Skip to main content

Kennis Bedrijfseconomie niveau 4 werkboek

Page 1

WERKBOEK NIVEAU 4

Kennis Bedrijfseconomie

BV in Balans – De ondersteunende methode voor praktijkleren Deze uitgave Kennis Bedrijfseconomie maakt deel uit van de serie BV in Balans. In deze serie zijn leermiddelen ontwikkeld op basis van het kwalificatiedossier voor de Financieel administratieve beroepen zoals dat geldt vanaf augustus 2016. Kennis Bedrijfseconomie maakt de leerstof voor de bedrijfsadministrateur en de junior assistent-accountant compleet door in te gaan op de vermogensbehoefte van de handelsonderneming, elementaire kengetallen en de liquiditeitsbegroting. Verder is er extra aandacht voor variabele kostencalculatie en bedrijfseconomische analyse van de jaarrekening.

financiele beroepen

Kennis Bedrijfseconomie

Ondersteunend leren De methode BV in Balans biedt de gelegenheid om zelfstandig of klassikaal aan de slag te gaan met het aanleren van ondersteunende kennis nodig voor het uitvoeren van kerntaken binnen het financiële werkveld. Didactisch doordacht De methode BV in Balans houdt nadrukkelijk rekening met leerstijlen van studenten en onderwijsstijlen van docenten. De student wordt uitgenodigd om op een eigen manier de leerstof en opdrachten te verwerken, waarbij één doel voorop staat: ‘voorbereiden op een beroep in het financiële werkveld’.

WERKBOEK

Diversiteit aan leermiddelen De herziene serie BV in Balans bestaat uit theorieboeken en (leer)werkboeken, die binnen de kaders van het kwalificatiedossier, aansluiten op de toetsmatrijzen van SPL. De theorieboeken geven een heldere uitleg van de vakinhouden, verduidelijkt met voorbeelden. De werkboeken starten met oriënterende vragen en kennisvragen. Met routineopdrachten, praktijktaken en een integrale casus krijgt de student de kans om de vaardigheden, nodig voor het uitvoeren van kerntaken, eigen te maken. BV in Balans is geschreven voor de kwalificaties: - Financieel administratief medewerker (Profiel 1: B1-K1 t/m K3 = basisdeel) - Bedrijfsadministrateur (Profiel 2: basisdeel, aangevuld met P2-K1) - Junior assistent-accountant (Profiel 3: basisdeel, aangevuld met P3-K1)

EDWARD VAN BALEN PIETER MIJNSTER

9 789006 640984


Voorwoord Het middelbaar beroepsonderwijs verandert voortdurend onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en in het bijzonder door de eisen die de beroepspraktijk aan de opleidingen stelt. Met het verschijnen van het nieuwe kwalificatiedossier 2015 introduceert ThiemeMeulenhoff de volledig herziene methode BV in Balans. De herziene methode sluit, binnen de kaders van dit kwalificatiedossier, aan op de toetsmatrijzen van de SPL. Drie belangrijke kenmerken van BV in Balans zijn: • Dé methode voor ondersteunend leren of u nu klassikaal met de studenten aan de slag wilt of de studenten meer zelfstandig wilt laten werken. • Sterk didactisch concept. De methode houdt rekening met de verschillende leerstijlen van studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten. • Grote verscheidenheid aan leermiddelen. De theorieboeken en de werkboeken bieden een groot scala aan materiaal voor de studenten om mee te oefenen. De hoofdstukken van het werkboek kennen de volgende structuur. • Start met een oriëntatie op het onderwerp waarbij de student uitgedaagd wordt voorkennis te activeren of actief op zoek te gaan naar inhoud. • Het kennisdeel zorgt ervoor dat de student de theorie doorneemt en de feiten, begrippen en verbanden in de leerstof leert. • Met de routineopgaven gaat de student aan de slag met het oefenen van vaardigheden op het basisniveau. • De praktijktaken lijken, door de context waarin ze zijn geplaatst, meer op echte problemen die de student moet oplossen, waarbij kennis en routinematig handelen onmisbaar zijn. • De integrale casus zet de student nogmaals aan het werk met alle leerstof uit het hoofdstuk. Deze casus kan aangemerkt worden als een miniproeve over het hoofdstuk. • Met de gesloten vragen Test je kennis en inzicht kan de student controleren of hij de begrippen en verbanden in voldoende mate kent. Test je kennis en inzicht kan uiteraard ook als instapper worden gebruikt wanneer met dit hoofdstuk wordt begonnen. • Voor persoonlijke ontwikkeling blikt de student altijd terug op het proces met de reflectievragen aan het eind van het hoofdstuk. • Als hulpmiddel bij de planning is het werkboek voorzien van een tijdsaanduiding per onderdeel. De vermelde tijdseenheid is haalbaar voor de gemiddelde student die serieus met zijn werk aan de slag gaat. De tijdsaanduiding is zeker niet bedoeld om de student uit te dagen om het werk binnen deze tijd af te ronden. • Achter in het werkboek vindt de student de eindantwoorden waarmee hij kan controleren of hij de vragen uit de diverse opdrachten juist heeft. De serie BV in Balans is met de grootste zorg ontwikkeld. Wij hopen dat u met plezier werkt met BV in Balans. Meer informatie over BV in Balans vindt u op onze methodesite: www.bvinbalans.nl. Wanneer u vragen of suggesties heeft, dan kunt u contact met ons opnemen.

De auteurs en uitgever


Inhoudsopgave 1

Vermogensbehoefte 5 Aan de slag met ‘Vermogensbehoefte’ 5 Oriëntatie en Kennis 6 Routine 14 Praktijk 31 Integrale casus 41 Reflecteer op je werkzaamheden 48 Test je kennis en inzicht 49

2

Liquiditeit en solvabiliteit 53 Aan de slag met ‘Liquiditeit en solvabiliteit’ 53 Oriëntatie en Kennis 54 Routine 63 Praktijk 81 Integrale casus 91 Reflecteer op je werkzaamheden 100 Test je kennis en inzicht 101

3

Rentabiliteit 103 Aan de slag met ‘Rentabiliteit’ 103 Oriëntatie en Kennis 104 Routine 112 Praktijk 133 Integrale casus 140 Reflecteer op je werkzaamheden 145 Test je kennis en inzicht 146

4

Variabele-kostencalculatie 149 Aan de slag met ‘Variabele-kostencalculatie’ 149 Oriëntatie en Kennis 150 Routine 157 Praktijk 169 Integrale casus 179 Reflecteer op je werkzaamheden 190 Test je kennis en inzicht 191

5

Analyse van de jaarrekening 195 Aan de slag met ‘Analyse van de jaarrekening’ Oriëntatie en Kennis 196 Routine 205 Praktijk 218 Integrale casus 223 Reflecteer op je werkzaamheden 233 Test je kennis en inzicht 234

Eindantwoorden

237

195


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

1 Aan de slag met ‘Vermogensbehoefte’

1

1.1 Ondernemersbeslissingen 1.2 Rentabiliteit van een project 1.3 Vermogensbehoefte van de industriële onderneming, de dienstverlenende onderneming en de handelsonderneming 1.4 De vermogensbehoefte van de vlottende activa 1.5 Verbeteren van diversiteit 1.6 De vermogensbehoefte van vaste activa 1.7 Financiering

Leerdoelen Na dit hoofdstuk ken je

de begrippen die met vermogensbehoefte hebben te maken

kun je

de voorraadkern en debiteurenkern bepalen oorzaken voor diversiteit aangeven de activiteitskengetallen van de voorraad berekenen de activiteitskengetallen van debiteuren berekenen de eigenschappen van een ideaalcomplex beschrijven vormen van financiering met langdurig tijdelijk vermogen beschrijven vormen van financiering met kortstondig tijdelijk vermogen beschrijven de bronnen van financiering splitsen in externe, interne en intrinsieke financiering het verschil tussen totale en partiële financiering aangeven het verschil tussen gelijktijdige en volgtijdelijke aanschaf aangeven

1 5


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

1 Oriëntatie en Kennis 90 min

1 1 1 1

Geef antwoord op de oriëntatie- en kennisvragen van dit hoofdstuk. Twijfel je over de juistheid, lees dan de tekst van de theorie nog eens goed door.

1.1

Ondernemersbeslissingen

1.2

Rentabiliteit van een project

1.3

Vermogensbehoefte van de industriële onderneming, de dienstverlenende onderneming en de handelsonderneming 1

Vul de lege cellen van de tabel in.

Begrip

Omschrijving

Operationele cashflow Totaal aan vermogen dat nodig is om investeringen te financieren Permanent vermogen Deel van de vermogensmarkt waarop vermogen wordt verhandeld waarvan de aflossingsperiode langer is dan één jaar

2

Maak de juiste cijfer-lettercombinaties en noteer die op de invullijn.

1

Hypothecaire lening A

Laagste waarde van de voorraad gedurende een jaar

2

Vermogensmarkt

B

Bezittingen die meer dan één productieproces kunnen worden gebruikt

3

Vaste activa

C

Markt waar vragers en aanbieders van vermogen met elkaar handelen

4

Voorraadkern

D

Bedrag dat credit (schuld) op de balans staat voor toekomstige verplichtingen voor bijvoorbeeld groot onderhoud of verliezen op debiteuren

5

Voorzieningen

E

Langlopende schuld met onroerend goed als onderpand

1 6


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

1 1

3

Wat is de operationele cashflow? a winst na belasting minus de afschrijvingen b winst vóór belastingen plus de afschrijvingen c winst na belastingen plus de afschrijvingen d winst vóór belastingen minus de afschrijvingen

4

Wat is de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit? a gemiddelde cashflow per jaar / gemiddeld geïnvesteerd vermogen b gemiddelde cashflow per jaar / aanschafprijs minus de restwaarde c gemiddelde winst per jaar / gemiddeld geïnvesteerd vermogen d gemiddelde winst per jaar / aanschafprijs minus de restwaarde

5

Uitspraak 1: De brutowinstmarge is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs. Uitspraak 2: Debiteuren zijn verstrekt leverancierskrediet. Omcirkel het juiste antwoord. a Beide uitspraken zijn juist. b Beide uitspraken zijn onjuist. c Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. d Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist.

1.4

De vermogensbehoefte van de vlottende activa

1.5

Verbeteren van diversiteit 6

Uitspraak 1: De gemiddelde kredietduur is het gemiddeld aantal dagen dat van leveranciers krediet is ontvangen. Uitspraak 2: Crediteuren zijn ontvangen leverancierskrediet. Omcirkel het juiste antwoord. a Beide uitspraken zijn juist. b Beide uitspraken zijn onjuist. c Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. d Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist.

7

Vul de lege cellen van de tabel in.

Begrip

Omschrijving

Gemiddeld crediteurensaldo Gemiddelde stand van het uitstaande debiteurenbedrag gedurende een jaar Gemiddelde kredietduur Aantal maanden dat het duurt om de gemiddelde voorraad te verkopen

1 7


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

1 1

8

Wat is a de b de c de d de

geen activiteitskengetal voor de voorraad? gemiddelde voorraad omzetsnelheid van de voorraad inkoopwaarde gemiddelde opslagduur

9

Uitspraak 1: De inkopen bepaal je met de inkoopwaarde en de verandering van de voorraad. Uitspraak 2: De inkoopwaarde bestaat uit de inkopen minus de voorraad. Omcirkel het juiste antwoord. a Beide uitspraken zijn juist. b Beide uitspraken zijn onjuist. c Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. d Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist.

10

Kies het juiste alternatief. a Als de omzet gelijk blijft en de omzetsnelheid van de voorraad stijgt, dan daalt / stijgt de opslagduur. b Als de kredietlimiet gelijk blijft en het opgenomen krediet daalt, dan daalt / stijgt de kredietruimte. c Als de gemiddelde kredietduur van crediteuren stijgt, nemen de schulden toe / af. d Als de inkopen groter zijn dan de inkoopwaarde, dan neemt de voorraad toe / af. e Als de omzet op rekening stijgt en de omzet daalt, dan stijgen / dalen de contante verkopen.

1.6

De vermogensbehoefte van vaste activa

1.7

Financiering 11

Uitspraak 1: Bij de opbouw van een ideaalcomplex kan zowel gelijktijdige als volgtijdige aanschaf plaatsvinden. Uitspraak 2: Bij interne ďŹ nanciering verminder je de behoefte aan extra vermogen door beter gebruik te maken van het aanwezige vermogen. Omcirkel het juiste antwoord. a Beide uitspraken zijn juist. b Beide uitspraken zijn onjuist. c Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. d Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist.

1 8


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

12

13

Maak de juiste cijfer-lettercombinaties en noteer die op de invullijn.

1

Debiteurenkern

A

Maximumbedrag dat een onderneming via een rekeningcourantkrediet mag opnemen

2

Geldmarkt

B

Vermogen waarvan de beloning afhangt van de bedrijfsresultaten

3

Ideaalcomplex

C

Deel van de vermogensmarkt waarop vermogen wordt verhandeld waarvan de aflossingsperiode korter is dan één jaar

4

Kredietlimiet

D

Laagste waarde van de debiteuren gedurende een jaar

5

Risicozoekend vermogen

E

Machinepark waarvan de afschrijvingen en vrijgekomen restwaarde voldoende zijn om de vervangingsinvesteringen te doen

Uitspraak 1: Leasing kan door operational lease en financial lease. Uitspraak 2: Partiële financiering is een onderdeel van totale financiering. Omcirkel het juiste antwoord. a Beide uitspraken zijn juist. b Beide uitspraken zijn onjuist. c Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. d Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist.

Samenvatting hoofdstuk ‘Vermogensbehoefte’ 14

Maak de samenvatting af. Maak daarvoor gebruik van de volgende woorden.

afschrijvingen - afschrijvingsbedragen - algemene reserve - de verkoop op rekening - debiteuren - debiteurenkern - externe - externe - factoring - factoring - geldmarkt - gemiddeld geïnvesteerd vermogen - gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit gemiddelde debiteurenbedrag - gemiddelde debiteurenbedragen - gemiddelde kredietduur - gemiddelde voorraad - gemiddelde voorraad - gemiddelde voorraad - gemiddelde winst per jaar - gemiddelden - inkoopwaarde van de omzet intensieve - Interne - kapitaalmarkt - kapitaalmarkt - kleine - korter - kortstondig kortstondig tijdelijk - kortstondig tijdelijk - kredietlimiet - kredietruimte - langdurig langdurig tijdelijk - langdurige - later - minimale - na belasting - omzetsnelheid van de voorraad - omzetsnelheid van de voorraad - op rekening - operationele cashflow - opslagduur - opslagduur van de voorraad - partiële - permanente - permanente rekening-courantkrediet - reserveren van winst - restwaarde - restwaarde risicomijdend - risicozoekend - ruimte, rente en risico - sale-and-leaseback - som van alle restwaarden - som van de aanschafprijzen - stijgt - totale - totale - uitgave - uitgaven - verkorten - vermogen - vermogens - vermogensbehoefte vermogensbehoefte - verschil - verschillende - versleten - voorraad - voorraden voorzieningen - vreemd - winstgevendheid

1 9


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

...........................................................................................................................................................................

1

Streep de gebruikte woorden door zodat je eenvoudig kunt zien welke woorden je (nog) niet hebt gebruikt.

...........................................................................................................................................................................

Ieder bedrijf moet bij een nieuw project investeren in vaste activa en vlottende activa zoals

,

en liquide middelen. Dit leidt tot behoefte.

een extra

financiering gaat de onderneming naar de vermogensmarkt toe.

Bij

als om tijdelijke financiering zijn. De keuze

Dat kan zowel om

vermogen hangt onder andere af van het

tussen eigen en

schuldpercentage (de verhouding vreemd vermogen/

vermogen). Bij een

uitbreiding van het tijdelijke vermogen kiest de onderneming tussen tijdelijk en

tijdelijk.

financiering kan de onderneming vinden door winsten te reserveren. Vermogen vrijmaken door de vermogensbehoefte beter te spreiden is financiering. Bij een project doet een onderneming een

voor investeringen aan het

begin en ze krijgt aan het einde de

weer terug. Het

tussen inkomsten en uitgaven is de . Daarbij zijn afschrijvingen wel kosten, maar geen

. De operationele cashflow bestaat uit de winst plus de

.

De GBR, dat staat voor , geeft inzicht in de

van een investering. De GBR is

de gemiddelde winst per jaar gedeeld door het over de gehele looptijd. Bij de handelsonderneming bestaat er een vermogensbehoefte voor terrein en gebouwen en een vermogensbehoefte voor transportmiddelen.

1 10


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

Bij een schommelende afzet kan een te

voorraad ertoe leiden dat

klanten moeten worden teleurgesteld. Een te grote voorraad zorgt weer voor hoge .

kosten voor

,

Activiteitskengetallen van de voorraad zijn de de

en de . De in een jaar is het gemiddelde van de vier

gemiddelden van de kwartalen. De omzetsnelheid van de voorraad bereken je door de inkoopwaarde van de omzet te delen door de gemiddelde voorraad. De gemiddelde opslagduur is 360 dagen gedeeld door de . De rekening debiteuren neemt toe als de omzet

en als de debiteuren

gaan betalen. Het gemiddelde debiteurenbedrag van een jaar bereken je uit de

van de

kwartalen. De gemiddelde kredietduur van debiteuren is het gedeeld door maal 360 dagen. Voor de liquide middelen sluit de onderneming bij een bank een af. Het maximumbedrag dat op die of het kredietplafond.

manier mag worden geleend, is de De

is het bedrag dat de onderneming nog kan opnemen. zijn altijd aanwezig. De

De voorraadkern en de

som van vlottende activa moet de onderneming met permanent vermogen ďŹ nancieren. Voor de

en/of

vermogensbehoefte daarboven kun je kiezen tussen vermogen of langdurig tijdelijk vermogen.

kan de

Door minder schommeling in de

onderneming met de vermogensverschaffers betere afspraken maken. Een van de voorraad korter

handelsonderneming kan proberen de te maken door betere

planning. Het vrijkomende

kan worden gebruikt voor nieuwe activiteiten. Het van de krediettermijn en het verminderen van de verkoop

1 11


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

zorgt voor een lagere vermogensbehoefte van debiteuren. draag je de debiteuren over aan een factoormaatschappij.

Met

Crediteuren zijn een vorm van

vermogen. Het per

gemiddelde crediteurenbedrag bereken je uit de maand of per kwartaal. De

is het

gemiddelde aantal dagen dat van leveranciers krediet is ontvangen.

Bij gelijktijdige aanschaf van duurzame productiemiddelen ontstaat een grote vermogensbehoefte aan het begin. Dat is de . Aan het einde van de economische gebruiksduur is .

dat de Bij volgtijdelijke aanschaf hebben de machines

leeftijden.

Bij een ideaalcomplex kan de afvlakking van de niet beter. De

die vrijkomen plus de van de afgestoten machine zijn ieder jaar dan precies

voldoende om een

machine te vervangen.

Bij

verkoopt de onderneming haar duurzame

productiemiddelen en leaset deze daarna weer. en de

De vermogensmarkt bestaat uit de . Op de

gaat het om vermogen met

een looptijd van langer dan één jaar en op de geldmarkt

dan één jaar.

financiering is nieuw vermogen via de vermogensmarkt aantrekken. Een vorm van interne financiering is het

.

vermogen aanvaardt onzekerheid over de beloning. De verschaffers van vreemd vermogen zijn

. Bij

financiering trek je het vermogen voor elke bezitting afzonderlijk aan, zoals een hypothecaire lening bij onroerend goed en crediteuren voor financiering van de voorraden. Bij

financiering trekt de onderneming vermogen aan voor een

groep bezittingen.

1 12


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

15

Noteer de drie begrippen die je niet hebt gebruikt bij het invullen van de samenvatting en geef een korte omschrijving van deze begrippen. 1

2

3

16

Lees ‘De uitdaging’ bij de inleiding van dit hoofdstuk. a Noteer alle begrippen die voor jou nieuw of lastig zijn.

b

1

Beschrijf de vaardigheden die je nog niet beheerst, maar die je wel nodig hebt voor het uitvoeren van deze ‘De uitdaging’.

Controleer de uitwerkingen op de Oriëntatie- en Kennisvragen. Laat het steeds duidelijk zien als je antwoorden aanvult of onjuist hebt.

1 13


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

1 Routine

315 min

1 1 1.2

Maak de onderstaande routineopgaven. Als je twijfelt hoe je de opgave moet uitwerken, sla dan de tekst in het theorieboek er nog eens op na of vraag extra uitleg aan je docent.

Opgave 1 Gegeven De onderneming Bijmans bv overweegt een investeringsproject met een eerste uitgave van € 90.000 aan het einde van het jaar 2017. Dit bedrag is nodig voor de aanschaf van een sorteerplatform van € 82.000 en € 8.000 voor voorraden en debiteuren. De vermoedelijke restwaarde aan het einde van 2021 is € 14.000 (€ 6.000 opbrengst machines en € 8.000 vrijkomend vermogen uit voorraden en debiteuren). Neem aan dat de cashflows aan het einde van een jaar beschikbaar komen. De begrote resultatenrekening van dit project voor elk van de jaren 2018 t/m 2021 ziet er als volgt uit. €

124.000

€

112.000

Belastbare winst

€

12.000

Belasting 25%

€

3.000

Winst na belasting

€

9.000

Omzet Kosten (zonder afschrijving)

€

93.000

Afschrijving (lineair)

€

19.000

Gevraagd a Bereken de cashflows voor de jaren 2018 t/m 2021. 2018: 2019: 2010: 2021: b

Bereken het gemiddeld geïnvesteerd vermogen.

1 14


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

1 1.2

c

Bepaal de gemiddelde winst na belasting per jaar.

d

Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.

Opgave 2 Gegeven Bv Carolus overweegt haar activiteiten uit te breiden. De onderneming wil daarvoor investeren in een project met een looptijd van vijf jaar. De aanschafwaarde bedraagt € 680.000. De restwaarde aan het einde van de looptijd bedraagt € 80.000. Het project wordt in jaarlijks gelijke bedragen afgeschreven. Bv Carolus wenst een rentabiliteit op al haar investeringen van minimaal 12%. Bv Carolus verwacht in de komende vijf jaren de volgende resultaten na belasting. • Jaar 1 € 20.000 verlies • Jaar 2 € 80.000 winst • Jaar 3 € 140.000 winst • Jaar 4 € 80.000 winst • Jaar 5 € 20.000 winst Gevraagd a Bereken de gemiddelde winst na belasting.

b

Bereken het gemiddeld geïnvesteerd vermogen.

c

Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.

1 15


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

d

1 1.2

Wordt dit project uitgevoerd? Motiveer je antwoord.

Opgave 3 Gegeven Onderneming Doallux bv wil investeren in project NIX. Zij eist een minimaal gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van 25%. Van het project NIX is het volgende bekend. • Investeringsbedrag € 300.000 • Looptijd van het project vier jaar • Restwaarde van het project € 140.000 • Jaarlijkse cashflow € 86.000 Gevraagd a Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.

b

1 1.2

Wordt het project uitgevoerd? Motiveer je antwoord.

Opgave 4 Gegeven De onderneming Eccoda bv wil een investeringsproject beoordelen met behulp van de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit. De verwachte looptijd van het project is vijf jaar. De aanschafwaarde bedraagt € 800.000. De restwaarde aan het einde van de looptijd bedraagt vermoedelijk € 200.000. Het project wordt in jaarlijks gelijke bedragen afgeschreven. De onderneming verwacht de volgende jaarlijkse winst na belasting. • Jaar 1 € 50.000 • Jaar 2 € 100.000 • Jaar 3 € 150.000 • Jaar 4 € 100.000 • Jaar 5 € 300.000

1 16


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

In de winst van jaar 5 is de vermoedelijke restwaarde opgenomen. De bedrijfsleiding eist van nieuwe investeringsprojecten een gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van 25%. Gevraagd Is het project acceptabel? Motiveer je antwoord.

1 1.2

Opgave 5 Gegeven Van bv Fondex uit Zwaag is het volgende bekend. • De omzet bedraagt € 2.500.000. • De kosten (waarvan afschrijvingen € 240.000) bedragen € 1.560.000. • De vennootschapsbelasting is 25%. Gevraagd Bereken de cashflow.

1 1.2

Opgave 6 Onderstaande activa van nv Gomax stonden als volgt op de balans. • 1 januari 2018: Gebouwen € 5.600.000 Machines € 8.150.000 Inventaris € 800.000 • 31 december 2018: Gebouwen € 5.300.000 Machines € 7.800.000 Inventaris € 720.000

1 17


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

Verder is het volgende bekend. • Er zijn geen activa gekocht of verkocht in 2018. • De winst over 2018 bedraagt € 2.250.000. • De te betalen vennootschapsbelasting over deze winst bedraagt € 542.000. • Het geplaatste aandelenvermogen is € 12.000.000. • Over 2018 wordt € 480.000 dividend uitgekeerd. • De rest van de winst wordt aan de algemene reserve toegevoegd. Gevraagd a Bereken de cashflow voor nv Gomax.

b

1 1.2

Is er sprake van interne financiering? Zo ja, voor welk bedrag?

Opgave 7 Gegeven Horizon bv gaat een project uitvoeren met een looptijd van drie jaar. Het investeringsbedrag betreft een stripmachine met een aanschafprijs van € 38.000 en een restwaarde van € 11.000 na drie jaar. De onderneming heeft de volgende verwachtingen.

2018 afzet

2019

18.000

2020

20.000

16.000

verkoopprijs

€

12 €

12 €

11

kosten (excl. Afschrijvingen) per stuk

€

9 €

9 €

9

De stripmachine wordt lineair afgeschreven. De vennootschapsbelasting bedraagt 25%.

1 18


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

Gevraagd a

Bereken voor Horizon bv de cashflow in 2018. De omzet bedraagt: De kosten bedragen: De winst vóór belasting bedraagt: De belasting bedraagt: De winst na belasting bedraagt: De afschrijving bedraagt: De cashflow bedraagt:

1 1.4

b

Bereken de cashflow in 2019.

c

Bereken ook de cashflow in 2020.

Opgave 8 Gegeven Handelsonderneming Introvert bv vervaardigt houdbare producten. Het magazijn is het gehele jaar door behoorlijk gevuld. De voorraad die in 2018 wordt aangehouden vraagt naar de volgende vermogensbehoefte. • 1e kwartaal 2018 € 228.000 • 2e kwartaal 2018 € 320.000 • 3e kwartaal 2018 € 180.000 • 4e kwartaal 2018 € 254.000 De inkoopwaarde van de verkopen bedraagt € 1.500.000.

1 19


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

Gevraagd a Bepaal de grootste vermogensbehoefte van 2018.

1 1.4

b

Bepaal de voorraadkern in 2018.

c

Geef aan op welke manier in de vermogensbehoefte kan worden voorzien.

d

Bepaal de gemiddelde voorraad.

e

Bereken de gemiddelde voorraadduur.

Opgave 9 Gegeven Handelsonderneming vermogensbehoefte. Debiteuren: • Kwartaal 1 2018 € • Kwartaal 2 2018 € • Kwartaal 3 2018 € • Kwartaal 4 2018 €

Jodolex bv verkoopt op rekening. In 2018 leidt dit tot de volgende

658.000 546.000 458.000 570.000

De verkopen op rekening bedragen € 5.400.000.

1 20


HOOFDSTUK 1 Vermogensbehoefte

Gevraagd a Bepaal de debiteurenkern in 2018.

b

Bepaal het verschil tussen de kleinste en de grootste vermogensbehoefte in 2018.

c

Op welke manier kan in de vermogensbehoefte worden voorzien?

d

Bereken het gemiddelde debiteurenbedrag.

e

Bereken de gemiddelde krediettermijn.

1 1 1

Controleer tussentijds je antwoorden van de gemaakte routineopgaven. Corrigeer fouten met een rode pen. Zo weet je of je op de goede weg bent.

1.4

Opgave 10

1.5

Gegeven Kortex bv verstrekt aan haar debiteuren 48 dagen krediet. Het gemiddelde debiteurensaldo in 2018 is ₏ 240.000. Kortex bv wil vermogen vrijmaken voor andere doeleinden. Gevraagd a Bereken de omzet op rekening in 2018 voor Kortex bv.

1 21


KENNIS BEDRIJFSECONOMIE

1 1

b

Met welk bedrag daalt het debiteurensaldo op de balans voor Kortex bv wanneer de krediettermijn 40 dagen wordt?

c

Met welk bedrag daalt de vermogensbehoefte?

d

Hoe heet deze vorm van financiering?

1.4

Opgave 11

1.5

Gegeven Van onderneming Lomax bv heeft het crediteurensaldo in 2018 het volgende verloop. • 1 januari: € 224.000 • 1 juli: € 476.000 • 31 december: € 364.000 Er is in 2018 voor € 2.700.000 ingekocht. Hiervan werd slechts 15% contant betaald. Gevraagd a Bereken het gemiddeld crediteurensaldo over 2018 van Lomax bv.

b

Bereken de betaling aan crediteuren die Lomax bv in 2018 heeft verricht.

1 22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Kennis Bedrijfseconomie niveau 4 werkboek by ThiemeMeulenhoff - Issuu