Skip to main content

Mbo-magazine 'Uit liefde voor het vak' #4 - Hoe maak je onderwijs echt inclusief?

Page 1


Uit liefde voor het

Hoe maak je onderwijs écht inclusief?

Eerst even dit

Onlangs raakte ik tijdens een schoolbezoek in gesprek met een opleidingscoördinator. Ons gesprek ging niet over toetsen, kwalificatiedossiers of leerlijnen. Het ging over het belang van verbinding maken met een groep waarin van alles speelt. Over een extra oogje in het zeil houden bij iemand met een complexe thuissituatie. En over het vinden van een passende aanpak voor iedere student.

Lopend door de gangen zag ik wat ze bedoelde. Een student die aan een verlaagde tafel zat in zijn rolstoel. Iemand die individueel extra uitleg kreeg. En een docent die na de les nog even met een student bleef napraten. Het onderstreepte voor mij hoe belangrijk het is dat docenten oog hebben voor hun studenten. Voor hun verhaal en voor wat zij nodig hebben.

Die middag was voor mij opnieuw een bevestiging: docent zijn is vakmanschap. Ook zag ik hoe uitdagend het is om elke dag recht te doen aan al die verschillen tussen studenten — in achtergrond, niveau, tempo, talent en ondersteuningsbehoefte. Docenten willen inclusief werken, maar weten niet altijd hoe ze daar in de praktijk vorm aan kunnen geven.

Met dit magazine willen we je hiervoor diverse perspectieven aanreiken — van collega­docenten, studenten, auteurs en andere experts. Geen theorie op afstand, maar voorbeelden uit de praktijk en ideeën om uit te proberen in de klas. Inclusief onderwijs vraagt om inzet van iedereen die eraan kan bijdragen: van docenten, studenten en bestuurders tot uitgevers als wij.

Ook in het lesmateriaal waarmee studenten werken, moeten verschillende achtergronden, ervaringen en perspectieven zichtbaar zijn. Bij ThiemeMeulenhoff werken we daaraan, zodat studenten zich in het materiaal herkennen en kunnen denken: “Dit gaat óók over mij.”

Ik hoop dat dit magazine je inspireert en nieuwe handvatten biedt. Want inclusief onderwijs begint niet op papier. Het begint in de praktijk, waar jij het verschil kunt maken.

Wat werkt voor kansengelijkheid?

Wat onderzoek laat zien over beleid en praktijk in het mbo.

Inhoud

“Studenten horen aan tafel”

De Praktijk aan het Woord

Activisme in de klas

Waarom je maatschappelijke thema’s niet kunt vermijden.

Eerst de basis op orde

Hoe een startersklas studenten voorbereidt op hun opleiding.

Verder...

09 Karim Amghar

14 Meiden in techniek en IT

18 Lerend kwalificeren

12

TEST JEZELF

Hoe inclusief denk jij als mbo-docent?

Colofon

Uitgave van: ThiemeMeulenhoff

Eindredactie: Ruth Buijvoets, Kim Arbman

Teksten: Jens Middel (tenzij anders vermeld)

Ontwerp: FELT creative agency

Gedrukt op 100% recycled en FSC-gecertificeerd papier. Geproduceerd zonder chloor en optische witmakers.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomati-

20 Column

21 Puzzel & win

23 Hulp bij geldzorgen

28 Mbo’ers maken kunst

32 Inclusie-expert Farah Ramezani

40 Mediatips

42 ECIO over inclusief onderwijs

45 Gedicht

48 Inclusie in lesmateriaal

51 Test: de antwoorden

seerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Copyright © 2026 ThiemeMeulenhoff

Foto cover © f.t.Photographer / Shutterstock.com

Onderzoek naar

kansenongelijkheid in het mbo

“De docent maakt vaak het verschil”

Veel mbo-studenten presteren onder hun niveau of vallen uit. Vaak hebben zij genoeg talent en inzet, maar struikelen ze over drempels die er niet zouden mogen zijn — van lesmateriaal niet kunnen betalen tot onvoldoende hulp bij stages. De overheid investeert al jaren in het bestrijden van zulke kansenongelijkheid. Maar levert dat voldoende op? En zo niet: wat werkt wél? De Algemene Rekenkamer onderzocht het.

Waarom dit onderzoek belangrijk is “Het is essentieel dat mbo-studenten alles uit hun opleiding kunnen halen — dat ze daar de kans toe krijgen. Niet alleen voor hun eigen geluk en welzijn, maar ook voor de toekomst van Nederland.” Aan het woord is Egbert Jongsma, die bij de Algemene Rekenkamer leiding gaf aan het meerjarige onderzoek naar kansenongelijkheid in het mbo. “Veel Nederlanders kregen het belang van mbo’ers misschien pas écht door tijdens de coronaperiode, de tijd waarin wij ons onderzoek startten. Want het werd toen heel duidelijk dat onze maatschappij het zonder deze groep niet zou redden. Van zorg en logistiek tot beveiliging en food — Nederland heeft goed geschoolde mbo’ers nodig om te blijven draaien.”

De maatschappelijke relevantie van het mbo zit hem daarnaast in de hoeveelheid studenten, benadrukt Jongsma. “Tijdens ons onderzoek ging het om gemiddeld een half miljoen studenten per jaar: een enorme hoeveelheid.” Dit rechtvaardigde op zichzelf al een studie naar kansenongelijkheid in het mbo. “Maar dat wij ermee begonnen, kwam in het bijzonder doordat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) al jarenlang heel veel belastinggeld steekt in het bestrijden van die ongelijkheid. Als Rekenkamer wilden wij weten wat deze investering oplevert. Neemt de kansengelijkheid toe? En zo niet: wat moet er gebeuren voor die stijging? Daar geeft ons eindrapport uit 2024 antwoord op.”

“Studenten met een migratieachtergrond of ouders met een lager opleidingsniveau lopen meer risico op hindernissen in het mbo”

Geld voor kansengelijkheid in het mbo

Het mbo kreeg in de periode 2019 –2022 € 1,6 miljard extra vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dat bedrag was onder andere bedoeld om kansenongelijkheid tegen te gaan — bijvoorbeeld door leerachterstanden van studenten te verkleinen. In de periode 2023–2027 krijgt het mbo € 3,8 miljard extra voor kwaliteitsverbetering, waarvan naar schatting € 1 miljard bedoeld is voor gelijke kansen. Dit thema staat dus duidelijk op het vizier van de minister.

Hoe de rekenkamer onderzoek deed

Het eindrapport (‘Op weg naar gelijke kansen in het middelbaar beroepsonderwijs’) start niet met de vraag óf er kansenongelijkheid is in het mbo. “We wisten al dat die er was, onder meer dankzij eerdere studies en meldingen uit het onderwijsveld. Wij onderzochten of kansenongelijkheid was afgenomen. En daarna wat kansenongelijkheid veroorzaakte, zodat we misschien oplossingsrichtingen konden vinden.” Daarvoor combineerde de Rekenkamer data-analyses met interviews, een primeur in Nederlandse studies naar dit thema. “Onze analyse focuste op DUO-data over instroom, doorstroom, uitval en diplomering door de jaren heen. We zagen dat die gegevens samenhingen met bepaalde studentenkenmerken, zoals migratieachtergrond en lager opleidingsniveau van ouders.”

Studenten met dit soort kenmerken lopen dus meer risico op hindernissen in het mbo. Om te achterhalen hoe dat komt, moest de Rekenkamer de praktijk onderzoeken. “We voerden gesprekken op zeven mbo-scholen — met tientallen studenten, docenten, opleidingsteams,

zorgcoördinatoren, beleidsmedewerkers, bestuurders en stagebedrijven. Zo zagen we voorbeelden van hoe studenten discriminatie ervaren, impactvolle thuissituaties soms onzichtbaar blijven en begeleiding verschilt per opleidingsteam en docent. Sommige studenten komen bijvoorbeeld in de knoop met het volgen van lessen of hun stage, omdat ze geld moeten verdienen via een bijbaan of voor kinderen moeten zorgen. Als geen rekening wordt gehouden met zulke privésituaties, dan ontstaat het risico dat ze uitvallen.”

Stel: er is kansengelijkheid in het mbo

Dan behalen studenten niet per se allemaal dezelfde resultaten. Maar ze krijgen dan wél allemaal dezelfde mogelijkheden om alles uit hun studie te halen. Dus om bijvoorbeeld in te stromen in een opleiding op hun niveau, daarin naar vermogen te presteren, de opleiding af te ronden en eventueel een vervolgstudie te doen. Als er kansengelijkheid is, zijn talent en inzet het enige wat verschil maakt. Andere factoren (zoals thuissituatie, financiële problemen, culturele achtergrond of neuroprofiel) beïnvloeden dan niet de leermogelijkheden van studenten.

Wat vooral leidt tot lagere kansen

De Rekenkamer kon niet vaststellen dat de kansengelijkheid in het mbo is toegenomen — ondanks alle investeringen van de overheid. “Wel zagen we een aantal duidelijke patronen”, vertelt Jongsma. “Zo speelt armoede een grote rol in kansengelijkheid. Heel wat studenten hebben bijvoorbeeld niet genoeg geld voor vervoer naar bepaalde stageplekken, voor educatieve uitstapjes of voor materialen als boeken en beroepskleding. Soms kunnen ze deze materialen met hulp later wel aanschaffen, maar dan zijn er al maanden voorbij.” Dit kan volgens de Rekenkamer leiden tot een vroege achterstand die moeilijk in te halen is, een deuk in de motivatie en lagere prestaties. Bovendien slokt geldstress vaak aandacht en energie op — ook niet bevorderlijk voor het leren.

“Een ander patroon dat uit de gesprekken naar voren kwam, is onderschatting”, zegt Jongsma. “We ontdekten dat sommige studenten in het basis- of voortgezet onderwijs lager zijn ingeschat dan hun daadwerkelijke

capaciteiten. En zo’n verkeerde inschatting kan een leven lang doorwerken: het beperkt de ontwikkelkansen tijdens de onderwijsloopbaan en beïnvloedt welke vervolgstudies, banen en doorgroeimogelijkheden binnen bereik zijn.” De Rekenkamer stelde ook vast dat veel studenten zich gewaardeerd en gezien voelen op het mbo, zeker in vergelijking met het basis- en voortgezet onderwijs. Studenten zijn daarnaast positief over maatregelen die de minister heeft genomen om de toegang van mbo’ers tot studiefinanciering en het studentenreisproduct makkelijker te maken.

Wat is de Algemene Rekenkamer precies?

Een onafhankelijke instelling die onderzoekt of de Rijksoverheid publiek geld rechtmatig, doelmatig en doeltreffend besteedt. Zij ondersteunt het parlement door inzicht te geven in wat werkt in landelijk overheidsbeleid, wat niet en waar het beter kan. Bijvoorbeeld in de vraag of het beleid van het ministerie van OCW daadwerkelijk bijdraagt aan gelijke kansen in het mbo.

Wat nodig is voor gelijke kansen

Kansenongelijkheid ontstaat niet doordat af en toe iemand een verkeerde inschatting maakt. Het is volgens de Rekenkamer een mbo-breed probleem, omdat de hulp en ondersteuning die studenten krijgen nu te afhankelijk is van onderwijsteams of individuele docenten en mentoren. Om gelijke kansen te krijgen, moet er iets veranderen in de wijze waarop studenten worden gezien en geholpen. Hoe? “Eén van onze adviezen is om als school of opleidingsteam met je studenten in gesprek te gaan en te ontdekken welke drempels zij ervaren. Vervolgens is het belangrijk om als school te bepalen wat je kúnt doen om die drempels te verlagen en wat je hier minimaal voor gáát doen. Dan weten studenten waar ze op mogen rekenen en is dat voor alle studenten gelijk.”

Ook in het beleid van OCW ziet de Rekenkamer structurele oorzaken. “De minister heeft te weinig zicht op wat werkt om kansengelijkheid te vergroten”, zegt Jongsma. “Landelijke doelen zijn te algemeen geformuleerd en dan is monitoring lastig, want: waar moet men precies op letten? Er gaat dus wel veel geld naar kansengelijkheid,

“Als studenten onderschat worden, kan dat hun kansen een leven lang beperken”

maar het is voor OCW heel moeilijk om te zien welke maatregelen precies effect hebben en welke niet, om bij te sturen en om uitgaven goed te verantwoorden.

Ook mbo-instellingen zelf vinden dat trouwens lastig.”

Het zou volgens de Rekenkamer helpen als de minister duidelijk maakt wat elke student in Nederland minimaal mag verwachten aan ondersteuning voor gelijke kansen.

“Dan kun je dát in elk geval in de gaten houden.”

Kleine aanpassingen, grote impact

Systeemaanpassingen hoeven niet per se groot of complex te zijn om effect te hebben. De zeven scholen die de Algemene Rekenkamer sprak (en die in het rapport anoniem blijven), lieten zien dat ook kleine keuzes een groot verschil kunnen maken. Soms gaat het om oplossingen die vanzelfsprekend lijken, maar toch pas kort geleden ingevoerd zijn — en zeker nog niet overal.

Zo kreeg één school op basis van het onderzoek door dat haar studenten soms boeken moesten kopen die nooit gebruikt werden. Sommigen hadden hierdoor geen geld over voor lesmateriaal dat ze wél moesten gebruiken.

Deze school verplichtte haar opleidingsteams daarna om alleen nog leermiddelen voor te schrijven die echt nodig waren en daarbij op de kosten te letten.

Een ander voorbeeld is een mbo-instelling die een startersklas heeft voor studenten met achterstanden in bijvoorbeeld taal. Hierin krijgen deze studenten nu enkele maanden extra taalondersteuning en begeleiding, voordat zij instromen in het reguliere programma. Met deze startersklas wil de mbo-instelling verschillen bij instroom verkleinen en studenten met achterstanden een eerlijker begin bieden.

Wat je als docent kunt doen

De strijd tegen kansenongelijkheid vereist structurele aanpassingen. Maar dat betekent niet dat individuen machteloos staan. Want voor betekenisvolle veranderingen zijn individuen nodig. “Uit de gesprekken die we gevoerd hebben, blijkt dat docenten een directe en vaak onderschatte invloed hebben op gelijke kansen. Veel studenten noemden één docent of mentor die echt het verschil heeft gemaakt door oprechte interesse te tonen in hun situatie en ambities.” Basale maar krachtige interventies van docenten zijn belangrijk. “Denk aan doorvragen wanneer gedrag verandert, verwachtingen helder uitspreken en proactief onderzoeken of materiële drempels het leren belemmeren.”

“Als begeleider of docent moet je alert zijn op kleine signalen en op tijd peilen of er iets aan de hand is”

Binnen opleidingsteams kunnen docenten bovendien aansturen op consequente samenwerking en aandacht voor kansengelijkheid. “Zo wordt ondersteuning minder afhankelijk van welke docent of begeleider een student toevallig voor zich heeft.” Verder helpt het volgens Jongsma als docenten goed contact houden met stagebedrijven én stagiairs. “Door korte lijnen pik je sneller signalen op en kun je gerichter doorvragen, zowel over wat goed gaat als over wat moeizaam loopt. Als docent kun je problemen dan eerder in beeld krijgen en tijdig ingrijpen.” Veel studenten durven problemen op stage — zoals onderschatting of onveilige situaties — niet zelf te melden, vertelt hij. “De machtsongelijkheid met hun werkgever voelt daarvoor te groot.”

Sowieso blijkt volgens de Rekenkamer dat studenten de drempels die zij ervaren in hun opleiding vaak lang verborgen houden. Dat kan uit schaamte zijn, maar bijvoorbeeld ook omdat ze niemand willen belasten. Of omdat ze niet weten hoe ze het op tafel moeten leggen. Juist daarom is het cruciaal dat begeleiders en docenten alert zijn op kleine signalen, zoals veranderend gedrag, verminderde inzet of onverklaarbare afwezigheid. En dat zij bij de student peilen wat er aan de hand is. “Als niemand doorvraagt, komen drempels pas in beeld wanneer het eigenlijk al misgaat. Het begint bij aandacht en interesse. De docent die studenten ziet, komt dichter bij hen. En wie dichtbij is, kan het verschil maken.”

MEER WETEN?

Lees het volledige onderzoeksrapport! Je kunt ‘Op weg naar gelijke kansen in het middelbaar beroepsonderwijs’ gratis downloaden via de website van de Algemene Rekenkamer: rekenkamer.nl/documenten.

Karim Amghar is mbo-docent, schrijver, presentator en spreker. Hij schrijft over onderwijs, kansengelijkheid, inclusie en burgerschap voor onder meer Trouw en de Correspondent. Daarnaast adviseert hij overheden over onderwijsvernieuwing. Hij is bestuurslid van het Nationaal

Interview “Kansengelijkheid vraagt om ongelijke maatregelen”

Nederland investeert al jaren miljarden euro’s om kansenongelijkheid in het mbo te bestrijden. Zonder aantoonbaar effect, bleek uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Karim Amghar — mbo-docent, programmamaker en schrijver over onderwijs — vertelt waar het volgens hem misgaat. “Je moet niet in elke student hetzelfde investeren. Juist die reflex houdt ongelijkheid in stand.”

Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving (NEWS) en voormalig voorzitter van de Werkagenda MBO. Amghar schreef meerdere boeken over kansengelijkheid — van ‘Hoor mij, zie mij!’ tot ‘Maar dat begrijp jij toch niet’, waarin hij onder meer zijn eigen ervaring als mbo-student verwerkt.

“Dat onderzoek van de Rekenkamer is het meest recente naar kansengelijkheid in het mbo. Ik las het rapport toen het in 2024 uitkwam, herkende veel van wat erin staat en waardeerde de genuanceerdheid. De Rekenkamer trekt geen harde conclusies als ‘het beleid van de minister heeft geen effect gehad’ of ‘het was een succes’. Ze zegt: ‘We weten niet precies wat de impact is geweest.’ Omdat er in de sector niet helder is afgesproken wat iedereen onder ‘kansengelijkheid’ verstaat of hoe die gemeten moet worden. Daardoor wordt beleid al snel stuurloos.”

Betekenisvol meten

“Als ik met mensen op roc’s spreek, hoor ik minder nuance. Besturen, docenten en studenten hebben het gevoel dat de kansenkloof eerder groter wordt dan kleiner. Ze zien de goede bedoelingen van de overheid en haar enorme investeringen in programma’s en impulsen. Maar in de praktijk ervaren ze weinig of geen structurele verandering. Ook voor hen is het belangrijk te weten of die verandering er écht niet is of toch wel, al is het maar een beetje, en welke maatregelen bewezen werken of niet.

Voor die duidelijkheid is meten cruciaal, vind ik: waar stonden we, waar staan we nu, wat is het verschil? Het is niet genoeg om daar alleen cijfers voor te gebruiken. Je moet ook luisteren naar studenten, docenten en scholen. Wat betekent beleid concreet voor hen? Wat merken zij ervan? Die betekenisvolle combinatie van data en ervaringsverhalen is zeldzaam in onderwijsonderzoeken, maar komt wel terug in het Rekenkamerrapport. Wat mij betreft wordt het vanaf nu de norm.”

Ongelijk investeren

“Laten we verder niet langer doen alsof gelijk investeren leidt tot gelijke kansen. De tendens is nu om aan elke mbo-student hetzelfde

uit te geven alsof dat het eerlijkst is. Maar sommigen moeten juist meer krijgen dan anderen, anders groeit de kloof alleen maar. Als je als student uit een midden- of hogere inkomensgroep komt, is de kans groter dat je ouders kunnen investeren in je geestelijke en emotionele ontwikkeling. Ze hebben vaker voldoende geld, kennis, onderwijservaring en netwerken om je die basis te bieden.

Ze zorgen bijvoorbeeld dat je geregeld naar musea en theater gaat, sport, gezond eet en een rustige studeerplek hebt. Dat je naast een laptop ook hulp krijgt bij studeren en het vinden van een stage. En dat je taalrijke gesprekken met hen voert waarin je leert te argumenteren en kritisch te denken. Zo krijg je een basis waarop extra investeringen sneller renderen. Een basis die vaak ontbreekt als je uit lagere inkomensgroepen komt — uit een klasse waar gebrek aan geld, ruimte en steun aan de orde van de dag zijn.”

Beter ondersteunen

“Gelijke investeringen verklaren volgens mij grotendeels waarom kansenongelijkheid nog altijd bestaat. Maar het is niet de enige oorzaak. De Rekenkamer noemt

“Ze zien de goede bedoelingen van de overheid en haar enorme investeringen in programma’s en impulsen. Maar in de praktijk ervaren ze weinig of geen structurele verandering.”

meerdere andere verklaringen. Daarvan springen er voor mij enkele uit. Bijvoorbeeld dat projecten voor kansengelijkheid vaak maar twee of drie jaar duren en dan geen vervolg krijgen. Denk aan pilots met extra onderwijsassistenten. Met zo’n korte looptijd wordt het lastig om structurele effecten te zien. Daar is eerder een jaar of twaalf voor nodig.

De Rekenkamer noemt ook dat begeleiding en ondersteuning sterk kunnen verschillen per student.

Dat sluit aan op wat ik zelf zie: dat de onderwijs- en stagekwaliteit lang niet overal hetzelfde is. Stagebegeleiding laat vaak te wensen over en zo’n 60 procent van de stages wordt niet vergoed, mede omdat vergoeding niet in elke sector verplicht is. Voor studenten uit minder rijke gezinnen is dat een extra groot nadeel: zij moeten vaak betaald werk naast hun stage doen. Dat kan ten koste gaan van hun energie en studieprestaties.”

“Ook het gedrag van schoolpersoneel is essentieel voor motivatie. Zeg als docent bijvoorbeeld nooit

dat studenten

‘maar’ op het mbo zitten of geen denkers zijn — alsof praktisch onderwijs minder waard is en mbo’ers dom zijn.”

Gericht compenseren

“Scholen kunnen de grote gelijkmaker zijn. De eerste stap is te analyseren wat individuele studenten missen. Dat kan begeleiding zijn op stage of school. Maar bijvoorbeeld ook rust, voeding, cultuur of een laptop. Scholen die deze ‘gaten’ gericht vullen, verkleinen de verschillen tussen studenten. Neem avondprogramma’s als Albeda Night: die maken van school een veilige plek na lestijd, met huiswerkbegeleiding, ontspanning en gezonde maaltijden. Heel belangrijk voor studenten die dit soort dingen thuis missen.

Andere scholen zorgen dat studenten die weinig te besteden hebben toch mee kunnen doen met culturele activiteiten. Denk aan

bezoekjes aan musea of theaters. Daarvoor zoeken ze vaak samenwerking met organisaties die zich medeverantwoordelijk voelen voor de voorbereiding van studenten op de maatschappij van gemeenten en bedrijven tot bibliotheken en jongerenwerk. Studenten voelen zich door hun deelname gezien. En dat vergroot hun motivatie voor school.”

Prestaties verwachten

“Ook het gedrag van schoolpersoneel is essentieel voor motivatie. Zeg als docent bijvoorbeeld nooit dat studenten ‘maar’ op het mbo zitten, ‘slechts’ mbo-1, -2 of -3 doen of geen denkers zijn alsof praktisch onderwijs minder waard is en mbo’ers dom zijn. Laat juist zien dat je hoge verwachtingen van hen hebt, zeker ook van degenen met een achterstand. En bereid je lessen voor op Champions League-niveau. Studenten voelen feilloos aan of je hen serieus neemt. En als zij voelen dat ze ertoe doen, groeien ze harder. Dat zie ik keer op keer terug in het mbo.”

MEER WETEN?

Luister naar het interview met Karim Amghar in de podcast ‘Uit liefde voor het vak’ (thiememeulenhoff.nl/podcast-bo). Voorbeelden van mbo-instellingen die kansengelijkheid bevorderen vind je op pagina’s 18, 23, 34 en 46. Meer weten over het rapport van de Rekenkamer? Lees het interview op pagina 4.

Test jezelf

Hoe inclusief denk jij als mbo-docent?

Hoe jij denkt bepaalt voor een flink deel hoe inclusief jouw onderwijs is. Deze quiz laat zien hoe jouw ideeën, aannames en keuzes doorwerken in de klas. Wat draagt bij aan gelijke kansen — en wat niet?

VRAAG 1  Wat betekent ‘inclusie in het mbo’?

A Dat de overheid miljarden euro’s investeert in kansengelijkheid tussen mbo-studenten.

B Dat er veel verschillen zijn tussen deze studenten.

C Dat hun verschillen structureel worden erkend én meegenomen in het mbo.

D Dat ook studenten uit minderheidsgroepen welkom zijn, als ze zich maar aanpassen.

VRAAG 2  Is het voor kansengelijkheid verstandig om elke student evenveel extra ondersteuning te bieden?

A Ja natuurlijk: alleen als je alle studenten dezelfde aandacht geeft, hebben ze evenveel kansen en voelen ze zich ook gelijk.

B Nee, want niet iedereen heeft dezelfde startpositie. Studenten met een achterstand hebben vaak meer ondersteuning nodig om gelijke kansen te krijgen.

C Ja, want anders moet je ondersteuning gaan differentiëren en dat is veel te ingewikkeld voor overheid, schoolbesturen en docenten.

D Dit is een strikvraag: de Algemene Rekenkamer stelt in een recent onderzoek dat er geen bewijs is voor kansenongelijkheid.

VRAAG 3  Welke factor hangt volgens onderzoek het sterkst samen met uitval in het mbo?

A Migratieachtergrond.

B Lage intelligentie.

C Structurele stress buiten school — bijvoorbeeld door armoede, schulden of mantelzorg.

D Gebrek aan motivatie.

VRAAG 4  Toetsing is vaak één meetmoment na een lesperiode. Is dit de meest inclusieve vorm van beoordeling?

A Ja, het is superinclusief: alle studenten krijgen dezelfde toets, ongeacht hun verschillen.

B Ja, als de nakijkende docent de verschillen tussen studenten erkent en waardeert.

C Wat een vreemde vraag. Toetsing heeft niets te maken met inclusie.

D Nee. Lang niet alle studenten zijn even goed in staat om op één meetmoment de ontwikkeling van hun kennis en vaardigheden te laten zien. Een langere meetperiode geeft voor iedereen een beter beeld.

VRAAG 5  Maak de zin af: “Inclusief onderwijs…

A … is een extra taak bovenop het normale werk van docenten.”

B … betekent dat elke student dezelfde aanpak moet krijgen.”

C … vereist dat je precies moet weten hoe het is om zwart te zijn.”

D … vereist bewustzijn van eigen aannames en het vermogen om te differentiëren.”

VRAAG 6  Wat kun je als docent het beste doen als een student zich in jouw klas vrouwonvriendelijk gedraagt?

A Dat gedrag negeren en doorgaan met je les.

Wat je aandacht geeft, wordt sterker.

B De student terechtwijzen. Je moet nu eenmaal een grens aangeven.

C Zeggen dat je zijn standpunt ergens wel begrijpt. Als je geen begrip toont, raak je hem kwijt.

D In de klas het gesprek aangaan. Wat bedoelt hij? Hoe komt hij daarbij? Wat zijn tegenargumenten? En wat vinden zijn klasgenoten?

VRAAG 7  Wat kenmerkt een inclusieve schoolcommunity?

A Dat iedereen op school zijn eigen rol heeft en zich verder zo min mogelijk met elkaar bemoeit.

B Dat docenten en studenten samen verantwoordelijk zijn voor een veilige, respectvolle leeromgeving.

C Dat verschillen tussen studenten zoveel mogelijk worden genegeerd.

D Dat regels vooral door de schoolleiding worden bepaald en uitgevoerd.

VRAAG 8  Welke eerste stap zou je een mboopleiding aanraden die inclusief wil worden?

A “Roep je studenten op om aardig tegen elkaar te zijn.”

B “Maak de diversiteit onder je studenten zichtbaar op posters en websites.”

C “Leer wat inclusie inhoudt en analyseer of het ontwerp van je opleiding daaraan voldoet.”

D “Geef je docenten eens per jaar een training ‘inclusief handelen’.”

VRAAG 9  Welke factor heeft vooral invloed op kansen van studenten?

A De volgorde van vakken in het rooster.

B De verwachtingen die docenten (bewust of onbewust) laten merken.

C De grootte van de school.

D Het aantal toetsmomenten per jaar.

VRAAG 10  Wat betekent digitale toegankelijkheid voor een digitaal leerplatform?

A Dat het platform er voor iedereen aantrekkelijk uitziet.

B Dat studenten met een beperking altijd een aparte digitale omgeving krijgen.

C Dat scholen verplicht zijn om alle lesboeken ook op papier aan te bieden.

D Dat ook studenten met bijvoorbeeld een visuele beperking of dyslexie het platform zelfstandig kunnen gebruiken.

Vind de juiste antwoorden op PAGINA 51 en ontdek hoe inclusief jij denkt!

Zo doe je dat

Meer meiden in bèta, techniek en IT

Loop rond op een mbo-opleiding in bèta, techniek of IT en je ziet vooral jongens. Niet veel meiden kiezen voor deze opleidingen. En degenen die dat wél doen, haken vaak voortijdig af. Wat geeft zovelen het gevoel dat deze richtingen niets voor hen zijn? En hoe kunnen scholen dat veranderen?

“De laatste cijfers stemmen niet vrolijk”, zegt Samar Hashish, projectmanager onderwijs bij VHTO, Expertisecentrum Voor Haar Technische Ontwikkeling. Ze verwijst naar onderzoeksresultaten over Nederlandse opleidingen in bèta, techniek en IT — een domein dat ook bekend staat als Science, Technology, Engineering and Mathematics (STEM). “Op elk onderwijsniveau zijn er minder meiden en vrouwen in STEM-opleidingen dan jongens en mannen. Maar op het vmbo en mbo is de scheefgroei het grootst. Daar is slechts 12 tot 15 procent van de studenten vrouwelijk.” Die ongelijkheid werkt door op de arbeidsmarkt. “Van de mensen met een technisch beroep én een mbo-achtergrond is maar 10,8 procent vrouw. Lager nog dan het toch al magere totale percentage vrouwelijke STEM-professionals: 16,6 procent.”

DE VERKLARING

Hindernis na hindernis

Volgens Hashish is deze scheefgroei geen natuurfenomeen. “Meiden zijn niet van nature minder geïnteresseerd in STEM. En ook aan talent of capaciteiten ligt het niet.” De verklaring is eerder de omgeving (het ‘systeem’) waarin meiden zich bewegen. “Keuzes worden beïnvloed door talloze signalen uit die omgeving. Soms expliciet, als iemand bijvoorbeeld zegt dat techniek meer iets voor jongens is. Maar veel vaker impliciet.” De impliciete signalen dat techniek meer voor jongens is, beginnen vroeg. “Denk aan verschillen in speelgoed — poppen voor meisjes, bouwsets voor jongens of aan kleine momenten in de klas. Zo krijgen jongens vaker de beurt om het moeilijke antwoord te geven tijdens STEM-vakken en worden zij eerder gezien als ‘van nature goed in wiskunde’.”

Dat laatste past volgens VHTO bij de algemene neiging om het succes van jongens vooral toe te schrijven aan talent en dat van meiden aan inzet.

Hashish: “De opeenstapeling van impliciete en expliciete signalen vermindert bij meiden het vertrouwen in de eigen geschiktheid voor STEM, waardoor ze daar minder vanzelfsprekend voor kiezen.” Beeldvorming versterkt dit effect. “In voorlichtingsmateriaal lijken STEM-beroepen vaak fysiek zwaar of weinig sociaal. Ook zijn vrouwelijke rolmodellen minder zichtbaar. Daardoor zien maar weinig meiden zichzelf een STEM-opleiding volgen of in een STEM-sector werken.” Advisering speelt eveneens een rol. “Leerlingen met vergelijkbare cijfers en interesse krijgen niet altijd hetzelfde advies. Schooladviseurs raden jongens vaker actief een technische richting aan dan meiden, en meiden juist vaker een alternatief dat ‘beter zou passen’, zoals zorg of communicatie. Meestal onbewust, met goede bedoelingen. Maar het effect is groot.”

Elk nieuw signaal dat STEM niet voor meiden of vrouwen is, ontmoedigt hen sterker. Of het nu gaat om de keuze voor een technisch profiel, een STEMopleiding of een STEM-baan. “Bij VHTO hebben we het over hordes in een hindernisloopbaan. Die hordes beginnen al op de speelmat en houden niet op bij school of stage. Ook op de arbeidsmarkt stuiten vrouwen op obstakels, zoals vooroordelen over hun geschiktheid, een cultuur waarin zij zich extra moeten bewijzen en minder vanzelfsprekende doorgroeikansen. Zulke hordes maken dat velen uiteindelijk alsnog afhaken en werk zoeken buiten de STEM-sector.”

DE IMPACT

Van mbo tot maatschappij

Wat merkt het mbo van de hindernisloopbaan? “Eén effect is de structureel lage instroom van meiden in STEM-opleidingen”, zegt Hashish. “Een ander is de hogere uitval.” Wie wél instroomt, wordt vaak één van de weinige meiden in de klas of op stage. Soms zelfs de enige. “Dat vergroot de kans op eenzaamheid en

verzwakt het gevoel van ‘erbij horen’. In zo’n context kan het ook moeilijker zijn om vrijuit te leren; om dingen uit te proberen en fouten te durven maken. Niet omdat iemand dat verbiedt, maar omdat het zwaarder voelt als je alleen staat alsof een fout zou bewijzen dat je niet op de opleiding thuishoort.”

Veel meiden ervaren stoppen als een persoonlijke keuze. “Maar het is minder individueel dan het lijkt”, zegt Hashish. “Het is het resultaat van structurele signalen. En dat resultaat is zonde. Voor henzelf, omdat ze succesvolle, duurzame loopbanen hadden kunnen hebben in de STEM-sector — zeker als deze wat inclusiever was geweest. Maar ook voor de maatschappij. Door lage instroom en hoge uitstroom verdwijnt veel talent uit beeld. Een technieksector die een betere afspiegeling is van de samenleving vergroot de kansengelijkheid, versterkt de economie en leidt tot technologie die beter aansluit bij ieders behoeften.”

De urgentie om meer meiden en vrouwen aan te trekken voor STEM-sectoren is groot. “Die sectoren kampen met personeelstekorten en spelen een sleutelrol in maatschappelijke opgaven rond energie, digitalisering, industrie en infrastructuur. Deze uitdagingen vragen om meer capaciteit én om een diversiteit aan perspectieven die ontbreekt zolang je vooral mannen in je teams hebt. Het is dus niet alleen oneerlijk, maar ook onverstandig dat Nederland het potentieel van zijn halve bevolking zo slecht benut.”

DE OPLOSSING

Fix the system, not the girls

De oplossing voor de ongelijkheid in het mbo ligt volgens Hashish niet in losse maatregelen of wervingscampagnes van roc’s. “Er zijn structurele keuzes nodig, over alle mbo-instellingen heen. Keuzes in hoe leerlingen in aanraking komen met STEM-opleidingen. En in hoe advisering eruitziet. Maar ook in welke beelden getoond worden van STEM, welke begeleiding studentes krijgen en hoe hun veiligheid gegarandeerd wordt bijvoorbeeld op stages.” Overheid, mbobesturen, opleidingsteams: iedereen moet hierop reflecteren, samen met ouders en studenten. “Met het besef dat het probleem van ongelijkheid al ver vóór het mbo begint.”

Daarbij moet één inzicht steeds vooropstaan, zegt Hashish. “Het probleem van ongelijkheid in het STEMmbo ligt niet bij meiden en vereist dus ook niet dat zíj iets aanpassen. Het vraagt om een systeem dat hun talent herkent, ondersteunt en vasthoudt. Fix the system, not the girls Zolang dat niet gebeurt, blijft Nederland structureel talent verspillen dat keihard nodig is.”

Wat kun jij nu al doen?

Inclusie voor meiden in STEM-opleidingen vereist volgens VHTO samenhangende actie op meerdere vlakken. Deze acht stappen kunnen mbo-scholen en -docenten nú al zetten:

Veranker instroom in loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB)

Laat (aankomende) studenten kennismaken met álle profielen en richtingen, inclusief STEM — via LOB-activiteiten, meeloopdagen en sectorbrede open dagen. Laat hen kiezen uit wat er beschikbaar is, niet alleen uit wat zij zelf al kennen of als ‘passend’ ervaren.

Kijk kritisch naar je eigen adviezen en taal

Let op hoe je studieroutes benoemt. Klinkt STEM bij iedereen (jongens én meiden) even vanzelfsprekend? Kleine verschillen in toon of voorzichtigheid kunnen grote gevolgen hebben voor keuzes.

Werk meer met vrouwelijke rolmodellen

Laat meiden én jongens vrouwen zien die werken in STEM, bijvoorbeeld via gastlessen of bedrijfsbezoeken. Niet als iets uitzonderlijks, maar als normaal beeld. Bij meiden helpt herkenning om STEM te zien als iets wat ook voor hen is.

Vergroot het gevoel van ‘erbij horen’

Zorg dat de meiden op je opleiding elkaar kunnen vinden, bijvoorbeeld door hen in één klas of mentorgroep te plaatsen.

Organiseer ook check-ins en informele momenten om ervaringen te delen. Dat verkleint hun gevoel er alleen voor te staan.

Versterk het zelfvertrouwen van meiden op school

Wie in de minderheid is, ervaart fouten sneller als risicovol en kan bijvoorbeeld langer stil blijven. Houd hier rekening mee in didactiek. Geef ruimte om te oefenen en wees geduldig. Benoem en waardeer ook inzet en ontwikkeling, niet alleen snelheid of het juiste antwoord.

Zorg dat stageplekken veilig zijn voor meiden

Stages zijn belangrijk, maar kunnen ook plekken zijn waar meiden zich extra alleen voelen of ongewenst gedrag ervaren. Screen stageplekken op sociale veiligheid, houd actief contact tijdens de stage en zorg dat meldstructuren zichtbaar en laagdrempelig zijn.

Maak duidelijk: je staat er niet alleen voor

Zorg dat er een plek is waar meiden terechtkunnen met vragen of problemen. Laat hen duidelijk weten waar die is. En zorg dat hun signalen serieus worden genomen. Zo voelen ze zich prettiger op hun opleiding.

Werk zoveel mogelijk structureel

De impact van effectieve interventies beklijft alleen als ze een structureel karakter krijgen. Veranker die dus in beleid, teams en cultuur. Zo wordt inclusie onderdeel van hoe je je onderwijs inricht.

VHTO en de focus op bèta, techniek en IT

In diverse sectoren is de leer- en werkomgeving ingericht op één dominante groep. Mensen die buiten deze groep vallen, voelen zich vaak minder snel thuis en ervaren druk om zich aan te passen. Dat geldt soms voor jongens en mannen, bijvoorbeeld in zorg en kinderopvang. Maar meestal geldt het voor meiden en vrouwen — zéker in STEMsectoren. Daarom focust VHTO als landelijk Expertisecentrum Voor Haar Technische Ontwikkeling op die sectoren. VHTO onderzoekt instroom, doorstroom en uitval van meiden en vrouwen in STEM-onderwijs en -banen. Daarnaast ontwikkelt de organisatie interventies om onderwijs inclusiever te maken, van basis- en middelbare school tot mbo, hbo en wo. Zij werkt bij dit alles nauw samen met onderwijsinstellingen en lokale en regionale beleidsmakers in heel Nederland.

Meer weten over VHTO? Ga naar vhto.nl

Beoordelen mag geen bevoordeling zijn “ ”

De Praktijk aan het Woord

Deze rubriek laat mensen uit het onderwijs aan het woord over hun ervaringen met inclusie. In deze Praktijk aan het Woord: Diego Li. Hij is mbo-Leraar van het Jaar 2025 en geeft Commerciële Economie op ROC Nijmegen.

Elke docent kent ze: studenten die nieuwsgierig zijn, gemotiveerd meedoen en slimme dingen zeggen, maar bij toetsen telkens onderpresteren. Zij lopen steeds weer vast op dat ene meetmoment. Daardoor geven hun cijfers niet weer wat ze eigenlijk weten en kunnen wat ze hebben geleerd.

geen geld hebben om meer jaren te studeren dan voor hun opleiding staat. Het risico van hun onderprestaties is dat zij hun motivatie verliezen, lagere cijfers halen, hun ambities bijstellen of zelfs uitvallen. Zo verliezen ze kansen op een mooie toekomst. En dat is allesbehalve eerlijk.

Ik vind dan ook dat veel scholen beter kunnen omgaan met dit verschil tussen studenten. Als je visie is dat iedereen gelijke kansen moet hebben en als je team open staat voor vernieuwing, is een ander toetsingssysteem verstandig: een manier van beoordelen die de ene student niet bevoordeelt ten opzichte van de andere, maar ieders ontwikkeling helder laat zien. Op de opleiding Commerciële Economie die ik in 2023 opzette binnen ROC Nijmegen werken we met zo’n alternatief toetsingssysteem. We zijn daarbij aangesloten bij het landelijke concept ‘lerend kwalificeren’ en het bijbehorende leernetwerk. Met die aanpak zijn we heel tevreden.

Leren aanleren

Anders toetsen

Waarom die studenten niet pieken op examenuren? Daar kunnen allerlei redenen voor zijn. Denk aan een ander neuroprofiel, zoals ADHD of autisme, waardoor ze afgeleid raken van dingen waar anderen geen last van hebben. Of aan extra zenuwen, bijvoorbeeld omdat ze

De kern van lerend kwalificeren is dat studenten niet langer op enkele beslissende momenten hoeven te presteren na elke lesperiode. In plaats daarvan verzamelen ze tijdens die periodes continu bewijs dat ze de vereiste kennis en vaardigheden opdoen en zich passend ontwikkelen. Dit bewijs heeft de vorm van feedback en observaties van docenten en begeleiders. En het is gebaseerd

op opdrachten die studenten tijdens hun opleiding uitvoeren. Dat doen ze zoveel mogelijk in een echte beroepsomgeving, ter voorbereiding op de praktijk.

Belangrijk bij lerend kwalificeren is dat studenten niet alleen ontdekken wat ze moeten weten en kunnen, maar ook hoe zij kunnen leren. We laten ze nadenken over hun eigen leerproces: waar sta ik, wat heb ik al laten zien, wat moet ik nog ontwikkelen en welke stappen horen daarbij? Dat ‘leren leren’ is geen los extraatje, maar een fundamenteel onderdeel van ons onderwijsontwerp. We organiseren het dus op school, in plaats van te veronderstellen dat studenten het al kunnen. Want we weten dat niet elke student dit vermogen van huis uit meekrijgt.

Beter vooruit

Wat ik in de praktijk zie, is dat onze aanpak studenten rust, overzicht en houvast geeft. Er ontstaat een realistischer beeld van hun leerproces, zonder de verlammende druk van één beslissend moment. De beroepscontext van opdrachten vergroot bovendien hun motivatie en betrokkenheid. En met deze manier van werken bieden we meer ruimte aan (neuro)diversiteit — aan verschillende manieren van leren en laten zien. We verlagen de lat niet, maar verbreden de manier waarop we ontwikkeling begeleiden, herkennen en waarderen. Zo verkleinen we kansenongelijkheid en bereiden we studenten beter voor op hun toekomst.

Column

Open blijven

“Het was heftig. Het overviel me. Ik wist niet wat ik moest doen.”

Dat hoor ik vaak als ik met mbo-docenten praat. Ze hebben het dan over studenten die opeens een intolerante mening de klas in gooien — meestal gevoed door social media. Over moslims of joden, bijvoorbeeld. Over LGBTQIA+-mensen. Over vrouwen.

bron zo overtuigend is.

beïnvloeden, hoe gebeurt dat en wat vind ik daarvan? De eigen intolerante mening verliest hierdoor vaak aan kracht.

Wie als docent niet reageert, voelt zich al snel tekortschieten: stil blijven bij kwetsend gedrag draagt niet bij aan een inclusieve leeromgeving. Maar direct corrigeren of uitleggen hoe het wél zit, werkt vaak evenmin.

Grote kans dat de student zich ingraaft en verder verdwijnt in zijn bubbel. Natuurlijk vragen sommige uitspraken om scherpe begrenzing. Maar een docent die het gesprek begint bij wie gelijk heeft, loopt al snel vast. Wat beter werkt? De focus verleggen: van de mening zelf naar waar die vandaan komt — en waarom deze

Bij veel jongeren spelen sociale media een grote rol in het vormen en versterken van intolerante opvattingen. Wat er op hun schermen verschijnt, is daar niet toevallig terechtgekomen. En wat zij zien, is een vertekend, soms bewust gemanipuleerd beeld van de werkelijkheid. Zowel influencers als socialmediabedrijven verdienen hun geld met aandacht, dus proberen ze die bij zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk vast te houden. Dat lukt het best met berichten die boosheid, angst en wij-zij-denken opwekken. Of deze berichten waar zijn, vinden zij vaak minder belangrijk.

Wie hierover het gesprek aangaat, stimuleert nieuwswijsheid: begrijpen hoe informatie tot stand komt en hoe beïnvloeding werkt. Het gesprek gaat dan niet langer over identiteit en gelijk krijgen. Studenten voelen zich minder aangevallen, blijven aangehaakt en willen weten: waar laat ik mij eigenlijk door

Deze insteek vraagt ook iets van de docent. Want die leeft evengoed in een informatiebubbel, net als iedereen. Door dat hardop te erkennen, komen docent en studenten dichter bij elkaar. Ze kunnen dan gelijkwaardig bespreken hoe hun bubbels eruitzien en wat het vraagt om goed geïnformeerd te zijn: wat maakt een bron betrouwbaar, en welke bronnen voldoen daaraan? Zo ontstaat ruimte voor twijfel, nuance en gesprek. Niet door intolerantie te negeren of aan te vallen, maar door open te blijven.

Patricia van Rijswijk is specialist nieuwswijsheid en burgerschap bij Beeld en Geluid, het Nederlands instituut voor media, cultuur en democratie. Zij werkt samen met (mbo-)scholen, bibliotheken en andere maatschappelijke organisaties aan het versterken van nieuwswijsheid: begrijpen hoe informatie wordt gemaakt, hoe beïnvloeding werkt en wat dat betekent voor burgerschap, inclusie en democratie.

Bezoek beeldengeluidopschool.nl voor lesmateriaal en trainingen over onder meer framing, algoritmes, journalistiek en beïnvloeding. Bijvoorbeeld het lespakket Adolescence — naar de gelijknamige Netflix-serie. Dit is bruikbaar als veilige opstap naar gesprekken over hoe omgeving, emoties en online beelden invloed hebben op jongeren.

Puzzel & win vrijkaarten voor het Rijksmuseum!

Knip de stukken uit, leg de puzzel en maak een foto van het eindresultaat.

Meedoen kan tot 1 okt 2026

Gelukt? Mail je foto, samen met je adresgegevens (voor het versturen van de prijs), naar uitliefdevoorhetvak@thiememeulenhoff.nl.

Onder de goede inzendingen verloten we 10 vrijkaarten voor het Rijksmuseum.

‘Isabella’

Dit schilderij werd in 1922 opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum, als onderdeel van het legaat van Andries van Wezel. Het werd in het jaarverslag van dat jaar omschreven als ‘Indisch type; Oostersch meisje zittend in een fauteuil’. In 1976 kreeg het schilderij in de bestandscatalogus

de titel ‘Negerinnetje’. Deze omschrijving kwam in 2015 in opspraak en was aanleiding voor een maatschappelijk debat over terminologie. De werkgroep terminologie van het Rijksmuseum besloot daarop de titel te wijzigen naar het neutralere ‘Jonge vrouw met waaier’ en tegelijk werd een zoektocht naar de identiteit van het geportretteerde meisje gestart. In 2020 werd een laatste wijziging aan de titel aangebracht. Lang werd gedacht dat schilder Simon Maris het werk zelf nooit een titel had

gegeven. Gevonden documenten en foto’s in Maris’ familiearchief bewijzen het tegendeel en identificeren de geportretteerde als ‘Isabella’. De foto’s tonen een jong meisje van ongeveer 12 jaar oud, die in ca. 1906 in Maris’ atelier op de Keizersgracht 489 te Amsterdam poseerde voor haar portret. Het museum is nog op zoek naar Isabella’s achternaam, wat nog meer gegevens over haar zou kunnen opleveren.

Hoe help je ze?

Studenten met geldzorgen

Meer dan de helft van de mbo-studenten maakt zich zorgen over geld. En dat raakt hun kansen op school.

Bijvoorbeeld omdat ze niet meteen het lesmateriaal kunnen kopen dat ze nodig hebben. Of omdat ze tijdens lesuren moeten werken om het gezinsinkomen aan te vullen. Roc’s kunnen armoede niet oplossen. Maar ze kunnen wél voorkomen dat geldgebrek studenten op achterstand zet. Drie scholen laten zien hoe zij dat doen.

Financieel spreekuur

Waar vraag je studiefinanciering aan? Heb je recht op toeslagen? En wat doe je als rekeningen zich opstapelen? “Op ROC Midden-Nederland kunnen studenten voor al zulke financiële vragen bij ons terecht”, zegt Chaima Mitalsi, coördinator Financieel Spreekuur (FiS) Utrecht bij het Centrum voor Studentontwikkeling van ROC MiddenNederland. “Daarnaast helpen we ze bijvoorbeeld om brieven van de overheid of banken te begrijpen en hun administratie op orde te brengen.”

Praktische hulp

Het Financieel Spreekuur begon als een pilot van een docent, maar groeide in vijftien jaar uit tot een vaste voor ziening. Studenten kunnen contact opnemen via WhatsApp, mail, telefoon of hun mentor — en ze kunnen ook gewoon binnenlopen. Daarbij blijkt de locatie van het spreekuur belangrijk. “Toen we nog vlak bij lokalen of de aula zaten, kwamen studenten minder snel”, zegt Chaima. “Ze waren bang dat klasgenoten hen zagen. Schaamte kan ervoor zorgen dat studenten pas laat om hulp vragen.”

“Schaamte kan ervoor zorgen dat studenten pas laat om hulp vragen”

De hulpvraag kan verschillen ook per leeftijd. “Zo zijn jongere studenten meestal afhankelijk van het inkomen van hun ouders. Als dat laag is, is er soms geen geld voor lesmateriaal.” Bij oudere studenten speelt vaker iets anders. “Als zij op zichzelf wonen en vaste lasten moeten betalen, wordt hun budget al snel te krap.”

Vaste plek

Waar mogelijk leert FiS studenten hoe ze problemen zelf kunnen oplossen. Maar bij knellende schulden of complexere problemen volgt vaak een warme doorverwijzing naar bijvoorbeeld het Buurteam MBO, maatschappelijk werk of de gemeente. “Daarbij zorgen we dat studenten niet opnieuw hun hele verhaal hoeven te doen.” FiS zet ook sterk in op preventie. Medewerkers geven voorlichting in klassen en via het studentenintranet. Ook werken ze samen met docenten om geldproblemen vroeg te signaleren. De impact groeit. “We hielpen dit schooljaar al ongeveer 1.400 studenten. De helft van hen deed via ons een aanvraag bij het mbo-studentenfonds, bijvoorbeeld voor een laptop of boekenpakket.”

Inmiddels hebben andere mbo-instellingen een vergelijkbaar spreekuur opgezet. Chaima hoopt dat financiële educatie uiteindelijk een vaste plek krijgt in het mbo. “Want helaas krijgen heel veel studenten niet van huis uit mee hoe ze met geld moeten omgaan.”

MEER WETEN?

Neem contact op met Chaima Mitalsi: c.mitalsi@rocmn.nl. Kijk ook op rocmn.nl/mbo/lesgeld-en-financiele-ondersteuning. Financiële educatie

“W e onderzochten enkele jaren geleden waarom studenten vroegtijdig uitvielen”, vertelt Astrid Broeker, onderwijskundig beleidsadviseur bij ROC Mondriaan. “Geldstress bleek vaak een rol te spelen. Tegelijk zagen we dat veel studenten thuis niet meer leren hoe ze met geld moeten omgaan.

Terwijl financiële vaardigheden juist helpen om geldproblemen te voorkomen en aan te pakken.” Het roc besloot studenten die vaardigheden daarom bij te brengen van Entree tot en met niveau 4.

Herkenbare geldkeuzes

Zo ontstond een (inmiddels landelijk beschikbaar) programma voor financiële educatie. Met Astrid als drijvende kracht ontwikkelde ROC Mondriaan een modulair lespakket met ruim twintig onderwerpen: van studiefinanciering en telefoonabonnementen tot belastingen en koop op afbetaling. “Studenten hoeven hun bankgegevens niet mee te nemen naar school, maar leren wel hun eigen financiële situatie analyseren en organiseren. Dat gebeurt in zo’n dertig lesuren, waarvoor opleidingen ruimte maken in hun curriculum.”

“Praten over geld helpt het taboe daarop te doorbreken”

Voor het lespakket betaalde Rabobank de ontwikkeling van een educatieve computergame. “Daarin maken studentenduo’s financiële keuzes in herkenbare situaties”, vertelt Astrid. “Ze krijgen te maken met allerlei verrassingen en verleidingen. Van een kapotte telefoon tot vrienden die vragen of ze mee uit eten gaan.” Studenten merken hoe onverwachte kosten en impulsieve keuzes tot geldgebrek en schulden kunnen leiden. Het spel laat hen ook zien dat geld en geluk met elkaar samenhangen. “Ze merken dat gelukkig zijn een stuk lastiger wordt als je geld tekortkomt.”

Voorbereide docenten

De duo’s overleggen over hun keuzes — en ook buiten de game spelen gesprekken met medestudenten en docenten een belangrijke rol. “Praten over geld helpt het taboe daarop te doorbreken.”

De lessen worden gegeven door bestaande docenten binnen het roc, bijvoorbeeld van Rekenen, Burgerschap of Studieloopbaanbegeleiding. Zij krijgen ondersteuning via zeven e-learningmodules van ROC Mondriaan. Ook kunnen ze een vierdaagse externe scholing volgen, gesubsidieerd door het

ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dankzij die ondersteuning leren docenten onder andere financiële problemen bij studenten te signaleren en hen door te verwijzen naar de juiste ondersteuning, zoals interne schuldhulpverleners of schoolmaatschappelijk werkers. Ze wijzen studenten daarnaast op regelingen die kunnen helpen, bijvoorbeeld bij schoolkosten. “Hoe eerder je studenten ondersteunt, hoe beter. Zo voorkom je problemen — of in elk geval de escalatie daarvan.”

MEER WETEN?

Neem contact op met Astrid Broeker: a.broeker@rocmondriaan.nl. Kijk ook op gripopjegeld.net en geldlessen.nl.

Kosteloos onderwijs

Boeken, licenties, een laptop, excursies en studiereizen. “Al dat soort zaken zijn nodig om het maximale uit een opleiding te halen”, zegt Veerle Knippels, senior beleidsadviseur bij scholengemeenschap De Rooi Pannen. “Wij willen dat al onze studenten en leerlingen daarvan gebruik kunnen maken. Daarom kozen we er in 2017 bewust voor om ons onderwijs op al onze tien scholen grotendeels kosteloos te maken. Zo willen we de kansengelijkheid vergroten.”

Alle opleidingen

Mbo-studenten op De Rooi Pannen betalen alleen lesgeld aan DUO. Daarnaast betalen studenten en leerlingen niets voor leermiddelen, excursies in binnen- en buitenland, bedrijfsbezoeken of

studiereizen. “Die kosten nemen wij voor onze rekening”, zegt Veerle.

Studenten op niveau 3 en 4 en vmbo-leerlingen kunnen ook gebruikmaken van laptops van de school. Zij krijgen die automatisch in bruikleen en mogen ze na hun studie voor een klein bedrag overnemen. “Op niveau 1 en 2 gebruiken studenten minder vaak een laptop. Als zij een computer nodig hebben, kunnen ze gebruikmaken van voorzieningen op school.”

“Geldgebrek mag studenten niet belemmeren in hun opleiding”

Elke student

“Het grotendeels kosteloze onderwijs geldt voor alle bijna 8.000 studenten en leerlingen van De Rooi Pannen”, benadrukt Veerle. “Dat is vrij uitzonderlijk. Áls mbo-instellingen al zo’n regeling hebben, dan geldt die meestal alleen voor studenten met weinig geld. Daar zitten voordelen aan, bijvoorbeeld dat het minder geld kost. Maar wij kunnen onze aanpak financieel dragen en denken dat die meer bijdraagt aan kansengelijkheid.”

Studenten moeten bij een selectieve regeling bijvoorbeeld aantonen dat ze geldproblemen hebben. “Die eis kan schaamte oproepen. Soms zoveel dat ze geen gebruik maken van de regeling.” Gerichte ondersteuning vraagt ook extra administratie. “Je moet aanvragen begeleiden en veel gegevens controleren. Die tijd besteden wij liever aan onderwijs.”

Universele aanpak

De Rooi Pannen bekijkt geregeld of de regeling nog werkt. “Het uitgangspunt blijft dat geldgebrek geen drempel mag zijn om mee te doen aan het onderwijs”, zegt Veerle. “En voorlopig houden we deze koers aan.” Studenten waarderen dat, merkt ze. “Het bepaalt meestal niet hun keuze voor De Rooi Pannen. Maar ze vinden het wel prettig dat iedereen hier dezelfde kansen heeft.”

MEER WETEN?

Neem contact op met Veerle Knippels: v.knippels@derooipannen.nl. Kijk ook op: derooipannen.nl/veelgestelde-vragen/ kosteloos-onderwijs.

ZORGEN OVER GELD

… komen veel voor onder jongeren. Uit onderzoek van het platform

State of Youth NL blijkt dat ongeveer 75% van de jongeren die zorgen heeft, met mogelijke gevolgen voor hun welzijn, concentratie en studiesucces. Zij hebben bijvoorbeeld moeite om rond te komen of hebben geen buffer om onverwachte kosten op te vangen. Deloitte ziet de financiële gezondheid van jongvolwassenen (18–24 jaar) achteruitgaan. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) wijst er bovendien op dat mbo-studenten financieel kwetsbaar zijn: ongeveer een kwart van hen heeft een lening (naast studiefinanciering), betalingsachterstand of roodstand.

stateofyouth.nl – onderzoek ‘Geldzorgen’ (2025) nibud.nl – Studentenonderzoek 2024 deloitte.nl – Financiële gezondheid van Nederlandse huishoudens (2025) jeugdmonitor.cbs.nl – Jaarrapport 2025

Extra kleur op de muur?

We hebben posters voor verschillende opleidingen en met verschillende thema’s. Vraag je favoriet aan en we sturen die gratis naar je op!

Er schuilen verb orgenverhalenin de recep ten van onze voor moeders

Zoujij de wilskracht inhun gerechtenkunnen pro even?

Wat kunnen eeuwen o ude constructies iepverank e rd i n h et v e rl ed e n .

ons vertellenover mo d e r ne technieken in het heden?

.nl/mbo/posters

Wie mag zichtbaar zijn in het Rijksmuseum?

Mbo-studenten maken inclusieve kunst

Steeds meer musea openen hun zalen voor hedendaagse stemmen, in al hun diversiteit. Ook het Rijksmuseum. Als onderdeel van Point of View, een tentoonstelling over genderideeën door de eeuwen heen, kregen tien mbo-studenten daar de kans artistieke zelfportretten te maken. Het resultaat: werk waarin persoonlijke perspectieven op gender en identiteit ongefilterd naar voren komen.

“Kunst kan bijdragen aan inclusie: aan ruimte en openheid voor verschil. Dat lieten we zien binnen Point of View.”

Aan het woord is Merel Brugman, Educator bij het Rijksmuseum en begeleider van het mbo-project binnen deze tentoonstelling. “Het idee voor dit project ontstond bij een curator. Die wilde in Point of View niet alleen oude perspectieven op gender de ruimte geven, via historische kunst, maar ook plek inruimen voor de blik van een nieuwe generatie. Deze plek kwam er: in de laatste zaal van de tentoonstelling.”

Eigen beeld, eigen tekst

Het Rijksmuseum besloot jongeren te vragen om in die eindzaal hún perspectief te tonen. “Daarbij wierven we bewust onder mbo-studenten”, zegt Brugman. “Want die zitten veelal in een levensfase waarin identiteit volop in ontwikkeling is. En mbo’ers krijgen veel minder vaak een cultureel podium dan bijvoorbeeld hbostudenten of kunstacademies. Dat terwijl een groot deel van de samenleving juist een mbo-achtergrond heeft.”

Het museum selecteerde tien mbo’ers uit heel

Nederland, allemaal op hun eigen manier bezig met vragen rond gender en ‘jezelf kunnen zijn’. Onder begeleiding van onder anderen fotograaf en kunstenaar Bete van Meeuwen werkten zij toe naar een persoonlijk zelfportret. “In een halfjaar tijd kwamen de studenten vijf keer bij ons samen”, vertelt Brugman. “Ze kregen hier inspiratie aangereikt, leerden technieken en hielpen elkaar. Maar ze bepaalden zelf hoe ze zich lieten zien in foto’s en bijbehorende teksten.”

Veilige plek, hechte groep

“We wilden dat deelnemers zich veilig en serieus genomen voelden”, zegt Brugman. “Daarom maakten we duidelijk hoe hun portretten getoond zouden

worden én zorgden we dat ze tijdens het project altijd hun grenzen konden aangeven.” De eerste bijeenkomsten waren bewust gericht op kennismaking en vertrouwen. “Met ons, maar zeker ook onderling. Zo ontstond al snel een hechte groep, met intensief persoonlijk contact.”

Ook de samenstelling van het team droeg bij aan het gevoel van veiligheid. “Alle begeleiders waren vertrouwd met genderdiversiteit. Zij stonden beschermend om de jongeren heen. Daardoor hoefden de deelnemers, die een genderdiverse groep vormden, zichzelf niet uit te leggen of te verdedigen. Ze konden zich helemaal richten op hun verhaal, hun fotografie.”

Eerst afstand, dan gesprek

Wat Brugman het meest bij is gebleven? “Hoe open de jongeren durfden te zijn. Ze wisten dat hun werk door veel mensen gezien zou worden. Toch toonden ze zich zoals ze waren, in al hun kwetsbaarheid. Dat vond ik bijzonder.” Brugman merkte bovendien hoe de positieve reacties van mededeelnemers, begeleiders en bezoekers doorwerkten op de studenten. “Je zag dat die hen kracht gaven het gevoel: ‘Ik mag er zijn!’.”

Ook op bezoekers hadden de zelfportretten effect. “Ik hoorde ouders aan hun kinderen uitleggen wat voornaamwoorden zijn, en waarom die ertoe doen in hoe je iemand aanspreekt. Ook hoorde ik jongeren serieus met elkaar praten over genderverschillen.” Volgens Brugman is dat de kracht van kunst. “Het creëert voldoende afstand voor reflectie. En het komt dichtbij genoeg om een goed gesprek te starten.”

Wat is gender?

Gender gaat over hoe mensen zichzelf ervaren, uitdrukken en benoemen: als man, vrouw, allebei, geen van beide of iets daartussenin. Gender is iets anders dan sekse. Sekse verwijst meestal naar lichamelijke kenmerken waarmee iemand wordt geboren. Opvattingen over gender — met de bijbehorende rolpatronen en verwachtingen in de samenleving — veranderen voortdurend. Ze verschillen per tijd en cultuur.

“Als

ik dit kan, kan ik nog veel meer”

“Ik was bang voor afwijzing. En ik wilde die angst het hoofd bieden. Dus besloot ik me vaker aan te melden voor initiatieven die ik interessant vond, zoals dit project. Ik had niet verwacht gekozen te worden. Dat ik geselecteerd werd, voelde daarom extra bijzonder. Wat me meteen raakte, was de groep. Iedereen was open; verschillen tussen regio’s of achtergronden deden er nauwelijks toe. We voelden ons veilig bij elkaar, gezien, en we waren oprecht trots op elkaars werk. Dat maakte het makkelijker om eerlijk te zijn en ons echte ik te laten zien.

Mijn zelfportret heet ‘Als het donker is, is het tijd voor feest’. Het draait om hoe ik mijn mastectomie — mijn borstverwijdering — ervaren heb. Dat was een ingrijpende operatie, fysiek en emotioneel, en in die zin ‘donker’. Maar waar veel mensen ‘donker’ zien als iets slechts, was het dat voor mij juist niet. Ik ervoer de periode rond de ingreep als een tijd van kwetsbaarheid en herstel, waarin ik mezelf hervond. Er viel letterlijk en figuurlijk een last van me af, en dat voelde als groei. Het feest kwam voor mij niet ná het donker; het zat erín. Mijn lichaam zoals het nu is, met littekens en al, mag gevierd worden.

De reacties op mijn portret waren overweldigend positief. Niet alleen vanuit de queer community, maar ook van mensen uit mijn directe omgeving — zelfs van familieleden

van wie ik niet wist hoe ze zouden reageren. Hun respect en acceptatie gaven me extra kracht.

Ja, door dit project voel ik me sterker. Ik kan nu zeggen: ‘Ik heb dit gedaan. Ik heb iets groots gerealiseerd en mezelf laten zien.’ En ik weet: als ik dit kan, dan kan ik nog veel meer.”

Isa Silva dos Santos (hen/hun) was deelnemer van het mbo-project binnen Point of View. Inmiddels is hen afgestudeerd Persoonlijk Begeleider en werkt hen voor verschillende maatschappelijke projecten.

‘Als het donker is, is het tijd voor feest’ (2024), Isa Silva dos Santos — in samenwerking met Bete van Meeuwen. Deze foto werd gemaakt tijdens Point of View en was onderdeel van de tentoonstelling in het Rijksmuseum.

“We

kwamen steeds dichter bij onszelf”

“Nieuwe manieren om mezelf creatief te uiten — daar ben ik altijd naar op zoek. Het leek me interessant om dat eens met fotografie te proberen. Tegelijk wilde ik mijn vragen rond genderidentiteit en -expressie verder onderzoeken. Daarom meldde ik me aan voor het Point of View-project.

Het werd mijn eerste ervaring met zo’n groot kunstproject, met tentoonstellen en samenwerken op dit niveau. De kennis en het zelfvertrouwen die ik opdeed, hielpen me in mijn ontwikkeling. En ik heb nog altijd fijn contact met deelnemers en begeleiders. Daardoor voelt het voor mij alsof Point of View nooit echt is gestopt.

Voor het concept van mijn zelfportret haakte ik aan bij een vraag in de Point of View-tentoonstelling: heeft de stof kant een gender? Ik besloot die stof te dragen en te onderzoeken wat dat zou doen met mijn gevoel van identiteit — met hoe anderen mij zagen en hoe ik mijzelf ervaarde. Ik voelde me kwetsbaar in een kanten jurk en vond het best een spannend idee dat veel mensen de foto zouden zien. Maar dankzij de warmte en veiligheid in de groep kon ik die zenuwen loslaten en me richten op het proces: wat durfde ik bij mezelf aan te gaan? Die groeiende durf zag ik ook bij anderen. Het was bijzonder hoe

Joost van der Mout (die/diens) was deelnemer van het mbo-project binnen Point of View. Inmiddels heeft die diens diploma Mediavormgeven en is die hbo-student Autonome Beeldende Kunst.

iedereen telkens dichter bij zichzelf kwam en steeds krachtigere beelden maakte.

Iedereen eindigde met meerdere zelfportretten. Eén daarvan werd opgenomen in de bredere Point of View-tentoonstelling; in de Teekenschool, het workshopgebouw van het Rijksmuseum, mochten we ook andere foto’s ophangen.

In die Teekenschool komen vooral jongeren, van basisschoolleerlingen tot mbo-studenten. Ons werk liet hun

Foto uit de serie ‘Kwetsbare Kant’ (2024) van Joost van der Mout — in samenwerking met Jesse van Dijk. De foto kwam tot stand tijdens Point of View en hing met de rest van de serie in de Teekenschool.

zien dat identiteit voor iedereen anders is, dat je de tijd mag nemen om jezelf te onderzoeken, en dat je niet meteen een label hoeft te kiezen. Die boodschap vind ik heel belangrijk — voor jongeren, maar eigenlijk voor iedereen.”

De tentoonstelling Point of View is afgerond, maar fragmenten ervan zijn nog online te bekijken (zoek ‘Point of View’ op rijksmuseum.nl). De zelfportretten van de mbo’ers zijn opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum, als tijdsbeeld van een generatie die haar eigen perspectief opeist.

Interview 5 uitdagingen voor inclusie in het mbo en hoe je die het hoofd biedt

“Er is steeds meer aandacht voor inclusie in het mbo. Maar het is nog nergens structureel verankerd in roc’s en opleidingen.” Farah Ramezani — opleidingskundige, inclusie-expert en oud-mbo-docent — ziet dat dit verschillende oorzaken heeft. “De uitdagingen variëren per school. Maar een aantal zie ik vaak terug wanneer ik met besturen en opleidingsteams praat.”

Farah Ramezani … is opleidingskundige en oprichtster van Ravilok en Oog voor Kleur, bureaus die organisaties helpen diversiteitssensitief te werken. Ze beschreef haar aanpak in het boek ‘Oog voor kleur — Diversiteit, inclusie en kansengelijkheid in het onderwijs’ (2025).

1

Voorkom verwarring over de term ‘inclusie’

“Sommige mbo-instellingen denken dat ze al inclusief zijn als ze de diversiteit onder hun studenten zien. Of als ze zeggen dat iedereen welkom is. Maar erkennen dat er verschillen zijn, zegt nog niets over hoe je daarmee omgaat. En dat is waar inclusie om draait: zó omgaan met verschillen dat iedereen het gevoel heeft zichzelf te mogen zijn en mee te kunnen doen — zonder ondergeschiktheid of aanpassing aan een dominante groep. Deze ruimte voor eigenheid is meer dan ‘iedereen is welkom’. Want scholen die hun toegankelijkheid benadrukken, bedoelen soms eigenlijk alleen: ‘Je bent welkom als je je aanpast’. Anders-zijn is dan een probleem, niet een realiteit om te koesteren.”

4

Laat ook je kleine interacties in de klas inclusief zijn

3

Laat elke collega aandacht hebben voor inclusie

“Docenten moeten niet alleen inclusief kúnnen handelen, ze moeten dat ook dóén — welk vak ze ook geven. Nu nog ligt de aandacht voor inclusie vaak bij specifieke personen, zoals mentoren, zorgcoördinatoren en burgerschapsdocenten. Dat maakt die aandacht beperkt en kwetsbaar: het blijft dan afhankelijk van een paar bevlogen collega’s, verankert zich niet in het dagelijks onderwijs en kan dus ook weer verdwijnen. Het is noodzakelijk dat inclusief denken en handelen in de hele leeromgeving terugkomt: van lessen, praktijkopdrachten en beoordelingen tot het gedrag van docenten, conciërges en stageaanbieders. Alleen dan kan het zo vanzelfsprekend worden als het hoort te zijn.”

“Gesprekken over inclusie gaan vaak over grote thema’s: kansenongelijkheid die toeneemt, systemen die niet werken, beleid dat anders moet. Dat is goed. Maar ook op kleiner niveau speelt er veel wat bepalend kan zijn. Denk aan docenten die een grapje maken over een accent, een lage verwachting uitspreken, een stille student nooit uitnodigen om iets te zeggen. Of die juist regelmatig inchecken, oprecht interesse tonen, zich afvragen wie ze wel en niet horen, en iedereen de ruimte geven om mee te doen. Zulke micro-interacties kunnen voor studenten het verschil maken tussen afhaken en zich gezien voelen, tussen gefrustreerd en gemotiveerd raken, tussen schoolverlating en diploma.”

2

Zie inclusie niet als extra taak voor docenten

“Het is een veelgehoorde verzuchting in het mbo: ‘Komt dit er óók nog bij?’ Docenten zien bijdragen aan inclusie dan als extra taak, die de toch al hoge werkdruk alleen maar hoger maakt. Maar inclusief handelen ís niet iets wat je erbovenop moet doen — waar je ruimte voor moet maken naast de kern van je vak. Het is ook niet iets wat alleen bij sommige docenten hoort, terwijl anderen het kunnen laten liggen. Ik zie het als een professionele basiscompetentie: iets waar je meer of minder talent voor kunt hebben, maar wat álle docenten moeten kunnen. En scholen dienen daar ruimte voor te creëren in het ontwerp van hun opleidingen, van roosters en toetsen tot lesmateriaal.”

5

Zorg voor een herontwerp

van je onderwijssysteem

“Inclusie ontstaat niet vanzelf. Docenten kunnen pas blijvend inclusief werken als het systeem waarín zij werken daar ruimte voor biedt. Dat vraagt om een herontwerp: om goede trainingen en constante ondersteuning, maar ook om concrete aanpassingen van het dagelijks onderwijs — van de normen die bepalen hoe studenten geacht worden mee te doen in de les, welke leer- en toetsvormen als ‘normaal’ worden gezien en hoe tijd en ruimte in roosters zijn verdeeld. Zo voorkom je weerstand bij docenten en is brede, structurele inclusie mogelijk. Met een opnieuw ontworpen systeem bouw je aan onderwijs waarin alle studenten tot hun recht komen. Waarin ze het beste uit zichzelf halen.”

” “

De Praktijk aan het Woord

Studenten horen aan tafel

Deze rubriek laat mensen uit het onderwijs aan het woord over hun ervaringen met inclusie. In deze Praktijk aan het Woord: Anja Du Chatinier-Ronkers (coördinator schoolkosten en leermiddelen), John Hoesen (beleidsadviseur) en Xam Vriezelaar (student Lichten geluidstechnicus, lid van de Centrale Studentenraad en studentambassadeur). Zij werken bij VISTA college aan inclusief onderwijs.

Elk roc zegt dat de student centraal staat. Maar wat dat in de praktijk betekent, verschilt per school. Bij ons betekent het dat studenten echt meebeslissen over beleid. Die betrokkenheid past bij hoe wij werken: vanuit onze missie ‘Wij zien jou’, waarin de student het vertrekpunt is van ons onderwijs.

Eerlijke inspraak

De Centrale Studentenraad (CSR) heeft niet alleen instemmingsrecht op beleid, maar denkt ook inhoudelijk mee over de ontwikkeling ervan. Neem de herziening van ons leermiddelen- en schoolkostenbeleid in 2023. Daarbij speelde de CSR vanaf het begin een actieve rol. We ontwikkelden dat dus vóór en

mét studenten. Wel zo eerlijk: het is hun onderwijs en zíj krijgen de rekening thuis. Dan verdienen zij ook inspraak in de kosten. De CSR geeft aan wat werkt en financieel haalbaar is voor onze studenten en wat niet. Daarnaast halen we ervaringen op via ons roc-brede studentenpanel én via de jaarlijkse gesprekken tussen docenten en studenten over de meerwaarde van vereist lesmateriaal. Bovendien kijken we naar de data van onze terugbetaalregeling: als studenten geld terugkrijgen voor amper gebruikte leermiddelen, onderzoeken we waarom die middelen op de lijst staan.

Werkbare alternatieven

Uit gesprekken voor ons herziene beleid bleek dat we te weinig rekening hielden met de financiële realiteit van veel studenten: Zuid-Limburg scoort al jaren boven het landelijk gemiddelde op armoede, schuldenproblematiek en lage inkomens. We zagen dat kosten soms onnodig hoog konden oplopen en zo kansengelijkheid onder druk zetten. Te hoge kosten maken studenten terughoudend om voor een studie te kiezen of van opleiding te switchen, ook als die keuze beter bij hun talenten en interesses past. Daarom stelden we een maximum in van 500 euro per leerjaar aan leermiddelen, voor elke opleiding. Volgens landelijke cijfers moest dat voldoende zijn. Deze maatregel brengt duidelijkheid en dwingt opleidingsteams om prioriteiten te stellen.

Natuurlijk waren er zorgen. Zou de kwaliteit niet onder druk komen te staan? Maar deze bezorgdheid leidde tot goede gesprekken en waardevolle inzichten. Wat is essentieel? Wat gebruiken studenten daadwerkelijk? En wat drijft kosten onnodig op? Dat laatste kan gaan om dure merken voor kleding of gereedschap, maar ook om vaste licentievormen en pakketstructuren van uitgevers. Daar zoeken we werkbare alternatieven voor, waarbij we openstaan voor samenwerking met andere scholen en uitgevers die inclusie ook belangrijk vinden.

Betere aansluiting

Het is essentieel om studenten een volwaardige plek aan de besluitvormingstafel te geven. Maar het is niet genoeg. Inspraak werkt alleen als studenten weten dát ze die hebben en waarover. Daarom verspreidden we bijvoorbeeld een poster met een visuele uitleg van ons leermiddelen- en schoolkostenbeleid. Wie betaalt wat? Wat mag wel en niet worden doorberekend? En waar kun je terecht als betalen lastig is? Dankzij de poster, die we met en vóór studenten ontwikkelden, is dat nu in één oogopslag duidelijk.

Mede door dit soort initiatieven kunnen studenten beter meedenken en -beslissen over beleid. Dat zie je niet alleen terug in wat er op onze leermiddelenlijst staat en in hoe we omgaan met kosten. Het blijkt ook uit de feedback van studenten: zij voelen zich serieus genomen.

“Je hoeft als docent niet alles te weten als je maar verantwoordelijkheid neemt”
beeld Isaac Owusu / Dag van Empathie

Ongelijkheid, uitsluiting, discriminatie, racisme. Als dichter Jerry Afriyie onrecht ziet, strijdt hij daartegen — met woord én daad. De afgelopen vijftien jaar vooral via Nederland Wordt Beter, de stichting achter onder meer Kick Out Zwarte Piet en gastlessen op scholen over inclusie.

“Zeker op roc’s zie je de vele verschillen in de samenleving terug,” zegt hij. “Wat vraagt dat van docenten én studenten? Dat verken ik met hen.”

I.

ACTIVISME ALS LESTHEMA

Je was in 2010 medeoprichter van Nederland Wordt Beter. Kort na het afgelopen Sinterklaasfeest stopte die organisatie. Waarom?

“Omdat we onze doelen hadden behaald. We wilden grootschalige educatie en bewustwording over het Nederlandse slavernijverleden — en over de doorwerking daarvan in het heden. We wilden nationale erkenning van 1 juli, Keti Koti, als dag van herdenking en viering van de afschaffing van die slavernij. En we wilden dat Zwarte Piet als racistische karikatuur uit de openbare ruimte zou verdwijnen. Nu, vijftien jaar later, is dit allemaal gelukt. Precies volgens plan.”

Er kwam steeds breder waardering voor jullie activiteiten, inclusief prijzen. Bracht dat het besluit om te stoppen niet aan het wankelen?

“Geen moment. We hebben Nederland Wordt Beter opgezet om doelen te behalen; we wilden geen doelen verzinnen om de organisatie overeind te houden. En juist door te stoppen, geven we een belangrijk signaal af: blijf niet naar ons kijken, maar neem zelf verantwoordelijkheid. Dat geldt voor burgers, overheidsinstellingen, bedrijven en andere organisaties, inclusief scholen. We hebben kortom ruimte gemaakt voor de samenleving om het stokje over te nemen.”

Jerry King Luther Afriyie is dichter, spreker, opiniemaker en mensenrechtenactivist. Hij werd in 1980 geboren in Ghana, kwam op zijn 11e naar Nederland en woont sinds zijn 15e in de Bijlmer. Hij is medeoprichter van de vrijwilligersorganisaties Nederland Wordt Beter en Soul Rebel Movement. Samen met anderen startte hij de bewustwordingscampagne Zwarte Piet is Racisme en de actiegroep Kick Out Zwarte Piet. Ook schreef hij mee aan het Zwart Manifest. Hij treedt op in theaters en op festivals, publiceert in landelijke media en geeft gastlessen, colleges, trainingen en advies — onder meer aan onderwijs en overheid.

Betekent het einde van Nederland Wordt Beter ook dat je zelf activist-af bent?

“Voor mij is er nu ruimte ontstaan om nieuwe vormen van actie en samenwerking te verkennen, passend bij de uitdagingen van vandaag. Wat precies zal de tijd leren. Overigens ben ik vóór alles dichter. Ik observeer en ervaar — en geef daar woorden aan. Die kunnen over onrecht gaan. En op die woorden kunnen acties volgen om onrecht tegen te gaan. Maar activisme is nooit mijn vertrekpunt of doel. Het is een middel, dat helaas nodig is zolang er onrecht bestaat.”

Vind je dat Nederlanders bewust genoeg zijn van die noodzaak van activisme?

“Nee, nog niet. Daarom denk ik dat het onderwijs er meer aandacht voor moet hebben. Niet alleen met af en toe een gastles, zoals ik onder meer op roc’s geef, maar structureel. Leer kinderen en jongeren dat belangrijke maatschappelijke verandering — van vrouwenkiesrecht tot het einde van de slavernij — zelden zomaar ontstaat. Mensen moeten daar doorgaans voor in actie komen, tegen de dominante normen in. Laat leerlingen en studenten bovendien zien hóé ze in actie kunnen komen.”

Is dat de taak van onderwijsinstellingen?

“Absoluut. Veel kinderen en jongeren zien haarscherp wat er niet klopt in de wereld: van discriminatie tot armoede en klimaatverandering. Zij merken dat de meeste volwassenen daar niets tegen doen.

En ze willen daarom zelf actie ondernemen. Ze weten alleen niet hoe. Laat dat zien! Zo bereid je ze niet alleen voor op de samenleving waar ze in terechtkomen, maar leer je ze ook om deze beter te maken — om maatschappelijk leiderschap te tonen en verantwoordelijkheid te nemen.”

Kreeg je zelf wel zulke handvatten en rolmodellen?

“Nee, die waren er niet toen ik als Ghanees jongetje in de Bijlmer kwam wonen. Ik zette me als tiener wel in voor buurtkinderen die in armoede leefden. Ik organiseerde bijvoorbeeld uitjes voor hen. Maar dat soort dingen moest ik zelf bedenken en opzetten. Ik werd ook niet door iemand gemotiveerd om gesprekken en discussies aan te gaan over de misstanden die ik zag — of om te schrijven. Dat alles ben ik uit mezelf gaan doen.”

“Inclusie is geen bijzaak en geen onderwerp om over te polderen. Het hoort bij goed onderwijs — zeker op roc’s.”

lichtpuntjes onder het roc-personeel waren de conciërge en de beheerster van het ICT-lokaal. Zij toonden wél interesse in individuele leerlingen, en het was makkelijker om met hen over mijn thuissituatie en schoolproblemen te praten dan met mijn docenten.”

Beïnvloedt die ervaring hoe je het mbo nu ziet?

“Het was lang geleden en elk roc is anders. Maar ik hoor van huidige studenten wel herkenbare dingen. De mbo-populatie is enorm divers en weerspiegelt daarmee bij uitstek de pluriforme samenleving die Nederland is. Maar studenten met een migratieachtergrond voelen zich vaak minder serieus genomen, niet gezien en niet vertegenwoordigd. Ze hebben de indruk dat ze worden voorbereid op een dominant wit Nederland. Dat moet anders, zéker op het mbo.”

Waarom zéker op het mbo?

II. SCHOOL ALS COMMUNITY

Je hebt zelf op een roc gezeten. Hoe was dat voor jou?

“Dat was niet mijn gelukkigste tijd. Op de basisschool vond ik leren heel leuk — van taal tot rekenen — en haalde ik goede cijfers. Maar toen werd ik ondergeadviseerd, zoals nog altijd veel gebeurt bij kinderen met een migratieachtergrond. Dat verkeerde advies was erg frustrerend. Ik kwam terecht op een praktische vervolgopleiding en daarna op een roc, waar mijn manier van denken en leren onvoldoende werd herkend en uitgedaagd. Als kind was ik iemand die veel nadacht en problemen probeerde te doorgronden.”

Het onderwijs sloot niet aan bij wie je was of hoe je leerde.

“Vanaf de middelbare school ging ik alleen naar school omdat ik leerplichtig was. Op het roc voelde ik me ook niet thuis. Het was te veel gericht op afvinken in plaats van dat er gekeken werd naar je kracht en talent en hoe je het best ondersteund kon worden. De enige

“De meeste volwassenen in Nederland komen van het mbo. En zij belanden overal in de samenleving. Roc’s vormen de middenmotor van ons land en hebben grote impact op de maatschappij. Daarom moet het prioriteit hebben om mbo-studenten te leren hoe zij gelijkwaardig kunnen samenleven, met respect voor verschillen — dus zonder uitsluiting, racisme of andere discriminatie. Inclusie is geen bijzaak en geen onderwerp om over te polderen. Het hoort bij goed onderwijs.”

Wat vraagt dat van een roc?

“Maak allereerst duidelijk dat je school een community is. Dat dus iedereen — van docenten, directie en bestuur tot studenten, conciërges en schoonmakers — gelijkwaardig lid is van hetzelfde team, ook al hebben ze verschillende bijdragen en verantwoordelijkheden. En dat dit team geen ‘wij en zij’ is, maar een ‘wij’ waarin diversiteit erkend en gewaardeerd wordt. Of het nu gaat om cultuur, gender, seksuele oriëntatie, neurotype, leeftijd of levenservaring.”

Hoe breng je die boodschap in de praktijk?

“Dat kan op allerlei manieren. Bijvoorbeeld door de waardering voor diversiteit terug te laten komen in je

personeelswerving en al je vakken — van lesmateriaal en didactiek tot de manier waarop elke docent met studenten omgaat. Voer onder meer een nondiscriminatieprotocol in: een afspraak waarin staat hoe jouw school discriminatie voorkomt, herkent en aanpakt, met duidelijke regels én procedures voor studenten, docenten en medewerkers.”

III.

DOCENT ALS ROLMODEL

Wat adviseer je mbo-docenten vanuit jouw ervaring?

“Wees empathisch. Zie je studenten dus niet alleen als lid van een groep, maar neem hen eerst als individu serieus. Toon echte interesse in hun persoonlijke verhaal en perspectief, zonder vooroordelen. En stem je lessen en werkvormen af op hun belevingswereld, welk vak je ook geeft. Die empathie moet een beroepscompetentie zijn. Net als dat je verschillen normaliseert in plaats van problematiseert. En dat je niet alleen het maatschappelijk dominante wereldbeeld aan bod laat komen.”

Wat is het effect van zo’n inclusieve, empathische aanpak?

“Met een inclusieve boodschap en empathische docenten geef je studenten het voorbeeld van een goede community, van hoe ook Nederland kan zijn en wat hiervoor nodig is. Daarbij moet je wel eerlijk zijn over de realiteit; over de obstakels die velen nog gaan tegenkomen in hun leven, puur omdat ze niet passen in de dominante groep. Waardering van diversiteit stimuleert daarnaast motivatie en ontplooiing. Als studenten voelen dat ze zichzelf kunnen zijn, zijn ze gemotiveerder en leren ze beter.”

studenten te praten over racisme en discriminatie. ‘Ik weet er niet genoeg van’, hoor ik soms. ‘Ik ben zelf een witte man.’ Ik zeg dan: ‘Je hoeft ook niet alles te weten. Maar je mag de samenleving en wat daarin speelt niet buiten je onderwijs houden. Zeker niet als het om obstakels gaat die relevant zijn voor studenten.’”

Waarom mag dat niet?

“Studenten hebben recht op goed onderwijs. Dit houdt ook een veilige leeromgeving in waar je hen serieus neemt, dus discriminatie erkent en strijdt tégen die discriminatie. Dat is je verantwoordelijkheid als docent. En die kun je evengoed nemen als witte man. Je kunt toch ook vertellen over het oude Rome zonder zelf een Romein te zijn? En je weet toch wat pesten is? Discriminatie, inclusief racisme, is gewoon een extreme vorm van pesten.”

Je hebt dus geen begrip voor hun onzekerheid rond dit thema — hun handelingsverlegenheid?

“Nee, ik kan daar niets mee. Ik vind het werkweigering. Ga gewoon het gesprek aan met je studenten, zeg wat je weet over een specifiek onrecht in Nederland en vraag hun wat zij zien, vinden, voelen. Geef toe dat je niet alle wijsheid in pacht hebt en dat je het onderwerp graag verder verkent — samen met hen. Ik doe dat ook in mijn gastlessen: ik verken onderwerpen met zowel studenten als docenten. Die openheid en kwetsbaarheid wérken.”

“Met een inclusieve boodschap en empathische docenten geef je studenten het voorbeeld van een goede community.”

Wat is je indruk van huidige roc-docenten?

“Ik spreek hen vooral bij gastlessen voor hun studenten. En veel docenten doen het geweldig. Maar een aantal zegt ook dat ze het te spannend vinden om met

Maar het is dus niet genoeg dat ze jou vragen om eens langs te komen?

“Nee, dit soort gesprekken moet je echt structureel voeren, niet eens in de zoveel tijd.

Gastlessen als de mijne zijn een extraatje. Sterker nog, ze zouden overbodig moeten zijn. Ze zijn geen vervanging voor verantwoord lesgeven. Wat geldt voor Nederland Wordt Beter, geldt ook voor mijn

gastlessen: ik heb ze nooit verzorgd omdat ik ze leuk vind, maar omdat ik een stokje wil aanreiken in de strijd tegen onrecht. Het is aan scholen om dat stokje over te nemen.”

Mediatips

Boeken

Laat je inspireren door deze boeken, podcasts, docu’s, series en social media.

Podcasts

Differentiëren is te leren

Meike Berben

Praktisch boek vol concrete strategieën om leerlingen op verschillende niveaus tegelijk te bedienen. Ideaal voor wie inclusiever wil lesgeven zonder extra werkdruk.

Misschien moet je iets lager mikken

Milio van de Kamp

Persoonlijke en confronterende blik op kansenongelijkheid.

Verruimt je perspectief op hoe achtergrond en systeem de schoolloopbaan van studenten beïnvloeden.

Als alle breinen leren

Saskia Schepers

Toegankelijke uitleg over neurodiversiteit en hoe je hier als docent rekening mee houdt. Maakt duidelijk waarom één aanpak nooit voor iedereen werkt.

Pointer

Kansenongelijkheid in het onderwijs

Journalistieke verdieping over de mechanismen achter ongelijkheid. Helpt je beter te begrijpen waarom sommige studenten meer drempels ervaren dan anderen.

Bonte Was Podcast

Scherpe en humoristische blik op taal, framing en mediaverhalen — en op hoe die bijdragen aan (mis) representatie in onze samenleving.

ThiemeMeulenhoff

Samen leren vernieuwen

Nieuwe inzichten en praktische tips van onderwijsexperts en collega-docenten, gericht op toekomstbestendig onderwijs.

TV en documentaires

Louis Theroux: Inside the Manosphere

Netflix

Inkijkje in een online subcultuur waarin influencers jonge mannen aanspreken met (soms vrouwonvriendelijke) ideeën over mannelijkheid, dominantie en succes. Ideeën die ook onder studenten kunnen leven.

Gewoon lastig, of neurodivers?

NPO start

Docu die je anders laat kijken naar gedrag van studenten. Geeft herkenbare voorbeelden en praktische inzichten die je morgen al kunt toepassen. Gepresenteerd door Karim Amghar.

De onmisbaren

NPO start

Tv-serie die laat zien hoe cruciale beroepen vaak worden vervuld door mensen met heel verschillende achtergronden. Mooi startpunt voor gesprekken over waardering, diversiteit en kansen.

Social media

Thijmen Schoorl

TikTok: @thijmen.schoorl

Laat op een luchtige manier zien hoe het werk in de zorg na de opleiding eruitziet. Motiverend materiaal om met studenten te delen.

Meneer Khalil

TikTok: @meneerkhalil

Bekend om zijn eerlijke, humorvolle en ontwapenende video’s over omgaan met studenten. Herkenbaar, positief en ideaal om je pedagogisch kompas te scherpen.

Chanel Matil Lodik

Instagram: @marketingvrouw Bespreekt discriminatie, validisme en neurodiversiteit op een krachtige en toegankelijke manier. Met scherpe inzichten en persoonlijke verhalen.

Weg met de

Ze zien vooruitgang in de inclusie van studenten die extra ondersteuning nodig hebben. Maar écht inclusief zijn mbo-instellingen nog niet, stellen Annabel de Koning en Frank Schoonbeek van Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO). “Scholen kiezen te vaak voor losse oplossingen voor individuele studenten — en te weinig voor een andere inrichting van het onderwijs.”

Wat échte inclusie is Een student met dyslexie die extra tentamentijd kan krijgen, maar pas nadat hij drie formulieren heeft ingevuld. Een studente in een rolstoel die het schoolpodium op kan, maar pas nadat ze om een oprijplaat heeft gevraagd. Of een slechthorende student die de les kan volgen, maar alleen als de docent een microfoon gebruikt. “Dit soort situaties komt geregeld voor”, zegt Schoonbeek. “Studenten buiten de dominante norm kunnen vaker meedoen. Toch is dat geen échte inclusie.”

“Studenten buiten de dominante norm kunnen vaker meedoen. Toch is dat geen échte inclusie”

In zulke situaties passen studenten zich namelijk aan het schoolsysteem aan, verduidelijkt De Koning. “Er zijn voorzieningen, maar studenten moeten zelf stappen zetten om die te gebruiken. Meedoen is niet vanzelfsprekend.” Volgens ECIO is er pas sprake van echte inclusie als dit omdraait: als het onderwijs zó wordt ingericht dat zoveel mogelijk studenten kunnen meedoen, zonder om aparte aanpassingen te hoeven vragen. Schoonbeek: “Het systeem krijgt dan een ander ontwerp, met diversiteit als norm.”

Om dat herontwerp uit te leggen, gebruikt ECIO een metafoor. Stel: een groep mensen wil over een schutting kijken, maar sommigen zijn te klein. Dan kun je zeep-

kistjes neerzetten. Maar je kunt ook de schutting weghalen, zodat iedereen hetzelfde uitzicht heeft. De Koning: “De grootste belemmering voor inclusie zit niet in mensen zelf, maar in de omgeving en processen waarin zij zich bewegen. Díé moeten anders.”

Wat al goed gaat

Volgens Schoonbeek kijken veel mbo-instellingen tegenwoordig beter naar wat studenten nodig hebben om hun opleiding af te ronden. “Er wordt meer met hen meegedacht over oplossingen — ook maatwerk.”

Waar zulke ondersteuning vroeger vaak verspreid zat over verschillende afdelingen en functies, kiezen meer instellingen nu voor centrale expertiseteams. “Dat zorgt voor kortere lijnen en betere kennisdeling.”

Daarnaast groeit de aandacht voor inclusie binnen de professionalisering van docenten. Zo leren steeds meer van hen vroeg te signaleren dat het niet goed gaat met een student – bijvoorbeeld wanneer die zich terugtrekt, vaker afwezig is of opdrachten niet inlevert. Deze professionele ontwikkeling wordt versterkt door samenwerking en kennisuitwisseling tussen mbo-instellingen, hogescholen, universiteiten, gemeenten en zorgorganisaties, vooral op het gebied van studentenwelzijn en begeleiding.

Wat nog beter kan Hoeveel er ook goed gaat, inclusie is nog lang niet overal structureel verankerd. “Het hangt vaak af van individuele docenten”, zegt Schoonbeek. “Zo’n bevlogen persoon kan veel betekenen voor studenten. Maar als die vertrekt, verdwijnt soms ook een deel van de aanpak.”

Tijd en prioriteit spelen eveneens een rol. De Koning: “Onderwijsinstellingen staan voor veel opgaven

tegelijk, van curriculumvernieuwing tot personeelstekorten.Inclusie wordt daardoor nog te vaak gezien als iets extra’s, in plaats van als een vanzelfsprekend onderdeel. En dat maakt het kwetsbaar.”

Ook bij nieuwbouw of renovatie van onderwijsgebouwen gaat het niet altijd goed. “We zien dat studenten met een beperking vaak niet bij het ontwerp worden betrokken”, zegt Schoonbeek. “Na oplevering komen er dan soms problemen aan het licht, zoals witte trappen zonder contrast of toiletten die moeilijk toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers. Aanpassingen achteraf zijn dikwijls duur en omslachtig.”

“Extra visueel contrast kan helpen voor studenten met een visuele beperking, maar voor andere studenten juist te veel prikkels opleveren.”

Volgens ECIO is het belangrijk om met een representatieve groep studenten na te denken over de inrichting van onderwijs en gebouwen — zeker ook aan de voorkant van het proces. “Samenwerken aan inclusief ontwerp voorkomt onder meer dat oplossingen met elkaar botsen”, zegt De Koning. “Extra visueel contrast kan bijvoorbeeld helpen voor studenten met een visuele beperking, maar voor andere studenten juist te veel prikkels opleveren. Je moet steeds kijken welke oplossingen nodig zijn en hoe die zich tot elkaar verhouden.”

Wat je nu kunt doen

Ook docenten kunnen bijdragen aan inclusie — morgen al, in de klas. “Het zit vaak in kleine dingen,” zegt Schoonbeek. “Zorg bijvoorbeeld voor genoeg ruimte tussen tafels, zodat ook studenten in een rolstoel zich makkelijk door het lokaal kunnen bewegen. Maak lesmateriaal standaard digitaal toegankelijk en

beschikbaar, zodat studenten het kunnen vergroten, laten voorlezen of met andere hulpmiddelen kunnen gebruiken. En gebruik een microfoon als er een slechthorende student in de klas zit, zonder dat die daar telkens om hoeft te vragen.”

Variatie in werkvormen en toetsing kan ook helpen. Door studenten verschillende manieren te geven om te laten zien wat ze kunnen — bijvoorbeeld via presentaties, praktijkopdrachten of schrijfwerk — ontstaat ruimte voor meer leerstijlen. “Aanpassingen hoeven niet meteen groot te zijn”, benadrukt Schoonbeek. “Begin klein. Als je in je eigen onderwijspraktijk inclusiever gaat werken, heb je al iets in beweging gezet.”

Wat is ECIO?

Het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) helpt mbo-, hbo- en wo-instellingen om onderwijs inclusiever te maken – niet alleen in beleid, maar juist ook in de dagelijkse praktijk. Dat doet het centrum door thema’s zichtbaar te maken en te agenderen, instellingen te ondersteunen met tools en advies, kennis te ontwikkelen en te delen, en mensen en organisaties met elkaar te verbinden. Acht elementen voor inclusief onderwijs fungeren daarbij als een kompas. Geen afvinklijst, maar richtinggevende handvatten die helpen om steeds opnieuw passende keuzes te maken voor een diverse groep studenten — en zo stap voor stap te bouwen aan onderwijs waarin iedereen tot zijn recht komt. Dat is niet alleen van belang voor studenten met fysieke of mentale beperkingen, maar ook voor studenten met bijvoorbeeld een chronische aandoening, een neurodivergent profiel, een complexe thuissituatie of een genderidentiteit of -expressie die buiten de norm valt.

Worden wie jebent

ze hebben met elkaar te maken, tóch is het verschil reuze: diversiteit is een gegeven inclusie is een keuze

het gaat om willen weten, om zien in plaats van kijken dankzij in plaats van ondanks, alles kunnen bereiken

steeds net dat stapje extra zetten iemands waarde willen zien omdat het gaat om motivatie en om kansen bovendien

juist waar het vaak ontbreekt aan geloof in eigen kunnen draait het om zelfvertrouwen om afstand overbruggen

om alle praktische bagage voor een heel speciale reis om mensen in de maak bewegen voorbij stempels, onderwijs…

bevlogen en betrokken blijven werken met talent hulp bij het durven leren bij het worden wie je bent

Dichter, spoken-word-artiest en theatermaker

” “

De Praktijk aan het Woord

Doorstroom vraagt om dubbele moed

Deze rubriek laat mensen uit het onderwijs aan het woord over hun ervaringen met inclusie. In deze Praktijk aan het Woord: Loopbaancoaches Jette Sunter en Ilja Cras. Zij vormen samen met trajectbegeleider Marlies van Kerkhof het kernteam van Buitenkans. Dit project op Rijn IJssel KansRIJk bereidt studenten voor op een Entreeopleiding.

Sommige jongeren komen met een zware rugzak naar ons Welkomstgesprek. Geen tas met schoolboeken, maar ervaringen die je niemand toewenst — soms op meerdere leefgebieden. Denk aan opgroeien in een onveilig gezin, gepest worden en vastlopen in het onderwijs. Vaak zijn ze lang uit het onderwijs geweest en zien ze dat als falen. Toch kloppen ze bij ons aan. Een deel van hen kan direct beginnen met een Entreeopleiding. Maar elk jaar zijn er zo’n vijftig jongeren die daar nog niet klaar voor zijn. Zij missen nog de vaardigheden om een lesweek vol te houden, zoals plannen, afspraken nakomen, feedback geven en ontvangen en samen of zelfstandig werken fysiek én digitaal. We willen hen niet laten vallen, want ze verdienen een kans.

Dus geven we die: een Buitenkans. Onder deze naam begonnen we in 2023 een startersklas van vijftien weken. In kleine groepen kregen studenten vóór het begin van de Entreeopleiding de tijd, structuur en

persoonlijke aandacht om te werken aan hun studievaardigheden, zelfvertrouwen en zelfkennis — aan vragen als ‘wie ben ik?’, ‘wat kan ik?’ en ‘wat wil ik leren?’

Niet loslaten

Het programma was divers en flexibel: veel meer dan alleen Nederlands en rekenen. Ondernemers en mensen in loondienst kwamen bijvoorbeeld vertellen over hun loopbaankeuzes en geleerde lessen, zoals de waarde van doorzetten en verantwoordelijkheid nemen. En een bezoek aan de rechtbank maakte de gevolgen van gedrag inzichtelijk. Op een wekelijkse praktijkdag werkten studenten bovendien mee bij een extern bedrijf, bijvoorbeeld een zorgorganisatie. Daar maken ze kennis met werknemersvaardigheden, zoals op tijd beginnen en afspraken nakomen.

Die combinatie van veiligheid en realiteit maakte verschil. Jongeren die eerst nauwelijks durfden te spreken, namen ruimte in. Studenten met angst of een pestverleden stroomden door. Tientallen behaalden uiteindelijk een Entree-diploma.

Niet dat iedereen doorstroomde. Zo’n zestig procent haakte vroegtijdig af soms door problemen op meerdere leefgebieden tegelijk, zoals psychische klachten, instabiele huisvesting en zware hulpverleningstrajecten. We leerden dat onderwijs helaas niet altijd mogelijk is. Dat betekende loslaten,

maar niet: laten vallen. We bleven contact houden met jongeren, hun netwerk en partners als gemeente en wijkteam. Waar nodig zorgden we voor een warme overdracht naar die partners.

Serieus nemen

We leerden ook dat het risicovol is om groepen te maken met alleen studenten in een kwetsbare positie en afstand tot het onderwijs. Zij kunnen elkaars terugtrekgedrag en afwezigheid normaliseren, en elkaar zo onbedoeld naar beneden trekken. Daarom gaan we de aanpak, ervaringen en lessen van Buitenkans integreren in een vernieuwd Entreeconcept. Studenten met een achterstand sluiten vanaf 2026 direct aan bij andere Entreestudenten. Samen volgen ze een startmodule die hetzelfde aanbiedt als Buitenkans deed en die voor iedere student nuttig is.

Voor scholen die kansengelijkheid nastreven, kan zo’n module het verschil maken. Zeker als ze werken vanuit verwondering in plaats van angst: gedrag niet direct corrigeren maar eerst onderzoeken, bij het eerste gesprek doorvragen en verzuim serieus nemen zonder studenten definitief af te schrijven.

Bovendien is er lef nodig. Lef van jongeren om ondanks alles opnieuw te beginnen. En lef van een school om te zeggen: “Je bent welkom, zelfs als je achterstand groot is. We helpen je op weg en blijven naast je staan, ook als Entree nog te vroeg blijkt.”

Zo werkt ThiemeMeulenhoff aan inclusie

Elke leerling moet zich kunnen herkennen in lesmateriaal

Wat gebeurt er als je een opleiding volgt en het lesmateriaal niemand laat zien die op jou lijkt? Grote kans dat je dan denkt: “Dit is niet voor mij.” Dat kan je motivatie en prestaties aantasten. Hoe voorkomt educatieve uitgeverij ThiemeMeulenhoff die impact? “Inclusie zit in kleine keuzes.”

Als mensen zich veilig en gezien voelen, benutten ze hun talenten beter. Vanuit die overtuiging geeft ThiemeMeulenhoff ruimte en waardering aan verschillen onder medewerkers én in lesmateriaal. Voor de uitgeverij hoort dat bij haar rol als onderwijspartner: leermiddelen ontwikkelen die aansluiten bij verschillende achtergronden, perspectieven en leerbehoeften. Blijkt later dat het lesmateriaal inclusiever kan? Dan plant ThiemeMeulenhoff zo snel mogelijk een aanpassing in. Soms meteen, soms bij de eerstvolgende herziening.

“In 2022 startte ThiemeMeulenhoff de interne werkgroep Diversiteit & Inclusiviteit”, vertelt Freddie van Os, functioneel beheerder van educatieve applicaties en lid van die groep. “Wij adviseren hoe ThiemeMeulenhoff structurele aandacht kan geven aan inclusie. En we kijken samen met onderwijsprofessionals wat inclusiever kan in ons lesmateriaal.”

De groep lag even stil, maar heeft inmiddels weer een impuls gekregen. “Werken aan inclusie is nooit echt ‘af’”, zegt Freddie. “Je moet er als organisatie steeds opnieuw naar kijken.”

Herkend door iedereen

Openstaan voor signalen uit het onderwijsveld is essentieel voor ThiemeMeulenhoff, benadrukt Johanne Bree, auteur en didactisch ontwerper van lesmateriaal voor Nederlands als Tweede Taal (NT2). “Dat soort feedback hebben we nodig, want we kunnen niet alles zelf zien. Onlangs uitte een docent via social media bijvoorbeeld

Freddie van Os Functioneel beheerder van educatieve applicaties en lid van de werkgroep Diversiteit & Inclusiviteit

Johanne Bree Auteur en didactisch ontwerper van lesmateriaal voor Nederlands als Tweede Taal (NT2)

Sophie Franken Contentontwikkelaar beeld en lid van de werkgroep Diversiteit & Inclusiviteit

kritiek op een verouderde NT2-lespagina. In een opdracht zat een impliciet waardeoordeel over uiterlijk, met een raciale lading. We schrokken, erkenden dat dit natuurlijk niet kon en gingen in gesprek met die docent. Samen ontwikkelden we een alternatief voor de pagina — vooruitlopend op de herziening van de hele methode.”

Freddie: “Werken aan inclusie betekent dat je bereid bent om bij te sturen. Ook als dat betekent dat je terugkijkt en zegt: ‘Dit hadden we anders moeten doen.’ Die bereidheid moet er voortdurend zijn, zoals inclusie ook in brede zin blijvende aandacht nodig heeft. Het moet een vast onderdeel zijn van je besluitvorming zeker bij de ontwikkeling van lesmateriaal. Als educatieve uitgever hebben we nu eenmaal een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Iedereen moet zich kunnen herkennen in wat we maken.”

Diversiteit zonder uitleg

Taalkeuzes (zoals het gebruik van ‘die’ in plaats van ‘hij/zij’) kunnen inclusie stimuleren. Beeldkeuzes doen dat minstens zo sterk. “Die kunnen normen bevestigen of juist doorbreken”, zegt

Sophie Franken, beeldcontentontwikkelaar bij ThiemeMeulenhoff en net als Freddie lid van de werkgroep Diversiteit & Inclusiviteit. “Dat kan heel subtiel”, zegt ze. “Laat bijvoorbeeld niet standaard een man en een vrouw zien als het over huwelijken gaat. Toon rolstoelgebruikers niet alleen als patiënten, maar ook als professionals op de werkvloer. En breng eens een

vrouw met een hoofddoek in beeld als leidinggevende. Met zulke keuzes normaliseer je diversiteit. Zo draag je bij aan inclusie.”

Soms betekent een inclusieve beeldkeuze ook iets níét laten zien. “In een geschiedenisreeks overwogen we eens een oude prent van de profeet Mohammed op te nemen”, vertelt Sophie. “We gingen daarover in gesprek met diverse betrokkenen. Al snel begrepen we dat het beeld voor een deel van de lezers erg kwetsend zou zijn, terwijl de educatieve meerwaarde beperkt was.” De prent werd niet geplaatst. Freddie: “Elke taal- en beeldkeuze in lesmateriaal heeft impact. Je versterkt een perspectief of verzwakt het. Daarom is het cruciaal om goed over die keuzes na te denken.”

Bruikbaar voor iedereen

Inclusie gaat niet alleen over representatie, maar ook over toegankelijkheid. ThiemeMeulenhoff volgt de Europese Toegankelijkheidswet. “Volgens deze wet moeten online platforms zó zijn ingericht dat iedereen ze zelfstandig kan gebruiken, ook met een visuele beperking of dyslexie”, vertelt Freddie.

Bij de doorontwikkeling van het eigen digitale platform houdt ThiemeMeulenhoff die eis voortdurend in het oog. “We testen de toegankelijkheid met ervarings-

deskundigen en werken samen met gespecialiseerde organisaties, zoals Dedicon. We stellen onszelf vragen als: is de omgeving goed te bedienen zonder muis, werkt de voorleesfunctie naar behoren en blijft de lay-out ook voor iemand met kleurenblindheid leesbaar? Daarnaast vinden we het belangrijk dat ons platform goed werkt met hulpmiddelen die sommige studenten zelf gebruiken, zoals voorleesapparatuur of browserextensies.”

Een recente verbetering is een verhoogd kleurcontrast en aangepaste lettertypes in kaarten — handig voor gebruikers die minder goed zien. Ook onderzoekt ThiemeMeulenhoff op dit moment een ‘focusmodus’, waarmee studenten die sneller overprikkeld raken een rustigere weergave kunnen gebruiken.

Voorbereid op verschillen

“Wanneer onderwijs aansluit op de behoeften en leefwereld van gebruikers, vergroot dat hun betrokkenheid”, zegt Johanne. “Zeker als niet alleen het lesmateriaal, maar ook de docent ruimte biedt aan verschillen, bijvoorbeeld via klassengesprekken. Wie zichzelf in onderwijs herkent, denkt: ‘Dit is voor mij’ en voelt zich serieuzer genomen.” Sophie: “Doordat gebruikers in inclusief lesmateriaal een diversiteit aan perspectieven tegenkomen, leren ze bovendien verder kijken dan hun eigen ervaring. Zo bereidt onderwijs hen beter voor op een diverse samenleving en werkpraktijk.”

“Voor ons betekent inclusie dat iedereen zich in het materiaal kan herkennen en volwaardig kan meedoen”, vat Freddie samen. “Dat hoort voor ThiemeMeulenhoff bij goed onderwijs.”

Quiz antwoorden

De quiz gedaan op pagina 12? Hier zie je de juiste antwoorden en wat jouw score zegt over je inclusieve mindset.

VRAAG 1  Juiste antwoord

Inclusie betekent niet zozeer dat verschillen bestaan, maar dat het onderwijs daar structureel ruimte voor maakt. Pas als diversiteit echt wordt meegenomen in het (ontwerp van) onderwijs, worden gelijke kansen mogelijk. (Zie ook pagina 32.)

VRAAG 2  Juiste antwoord

Niet iedereen start vanuit dezelfde positie. Studenten met een achterstand hebben vaak méér ondersteuning nodig om gelijke kansen te krijgen. Gelijke ondersteuning voor iedereen kan ongelijkheid juist vergroten. (Zie ook pagina 9.)

VRAAG 3  Juiste antwoord

Onderzoek van onder meer de Algemene Rekenkamer bewijst dat uitval in het mbo sterk samenhangt met stress buiten school, bijvoorbeeld door armoede of mantelzorg. Niet zozeer met motivatie, intelligentie of achtergrond. (Zie ook pagina 4.)

VRAAG 4  Juiste antwoord

Veel studenten hebben moeite met korte meetmomenten aan het eind van een lesperiode: ze kunnen daarin niet laten zien wat ze hebben

geleerd. Tegelijkertijd laten alle studenten goed hun ontwikkeling zien als deze gedurende de hele lesperiode gemeten wordt. (Zie ook pagina 18.)

VRAAG 5  Juiste antwoord

Inclusief onderwijs vraagt geen perfecte kennis van alle verschillen; het vraagt bewustzijn van eigen aannames en ruimte om te differentiëren. Dat hoort bij professioneel handelen. (Zie ook pagina 36.)

VRAAG 6  Juiste antwoord

Vrouwonvriendelijke of andere grensoverschrijdende uitspraken in de klas vragen om pedagogisch handelen. Door niet instemmend, maar wel open het gesprek aan te gaan, maak je normen bespreekbaar en geef je studenten handvatten om inclusief te denken. (Zie ook pagina 20.)

VRAAG 7  Juiste antwoord

Een inclusieve school is een community waarin iedereen — van studenten en docenten tot ondersteunend personeel — zich mede verantwoordelijk voelt voor een veilige en respectvolle omgeving. Iedereen erkent en waardeert verschillen. (Zie ook pagina 36.)

VRAAG 8  Juiste antwoord

Inclusie begint bij inzicht: pas als je weet wat inclusie inhoudt, kun je kritisch kijken of het ontwerp van je opleiding daaraan voldoet, inschatten of er aanpassing nodig is en zo ja, stappen zetten voor een herontwerp. (Zie ook pagina 32.)

VRAAG 9  Juiste antwoord

De verwachtingen die docenten (bewust of onbewust) laten merken, hebben grote invloed op de kansen van studenten. Hoge, realistische verwachtingen versterken hun zelfvertrouwen en leervermogen. Te lage verwachtingen doen het tegenovergestelde. (Zie ook pagina 9.)

VRAAG 10  Juiste antwoord

Digitale leeromgevingen moeten volgens Europese regels zó zijn ontworpen dat iedereen ze zelfstandig kan gebruiken — ook studenten met een visuele beperking of dyslexie. Platforms moeten bijvoorbeeld goed werken met voorleessoftware en genoeg contrast bieden. (Zie ook pagina 48.)

Zo inclusief denk jij over het mbo!

0–3 goede antwoorden

Bouw verder op je start

Je staat positief tegenover inclusie, maar denkt er soms nog wat te eenvoudig over. Blijf nieuwsgierig, dan word je snel scherper!

4–7 goede antwoorden

Je bent goed op weg

Je ziet dat inclusie meer is dan ‘iedereen gelijk behandelen’. Nu is het zaak om je inzicht te vertalen naar de dagelijkse praktijk. Dat gaat je lukken!

8–10 goede antwoorden

Jij hebt het scherp

Grote kans dat collega’s jou om advies vragen over inclusie. Want jij snapt echt wat het is en dat het een vast onderdeel moet zijn van onderwijs.

Op zoek naar nog meer inspiratie?

SAMEN LEREN VERNIEUWEN

DE PODCAST

Samen leren vernieuwen, de onderwijspodcast van ThiemeMeulenhoff, neemt je mee in de dagelijkse praktijk van het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. In elke aflevering hoor je herkenbare uitdagingen én frisse ideeën over wat er speelt in het onderwijs. Laat je inspireren door experts en collega docenten die samen werken aan toekomstgericht onderwijs dat leerlingen en studenten laat groeien.

www.thiememeulenhoff.nl/podcast

Beluister hier

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Mbo-magazine 'Uit liefde voor het vak' #4 - Hoe maak je onderwijs echt inclusief? by ThiemeMeulenhoff - Issuu