Heleen Blok, Clemens de Boer, Marcel den Hollander, Carine Ettema, Gwen Krook, Marian van der Meijden, Sophie Verlaan, Jim Voorhorst
Vormgeving
Michelangela, Utrecht
Crius Group, Hulshout, België
Omslag
Eduardo Media, Stampersgat, Nederland
Over ThiemeMeulenhoff
ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken.
We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd.
Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AI-training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.
ClimatePartner certified product climate-id.com/YI43H3 CO2 measure reduce contribute
Werken met ZugSpitze
Het boek
Bij ZugSpitze werk je met één boek. In dit boek staan de uitleg, de teksten en de opdrachten. Alles wat je nodig hebt, staat dus bij elkaar.
Daarnaast gebruik je ook audio- en videomateriaal. Dat vind je in eDition, de digitale leeromgeving van ZugSpitze
In het boek staan QR-codes. Als je die scant, kun je:
• horen hoe woorden en zinnen worden uitgesproken;
• antwoorden controleren bij bepaalde opdrachten.
Zo kun je zelf nagaan wat je al goed kunt en wat je nog moet oefenen.
Stap voor stap naar de top
ZugSpitze is verdeeld in kleine hoofdstukken. Die heten Schritte Schritt betekent stap — en dat is niet toevallig.
Je leert namelijk stap voor stap Duits:
• spreken
• lezen
• schrijven
• luisteren
Schritt 1 Hallo!
In elke Schritt staat één leerdoel centraal. Je leert bijvoorbeeld jezelf voorstellen, de weg vragen of een menukaart begrijpen.
LEERDOELEN
• ERK/Hören: Je kunt woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd. (A1)
• Grammatik: Telwoorden van 0-20 (passief).
• Vokabeln: De kleuren.
• Aussprache: De ringel-s + klanken die hetzelfde zijn als in het Nederlands.
Aan het einde van elke Schritt maak je een korte test. Deze is niet voor een cijfer, maar om te kijken of je het leerdoel beheerst.
Werken met eDition
Werk je digitaal? Dan maak je je opdrachten in eDition. In eDition vind je:
In deze Schritt maak je kennis met de Duitse taal, maar ook met jonge Duitsers! Mensen dus, die Duits spreken. Je zult merken dat je meteen al veel begrijpt. Want Duits en Nederlands lijken gelukkig best veel op elkaar. Je leert dat veel klanken in het Duits en het Nederlands op dezelfde manier worden uitgesproken. En je leert iets over een letter, die we in het Nederlands niet kennen: De ß. Ook leer je de getallen van 0 tot en met 20 te verstaan. En kun je al bedenken, welke kleuren er bedoeld worden met blau en rot?
• alle opdrachten;
• extra oefeningen voor woordenschat en grammatica;
1 Hören
• audio- en videofragmenten;
• directe feedback bij opdrachten.
In het Duits zijn er verschillende manieren om iemand te begroeten. Welke begroeting kan absoluut niet in het Duits?
Werk je vooral uit het boek? Dan gebruik je eDition voor de audio en video die bij de opdrachten horen, met uitzondering van opdrachten met een QR-code.
A Lees de begroetingen. Kruis de begroeting aan, waarin het vaakst de letter ‘t’ staat. Die begroeting bestaat niet in het Duits. Welke is het?
Waarom heet de methode ZugSpitze?
Guten
Guten
De methode is genoemd naar de hoogste berg van Duitsland: de Zugspitze
Morgen
Abend
Guten Tag
Guten
Mittag
B Emilia en Finn wonen in Duitsland. Ze vertellen onder andere over hun huisdier en hun lievelingsschoolvak.
Je kunt het leren van Duits vergelijken met het beklimmen van een berg. Je gaat niet in één keer naar de top, maar stap voor stap. Met elke Schritt kom je een stukje hoger en kun je steeds meer.
Lees de tip. Luister dan naar ‘Emilia und Finn’. Kloppen de zinnen? Kruis goed of fout aan.
Geen paniek!
• Blijf daarom rustig als je hier en daar wat woordjes misschien niet T I P P
In de komende tijd hoor je vooral Duitse woorden die erg op het Nederlands lijken.
Hören Schritt 1 Hallo!
Even op adem komen: de Zwischenstufe
Net als bij een echte bergtocht kun je niet alleen maar doorlopen. Daarom bevat het boek regelmatig een Zwischenstufe (tussenstop).
In een Zwischenstufe kun je:
• alles herhalen wat je hebt geleerd;
• fouten verbeteren;
• een zelftoets maken;
• zien wat je nog moet oefenen voor een toets.
Ook vind je hier het Sprachfest (een grotere taaltaak) en de Lernecke: een overzicht van alles wat je moet leren voor de toets.
Pictogrammen
In het boek zie je verschillende pictogrammen. Deze laten snel zien wat je moet doen, bijvoorbeeld luisteren, samenwerken of een woordenboek gebruiken. De volgende pictogrammen kom je in het boek tegen.
Hier hoort een luisterfragment in eDition bij.
Hier hoort een kijkfragment in eDition bij.
Opdracht die je met z’n tweeën doet.
Groepsopdracht
Klassikale opdracht
Bij deze opdracht mag je een woordenboek gebruiken.
Extra opdracht
Herhalingsopdracht
LERNEN Als je dit ziet staan, weet je dat je deze stof moet kennen voor de toets.
INHALT
X Landeskunde Willkommen in Deutschland! 6
X Schritt 1-4
Schritt 1 Hören Hallo! Das bin ich! 12
Schritt 2 Lesen Stars in Deutschland! 19
Schritt 3 Gespräche führen
Mein Name ist … 28
Schritt 4 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 35
X Zwischenstufe Schritt 1-4
D-Prüfung 41 Sprachfest Plakat-Alarm! 44
X Schritt 5-8
Schritt 5 Hören Meine Familie 49
Schritt 6 Lesen Im Freizeitpark 55
Schritt 7 Schreiben Am Dienstag und Donnerstag machen wir Sport 64
Schritt 8 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 73
X Zwischenstufe Schritt 5-8
D-Prüfung
X Schritt 9-12
Schritt 9 Hören Einkaufen 86
Schritt 10 Lesen Tolle Geschäfte 92
Schritt 11 Gespräche führen Wie geht es dir? 100
Schritt 12 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 109
X Zwischenstufe Schritt 9-12
D-Prüfung 115
Sprachfest Sprache erfinden 117 Lernecke 120
X Schritt 13-16
Schritt 13 Lesen Wir sehen uns! 122
Schritt 14 Hören Wir fahren in die Hauptstadt! 130
Schritt 15 Schreiben Party! 138
Schritt 16 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 147
X Zwischenstufe Schritt 13-16
D-Prüfung
155
Sprachfest Verkehrsschild 158 Lernecke 161
X Landeskunde Servus und willkommen in Österreich 163
X Schritt 17-20
Schritt 17 Hören Nachrichten & Werbung 170
Schritt 18 Lesen Das klingt wie Musik! 176
Schritt 19 Sprechen Und das bin ich! 185
Schritt 20 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 192
X Zwischenstufe Schritt 17-20
D-Prüfung 200 Sprachfest Im Kino 202 Lernecke 205
X Schritt 21-24
Schritt 21 Lesen Das interessiert mich! 207
Schritt 22 Hören Achtung! Achtung! 217
Schritt 23 Gespräche führen Auf dem Markt! 226
Schritt 24 Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen? 234
X Zwischenstufe Schritt 21-24
D-Prüfung 240 Sprachfest Was ist passiert? 243 Lernecke 246 X Grammatik-Übersicht 248 X Leerstofoverzicht
Geografische en staatkundige kaart Duitsland
X Geografische en staatkundige kaart Oostenrijk
Landeskunde Willkommen in Deutschland!
LEERDOELEN
• Je kunt je eigen interesses en doelen verkennen voor het leren van en over de doeltaal, doeltaalculturen en doeltaalsprekers. (KD8)
• Je kunt onderscheiden waar, door wie en in welke contexten de doeltaal wordt gebruikt. (KD9)
• Je kunt overeenkomsten en verschillen op het gebied van gewoontes, omgangsvormen en perspectieven benoemen binnen en tussen culturen (KD9).
Welkom in Duitsland! En welkom bij het beklimmen van de Zugspitze. Dat is een berg in het zuiden van Duitsland. Met dit boek ga je Duits leren. Dat doe je in kleine stapjes, net als het beklimmen van een berg. Daarom heet ieder hoofdstuk in dit boek Schritt, dat betekent ‘stap‘. In iedere Schritt leer je er weer een beetje Duits bij en zet je dus een nieuwe stap naar de top van de Zugspitze
Op deze en de volgende bladzijdes lees je al iets over Duitsland, de Duitse taal en de Duitsers.
1 Deutsch?
In heel Europa spreken ongeveer 100 miljoen mensen Duits!
A Beantwoord nu de volgende vraag.
Je gaat vanaf vandaag op school Duits leren. Maar waarom leer je Duits? Dat is een hele goede vraag! Er zijn heel veel redenen waarom mensen Duits willen leren. Waarom kan het voor jou nuttig zijn om Duits te leren?
B Het is voor jou echt zinvol om Duits te leren. In welke situaties wordt er waarschijnlijk Duits gesproken?
Lees de volgende tekst.
Duits wordt gesproken in:
· Duitsland
· Oostenrijk
· Zwitserland
· Liechtenstein
· Luxemburg
Daarnaast spreken sommige mensen ook Duits in:
· België (in het oosten)
· Italië (in Zuid-Tirol, een streek in het noorden van Italië)
Duitsland is een belangrijk buurland van Nederland. In Duitsland wonen zoveel mensen dat het de grootste economie van Europa heeft. Duitsland is daardoor ook de grootste handelspartner van Nederland. Nederlanders verkopen veel spullen in Duitsland en verdienen daar veel geld mee. De Rotterdamse haven speelt daarin een grote rol.
Landeskunde
In welke situaties kan er Duits worden gesproken? Kruis wel of niet aan. wel niet
1 Als je met je Duitse buren praat.
2 Als je bij een bloemist werkt en je hebt een Duitse klant.
3 Als je in een hotel of vakantiepark werkt en je hebt Duitse gasten.
4 Als je vrachtwagenchauffeur bent en je moet tanken in Duitsland.
C Maak de volgende opdracht.
Bedenk zelf nog twee situaties waarin je Duits kunt spreken.
2 Deutsch und Niederländisch
A Wat denk je, A, B, C of D?
Kruis het juiste antwoord aan.
1 Hoeveel mensen wonen er in Duitsland?
Ongeveer … A 52 miljoen
B 68 miljoen
C 84 miljoen
D 100 miljoen
2 En hoeveel mensen wonen er in Nederland?
Ongeveer …
A 8 miljoen B 18 miljoen
C 28 miljoen
D 38 miljoen
B In dit boek kom je de Bär en het Ampelmännchen vaak tegen. De beer is het symbool van Berlijn.
Het mannetje van de verkeerslichten is een bijzonder figuurtje bij zebrapaden in Berlijn. Het ziet er anders uit dan in de rest van Duitsland.
Lees de tip.
T I P P
De Bär en het Ampelmännchen in dit boek
• Als je de beer ziet, krijg je informatie over Duitsland. Dat heet Landeskunde
• Als je het rode Ampelmännchen ziet, krijg je een quizvraag over Duitsland. Fantastisch als je het antwoord al weet! En anders is het iets wat de moeite waard is om te onthouden.
• Zie je het groene Ampelmännchen, dan krijg je een tip. Dat kan een tip zijn hoe je woordjes goed kunt leren of hoe je bijvoorbeeld een tekst met vragen kunt aanpakken.
C Vul onder de twee foto’s het juiste Duitse woord in, Bär of Ampelmännchen
3 Deutsch auf der Straße
Ben je al eens in Duitsland geweest? Misschien heb je toen al gemerkt dat je best veel Duitse woorden kunt begrijpen. Duits op straat hoeft niet moeilijk te zijn.
Bekijk de foto’s. Vul eronder in wat het Duitse woord volgens jou betekent.
4
Die Hauptstadt von Deutschland
Berlijn
De hoofdstad van Duitsland is Berlijn. Berlijn ligt in het oosten van Duitsland. Er wonen bijna vier miljoen mensen in Berlijn. Ieder jaar bezoeken meer dan twaalf miljoen toeristen deze stad. Ook uit Nederland komen er veel toeristen. Berlijn is namelijk echt een leuke stad!
Wat dacht je van een bezoekje aan de televisietoren, de Fernsehturm? Deze toren is 368 meter hoog! Er is een uitzichtpunt op 203 meter hoogte. Met een snelle lift ben je zo boven. Met mooi weer heb je een uitzicht van wel 40 kilometer.
De ‘Brandenburgse poort’, Brandenburger Tor in het Duits, is een oude stadspoort. De poort werd in 1791 gebouwd. De poort is 26 meter hoog en 65 meter breed. De poort is in de loop der jaren een symbool van vrede geworden.
In het Rijksdaggebouw, de Reichstag, vergadert het Duitse parlement, de Bondsdag, de Bundestag. Misschien een beetje saai? Toch niet! Op de Rijksdag kun je als toerist in een glazen koepel rondlopen. Op 40 meter hoogte heb je daar ook een mooi uitzicht over de stad. Wel zo prettig als de televisietoren voor jou iets te hoog is.
De hoofdstad van Nederland? Amsterdam. Van Engeland? Londen. Van Frankrijk? Parijs. Maar van Duitsland?
A Vul de volgende zin aan.
De hoofdstad van Duitsland is dus (1) . Er wonen (2) miljoen mensen. De stad ligt in het (3) van Duitsland.
B Noteer onder de foto’s om welk gebouw het gaat. Gebruik de informatie in de tekst.
Brandenburger Tor | Fernsehturm | Reichstag
5 Deutsche Gewohnheiten
Verschillen tussen Duitsers en Nederlanders
Jij of u?
In Nederland zeggen veel mensen snel jij tegen elkaar. Sommige Nederlanders zeggen ook jij tegen leraren of bazen. In Duitsland zeggen mensen vaak Sie als ze iemand niet goed kennen. Dat betekent u. Wat zeg jij tegen je leraar? Jij of u?
Pantoffels in huis
In Duitsland doe je vaak je schoenen uit als je een huis binnengaat. Je krijgt dan pantoffels. Hoe is dat bij jou thuis?
Verjaardag
Als er in Duitsland iemand jarig is zeg je alleen Gratuliere of Alles Gute tegen de persoon die jarig is. Veel Nederlanders feliciteren ook de familie en vrienden van de jarige!
Warm eten
Wat eet jij tussen de middag? Een boterham van huis of een broodje uit de kantine? Meestal is er op school in Nederland geen tijd om warm te eten tussen de middag. Daarom eten veel Nederlanders ’s avonds warm. In Duitsland wordt er vaak ’s middags warm gegeten en ’s avonds juist brood (Abendbrot).
Duitsland en Nederland zijn buurlanden. Maar er zijn kleine verschillen in sommige dagelijkse gewoontes.
Lees de tekst. Kruis aan of de volgende zinnen goed of fout zijn. goed fout
1 In Duitsland mag je best ‘jij’ tegen je baas zeggen.
2 Je mag in Duitsland ook ‘jij’ tegen iemand zeggen die je niet goed kent.
3 In Duitsland is het prima als je in huis op straatschoenen rondloopt.
4 Je moet in Duitsland eerst pantoffels kopen voordat je op bezoek gaat.
5 In Duitsland feliciteer je op een verjaardagsfeest alleen degene die jarig is.
6 In Duitsland eet men ’s middags brood en ’s avonds een warme maaltijd.
6 Ein Quiz über Deutschland
A Wat weet je al over Duitsland? Kruis antwoord A, B of C aan.
1 De kleuren van de Duitse vlag zijn …
A groen, rood, wit.
B rood, wit, rood.
C zwart, rood, goud.
2 Duitsland heeft 9 buurlanden. Welk land is geen buurland van Duitsland?
A Frankrijk
B Italië
C Polen
3 Hoe hard mag je op de Duitse snelwegen rijden?
A 130 kilometer per uur.
B Op een groot deel zo hard als je wilt.
C Overal zo hard als je wilt.
4 Hoeveel kastelen heeft Duitsland?
A 150
B 1500
C 15000
5 Hoeveel auto’s worden er elk jaar in Duitsland gemaakt?
A 400.000
B 4 miljoen
C 40 miljoen
6 Welke automerken komen uit Duitsland?
A Honda, Mitsubishi, Kia
B BMW, Mercedes, Volkswagen
C Seat, Dacia, Skoda
7 Veel Duitsers eten graag worst. Hoeveel verschillende soorten worst zijn er in Duitsland?
A Ongeveer 100
B Ongeveer 500
C Meer dan 1000
8 Welke (extra) straf krijgt een Duitse crimineel als hij uit de gevangenis is ontsnapt en weer gevonden wordt?
A Doodstraf
B Geen straf
C Levenslange gevangenisstraf
B Kijk je antwoorden na en tel hoeveel goede antwoorden je hebt.
0-4 antwoorden goed? Prima! Je gaat in dit boek heel veel over Duitsland leren!
5-6 antwoorden goed? Complimenten! Je bent al aardig op weg om een echte Duitslandkenner te worden!
7-8 antwoorden goed? Wow! Kom jij misschien uit Duitsland?
7 Ein Spiel
Tijd voor een spel! Dit boek, ZugSpitze, is genoemd naar de hoogste berg van Duitsland, de Zugspitze. Over die berg ga je nog meer horen en lezen. Nu ga je het ZugSpitze-Spiel spelen.
A Lees de ‘Aanwijzingen’ goed door.
Aanwijzingen
1 Speel dit spel met twee of drie leerlingen.
2 Op Arbeitsblatt 1 op Seite 261 staat het ZugSpitze-Spiel. Knip het uit.
3 Gebruik als speelfiguur een muntje of een voorwerp uit je etui.
4 Gebruik een dobbelsteen.
5 De jongste speler begint.
6 Kom je op een getal met een opdracht? Dan moet je die opdracht meteen doen.
7 De speler die als eerste op de top van de Zugspitze staat, wint.
B Speel nu het spel. Gebruik de ‘Bord-aanwijzingen’.
Bord-aanwijzingen
4 Je hebt je bagage in een ravijn laten vallen. Ga terug naar start!
7 Een berggeit duwt je naar boven. Ga naar plek 10!
11 Je hebt je verslapen in een berghut. Sla een beurt over!
16 Je hebt een glas Red Bull op en krijgt extra energie. Gooi nog een keer!
22 Je hebt een jodelconcert gegeven. Iedereen is enthousiast! Ga vijf plekken vooruit!
23 Je hebt staan kletsen met een andere bergbeklimmer. Sla een beurt over!
28 Storm, sneeuw en hagel in aantocht! Loop maar gauw door! Ga twee plekken vooruit!
31 Je glijdt uit op een rots. Gevaarlijk hoor! Ga twee plekken terug!
34 Ben je nou echt op een bankje in slaap gevallen? Sla een beurt over!
36 Je staat op de top van de Zugspitze. Gefeliciteerd!
8 Rückschau
Je hebt veel gelezen over Duitsland en de Duitse taal. Wat heb je geleerd over Duitsland en de Duitse taal, wat is je opgevallen?
Kruis ‘ja’ of ‘nee’ aan.
Wat heb jij nu over Duitsland en de Duitse taal geleerd? Wat is jou het meest opgevallen?
1 Ik weet nu hoe de hoofdstad van Duitsland heet.
2 Duits wordt in meer landen gesproken dan ik dacht.
3 Duits kan ook voor mij nuttig zijn.
4 Ik kan de betekenis van sommige Duitse woorden op straat al raden.
5 Ik heb geleerd dat sommige gewoontes in Duitsland anders zijn dan bij ons.
6 Ik weet nu hoe de Duitse vlag eruitziet.
7 Iets anders, namelijk
Veel plezier en succes met het leren van Duits! Heb je er al zin in?
Schritt 1 Hallo! Das bin ich!
LEERDOELEN
• ERK / Hören: Je kunt woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd. (A1)
• Vokabeln: Woorden rond het thema kleuren.
• Grammatik: Je kent de telwoorden van 0-20 (receptief).
• Aussprache: Klinkers die in het Duits en Nederlands ongeveer hetzelfde klinken.
In deze Schritt ga je ontdekken hoe anderen zich voorstellen aan jou en aan elkaar. Verder leer je de getallen 0-20. Daarmee kun je bingo spelen in het Duits. Ook leer je de kleuren in het Duits.
1 Hören
Er is een nieuw meisje in de klas. Een van de jongens wil haar graag leren kennen. Hij stelt haar een paar vragen.
A Lees de tip.
Woorden raden
Je hebt nog geen woord Duits geleerd. Gelukkig klinken veel Duitse woorden hetzelfde als in het Nederlands. Op die manier kun je de betekenis van veel woorden makkelijk raden!
B Luister naar het gesprek. Beantwoord de vragen in het Nederlands.
1 Hoe heten de twee personen?
2 Hoe oud zijn ze?
3 Waar wonen ze?
A Berlin
B Düsseldorf C Hamburg
2 Grammatik: De telwoorden van 0 tot en met 20 null 0 eins 1 zwei 2 drei 3 vier 4 fünf 5 sechs 6 sieben 7 acht 8 neun 9 zehn 10 elf 11 zwölf 12 dreizehn 13 vierzehn 14 fünfzehn 15 sechzehn 16 siebzehn 17 achtzehn 18 neunzehn 19 zwanzig 20
Alles wat je moet leren voor een toets staat in een blauw vlak, zoals hier in deze opdracht
A Luister naar de getallen van 0 tot en met 20 en lees mee.
B Kijk naar het filmpje en probeer mee te zingen.
3 Hören
Je gaat luisteren naar vijf personen die zichzelf voorstellen. Wie hoort bij welke foto?
A Luister naar ‘Fünf neue Personen‘. Noteer de naam van de persoon onder de foto. Kies uit de namen:
Lisa | Mario | Jonne | Sana | Younes
B Luister nog een keer naar de gesprekjes. Verbind de persoon aan de juiste groet.
A Luister naar de namen van de kleuren en lees mee.
B Waar denk jij aan bij de kleuren? Noteer het in het Nederlands.
1 Bij grün denk ik aan gras
2 Bij weiß denk ik aan
3 Bij blau denk ik aan
4 Bij gelb denk ik aan
5 Bij rot denk ik aan
6 Bij schwarz denk ik aan
Hören Schritt 1 Hallo! Das bin ich!
LERNEN
C Vul de naam van de kleur in het Duits in.
1 zwart =
2 grijs =
3 paars =
4 bruin =
5 roze =
6 geel =
5 Aussprache a, e, ie, o
De uitspraak van a, e, ie en au
LERNEN
In het Nederlands en in het Duits zijn er letters die hetzelfde uitgesproken worden.
De a, e, ie en o worden in het Duits en Nederlands hetzelfde uitgesproken.
A Lees wat er over de uitspraak gezegd wordt.
B Luister naar de uitspraak. Onderstreep de klinkers die net zo uitgesproken worden als in het Nederlands.
1 Affe
2 vier
3 Mann
4 wohnen
6 Lesen
Wir stellen uns vor
5 sechs
6 Sonne
7 rechts
8 Tier
Guten Tag! Ich bin Max und ich bin 12 Jahre alt. Ich wohne in Bonn und mein Hobby ist Fußball spielen. Mein Bruder spielt gerne (graag) Basketball.
Hallo, mein Name ist Erva. Ich bin 13 Jahre alt und ich wohne in Berlin. Jeden Samstag (elke zaterdag) schwimme ich. Mein Bruder boxt gern und meine kleine Schwester tanzt gern.
Hi, ich heiße Sofie und ich bin 13 Jahre alt. Ich wohne in Düsseldorf. In meiner Freizeit (vrije tijd) singe und tanze ich gern. Ich habe keinen (geen) Bruder und auch keine (ook geen) Schwester.
Max, Erva en Sofie stellen zichzelf voor. Ze vertellen over hun leeftijd, woonplaats en hobby’s.
Hören
A In de tekst maak je kennis met drie personen die zichzelf voorstellen. Lees de tip.
Onbekende woorden
Probeer net als bij het luisteren de betekenis van onbekende woorden te raden. Duits en Nederlands lijken meer op elkaar dan je denkt! Je kunt het!
B Lees de tekst. Vul de tabel in het Nederlands in voor Max, Erva en Sofie.
Name Max Erva Sofie ich
Alter (leeftijd) 13
Wohnort (woonplaats)
Hobby zwemmen
Geschwister (broers en / of zussen) broer
C Vul in de kolom ‘ich’ jouw gegevens in.
7 Grammatik
Anna vertelt iets over zichzelf, haar broertje, hun huisdieren en de school.
Vul de getallen als cijfers in.
1 Hallo! Ich heiße Anna und ich bin dreizehn 13 Jahre alt.
2 Das ist mein Bruder, Max. Er ist elf Jahre alt. Wir wohnen in Berlin.
3 Max liebt Tiere. Wir haben zwei Katzen.
4 Und wir haben drei Kaninchen (konijnen).
5 In unserer Schule sind neunzehn Kinder in meiner Klasse.
8 Hören
Je gaat luisteren naar Milan. Hij vertelt waar hij woont, hoe oud hij is en wat zijn hobby’s zijn.
Luister naar ‘Milan stellt sich vor’. Kruis de juiste antwoorden aan.
1 Waar woont Milan?
A Bremen
B Dortmund
C Milaan
2 Hoe oud zijn de broers van Milan?
A 8 en 11
B 8 en 14
C 11 en 14
Hören Schritt 1 Hallo! Das bin ich!
3 Welke hobby’s heeft Milan?
A lezen en spelen
B lezen en voetballen
C spelen en voetballen
4 Welke kleur vindt hij niet mooi?
A blauw
B rood
C roze
9 Bingo!
Je kent misschien het spelletje ‘bingo’. Je gaat het in het Duits spelen.
Doe dit als volgt.
• Vul 9 getallen in tussen de 0 en de 20. De docent noemt willekeurig getallen op tussen 0 en 20.
Dit wordt in het Duits gezegd. Let dus goed op!
• Je hebt bingo als je de 3 bovenste vakjes aangekruist hebt. Daarna kunnen jullie nog doorspelen voor de hele kaart.
• Als jullie klaar zijn, kan het nog een tweede keer (tweede kaartje) en een derde keer (derde kaartje) gespeeld worden. Je kunt dan andere getallen invullen.
Viel Spaß (plezier)!
Bingo
Bingo
Bingo
10 Vokabeln
A Vertaal de kleuren naar het Nederlands.
Welke kleur uit de woordenlijst staat er niet tussen?
Hören
B Hier zie je een kleurplaat staan. Geef de nummers de juiste kleur en je ziet wat er staat!
1 = braun
2 = rosa
3 = gelb
4 = orange
5 = grün
6 = schwarz
11 Grammatik
A Zet de sommen in cijfers neer.
1 zwanzig – (minus) fünf = (ist gleich) fünfzehn
2 vier + (plus) dreizehn = siebzehn
3 achtzehn : (geteilt durch) drei = sieben
4 sechs x (mal) zwei = zwölf
B Controleer de uitkomst van de sommen. Eén antwoord klopt niet. Welk?
A som 1
B som 2
C som 3
D som 4
7 = lila
8 = rot
9 = blau
Hören Schritt 1 Hallo!
Teste dich selbst!
LEERDOEL
ERK / Hören - Kun jij woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk gecommuniceerd wordt? (A1)
Doe de test!
Susan en Leo zien elkaar voor de eerste keer bij de dansles. Ze stellen zichzelf voor. Ze vertellen over hun woonplaats, leeftijd en hobby.
Luister twee keer naar ‘Das sind wir’. Beantwoord de vragen in het Nederlands.
1 Wat is de achternaam van Susan?
A Braun B Hoffmann C Meierink
2 Waar woont Leo?
A Bonn B Keulen C Münster
3 Wie is ouder?
A Leo
4 Welke hobby hebben zij beide?
B Susan C Ze zijn even oud.
5 Wanneer zien ze elkaar weer?
Kijk je antwoorden na. Heb je drie of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan drie antwoorden goed? Maak de online herkansing.
Alle herkansingen staan online.
Kus, kus, mis!
Je bent op de verjaardag van je vriendin in Duitsland. Je feliciteert haar, maar bij de derde zoen gaat het mis. In Nederland begroet je en feliciteer je elkaar met drie zoenen. In Duitsland doe je dat met twee zoenen. Daarom kan het weleens mis gaan.
Wat zijn de meest geliefde sporten bij Duitse jongeren?
A Fußball – Turnen – Schwimmen – Tennis
B Handball – Reiten – Tischtennis – Tanzen
C Volleyball – Badminton – Hockey – Boxen Q U I Z
Schritt 2 Stars in Deutschland!
LEERDOELEN
• ERK / Lesen: Je kunt zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen. (A1)
• Vokabeln: Je leert woorden rond de thema‘s gezin en wonen.
• Grammatik: Je leert het gebruik van hoofdletters en de ß.
1 Lesen
Name: Pamela Reif
Beruf: Fitness-Bloggerin, YouTuberin
Geburtsdatum: 09.07.1996
Geburtsort: Karlsruhe
Nationalität: Deutsche
Wohnort: Ibiza
Bruder: Dennis Reif
Name: Jamal Musiala
Beruf: Fußballspieler
Geburtsdatum: 20.02.2003
Geburtsort: Stuttgart
Nationalität: Deutscher
Wohnort: München
Schwester & Bruder: Latisha Musiala und Jerrel Musiala
De teksten geven informatie over twee bekende Duitsers. Kun jij lezen wat er over hem of haar geschreven staat?
A Lees de Steckbriefe van Pamela Reif en Jamal Musiala.
Wat is een Steckbrief?
I P P
Een Steckbrief is een korte beschrijving van een persoon. Steckbriefe van beroemde mensen vind je bijvoorbeeld in boeken of tijdschriften. In dit hoofdstuk staan verschillende Steckbriefe van bekende Duitsers.
Lesen
Lesen
2 Stars in Deutschland!
B Lees de tip en kruis het juiste antwoord aan.
1 Wie is voetballer?
2 Wie maakt fitness-video’s?
3 Wie is de oudste?
4 Wie heeft een broer?
5 Wie heeft een zus?
Anne Frank
Pamela Reif / Jamal Musiala / allebei
Pamela Reif / Jamal Musiala / allebei
Pamela Reif / Jamal Musiala / even oud
Pamela Reif / Jamal Musiala / allebei
Pamela Reif / Jamal Musiala / allebei
Wist je dat Anne Frank een Duits meisje was? Ze is in 1929 geboren in Frankfurt. Tot 1934 woonde ze in Duitsland. Haar moedertaal was Duits, maar ze had jong geleerd om goed Nederlands te spreken en te schrijven. Ze zat tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in het Achterhuis in Amsterdam. Dat is door haar dagboek later wereldberoemd geworden. Ze schreef haar dagboek in het Nederlands.
2 Vokabeln
LERNEN
de zus die Schwester alsjeblieft, alstublieft bitte de stad die Stadt de broer der Bruder de straat die Straße dank je, dank u danke de vader der Vater Duitsland Deutschland Wat zegt u? / Wat zeg je? Wie bitte? de vrouw die Frau wonen wohnen het huis das Haus de woonplaats der Wohnort heten heißen het kind das Kind de man der Mann das Alter de leeftijd de moeder die Mutter der Beruf het beroep de naam der Name die Eltern de ouders nee nein tschüs doei Nederland die Niederlande
A Luister naar de uitspraak van de woorden en lees mee.
B Verbind de Duitse woorden met de juiste vertaling.
1 das Alter
2 das Haus
3 der Wohnort
4 der Name
5 die Stadt
6 der Beruf
A de woonplaats
B de leeftijd
C de naam
D het beroep
E het huis
F de stad
Schritt
C Hier zie je een stamboom van een Duits gezin. Vul bij elk familielid in hoe hij of zij in het Duits genoemd wordt. Sommige familieleden zijn al ingevuld.
Cousin
D Lees de tip en pas hem toe.
Hoe kan je woorden goed onthouden?
Er zijn verschillende manieren om woorden te onthouden. Dit is de eerste manier:
1 Luister een paar keer naar alle woorden. Spreek na en lees mee.
2 Bedek de Duitse woorden; kijk alleen naar de Nederlandse woorden.
3 Zeg en schrijf de Duitse vertaling van de eerste vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft.
4 Zeg hardop de Duitse vertaling van de volgende vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft. Zo oefen je verder tot het laatste woord in de lijst.
5 Oefen op dezelfde manier de woorden die je Duits-Nederlands moet leren.
3 Grammatik: Hoofdletters
Hoofdletters
Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands:
• Aan het begin van een zin. Ich bin Fatma.
• Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland.
Let op!
LERNEN
• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofdletter: der Mann, die Frau, das Kind Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.
A Lees de uitleg over de hoofdletters.
B Welke woorden moeten in het Duits met een hoofdletter geschreven worden? Onderstreep de woorden die een hoofdletter moeten krijgen.
1 emir kommt aus deutschland.
2 emirs vater ist in utrecht geboren.
3 emir spielt basketball mit emma.
4 sie wohnen in einem haus.
4 Lied
Familienlied
Mein kleiner Bruder Leo Mein alter Onkel Theo Er wohnt mit Tante Gabi weit weg in Abu Dhabi
Meine große Schwester Trude wohnt jetzt in Buxtehude Mit ihrem Partner Kai, geboren in Shanghai
Refrain:
Vater, Mutter, Tochter, Sohn brauchen jetzt ein Mikrofon Oma, Opa singen mit in diesem Familienlied
Hoe goed ken je de woorden uit de woordenlijst?
A Luister naar het Familienlied en lees mee.
Xavis Eltern sind auch nett ja, sie singen ein Duett, ihre Kinder (zwölf und zehn) wollen gleich ins Studio geh‘n
Refrain
B Kleur in de tekst ten minste acht woorden die over familie of gezin gaan.
Ayliva gewinnt einen Preis!
Ayliva ist eine bekannte deutsche Sängerin. Sie hat viele Fans. Sie singt Lieder über ihr eigenes Leben.
Ayliva heißt eigentlich Elif Akar. Sie wurde am 1. April 1998 geboren in Recklinghausen, in Deutschland.
Ihre Eltern kommen aus der Türkei. Ayliva hat eine Schwester und einen Bruder.
Sie spielt viele Musikinstrumente und schreibt selbst ihre Lieder.
Ayliva ist bekannt geworden, als sie einige Songs auf Instagram gepostet hatte.
Jetzt werden ihre Songs von vielen Menschen gestreamt und gehört. Darum gewinnt sie einen Publikumspreis.
Heb je wel eens gehoord van de Duitse zangeres Ayliva? Ze heeft geen typisch Duitse naam. In de tekst lees je hoe dat komt.
A Lees de tip.
Moeilijke woorden
Laat je niet afleiden door woorden die je (nog) niet begrijpt. Dat is niet vreemd als je net begint met het leren van een nieuwe taal. Er zijn ook veel woorden die lijken op het Nederlands. Als je goed op deze makkelijke woorden let, dan kun je al veel begrijpen.
B Lees de tekst en kies de juiste vertaling van de volgende Duitse woorden uit de tekst.
hallo, ich bin bekannt als zedd, aber mein echter name ist anton zaslavski. meine familie kommt aus russland. mein beruf ist dj und musikproduzent. ich wohne seit 2012 in den usa. tschüs
Lees de tekst. Onderstreep de woorden die een hoofdletter krijgen. Denk aan de regels van Aufgabe 3.
Lina
Vincent Gross
10 Grammatik
11 Vokabeln
Maak de zinnen af. Gebruik de Vokabeln uit de woordenlijst van Aufgabe 2.
1 Duitsland Kommst du aus ?
2 Nederland Ich fahre durch die
3 straat Wir wohnen in einer langen
4 heten Wie dein Vater und deine Mutter?
5 stad Berlin ist eine große
6 broer Mein heißt Florian.
7 zus Meine heißt Anna.
8 Wat zeg je? ? Kannst du das bitte wiederholen?
Teste dich selbst!
LEERDOEL
ERK / Lesen – Kun je nu zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen? (A1) Doe de test!
Nina stelt zich voor.
Hallo, mein Name ist Nina Chuba. Ich bin im Jahr 1998 in Wedel, Deutschland, geboren.
Als Kind habe ich auch in deutschen Kinderserien und Filmen gespielt. Jetzt bin ich Sängerin. Ich schreibe meine eigene Musik, das ist Pop und Rap. Ich singe auf Englisch und auf Deutsch.
Lees de tekst. Omcirkel het juiste antwoord.
1 Nina Chuba komt uit: Duitsland / Oostenrijk
2 Toen zij jong was heeft zij: gouden medailles gewonnen / in series en films gespeeld
3 Nina Chuba is nu vooral: zangeres / actrice
4 Nina Chubas muziekstijl is: rock / rap
5 Nina Chuba zingt in het: Duits / Engels en Duits
Kijk je antwoorden na. Drie of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan drie goed? Dan kun je online een herkansing maken.
Lesen
Schritt 3 Mein Name ist ...
LEERDOELEN
• ERK / Gespräche führen: Je kunt jezelf voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken. (A1)
• Redemittel: Vragen en zinnen gebruiken om jezelf voor te stellen.
• Aussprache: De ‘u’.
In deze Schritt leer je een kort gesprek te voeren met Duitse leeftijdsgenoten. Handig als je op een camping in Duitsland bent. Je leert groeten en afscheid nemen. Ook leer je de uitspraak van de klinker u.
1 Gespräche führen
Fußballtraining
Lukas Hey, du bist neu hier? Wie heißt du?
Tim Hallo! Ich bin Tim.
Lukas Wie alt bist du?
Tim Ich bin 14 Jahre alt.
Lukas Willkommen bei uns im Team! Spielst du gerne Fußball?
Tim Ja, ich spiele gerne Fußball. Wer ist das?
Lukas Das ist der Trainer.
Trainer Guten Tag, Tim! Spielst du schon lange Fußball?
Tim Ja, schon fünf Jahre.
Trainer Los, spielen wir erst mal Fußball.
Tim is net verhuisd en gaat voor het eerst naar de voetbaltraining. Hij ontmoet de trainer en zijn teamgenoten.
A Luister naar de tekst en lees mee. Noteer drie woorden waarmee je iemand begroet.
1 2 3
B Voer het gesprek in drietallen. Wissel na afloop van rol.
C Voer het volgende gesprek met een drietal. Gebruik woorden en zinnen uit het gesprek van Tim.
Schüler 1
Schüler 2
Schüler 3 Hallo! Hoi! Goedendag! Hoe oud ben je? Ik ben 14 jaar. Ik ben 13 jaar oud. Speel je graag voetbal? Ja, al vijf jaar. Ja, ik speel graag voetbal.
2 Redemittel
Je vraagt / je zegt:
1 Guten Tag, wie heißt du?
Goedendag, hoe heet je?
2 Mein Name ist Anna. Mijn naam is Anna.
3 Wie geht es dir? Hoe gaat het met je?
4 Wie alt bist du? Hoe oud ben je?
5 Was ist dein Hobby? Wat is jouw hobby?
6 Ich muss jetzt gehen. Auf Wiedersehen! Ik moet nu gaan. Tot ziens!
Je zegt:
Hallo, ich heiße Eva. Und wie ist dein Name? Hallo, ik heet Eva. En hoe is jouw naam?
Hallo Anna!
Hallo Anna!
Mir geht es gut / prima. Met mij gaat het goed / prima
Ich bin 13 Jahre alt. Ik ben 13 jaar oud.
Ich spiele Fußball / Gitarre. Ik speel voetbal / gitaar.
Bis morgen! Tschüs! Tot morgen! Doei!
A Luister naar de zinnen en lees mee. Lees ook de tip.
T I P P
Wat ga je met de Redemittel doen?
1 Luister eerst een paar keer naar de zinnen.
2 Oefen samen de uitspraak.
3 Je kunt alle zinnen nu vlot zeggen.
B Voer het volgende gesprek met een klasgenoot. Wissel daarna van rol. Gebruik de zinnen uit de Redemittel
Schüler A
1 Hallo!
2 Wie heißt ... ?
3 Wie geht ...?
4 Wie alt ... ?
5 Was ist dein ... ?
6 Ich muss jetzt ... .
7 Auf ... !
Schüler B
Guten ... !
Ich .... .
Mir geht ... .
Ich bin ... .
Mein Hobby ist ... .
Bis ... !
Tschüs!
C Voer het volgende gesprek met een klasgenoot. Wissel daarna van rol.
Schüler A
Schüler B
1 Hallo! Hallo!
2 Hoe heet je?
3 Hoe oud ben je?
Ik heet ... .
Ik ben ... .
4 Wat is jouw hobby? Ik ... .
5 Ik moet nu gaan. Tot ziens! Tot morgen! Doei!
3 Aussprache: De ‘u‘ De ‘u’
Hoe spreek je de letter ‘u’ uit in het Duits?
‘u’ De ‘u’ spreek je uit als onze oe, zoals in boek en zoen. Buch
A Lees de regel over de uitspraak.
B Luister naar de uitspraak en zeg de woorden na.
1 null – gut – du – Buch – Junge
2 Schule – Blume – Kuh – Rucksack
3 Kurt Huber wohnt in Dortmund.
4 Mein Bruder Linus ist noch jung.
C Oefen de woorden en zinnen met een klasgenoot. Spreek om de beurt een regel uit.
4 Gespräche führen
Martina en Sara voeren samen een kennismakingsgesprek.
A Vul de ontbrekende woorden in. Kies de woorden uit het kader.
alt | bist | heißt | Hobby | ich | ist | Jahre | Name | spielen | Tag | Tschüs | Wiedersehen
1 Martina: Guten ! Wie du?
2 Sara: Hallo! heiße Sara. Und du? Was ist dein ?
3 Martina: Mein Name Martina.
4 Sara: Wie bist du?
5 Martina: Ich bin 14 Jahre alt. Und du? Wie alt du?
6 Sara: Ich bin 13 alt.
7 Martina: Was ist dein ?
8 Sara: Mein Hobby ist Gitarre
9 Martina: Ich muss jetzt gehen. Auf
10 Sara: Bis morgen!
B Voer het gesprek met een klasgenoot. Wissel na afloop van rol.
5 Gespräche führen
begroeten
Hallo!
Guten Morgen
afscheid nemen
Auf Wiedersehen!
Tschüs!
Guten Tag Bis morgen!
Guten Abend
Gute Nacht
In het kader zie je een aantal begroetingen en uitdrukkingen om afscheid te nemen.
A Vul de ontbrekende letters of woorden in.
1 Guten T
2 Auf W der
3 G Ab
Tsch
G M
ll
B Voer de gesprekken met een klasgenoot. Wissel daarna van rol.
Gesprek 1
Schüler A
Schüler B
1 (Goedemorgen), Anna! (Goedemorgen), Tom! Hast du gut geschlafen?
2 Ja, danke. Und du?
Auch gut.
3 (Doei)! (Tot ziens)!
Gesprek 2
Schüler A
6
Schüler B
1 Es ist schon spät. (Welterusten), Lisa! (Welterusten), Max! Schlaf gut!
2 Danke, du auch! (Tot morgen)!
Quiz: Wat weet je al over Duitslan d?
Lees de quiz en beantwoord de vragen.
1 Het Oktoberfest is in
A Berlijn.
B Hamburg.
C München.
2 Hoeveel bezoekers komen er op het Oktoberfest?
A ongeveer 1 miljoen bezoekers
B ongeveer 5 miljoen bezoekers
C ongeveer 10 miljoen bezoekers
3 Hoeveel soorten Bratwurst zijn er ongeveer in Duitsland?
A 50
B 250
C 500
4 Wat is de meest populaire sport in Duitsland?
A tennis
B voetbal
C zwemmen
5 Wat is een Brezel?
A een croissant
B een hard wit broodje
C een krakeling met zout erop
7 Lesen
Paul und Eva stellen sich vor.
Hallo, ich bin Paul Hansen. Ich bin 13 Jahre alt. Ich komme aus Deutschland und ich wohne in Hamburg. Mein Hobby ist Tennis spielen. Ich habe einen Hund. Er heißt Max. Mein Vater heißt Andreas und ist 44 Jahre alt. Meine Mutter heißt Shirley. Sie ist 42 Jahre alt und kommt aus England. Ich habe eine Schwester, sie heißt Emma.
Hey, ich heiße Eva Lehmann. Ich bin 14 Jahre alt. Ich wohne in Bern, das ist die Hauptstadt von der Schweiz. Meine Hobbys sind Turnen und Musik. Ich spiele schon zwei Jahre Gitarre. Wir haben eine Katze, sie heißt Lola. Meine Eltern heißen Rolf und Susanne. Mein Bruder heißt Thomas und ist 17 Jahre alt.
Paul en Eva stellen zich voor en vertellen iets over hun hobby’s en familie.
A Lees de teksten over Paul en Eva.
B Lees de teksten nog een keer. Vul achter elke zin in over wie het gaat. Over Paul (vul een P in) of over Eva (vul een E in).
1 Is het jongst.
2 Heeft een broer.
3 Woont in Zwitserland.
4 Speelt tennis.
5 Vader is 44 jaar.
6 Heeft een kat.
7 Moeder heet Susanne.
8 Moeder komt uit Engeland.
C Zoek in de tekst de vertaling van de volgende woorden.
1 ik woon
2 ik kom uit
3 de hoofdstad
4 ik speel
5 ik heb
6 mijn ouders
Grüezi
Als je op vakantie bent in Zwitserland of Oostenrijk hoor je bijna nooit Guten Tag!
In Oostenrijk hoor je meestal Servus en Grüß Gott. In Zwitserland hoor je heel vaak Grüezi, dat is het Zwitsers-Duitse woord voor Hallo
Mein Alter bleibt geheim
Wie heißt du? Ich heiße Hans. Wer ist das? Mein Bruder Franz. Wie alt ist er? Wie alt bist du?
Er ist dreizehn! Und ich? Hör bitte zu!
Refrain:
Hey, hey du, mein Alter bleibt geheim
Hey, hey du, raten darfst du, fein!
Nicht zehn, nicht zwölf, doch irgendwo dazwischen.
Hey du, mein Alter bleibt geheim.
Was ist dein Hobby? Ich tanze gern. Wo wohnt dein Opa? Er wohnt bei Bern, ganz fern. Und wie alt ist er? Und wie alt bist du? Er ist fast siebzig! Und ich? Hör bitte zu!
Refrain
Es tut mir leid. Stimmt, jetzt muss ich gehen.
Also: Tschüs! Das Treffen hier war toll!
Schön, dich hier schnell kennenzulernen.
Tschüs! Auf Wiedersehen!
Mein Alter bleibt geheim!
Refrain
Herken je de zinnen uit de Redemittel?
A Luister naar het lied ‘Mein Alter bleibt geheim’ en lees mee.
B Beantwoord de vraag.
Klopt het dat de leeftijd van de ik-persoon geheim is? Leg je antwoord uit.
9 Aussprache: De ‘u’
A Lees de woorden. Welke woorden uit het kader rijmen daarop?
Bus | Butter | gut | gesund | Hut | Mund | Mutter | Schluss
rund Mund
Futter
Blut
Kuss
B Spreek de rijmwoorden uit met een klasgenoot. Doe om de beurt een regel.
C Luister naar de uitspraak en zeg de zinnen na.
1 Udo und Ute wohnen in Ulm.
2 Mein Hund heißt Uli.
3 Meine Schwestern heißen Uschi und Ulrike.
4 Mein Bruder Helmut spielt gerne Fußball.
D Oefen de zinnen met een klasgenoot. Spreek om de beurt een zin uit.
10 Gespräche führen
A Combineer vraag en antwoord met elkaar.
Vraag / dit zeg je
1 Hallo!
2 Wie ist dein Name?
3 Wie geht es dir?
4 Und wie alt bist du?
5 Was sind deine Hobbys?
6 Ich muss jetzt gehen.
7 Auf Wiedersehen!
Antwoord
A Ich bin 13 Jahre alt.
B Guten Tag!
C Tschüs!
D Ich spiele Tennis.
E Prima, bis morgen!
F Mein Name ist Monika
G Danke, mir geht es gut.
1 2 3 4 5 6 7
B Voer het gesprek met een klasgenoot. Wissel na afloop van rol.
Teste dich selbst!
LEERDOEL
ERK / Gespräche führen - Kun je nu jezelf voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken? (A1) Doe de test!
In de vakantie ontmoet je een meisje uit de Duitse stad Stuttgart. Jullie raken aan de praat.
A Maak tweetallen. Voer het volgende gesprek. Wissel na afloop van rol.
Mädchen aus Deutschland Du
Hallo! Hoe heet je?
Hoe oud ben je?
Wat is je hobby?
Groet en geef antwoord in een hele zin.
Geef antwoord in een hele zin.
Geef antwoord in een hele zin.
Ik moet nu gaan. Neem afscheid. “Okay”. Neem afscheid.
B Beoordeel elkaar.
Kruis aan hoe goed het gesprek ging.
Sehr gut! (3 Punkte)
Gut! (2 Punkte)
Nicht so gut! (1 Punkt)
Twee punten of meer? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan 2 punten? Dan kun je nog een andere test online doen.
Schritt 4
Wie bitte? Kannst du das bitte wiederholen?
LEERDOELEN
• Vokabeln: Wiederholung Schritt 1 en 2.
• Grammatik: Wiederholung telwoorden tot en met 20, hoofdletters en ß
• Aussprache: Wiederholung klanken die in het Nederlands ongeveer hetzelfde zijn als in het Duits, de letter ’u’.
Als voorbereiding op de toets ga je in deze Schritt de woorden herhalen die je in de vorige Schritte hebt geleerd. Ook oefen je nog eens met de telwoorden tot en met 20, de hoofdletters en de ß. De uitspraak van letters die op het Nederlands lijken en de uitspraak van de u worden ook nog een keer geoefend.
1 Hören
Lara, Tasnim, Mario en Jens stellen zich in het Duits aan je voor.
A Luister naar ‘Lara, Tasnim, Mario und Jens’. Noteer hoe oud de jongens en meisjes zijn.
1 Lara is jaar oud.
2 Tasnim is jaar oud.
3 Mario is jaar oud.
4 Jens is jaar oud.
B Bekijk de tekeningen en luister nog een keer naar ‘Lara, Tasnim, Mario und Jens’. Zet de juiste naam onder elke tekening.
1 2 3 4
2 Vokabeln: Wiederholung Schritt 1
A Kijk naar de foto’s en vul de naam van de kleur in het Duits in.
1 Der Apfel ist 2 Das Pferd ist 3 Der Vogel ist
4 Die Blume ist 5 Die Katze ist 6 Die Zitrone ist
B Noteer achter elke kleur de naam in het Duits. In elk vakje moet één letter. Als je de letters in de gele vakjes van boven naar beneden leest, welke kleur staat daar? 1 2 3 4
Oplossing: Dit betekent:
3 Wiederholung Grammatik: Telwoorden 0-20
Steffi geeft haar telefoonnummer en vertelt over haar dag.
A Luister naar ‘Steffi gibt ihre Nummer‘. Noteer het telefoonnummer.
Telefon: + 4 9
B Luister naar ‘Mein Tagesablauf’ en lees de zinnen mee. Noteer het ontbrekende getal.
1 Steffi erzählt: “Ich stehe um Uhr auf.
2 Dann gehe ich um Uhr in die Schule
3 Um Uhr komme ich dann wieder nach Hause.
4 Wir essen um Uhr unser Abendbrot.
5 Dann gucke ich bis Uhr meine Lieblingsserien.”
4
Lesen
Helen Kevric
Hallo, ich bin Helen Kevric.
Mein Vater ist ein bekannter Fußballspieler: Adnan Kevric.
Er kommt aus Bosnien-Herzegowina. Ich bin in Deutschland geboren.
Mein Sport ist Turnen.
Hier ist ein Foto von mir, als ich Gold gewonnen habe.
Auf diesem Foto bin ich 14 Jahre alt.
Tschüs!
Helen stelt zich voor. Ze vertelt over haar sportieve familie en over deze foto. De foto is genomen op het EK turnen voor jeugd.
Lees de tekst. Kruis aan of de beweringen over Helen goed of fout zijn goed fout
1 Helen en haar vader zijn in hetzelfde land geboren.
2 Helen en haar vader beoefenen dezelfde sport.
3 Helen is erg goed in voetbal.
4 Helen heeft met 14 jaar al een gouden medaille gewonnen.
5 Vokabeln: Wiederholung Schritt 2
A Lees de volgende zinnen. Welk woord uit de woordenlijst van Schritt 2 past het beste in de zin? Omcirkel het juiste woord.
1 Meine Mutter / Meine Eltern heißt Diane. Mein Vater heißt Martin.
2 Mein Haus / Mein Wohnort ist Groningen, eine Stadt im Norden der Niederlande.
3 Der Beruf / Das Alter von meiner Schwester ist achtzehn Jahre.
4 Deutschland / Die Niederlande sind ein kleines Land in Europa.
B Sommige Vokabeln uit de woordenlijst zijn handig als je een gesprekje voert met een Duitser. Een aantal woorden ben je ook al tegengekomen in de leesteksten. Kun je ze terugvinden?
Vul de juiste vertalingen in.
Ja, dank u wel. Alstublieft. Wat zegt u? Nee, dank u wel.
C Welke uitdrukking bij vraag B hoort bij deze foto?
6 Wiederholung Grammatik: Hoofdletters
Julia is haar kat kwijt en heeft een oproep verspreid. Ze is alleen de hoofdletters vergeten. Kun jij haar helpen?
Lees de tekst. Zet een cirkel om de letters die hoofdletters moeten zijn.
meine katze ist weg!
sie heißt mimi und sie ist sieben jahre alt. mimi ist weiß mit gelben augen. mimi wohnt bei uns in berlin. ich will, dass sie wieder nach hause kommt. meine telefonnummer ist 135 896 978. helfen Sie uns bitte!
tschüs!
7 Rätsel
A In de volgende tekeningen zijn vijf verschillen te vinden. Zoek ze alle vijf en zet er een kruisje bij.
B Maak de quiz over de sprookjes van de gebroeders Grimm.
1 In welk sprookje eet een wolf een meisje op dat door het bos loopt?
A Sneeuwwitje
B Roodkapje
C Hans en Grietje
D Assepoester
2 In welk sprookje trouwt het lieve meisje uiteindelijk met de prins?
A Sneeuwwitje
B Roodkapje
C Hans en Grietje
D Assepoester
3 In welk sprookje komt er een pratende toverspiegel voor?
A Sneeuwwitje
B Roodkapje
C Hans en Grietje
D Assepoester
4 In welk sprookje vinden twee kinderen een huis gemaakt van snoep en koek in het bos?
A Sneeuwwitje
B Roodkapje
C Hans en Grietje
D Assepoester
8 Wiederholung Aussprache: a, ie, o en u
In de vorige Schritt heb je kennis gemaakt met een nieuwe letter, de ringel-S en de Duitse klinkers a, ie, o, u.
A Lees de woorden. Welke woorden uit het kader rijmen daarop?
Brot | Bus | Hand | Hose (broek) | Lamm | Mund | Nacht | Schuh (schoen) | Sonne | voll
1 Hund Mund
2 Rose
3 Tonne
4 Boot
5 Kuss
6 Kamm
7 toll
8 acht
9 Kuh
10 Sand
B Spreek de rijmparen uit met een klasgenoot. Doe om de beurt een paar.
die Lara, der Jens Wist je dat veel Duitsers zichzelf voorstellen met die of der voor hun naam?
Meisjes en vrouwen zeggen dan bijvoorbeeld:
‘Ich bin die Lara.’ Jongens en mannen zeggen dan bijvoorbeeld:
‘Ich bin der Jens.’
9 Gespräche führen
In Schritt 3 heb je geleerd hoe je een kennismakingsgesprekje voert in het Duits.
A Lees de Redemittel van Schritt 3 nog een keer samen hardop voor.
B Voer nu een kennismakingsgesprek. Wissel daarna van rol.
1 Goedendag, hoe heet je?
2 Mijn naam is…
3 Hoe gaat het met je?
4 Hoe oud ben je?
5 Wat is jouw hobby?
6 Ik moet nu gaan. Tot ziens!
U I Z
Hoeveel mensen in Europa spreken Duits als moedertaal?
A ongeveer 20 miljoen mensen
B ongeveer 50 miljoen mensen
C ongeveer 80 miljoen mensen
D ongeveer 100 miljoen mensen
Hallo, ik heet … . En hoe is jouw naam?
Hallo …
Met mij gaat het prima
Ik ben … jaar oud.
Ik speel …
Tot morgen! Doei!
Zwischenstufe Schritt 1-4
Deze Zwischenstufe bestaat uit drie delen:
1 D-PRÜFUNG: Als je deze toets hebt gemaakt, kun je zien wat je al goed kunt en wat je nog moet oefenen.
2 SPRACHFEST: Een taaltaak waarin je meerdere vaardigheden combineert.
3 LERNECKE: Hier staan alle woorden en grammatica-onderdelen, die je voor de toets moet leren, handig bij elkaar.
1 D-PRÜFUNG
1 Vokabeln Schritt 1
Je ziet zes scholieren op weg naar school. Welke kleuren hebben hun rugzakken van links naar rechts? Vul deze kleuren in het Duits in.
2 Vokabeln Schritt 2
A Vertaal de woorden in de kantlijn naar het Duits. Let op het gebruik van hoofdletters.
1 alsjeblieft
Kannst du mir die Schere geben?
2 Duitsland Ich habe meine Ferien in verbracht.
3 het huis ist letztes Jahr gebaut worden.
4 woonplaats Mein ist München.
5 de vader von Thomas ist 43 Jahre alt.
6 de moeder ist 40 Jahre alt.
7 wonen Wir in einem Dorf.
8 stad Meine Freunde wohnen aber in einer
9 Nederland sind ein Land in Europa.
10 straat Meine beste Freundin wohnt bei mir in der
B Kruis de juiste vertaling van het Duitse woord aan.
1 das Alter A de bejaarde B de leeftijd C de ouder
2 der Beruf A het beroep B de schreeuw C het telefoontje
3 die Eltern A het gezin B de leeftijd C de ouders
4 tschüs A doei B welkom C welterusten
3 Grammatik: Telwoorden
Je gaat een lekkere appeltaart maken. Hier vind je het recept.
Apfelkuchen:
– Drei Äpfel
– Acht Eier
– Fünf Löffel Mehl
– Vier Päckchen Vanillezucker
– Zwei Stück Butter – Vierzig Minuten im Ofen
A Markeer alle telwoorden die je in het recept vindt.
B Vul de tabel in met de gevonden telwoorden en zet het getal erachter.
Telwoord Getal
4 Grammatik: Hoofdletters
A In het Duits moet je vaker dan in het Nederlands een hoofdletter gebruiken. Wanneer moet je in het Duits een woord met een hoofdletter schrijven?
Je schrijft in het Duits een hoofdletter bij … 1 2 3
B Lees de tekst waarin Anna zich voorstelt.
Anna
Hallo, ich heiße anna. Ich bin dreizehn jahre alt. ich wohne in berlin.
Meine Mutter heißt maria und mein vater heißt Thomas. Ich habe einen bruder, er ist fünfzehn Jahre alt.
In der schule mag ich Deutsch und sport. Mein hobby ist Musik hören.
C In het voorstelstukje van Anna ontbreken 10 hoofdletters. Markeer alle letters die nog niet met een hoofdletter geschreven zijn, terwijl dat wel moet.
Controleer nu je antwoorden.
Opdracht 1 Vokabeln
Schritt 1
Opdracht 2 Vokabeln Schritt 2
Grammatik opdracht 3 (Telwoorden 1-20)
Grammatik opdracht 4 (Hoofdletters)
Minder dan 3 antwoorden goed? Leer de woorden van Schritt 1 nog een keer. Gebruik de Lernecke op p.47.
Minder dan 8 antwoorden goed? Leer de woorden van Schritt 2 nog een keer. Gebruik de Lernecke op p.47.
5 of minder antwoorden goed?
6 of meer antwoorden goed?
5 of minder antwoorden goed?
6 of meer antwoorden goed?
Maak de * en **-opdrachten online. Maak de **-opdrachten online.
Maak de * en **-opdrachten online. Maak de **-opdrachten online.
Heb je extra geoefend? Online kun je dan nog een D-toets maken om te kijken of je de stof voldoende begrijpt voor de toets.
2 Sprachfest Plakat-Alarm!
Opdracht: Je gaat een poster uitleggen aan een medeleerling.
ERK-niveau: A1
Vaardigheden: Lezen, luisteren, schrijven
Duur: 1-2 lesuren
Werkvorm(en): Tweetallen, groepjes
LEERDOEL
• Je kunt (in het Nederlands) eenvoudige, voorspelbare informatie van direct belang overbrengen die wordt verstrekt op korte, zeer eenvoudige borden en kennisgevingen, posters en programma’s (in het Duits). (ERK A1 / Mediation)
• Je toont begrip van schriftelijke Duitstalige teksten. (Kerndoel 38B)
• Je kiest passende aanpakken voor het leren van de doeltaal. (Kerndoel 39A)
Situatie
Je bent met je klas op uitwisseling bij een Duitse school en ziet daar de volgende posters op het prikbord hangen. Je bent nieuwsgierig wat er precies op staat. Samen met je medeleerlingen zoek je het uit.
Koch-Workshop Koch-Workshop
GitarrenWorkshop
Am Samstag, den 12. März, findet im Jugendzentrum ‘Tre punkt‘ ein Gitarren-Workshop statt. Beginn ist um 14 Uhr. Bitte bringt eine Gitarre mit. Wir freuen uns auf alle Teilnehmer! ist bringt
Der große Schulflohmarkt beginnt am 2. Oktober um 10 Uhr. Bitte bringt Kleidung, Bücher und Spiele zum Verkauf mit. Wir freuen uns auf viele Gäste!
Nächsten Donnerstag, den 8. Juni, findet in der Schule (Raum A2-1) ein Koch-Workshop statt. Der Start ist um 15 Uhr. Bitte bringt frische Zutaten (ingrediënten) mit. Alle sind herzlich eingeladen!
1 Raten ( raden )
Bekijk de informatie op de posters. Kun je op basis van de plaatjes of woorden die je snel herkent, raden waar de poster over gaat? Schrijf op.
Op poster 1 staat een aankondiging over
Op poster 2 staat een aankondiging over
Op poster 3 staat een aankondiging over
2
Vergleichen ( vergelijken )
Lees de teksten op de posters goed door. Welke woorden lijken op het Nederlands?
Schrijf per poster drie woorden op.
Poster 1
Duits Nederlands
Gitarren gitaren
Poster 2
Duits Nederlands
Poster 3
Duits Nederlands
3 Schreiben
Schrijf in het Duits op welke informatie er op de posters staat. Gebruik hiervoor de volgende W-vragen: Wat (gaat er plaatsvinden?), Wanneer (is het?), Wat (moet je meenemen?)
Poster 1
Wat:
Wanneer:
Meenemen:
Poster 2
Wat:
Wanneer:
Meenemen:
Poster 3
Wat:
Wanneer:
Meenemen:
4 Sprechen
Vergelijk jouw antwoorden bij vraag 3 met die van twee medeleerlingen.
Stappenplan:
• Maak groepjes van drie.
• Een leerling kiest één van de drie posters uit en vertelt aan de andere twee in het Nederlands waar de poster over gaat.
• De andere twee vergelijken dit met de antwoorden die ze bij vraag 3 hebben gegeven.
• Zijn jullie het met elkaar eens, of zijn er verschillen? Bespreek dit met elkaar.
• Ga daarna door met de volgende poster en wissel van rol.
5 Reflektieren ( terugkijken en nadenken )
Je kennis van het Nederlands kun je, zoals je nu hebt gezien, gebruiken bij het begrijpen / leren van het Duits. Ook plaatjes bij een tekst kunnen je helpen bij het begrijpen van een tekst.
Wat heb je geleerd? Met andere woorden: Wat kun je als eerste doen als je een tekst in een vreemde taal (nog) niet helemaal begrijpt? Schrijf dit in je eigen woorden op.
6 Machen ( maken )
Maak op basis van de drie posters, die je hebt bekeken, nu een eigen poster. Denk bijvoorbeeld aan een poster voor een schoolfeest, boekenmarkt, filmavond of gamemiddag. Gebruik eventueel een woordenboek.
De poster moet in ieder geval bevatten:
• Wanneer: een datum (in het Duits)
• Wat: een titel en een korte een omschrijving wat er gaat gebeuren (in het Duits)
• Een bijpassende tekening
7 Präsentieren
Deel je poster met je medeleerlingen en laat ze raden wat er op de poster staat aan de hand van de W-vragen: Wat gaat er gebeuren en Wanneer?
bruin braun rood rot oranje orange roze rosa geel gelb
de zus die Schwester alsjeblieft, alstublieft bitte de stad die Stadt de broer der Bruder de straat die Straße dank je, dank u danke de vader der Vater Duitsland Deutschland Wat zegt u? / Wat zeg je? Wie bitte? de vrouw die Frau wonen wohnen het huis das Haus de woonplaats der Wohnort heten heißen het kind das Kind de man der Mann das Alter de leeftijd de moeder die Mutter der Beruf het beroep de naam der Name die Eltern de ouders nee nein tschüs doei
Nederland die Niederlande
Wil je extra oefenen met de woordenschat? Gebruik dan de online woordentrainer in eDition.
GRAMMATIK – SCHRITT 1
null 0
eins 1 zwei 2
drei 3
vier 4
fünf 5
LERNEN
sechs 6 sieben 7 acht 8 neun 9 zehn 10 elf 11 zwölf 12 dreizehn 13
GRAMMATIK – SCHRITT 2
Hoofdletters
vierzehn 14 fünfzehn 15
Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands:
• Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland.
Let op!
• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofdletter: der Mann, die Frau, das Kind
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.
De ringel-S
Er is in het Duits een letter die in het Nederlands niet voorkomt: de ß.
• In de vorige Schritte heb je al woorden met een ß gelezen, onder andere Fußball en weiß
• De letter ß heet in Nederland ringel-S
• De ß spreek je uit als ‘s’. Het woord weiß wordt niet als ‘weib’ uitgesproken, maar als ‘weis’.
• Hoe maak je een ß? Schrijf een lijn van onder naar boven met het cijfer 3 eraan.
ZugSpitze is dé methode Duits waarmee uw leerlingen op een leuke en uitdagende manier de Duitse taal snel onder de knie krijgen. Leerlingen werken met ZugSpitze stap voor stap heel gericht toe naar concrete leerdoelen, waardoor ze snel het vertrouwen krijgen iets te kunnen. Het ERK vormt de rode draad van de onderbouw tot en met de bovenbouw. Hierdoor worden leerlingen ook meteen voorbereid op de Goethe-examens A1 tot en met B2.