ze erkennen hoe zinvol die antwoorden vaak zijn.” Annelies: “SLB’ers merken bovendien dat studenten eerder uit zichzelf naar hen toestappen als ze ergens mee zitten. Puur omdat ze door onze initiatieven het gevoel hebben dat er op deze school naar hen geluisterd wordt. Een prachtig neveneffect.” Studenten ervaren dat er dankzij hen verbetering is, zegt ze. “En dus dat ze een waardevol deel zijn van hun omgeving. Dat is een gevoel dat de bredere maatschappij hun nog te weinig geeft. En dat hun heel erg gegund is.” Meer lezen over studentbetrokkenheid op MBO Amersfoort? En dan vooral hoe studenten van Dienstverlening en helpende Zorg & Welzijn betrokken worden bij lessen? Lees wat Rinske daarover vertelt op www.thiememeulenhoff.nl/mboniveau2
Zo gaat het op niveau 2
Rinske van der Jagt … stond jarenlang als mbodocent Omgangskunde voor de klas. Ontwikkelde zich in de begeleiding van studenten en de aanscherping van onderwijs. Was zeven jaar projectleider van BOL-leerbedrijf De Koperhorst op MBO Amersfoort. Gaf afgelopen jaar nog twee uur per week les, maar is sinds dit schooljaar fulltime projectleider van de nieuwe inrichting en vormgeving van de opleiding Dienstverlening en helpende Zorg & Welzijn.
Zo gaat het op niveau 2
22
Uit liefde voor het vak
STUDENTBETROKKENHEID VERGROTEN MET eDITION Als docent wil je het liefst op elk moment kunnen zien waar je studenten staan in hun leerproces. Zo kun je daar direct op inspelen en dit proces optimaliseren. Onder andere door hen betrokken houden, bijvoorbeeld door ze extra uitleg te geven, te motiveren of te complimenteren. Met eDition, de digitale leer- en werkomgeving die ThiemeMeulenhoff aanbiedt, kríjg je dat inzicht in ieders leerproces. Nu beter dan ooit! ThiemeMeulenhoff ontwikkelt eDition voortdurend door. Steeds vanuit dezelfde vraag: hoe valt via deze leer- en werkomgeving het leerproces te verbeteren? “In de beginjaren van eDition was het vooral een digitale omgeving waar je leermateriaal kon vinden”, vertelt Pieter Ruempol, Technology & Development Manager bij ThiemeMeulenhoff. “Maar inmiddels is het veel meer, mede dankzij de feedback van docenten en studenten die er zelf mee werken.”
Uit liefde voor het vak
Honderden modules
LESMATERIAAL OP MAAT Leer in 5 stappen arrangeren Materiaal op maat
Docenten kunnen in eDition nu ook een eigen ‘arrangement’ samenstellen, vertelt Pieter. “Al onze methodes zijn modulair opgebouwd. Als docent kun je kiezen welke modules je wilt behandelen. En je kunt die sinds kort ook in je eigen volgorde klaarzetten voor je studenten.” Docenten krijgen de mogelijkheid om dit voor de hele klas te doen. Maar ook per groepje studenten. En zelfs per individu. “Deze functionaliteit in eDition helpt je om studenten op maat lesmateriaal aan te bieden, bijvoorbeeld elk op hun eigen niveau. Zo kun je nog beter recht doen aan de verschillen in je klas.” Wil je ook arrangeren met eDition? Volg het stappenplan op de volgende pagina!
Nóg meer verbeteringen “Met elke vernieuwing maakt eDition het leerproces makkelijker, effectiever en leuker voor studenten”, zegt Pieter. Hieronder enkele van de laatste vernieuwingen: •
Inzicht in voortgang
Een voorbeeld van een belangrijke verbetering? Pieter: “We maken de resultaten van studenten nu nóg inzichtelijker. Als docent kon je al per student of per opdracht bekijken wat de voortgang is in gemaakte vragen. Inmiddels is er ook een ‘geaggregeerd overzicht’. Daarin zie je in één oogopslag de resultaten van een hele groep of klas.” Docenten krijgen zo beter inzicht in waar hun klas(sen) staan. Van het gemiddelde resultaat van een klas tot het deel van de lesstof dat die klas al goed beheerst. “Zie je dat een hele groep geen goede resultaten heeft behaald op een bepaald onderwerp? Dan kun je overwegen om de lesstof op een andere manier aan te bieden.”
eDition
• •
• •
Bij ThiemeMeulenoff kun je lesmateriaal op maat maken voor jouw opleiding of project. Als je die gedrukt wilt hebben, kies je voor Boeken OpMaat. Online materiaal stel je samen in eDition. Zodra je jouw arrangement
1 Ga in eDition naar ‘docentopties’ en kies ‘arrangeren’.
2 Zoek en filter de gewenste modules. Dit
kan op trefwoord, op vakgebied maar ook op crebo. Je kunt de gevonden modules meteen bekijken!
3 Stel uit de modules een nieuw arrange-
ment samen. Of gebruik een bestaand (door ThiemeMeulenhoff klaargezet) arrangement. In beide gevallen geef je het arrangement zelf een titel en schrijf je eventueel een toelichting.
Voor InBusiness zijn er in eDition 456 modules beschikbaar voor jouw arrangementen. Voor TouchTech 214. En bij Traject zijn er 512 modules beschikbaar.
hebt klaargezet voor je klas, voor een groepje of voor een individuele student, hebben zij er direct toegang toe. Hoe je dat arrangeren aanpakt? Volg de stappen hieronder!
4 Voeg modules naar keuze toe aan het
arrangement. En pas naar eigen inzicht de volgorde aan ván die modules.
5 Deel het arrangement met je klas, groep of student. Je studenten hebben er dan direct toegang toe in hun eigen leeromgeving. En jij kunt in eDition volgen welke voortgang zij erin boeken! Heb je een vraag? Of kun je hulp gebruiken bij het arrangeren? Neem dan contact met ons op via bo@thiememeulenhoff.nl!
De omgeving heeft een flinke facelift gehad. Alles wat voor onnodige afleiding zorgde, is weg. Daardoor is eDition nu nog overzichtelijker en rustiger dan ze al was. Het vernieuwde eDition voldoet aan alle toegankelijkheidseisen die vanaf 2025 gaan gelden voor digitale websites en leeromgevingen. De omgeving heeft sinds kort een zoekfunctie. Hierdoor kunnen studenten eenvoudiger en sneller lesmateriaal vinden dat voor hen relevant is. Elke student heeft nu in eDition een eigen homepage. Daarop staat een helder overzicht van hun lesmateriaal en arrangementen. Docenten kunnen tegenwoordig bij elke vraag in eDition gericht feedback geven aan individuele studenten (en binnenkort ook aan groepen). eDition
23
Uit liefde voor het vak
Zeg het met een kaartje
VAN GAAT SPRINGEN
GO FOR IT
Een beetje aandacht doet wonderen. Het is fijn om te geven. Vaak nog fijner om te krijgen. En niet dat je het daar altijd om doet, maar als jij je betrokken opstelt naar anderen, krijg je doorgaans ook betrokkenheid terug – of het nu van naasten, collega’s of studenten is. Bovendien kost het zelden moeite; soms is een kaartje al voldoende! Wie stuur jij er eentje?
BLIJ VOOR JE
ZEG HET MET EEN KAARTJE
ER ZIJN DINGEN WAAR JE
24
DANK JE WEL!
JOU
DIKKE KNUFFEL VOOR
TOPPER
JE BENT EEN
IK DENK AAN JOU
GAAT JOUW HART OOK SNELLER KLOPPEN VAN JE MOOIE VAK? Werk online, met boeken of blended met een van onze mbo-methodes
Jij hebt passie voor je vak. En je laat de vonk van die passie graag overslaan op je studenten. Wij doen er alles aan om je daarbij te ondersteunen! Met actuele en flexibele lesmethodes en persoonlijke service, maar ook met inspirerende blogs, tips en lesbrieven.
Ben jij op zoek naar een nieuwe lesmethode? Ontdek ons uitgebreide, actuele en flexibele mbo-aanbod voor Nederlands, Engels, Economie, Techniek, Dienstverlening, Welzijn en Zorg! Bestel nu een beoordelingsexemplaar of proeflicentie om de methodes uit te proberen.
→ thiememeulenhoff.nl/uit-liefde-voor-het-vak
→ thiememeulenhoff.nl/mbo/beoordelen
30
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
STARTEN MET STUDENTPARTICIPATIE? ZET EERST DEZE 8 STAPPEN! Wat mooi dat je enthousiast bent over studentbetrokkenheid! Maar begin niet zomaar uit het niks studenten te betrekken bij je lesinhoud of opleidings- en schoolvraagstukken. Succes vereist een goede voorbereiding. Deze acht stappen kunnen je bij die voorbereiding helpen.
HET TEAM
Voorbeelden van teamleden
Je neemt de aanloop naar studentparticipatie in teamverband. Daarom stel je als eerste dit team samen. Meestal heeft zo’n groep een vaste kern van zes à acht collega’s. Zij komen op verschillende momenten samen. Het team werkt vanaf de start ook samen met studenten. Die kunnen per sessie verschillen – ook in aantal. Als team kun je zelf en op verschillende manieren studenten betrekken, bijvoorbeeld door ze aan te spreken in de gang, via social media te benaderen of een keer mee te nemen naar een teambespreking. Zo ben je al bezig met studentparticipatie terwijl je die aan het vormgeven bent!
Je wilt het liefst een team waarin verschillende lagen van de school vertegenwoordigd zijn: van besluitvormers en onderwijsontwikkelaars tot docenten. En hoe meer perspectieven je daarbij kunt meenemen, hoe beter. Ook collega’s van marketing en communicatie, kwaliteitszorg, HR en IT zijn dus welkom om hun
… is meer dan ‘goed meedoen in de klas’. Het gaat er ook om dat studenten meedenken en meebeslissen over besluiten op school; of die nu gaan over onderwijs, lesmateriaal, beleid, toetsvormen, kantinesnacks of de inrichting van het gebouw. Als je hun perspectief leert kennen, kun je je keuzes daarop afstemmen. Dat is belangrijk, want alles wat je op je school doet, doe je voor hen. Je kunt hun perspectief op verschillende manieren achterhalen en van invloed laten zijn. Eén daarvan is sinds 2016 zelfs wettelijk verplicht op het mbo: het regelen van medezeggenschap, bijvoorbeeld via een studentraad. Maar er zijn nog veel meer manieren – en die zullen veelal voor een grotere groep aansprekend zijn (zie bijvoorbeeld stap 6 in dit artikel)!
Starten met studentparticipatie
zegje te doen. Net als bijvoorbeeld onderwijs-/ teammanagers, roostermakers en conciërges. Lang niet al je collega’s zullen tijd of zin hebben om altijd aan te schuiven bij besprekingen. Als kernteam kun je hen dan uitnodigen voor één sessie. Of voorafgaand aan een bespreking om input vragen. Zo werk je ook aan draagvlak voor je toekomstige aanpak.
Voorbeelden van bedoelingen
DE BEDOELING Je wilt studenten betrekken. Maar waarom eigenlijk? Elk antwoord dat je op deze vraag geeft, is een ‘bedoeling’. Je kunt meerdere bedoelingen hebben, maar houd het wel overzichtelijk; formuleer er maximaal vijf!
Studentparticipatie…
31
“We vinden het belangrijk om onderwijs te geven dat goed aansluit op studenten. Daarom willen we ontdekken wat zij willen, vinden en nodig hebben.”
“We hopen dat hogere tevredenheid en de mogelijkheid tot participatie onze school aantrekkelijker maakt voor aankomende studenten.”
“We streven ernaar de tevredenheid van studenten te verhogen. En we weten dat zij het fijn vinden om betrokken te worden bij besluiten.”
“We willen de motivatie van studenten stimuleren – en het blijkt dat zij gemotiveerder zijn als ze betrokken worden.”
DE SITUATIE Ga na of er al studentparticipatie plaatsvindt op je school en hoe die geregeld is. Wie zet op dit moment welke vormen in? Rond welke thema’s? En hoe werken die vormen precies? Vallen ze onder ‘medezeggenschap’? En welke richten zich op bredere participatie? Waarschijnlijk gebeurt er al meer aan studentbetrokkenheid dan je denkt! Wat er is, vormt de basis van je plan. Zodra je die basis in kaart hebt gebracht, kun je vormen van participatie aanvullen of aanpassen. Zorg in elk geval dat je je overzicht van studentparticipatie vanaf nu altijd actueel houdt! Starten met studentparticipatie
32
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
DE RONDVRAAG
DE VERBINDING
Hoe kijken studenten zelf naar hun participatie? Wat merken ze ervan op school? Hoe moet studentparticipatie er volgens hen uitzien? Hoe ervaren ze hun leven op school überhaupt? Wat vinden ze leuk en belangrijk? Waar willen ze over meedenken of -beslissen? En wat zouden ze veranderen als ze de kans hadden? Vraag het ze! En stap hiervoor vooral op hen af. Vaak zie je meteen waar ze zijn – van kantine en fietsenhok tot social media. Maar leg ook contact met degenen die je niet snel ziet, omdat ze op stage zijn of veel verzuimen. Studenten benaderen is vaak makkelijker dan je denkt en levert veel nuttige informatie op!
“Scholen zijn sinds 2016 wettelijk verplicht om studenten medezeggenschap te bieden”
DE DOELEN
DE VORMEN
Op studenten afstappen en vragen stellen: dat blijf je doen, ook na de eerste rondvraag. Zo houd je hun perspectief voor ogen. En blijf je niet hangen in je eigen aannames zodra je doelen formuleert en participatievormen vaststelt. Stel die doelen gerust voordat je iedereen gesproken hebt. Formuleer ze als concrete resultaten die je wilt behalen, eventueel gekoppeld aan een deadline (‘over zeventig dagen willen we x bereikt hebben’). Je kunt altijd doelen aanpassen en later aanscherpen of vervangen, maar houd ze wel realiseerbaar en in lijn met je bedoelingen.
Je studenten verschillen, dus bied vooral verschillende vormen van participatie. Probeer ze uit; welke passen het best bij jouw studenten? De opties zijn talrijk. Denk aan studentenraden, wandelganggesprekken en appgroepen. Aan ideebussen en studentambassadeurs. Of aan de inzet van studenten als projectgroepleden en leden van sollicitatiecommissies. Misschien voldoen je bestaande vormen al, maar wellicht moet je die ook wel aanscherpen of vervangen.
Voorbeelden van doelen
DE SCHERPSTELLING
“We betrekken studenten bij zaken waar zij bij betrokken willen worden én bij zaken waar wij ze bij willen betrekken.” “We laten studenten weten wat de toegevoegde waarde en resultaten zijn van onze samenwerking.”
“We sporen alle studenten aan om mee te denken en doen. Daar bedenken we diverse manieren voor.” “We bepalen en evalueren samen met studenten hoe we met hen samenwerken en hoe we hen betrekken.” “We zorgen dat studenten tevredener zijn over hun tijd op school. Hun tevredenheidscijfer moet omhoog.”
Starten met studentparticipatie
Kijk terug op voorgaande stappen. Leg je gekozen vormen naast je bedoeling(en) en doelen. Wat kan nog beter en scherper? Wat sluit nog meer aan op wat jij en studenten zoeken? En hoe krijg je zoveel mogelijk mensen mee, met zo min mogelijk weerstand, zodat je studentparticipatie met z’n allen succesvol maakt? Bespreek die vragen met iedereen die bij deze participatie betrokken is. Onderweg scherpstellen hoort erbij; de juiste vormgeving van participatie is een kwestie van continu doen, scherpstellen en opnieuw proberen. Als je werkt vanuit je bedoeling, is succes altijd verzekerd!
Het is niet genoeg om vormen te bedenken die bij je doelen en bedoelingen passen. Je moet die vormen ook op de juiste manier de echte wereld in krijgen. Verbind ze dus met de praktijk! Dat kan op allerlei manieren, maar pas in elk geval de voorbeelden hiernaast toe.
“Zorg dat je de resultaten van studentparticipatie aan je studenten terugkoppelt”
START! Heb je alle stappen gezet? En heb je de verzamelde ideeën verwerkt in een ‘levend’ participatieplan (een plan dat voortdurend aangescherpt kan worden)? Dan is het nu tijd om echt te beginnen. Heel veel succes en plezier met studentparticipatie!
Voorbeelden van verbindingen Maak een team met ‘aanvoerders’: enthousiaste medewerkers, maar niet per se leden van het voorbereidende team. Zij stralen geloof uit in de gekozen vormen, doelen en bedoelingen, en moedigen studenten en collega’s aan om mee te doen. Laat dit team nauw samenwerken met groepen enthousiaste studenten (‘studentnetwerken’). Zij zijn vaak beter in staat om hun medestudenten te enthousiasmeren – ook degenen die voor docenten moeilijk te bereiken zijn.
33
Zorg dat er genoeg middelen zijn om je participatievormen gebruiksklaar te maken en te houden. Het gaat bij deze middelen niet alleen om geld, maar ook om de beschikbare tijd en materialen. Zorg dat je in je officiële schoolcommunicatie de participatie onder de aandacht brengt van studenten, hen aanspoort tot actieve deelname en de resultaten van studentparticipatie aan hen terugkoppelt.
Hulp bij vervolgstappen Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Marjolein de Jong. Tijdens haar master Antropologie specialiseerde zij zich in jongeren als onderzoeksgroep. “Ik zag al snel dat de meeste jongeren vol ideeën zitten om de samenleving en organisaties te verbeteren. Dat ze die ideeën graag willen delen en realiseren. En dat ze hier vaak niet aansprekend of uitdagend genoeg toe in staat gesteld worden.” Marjolein zette direct na haar studie Young Inspiration op. Daarmee helpt ze sinds 2009 organisaties om jongeren te betrekken bij hun reilen en zeilen. Ze geeft advies en begeleiding bij de kickstart van jongerenparticipatie én bij de vervolgstappen. Daarbij focust ze op de publieke en onderwijssector, zoals mbo- en hbo-scholen. Meer weten? Kijk op www.younginspiration.nl!
Starten met studentparticipatie
34
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
VRAAG DOOR “Hier heb ik geen zin in hoor!” “Mevrouw, weet u wat gaaf zou zijn?!” Mbo-studenten hebben vaak duidelijke meningen. Zeker ook over onderwijs. Ze weten goed waar ze enthousiast van worden. En nog beter waarvan niet. Het is belangrijk dat je ze als docent naar hun mening vraagt. En dat je dóórvraagt. Zo leren studenten namelijk om verder te kijken dan wat ze leuk of stom vinden. Waar ben ik goed in? Wat vereist extra aandacht? Wat heb ik daarvoor nodig? Welke leerstrategie kan ik het best gebruiken? En wat helpt mij om door te zetten als het lastig wordt? Het is essentieel voor studenten om zichzelf ook dit soort vragen te stellen. Dat stelt ze in staat om zelfstandiger, doelgerichter en effectiever te leren. Voor de onderwijskwaliteit is het trouwens eveneens cruciaal om studenten naar hun mening te vragen. Je kunt je lessen, school- en onderwijsplannen dan beter afstemmen op je doelgroep en zo meer impact behalen. Zoek dus altijd manieren om studenten te betrekken.
Column
En laat je daarbij vooral inspireren door andere scholen! Op mijn eigen roc hebben sommige opleidingen bijvoorbeeld een ‘flexibel onderwijsmoment’. Hierin vraagt de docent studenten wat ze die periode willen leren en hoe ze dat willen doen. Daar kan dan bijvoorbeeld een workshop, gastcollege of excursie uitrollen rond het onderwerp ‘omgaan met onvoorspelbaar gedrag van cliënten’. Daarnaast heeft elke klas bij ons twee klassenvertegenwoordigers. Die studenten hebben vergaderingen met docenten die ‘studentbetrokkenheid’ in hun takenpakket hebben. Zo’n bespreking kan gaan over alles wat studenten, de opleiding of de school bezighoudt – inclusief roosters, tussenuren of de sfeer op het roc. Andere roc’s hebben weer andere vormen van studentbetrokkenheid. Zo zijn er scholen waar docenten met studenten in gesprek gaan over een specifiek thema of doel om het onderwijs te verbeteren. Ze brengen in zulke ‘studentenarena’s’ samen de beginsituatie in kaart. En na verloop van tijd bespreken ze of bedachte acties nuttig zijn geweest.
Dit zijn maar drie van de vele mogelijkheden die je hebt als je wilt beginnen met studentbetrokkenheid. Maar begin niet zomaar! Bereid jezelf goed voor. Wat wil je bereiken met die studentbetrokkenheid? Welke vorm past daar het best bij – met welk soort leiding of regels? En welke invloed krijgen studenten precies; geven ze alleen feedback of helpen ze echt onderwijs te ontwikkelen? Hoe koppel je bovendien terug wat je met hun input doet? En hoe garandeer je dat ze vooraf goed weten wat ze mogen verwachten, zodat ze niet teleurgesteld raken en afhaken? Als je dit vooraf in kaart brengt heb je de meeste kans op succes. Studentbetrokkenheid gaat er dus niet alleen om dat je aan studenten de juiste vragen stelt. Je moet dat ook richting jezelf doen!
Shauna Plompen … is opleidingsmanager Dienstverlening, Zorg en Welzijn op ROC van Amsterdam | Flevoland. Was hier tot augustus 2022 docent Omgangskunde/Pedagogiek, Studentloopbaanbegeleider en Projectleider Fieldlab 2.0 (Hybride Onderwijs). Is daarnaast als eigenaar van Blijven Leren (www.blijvenleren.net) spreker en trainer/coach op het gebied van effectief lesgeven, waarbij zij het belang van studentbetrokkenheid onderstreept.
35
36
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
1.
KEN DE RELEVANTE VERSCHILLEN
Studenten verschillen op heel veel vlakken, maar niet alle verschillen zijn even relevant. Dit zijn degene waar je vooral op moet letten:
ZO DIFFERENTIEER JE IN DE KLAS Je betrekt studenten meer bij je lessen als je deze goed op hen laat aansluiten. Zo vergroot je de impact van je onderwijs. Studenten verschillen echter flink, dus ziet die aansluiting er lang niet altijd hetzelfde uit. Welke verschillen tussen studenten zijn het relevantst? En waar moet je precies op letten als je daarop probeert in te spelen; als je wilt ‘differentiëren in de klas’?
Beheersingsniveau Waar staat je student ten opzichte van zijn einddoel? Hoe dicht is hij bijvoorbeeld bij zijn beoogde ‘eindgedrag’? Of bij zijn nagestreefde ‘beheersingsniveau’ (de mate waarin hij bepaalde kennis of skills moet hebben aan het einde van een les of periode)?
2.
BEPAAL HOE JE DIFFERENTIEERT
Leervoorkeur Hoe leert je student het liefst? Wil hij de kunst bijvoorbeeld afkijken van anderen en dus leren van voorbeelden? Of oefent hij liever eerst zelf en leert hij graag van feedback? En wil hij zelfstandig kennis verwerken of vindt hij het fijner om dit in een groep te doen?
Belevingswereld Hoe kijkt je student naar de wereld en zijn eigen leven? Wat vindt hij leuk of stom, waar liggen zijn interesses of desinteresses en hoe wordt zijn perspectief gekleurd door zijn achtergrond (bijvoorbeeld zijn cultuur, gezin, woonplaats of wijk)?
Toekomstig werkveld Je studenten bereiden zich allemaal voor op hetzelfde beroep, maar niet per se op hetzelfde werkveld. In welk werkveld en welke (of welk soort) organisatie belandt je student? En wat moet hij kennen en kunnen in die specifieke context?
Je kunt op diverse manieren inspelen op de verschillen tussen studenten in je klas. Elk van die manieren kan hun succeservaringen opleveren en ze sluiten elkaar zeker niet uit. Je kunt ze dus combineren. Hieronder een aantal vormen van differentiatie:
Pas je instructie aan Sommige studenten kunnen al na een korte instructie van start, andere hebben net wat meer uitleg nodig. Ook het type instructie kan verschillen. Zo kun je een individuele instructie-met-voorbeeld geven – op papier, in een (online) leeromgeving of via een uitlegvideo. Maar je kunt ook kiezen voor een uitleg aan de hele klas. Of juist aan kleinere groepjes.
Pas het leertempo aan Sommige studenten hebben meer tijd en hulp nodig om iets te leren of verwerken. Die kun je bijvoorbeeld een extra huiswerk- of voorbereidende opdracht geven. Of je past de opdracht aan, bijvoorbeeld door meer tussenstappen toe te voegen. Andere studenten hoeven niet alle opdrachten te maken of kunnen zelf een planning bedenken voor hun opdrachten.
Pas de verwerking aan Geef je student een opdracht die goed past bij het niveau van kennis en skills dat hij op dat moment beheerst (een oefening die niet te moeilijk en zeker ook niet te makkelijk voor hem is), bij de manier waarop hij het liefste leert, bij zijn toekomstige werkveld en/of bij zijn belevingswereld. Laat hem eventueel ook zelf een uitdaging kiezen die bij hem past. Checklist differentiëren
Checklist differentiëren
37
38
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
Fijner is niet altijd beter Het is goed om rekening te houden met de leervoorkeuren van studenten. Maar dat betekent niet dat je hen alleen maar moet laten doen wat zij leuk vinden. Ook stappen die hun tegenstaan, zijn nodig om hun leerdoelen te halen. Als studenten alleen maar doen wat ze leuk vinden, blijven ze veelal in hun comfortzone; dan herhalen ze wat ze al beheersen. Zo kan iemand een hekel hebben aan het schrijven van een beschouwing. Maar de enige manier om een beschouwing te leren schrijven, is door dit te doen. Vragen stellen, fouten maken, feedback krijgen en verwerken; het is allemaal onderdeel van het leerproces.
3.
VERZAMEL DE JUISTE INFORMATIE
Je kunt alleen écht goed differentiëren als je per student alle benodigde informatie hebt. Dit betekent dat je idealiter: … een nulmeting houdt. Stel aan het begin van elke lesperiode vast wat bij elke student het beheersingsniveau, de leervoorkeur, het toekomstige werkveld en de belevingswereld zijn. Om dat beheersingsniveau te meten, kun je testen, quizzen of andere tools gebruiken. De andere vlakken vereisen dat je persoonlijk en geïnteresseerd contact maakt met je student en de informatie uit die gesprekken haalt. Besef dat iemands leervoorkeur, toekomstige werkveld en belevingswereld geregeld kunnen veranderen!
… monitort en bijstuurt. Houd per student bij hoe hij zich ontwikkelt. Zeker op het gebied van zijn beheersingsniveau, maar ook op de andere vlakken. Doordat je zijn ontwikkeling bijhoudt, kun je jouw aanpak op tijd bijsturen als dat nodig is. (Misschien heeft je student bijvoorbeeld extra opdrachten nodig, een aangepaste uitleg en/of een ander type oefeningen.) Door steeds te monitoren kun je dat op tijd doen. Online lesmateriaal dat zo’n monitorfunctie bevat, zoals eDition van ThiemeMeulenhoff (zie pagina 22), kan hierbij heel nuttig zijn.
4. … de vervolgstappen kent. Weet niet alleen welk soort kennis en vaardigheden je student nú nodig heeft. Weet ook wat hij straks moet kennen en kunnen, wanneer hij weer een stap dichter bij zijn leerdoelen staat. Wat heeft hij dán nodig aan theorie, beroepshouding, -visie- en vaardigheden, inclusief soft skills? Zorg dat je alles gereed hebt om hem die vervolgstappen te laten zetten en geef hem daar waar gewenst een inkijkje in. Zo is hij alvast een beetje voorbereid op het leertraject dat eraan komt.
VIND DE BALANS MET DE GROEP
Differentiatie richt zich vaak sterk op individuele studenten. Toch geef je geen privéles; je hebt te maken met een groep. Het is de kunst om te kijken hoe het ontwikkelplan van iedere afzonderlijke student past in je lessen voor die groep. Zo kun je besluiten om een deel van je les klassikaal te geven, omdat een bepaalde uitleg zowel qua inhoud als qua vorm bij ál je studenten past. Zie de verschillen in de klas ook als leerpotentieel. Studenten kunnen veel leren van leeftijdsgenoten die anders in het leven staan. Ze kunnen ook gebruikmaken van elkaars kennis en kunde. Sommige kennis en skills leren ze daarnaast het best aan via interactie, zoals in rollenspellen of duo-opdrachten.
Schoolvisie en teamwork Niet alleen de student is deel van een groep. Jij als docent bent dat ook. Jouw ‘groep’ is iedereen die meewerkt aan de opleiding van je studenten: van je collega-docenten tot de (stage)organisaties in het veld. De impact van differentiatie is groter als er tussen jullie eensgezindheid en samenwerking is. Als je school bijvoorbeeld een visie heeft waar differentiatie deel van uitmaakt, als er intern draagvlak is voor die visie en als er voldoende afstemming is tussen docenten over monitoring en begeleiding. Lukt het je om ook stageaanbieders mee te nemen in deze afstemming? Dan maakt dat je onderwijs nóg beter!
Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Shauna Plompen van www.blijvenleren.net. Lees haar column op pagina 34.
Checklist differentiëren
Checklist differentiëren
39
40
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
ALS EEN RAKET
Zijn er nog vragen? Nee? Dan gaan we aan de slag! Je twijfelt of je die ene brandende vraag nog stellen mag… Eigenlijk wil je het best graag weten Niet doen! Veel te dom!! zegt dat stemmetje in je hoofd héél verbeten Beter dus om die vraag snel te vergeten Waarom eigenlijk? Vraag je je in stilte af Was er maar iemand die je een bundeltje vertrouwen gaf Iemand die probeert je uit te dagen tot het stellen van domme vragen Een vlammetje ontwaakt Leren doe je als een raket als je ontdekt dat het afvuren van
Brigitte Veltman Projectleider Strategie & Business bij ThiemeMeulenhoff, dorpsdichter Barneveld
Gedicht
brandende vragen je extra aan het denken zet
Gedicht
41
42
Uit liefde voor het vak
Uit liefde voor het vak
Vondsten in de theorie
INSPIRATIE UIT HET HBO
“OF STUDENTENN GEMOTIVEERDER TIVEERDER ZIJN DEELNEMEN ALS ZE DEELNEME DEELNEM EN AAN EEN LEERNETWERK ? VAAK WEL!” De Open Universiteit doet al enkele jaren onderzoek naar ‘netwerkleren’ onder (aanstaande) leraren: de manier waarop zij in groepsverband een vraagstuk uit de praktijk proberen te begrijpen en op te lossen. Op dit moment focust dit onderzoek zich onder andere op studenten in deze ‘leernetwerken’. Hoe ervaren zij hun deelname bijvoorbeeld? En wat zijn succesfactoren? “Als je hun leernetwerk goed inricht en ondersteunt, is de kans groot dat studenten zich betrokken opstellen bij hun leerproces.”
“Kennisoverdracht van een docent aan een groep studenten. Dat is, naast stages, dé manier waarop lerarenopleidingen zorgen dat studenten zich professioneel ontwikkelen. Tot nu toe, tenminste. Want steeds meer opleidingen bieden ook ruimte aan netwerkleren.” Aan het woord is Emmy Vrieling-Teunter, universitair docent binnen de vakgroep Sociaal Leren aan de Open Universiteit. Zij doet al langere tijd onderzoek naar netwerkleren; van de vorming en toepassing tot de beleving en impact ervan. Sinds 2019 richt haar onderzoeksteam zich op hbo-studenten. “In het bijzonder studenten op pabo’s, de opleidingen voor basisschoolleerkrachten. Maar onze bevindingen kunnen eveneens interessant zijn voor andere hboopleidingen – én voor het mbo!”
Wat kenmerkt leernetwerken op pabo’s? Hoe kunnen deze Teacher Learning Groups (TLG’s) studenten het best vooruithelpen? En wat zijn de effecten van studentdeelname? “Met die vragen begonnen we ons onderzoek”, zegt Vrieling-Teunter. Hiervoor dook haar team eerst bestaande literatuur en research-resultaten in. Tijdens deze review werkten ze met de volgende definitie voor TLG’s: ‘Sociale configuraties waarin (aanstaande) leraren samen leren, resulterend in een verandering in cognitie en/of gedrag op het individuele en/of groepsniveau.’ In de eerdere studies vond het onderzoeksteam vijf karakteristieken (zie kader) die belangrijk zijn bij netwerkleren. Bijvoorbeeld het feit dat TLG-deelnemers – onder wie studenten – een visie en doelen delen.
Ontwerpprincipes
Gezamenlijke visie en doelen
•
Systematische aanpak
• • • •
Gezamenlijke verantwoordelijkheid en eigenaarschap
• • •
Bepaal gezamenlijke doelen (waaronder studentdoelen) die aansluiten bij de onderwijspraktijk Maak de gezamenlijke doelen zichtbaar Integreer netwerkleren in het curriculum van de lerarenopleiding Bepaal realistische doelen (waaronder studentdoelen) Monitor deze doelen, het bijbehorende leerproces en de leeropbrengst Zorg dat studenten hun werkplannen voor de start van het netwerk klaar hebben Zorg bij alle deelnemers voor bereidheid tot het actief delen van expertise Geef studenten mogelijkheden om hun werk te presenteren inclusief (peer)feedback Maak studenten ervan bewust dat netwerkleren een belangrijke competentie is (product en proces) binnen het portfolio
Diversiteit en gelijkwaardigheid
• • •
Zorg dat alle deelnemers zichzelf als lerende zien Bouw aan onderling vertrouwen Zorg voor een objectieve beoordelingsmethode van studenten
Onderliggende structuren, bronnen en rollen
•
Stimuleer de dialoog, autonomie en beslissingsruimte Modelleer vaardigheden voor samenwerking en communicatie Geef studenten de rol van ‘boundary crosser’ tussen theorie en praktijk
• •
Inspiratie uit het hbo
Per karakteristiek herleidde het team bovendien ‘ontwerpprincipes’: voorwaarden waaraan een leernetwerk moet voldoen om het studentwelzijn zo hoog mogelijk te krijgen). “Het is voor TLG-leden bijvoorbeeld belangrijk om de gedeelde visie en doelen duidelijk te formuleren”, vertelt Vrieling-Teunter. “En om tijdens het leerproces steeds te monitoren of de activiteiten nog wel bij die visie en doelen passen.” Aandacht voor deze ontwerpprincipes verhoogt studentenwelzijn en leidt tot positieve resultaten, zegt ze. “Zo groeit hun kennis over het onderzoeksonderwerp, evenals hun methodologische skillset, inzicht in de praktijk en bereidheid tot uitproberen. Ook hebben ze meer zelfvertrouwen, onder andere in hun vermogen om les te geven, en nemen hun reflectievaardigheden toe. Verder blijken er minder studenten en startende leerkrachten uit te vallen als ze hebben deelgenomen aan leernetwerken.”
Karakteristieken
•
43
Inspiratie uit het hbo
44
Uit liefde voor het vak
Vondsten in de praktijk
“Na de review hadden we het gevoel de TLG’s nog beter in kaart te kunnen brengen”, vertelt Vrieling-Teunter. “Bovendien wilden we ons onderzoek nuttiger maken voor opleidingen. Daarom besloten we succesfactoren te identificeren en hiervoor zelf het veld in te gaan.” Haar team startte in 2019 een samenwerking met vier pabo’s: de Marnix Academie in Utrecht, Thomas More Hogeschool in Rotterdam, Hogeschool iPABO in Amsterdam en Iselinge Hogeschool in Doetinchem. “Zij werkten toen allemaal al met leernetwerken”, zegt Vrieling-Teunter. “Van homogene TLG’s, met alleen studenten en een begeleidend docent, tot heterogene, met studenten, docenten, leerkrachten én onderzoekers.” In het veldonderzoek bekeek het onderzoeksteam drie dimensies van de TLG’s op de vier pabo’s. “Ten eerste praktijkintegratie: de manier waarop netwerkleden hun vraagstukken uit de beroepspraktijk halen en oplossingen toepassen ín die praktijk.” Het gaat dan om vraagstukken als: ‘Hoe ga je om met hoogbegaafde leerlingen?’ Of: ‘Hoe kun je met zelfgestuurd leren aan de slag?’ “Een andere dimensie is de doelgerichtheid van de netwerken; de oriëntatie op korte- én langetermijnoplossingen. En de derde dimensie betreft het gevoel van verbondenheid en gelijkwaardigheid tussen deelnemers.” Na de drie dimensies bij de TLG’s onderzocht te hebben, relateerde het onderzoeksteam de resultaten van dit onderzoek aan studentmotivatie. In het bijzonder aan de motivatiefactoren competentie, relatie en autonomie.
“Studenten ervaren in een leernetwerk met docenten, leerkrachten en onderzoekers meer uitdaging dan in een netwerk met alleen medestudenten”
Inspiratie uit het hbo
Uit liefde voor het vak
Zo kwam het team tot deze succesfactoren voor de begeleiding van studentleren in netwerken: 1.
Bied ze mogelijkheden om autonome inhoudelijke keuzes te maken.
2.
Zorg dat ze mogelijkheden krijgen om nieuwe kennis op te doen.
3.
Ondersteun hun ontwikkeling van sociale vaardigheden.
4. Bied ze mogelijkheden om aan persoonlijke doelen te werken. 5.
Bied ze autonome keuzes op het gebied van samenwerking.
6. Bouw het aanleren van netwerkvaardigheden stap voor stap op (‘scaffolding’). 7.
Creëer gelijkwaardigheid in een informele sfeer.
Vrieling-Teunter heeft nog meer adviezen. Bijvoorbeeld met betrekking tot het gevoel van gelijkwaardigheid. “Studenten bleken dat makkelijker bij medestudenten te vinden dan bij docenten of onderzoekers. Zoals ze bij peers ook sneller informeel contact ervaren, met herkenning, erkenning, ondersteuning en verbondenheid. In heterogene netwerken moeten leden meer hun best doen om diezelfde gevoelens en ervaringen te krijgen.” Studenten vinden het echter wel fijn dat zij leren omgaan met docenten, leerkrachten en onderzoekers, aldus Vrieling-Teunter. “En dat zij met hen ook meer nieuwe kennis opdoen en uitgedaagd worden dan met alleen medestudenten.” Motiveert netwerkleren hen meer dan andere leervormen? “Daar lijkt het wel op”, zegt Vrieling-Teunter. “Al verschilt het per leernetwerk. Wij zagen vooral gemotiveerde studenten in leernetwerken waar de praktijkintegratie en verbondenheid sterk zijn. Studenten doen beter en langer mee als ze de praktische relevantie zien van wat ze leren. En als ze een goede band of relatie voelen met de anderen in de TLG.”
45
“Leernetwerken kunnen uitval terugdringen”
“Haar leernetwerk was dé reden om aangehaakt te blijven”
“Teacher Learning Groups. Leerteams. Professional Learning Communities. Allemaal andere namen voor leernetwerken. Op Iselinge Hogeschool noemen we ze ‘werkplaatsen’ en zijn ze onderdeel van het project ‘de Academische Werkplaats’. In elk netwerk zoeken studenten, docenten, leerkrachten en onderzoekers samen oplossingen voor een praktijkvraagstuk. Maar dat is zeker niet het enige doel van de werkplaatsen. We willen ook dat ze bijdragen aan de professionele ontwikkeling van onze pabo-studenten. En dat ze de uitval onder studenten en startende leerkrachten terugdringen. Die uitval is groot. Studenten en starters stoppen veelal omdat ze zich alleen voelen; al vanaf het derde studiejaar hebben ze de indruk ‘losgetrokken’ te worden van hun opleiding en medestudenten, omdat ze dan vooral stages lopen. Zou hun deelname aan leernetwerken het gevoel versterken dat ze ergens bij horen? Zou die sensatie van verbondenheid hun motivatie verhogen om door te zetten? En zou hun kennismaking met netwerkleren hen stimuleren om na hun lerarenopleiding zélf een leernetwerk te vormen, zodat ze ook als startende leerkracht het gevoel hebben niet alleen te staan? Vooralsnog lijkt dit allemaal het geval te zijn. En dragen de werkplaatsen inderdaad sterk bij aan de professionele ontwikkeling van studenten. Daarbij blijken deze studenten niet alleen te leren, maar zelf ook zinvolle input te geven; ze zijn mede door hun nieuwsgierigheid en praktijkervaring waardevolle netwerkleden. Ook kunnen ze meer vrijheid en autonomie aan dan vaak van studenten gedacht wordt. De resultaten zijn zó goed dat we de Academische Werkplaats steeds verder uitbreiden. Waar we in 2016 begonnen met één werkplaats, hebben we er dit schooljaar al tien. En daarbij passen we direct geleerde lessen toe. Zoals het feit dat je in heterogene netwerken nét wat meer moeite moet doen om tussen studenten, docenten, leerkrachten en experts het vereiste gevoel van gelijkwaardigheid te creëren. Gelukkig slagen we daar goed in!”
“Hoe ervoeren pabo-studenten hun Teacher Learning Groups tijdens de corona-epidemie? En hoe functioneerden deze leernetwerken toen contact vooral online plaatsvond? Die vragen beantwoordde ik met mijn eindscriptie voor de master Onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit. Ik focuste daarbij op pabo’s in het onderzoek van Emmy Vrieling-Teunter, mijn scriptiebegeleidster. Studenten vertelden me onder meer dat ze weinig zagen in een TLG-bijeenkomst waarbij sommigen fysiek en anderen online aanwezig waren. Die scheiding tastte volgens hen de gedeelde identiteit en verbondenheid aan. Dan nog liever iedereen online, ook al is het online lastiger om de informele sfeer te krijgen die verbondenheid en gelijkwaardigheid stimuleert. Fysiek zijn er automatisch momenten om met elkaar te kletsen; online moet je die momenten bewust creëren. Bij sommige TLG’s liep het leer- en onderzoeksproces online uitstekend door in coronatijd. Leden van deze TLG’s hadden vooraf hun doelen scherp geformuleerd. En ze hadden helder besproken hoe ze hun onderzoeksactiviteiten gingen vormgeven om die doelen te halen. Dit is belangrijk om te weten voor opleidingen die meer online willen doen: je kunt bijna alles bereiken in online leer- en onderzoeksprocessen, als je maar goed nadenkt hoe je deze inricht. Sommige leernetwerken bleken ook de leermotivatie te versterken. In het bijzonder als studenten er autonomie, verbondenheid en competentie voelden. Bijvoorbeeld doordat ze mochten meedenken over hun deadlines en beoordeling. Of doordat ze via de TLG de ondersteuning, planning en structuur vonden om nieuwe kennis op te doen. Ook was er een studente die geen energie meer kreeg van al het online onderwijs, behalve van haar TLG. Alleen in deze groep voelde ze nog verbondenheid. En alleen daardoor bleef ze aangehaakt bij haar opleiding.”
Rosanne Hebing Docent-onderzoeker en projectleider van de Academische Werkplaats op Iselinge Hogeschool
Ann De Vocht Zorgcoördinator, beleidsondersteuner en leerkracht gelijke onderwijskansen op basisschool Sint-Ursula Lisp in Lier (België)
Inspiratie uit het hbo
46
Uit liefde voor het vak
PASSEND ONDERWIJS IN HET MBO
Uit liefde voor het vak
bij je zoektocht. Alleen zo kom je achter hun specifieke behoeften.” Die studentbetrokkenheid – waarbij je niet zozeer óver als wel mét de student praat – noemt hij “essentieel”. Ingrid: “We gaan daarnaast uit van de determinatietheorie. Die stelt dat iedereen een gevoel van autonomie, verbinding en competentie nodig heeft om zich optimaal te ontwikkelen; om de motivatie te voelen om mee te doen en niet af te haken. Studenten voelen bijvoorbeeld autonomie als je ze betrekt bij besluitvorming op school. Of als je aangeeft wat er per periode moet gebeuren en hen zelf laat beslissen hoe snel ze door de lesstof gaan.”
Steviger duwtje Er waren al meerdere boeken over ‘handelingsgericht werken’ (HGW). Maar geen ervan was gericht op het mbo. Tot Erik van Meersbergen en Ingrid Ketelaar er een schreven. Ze noemen HGW een “op bewezen praktijken gebaseerd kader” om in het mbo tot passend onderwijs te komen, de ontwikkeling van studenten te stimuleren en vroegtijdige schoolverlating terug te dringen. “Studentbetrokkenheid speelt hierbij een essentiële rol.” In hun boek Passend onderwijs in het mbo geven de auteurs niet alleen een duidelijke uitleg van HGW, maar ook beproefde hulpmiddelen, onderbouwde tips en herkenbare praktijkvoorbeelden. “Het eerste deel richt zich op mbo-docenten en -begeleiders”, vertelt Erik. “Zij krijgen handvatten om te voldoen aan de onderwijs- en ontwikkelingsbehoeften van studenten.” Vervolgens verschuift de aandacht van het boek naar mbo-opleidingsteams en -schoolorganisaties. “Zij krijgen ook handvatten, maar dan voor de ondersteuning van docenten en begeleiders.” De laatste hoofdstukken van het boek geven tips en hulpmiddelen om passend onderwijs te integreren in opleidingen, uit te bouwen en te onderhouden.
Vragen stellen
“In HGW staan de onderwijsbehoeften van studenten op de eerste plek”, zegt Erik. “Je moet als docent of begeleider dus rekening houden met wat zij nodig hebben, willen en belangrijk vinden. Dat dien je te ontdekken.” Het boek helpt hierbij. Ingrid: “We delen veel kennis over de mbo-student. Bijvoorbeeld hoe zij zich ontwikkelen, welk gedrag ze vertonen en hoe je daar als docent of begeleider het best mee om kunt gaan.” Toch is theoretische kennis niet genoeg, vult Erik aan. “Je moet je eigen studenten vragen stellen, leren kennen, betrekken Boekentips
Ingrid noemt het ook belangrijk om als docent of begeleider te investeren in een goede relatie met studenten. Om “emotionele en cognitieve betrokkenheid te creëren”. Erik onderstreept dit. “Als docent of begeleider leer je hen dan beter kennen, waardoor je je aanpak makkelijker op hun onderwijsbehoeften afstemt. En zij voelen zich veilig, gezien en gewaardeerd, waardoor ze meer van je aannemen en sneller meedoen. Jouw investering in jullie relatie stelt je in staat om hen meer bij je les te betrekken. Daardoor kun je studenten meer succeservaringen bieden en ze een steviger duwtje in de rug geven.” Meer weten over passend onderwijs, studentbetrokkenheid en Passend onderwijs in het mbo (ISBN 978-94-9126920-2)? Lees het uitgebreidere interview met Erik en Ingrid op www.thiememeulenhoff.nl/passend-onderwijs
DIT BOEK WINNEN? → Doe mee aan de
47
BOEKENTIPS
EAN 9789401404884 (Lannoo Campus)
Geef die kennis even door! … is een warm pleidooi voor verbe-tering en professionalisering op het mbo. Auteur en Leraar van het Jaar Susanne Winnubst stelt dat middelbaar beroepsonderwijs meer kan én moet zijn dan alleen het ‘even’ doorgeven van kennis. Zo benadrukt ze onder andere hoe belangrijk het is dat docenten en studenten een goede relatie hebben. En dat opleidingen het beroepsveld betrekken bij onderwijs. Tegelijkertijd behandelt ze de vele meningen en (voor-) oordelen over het mbo – en pareert ze die waar nodig. Dat doet ze zowel aan de hand van soms hilarische praktijkvoorbeelden als met verwijzingen naar haar eigen ervaringen met gezagsdragers en beleidsmakers binnen het mbo. Dit boek, vol portretten van mbo-docenten en -leerlingen, is een aanrader voor huidige en toekomstige mbo-docenten, zij-instromers, bestuurders, beleidsmakers en alle anderen die het mbo een warm hart toedragen.
EAN 9789400404311 (Thomas Rap)
Wie heeft er wél een boek bij zich? … is een openhartig, geestig en ontroerend verslag van een jonge leraar die zich begeeft in het oog van de storm: voor de klas op een ROC in de Randstad. Zo vertelt hij onder andere hoe zijn nieuwe collega’s hem moed inpraten (“Je moet het nooit persoonlijk opnemen!”, “Je moet Hakim apart zetten!” “Ga nooit met Sharyselle in discussie, want dan ben je verloren!”, “Is er iets? Bel dan gewoon de beveiliging!”). Auteur Johan Goossens was winnaar van het Groninger Studenten Cabaret Festival en kreeg veel lof voor zijn cabaretvoorstellingen, zoals ‘A-Boom’, ‘Leer mij de mensen kennen’, ‘Daglicht’ en het huidige ‘Kleine Pijntjes’. Eerder verschenen zijn ervaringen in de klas als veelgeprezen columns in Het Parool.
EAN 9789026356681 (ambo I anthos)
Die ene leerling … staat vol aandoenlijke, opwekkende en aangrijpende verhalen. Docenten vertellen over die ene leerling die hun kijk op het onderwijs voor altijd veranderde. Van het meisje dat ’s avonds bij haar docent aanbelde, de knul met het mes en de vent die in het lokaal deradicaliseerde, tot de jongen die tóch het voordeel van de twijfel kreeg en de leerling die liever bij zijn docent wilde wonen dan thuis. Ook vertellen de docenten over hun dilemma’s, twijfels, fouten en geleerde lessen. Wat zijn ze anders gaan doen nadat ze die ene leerling in de klas hadden gehad? Hun verhalen nemen je als lezer mee het klaslokaal in, waarvan de deur meestal gesloten blijft. Ze tonen waar het in het onderwijs uiteindelijk om gaat: de band tussen leraar en leerling.
puzzelwedstrijd op pagina 10 – 13!
Boekentips
ge kt z i j n l a n g
r jij van his t or isch
nin
ge
a
ISBN 9781111279639
e
le
de n? ThiemeMeulenhoff en het Rijksmuseum hebben samen een nieuwe reeks posters gemaakt. Steeds staat een kunstwerk uit het Rijksmuseum centraal. Spoken Word Artist Rachel Rumai maakte bij ieder kunstwerk een prikkelende Spoken-Word-tekst. Op de posters staat een deel van deze tekst, waarmee je studenten aan het denken kunt zetten. Door de QR-code te scannen kunnen ze de volledige Spoken-Word-tekst bekijken én de poster downloaden. Je ontvangt automatisch een poster als je bij ons beoordelingsmateriaal aanvraagt!
e ove r win
n die g e m a a
lee
ute
t
fo
Klik hier voor de volledige Spoken-Word-tekst!
n? eve di e chr ensen ges Ken jij de m ben is heb
geschieden
Rachel Rumai schreef deze tekst bij Portret van een Afrikaanse man (Christophe le More?) (ca. 1525 - 1530) van Jan Jansz Mostaert.
n
W
n