Skip to main content

InBusiness Elementaire bedrijfseconomie 1 Proefkatern

Page 1

Elementaire bedrijfseconomie 1

THEORIEBOEK FINANCIEEL NIVEAU 3 & 4

VING • ME GE T M

VING • ME GE T M

LINE LEERO ON

LINE LEERO ON


Inhoud theorieboek Van organisatie naar onderneming

2. ELBE02

Opbrengsten en kosten, inkomsten en uitgaven

3. ELBE03

Kosten van grond- en hulpstoffen

4. ELBE04

Kosten van arbeid

5. ELBE05

Kosten van duurzame productiemiddelen

6. ELBE06

Overige kostensoorten

7. ELBE07

Directe en indirecte kosten

8. ELBE08

Constante en variabele kosten

9. ELBE09

Break-evenanalyse

Inhoud werkboek

EP T

1. ELBE01

Aan de slag met Van organisatie naar onderneming

2. ELBE02

Aan de slag met Opbrengsten en kosten, inkomsten en uitgaven

3. ELBE03

Aan de slag met Kosten van grond- en hulpstoffen Aan de slag met Kosten van arbeid Aan de slag met Kosten van duurzame productiemiddelen

O

5. ELBE05

N

4. ELBE04

C

1. ELBE01

Aan de slag met Overige kostensoorten

7. ELBE07

Aan de slag met Directe en indirecte kosten

8. ELBE08

Aan de slag met Constante en variabele kosten

9. ELBE09

Aan de slag met Break-evenanalyse

C

6. ELBE06


FINANCIEEL

ELBE02

Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

Auteur Edward van Balen Eindredactie Pieter Mijnster


ELBE02

Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

THEORIE Introductie De uitdaging Iedere onderneming heeft dagelijks te maken met opbrengsten en kosten. Gelukkig maar, want zonder opbrengsten is winst niet mogelijk. Wel moeten dan de kosten minder groot zijn dan de opbrengsten. Nog belangrijker zijn misschien wel de ontvangsten, want als je geen geld ontvangt, kun je geen uitgaven doen. Kortom, het is goed om bij te houden dat alle opbrengsten ook werkelijk worden ontvangen en dat alle kosten worden betaald. Het bijhouden van dit geld- en goederenverkeer is een behoorlijke klus en erg belangrijk, omdat de informatie die deze administratie oplevert van belang is voor het nemen van beslissingen door de leidinggevenden van een onderneming. Wekelijks, soms dagelijks moeten de verkoopcijfers worden aangeleverd, maar ook de kostencijfers zijn daarbij van belang. Aan de slag: Verwerk de opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven van de afgelopen periode in een kasstroomoverzicht en winst-en-verliesrekening. Bereken dan meteen de verandering van de liquide middelen en het eigen vermogen.

Niet altijd zijn opbrengsten ook direct ontvangsten

Shutterstock

2


Leerdoelen Wat heb ik voor deze uitdaging nodig? Kennis: • Ik kan benoemen tot welke kostencategorie (grond, grondstof, hulpstof, arbeid, dienst van derden, afschrijving, belasting of financiering) een kostenpost hoort. • Ik kan de begrippen opbrengsten, kosten, ontvangsten, uitgaven, productieomvang en productiecapaciteit beschrijven. Begrip: • Ik kan de verschillen aangeven tussen opbrengsten en ontvangsten. • Ik kan de verschillen aangeven tussen kosten en uitgaven. • Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen kosten en verspillingen. Vaardigheid: • • • • • •

Ik kan kosten in kostencategorieën indelen. Ik kan voor een gegeven situatie vaststellen of kosten direct of indirect zijn. Ik kan voor een gegeven situatie vaststellen of kosten variabel of vast zijn. Ik kan de gemiddelde kosten berekenen. Ik kan een eenvoudige winst-en-verliesrekening opstellen. Ik kan een eenvoudig kasstroomoverzicht samenstellen.

3


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

1

De productiefactoren ‘KANO’ In Nederland vinden we het normaal dat allerlei goederen en diensten te koop zijn. Consumenten kopen deze goederen en diensten bij een bedrijf. Bedrijven zijn organisaties die zich hebben toegelegd op de productie van een bepaald goed of een dienst. Bedrijven doen dat door het inzetten van productiefactoren. De productiefactoren zijn: • • • •

kapitaalgoederen, arbeid, natuur, en ondernemerschap.

Onthoud de productiefactoren als KANO. Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap

Productie is het combineren van productiefactoren in een bedrijf met als doel een product of dienst voort te brengen. Een energiebedrijf levert elektriciteit en gas, een waterleidingbedrijf levert water, een kledingbedrijf maakt kleding en een verzekeringsmaatschappij zorgt voor verzekeringen.

Productiefactor arbeid

Shutterstock

4


  Opbrengsten en kosten Bedrijven hebben de productie van goederen en diensten overgenomen van gezinnen. Dat kwam omdat niet alleen bedrijven, maar ook mensen zich steeds meer gingen toeleggen op een bepaald deel van de productie. Dat heet specialisatie. Hierdoor nam de arbeidsproductiviteit enorm toe. Arbeidsproductiviteit is de productie per arbeider per uur.

Door deze specialisatie kunnen bedrijven een bepaald aantal producten maken met zo weinig mogelijk opoffering van productiefactoren. Dit heet economisch handelen.

Ondernemingen streven naar winst Een bedrijf dat naar winst streeft, is een onderneming. Het voortbestaan van de onderneming in de toekomst is belangrijk. Een onderneming streeft ernaar vele jaren achter elkaar inkomen te verdienen.

Profitorganisaties streven naar (meer) winst.

Shutterstock

2

Opbrengsten en kosten

2.1

Opbrengsten en kosten Het doel van een onderneming is een zo groot mogelijke winst te behalen om daardoor te kunnen blijven bestaan. Winst is nodig voor de continuĂŻteit van de onderneming. Er is sprake van winst als de opbrengsten groter zijn dan de kosten. De winst van een onderneming bereken je door van de omzet de kosten af te trekken. De omzet heet ook wel de opbrengst van de verkopen. Onthoud: Opbrengsten vergroten het eigen vermogen en kosten verkleinen het eigen vermogen. Opbrengsten en kosten zorgen ervoor dat het eigen vermogen verandert. 5


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

2.2

Hoe ontstaan opbrengsten? Opbrengsten ontstaan door het verkopen van goederen of diensten. Aantal verkochte producten (afzet) Ă— Verkoopprijs = Opbrengst van de verkopen

Als je de enige aanbieder van een product bent, kun je zelf de prijs bepalen. Soms ben je de grootste van alle aanbieders. Ook dan kun je de verkoopprijs zelf vaststellen. De concurrenten volgen dan de prijzen van de grootste aanbieder op dezelfde markt. Op de benzinemarkt is Shell de marktleider. De andere aanbieders volgen het gedrag van Shell.

Marktleider Shell kom je over de hele wereld tegen.

Shutterstock

Er zijn ook markten waar geen enkele aanbieder zo sterk is dat hij de prijs kan vaststellen. De (wereld)marktprijs staat dan voor iedere aanbieder vast. Voorbeelden zijn de graanmarkt of de aardappelmarkt. Een onderneming is niet zeker van de prijs of de afzet en loopt dus risico aan de opbrengstenkant.

2.3

Hoe ontstaan kosten? Kosten ontstaan doordat een onderneming productiefactoren bij de productie opoffert. Zo gebruikt een onderneming arbeid, grondstoffen en machines om te produceren. De onderneming moet voor deze productiefactoren betalen. Dit zijn de kosten die een onderneming moet maken om producten of diensten te kunnen leveren.

Praktijkvoorbeeld 1: Bepaal de aanwezige kosten Gegeven Sjef Martens handelt in kachelhout. Hij pacht een stuk bos, heeft een aantal kettingzagen, een jeep met aanhangwagen en drie mensen in dienst voor het zware werk. Sjef verkoopt het kachelhout per kubieke meter aan particulieren. Gevraagd Welke kosten heeft Sjef bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden? Uitwerking Sjef Martens brengt een product voort, namelijk kubieke meters kachelhout. Hiervoor zet hij productiefactoren in. Deze productiefactoren brengen kosten met zich mee die hij doorberekent aan de klanten die het hout bij hem kopen. 6


Opbrengsten en kosten • • • •

Het bos brengt kosten met zich mee: huur of pacht. De kettingzagen, jeep en aanhanger brengen kosten met zich mee: afschrijvingen. Het personeel brengt kosten met zich mee: salaris. Het ondernemerschap van Sjef brengt kosten met zich mee: winst.

De onderneming organiseert het productieproces. De vergoeding voor het ondernemerschap moet je ook in de prijs opnemen: winst kun je zo zien als doorberekende kosten aan de klant. Hoe en hoeveel productiefactoren een onderneming opoffert, hangt af van de gekozen productiemethode. De productie kan gebeuren met eenvoudige gereedschappen en handenarbeid, maar kan ook plaatsvinden met een machine waarbij maar weinig arbeid nodig is. Bij de keuze van de productiemethode heeft de ondernemer ook gelet op kwaliteit, arbeidsomstandigheden, beschikbare hoeveelheden en kwaliteit van grondstoffen en arbeid. Om winst te maken, moeten de kosten lager blijven dan de opbrengsten voor de onderneming. Opbrengst – kosten = winst Ondernemingen kunnen op twee manieren winst maken: • • • •

door veel producten te verkopen met een kleine winst bijvoorbeeld: 10.000 × € 0,25 = € 2.500 door een paar producten te verkopen met een grote winst bijvoorbeeld: 10 × € 250 = € 2.500

Verspilling Kosten verminderen dus de winst. Een ondernemer offert productiefactoren op. Maar alleen de noodzakelijk opgeofferde productiefactoren reken je tot de kosten. Als je productiefactoren onnodig opoffert, is er sprake van verspilling. Bij het bepalen van de kosten per product reken je de verspillingen dan ook niet mee.

De verspillingen horen bij de verliezen en zorgen voor een lagere winst.

Roel Seidell

2.4 Hoe deel je kosten in? Een ondernemer wil graag inzicht hebben in hoe hoog zijn kosten zijn en hoe deze kosten zijn opgebouwd. Hiervoor kan de ondernemer de kosten op verschillende manieren indelen. De manier waarop hij ze indeelt, hangt af van het inzicht dat hij wil hebben.

7


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven Je kunt kosten indelen in: • directe en indirecte kosten; • variabele en constante kosten.

Directe en indirecte kosten Bij directe kosten weet je direct voor welk product de kosten zijn gemaakt. Denk maar aan het hout voor een tafel, de klei voor een vaas en de lak op een auto. Maar bijvoorbeeld ook anderhalf uur arbeid aan een auto.

Directe kosten

Shutterstock

Bij indirecte kosten weet je niet voor welk product de kosten zijn gemaakt. Indirecte kosten moet je via een omweg aan een product toerekenen. Indirecte kosten zijn bijvoorbeeld de huurkosten van een werkplaats of de energierekening van een bedrijfsgebouw.

Ook de loonkosten van de secretaresse neem je op in de kostprijs.

Shutterstock

Variabele en constante kosten Een andere indeling maakt onderscheid tussen variabele en constante kosten. Het verschil tussen variabele en constante kosten heeft te maken met hoe de kosten reageren op een verandering van de verkochte of geproduceerde hoeveelheid producten. Variabele kosten reageren op de hoeveelheid zoals de productie en de afzet. Constante kosten zijn de kosten die horen bij de gekozen productiecapaciteit. 8


Kostencategorieën

3

Kostencategorieën Je kunt ook kosten indelen naar soort. Dan spreek je van een categoriale indeling. Bij de indeling van de kosten let je dan vooral op de opgeofferde productiefactoren. De kostensoorten zijn: 1 2 3 4 5 6 7

3.1

de kosten van grond; de kosten van grondstoffen en hulpstoffen; de kosten van arbeid; de kosten van duurzame productiemiddelen; de kosten van diensten van derden; kostprijsverhogende belastingen; de kosten van financiering.

Kosten van grond Een ondernemer maakt kosten van grond als hij een terrein nodig heeft om zijn bedrijfspand op te vestigen. Als de ondernemer de grond koopt, bestaan de kosten vooral uit rente over het benodigde vermogen. Bij huur moet de ondernemer uiteraard een huurbedrag betalen aan de eigenaar van de grond.

3.2

Kosten van grondstoffen en hulpstoffen Bij de productie van goederen heb je uiteraard grondstoffen nodig. Grondstoffen zijn verwerkt in het eindproduct. Je meet het verbruik af in bijvoorbeeld kilogrammen, liters of meters. De verbruikte hoeveelheden vermenigvuldig je met de prijs van de grondstoffen. Bij deze kosten van grondstoffen moet je ook rekening houden met afval. Dit zijn grondstoffen die tijdens het productieproces onvermijdelijk verloren gaan. De hulpstoffen zijn wel nodig bij de productie, maar komen niet in het eindproduct terecht. Het gaat bijvoorbeeld om benzine voor voertuigen of schoonmaakmiddelen voor machines.

Zonder hulpstoffen werkt deze machine niet.

Shutterstock

9


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

3.3 Kosten van arbeid Arbeid offer je op door een hoeveelheid beschikbare arbeidsuren te gebruiken. De kosten van een uur arbeid hangen af van de brutolonen en alle kosten die er voor een werkgever nog bijkomen, zoals werkgeverspremies en pensioenlasten. Vaak sluiten werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties collectieve arbeidsovereenkomsten. In zo’n cao maken zij afspraken over de arbeidsvoorwaarden voor hun bedrijfstak. Dit betreft vooral salarissen, arbeidsuren en vakantiedagen. Aan die afspraken moeten werkgevers en werknemers zich houden. In individuele contracten kan een werknemer extra arbeidsvoorwaarden afspreken. Het is belangrijk om de verschillende soorten arbeid te onderscheiden. Denk hierbij aan leidinggevende taken en uitvoerende taken. Verschillen in salarissen ontstaan door opleiding, leeftijd, verantwoordelijkheid en werktijden. Zo krijg je vaak grote verschillen in beloning.

3.4 Kosten van duurzame productiemiddelen Machines, vrachtauto’s en hijskranen zijn voorbeelden van duurzame productiemiddelen. Ze zijn duurzaam, omdat ze meerdere productieprocessen meegaan. Als productiemiddel is een nieuwe vrachtauto voor een ondernemer een ‘voorraad van 800.000 kilometer’. Het ‘opofferen’ van een vrachtauto gebeurt dan door er kilometers mee te rijden. De kosten van zo’n kilometer bestaan bijvoorbeeld uit afschrijving (waardedaling van de auto), onderhoud, verzekering en brandstofverbruik. De afschrijvingen per jaar kun je op veel manieren berekenen. Computers verouderen snel en zijn dan minder waard, hijskranen houden heel lang hun waarde.

Kranen hijsen, maar de waarde daalt ieder jaar weer.

Shutterstock

3.5 Kosten van diensten van derden Een bedrijf heeft niet altijd de beschikking over de juiste mensen of de juiste machines. In die gevallen moet het bedrijf die diensten buiten het bedrijf zoeken. Dat zijn diensten van derden. Voorbeelden hiervan zijn het transport van goederen, schoonmaak, het laten drukken van reclamemateriaal en verzekeringen. Andere bedrijven kunnen deze diensten meestal voordeliger aanbieden. De kosten ontstaan doordat de onderneming die de dienst heeft verricht, een bedrag in rekening brengt voor de verrichte dienst. 10


  Variabele en constante kosten

3.6 Kostprijsverhogende belastingen Belastingen die invloed hebben op de kostprijs van goederen en diensten zijn onder andere motorrijtuigenbelasting, reinigingsrechten, onroerendezaakbelasting, accijnzen en invoerrechten. Deze belastingen van de overheid berekent de ondernemer door aan zijn klanten. Daarnaast zijn er ook kosten, omdat een onderneming mensen moet inzetten voor het administreren en de aangifte van omzetbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Belastingen die de kostprijs niet hoger maken, zijn bijvoorbeeld de omzetbelasting (btw), de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Omzetbelasting hoort niet bij de kosten, omdat een onderneming de betaalde omzetbelasting mag terugvorderen van de overheid. De inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting moet een ondernemer zelf betalen over de winst en zij horen daarom ook niet bij de kosten van een onderneming. De overheid brengt steeds vaker heffingen bij ondernemingen in rekening. Bij verbranding van olie en gas ontstaan CO2 en stikstofoxiden. Bij veeteelt ontstaat veel ammoniak. Te veel CO2 zorgt voor opwarming van de aarde, te veel stikstofoxide zorgt voor last aan je luchtwegen (gezondheid) en zorgt net als ammoniak voor grotere verandering in de plantengroei. Om de uitstoot van de gassen te remmen moet de vervuiler betalen. Geld betalen doet zeer. Maar alle belanghebbenden menen dat een ander de oorzaak is en niet zijzelf. De discussie zal nog wel even duren.

3.7

De kosten van financiering Bezittingen zijn gefinancierd met eigen en vreemd vermogen. Voor het gebruik van vreemd vermogen moet je een vergoeding betalen. Dat zijn de interestkosten. Deze interestkosten hangen af van het soort lening en het afgesproken rentepercentage. Deze kosten moet een onderneming terugverdienen door een bedrag in de kostprijs van de producten op te nemen.

4

Variabele en constante kosten

4.1

Onderscheid tussen variabele en constante kosten Als de afzet of de productie stijgt, nemen de kosten toe. Dit is begrijpelijk, omdat een ondernemer productiefactoren opoffert. De ondernemer maakt gebruik van meer werknemers of het grondstoffenverbruik stijgt. Niet alle kosten nemen toe. Zo blijven de huur en de afschrijving van de machines gelijk als de productie of afzet toeneemt. Daarin zit het verschil tussen de variabele kosten en de constante kosten. Variabele kosten veranderen als de afzet of de geproduceerde hoeveelheid verandert. Constante kosten reageren niet op een verandering van de afzet of productie, zolang je de productiecapaciteit niet verandert.

11


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

4.2 Variabele kosten (per product) De variabele kosten veranderen als de productie en afzet veranderen. Voorbeelden hiervan zijn grondstoffen, arbeidsuren en het brandstofverbruik van vrachtauto’s, maar het kan ook gaan om inpakmateriaal of transportkosten. Variabele kosten zijn kosten die veranderen als de productieomvang of afzet verandert.

Variabele kosten blijven meestal per product gelijk. ‘Meestal’ betekent dat er ook uitzonderingen zijn. Een voorbeeld hiervan is een lagere prijs per stuk als je meer artikelen tegelijkertijd koopt. Dat heet kwantumkorting.

Praktijkvoorbeeld 2: Bepaal de gemiddelde variabele kosten In de volgende tabel zie je dat de totale variabele kosten stijgen als de productie stijgt. Productie

Grondstofkosten

Arbeidskosten

Totale variabele kosten

0

€ –

€ –

€ –

100

€

200,00

€

300,00

€

200

€

400,00

€

600,00

400

€

800,00

€ 1.200,00

800

€ 1.600,00

1000

€ 2.000,00

Gemiddelde variabele kosten

500,00

– €

5,00

€ 1.000,00

€

5,00

€ 2.000,00

€

5,00

€ 2.400,00

€ 4.000,00

€

5,00

€ 3.000,00

€ 5.000,00

€

5,00

De gemiddelde variabele kosten bereken je door de totale variabele kosten te delen door de productie. • Bij een productie van 100 producten zijn de totale variabele kosten € 500. Dat betekent dat de variabele kosten per product € 500 : 100 = € 5 bedragen. • Bij een productie van 200 producten zijn de totale variabele kosten € 1.000. Dat betekent dat de variabele kosten per product € 1.000 : 200 = € 5 bedragen. Ondanks dat de totale variabele kosten stijgen, zie je dat de gemiddelde variabele kosten per product € 5 blijven. De gemiddelde variabele kosten zijn in dit voorbeeld bij elke omvang van de productie gelijk.

4.3 Constante kosten (per product) De constante kosten zijn de kosten die niet veranderen als de productie of afzet verandert. Het zijn de kosten van een gebouw en machines, een vast bedrag voor reclamedoeleinden of de arbeidskosten van mensen die vast in dienst zijn. Constante kosten reageren niet op een verandering van de afzet of productie, zolang je de productiecapaciteit niet verandert.

Constante kosten noem je ook wel de kosten van de productiecapaciteit. Zolang de productie onder het maximum van de capaciteit blijft, zijn de kosten constant. Arbeidskosten van vaste medewerkers gaan namelijk door, ook als er niets te doen is. Bij een grotere productiecapaciteit groter nemen de constante kosten toe.

Ga maar na: als een vervoersbedrijf er een vrachtwagen bij koopt, dan stijgt de capaciteit om goederen te vervoeren. Tevens stijgen de constante kosten door onder andere 12


Variabele en constante kosten verhoging van de verzekeringspremie en toename van de maandelijkse afschrijvingen. De constante kosten kunnen wel veranderen. Maar dat gebeurt pas als de ondernemer de productiecapaciteit vergroot, meer mensen vast in dienst neemt of een duurder bedrijfspand betrekt. Voor de constante kosten geldt dat ze in totaal gelijk blijven, maar per product neemt het bedrag af als de productieomvang of de afzet toeneemt.

Praktijkvoorbeeld 3: Bepaal de gemiddelde constante (vaste) kosten In de volgende tabel zie je dat de totale constante kosten gelijk blijven als de productie stijgt. Productie

Totale constante kosten

Gemiddelde constante kosten

0

€

1.000,00

€ –

100

€

1.000,00

€

10,00

200

€

1.000,00

€

5,00

400

€

1.000,00

€

2,50

800

€

1.000,00

€

1,25

1.000

€

1.000,00

€

1,00

De gemiddelde constante kosten bereken je door de totale constante kosten te delen door de productie. • Bij een productie van 100 producten zijn de totale constante kosten € 1.000. Dat betekent dat de constante kosten per product € 1.000 : 100 = € 10 bedragen. • Bij een productie van 200 producten zijn de totale constante kosten € 1.000. Dat betekent dat de constante kosten per product € 1.000 : 200 = € 5 bedragen. Als de productie stijgt, blijven de totale constante kosten gelijk. De gemiddelde constante kosten per product dalen als de productie stijgt. Dit gaat in het begin heel snel. Daarna gaat de daling steeds langzamer.

Specialisatie Grondstof Kosten

Diensten Opbrengsten Balans Onderneming Uitgaven Machines Liquide Ontvangsten Winst Capaciteit Bedrijf Kas Inkomsten Verlies

13


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

5

Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven Ontvangsten en uitgaven lijken op opbrengsten en kosten. Toch is er een groot verschil. • Opbrengsten en kosten zorgen voor veranderingen van het eigen vermogen. • Ontvangsten en uitgaven zorgen voor veranderingen van Kas en Bank. De tegoeden in de kas en op bankrekeningen noem je ook wel liquide middelen. Ontvangsten vergroten de hoeveelheid liquide middelen en uitgaven verkleinen de hoeveelheid liquide middelen.

5.1

O nderscheid tussen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven Aan de hand van de inkoop en verkoop in een onderneming bekijk je de verschillen tussen ontvangsten en opbrengsten en de verschillen tussen uitgaven en kosten: 1 2 3 4

Je koopt goederen in. Je ontvangt de goederen en de inkoopfactuur. Je betaalt de inkoopfactuur per bank. Je verkoopt goederen op rekening, levert de goederen en je verstuurt de verkoopfactuur. 5 De klant betaalt de openstaande rekening.

Praktijkvoorbeeld 4: Opbrengsten, kosten, ontvangsten of uitgaven? Onderneming Cleodos start met een bedrag aan liquide middelen van € 400. Dit is het eigen vermogen van de onderneming. 1  De inkoop van goederen Zijn dit opbrengsten of ontvangsten, kosten of uitgaven? Cleodos koopt 100 flessen Hasta in tegen een prijs van € 3 per fles. In een telefoongesprek laat de leverancier weten snel te leveren en daarna een factuur te sturen. • Er zijn nog geen uitgaven en geen ontvangsten, want er gebeurt niets met de liquide middelen. • Ook zijn er geen opbrengsten en geen kosten, want het eigen vermogen verandert door inkoop niet. 2  Ontvangst van de goederen en de inkoopfactuur Zijn dit opbrengsten of ontvangsten, kosten of uitgaven? De leverancier levert de goederen. De voorraad goederen neemt toe met een bedrag van 100 × € 3 = € 300. Op de factuur staat een bedrag van € 300. Cleodos heeft dus een schuld van € 300. • Er zijn nog geen uitgaven en geen ontvangsten, want er wordt nog niet betaald. • Er zijn geen kosten en geen opbrengsten, want het eigen vermogen verandert niet door de ontvangst van de goederen en de inkoopfactuur.

14


Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven 3  Betaling van de inkoopfactuur Zijn dit opbrengsten of ontvangsten, kosten of uitgaven? Cleodos betaalt € 300 per bank aan de leverancier. De bezitting Bank wordt kleiner. Dus wordt de bezitting liquide middelen kleiner. De schuld aan de leverancier van € 300 is verdwenen. • Dit zijn uitgaven. • Er zijn geen kosten en geen opbrengsten, want Cleodos heeft de goederen nog op voorraad en er verandert niets aan het eigen vermogen bij een betaling per bank. 4  Verkoop van goederen op rekening en verzending van de goederen en de verkoopfactuur Zijn dit opbrengsten of ontvangsten, kosten of uitgaven? Cleodos verkoopt 70 flessen voor 70 × € 5 = € 350 en levert deze flessen af. De levering van goederen op rekening betekent dat Cleodos de goederen wel levert, maar nog moet wachten op de betaling. De voorraad goederen neemt af voor een bedrag van 70 × € 3 = € 210. Cleodos offert dus € 210 op. • Er zijn geen ontvangsten en geen uitgaven, van de goederen die zijn verkocht moet Cleodos de betaling nog ontvangen. • Er zijn kosten, want de goederen voorraad neemt af met € 210, hierdoor daalt het eigen vermogen. • Er zijn opbrengsten omdat de goederen zijn verkocht voor € 350, hierdoor stijgt het eigen vermogen. 5  Betaling door de debiteur Zijn dit opbrengsten of ontvangsten, kosten of uitgaven? De klant betaalt Cleodos € 350. • Er zijn ontvangsten, want de liquide middelen nemen toe. • Er zijn geen uitgaven. • Er zijn ook geen opbrengsten en ook geen kosten, want die heeft Cleodos al op het moment van de verkoop van de goederen geregistreerd. Houd in de gaten dat je bij contante verkoop op hetzelfde moment opbrengsten hebt (door de verkoop) en ontvangsten (door de betaling).

Samengevat 1 Bij inkopen op rekening is er nog geen sprake van kosten, maar ook niet van een uitgave. 2 Bij het betalen van een inkoopfactuur doe je een uitgave. 3 De ontvangst van goederen betekent nog geen opbrengst of inkomen. 4 Op het moment van verkoop heb je opbrengsten. 5 Als je goederen op rekening verkoopt, leidt dat direct tot een opbrengst, maar pas bij de betaling van de factuur door de klant leidt dit tot ontvangsten. Van de vijf gebeurtenissen kun je de volgende overzichten maken. • een winst-en-verliesrekening (opbrengsten en kosten) • kasstroomoverzicht (inkomsten en uitgaven) 15


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

5.2

Winst-en-verliesrekening In een winst-en-verliesrekening zet je de opbrengsten en kosten tegenover elkaar. Als de opbrengsten groter zijn dan de kosten is er sprake van winst. Zijn de kosten hoger dan de opbrengsten, dan is er een verlies. Het verschil tussen de opbrengsten en de kosten is de verandering van het eigen vermogen. Voor Cleodos is dat een heel eenvoudig overzicht. Winst- en verliesrekening Cleodos Opbrengsten

70 × € 5 =

€

350

Kosten

70 × € 3 =

€

210

€

140

Toename eigen vermogen

Maar je begrijpt dat het overzicht snel groter wordt, als er heel veel financiële feiten zijn. In een winst-en-verliesrekening vind je de opbrengsten en kosten terug en bereken je de verandering van het eigen vermogen (winst of verlies).

5.3 Kasstroomoverzicht Je kunt ook een kasstroomoverzicht maken. Dan staan de ontvangsten en de uitgaven tegenover elkaar. Zijn de ontvangsten groter dan de uitgaven, dan is er sprake van een toename van de liquide middelen; er is een positieve kasstroom. Als de uitgaven groter zijn dan de ontvangsten, is er een negatieve kasstroom; de liquide middelen zijn afgenomen. Het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven is de verandering van de liquide middelen. Het kasstroomoverzicht van Cleodos ziet er zo uit. Kasstroomoverzicht Inkomsten

70 × € 5 =

€

350

Kosten

100 × € 3 =

€

300

€

50

Toename liquide middelen

In een kasstroomoverzicht vind je de ontvangsten en uitgaven terug en bereken je de verandering van de liquide middelen (toe- of afname).

16


Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven

5.4 Balans De balans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen. De bezittingen staan aan de debetkant. Dat is de linkerkant van een balans. Aan de rechterkant of creditkant staan de schulden en het eigen vermogen. Eén van de bezittingen is de post Liquide middelen. Dat zijn de tegoeden in kas en bij de bank. De veranderingen van deze post verklaar je met een kasstroomoverzicht. De verandering van het eigen vermogen verklaar je met een winst-en-verliesrekening. De beginbalans en eindbalans van Cleodos verschillen door de hierboven beschreven gebeurtenissen. De bezitting Voorraad is veranderd, omdat er 100 stuks zijn ingekocht en 70 stuks verkocht. Er liggen nog 30 stuks op voorraad. Beginbalans Liquide middelen

€

400

Eigen vermogen

€

400

€

540

Eindbalans Voorraad goederen

€

90

Liquide middelen

€

450

17

Eigen vermogen


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

Begrippen Afschrijving

Waardedaling van duurzame productiemiddelen.

Afzet

Aantal verkochte producten.

Arbeidsproductiviteit

Productie per arbeider per uur of per jaar.

Balans

Overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald moment.

Bedrijf

Organisatie die zich toelegt op de productie van goederen en/of diensten.

Constante kosten

Kosten die onafhankelijk zijn van de afzet of productiehoeveelheid.

Diensten van derden

Diensten die andere ondernemingen verrichten voor een onderneming.

Directe kosten

Kosten die je rechtstreeks aan een product kunt toerekenen.

Duurzaam productiemiddel

Productiemiddel dat meerdere productieprocessen meegaat.

Economisch handelen

Levering van een bepaalde prestatie met opoffering van zo weinig mogelijk productiefactoren.

Grondstof

Materiaal dat is verwerkt in het eindproduct.

Hulpstof

Materiaal dat nodig is voor de productie van eindproducten, maar niet in dit eindproduct aanwezig is.

Indirecte kosten

Kosten die je niet rechtstreeks aan een product kunt toerekenen.

Interestkosten

Vergoeding aan de verschaffers van vreemd vermogen

Kasstroomoverzicht

Overzicht van ontvangsten en uitgaven.

Kosten

Geldwaarde van onvermijdbaar opgeofferde productiefactoren.

Kwantumkorting

Verlaging van de prijs bij afname van grote hoeveelheden.

Liquide middelen

Kasgeld plus direct beschikbaar banktegoed.

Onderneming

Bedrijf dat naar winst streeft.

Opbrengst van de verkopen

Omzet van een onderneming; afzet Ă— verkoopprijs.

Ontvangsten

Ontvangsten waardoor de hoeveelheid liquide middelen groter wordt.

Productie

Het voortbrengen van een goed of dienst door het inzetten van productiefactoren in een bedrijf.

Productiecapaciteit

Aantal producten dat een bedrijf kan voortbrengen.

Productiefactor

Middel dat nodig is voor het voortbrengen van goederen of diensten: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap.

Specialisatie

Concentratie op een bepaald deel van het productieproces (arbeidsverdeling).

Uitgaven

Betalingen waardoor de hoeveelheid liquide middelen kleiner wordt.

Variabele kosten

Kosten die stijgen of dalen bij verandering van de afzet of productiehoeveelheid.

Verspilling

Onnodig opgeofferde productiefactoren.

Winst-en-verliesrekening

Overzicht van kosten en opbrengsten.

18


FINANCIEEL

ELBE03

Kosten van grond- en hulpstoffen

Auteur Edward van Balen Eindredactie Pieter Mijnster


ELBE03

Kosten van grond- en hulpstoffen

THEORIE Introductie De uitdaging ‘Kosten gaan voor de baat’ is een bekend gezegde. Iedere ondernemer weet hierover mee te praten. Als je goederen verkoopt, moet een fabrikant ze eerst produceren, en productie kost geld. De fabrikant moet investeren in duurzame productiemiddelen zoals machines en hij moet ook grondstoffen inkopen. Bij het maken van producten komt het voor dat er afval ontstaat. Afval is een deel van de grondstof dat wel is gebruikt, maar niet in het eindproduct terechtkomt. Een fabrikant zal deze kosten wel doorberekenen in de prijs van het product. Een kritische consument wil waar voor zijn geld en verwacht dan ook een goede kwaliteit van een product. Vandaar dat fabrikanten producten keuren of ze voldoen aan de eisen. Afkeuren betekent dat er uitval ontstaat. Ook voor afgekeurde producten heeft een ondernemer kosten gemaakt die hij met de goedgekeurde producten moet terugverdienen. Soms kan een producent afgekeurde producten nog wel verkopen, maar dan als B-keuze, waardoor er na de gemaakte kosten toch nog wat baten zijn. Kortom, er komt heel wat rekenwerk aan te pas bij het vaststellen de kostprijs van een product. Aan de slag: Bereken voor de fabricage van een nieuw product de grondstofkosten. Houd hierbij rekening met het afval dat ontstaat bij productie en de uitval die ontstaat bij de kwaliteitscontrole.

Grondstofkosten gaan voor de baat.

Shutterstock

2


Leerdoelen Wat heb ik voor deze uitdaging nodig? Kennis: • Ik kan de begrippen brutoverbruik, nettoverbruik, afval, uitval en keuring beschrijven. Begrip: • Ik kan voor een gegeven situatie vaststellen of kosten variabel of vast zijn. • Ik kan verschil aangeven tussen afval en uitval. • Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen een ongekeurd en een goedgekeurd product. • Ik kan verschil maken tussen kosten en opbrengsten van afval en uitval. Vaardigheid: • Ik kan het nettoverbruik berekenen op basis van brutoverbruik en afval. • Ik kan de kostprijs van een ongekeurd product berekenen. • Ik kan de kostprijs van een gekeurd product berekenen.

3


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

1

De grondstofkosten

1.1

Grondstofkosten van een product Bij de productie van goederen heb je uiteraard grondstoffen nodig. Er bestaan allerlei soorten grondstoffen: steen, ijzer, hout, graan, melk, suiker, water, enzovoort. Elk product heeft zijn eigen ‘recept’. Voor meubels heb je hout, leer, staal en katoen nodig. Voor een appeltaart zijn weer heel andere grondstoffen nodig. Je meet het verbruik van grondstoffen met hoeveelheden zoals bijvoorbeeld kilogrammen, liters of meters. De verbruikte hoeveelheden vermenigvuldig je daarna met de prijs van de grondstoffen. In deze prijs zijn, behalve de inkoopprijs, ook bestelkosten, vervoerskosten en opslagkosten verwerkt. De grondstofkosten zijn dan het resultaat van de hoeveelheid maal de prijs. De grondstoffen zitten in het eindproduct. Ze horen er echt in te zitten. Je ziet het staal, rubber en glas van een auto. In een krentenbol vind je deeg, rozijnen en krenten terug.

1.2

Hulpstoffen onmisbaar bij productie Hulpstoffen vind je niet terug in het eindproduct. Je hebt hulpstoffen wel nodig voor de productie, maar ze komen niet in het eindproduct terecht. Olie voor het smeren of koelen van machines of water voor het koken of wassen van grondstoffen zijn hier voorbeelden van.

Opruimkosten

Inkoopprijs Nettoverbruik Ongekeurd product Brutoverbruik Afval Verspilling Uitval Goedgekeurd product

Grondstof Keuring Verspilling Afvalopbrengst HulpstofUitvalkosten Uitvalopbrengst

Opslagkosten

1.3

Grondstofkosten De prijs van grondstoffen bestaat uit: • • • •

de inkoopprijs; de bestelkosten; de vervoerskosten; de opslagkosten.

De inkoopprijs is de prijs die je betaalt aan een leverancier. Uiteraard is dit exclusief de omzetbelasting. De bestelkosten en vervoerskosten bestaan uit de kosten van de inkoopafdeling, de kosten van het vervoer en de kosten van de verzekering. De opslagkosten bestaan uit de kosten van het magazijn, verzekeringskosten, interestkosten en kosten om de grondstoffen geschikt te maken voor het productieproces. Grondstofkosten bestaan naast de inkoopprijs ook uit bestel-, vervoers- en opslagkosten. 4


Wat kost de grondstof?

2

Wat kost de grondstof?

2.1

Afval en verspilling In de meeste productieprocessen gebruik je meer grondstoffen dan er uiteindelijk in de producten terechtkomen. Dit verlies aan grondstoffen is niet altijd te vermijden. In dat geval is er sprake van afval. Let op: afval is geen verspilling. Verspillen is vermijdbaar en ontstaat door ‘fouten’ in het productieproces die je kunt voorkomen. Verspillen leidt tot verlies en gaat dus ten koste van de winst.

Afval bereken je door aan de klant.

Shutterstock

Let op: Het ontstaan van afval tijdens productie is onvermijdbaar en daarom neemt een producent de kosten van deze grondstof mee in het berekenen van de kostprijs van een product.

Supermarkten oogstten afgelopen zomer verontwaardiging. Ze zouden tomaten met een rimpeltje en te kleine pruimen uit de winkels weren. Ze nemen revanche. Een nieuwe markt gloort. Bij Lidl is inmiddels verse basis voor tomatensauzen of -soepen te vinden, ‘gemaakt van minder perfecte tomaten, die net zo lekker smaken’, schrijft het bedrijf. Zulke tomaten waren er natuurlijk altijd al, maar de forse verontwaardiging van deze zomer maakt er een product van dat opvalt en sympathie bij de klant wekt. Slim dus om het zo te brengen en het zorgt meteen voor een extra duurzaam imago. Wat het kost? Bijna niets: € 0,99 voor 550 gram. www.foodlog.nl

5


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

2.2

Nettoverbruik en brutoverbruik Als een banketbakker een appeltaart bakt, gebruikt hij de klokhuizen en de schillen van de appels niet. Dat betekent dat hij voor 800 gram geschilde appels waarschijnlijk een kilogram ongeschilde appels nodig heeft. De klokhuizen en schillen hebben geen waarde en gaan de groenbak in. Dit levert de banketbakker niets op en het kost hem ook niets. De hoeveelheid grondstoffen die in totaal nodig is om een product te maken, heet het brutoverbruik. Daar zit dus ook afval nog in. De hoeveelheid grondstof die uiteindelijk in het product terechtkomt, is het nettoverbruik. Afval is het verschil tussen het brutoverbruik en het nettoverbruik. Dat houdt dan in dat het brutoverbruik van grondstoffen in de kostprijs van een product terecht moet komen. Afnemers moeten dus ook voor het afval betalen. Weetje! De kwaliteit van grondstoffen heeft grote invloed op het verbruik. Hoe beter de kwaliteit, hoe minder afval. Hoe slechter de kwaliteit, hoe meer afval. Maar een slechtere kwaliteit grondstoffen heeft meestal wel een lagere inkoopprijs

Een bakker berekent dus de kosten van een kilo appels, terwijl er maar 800 gram appels in zijn taart zit verwerkt.

Het nettoverbruik zit in de appeltaart.

Shutterstock

Het berekenen van het brutoverbruik is niet altijd eenvoudig. Je hebt inzicht en rekenvaardigheid nodig om te bepalen hoeveel grondstof er nodig is voor de productie van een of meer producten. In praktijkvoorbeeld 1 worden het brutoverbruik van grondstoffen en de grondstofkosten berekend.

6


Wat kost de grondstof?

Praktijkvoorbeeld 1: Bereken het brutoverbruik en de grondstofkosten Gegeven Primo bv fabriceert het artikel Aldo. • • • •

Tijdens het productieproces ontstaat onvermijdelijk 10% afval. Dit afval heeft geen waarde. In één eindproduct is 4,5 kg grondstof verwerkt. De prijs van de grondstof bedraagt € 6 per kg.

Gevraagd a Bereken het brutoverbruik per eenheid. b Bereken de grondstofkosten per eenheid. Uitwerking a. Brutoverbruik berekenen Het brutoverbruik is het nettoverbruik plus het afval. Het brutoverbruik voor één eindproduct stel je op 100%. Hier gaat 10% afval van af. Het nettoverbruik is dus 100% − 10% = 90%. Het nettoverbruik in hoeveelheden is 4,5 kg per product. Deze 4,5 kg is dus 90%. In een schema ziet dat er zo uit. %

kg

Brutoverbruik

100

7

Afval

10

7

Nettoverbruik

90

4,5

Dan is 1%: 4,5 / 90 = 0,05. 100% is dan 100 × 0,05 = 5 kg. Ingevuld ziet het schema er dan als volgt uit. %

kg

Brutoverbruik

100

5

Afval

10

0,5

Nettoverbruik

90

4,5

b. Grondstofkosten berekenen Het brutoverbruik bedraagt 5 kg per product. De kosten voor deze 5 kg berekent Primo bv door aan de klant. De grondstofkosten bedragen dan 5 × € 6 = € 30. Controleer of je de berekeningen goed hebt uitgevoerd door afval van het brutoverbruik te berekenen en het nettoverbruik te bepalen. Je voorkomt dan dat je met verkeerde getallen verder doorrekent. Als je van het brutoverbruik 10% afval aftrekt, krijg je: 5 kg − 10% van 5 kg = 5 kg − 0,5 kg = 4,5 kg De berekening klopt dus.

7


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Afval is onvermijdelijk.

2.3

Roel Seidell

Afval verkopen Als grondstoffen een betrekkelijk hoge prijs hebben, heeft het afval ook vaak nog waarde. Bij de fabricage van leren stoelen en banken gebruik je niet al het leer. Bij het snijden van het leer blijven kleine stukjes over. Ook is het mogelijk dat er kleine beschadigingen op het leer zitten. De kwaliteit is voor het gebruik in bankstellen onvoldoende, zodat ook van dit leer niet alles te gebruiken is. Een onderneming verkoopt het afval meestal aan een ander bedrijf dat deze restanten nog goed kan gebruiken, bijvoorbeeld voor het produceren van werkhandschoenen. De opbrengst van dit afval verlaagt de grondstofkosten.

Praktijkvoorbeeld 2: Verkoop je afval, verlaag je grondstofkosten Gegeven Onderneming Afolex maakt het product Dona. • • • •

In elk product Dona is 6 kg grondstof verwerkt. De prijs van deze grondstof bedraagt € 10 per kg. Bij de productie ontstaat onvermijdelijk 20% afval. Afolex verkoopt dit afval aan een opkoper voor € 2 per kg.

Gevraagd a Bereken het brutoverbruik per eenheid. b Bereken de grondstofkosten per eenheid. Uitwerking a. Brutoverbruik berekenen Het brutoverbruik is 100%. Het afvalpercentage is 20%. Het nettoverbruik is 100% − 20% = 80%. Het nettoverbruik is 6 kg = 80% van het brutoverbruik.

8


Wat kost de grondstof?

%

kg

Brutoverbruik

100

7

Afval

20

7

Nettoverbruik

80

6

1% is dan 6 / 80 = 0,075 kg. 100% is dan 100 × 0,075 = 7,5 kg. %

kg

Brutoverbruik

100

7,5

Afval

20

1,5

Nettoverbruik

80

6

Controleer het nettoverbruik door 20% afval op het brutoverbruik in mindering te brengen. Controle: 7,5 kg − 20% = 7,5 kg − 1,5 kg = 6 kg = nettoverbruik. Dit klopt. Het brutoverbruik bedraagt 7,5 kg per product. b. Grondstofkosten berekenen De kosten van 7,5 kg grondstof bedragen 7,5 × € 10 = € 75. Het afval bedraagt 20% van 7,5 kg = 1,5 kg. Een opkoper koopt het afval en dit levert 1,5 × € 2 = € 3 op. De opbrengst door de verkoop van afval vermindert de hoogte van de gemaakte grondstofkosten. De opbrengst van het afval trek je af van de prijs van de grondstoffen. De grondstofkosten bedragen dan € 75 − € 3 = € 72 per product. De opbrengst van het afval heeft ervoor gezorgd dat de grondstofkosten daalden met € 3 per product.

2.4 Wat als het opruimen van afval geld kost? Het kan ook zijn dat afval niets meer waard is en dat je het zelfs tegen betaling moet laten afvoeren. De extra kosten van dit verwijderen kun je niet vermijden en moet je bij de waarde van de opgeofferde grondstoffen optellen. De grondstofkosten stijgen door de opruimkosten. En hierdoor neemt ook de kostprijs van een product toe. Let op: Opruimkosten voor het afvoeren van afval verhogen de gemaakte grondstofkosten.

9


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Enig idee wat het huren van een container kost?

Shutterstock

3

Kostprijs van een goedgekeurd product

3.1

Keuren van producten Een onderneming organiseert het productieproces zo goed mogelijk. Aan het eind van het productieproces vindt er een keuring plaats. Het is dan mogelijk dat het uiteindelijke product bij de keuring niet aan de kwaliteitseisen voldoet. De producten die niet aan die eisen voldoen keurt de onderneming af. Deze afgekeurde producten zijn uitval. Door keuring krijg je te maken met: • ongekeurde producten (nog niet gekeurde producten); • goedgekeurde producten; • afgekeurde producten. Alleen goedgekeurde producten voldoen aan de kwaliteitseisen en zijn geschikt voor de verkoop. Een ondernemer moet de gemaakte kosten door de verkoop van de goedgekeurde producten terugverdienen. Dat betekent dat hij ook de kosten van de afgekeurde producten zal doorberekenen in de prijs van de goedgekeurde producten. De kosten die aan de afgekeurde producten zijn besteed, moet je optellen bij de kosten van de goedgekeurde producten. Hierdoor krijg je een hogere kostprijs van een goedgekeurd product. Hogere kwaliteitseisen aan een product leiden tot meer uitval, wat weer een hogere kostprijs van de goedgekeurde producten tot gevolg heeft.

10


Kostprijs van een goedgekeurd product

3.2

Afkeuren verhoogt de kostprijs Bij de productie van 1.000 spaarlampen is de uitval gemiddeld 3 spaarlampen. De kosten van 1.000 ongekeurde gloeilampen moet je terugverdienen met 997 goedgekeurde spaarlampen.

Alleen lampen die voldoen kun je verkopen.

Shutterstock

In het volgende praktijkvoorbeeld vindt de berekening van de kostprijs van ongekeurde en goedgekeurde producten plaats.

Praktijkvoorbeeld 3: Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Uzka • Uitval is waardeloos. Gegeven Onderneming Karman bv maakt het product Uzka. Bij de keuring van het product Uzka blijkt 10% niet aan de eisen te voldoen. Deze afgekeurde producten kan Karman bv zonder kosten afvoeren en ze hebben geen waarde. De kosten voor één product Uzka bedragen: • grondstof € 100 • arbeidskosten € 30 • machinekosten € 41 Tip: Reken bij het keuren van producten altijd met 100 stuks. Het percentage afval is dan bijna altijd een geheel aantal, wat het berekenen van de kosten voor goedgekeurde producten aanzienlijk vereenvoudigt.

11


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen De kosten van 100 ongekeurde producten bedragen dan: - grondstoffen € 10.000 arbeidskosten € 3.000 - machinekosten € 4.100 Gevraagd a Bereken de kostprijs van een ongekeurd product. b Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product. Uitwerking a De totale kosten van 100 ongekeurde producten bedragen: € 10.000 + € 3.000 + € 4.100 = € 17.100 Een ongekeurd product kost dus € 17.100 / 100 = € 171. b De totale kosten van 100 ongekeurde producten bedragen € 17.100. Van elke 100 producten worden er 10 afgekeurd (10%). Het aantal goedgekeurde producten bedraagt dus 100 − 10 = 90. De gemaakte kosten moet je toerekenen aan de 90 goedgekeurde producten. Een goedgekeurd product kost € 17.100 / 90 = € 190.

100 10 90

Grondstoffen Arbeidskosten Machinekosten Ongekeurde producten kosten Afgekeurde producten leveren 10 × € 0 op Goedgekeurde producten kosten

€ 10.000 € 3.000 € 4.100 € 17.100 € – € 17.100

Controleberekening: De kosten van de 10 afgekeurde producten bedragen 10 × € 171 = € 1.710. Deze gemaakte kosten moet je verdelen over de 90 goedgekeurde producten. Hierdoor neemt de kostprijs van een goedgekeurd product toe met € 1.710 / 90 = € 19. De ongekeurde prijs was € 171, daar komt nu € 19 bij, waardoor de prijs van een goedgekeurd product uitkomt op € 171 + € 19 = € 190. of: 90 goedgekeurde producten met een kostprijs van € 190: 90 × € 190 = € 17.100 Conclusie: Uitval verhoogt de kosten van de goedgekeurde producten.

3.3 Uitval met opbrengst of kosten Een afgekeurd product is soms waardeloos, maar kan ook nog waarde hebben als een product van tweede keus met een mindere kwaliteit.

In de praktijk blijkt dat een onderneming goederen die niet aan de hoogste eisen voldoen, toch kan verkopen tegen een lagere prijs als tweede keus of als B-merk. De uitval levert dan toch een opbrengst op. De uitvalopbrengst van deze afgekeurde producten moet je van de totale kosten aftrekken. Daardoor nemen de kosten van de goedgekeurde producten af. Uitvalopbrengst verlaagt de kosten van goedgekeurde producten.

12


Kostprijs van een goedgekeurd product Maar uitval kan ook juist kosten veroorzaken. Een onderneming moet betalen voor het afvoeren van waardeloze uitval. Deze uitvalkosten moet je bij de totale kosten tellen: ze verhogen dus de kostprijs. Uitvalkosten verhogen de kosten van goedgekeurde producten.

Praktijkvoorbeeld 4: Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Cas • Uitval met waarde Gegeven Onderneming Basal bv maakt het product Cas. Bij de keuring van Cas blijkt 6% niet aan de eisen te voldoen. Een handelaar koopt de afgekeurde producten op voor € 25 per stuk.

De kosten van 100 ongekeurde producten Cas bedragen: • grondstoffen € 2.300 • arbeidskosten € 1.200 • machinekosten € 1.350 Gevraagd a Bereken de kostprijs van een ongekeurd product Cas. b Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Cas. Uitwerking a Kostprijs van een ongekeurd product Cas De totale kosten van 100 ongekeurde producten bedragen: € 2.300 + € 1.200 + € 1.350 = € 4.850 Een ongekeurd product kost € 4.850 / 100 = € 48,50. b Kostprijs van een goedgekeurd product Cas De totale kosten van 100 ongekeurde producten bedragen € 4.850. Daarvan worden er 6 afgekeurd. Het aantal goedgekeurde producten Cas bedraagt 100 − 6 = 94. De afgekeurde producten Cas brengen 6 × € 25 = € 150 op. De totale kosten bedragen € 4.850 − € 150 = € 4.700. De kostprijs van een goedgekeurd product is € 4.700 / 94 = € 50. In een schema kun je dit als volgt samenvatten. Grondstoffen

€

2.300

Arbeidskosten

€

1.200

Machinekosten

€

1.350

100

Ongekeurde producten kosten

€

4.850

6

Afgekeurde producten leveren 6 × € 25 op

€

150

94

Goedgekeurde producten kosten

€

4.700

13


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Praktijkvoorbeeld 5: Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Nora • Uitval opruimen brengt extra kosten met zich mee. Gegeven Onderneming Weitzel bv maakt het product Nora. In het product Nora zitten grondstoffen die een belasting zijn voor het milieu. Bij de keuring van Nora blijkt 15% niet aan de eisen te voldoen. De afgekeurde producten moet je afvoeren. Dit kost € 4 per product. De kosten van 100 ongekeurde producten Nora bedragen: • grondstoffen € 1.600 • arbeidskosten € 1.000 • machinekosten € 740 Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Nora. Uitwerking Kostprijs van een goedgekeurd product Nora De totale kosten van 100 ongekeurde producten Nora bedragen: € 1.600 + € 1.000 + € 740 = € 3.340 Een ongekeurd product Nora kost € 3.340 / 100 = € 33,40. Van de ongekeurde producten moet je er 15 afkeuren. Voor het opruimen betaalt Weitzel bv 15 × € 4 = € 60. De kosten van de goedgekeurde producten bedragen € 3.340 + € 60 = € 3.400. Het aantal goedgekeurde producten Nora bedraagt 100 − 15 = 85. Een goedgekeurd product Nora kost € 3.400 / 85 = € 40. In een schema kun je dit als volgt samenvatten: Grondstoffen

€

1.600

Arbeidskosten

€

1.000

Machinekosten

€

740

100

Ongekeurde producten kosten

€

3.340

15

Afgekeurde producten opruimen kost 15 × € 4

€

60

85

Goedgekeurde producten kosten

€

3.400

14


 Begrippen

Begrippen ELBE03 Afgekeurd product

Product dat na keuring niet voldoet aan de kwaliteitseisen.

Afval

Verschil tussen het brutoverbruik en het nettoverbruik dat ontstaat door onvermijdbaar verlies van grondstof.

Brutoverbruik

Hoeveelheid grondstoffen die nodig is om een product te maken.

Goedgekeurd product

Product dat na keuring voldoet aan de kwaliteitseisen en dat je kunt verkopen.

Grondstof

Materiaal dat is verwerkt in het eindproduct.

Hulpstof

Materiaal dat nodig is voor de productie, maar dat niet aanwezig is in het eindproduct.

Inkoopprijs

Geldbedrag, exclusief btw, dat je betaalt aan de leverancier van een product.

Keuring

Onderzoek of producten voldoen aan de gestelde eisen.

Nettoverbruik

Hoeveelheid grondstof die uiteindelijk in een product terechtkomt.

Ongekeurd product

Product dat nog niet is gekeurd.

Opbrengst afval

Prijs die je voor de verkoop van afval ontvangt.

Opruimkosten

Prijs die je moet betalen om afval of uitval af te voeren.

Opslagkosten

Kosten van het magazijn, verzekeringskosten, interestkosten en kosten om grondstoffen geschikt te maken voor het productieproces.

Uitval

Producten die niet aan de kwaliteitseisen voldoen en daarom zijn afgekeurd.

Uitvalkosten

Prijs die je moet betalen voor het opruimen van afgekeurde producten.

Uitvalopbrengst

Opbrengst van afgekeurde producten.

Verspilling

Vermijdbaar verlies van grondstof dat ten koste gaat van de winst.

15


ELBE02

Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

OPDRACHTEN Aan de slag met ‘Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven’ Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven 1 2 3 4 5

De productiefactoren ‘KANO’ Opbrengsten en kosten Kostencategorieën Variabele en constante kosten Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven

Leerdoelen Na deze leereenheid kan ik: Kennis: • benoemen tot welke kostencategorie (grond, grondstof, hulpstof, arbeid, dienst van derden, afschrijving, belasting of financiering) een kostenpost hoort. • de begrippen opbrengsten, kosten, ontvangsten, uitgaven, productieomvang en productiecapaciteit beschrijven. Begrip: • de verschillen aangeven tussen opbrengsten en ontvangsten. • de verschillen aangeven tussen kosten en uitgaven. • uitleggen wat het verschil is tussen kosten en verspillingen. Vaardigheid: • • • • • •

kosten in kostencategorieën indelen. voor een gegeven situatie vaststellen of kosten direct of indirect zijn. voor een gegeven situatie vaststellen of kosten variabel of vast zijn. de gemiddelde kosten berekenen. een eenvoudige winst-en-verliesrekening opstellen. een eenvoudig kasstroomoverzicht samenstellen.

2


Oriëntatievragen

Oriëntatievragen Wat weet je al over het verschil tussen kosten en uitgaven en tussen opbrengsten en ontvangsten? De oriëntatievragen vormen een goede inleiding op dit onderwerp en zijn prima geschikt om klassikaal te bespreken.

1

Uitgaven Je handelt in boeken. Geef een voorbeeld van uitgaven voor je boekhandel.

2

Kosten Je handelt in boeken. Geef een voorbeeld van kosten voor je boekhandel.

3

Verschil Je handelt in boeken. Geef aan wat volgens jou het verschil is tussen uitgaven en kosten voor je boekhandel.

4

Inventaris Je handelt in boeken. Je probeert met je boekhandel winst te maken. Helaas lukt dat niet altijd. Wat kunnen de oorzaken ervan zijn dat de winst tegenvalt of dat je zelfs verlies lijdt?

5

Factoren Je handelt in boeken. Je probeert met je boekhandel winst te maken. Helaas lukt dat niet altijd. Bedenk zoveel mogelijk factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

3


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

6

Kosten Je handelt in boeken. Welke kosten heb je altijd, zelfs als je besluit om twee maanden op vakantie te gaan en je boekhandel daarom even te sluiten?

7

Toenemende kosten Je handelt in boeken. Kun je kosten benoemen die toenemen naarmate je meer boeken inkoopt en verkoopt?

4


 Kennisvragen

Kennisvragen Neem de inhoud van Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven goed door. Beantwoord daarna de vragen. Beantwoord daarna de kennisvragen en controleer zo of je de leerstof hebt begrepen. Nota bene: er zijn niet van iedere paragraaf vragen in dit kennisdeel opgenomen. Kies bij de meerkeuzevragen het juiste antwoord, tenzij er duidelijk wordt gevraagd naar meerdere juiste antwoorden.

2.1 1

Productiefactoren Bedrijf-onderneming Geef het verschil aan tussen een bedrijf en een onderneming en geef van elk een voorbeeld uit de echte wereld. Verschil:

Een voorbeeld van een bedrijf is:

Een voorbeeld van een onderneming is:

2

Organisatie Een paard is een dier, maar een dier is niet altijd een paard. Schrijf een zelfde soort uitspraak, maar dan met een organisatie en een onderneming.

3

Onderneming Een paard is een dier, maar een dier is niet altijd een paard. Schrijf een zelfde soort uitspraak, maar dan met een bedrijf en een onderneming.

4

Specialisatie Uitspraak 1: Door specialisatie gaat de arbeidsproductiviteit omhoog omdat arbeiders efficiĂŤnter gaan werken. Uitspraak 2: Door specialisatie ontstaan er steeds meer verschillende soorten ondernemingen. 5


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven Welke uitspraak over specialisatie is juist? ◯ Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. ◯ Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist. ◯ Beide uitspraken zijn juist. ◯ Beide uitspraken zijn onjuist.

5

Economisch handelen Welke twee uitspraken over economisch handelen zijn juist? Economisch handelen is: □ zo veel mogelijk presteren met zo weinig mogelijk budget. □ met een bepaald budget zo veel mogelijk presteren. □ zo veel mogelijk presteren met zo veel mogelijk opofferingen.

6

Begrippen Geef de begrippen die horen bij de gegeven omschrijvingen. Omschrijving

Begrip

middel dat nodig is voor het voortbrengen van goederen of diensten: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap het voortbrengen van een goed of dienst door het inzetten van productiefactoren in een bedrijf concentratie op een bepaald deel van het productieproces

2.2 1

Opbrengsten en kosten Onderneming Van de volgende ondernemingen zijn de financiële gegevens van afgelopen periode bekendgemaakt. Afzet

Verkoopprijs per stuk

Inkoopprijs per stuk

Bedrijfskosten

Kolibrie

4.000

€

90

€

12

€ 14.000

Lijster

100.000

€

5

€

2

€ 13.000

Merel

50.000

€

12

€

6

€ 20.000

Nachtegaal

800

€

500

€

100

€ 25.000

Ooievaar

300.000

€

3

€

2

€ 10.000

Plaats de naam van de onderneming met de grootste winst het meest links en van die met de kleinste winst helemaal rechts in de onderstaande balk. Merel  /  Lijster  /  Ooievaar  /  Nachtegaal  /  Kolibrie

6


Kennisvragen

2

Kleine winst Doordenkertje 1 Wanneer leidt een kleine winst per product toch tot een grote winst?

3

Lage afzet Doordenkertje 2 Wanneer leidt een lage afzet toch tot een grote winst?

4

Begrip Plaats in het overzicht het begrip dat hoort bij de omschrijving. paren met constante kosten  /  paren met variabele kosten  /  paren met afzet  /  paren met afschrijvingen  /  paren met indirecte kosten  /  paren met kosten Begrip

Omschrijving

kosten

kosten die onafhankelijk zijn van de afzet of productiehoeveelheid

afzet

kosten die stijgen of dalen bij verandering van de afzet of productiehoeveelheid

afschrijvingen

aantal verkochte producten

indirecte kosten

waardedaling van duurzame productiemiddelen

variabele kosten

kosten die je niet rechtstreeks aan een product kunt toerekenen

constante kosten

g

ermijdbaaropgeofferdeproductiefactoren

paren met kosten

7


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

2.3 1

Kostencategorieën Onderwerpen Is het een grondstof, een hulpstof of een eindproduct? Wanneer je vindt dat een onderwerp in meerdere categorieën kan voorkomen, dan is dat ook mogelijk

2

Grondstof

Hulpstof

Eindproduct

• hout

□

□

□

• hamer

□

□

□

• kwast

□

□

□

• verf

□

□

□

• tafel

□

□

□

• kachel

□

□

□

• ijzererts

□

□

□

• vrachtwagen

□

□

□

• schoonmaakmiddel

□

□

□

• poetsmachine

□

□

□

• lap stof

□

□

□

• kaars

□

□

□

• kaarsvet

□

□

□

• spiritus

□

□

□

• olie

□

□

□

• schapenwol

□

□

□

• grasmaaier

□

□

□

• bloem

□

□

□

• tomatensaus

□

□

□

• koffiebonen

□

□

□

Uitspraken Geef aan of de onderstaande uitspraken juist of onjuist zijn. Juist

Onjuist

Kosten zijn de waarde van alle opgeofferde productiefactoren.

◯

◯

Kosten zijn de waarde van alle noodzakelijk opgeofferde productiefactoren.

◯

◯

Kosten zijn de offers plus de verspillingen.

◯

◯

Arbeidskosten bestaan uit brutolonen plus alle bijkomende kosten voor arbeid.

◯

◯

Verschil in salaris ontstaat vooral doordat iemand harder werkt dan een ander.

◯

◯

Alle duurzame productiemiddelen gaan minstens vijf jaar mee.

◯

◯

Een voorbeeld van een dienst door derden is het bijhouden van de tuin door een hovenier.

◯

◯

Alle belastingen verhogen de kostprijs.

◯

◯

8


Kennisvragen

2.4 Variabele en constante kosten 1

Constante kosten Kies het juiste antwoord. Voorbeelden van constante kosten zijn: ◯ ◯ ◯ ◯

2

huur, arbeidscontracten, abonnement op vakbladen, verzekeringen vast salaris, energieverbruik, telefoonabonnement, hypotheeklasten kantoorbenodigdheden, loon, huur, elektriciteit, beveiligingskosten vervoerskosten, afschrijvingskosten van auto’s, salaris directeur, schoonmaak door derden

Kosten Uitspraak 1: Constante kosten veranderen als er meer producten worden geproduceerd. Uitspraak 2: De variabele kosten veranderen als er minder producten worden geproduceerd. Welke uitspraak over de kosten is juist? ◯ Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. ◯ Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist. ◯ Beide uitspraken zijn juist. ◯ Beide uitspraken zijn onjuist.

2.5 1

Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven Uitspraak Uitspraak 1: Kosten en opbrengsten vind je terug in een kasstroomoverzicht van een onderneming. Uitspraak 2: Ontvangsten en uitgaven vind je terug op de winst-en-verliesrekening van een onderneming. Kies het juiste antwoord. ◯ Uitspraak 1 is juist, uitspraak 2 is onjuist. ◯ Uitspraak 2 is juist, uitspraak 1 is onjuist. ◯ Beide uitspraken zijn juist. ◯ Beide uitspraken zijn onjuist.

9


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

2

Winst-en-verliesrekening Bepaal voor iedere activiteit of deze effect heeft op de winst-en-verliesrekening, het kasstroomoverzicht of op geen van beide.

contante verkoopopbrengsten

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

aanschaf bestelauto

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

aangifte inkomstenbelasting

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

ontvangst inkoopfactuur

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

aflossing lening

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

betaling door een debiteur

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

loonkosten

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

betaling inkoopfactuur

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

afschrijving gebouwen

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

uitbetaling nettolonen

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

telefoonvergoeding aan personeel Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed overmaken aankoopbedrag auto

3

Winst-en-verliesrekening / Kasstroomoverzicht / Beiden / Geen invloed

Begrip en omschrijving Vul de lege cellen in de tabel in. Begrip

Omschrijving kasgeld plus direct beschikbaar banktegoed

kasstroomoverzicht overzicht van kosten en opbrengsten balans

wat overblijft nadat de opbrengst is verminderd met de inkoopprijs en de bedrijfskosten

Kijk je antwoorden van het onderdeel Kennis na en verbeter de antwoorden die je niet goed hebt met een rode pen. Als er antwoorden bij zijn die je niet begrijpt, vraag dan je docent om uitleg.

10


Routineopgaven

Routineopgaven Lees goed. Als je iets even niet weet, ga dan eerst in de theorie op zoek naar hoe je berekeningen moet maken.

3.1

Variabele en constante kosten

1

Constante kosten Gegeven Bij de productie van het product Pallo zijn de constante kosten € 2.000. Gevraagd

a Bereken de constante kosten per product bij een productie van 1.000 producten. b Bereken de constante kosten per product bij een productie van 2.000 producten.

c Bereken de constante kosten per product bij een productie van 5.000 producten.

2

Product Gegeven Bij de productie van het product Zenda zijn de constante kosten € 24.000. Gevraagd

a Bereken de constante kosten per product Zenda bij een productie van 5.000 producten. b Bereken de constante kosten per product Zenda bij een productie van 10.000 producten. c Bereken de constante kosten per product Zenda bij een productie van 15.000 producten. d Welke conclusie trek je als je de drie antwoorden met elkaar vergelijkt?

11


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

3

Productie Gegeven Bij de productie van het product Xylon zijn: • de totale constante kosten € 4.800; • de variabele kosten € 4 per stuk. Gevraagd

a Bereken de kosten per product bij een productie van 800 producten.

b Bereken de kosten per product bij een productie van 1.500 producten.

c Bereken de kosten per product bij een productie van 2.400 producten.

d Welke conclusie trek je als je de drie kostprijzen met elkaar vergelijkt?

3.2

Opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven

1

Liquide middelen

a Gegeven • De liquide middelen zijn op 1 maart € 2.480. • De ontvangsten in maart waren € 14.300. • De uitgaven in maart waren € 13.930. Gevraagd Bereken het saldo liquide middelen op 31 maart.

12


Routineopgaven

2

Liquide middelen

a Gegeven • • • • •

De liquide middelen zijn op 1 mei € 12.460. De ontvangsten in mei waren € 26.389. De uitgaven in mei waren € 22.590. De ontvangsten in juni waren € 29.567. De uitgaven in juni waren € 30.455.

Gevraagd Bereken de liquide middelen op 30 juni.

3

Liquide middelen

a Gegeven • De liquide middelen zijn op 31 augustus € 3.678. • De ontvangsten in augustus waren € 17.341. • De uitgaven in augustus waren € 18.752. Gevraagd Bereken de liquide middelen op 1 augustus.

Je moet nu terugrekenen.

4

Liquide middelen

a Gegeven Gert is chauffeur bij Dermonde bv. Van al zijn tankbeurten moet hij gegevens aanleveren aan de administrateur van het bedrijf. De administrateur kan op deze manier de uitgaven en de kosten die Gert maakt in de gaten houden. De volgende gegevens heeft Gert bij de administrateur van Dermonde bv ingeleverd. • • • •

Ik heb in maart in totaal getankt voor € 853. In maart heb ik 1631 km gereden. Ik heb voor parkeergeld en lunches € 113 betaald. Op 30 maart heb ik een reparatie laten uitvoeren aan de linker voorrem. De rekening van € 320 wordt opgestuurd. • Verder beschikt de administrateur nog over de volgende gegevens. • De liquide middelen waren op 1 maart € 2.480. • De ontvangsten in maart waren € 14.300. • De uitgaven (exclusief het lijstje van Gert) in maart waren € 13.930.

13


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven Gevraagd Bereken de liquide middelen op 31 maart.

5

Liquide middelen Gegeven Gert heeft de volgende gegevens bij de administrateur van Dermonde bv ingeleverd. • • • • • •

Op 5 september heeft Gert 70 liter diesel getankt. Hij heeft contant betaald. 1 liter diesel kost bij de pomp € 1,20. Het verbruik van de bestelbus is 8 liter diesel op 100 km. Op 5 september heeft Gert 275 km gereden met de bus. Op 6 september heeft Gert 350 km gereden met de bus.

Gevraagd

6

Liquiditeitsbalans Bereken de uitgaven en/of de kosten die Gert maakt op 5 september.

7

Liquiditeitsbalans Bereken de uitgaven en/of de kosten die Gert maakt op 6 september.

8

Onderneming Stratos Gegeven Onderneming Stratos start op 1 april met een bedrag aan liquide middelen van € 800. Dit is tevens het eigen vermogen van de onderneming. In april zijn er de volgende gebeurtenissen. 1 Stratos koopt 40 dozen Sfera voor een prijs van € 12 per doos en heeft de dozen en de inkoopfactuur ontvangen. 2 Stratos betaalt de inkoopfactuur per bank. 3 Stratos verkoopt 25 dozen voor een prijs van € 18, verzendt de goederen en verstuurt de verkoopfactuur. 4 De klant betaalt het verschuldigde bedrag per bank.

14


Routineopgaven Gevraagd

a Stel voor elke gebeurtenis vast of er sprake is van ontvangsten, uitgaven, opbrengsten, kosten of dat er geen sprake is van één van deze feiten. 1

2

3

4

Het is verstandig om je antwoorden te controleren voordat je verdergaat. Hierdoor kun je vervelende doorwerkfouten voorkomen.

b Bereken de verandering van de liquide middelen bij Stratos in de maand april. Ontvangsten

€ 450

− Uitgaven

€ 480

= Daling liquide middelen

€ 30

c Bepaal de winst die Stratos in april behaalt. Opbrengsten

€ 450

− Kosten

€ 300

= Winst

€ 150

d Bepaal de stand van de liquide middelen op 30 april. Beginstand liquide middelen

€ 800

Afname liquide middelen

€ 30

Eindstand liquide middelen

€ 770

15


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

e Bepaal de stand van het eigen vermogen op 30 april. Beginstand eigen vermogen

€ 800

Toename eigen vermogen (winst)

€ 150

Eindstand eigen vermogen

€ 950

Kijk de routineopgaven na en verbeter fouten met een rode pen. Klop bij je docent aan met de berekeningen die je niet begrijpt en vraag om een toelichting, voordat je met de praktijktaken start.

16


 Praktijktaken

Praktijktaken Lees de taak goed door en maak eventueel aantekeningen van belangrijke informatie. Goed lezen is het halve werk.

1

Kostensoorten Onderzoek de verschillende kostensoorten bij Hanzen nv. Ook Hanzen nv maakt eerst kosten om vervolgens opbrengsten te krijgen. Het is van belang dat deze kosten niet onnodig worden gemaakt. Daarom moet je een goede administratie bijhouden van wat er met de gemaakte kosten gebeurt en of ze wel noodzakelijk waren. Om kosten goed te administreren, werkt deze internationale onderneming met een indeling naar kostensoort. Jouw bpv-begeleider legt je uit welke kosten je tot welke kostensoort moet rekenen. Soms is het heel onduidelijk voor welk product de kosten worden gemaakt, omdat ze eigenlijk met veel verschillende soorten producten hebben te maken. Om wat meer inzicht in de kostensoorten te krijgen, heeft jouw begeleider een aardig klusje.

a Schrijf de zes kostensoorten op voordat je aan deze klus begint. Zes kostensoorten: 1 2 3 4 5 6

b Gegeven Nu je de kostensoorten op papier hebt staan, kun je de opdracht verder uitvoeren. Jouw bpv-begeleider wil je inzicht in de kostensoorten vergroten en vraagt je van de volgende kosten aan te geven bij welke kostensoort ze horen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

het salaris van de directeur het elektriciteitsverbruik van de koelkasten en diepvriezers het verbruik aan frituurvet van de kantine de rentekosten van de lening die afgesloten is om de aanschaf van het parkeerterrein te financieren de kosten van de koeriersdienst voor het laten bezorgen van een pakket folders de waardedaling van de goederenlift de motorrijtuigenbelasting van de bestelbus de kosten van de externe accountant de huur van leenauto’s als het heel druk is het salaris van de telefoniste de onroerendezaakbelasting het verbruik van printerpapier

17


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven Vermeld welke kosten (1 t/m 12) bij de kostensoort uit Kostensoorten horen. Bij 1 horen de nummers: Bij 2 horen de nummers: Bij 3 horen de nummers: Bij 4 horen de nummers: Bij 5 horen de nummers: Bij 6 horen de nummers:

c Gegeven Je bent erachter gekomen dat je iedere kostenpost wel kunt indelen bij een kostensoort. Je stapt trots naar je begeleider, omdat je denkt dat je klaar bent. Al snel wordt duidelijk dat je ook nog op andere manieren naar kosten kunt kijken. Sommige kosten zijn er altijd, andere kosten niet of juist wel als er veel wordt geproduceerd. Om ook daar inzicht in te krijgen, vraagt jouw begeleider je de kosten 1 t/m 12 in te delen in constante kosten en variabele kosten. Welke kosten horen volgens jou bij de constante kosten? Tot de constant kosten horen de nummers:

d Welke kosten horen volgens jou bij de variabele kosten? Tot de variabele kosten horen de nummers:

2

Kosten of uitgaven Zijn het kosten of uitgaven bij Rotaro? Gegeven Je werkt in het weekend bij het taxibedrijf Rotaro. Je doet er allerlei werkzaamheden. Voor je studie moet je uitzoeken wat het verschil is tussen kosten en uitgaven en je vraagt of je dat bij Rotaro mag doen. De directeur van Rotaro heeft er geen bezwaar tegen als je gegevens uit de boekhouding gebruikt. Er is wel een voorwaarde: je moet zorgvuldig met de gegevens omgaan. Het is niet de bedoeling dat iedereen dit soort informatie uit de administratie te weten komt. Voordat je aan de slag gaat, zoek je nog even op wat het verschil is tussen kosten en uitgaven.

a Selecteer de goede antwoorden. Juist

Onjuist

Kosten verlagen de liquide middelen.

◯

◯

Kosten verlagen de brutowinst.

◯

◯

Kosten verlagen het eigen vermogen.

◯

◯

Kosten verlagen de opbrengsten.

◯

◯

Juist

Onjuist

Uitgaven verlagen de liquide middelen.

◯

◯

Uitgaven verlagen de winst.

◯

◯

Uitgaven verlagen het eigen vermogen.

◯

◯

Uitgaven verlagen de opbrengsten.

◯

◯

b Selecteer de goede antwoorden.

18


Praktijktaken

c Een van de chauffeurs, Camil, tankt op 4 september 80 liter diesel. Hij rekent contant af. De prijs van een liter diesel is € 1,52. De taxi verbruikt 10 liter op 100 kilometer. Die dag rijdt Camil 300 kilometer. Bereken hoe hoog de uitgaven zijn.

d Een van de chauffeurs, Camil, tankt op 4 september 80 liter diesel. Hij rekent contant af. De prijs van een liter diesel is € 1,52. De taxi verbruikt 10 liter op 100 kilometer. Die dag rijdt Camil 300 kilometer. Bereken ook de kosten op 4 september.

e Op 5 september tankt Camil niet. Hij rijdt die dag wel 320 kilometer. Hoe hoog zijn de uitgaven op 5 september?

f Hoe hoog zijn de kosten op 5 september?

g Het oliepeil van de auto van Camil is erg laag. Er gaat precies één liter olie in het motorblok. Deze liter kost € 11,30. Hoe hoog zijn de uitgaven voor deze olie?

h Hoe hoog zijn de kosten voor deze olie?

i Voor de aanschaf van een nieuwe taxi heeft Rotaro vorig jaar bij de ING een lening afgesloten. Daar wordt op 10 september € 1.200 op afgelost. Hoe hoog zijn de uitgaven op 10 september?

19


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

j Hoe hoog zijn de kosten op 10 september?

k Taxi’s verouderen, zelfs al staan ze stil. Verouderen betekent dat ze minder waard worden. Daarom moet Rotaro afschrijven op de auto’s. Op 30 september wordt de afschrijving geboekt voor de maand september. Het afschrijvingsbedrag is € 750. Hoe hoog zijn de uitgaven?

l Hoe hoog zijn de kosten?

m Op 3 oktober bestelt Rotaro een nieuwe taxibus. De aanschafprijs is € 34.900. De extra kosten voor het rijklaar maken zijn € 575. De taxibus wordt 21 oktober afgeleverd en betaald. Hoe hoog zijn de uitgaven op 3 oktober?

n Hoe hoog zijn de kosten op 3 oktober?

o Hoe hoog zijn de uitgaven op 21 oktober?

p Hoe hoog zijn de kosten op 21 oktober?

Bij twijfel is het goed om je antwoorden na te kijken, om na te gaan of je goed hebt begrepen wat kosten en uitgaven nu precies zijn.

Kijk je uitwerkingen van de praktijktaken eerst na voordat je met de integrale casus start. Je weet dan zeker dat je goed bezig bent.

20


Integrale casus

Integrale casus Met deze casus kun je laten zien dat je weet wat opbrengsten, ontvangsten, kosten en uitgaven zijn en dat je ze goed weet te plaatsen in de financiële administratie. Durf je de klus aan?

1

Werk de financiële administratie voor Bullema bij Gegeven Bullema is een kleine onderneming die halffabricaten voor koptelefoons produceert. De heer Bullema is de enige directeur. Hij heeft per 1 januari een pand gehuurd voor € 2.000 per maand. Met de verhuurder is afgesproken dat hij de huur drie maanden vooruitbetaalt. Op 2 januari wordt de huur voor de maanden januari, februari en maart betaald. De kosten van arbeid zijn € 4.250 per maand en worden in dezelfde maand betaald. De overige kosten zijn € 1.475 per maand. De betreffende factuurbedragen worden altijd een maand later betaald. Bullema levert uitsluitend aan Piontek nv. Deze onderneming betaalt altijd aan het eind van de maand. De behaalde omzet in januari was € 10.900 en in februari € 10.350. Gevraagd

a Bereken voor Bullema de uitgaven, kosten, ontvangsten en opbrengsten over de maand januari. Vul de bedragen in de tabel in. Bullema januari Uitgaven

Kosten

Inkomsten

Opbrengsten

huur arbeid overige omzet

Controleer voor je verdergaat of je vraag a juist hebt beantwoord.

b Stel voor Bullema de winst-en-verliesrekening over de maand januari op. Debet

Bullema winst-en-verliesrekening januari

21

Credit


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

c Stel voor Bullema het kasstroomoverzicht over de maand januari op. Bullema kasstroomoverzicht januari

Bereken voor Bullema de uitgaven, kosten, ontvangsten en opbrengsten over de maand februari. Vul de bedragen in de tabel in. Bullema februari Uitgaven

Kosten

Inkomsten

Opbrengsten

huur arbeid overige omzet

Twijfel je of de door jou berekende uitgaven, kosten, ontvangsten en opbrengsten juist zijn? Controleer dan eerst weer je bedragen, voordat je verdergaat met de winsten-verliesrekening en het kasstroomoverzicht.

d Stel voor Bullema de winst-en-verliesrekening over de maand februari op. Debet

Bullema winst-en-verliesrekening februari

Credit

e Stel voor Bullema het kasstroomoverzicht voor de maand februari op. Debet

Bullema kasstroomoverzicht februari

22

Credit


Integrale casus

f Gegeven In de maand maart doen zich de volgende financiële feiten voor bij Bullema. 1 De heer Bullema betaalt boodschappen voor de kantine: € 125. 2 Er worden twee eettafels van in totaal € 1.200 gekocht. De tafels worden afgeleverd. De factuur wordt volgende maand betaald. 3 De heer Bullema luncht in de stad voor € 45 met een mogelijk nieuwe klant en laat de rekening naar het bedrijf sturen. 4 De afschrijving op de inventaris is deze maand € 50. 5 De rekening van de lunch wordt per post ontvangen. 6 De rekening van de lunch wordt per bank betaald. 7 Het aantal gewerkte uren van de assistent is deze maand 94 uur (zijn uurloon is € 10). 8 De motorrijtuigenbelasting van € 600 voor het hele jaar is op 28 maart betaald. 9 De motorijtuigenbelasting over deze maand wordt geboekt. Gevraagd Geef voor ieder financieel feit aan of er voor Bullema sprake is van uitgaven, kosten of geen van beide. Zet de bedragen op de juiste plaats in de tabel. Uitgaven

Kosten

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Kijk de uitwerking van je casus na.

23

Geen van beide


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

Samenvattingsopdracht 1

Een samenvatting maken Wil je meer oefenen? Maak de samenvatting compleet in de online leeromgeving van InBusiness.

24


Checklist

Evaluatie & Reflectie Checklist 1

Checklist Gebruik de checklist om na te gaan of je de inhoud vandeze leereenheid hebt begrepen. Ja

Nee

Ik kan benoemen tot welke kostencategorie (grond, grondstof, hulpstof, arbeid, dienst van derden, afschrijving, belasting of financiering) een kostenpost hoort.

◯

◯

Ik kan de begrippen opbrengsten, kosten, ontvangsten, uitgaven, productieomvang en productiecapaciteit beschrijven.

◯

◯

Ik kan de verschillen aangeven tussen opbrengsten en ontvangsten.

◯

◯

Ik kan de verschillen aangeven tussen kosten en uitgaven.

◯

◯

Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen kosten en verspillingen.

◯

◯

Ik kan kosten in kostencategorieën indelen.

◯

◯

Ik kan voor een gegeven situatie vaststellen of kosten direct of indirect zijn.

◯

◯

Ik kan voor een gegeven situatie vaststellen of kosten variabel of vast zijn.

◯

◯

Ik kan de gemiddelde kosten berekenen.

◯

◯

Ik kan een eenvoudige winst-en-verliesrekening opstellen.

◯

◯

Ik kan een eenvoudig kasstroomoverzicht samenstellen.

◯

◯

Test je kennis en inzicht Test je kennis en inzicht in de online leeromgeving van InBusiness.

Reflecteer op je werkzaamheden 1

Tevreden? Geef op een schaal van 1 t/m 10 aan hoe tevreden je bent over hoe je deze leereenheid hebt doorgewerkt.

□

□

□

□

□

□

□

□

□

□

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

2

Aandachtspunt Welk aandachtspunt geef je jezelf om jouw score bij vraag 1 te verbeteren

25


ELBE02 Opbrengsten en kosten, ontvangsten en uitgaven

3

Opgedane kennis Geef op een schaal van 1 t/m 10 aan hoe tevreden je bent over je opgedane kennis tijdens het doorwerken van deze leereenheid.

□

□

□

□

□

□

□

□

□

□

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

4

Herhaling Ga je gemaakte werk nog eens goed na en noteer de vragen, opgaven, taken en casussen die je niet goed had of niet wist.

De reflectievragen zijn zeer de moeite waard om ze tijdig en regelmatig te herhalen voor je toets of examen!

5

Uitdaging Lees ‘De uitdaging’ bij de inleiding van deze leereenheid nog eens door en beschrijf de vaardigheden die je je hebt eigen gemaakt om deze opdracht uit te kunnen voeren.

Neem je reflectie door met je docent en vraag om goedkeuring van je antwoorden.

26


ELBE03

Kosten van grond- en hulpstoffen

OPDRACHTEN Aan de slag met ‘Kosten van grond- en hulpstoffen’ Kosten van grond- en hulpstoffen 1 De grondstofkosten 2 Wat kost de grondstof? 3 Kostprijs van een goedgekeurd product

Leerdoelen Na deze leereenheid kan ik: Kennis: • de begrippen brutoverbruik, nettoverbruik, afval, uitval en keuring beschrijven. Begrip: • • • •

voor een gegeven situatie vaststellen of kosten variabel of vast zijn. het verschil aangeven tussen afval en uitval. uitleggen wat het verschil is tussen een ongekeurd en een goedgekeurd product. verschil maken tussen kosten en opbrengsten van afval en uitval.

Vaardigheid: • het nettoverbruik berekenen op basis van brutoverbruik en afval. • de kostprijs van een ongekeurd product berekenen. • de kostprijs van een gekeurd product berekenen.

2


Oriëntatievragen

Oriëntatievragen Wat weet je al van grond- en hulpstoffen? Of van het grote verschil tussen die twee? De oriëntatievragen vormen een goede inleiding op dit onderwerp en zijn prima geschikt om klassikaal te bespreken.

1

Kosten Het maken van een broodje hamburger kost € 1,18. Bedenk zoveel mogelijk kosten die je moet maken voor het produceren van een broodje hamburger.

2

Hulpstoffen Voor het maken van een broodje hamburger zijn ook hulpstoffen nodig. Geef aan wat jij denkt wat er onder hulpstoffen wordt verstaan.

3

Voorbeelden Geef minimaal twee voorbeelden van hulpstoffen die nodig zijn voor het produceren van een broodje hamburger.

4

Afval Wat is volgens jou afval en hoe ontstaat afval?

5

Kwaliteit Je hoort weleens: ‘Dat is goede kwaliteit.’ Maar wat versta je eigenlijk onder kwaliteit? Beschrijf het begrip kwaliteit in eigen woorden.

6

Producten Waarom zullen producten van een hoge kwaliteit duurder zijn dan producten van een lagere kwaliteit?

7

Winkels Noem enkele plaatsen (winkels) waar producten van een B-keus (mindere kwaliteit) worden verkocht. 3


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Kennisvragen Neem de inhoud van het onderwerp ‘Kosten van grond- en hulpstoffen’ goed door. Beantwoord daarna de kennisvragen en controleer zo of je de leerstof hebt begrepen.

1.1

De grondstofkosten 1

Begrippen Selecteer de juiste omschrijving bij de begrippen.

2

materiaal dat nodig is voor de productie, maar dat niet aanwezig is in het eindproduct

materiaal dat is verwerkt in het eindproduct

klei

water

•

grondstof

□

□

□

□

•

hulpsof

□

□

□

□

Grondstofkosten Geef aan welke kosten je tot grondstofkosten rekent. □ elektriciteitsnota □ opslagkosten □ bestelkosten □ schoonmaakkosten □ inkoopkosten □ vervoerskosten □ kantoorkosten □ verzekeringskosten

1.2 1

Wat kost de grondstof? Opruimkosten Geef aan welk cursief gedrukte woord in de zin thuishoort. Afval dat opruimkosten met zich meebrengt, verhoogt / verlaagt de grondstofkosten bij productie.

2

Opbrengst Geef aan welk cursief gedrukte woord in de zin thuishoort. Afval dat een opbrengst heeft, verhoogt / verlaagt de grondstofkosten bij productie.

3

Nettoverbruik Geef aan welk cursief gedrukte woorden in de zin thuishoren. Het nettoverbruik is hoger dan / even groot als / lager dan het brutoverbruik als de kosten van afval even groot zijn als de opbrengsten ervan.

4


Kennisvragen

4

Beweringen Geef aan of de onderstaande beweringen juist of onjuist zijn.

5

Juist

Onjuist

brutoverbruik − afval = nettoverbruik

◯

◯

Verspillingen zijn kosten die je niet kunt voorkomen.

◯

◯

Opruimkosten van afval maken de kostprijs van een product hoger.

◯

◯

Afval kun je altijd voorkomen.

◯

◯

Brutoverbruik Vul de lege cellen van de tabel in. % Brutoverbruik

6

kg

100

Afval

10

Nettoverbruik

90

4,5

%

kg

100

500

85

425

Afval Vul de lege cellen van de tabel in.

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

7

Begrip Combineer het begrip met de juiste omschrijving. brutoverbruik

•

•

grondstof die niet in een eindproduct terechtkomt

nettoverbruik

•

•

grondstof die vermijdbaar verloren gaat en niet in het eindproduct terechtkomt

afval

•

•

grondstof, nodig voor het produceren van een eindproduct

verspilling

•

•

grondstof, zichtbaar aanwezig in een eindproduct

5


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

1.3

Kostprijs van een goedgekeurd product

1

Afval of uitval Waar denk jij dat het item thuishoort? Kies uit: bij afval, uitval of geen van beide.

2

aardappelschillen

Afval / Uitval / Geen van beide

drie rotte sinaasappelen

Afval / Uitval / Geen van beide

Mercedes op de sloop

Afval / Uitval / Geen van beide

mislukte bloemenvaas

Afval / Uitval / Geen van beide

iPhone met barst in glas

Afval / Uitval / Geen van beide

pit van een olijf

Afval / Uitval / Geen van beide

koffiedrab

Afval / Uitval / Geen van beide

lege batterij

Afval / Uitval / Geen van beide

zonder diploma van school

Afval / Uitval / Geen van beide

mislukte cake

Afval / Uitval / Geen van beide

Berekening

a Bekijk de tabel. Grondstoffen

€ 10.000

Arbeidskosten

€

3.000

Machinekosten

€

4.000

100

Ongekeurde producten kosten

€ 17.000

10

Afgekeurde producten leveren 10 × € 10 op

€

90

Goedgekeurde producten kosten

€ 16.900

Ontdek de fout(en) in de tabel en stel de juiste berekening samen. Grondstoffen Arbeidskosten Machinekosten 100

Ongekeurde producten kosten

10

Afgekeurde producten leveren 10 × € 10 op

90

Goedgekeurde producten kosten

6

100


Kennisvragen

3

Getallen Vul de ontbrekende getallen in. Grondstoffen Arbeidskosten

€

1.200

Machinekosten

€

1.350

100

Ongekeurde producten kosten

€

4.650

6

Afgekeurde producten leveren 6 × € 25 op

94

Goedgekeurde producten kosten

€

4.500

Per product is dat

4

Begrippen

a Lees goed. Je krijgt de volgende vijf begrippen. 1 2 3 4 5

goedgekeurd producten uitvalopbrengst uitvalkosten ongekeurde producten afgekeurde producten

Vul in de open plaatsen het juiste cijfer in om de zin kloppend te maken. De kostprijs van

is lager dan de kostprijs van

die je uitval noemt en die je als

of

als er sprake is van

in de kostprijsberekening meeneemt.

Kijk je antwoorden van het onderdeel Kennis na en geef met een rode pen aan welke antwoorden je fout had. Vraag je docent om een toelichting als je het antwoord niet begrijpt.

7


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Routineopgaven Lees goed. Als je iets even niet weet, ga dan eerst in de theorie op zoek naar hoe je berekeningen moet maken.

2.1 1

Wat kost de grondstof? Brutoverbruik 1 Gegeven Een product bevat netto 16 kg grondstof. Tijdens de productie ontstaat onvermijdelijk 20% afval van het brutoverbruik. Gevraagd Bereken het brutoverbruik aan grondstof die nodig is voor dit product. Gebruik hiervoor het volgende schema. %

kg

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

2

Brutoverbruik 2 Gegeven Een product bevat netto 51 m3 grondstof. Tijdens de productie ontstaat onvermijdelijk 15% afval van het brutoverbruik. Gevraagd Bereken het brutoverbruik aan grondstof die nodig is voor 100 producten. Gebruik hiervoor het volgende schema: % Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

8

kg


Routineopgaven

%

kg

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

3

Nettoverbruik 1 Gegeven De grondstofkosten van een product bedragen € 240. Deze grondstof kost € 60 per kg. Tijdens het productieproces ontstaat 10% afval van het brutoverbruik. Bereken het nettoverbruik. Gebruik hiervoor het volgende schema. % Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

In het schema ziet dat er als volgt uit.

9

kg


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

4

Nettoverbruik 2 Gegeven De grondstofkosten van een product bedragen € 600. Deze grondstof kost € 30 per kg. Tijdens het productieproces ontstaat 20% afval van het brutoverbruik. Gevraagd Bereken het nettoverbruik.

In een schema ziet dat er als volgt uit. %

kg

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

Tip: Maak voor jezelf het schema brutoverbruik − afval = nettoverbruik

5

Brutoverbruik en grondstoffen Gegeven Tijdens een productieproces ontstaat 8% afval van het brutoverbruik. In het eindproduct zit 4,6 kg grondstof. De grondstof kost € 8 per kg. Gevraagd

a Bereken het brutoverbruik voor het maken van een product.

10


Routineopgaven In een schema ziet dat er als volgt uit. %

kg

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

Tip: Maak voor jezelf het schema brutoverbruik − afval = nettoverbruik

b Bereken de grondstofkosten.

6

Onderneming Gegeven In een onderneming ontstaat bij de productie 10% afval van het brutoverbruik. Het product bevat uiteindelijk netto 7,2 kg grondstof. Het afval heeft geen waarde. De grondstofprijs per kg is € 3,50. Gevraagd

a Bereken het brutoverbruik voor 100 producten.

In een schema ziet dat er als volgt uit. Voor 100 producten

%

Brutoverbruik Afval Nettoverbruik

b Bereken de grondstofkosten per product.

11

kg


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

7

Product Foxxa Gegeven Bij het maken van een product Foxxa ontstaat 20% afval. Voor het maken van 10 producten Foxxa is 20 meter hout nodig. Het hout kost € 1,50 per meter. Het hout dat afvalt wordt verkocht voor € 0,10 per meter. Gevraagd

a Bereken het brutoverbruik van de grondstof per product.

b Bereken de grondstofkosten voor 1 product.

8

Grondstofkosten Gegeven Een product bevat 17 liter verf. Een liter verf kost € 7,50. Tijdens een productieproces ontstaat 15% verfafval. Dit is chemisch en moet worden opgeruimd. Opruimen kost € 1,50 per liter. Gevraagd Bereken de grondstofkosten voor 1 product.

12


Routineopgaven

2.2

Kostprijs van een goedgekeurd product

1

Kostprijs Gegeven Bij de productie van grondtengels wordt bij de nacontrole gemiddeld 5% afgekeurd. De afgekeurde grondtengels hebben geen waarde. De productiekosten van één ongekeurde grondtengel bedraagt € 12,60. Gevraagd Bereken de kostprijs per goedgekeurde grondtengel.

Tip: Ga bij het keuren van producten altijd uit van 100 stuks. Hierdoor wordt het rekenen met een percentage uitval een heel stuk gemakkelijker.

2

Onderneming Vandux Gegeven Onderneming Vandux BV maakt het product Doxa en Fixat.

a Bij de keuring van Doxa blijkt 20% niet aan de eisen te voldoen. De afgekeurde producten zijn niets waard. Om de afgekeurde producten af te voeren betaalt Vandux € 3 per product. De kosten van 100 ongekeurde producten Doxa bedragen: • grondstoffen € 900; • arbeidskosten € 1.400; • machinekosten € 1.720. Gevraagd Bereken de kostprijs van een ongekeurd product Doxa.

b Bij de keuring van Doxa blijkt 20% niet aan de eisen te voldoen. De afgekeurde producten zijn niets waard. Om de afgekeurde producten af te voeren betaalt Vandux € 3 per product. De kosten van 100 ongekeurde producten Doxa bedragen: • grondstoffen € 900; • arbeidskosten € 1.400; • machinekosten € 1.720.

13


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Doxa. 100 ongekeurde producten Doxa kosten € 900 + € 1.400 + € 1.720 =

€ 4.020

20 afgekeurde producten afvoeren kost 20 × € 3 =

€ 60

80 goedgekeurde producten kosten € 4.020 + € 60 =

€ 4.080

c Het product Fixat is van andere grondstoffen gemaakt. Bij de keuring van Fixat blijkt 15% niet aan de eisen te voldoen. Een handelaar koopt de afgekeurde producten Fixat op voor € 20 per stuk. De kosten van 100 ongekeurde producten Fixat bedragen: • grondstoffen € 1.600; • arbeidskosten € 1.400; • machinekosten € 1.720. Gevraagd Bereken de kostprijs van een ongekeurd product Fixat.

d Het product Fixat is van andere grondstoffen gemaakt. Bij de keuring van Fixat blijkt 15% niet aan de eisen te voldoen. Een handelaar koopt de afgekeurde producten Fixat op voor € 20 per stuk. De kosten van 100 ongekeurde producten Fixat bedragen: • grondstoffen € 1.600; • arbeidskosten € 1.400; • machinekosten € 1.720. Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product Fixat.

3

Ongekeurde schooltas Gegeven Voor de productie van 10 schooltassen wordt netto 4,25 m2 kunstleer gebruikt. Door snijverliezen ontstaat onvermijdelijk 15% afval van het brutoverbruik. Dit afval heeft geen waarde. Het kunstleer kost € 18 per m2. De overige kosten voor het maken van 10 schooltassen zijn € 25.

14


 Routineopgaven Gevraagd Bereken de kosten voor het maken van een ongekeurde schooltas.

Tip: Denk nog eens aan het schema: brutoverbruik − afval = nettoverbruik

Kijk de routineopgaven na en verbeter fouten met een rode pen. Klop met de berekeningen die je niet begrijpt aan bij je docent en vraag om een toelichting voordat je met de praktijktaken start.

15


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Praktijktaken Na het maken van de routinevragen kun je een grotere uitdaging aan: de praktijktaken. Je krijgt meer gegevens tegelijk, dus lees goed. Maak eventueel aantekeningen van belangrijke informatie.

1

Grondstofkosten Grondstofkosten van een comfortstoel Gegeven Zitta BV fabriceert stoelen. De bedrijfsleider vraagt je de grondstofkosten te berekenen van de onderdelen van een comfortstoel. De comfortstoel bestaat uit een houten frame, een zitting en een rugleuning.

a Tijdens het productieproces van de houten frames ontstaat onvermijdelijk 12% afval. Dit afval heeft geen waarde en Zitta kan het kosteloos afvoeren. In één comfortstoel is 4,4 m hout verwerkt. De prijs van hout bedraagt € 1,80 per m. Gevraagd Bereken de grondstofkosten van een houten frame.

b Bij de productie van de rugleuning is het brutoverbruik 3 kg grondstof. De prijs van de grondstof voor de rugleuning bedraagt € 8,40 per kg. Bij de productie ontstaat onvermijdelijk 12,5% afval. Zitta verkoopt dit afval aan een opkoper voor € 2 per kg. Gevraagd Bereken de grondstofkosten van een rugleuning.

c Het nettoverbruik van een zitting is 4,18 kg grondstof. De prijs van deze grondstof bedraagt € 3,80 per kg. Bij de productie ontstaat onvermijdelijk 5% afval. Zitta moet dit afval afvoeren, wat € 1 per kg kost.

16


 Praktijktaken Gevraagd Bereken de grondstofkosten van een zitting.

2

Kostprijs Kostprijs van een goedgekeurde appeltaart Gegeven Je bent als administratief ondersteunende kracht aan het werk voor Bakkerij Knijsterback, die levert aan kleinere banketbakkers. Het plan is een nieuw soort appeltaart op de markt te brengen. Gegevens over ingrediĂŤnten, afval en mislukkingen zijn tijdens een proefbakperiode zo goed en nauwkeurig mogelijk op een rijtje gezet. Jij krijgt de taak een kostprijs vast te stellen van zowel een ongekeurde als een goedgekeurde appeltaart. Tijdens de proefbakperiode zijn de volgende gegevens over het brutoverbruik van de appels verzameld. In het overzicht zijn de verbruikte hoeveelheden in grammen aangegeven. Het betreft het brutoverbruik, dus inclusief schil, steel en klokhuis. 930

940

950

930

935

960

960

960

960

940

930

930

940

950

940

930

930

930

960

950

940

950

940

950

940

a Gevraagd Bepaal eerst het gemiddelde van het brutoverbruik appels tijdens de proefbakperiode.

b Ondanks dat het brutogewicht ruim boven de 900 gram ligt, zit in iedere appeltaart precies 830 gram appel. Gevraagd Bereken het afval als percentage van het brutoverbruik.

17


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

c De prijs van een kilo appels bedraagt € 1,40. De overige ingrediënten kosten per taart € 0,90. Het afval wordt door medewerkers van een kinderboerderij opgehaald en heeft dus geen waarde. Er zijn geen kosten en geen opbrengsten voor het afval. Gevraagd Bereken de grondstofkosten van een appeltaart.

d De overige productiekosten bedragen € 1,62 per taart. Gevraagd Bereken de kostprijs van een ongekeurde appeltaart.

e Bij het bakken van 25 appeltaarten mislukken er altijd twee. Deze twee afgekeurde taarten worden geprakt en in vier bakjes verkocht als appelprut voor € 0,99 per bakje. Een bakje kost € 0,04. De mislukte taarten leveren zo toch nog wat op en dat scheelt in de kosten. Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurde appeltaart.

Kijk je antwoorden van de praktijktaken na voordat je aan de afsluitende casus begint.

18


Integrale casus

Integrale casus Wordt het Loda, Diffo of Alto? Gegeven Mosta BV is gevestigd in de regio Amsterdam. Vanwege de productie van het zeer explosieve Loda heeft het bedrijf te maken met een strenge regelgeving. Onlangs werd duidelijk dat de overheid een strenger milieubeleid gaat voeren. Ook Mosta BV heeft hiermee te maken; het betekent dat Mosta BV de grondstoffen voor Loda niet meer mag gebruiken. Mosta BV heeft te maken met de volgende gegevens bij de productie van Loda. • • • • • • •

Elk product Loda dient 7 kg grondstof te bevatten. Bij de fabricage ontstaat een afvalpercentage van 12,5% van het brutoverbruik. De standaardprijs per kg grondstof is € 4. De overige fabricagekosten zijn € 1,60 per product. Het afvoeren van het afval kost € 0,20 per kg. De normale uitval bij keuring van 100 producten is 10 stuks. De uitval levert € 3,38 per stuk op bij verkoop.

a Gevraagd Bereken de kostprijs van Loda als ongekeurd product.

b Gevraagd Bereken de kostprijs van Loda als goedgekeurd product.

c Gegeven Voor het produceren met alternatieve grondstoffen is heel wat onderzoek gedaan. Als vervangende grondstof zijn Alto of Diffo beide mogelijk. Productietechnisch lijken deze producten op de oude grondstof voor Loda. Maar de vraag is wat de financiële gevolgen zijn van de keuze voor Alto of Diffo. Over de alternatieve grondstoffen Alto en Diffo is het volgende bekend.

19


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen Productie met grondstof Alto: • • • • • • •

De grondstofprijs van Alto is € 5 per kg. Een product vernieuwde Loda moet 7 kg Alto bevatten. Ook nu ontstaat er 12,5% afval tijdens de productie. Afvoer van het afval is kosteloos. De normale uitval bij keuring van 100 producten is 10 stuks blijft. Uitval levert ook nu weer € 3,38 per stuk op doordat deze uitval wordt verkocht. Alto is moeilijk houdbaar. Mosta BV moet Alto op een speciale manier opslaan en zal hiervoor een investering moeten doen.

Productie met grondstof Diffo: • • • • • • •

De grondstofprijs van Diffo is € 4,80 per kg. Een product vernieuwde Loda moet 6,6 kg Diffo bevatten. Er ontstaat 12% afval tijdens de productie. Het afval afvoeren kost € 0,80 per kg. De normale uitval wordt 20%. De uitval levert bij verkoop € 2,27 per stuk op. Overige gegevens blijven gelijk.

Voor werken met de grondstof Alto en Diffo geldt eveneens dat: • De overige fabricagekosten ook nu € 1,60 per product zijn. Gevraagd Bereken de kostprijs van een ongekeurd product bij de productie met Alto.

d Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product bij de productie met Alto.

20


Integrale casus

e Gevraagd Bereken de kostprijs van een ongekeurd product bij de productie met Diffo.

f Gevraagd Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product bij de productie met Diffo.

g Gevraagd Breng verslag uit over de alternatieven Alto en Diffo voor Loda. Schrijf een verslag over je conclusies voor de directie. • Verwerk de kostprijzen in het verslag en voorzie ze van commentaar. • Werk het verslag uit in Word. • Werk de berekeningen uit in Excel. Je kunt dit doen door een Excel-tabel in te voegen in je Word-bestand. Weet je niet hoe dat moet, infomeer dan bij je ICT-docent. • Geef gemotiveerd aan welk alternatief jouw voorkeur heeft. • Sla beide documenten op onder de naam Verslag Alto en Diffo. • Druk het verslag af laat het controleren door je docent en berg het op in je archief.

21


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen

Samenvattingsopdracht Een samenvatting maken Wil je meer oefenen? Maak de samenvatting compleet in de online leeromgeving van InBusiness.

22


Checklist

Evaluatie & Reflectie Checklist Gebruik de checklist om na te gaan of je de inhoud van deze leereenheid hebt begrepen. Ja

Nee

Ik kan de begrippen brutoverbruik, nettoverbruik, afval, uitval en keuring beschrijven.

◯

◯

Ik kan het verschil aangeven tussen afval en uitval.

◯

◯

Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen een ongekeurd en een goedgekeurd product.

◯

◯

Ik kan het verschil uitleggen tussen kosten en opbrengsten van afval en uitval.

◯

◯

Ik kan het nettoverbruik berekenen op basis van brutoverbruik en afval.

◯

◯

Ik kan de kostprijs van een ongekeurd product berekenen.

◯

◯

Ik kan de kostprijs van een gekeurd product berekenen.

◯

◯

Reflecteer op je werkzaamheden 1

Tevreden? Geef op een schaal van 1 t/m 10 aan hoe tevreden je bent over hoe je deze leereenheid hebt doorgewerkt.

2

□

□

□

□

□

□

□

□

□

□

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Aandachtspunt Welk aandachtspunt geef je jezelf om je score bij vraag 1 te verbeteren?

3

Opgedane kennis Geef op een schaal van 1 t/m 10 aan hoe tevreden je bent over je opgedane kennis tijdens het doorwerken van deze leereenheid.

4

□

□

□

□

□

□

□

□

□

□

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Herhaling Ga je gemaakte werk nog eens goed na en noteer de vragen, opgaven, taken en casussen die je niet goed had of niet wist.

23


ELBE03 Kosten van grond- en hulpstoffen De reflectievragen zijn zeer de moeite waard om ze tijdig en regelmatig te herhalen voor je toets of examen!

5

Uitdaging Lees ‘De uitdaging’ bij de inleiding van deze leereenheid nog eens door en beschrijf de vaardigheden die je je hebt eigen gemaakt om deze opdracht uit te kunnen voeren.

Neem je reflectie door met je docent en vraag om goedkeuring van je antwoorden.

Test je kennis en inzicht Test jezelf Test je kennis en inzicht in de online leeromgeving van InBusiness.

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
InBusiness Elementaire bedrijfseconomie 1 Proefkatern by ThiemeMeulenhoff - Issuu