








Ontdek het verleden, begrijp het heden.



Auteurs
Floris Boudens
Cor van der Heijden
Lennart van Oudheusden
Eugenia Smit
Jos Venner
Eindredactie
Ronald den Haan
Eugenia Smit
![]()









Ontdek het verleden, begrijp het heden.



Auteurs
Floris Boudens
Cor van der Heijden
Lennart van Oudheusden
Eugenia Smit
Jos Venner
Eindredactie
Ronald den Haan
Eugenia Smit
Ontwerp omslag
Studio Fraaj, Rotterdam
Opmaak omslag
Studio Vlak
Beeld omslag
© International War Museum
Beeldresearch
Liane Volgers, Utrecht
Ontwerp binnenwerk
Tom Lamers, Reclamers, Veghel
Opmaak
Olaf Staal, Staalboek, Veendam
Tekenwerk en cartografie
EMK cartografie, www.plattegronden.nl
Over ThiemeMeulenhoff
ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken.
We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd.
Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Samen leren vernieuwen.
www.thiememeulenhoff.nl
ISBN 978 90 06 99309 7
Editie 3, druk 2, oplage 1, 2026
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026
Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AI-training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl).
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.
Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.
ClimatePartner
certified product climate-id.com/YI43H3
CO2 measure reduce contribute
Zo werk je met Feniks 4

Tijd van wereldoorlogen
1 De Eerste Wereldoorlog 6
Oriëntatie 6
1.1 Europa onder spanning 8
1.2 Het eerste oorlogsjaar 12
1.3 Oorlog op alle fronten 16
1.4 Vrede, maar niet voor iedereen 20
1.5 De Armeense Genocide Wereldgeschiedenis 24
Op onderzoek naar de Dodendraad Verdieping 26
Afsluiting 28


Tijd van burgers en stoommachines
Tijd van wereldoorlogen
2 De Sovjet-Unie 30
Oriëntatie 30
2.1 De laatste tsaren 32
2.2 Twee revoluties 36
2.3 Lenin aan de macht 40
2.4 De Sovjet-Unie onder Stalin 44
2.5 De opkomst van het communisme in China
Wereldgeschiedenis 48
Op onderzoek naar dwangarbeid in de Goelag
Verdieping 50
Afsluiting 52

Tijd van wereldoorlogen
3 De jaren twintig en dertig 54
Oriëntatie 54
3.1 Na de Vrede van Versailles 56
3.2 De jaren twintig in de Verenigde Staten 60
3.3 Economische crisis in de Verenigde Staten 64
3.4 De wereld in crisis 68
3.5 Brazilië in de jaren twintig en dertig
Wereldgeschiedenis 72
Op onderzoek in de crisisjaren Verdieping 74
Afsluiting 76

Tijd van wereldoorlogen
4 De Tweede Wereldoorlog 78
Oriëntatie 78
4.1 Fascisme en nationaalsocialisme 80
4.2 De wereld brandt 84
4.3 Nederland bezet 88
4.4 De Holocaust 92
4.5 De oorlog in Nederlands-Indië Wereldgeschiedenis 96
Op onderzoek in de Tweede Wereldoorlog Verdieping 98
Afsluiting 100


Tijd van wereldoorlogen
Tijd van televisie en computer
5 De Koude Oorlog 102
Oriëntatie 102
5.1 Van wereldoorlog naar Koude Oorlog 104
5.2 Sovjet-invloed in de wereld 108
5.3 Europese samenwerking 112
5.4 Het einde van de Koude Oorlog 116
5.5 Communistisch China Wereldgeschiedenis 120
Op onderzoek in de Koude Oorlog Verdieping 122
Afsluiting 124

Tijd van televisie en computer
6 Nederland na 1945 126
Oriëntatie 126
6.1 Handen uit de mouwen 128
6.2 Nederland als multiculturele samenleving 132
6.3 Politiek Nederland 136
6.4 Protesteren en emanciperen 140
6.5 De dekolonisatie van Zuid-Afrika
Wereldgeschiedenis 144
Op onderzoek in de jongerencultuur Verdieping 146
Afsluiting 148


Tijd van wereldoorlogen
Tijd van televisie en computer
7 Brandhaard Midden-Oosten 150
Oriëntatie 150
7.1 Joden en Arabieren willen zelfstandigheid 152
7.2 Naar een Joodse staat 156
7.3 Arabisch-Israëlische oorlogen 160
7.4 Religieus fundamentalisme 164
7.5 De VN probeert vrede te bewaken
Wereldgeschiedenis 168
Op onderzoek naar de Zesdaagse Oorlog
Verdieping 170
Afsluiting 172
Overzicht van vaardigheden 174
Begrippen 178
Illustratieverantwoording 181
Je gaat werken met de geschiedenismethode Feniks. De methode bestaat uit een leerboek en een werkboek. In Feniks werk je vanuit de opdrachten. Zo ben je actief met de stof bezig en word je geholpen de hoofdzaken uit de tekst te halen. De methode is een LRN-line methode. Dat
Leerboek
Elk hoofdstuk begint met een Oriëntatie. Je maakt hierin kennis met het tijdvak.
De Oriëntatie start met een grote afbeelding die iets zegt over het onderwerp van het hoofdstuk. De tekst in het gekleurde kader vertelt meer over wat je ziet op de afbeelding.
In het onderdeel ‘In dit hoofdstuk’ lees je waarover het hoofdstuk gaat.
Daarna zie je twee afbeeldingen die het verleden vergelijken met het heden
Onder in de Oriëntatie vind je een tijdbalk waarin is aangegeven over welk tijdvak het hoofdstuk gaat.
Elke paragraaf start ook weer met een grote afbeelding
Daarna volgt een tekst in een gekleurd kader. Deze tekst legt uit wat je op deze afbeelding ziet.
Hierna zie je de leerdoelen waarmee je aan de slag gaat.
Na de leerdoelen begint de ‘gewone tekst’ van de paragraaf.
Dit is de tekst die je moet leren. In elke paragraaf staan ook tekstbronnen en beeldbronnen. Deze bronnen hebben allemaal een nummer. Dit zijn geen leerteksten. In het werkboek vind je opdrachten over deze bronnen.
Sommige paragrafen hebben een tekst in een kader over een historische vaardigheid of over ons bestuur. Deze tekst moet je ook leren.
De paragraaf Wereldgeschiedenis gaat over een ander deel van wereld. De paragraaf speelt zich wel af in de tijd waarover het hoofdstuk gaat. In deze paragraaf leer je nieuwe stof, maar worden ook vergelijkingen gemaakt met de stof uit de eerdere paragrafen.
betekent dat de methode ook een digitaal deel heeft. In de digitale versie kun je in een opdracht doorklikken naar een filmpje of geluidsfragment, of iets anders wat je nodig hebt bij de opdracht.




De paragraaf ‘Op onderzoek…’ is een verdiepingsopdracht. Met deze opdracht verdiep je je in een bepaald onderwerp uit de periode waarover het hoofdstuk gaat. De paragraaf begin met een stelling. Via bronnen onderzoek je of deze stelling klopt, of dat je een andere mening hebt.
Werkboek
In het werkboek begint een paragraaf met de opdracht
‘Wat weet je al?’. Met deze opdracht kun je zien wat je al weet over het onderwerp van de paragraaf. Onder het kopje ‘Basisstof’ volgen daarna de ‘gewone’ opdrachten van een paragraaf. Aan het begin van een opdracht staat welke tekst of welke bronnen je moet gebruiken om de opdracht te kunnen maken. In een opdracht staan soms ook tekstbronnen en beeldbronnen. Ook deze bronnen hebben allemaal een nummer. Voor dit nummer staat ‘opdrachtbron’. In elke paragraaf is er een opdracht die extra aandacht besteedt aan waarom het onderwerp belangrijk is. Boven deze opdrachten staat een gekleurd kader met daarin de tekst ‘het belang van geschiedenis’ en een korte uitleg. In deze opdracht ga je zelf ontdekken waarom het onderwerp belangrijk is. Er zijn opdrachten waarmee je extra oefent met historische vaardigheden. Boven de opdrachten staat dan ‘Je oefent …’ en dan volgt de historische vaardigheid waarmee je oefent.

In de Afsluiting staan alle belangrijke gebeurtenissen, leerdoelen, vaardigheden en begrippen van het hoofdstuk bij elkaar.

Soms heb je voor een opdracht een computer of een tablet nodig, bijvoorbeeld om iets op te zoeken. Dat zie je aan het tablet-icoontje.
Sommige opdrachten doe je met z’n tweeën of in een groepje
Bij deze opdrachten staat een icoontje met twee hoofdjes (tweetal) of een icoontje met drie hoofdjes (groepje) .
Aan het einde van de paragraaf test je of je de leerdoelen van de paragraaf beheerst. Boven deze opdrachten staat
‘Wat weet je nu?’
Tot slot vind je aan het einde van een paragraaf de leerdoelen waarmee je in deze paragraaf aan de slag bent gegaan. Achter deze leerdoelen staat welke opdrachten bij welk leerdoel horen.

In 1917 geschilderd door Christopher Williams
Het Mametz-bos
Hoewel de legereenheid soldaten uit Wales grote verliezen heeft geleden, is het ze gelukt: ze hebben het Duitse mitrailleursnest uitgeschakeld. In een man-tegen-mangevecht maken ze de laatste Duitsers onschadelijk. De geweerkogels zijn op. Daarom gebruiken ze de bajonet op hun geweer als steekwapen. Een pistool is in zulke gevechten op heel korte afstand ook goed bruikbaar, maar niet elke soldaat beschikt daarover. Rechts gooit een soldaat een granaat, maar wie zal die treffen?
De bloederige gevechten bij Mametz maakten deel uit van de Slag aan de Somme (1916), de naam voor een maandenlange slachtpartij waarbij meer dan een miljoen slachtoffers vielen. De strijd in het bos bij Mametz duurde vijf dagen. Telkens werden nieuwe groepen Britse soldaten naar voren gestuurd om de Duitse posities aan te vallen en te veroveren. De Duitsers hadden zich goed ingegraven en verdedigden zich vanuit deze ‘loopgraven’ zeer fel. Van de 1000 Britten in de eerste aanvalsgolf kwamen er 135 terug. Alle anderen waren dood, gewond of vermist. In totaal verloor het regiment uit Wales in die vijf dagen 3993 van de 6500 ingezette soldaten.
De Britse minister van Oorlog David Lloyd George, die zelf uit Wales kwam, vond de slachtpartij bij Mametz een voorbeeld van uitzonderlijke moed. De mannen uit Wales hadden met hun opofferingsgezindheid laten zien goede Britten te zijn. Lloyd George gaf de schilder Christopher Williams opdracht deze dapperheid te verbeelden. Maar zien we op het schilderij uitzonderlijke moed of zinloos lijden?
In dit hoofdstuk
In 1914, dus twee jaar voor de gevechten in het bos bij Mametz, viel Duitsland zijn buurlanden België en Frankrijk aan. De Duitse legerleiders verwachtten binnen veertig dagen Parijs te veroveren. Dat bleek een forse misrekening, want Franse, Britse en Belgische troepen brachten de Duitse opmars ruim voor Parijs tot staan. Von Falkenhayn, de Duitse opperbevelhebber, gaf zijn troepen bevel zich in te graven. De bewegingsoorlog was vastgelopen in een loopgravenoorlog. Vanuit hun stellingen zouden de legers elkaar jarenlang bevechten.
Om de Eerste Wereldoorlog te begrijpen, moet je weten waarom deze uitbrak. Dit hoofdstuk begint dan ook met het beschrijven van ontwikkelingen in de tijd vóór die oorlog. Fanatiek nationalisme leidde in de negentiende eeuw tot economische, culturele en militaire concurrentie tussen Europese landen. Moderne industrie zorgde voor een enorme wapenproductie. Er ontstond een wapenwedloop in Europa, want als een land zich militair versterkte, deden zijn buurlanden dat ook. Zo kwamen er in veel landen enorme, tot de tanden bewapende legers.
Na een gebeurtenis in een uithoek van Europa gingen deze legers de strijd aan. De ‘Grote Oorlog’ sleepte zich vier jaar voort en eindigde in een vrede die de verliezers ervaarden als een wraakactie. Dat zou bijdragen aan het uitbreken van nóg een wereldoorlog.
Behalve over de militaire geschiedenis gaat dit hoofdstuk ook over mensen die in die tijd leefden. We volgen daarvoor een jonge vrouw: de Britse Vera Brittain. De introductie in elke paragraaf is gebaseerd op haar dagboeken.

Bron 2 Britse soldaten staan in de modderbrij in een loopgraaf in West-Vlaanderen. Soldaten die langdurig in zo’n loopgraaf moesten verblijven, konden ‘trench-feet’ krijgen, een gevaarlijke infectie aan de voeten, waardoor amputatie soms onvermijdelijk was. Foto uit 1916.

Bron 3 In de oorlog tegen Rusland vechten Oekraïense soldaten vanuit loopgraven. Foto uit 2023, bij het Oost-Oekraïense stadje Bachmoet.

De studente Vera Brittain
Vera Brittain wordt in 1893 geboren als dochter van rijke ouders. Haar vader bezit twee zeer winstgevende papierfabrieken. Natuurlijk bezoekt de familie weleens de Royal Academy, om in dat museum van de mooie schilderijen te genieten. Soms alleen met het gezin en soms met bevriende ondernemers uit de stad of adellijke vrienden uit de omgeving. Vera en haar broer Edward worden beschermd opgevoed. Vera’s moeder organiseert het huishouden dat verder bestaat uit dienstmeisjes, een kokkin en een kindermeisje. Vera en Edward, met wie ze lief en leed deelt, volgen onderwijs op uitstekende kostscholen. Daarna wil Vera studeren aan een universiteit. Eerst mag ze dat niet van haar vader. Hij betwijfelt of studeren wel iets is voor meisjes. Vera zet door en mag uiteindelijk toelatingsexamen doen voor de beroemde universiteit van Oxford. Ze wordt daar toegelaten tot de studie English Literature. Armoede, zoals die toen onder de grote groep arbeiders voorkwam, kennen Vera en Edward niet. Met fabrieksarbeiders hebben ze nooit direct contact: het klassenverschil is te groot. Daardoor zal Vera weinig hebben gemerkt van de spanningen die er tussen de verschillende bevolkingsgroepen waren. Nergens in haar dagboek schrijft ze over de oproepen tot revolutie door communisten, of over de grote, door vakbonden georganiseerde stakingen, terwijl die er zeker waren. Wel schrijft ze over de superioriteit van de Britse beschaving, want daarvan was ze overtuigd.
Deze paragraaf gaat over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. Een van deze oorzaken was nationalisme, iets dat ook Vera kenmerkte.
• Je kunt met voorbeelden uitleggen dat nationalisme de eenheid in een land zowel kan versterken als verzwakken.
• Je kunt uitleggen waardoor er rond 1900 twee bondgenootschappen ontstonden en wat daarvan de belangrijkste leden waren.
• Je kunt het Duitse aanvalsplan beschrijven en verklaren.

Keizers, burgers en arbeiders
Aan het einde van de negentiende eeuw waren de Europese hoofdsteden Berlijn, Londen, Parijs, Sint-Petersburg en Wenen de centra van de politieke macht. Vanuit schitterende paleizen heersten koningen en keizers over de miljoenen inwoners van hun landen. In de meeste landen was de adel nog steeds belangrijk in het landsbestuur, maar de invloed van rijke fabrikanten, handelaren en bankiers nam toe. Samen vormden zij de toplaag van een steeds groter wordende middenklasse die verder bestond uit ondernemers, juristen, professoren, artsen en ambtenaren. Deze succesvolle en rijke burgers hadden via het kiesrecht invloed op de politiek, en dankzij hun vaak goede opleiding hadden ze duidelijke meningen en standpunten. De beschaafde dames van de hogere middenklasse organiseerden het huishouden. De heren ontmoetten elkaar in de late middaguren in de herenclub, om onder het genot van een sigaar en een glas whisky elkaar bij te praten over zaken en de politiek. ’s Avonds bezochten deze burgers het theater. Vergeleken met de middenklasse was de grote massa van industriearbeiders arm. Toch was hun situatie rond 1900 sterk verbeterd vergeleken met die van een aantal decennia eerder. In veel West-Europese landen hadden sociale wetten de ergste problemen verminderd: er was een minimumloon, kinderarbeid werd tegengegaan en een werkweek telde 48 tot 60 werkuren, in plaats van 72. Ook was de koopkracht gestegen. Arbeiders hadden nu een beetje vrije tijd, lazen de krant en waren lid van een sport- of zangvereniging. Door de toegenomen welvaart en vrije tijd waren mensen optimistisch over de toekomst.
De Duitse schrijver Friedrich Engels over vrouwenarbeid in Engeland:
”Vrouwenarbeid is een ramp voor de familieband, want als de vrouw dagelijks 12-13 uur in de fabriek moet werken en de man op dezelfde plek of ergens anders, wat zal dan van de kinderen worden? Ze groeien wild op, als onkruid.”
Naar: Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845).
Bron 5
Nationalisme leidt tot eenheid

Bron 6 De kroning van Wilhelm I tot keizer van Duitsland in het paleis van Versailles (1871). Geschilderd door Anton von Werner (1885).
De Duitsers hadden aan het begin van de negentiende eeuw geen eenheidsstaat. Het ‘Duitse Rijk’ bestond uit driehonderd aparte staatjes en steden. Zo’n versnipperd gebied kon zich niet effectief verdedigen tegen de legers van Napoleon, die het dan ook gemakkelijk veroverden. Om zo’n vernedering in de toekomst te voorkomen ontstond er onder de Duitsers een streven naar eenheid. Na de tijd van Napoleon bleven er 39 Duitse staatjes bestaan. Zij vormden samen de Duitse Bond. Daarin behield elk staatje veel zelfstandigheid, want de regerende vorsten wilden er hun macht niet afstaan. Dat gold vooral voor de vorsten van de twee grootste Duitstalige landen: Oostenrijk en Pruisen. Dat belemmerde verdere eenwording.
Pruisen maakte een snelle bevolkingsgroei en een snelle industrialisatie door. De macht van Pruisen in de Duitse Bond nam daardoor sterk toe. Otto von Bismarck, de kanselier (een soort minister-president) van Pruisen, voerde oorlogen tegen Denemarken (1864), Oostenrijk (1866) en Frankrijk (1870-1871) en won die alle drie. De Duitsers, die nu zagen
waar Duitse eenheid toe kon leiden, besloten de koning van Pruisen uit te roepen tot keizer Wilhelm I van het Duitse Keizerrijk. Nu was Duitsland wél een eenheidsstaat. In het vredesverdrag tussen Frankrijk en Duitsland werd het Oost-Franse gebied Elzas-Lotharingen aan Duitsland toegewezen. Hier was veel mijnbouw en industrie. Bovendien moest Frankrijk een groot geldbedrag aan Duitsland betalen, dat in de Duitse industrie werd geïnvesteerd. Het was duidelijk: Duitsland was een hoofdrolspeler op het Europese toneel geworden.
Terwijl nationalisme in Duitsland voor meer eenheid zorgde, leidde dat in de veelvolkenstaten Rusland, Oostenrijk en het Ottomaanse Rijk juist tot minder eenheid. De Polen wilden zich in 1830 afscheiden van Rusland en het onafhankelijke land Polen stichten. Ze kregen echter geen steun van West-Europese landen, en de Russische tsaar liet de Poolse opstand bloedig neerslaan.
Toen de Grieken hulp vroegen bij hun opstand tegen de Ottomaanse sultan reageerden de Engelsen en de Fransen wél. Zij zagen in de Griekse opstand een kans om meer invloed te krijgen in het oostelijk Middellandse Zeegebied. De onafhankelijkheid van Griekenland (1832) was een aanmoediging voor verschillende volken op de Balkan (Zuidoost-Europa) om zich ook af te scheiden van het Ottomaanse Rijk. Frankrijk en Engeland steunden hen, en ook Rusland deed dat. Het Ottomaanse Rijk verzwakte steeds meer. Servië, Roemenië en Bulgarije kregen in 1878 een vorm van zelfstandigheid.
Ook keizerrijk Oostenrijk was een veelvolkenstaat. Daarin hadden de Hongaren in 1867 een grote mate van zelfbestuur gekregen, wat leidde tot de nieuwe landsnaam Oostenrijk-Hongarije. In het zuiden van dit grote land lag de provincie Bosnië, met een gemengde bevolking van Bosniërs en Serviërs. Servisch nationalisme zorgde er voor veel onrust: moest Bosnië deel blijven uitmaken van Oostenrijk-Hongarije, of moest het streven naar aansluiting bij Servië? Ook in andere delen van het rijk kwam een sterk nationalisme op. Bij verschillende van de dertien volken in Oostenrijk-Hongarije groeide het verlangen naar meer zelfstandigheid. Bron 7 De Russische adelaar heeft Polen verslagen, geschilderd door de Fransman Horace
Imperialisme

Door modern imperialisme hadden West-Europese landen grote gebieden in Afrika en Azië gekoloniseerd. Rusland en Oostenrijk-Hongarije breidden uit door gebieden van het zwakke Ottomaanse Rijk in te nemen. Dat deden ze vooral op de Balkan. Dat deze twee grote landen niet met elkaar in oorlog raakten, was dankzij diplomatie. Meningsverschillen werden in gesprekken opgelost, voordat ze tot oorlog leidden. De grote landen vonden het erg belangrijk om het machtsevenwicht in Europa te bewaren. Als één land duidelijk sterker werd dan het andere kon dat immers een bedreiging van de vrede betekenen. In 1888 kreeg Duitsland een nieuwe keizer: Wilhelm II. Deze nationalistische en militaristische vorst wilde van het Duitse Keizerrijk een wereldmacht maken en daarvoor had het koloniën nodig. Daar had Duitsland recht op, vond Wilhelm. Zijn land verdiende net zo goed ‘een plaats onder de zon’ als de andere grote Europese landen. Duitsland ging een grote, sterke vloot bouwen. Dat die zeemacht bedoeld was om een koloniaal rijk te veroveren en te beschermen was vooral voor de Britten zeer onwenselijk. Als Duitsland
koloniën veroverde, zou dat immers ten koste gaan van het grote Britse koloniale rijk. Tussen Duitsland en de koloniale mogendheden liepen de spanningen hoog op. Steeds meer Duitsers gingen oorlog acceptabel vinden. Ook onder de Britten en de Fransen ontstond een sterk militarisme en velen van hen geloofden dat oorlog uiteindelijk onvermijdelijk zou zijn. Een snelle wapenwedloop startte, waarbij alle mogendheden steeds meer en steeds sterkere wapens produceerden.

Bron 8 In 1913 was Wilhelm II 25 jaar keizer. Deze briefkaart werd ter ere van dat jubileum verspreid. Deutschlands Schirm und Schutz betekent zoiets als: Duitslands beschermer en verdediger.

De Duitse koloniale bestuurder Carl Peters zei over het belang van koloniën:
”Wanneer wij na de overwinning op Frankrijk in 1870-1871 naar de wereldkaart keken, dan zagen wij dat het machtigste land van Europa geen koloniën had. Zelfs Hollanders, Denen en Noren keken daarom minachtend op ons neer. Als reactie voelden wij onze nationale trots oplaaien. In Engeland zag ik de winstgevende handel tussen het moederland en de koloniën. Ik stelde vast welk groot verlies Duitsland leed omdat het zijn koffie, thee, rijst, tabak en kruiden van vreemde volken moest kopen.”
Naar: Uitspraak van Carl Peters (1885).
Bron 9
Vanwege de onderlinge spanningen sloten landen bondgenootschappen. Zo werkten Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië samen in de Driebond. Frankrijk sloot een bondgenootschap met een ander buurland van Duitsland: Rusland. Groot-Brittannië, dat zich grote zorgen maakte over de groeiende Duitse economische en militaire macht, maakte afspraken met Rusland en Frankrijk. Deze drie landen noemden zich samen de Triple Entente. De grootste Duitse angst was een tweefrontenoorlog te moeten voeren: tegelijkertijd in het westen tegen Frankrijk en in het oosten tegen Rusland. De Duitse generaal Von Schlieffen bedacht een plan om dit te voorkomen. Het uitgangspunt van dit Schlieffenplan was dat de Russen zes weken nodig hadden om hun leger naar de grens van hun enorme land te brengen. Zodra de Russen mobiliseerden, zou Duitsland Frankrijk moeten aanvallen. Omdat de Frans-Duitse grens zwaar verdedigd was en het doorbreken daarvan veel tijd zou kosten, bedacht Von Schlieffen Frankrijk vanuit het noorden aan te vallen, via het neutrale België en Luxemburg. Dat zou sneller gaan. Von Schlieffen berekende dat Frankrijk op die manier in veertig dagen kon worden verslagen. Dan had het Duitse leger daarna nog twee dagen om per trein naar de oostgrens te reizen om daar de Russen tegen te houden.

Bron 11 ‘Moord op de Oostenrijkse troonopvolger en zijn vrouw’, luidt de kop op de voorpagina van de Daily Mail van 29 juni 1914. De man op de foto is de moordenaar, Gavrilo Princip.
Het is vrijwel zeker dat Vera Brittain de krant in bron 11 heeft gelezen. De berichten leiden in Engeland niet tot paniek: waarom zou de moord op de Oostenrijkse kroonprins die zelfs in eigen land niet geliefd is, belangrijk zijn? Maar deze inschatting blijkt onjuist. Zes weken later verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk en vrezen de bewoners van Buxton, de woonplaats van Vera, dat ook Groot-Brittannië daaraan gaat deelnemen. In haar dagboek schrijft Vera: ‘Onze oude kokkin, met drie zoons bij de reservisten, is voortdurend in tranen. Inwoners van Buxton rukken elkaar de Daily Mail uit handen. Doorgaans kalme en respectabele burgers vechten als wolven om de voorraden kaas, spek en boter in de levensmiddelenwinkels.’
Vera’s broer Edward meldt zich als vrijwilliger bij het Officers Training Corps, samen met zijn vrienden Victor en Roland. De directeur van zijn school was bijzonder duidelijk geweest tegen zijn leerlingen: ‘Als een man zijn land niet kan dienen, kan hij maar beter dood zijn’. Vastbesloten om zich in te zetten voor haar land meldt Vera zich als vrijwillige verpleeghulp. Ze wil de grote aantallen gewonde soldaten die worden verwacht, helpen verzorgen.
In deze paragraaf lees je over het begin van de Eerste Wereldoorlog, over wat er terechtkwam van de Duitse oorlogsplannen en hoe de oorlog in Frankrijk vastliep in een bloedige loopgravenoorlog. In het oosten van Europa golfde de strijd juist over honderden kilometers op en neer.
leerdoelen
• Je kunt uitleggen hoe een moord in Sarajevo tot een wereldoorlog leidde.
• Je kunt het verloop van de strijd aan het westfront en aan het oostfront beschrijven en verklaren.

Moord in Sarajevo
Tot 1914 hadden diplomaten een grote oorlog tussen de twee bondgenootschappen kunnen voorkomen door elkaar gebieden te gunnen, ook al ging dat vaak ten koste van kleinere volken. Dat gebeurde bijvoorbeeld op de Balkan. Zo was Bosnië kort onafhankelijk geweest tot Oostenrijk-Hongarije het veroverde. De andere mogendheden protesteerden, maar het was hen geen grote oorlog waard. Veel Servische nationalisten vonden echter dat Bosnië niet bij Oostenrijk maar bij Servië hoorde, omdat er in Bosnië veel Serviërs woonden. Een van deze Servische nationalisten was de negentienjarige Gavrilo Princip, die contacten had met de terroristische organisatie ‘de Zwarte Hand’. Hij zag in juni 1914 kans voor een aanslag op Frans Ferdinand, de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, toen deze de Bosnische hoofdstad Sarajevo bezocht. Verspreid tussen de massa stonden Princip en enkele andere terroristen langs de route die de auto van de kroonprins zou nemen. Twee aanslagplegers lieten hun kans voorbijgaan. De derde durfde niet te schieten, omdat dicht bij hem een agent stond. De vierde gooide een granaat, maar die ketste af en maakte slachtoffers in een volgauto. De chauffeur van Frans Ferdinand gaf plankgas: weg van het gevaar! Princip had niet kunnen schieten. Maar later, toen Frans Ferdinand naar het ziekenhuis ging om de gewonden te bezoeken, reed hij toevallig langs Gavrilo Princip. Die liet deze onverwachte kans niet voorbijgaan en schoot zowel de kroonprins als zijn echtgenote dood. Princip vluchtte, maar werd opgepakt en kreeg levenslang.
Veel Europese politici en burgers verwachtten dat diplomaten ook nu weer een grote oorlog konden voorkomen, maar dat liep anders. Na de moord op de kroonprins eiste de Oostenrijk-Hongaarse regering dat ze in Servië onderzoek mocht doen naar de Zwarte Hand, de organisatie achter de moord. Duizenden Oostenrijkse soldaten zouden dit onderzoek moeten uitvoeren. Servië weigerde dit, want het leek verdacht veel op een Oostenrijkse bezetting van Servië. De Duitse regering steunde Oostenrijk-Hongarije. Rusland beloofde Servië te steunen. Frankrijk koos partij voor bondgenoot Rusland. Zo raakten verschillende grootmachten betrokken bij wat eigenlijk een conflict tussen twee landen was. Toen Servië bleef weigeren de Oostenrijkse eis te accepteren verklaarde OostenrijkHongarije de oorlog aan Servië. Rusland mobiliseerde vervolgens zijn leger, om Servië te kunnen helpen als dat nodig was. Duitse generaals, met het Schlieffenplan in gedachte, drongen aan op een oorlogsverklaring aan Frankrijk. Anders zouden de Russen te veel tijd krijgen om hun leger paraat te krijgen, en kwam de periode van zes weken uit het Schlieffenplan in gevaar. De Duitse oorlogsverklaring aan Rusland kwam op 1 augustus, die aan Frankrijk volgde twee dagen later. Duitse troepen vielen het neutrale België en Luxemburg binnen. Door deze schending van de Belgische neutraliteit besloot GrootBrittannië mee te doen aan de oorlog, aan de kant van Frankrijk en Rusland. De Grote Oorlog, zoals de Eerste Wereldoorlog later in veel landen werd genoemd, was begonnen.
De Duitse schrijver Klaus Mann herinnert zich het begin van de oorlog:
”Indien ik probeer de stemming van 1914 te beschrijven, dan zie ik wapperende vlaggen, grijze helmen met potsierlijke bloembossen versierd, felgekleurde affiches, en weer vlaggen – een zee van zwart-wit-rood. De lucht is gevuld met algemene opschepperij en het luid klinkende refrein van vaderlandse liederen: Deutschland, Deutschland über alles. ”
Naar: Klaus Mann, Het keerpunt (1942).
Bron 12

Bron 13 Augustus 1914: Duitse oorlogsvrijwilligers in een goederenwagon vertrekken naar het front. ‘Voor het ontbijt naar Parijs’, hebben ze op de wagon geschreven.

Bron 14 Mobilisatie in Frankrijk. Soldaten vertrekken uit de stad Tours, in augustus 1914.
Iedereen dacht dat de oorlog hooguit een paar maanden zou duren. Volgens het Schlieffenplan moest de Duitse opmars door België en Frankrijk immers razendsnel gaan. België zou weinig verzet bieden, was de Duitse inschatting. Mede dankzij nieuwe technieken zou ook Frankrijk gauw verslagen zijn, verwachtten de Duitsers. Want spoorwegen en vrachtauto’s konden snel veel soldaten vervoeren, veldtelefoons maakten communicatie tussen legeronderdelen gemakkelijker en vliegtuigen konden verkenningsopdrachten uitvoeren en bommen afwerpen. De enorme Duitse kanonnen zouden forten en andere versterkingen in België en Frankrijk kapotschieten. Maar de realiteit bleek anders. De smalle Belgische wegen maakten een snelle verplaatsing van de honderdduizenden Duitse soldaten en zware kanonnen bijzonder ingewikkeld. De enorme Duitse vuurkracht kon alleen effectief zijn met een goede communicatie tussen de artillerie (de kanonniers) en de oprukkende soldaten. Maar telefoonlijnen bleken erg kwetsbaar. Vaak waren voor de communicatie koeriers en postduiven nodig, net als vroeger. Dat duurde langer en zo kwamen soldaten soms onder vuur te liggen van de eigen kanonnen. Bovendien verzetten de Belgen zich veel feller dan de Duitsers hadden verwacht. Uit woede over deze tegenslagen en uit angst voor Belgische burgers, die volgens geruchten vanuit hun huizen op Duitsers schoten, terroriseerden Duitse soldaten Belgische dorpen en steden. Duizenden burgers werden doodgeschoten, tientallen dorpen in brand gezet. In de stad Leuven staken
Duitse troepen het centrum inclusief de beroemde eeuwenoude bibliotheek in brand. De verontwaardiging over deze terreurdaden was groot, ook buiten België.
Uit de biografie van de Belgische broers Edward en Frans Van Raemdonck:
”Op dinsdag 4 augustus ging de trotse vader Van Raemdonck naar het gemeentehuis, waar hij voor zijn minderjarige zonen het document ondertekende waarin zij zich verplichtten in militaire dienst te gaan. Edward was toen achttien, Frans zeventien.”
Naar: C. Hodister, Gebroeders Van Raemdonck – Volksepos (1918).
Bron 15


Bron 16
Duitse oorlogvoering in België. Tekening uit 1914 in De Telegraaf, door de Nederlandse tekenaar Louis Raemaekers. In deze krant stonden vaak anti-Duitse teksten en tekeningen.
Het Duitse leger kreeg meer tegenslagen te verwerken. De Fransen bleken sneller dan verwacht op te rukken naar het noorden, waardoor de Belgen steeds meer Franse steun kregen. GrootBrittannië had binnen negen dagen honderdduizend soldaten naar het vasteland gebracht, om de Belgen en Fransen te helpen in de strijd. In het oosten bleek dat de Russen een stuk sneller gemobiliseerd waren dan Von Schlieffen had verwacht. Nog geen vier weken na het begin van de oorlog vielen twee Russische legers Duitsland binnen. Deze Russische aanval dwong de Duitse legerleiding troepen vanuit België en Frankrijk naar het oosten te verplaatsen. Omdat de Russische troepen te weinig munitie en voedsel hadden, konden de Duitsers de twee Russische legers al snel verslaan, waarna Duitse troepen Rusland binnenvielen. Aan het westfront, de gevechtslijn die door Zuidwest-België en Noord-Frankrijk liep, beschoten de partijen elkaar ondertussen zo lang en zo hevig, dat de soldaten zich moesten ingraven. Van een bewegingsoorlog werd de oorlog een loopgravenoorlog. Voor de legers van de Geallieerden (zoals de Triple Entente-landen nu werden genoemd) en de Centralen (zoals de landen van de Driebond zich nu noemden) begon een loodzware, bloedige tijd.
Een Oostenrijks officier vocht aan het oostfront en schreef in zijn oorlogsdagboek:
”Ik liep door de loopgraaf die met knikken naar links en rechts ging, zogenaamde traversen, die moesten verhinderen dat aanvallers door de hele loopgraaf konden schieten. Maar door dit voor de verdediging zo belangrijke systeem waren de mannen moeilijk te controleren, want je kon maar een klein stuk loopgraaf tegelijk overzien. En controle was nodig. Het was een waardeloos leger, bestaande uit ongeveer twaalf verschillende, elkaar soms vijandig
17
gezinde nationaliteiten. De helft van mijn mannen sprak niet meer dan een paar noodzakelijke woorden Duits: om met de Kroaat te spreken, moest ik het de Tsjech zeggen, die het de Slowaak zei, die het de Hongaar zei, die het de Kroaat zei – die het verkeerd begreep. Maar ik merkte dat ik toch een beetje trots was omdat ik dacht dat mijn mannen mij niet in de rug zouden schieten. Jazeker, trots. Dat was toch het einde hè – dat de moraal zo laag kan zinken.”
Naar: Ludwig Wittgenstein, Tagebücher (1914-1916).

Bron 18 Gassed: een rij soldaten, tijdelijk blind na contact met mosterdgas. Geschilderd door de Amerikaanse schilder John Singer Sargent, die zelf een gasaanval had meegemaakt. Dit maar liefst zes meter brede schilderij werd in 1919 getoond aan het publiek.
Ze lopen achter elkaar, deze tien blinde Britse soldaten, slachtoffers van een mosterdgasaanval. Een hospik (een soldaat die gewonden verzorgt) leidt ze weg van het front. Mosterdgas veroorzaakt brandwonden op de huid en tast de slijmvliezen, longen en ogen aan. Ook Vera krijgt met soldaten te maken die getroffen zijn door mosterdgas. Haar broer Edward vecht in Noord-Frankijk en Vera wil zo dicht mogelijk bij hem in de buurt zijn. Ze gaat werken in een lazaret, een klein ziekenhuis, enkele tientallen kilometers achter het front. Ze verzorgt gewonde soldaten die een hospik vanaf het front naar het lazaret brengt, net zoals dat met de mannen in bron 18 gebeurt. Het gebruik van gifgas doet Vera’s afkeer van de oorlog toenemen. In haar dagboek schrijft ze: ‘Arme stumpers, klauwend naar lucht, overal grote mosterdkleurige etterende blaren. Verbonden, verbrande, blinde ogen, soms tijdelijk, soms voor altijd. Ze fluisteren alleen nog maar en vechten om adem. Hun keel gaat dichtzitten en ze stikken. Ik zou willen dat de welbespraakte mensen die spreken van een heilige oorlog en het hebben over dóórvechten, enkele van deze stakkers met gifgaswonden konden zien.’
Deze paragraaf gaat over de manier van vechten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Enorme aanvallen putten zowel de vijand als het eigen leger uit. De gevolgen van de oorlog waren ook aan het thuisfront te merken: burgers raakten op tal van manieren betrokken bij de strijd.
leerdoelen
• Je kunt met voorbeelden uitleggen waarom er sprake was van een wereldoorlog en je kunt beschrijven met welke wapens en tactieken deze werd uitgevochten.
• Je kunt met voorbeelden uitleggen dat de Eerste Wereldoorlog een totale oorlog was.
• Je kunt uitleggen waarom de Verenigde Staten gingen meedoen en waarom Rusland stopte met vechten.
Vastgelopen oorlog aan het westfront
De loopgravenoorlog aan het westfront sleepte zich jaren voort. De soldaten in de loopgraven hadden nauwelijks bescherming tegen kou, regen en zomerhitte. De hygiëne was vreselijk slecht, waardoor er enorme ratten rondliepen. Slaapgebrek en voortdurende beschietingen maakten het leven nog ellendiger. Door de grote hoeveelheden prikkeldraad en verdedigers met mitrailleurs was het bijna onmogelijk om vijandelijke loopgraven te veroveren. Moest een groep soldaten dat toch proberen, dan ging eerst de artillerie aan het werk. Honderden kanonnen beschoten dan de vijand dagen- of zelfs wekenlang. Daarna vielen tienduizenden soldaten aan. Ook tijdens zo’n aanval bleven de kanonnen vuren, maar de communicatie tussen artillerie en infanterie viel vaak weg doordat de telefoondraden snel beschadigd raakten. Dan kregen de soldaten met eigen vuur te maken. De aantallen gesneuvelden waren enorm en succes was er zelden. Nieuwe wapens werden bedacht: vlammenwerpers waarmee je brandende benzine in een loopgraaf kon spuiten, tanks die overal overheen zouden kunnen rijden, vliegtuigen die voor informatie en bombardementen moesten zorgen. Het hielp allemaal niet genoeg.
De strijd was uitgelopen op een uitputtingsoorlog. Bij maandenlang durende veldslagen bij het stadje Ieper in België, bij het Noord-Franse riviertje de Somme en bij de Noord-Franse stad Verdun sneuvelden zowel aan de kant van de Geallieerden als bij de Duitsers vele honderdduizenden soldaten. Nog meer raakten gewond, verminkt en getraumatiseerd.
De oorlog was een wereldoorlog. Honderdduizenden soldaten uit Britse en Franse koloniën vochten mee in de loopgraven aan het westfront. Ook in verschillende koloniën in Afrika werd gestreden, zoals in de Portugese kolonie Angola. Soldaten van een naburige Duitse kolonie waren daar binnengevallen. Hierdoor koos Portugal officieel partij voor de Geallieerden.
Ook de Verenigde Staten deden dat uiteindelijk. Dit land leverde wapens aan de Geallieerden en leende hen grote bedragen, maar vocht zelf niet mee. De Amerikaanse president Wilson wilde dat zo houden, maar steeds meer Amerikanen wilden wél meevechten. Dat had twee redenen. Ten eerste was er veel geweld op zee. Duitse onderzeeboten beschoten schepen om bevoorrading van de Geallieerden te bemoeilijken. Daarbij schoten ze ook op tientallen Amerikaanse schepen. Amerikanen waren woest over het tot zinken brengen van het enorme Britse schip Lusitania, dat munitie voor de Geallieerden en Britse en Amerikaanse burgers aan boord had. Ten tweede waren Amerikaanse bankiers bang dat Groot-Brittannië en Frankrijk de leningen nooit zouden kunnen terugbetalen als de oorlog nog lang duurde. Zij drongen aan op Amerikaanse deelname aan de oorlog. Toen Duitsland probeerde Mexico over te halen een oorlog tegen de Verenigde Staten te beginnen, veranderde president Wilson van mening. Hij verklaarde in 1917 Duitsland de oorlog en gaf opdracht snel een leger op te bouwen en dat naar Europa te brengen.

Thuisfront, propaganda en censuur
Vrijwel alle burgers kregen met gevolgen van de oorlog te maken, ook in gebieden waar niet werd gevochten: de oorlog was een totale oorlog.
Anders dan voor 1914 deden vrouwen een groot deel van het werk in de industrie. Ze moesten wel, want miljoenen mannen waren aan het front. De vrouwen produceerden een groot deel van de enorme hoeveelheid munitie die de soldaten verschoten. Door de oorlogsproductie nam de productie van andere industriële goederen en landbouwproducten af. Dit was vooral een groot probleem in Duitsland, doordat de Engelse vloot Duitsland blokkeerde. Er was dus geen import van goederen mogelijk. Duitse burgers kregen te maken met steeds grotere tekorten en later in de oorlog zelfs met hongersnood. Engeland en Frankrijk hadden minder bevoorradingsproblemen, omdat zij uit de koloniën en uit de Verenigde Staten goederen ontvingen. Wel waren dat vooral oorlogsproducten, waardoor ook in Engeland en Frankrijk veel consumentenproducten schaars werden. Daardoor stegen de prijzen van deze producten. Bovendien verhoogden regeringen de belasting om de enorme kosten van de oorlog te kunnen betalen. Ondanks alle ellende bleven burgers massaal achter hun leiders staan. Nationalistische propaganda haalde miljoenen jonge mannen over om het leger in te gaan. Kranten besteedden veel aandacht aan overwinningen, ook al waren die maar klein, en schreven niet over de verliezen. Alleen foto’s of brieven die waren gecontroleerd door de censuur kwamen in de krant of bereikten de families thuis. Hierdoor geloofden de meeste mensen dat de overwinning alleen een kwestie van tijd was.

De Duitse Anna Kohns hield een dagboek bij. Een fragment daaruit:
”21 maart 1916. De soldaten zijn ontevreden en willen niet meer gehoorzamen. En dan de stemming onder de mensen! Die is onbeschrijflijk. Binnenkort zal er geen huis meer zijn waar geen familielid is gesneuveld. En daarbij de enorme stijging van de voedselprijzen. We zijn afgesneden van de hele wereld en moeten onszelf voeden. Als er vet en boter te koop is, zie je een mensenmassa opdringen, zodat politieagenten de orde moeten bewaren. Dan weet je wat er met ons aan de hand is. Ik geloof niet dat ons leger de overwinning kan behalen; die verdomde Engelsman wil geen vrede.”
Naar: Anna Kohns, Bonn in de Eerste Wereldoorlog (1920).
Bron 21
De moeder van de Oostenrijkse soldaat Ludwig Wittgenstein schreef aan haar zoon:
”Ik maak me bijna nog de meeste zorgen om Kurt. Hij zal zich straks wel ellendig voelen, als alle anderen hun aandeel hebben geleverd en geleden voor het vaderland, behalve juist hij! Hij zal het gevoel hebben dat hij blijvend geschandvlekt is. Ik denk steeds maar aan die arme Kurt en hoe erg het is dat hij niet dezelfde ervaringen doormaakt als wij; wat hij doet in Amerika kun je nauwelijks echt leven noemen.”
Naar: Brief van Leopoldine Kalmus (1915).
Bron 22

Bron 23 Duitse arbeiders vullen enorme artilleriegranaten en brengen de ontsteking aan. Dat deel van de granaat zit aan de smalle voorpunt en zorgt dat de granaat kan exploderen.
Vrede met Rusland
Aan het oostfront bleven overwinningen en verliezen elkaar afwisselen. In 1916 behaalde Rusland weliswaar grote terreinwinst, maar had tegelijkertijd ernstige problemen. Het lukte niet goed om de soldaten te voorzien van de wapens, munitie en voedingsmiddelen die ze nodig hadden. Dit leidde tot onnodige verliezen aan het front. Er ontstond in het leger en in de steden ontevredenheid, oorlogsmoeheid en chaos. In februari 1917 kwamen Russen in opstand tegen hun tsaar, Nicolaas II. Deze deed troonsafstand en een tijdelijke regering nam de macht over. Maar die wist de problemen niet op te lossen, zodat de onvrede bleef bestaan. Voor de Duitsers was dat prima, want hoe meer chaos en onvrede er in Rusland was, hoe slechter het Russische leger presteerde. Om die reden hielpen de Duitsers de communist Vladimir Lenin naar Rusland te komen. Lenin was door de tsaar verbannen en leefde in Zwitserland. Als hij in Rusland een revolutie zou beginnen, dan zou dat de chaos vergroten en een Duitse overwinning in het oosten naderbij kunnen brengen, was het plan. Dat gebeurde inderdaad. Onder leiding van Lenin pleegde een groep communisten een staatsgreep en sloot daarna vrede met Duitsland. Deze vrede werd getekend in maart 1918, in de plaats Brest-Litovsk. Het einde aan de oorlog tegen Duitsland bracht nog geen vrede in Rusland. Er brak een bloedige burgeroorlog uit tussen voor- en tegenstanders van Lenin. Ook streden verschillende volken in Rusland voor onafhankelijkheid.

Bron 24 Deze Amerikaanse soldaten die net aangekomen zijn, zijn op weg naar het front. Ze hebben minder gevechtservaring dan de Britse en Franse soldaten, maar ze zijn zeer gemotiveerd en hebben een goede wapenuitrusting. Foto uit 1918.
In de winter van 1918 kwamen de eerste grote groepen Amerikaanse soldaten in Europa aan. En dat viel op! De frisse, zingende jongens hadden een heel andere uitstraling dan de moegestreden Franse en Britse soldaten. Vera beschrijft hun komst: ‘Toen hoorde ik een opgewonden uitroep van een groepje zusters achter me: “Kijk! Kijk! De Amerikanen zijn er!”
Ik liep met de anderen naar voren om de Verenigde Staten de oorlog te zien binnentrekken, zo goddelijk, zo indrukwekkend, zo fantastisch ongeschonden in vergelijking met de vermoeide, hypergespannen mannen van het Britse leger. Dus hier waren eindelijk onze bevrijders, marcherend in de lentezon! Ze leken met honderden te zijn, marcherend op een manier waaruit trots en kracht spraken. Ik werd overmand door emoties, mijn ogen prikten, mijn keel kneep samen en ik barstte in huilen uit. Ik zag de zelfverzekerde Amerikanen naar het front gaan door een mist van tranen.’
De komst van de Amerikanen besliste de strijd aan het westfront. De Duitsers verplaatsten veel soldaten en wapens vanuit Oost-Europa naar het westfront, maar ze konden niet op tegen de grote hoeveelheid Amerikanen. Ook hadden de Duitsers te maken met dezelfde oorlogsmoeheid als de Britten en de Fransen: na ruim drie jaar oorlog was de strijdlust op. Duitsland verloor de oorlog. Daarop begonnen in het Franse Versailles vredesonderhandelingen. Dat het vredesverdrag dat daarna werd gesloten niet alle problemen oploste, lees je in deze paragraaf.
leerdoelen
• Je kunt benoemen en verklaren welke doelen de overwinnaars met het vredesverdrag van Versailles nastreefden, en welke straffen Duitsland daarin kreeg.
• Je kunt met voorbeelden uitleggen dat sommige volken zelfbeschikkingsrecht kregen, maar andere niet.

Chaos in Duitsland en wapenstilstand in het westen
Na de Vrede van Brest-Litovsk verplaatste de Duitse legerleiding ruim een miljoen soldaten van het oostfront naar het westfront en begon daar een enorme aanval. Duitse troepen doorbraken de geallieerde loopgraven en naderden Parijs. Maar de Duitse soldaten waren ondervoed en oorlogsmoe. Versterkt met honderdduizenden Amerikanen drongen de Geallieerden de Duitsers terug. Op sommige plaatsen aan het front weigerden de soldaten zelfs nog te vechten: het Duitse leger leek verslagen. Duitse generaals waren bang dat het front zou instorten en eisten dat de Duitse regering een wapenstilstand zou aanbieden. Dat zou kunnen voorkomen dat de Geallieerden oprukten tot in Berlijn.
De Duitse marineleiding accepteerde de naderende nederlaag niet en gaf opdracht nog eenmaal tegen de Britse vloot te vechten. Matrozen weigerden dat, want zij wisten dat een aanval kansloos zou zijn. Hun opstand breidde zich snel uit. Uitgehongerde sociaaldemocratische en communistische arbeiders gingen staken en in veel Duitse steden braken rellen uit. Ontevreden en teleurgestelde soldaten organiseerden zich in militaire eenheden buiten het leger. Deze ‘vrijkorpsen’ gebruikten geweld in de steden, vooral tegen communisten en sociaaldemocraten. Keizer Wilhelm II trad af en sociaaldemocratische politici namen de macht over. Zij sloten op 11 november 1918 een wapenstilstand met de Geallieerden. De legerleiding gaf achteraf de stakende arbeiders en matrozen de schuld van de nederlaag. Die hadden de frontsoldaten in de steek gelaten, beweerden de generaals, en hadden hen ‘een dolk in de rug gestoken’.
Bron 25 Bron 26 Poster uit 1919 met een oproep van een vrijkorps: ‘Kameraad, help mij tegen bolsjewisme, Polengevaar en hongersnood. Meld je direct aan bij de Duitse Beschermdivisie.’ De bolsjewieken waren een groep communisten. De adelaar is een symbool voor Duitsland. 1.4 Vrede,
De Duitse kolonel Von Thaer schrijft op 1 oktober 1918 in zijn dagboek:
”Vreselijk en verschrikkelijk! Zo is het! Inderdaad!
Opperbevelhebber Ludendorff kwam in ons midden, zijn gezicht gevuld met het diepste verdriet, bleek, maar met hoog opgeheven hoofd: “Onze militaire situatie is verschrikkelijk ernstig. Ons front kan elke dag doorbroken worden. Dat heb ik aan Zijne Majesteit moeten melden.”
Zijne Majesteit vroeg wat het leger nog kon bereiken. Na overleg met veldmaarschalk Hindenburg had Ludendorff geantwoord: ‘De Duitse legers zijn aan het einde van hun krachten. De oorlog is niet langer te winnen en de nederlaag dreigt. Ons leger is besmet door het gif van communistische ideeën. We kunnen niet meer op de troepen vertrouwen. Het voortzetten van de oorlog is nutteloos en deze moet zo snel mogelijk worden gestopt.’ ”
Naar: Albrecht von Thaer, Aus Briefen und Tagebuchaufzeichnungen (1919).


Bron 27
11 november 1918: in Parijs vieren Fransen de wapenstilstand.
De Geallieerden organiseerden vredesbesprekingen in Versailles. De Amerikaanse president Wilson had in zijn Veertien Punten (bron 28) zijn oorlogsdoelen vastgelegd. Hij vond het vooral belangrijk dat volken zelf hun toekomst konden bepalen. Dit zelfbeschikkingsrecht moest voorkomen dat er in het naoorlogse Europa opnieuw veelvolkenstaten ontstonden met onderdrukte volken. Wilson wilde Duitsland niet zwaar straffen, want dat zou wraakgevoelens oproepen, meende hij. De Fransen wilden Duitsland juist zo hard mogelijk straffen. Duitsland was Frankrijk in 1870 binnengevallen en in 1914 nogmaals. Er moest worden voorkomen dat Duitsland een derde inval in Frankrijk kon doen. De Britten waren milder, maar dat Duitsland moest worden gestraft vonden zij na zoveel oorlogsleed terecht. Zo kwam in juni 1919 de Vrede van Versailles tot stand. Daarin werd bepaald dat het Duitse leger uit maximaal 100.000 soldaten mocht bestaan en geen vloot en luchtmacht meer mocht hebben. In het Rijnland, een groot gebied aan de Franse grens, mochten geen Duitse soldaten zijn. Elzas-Lotharingen, dat na de Frans-Duitse Oorlog ingenomen was, ging terug naar Frankrijk. Ook België en Denemarken kregen Duits grondgebied. Polen, een nieuw land, bestond uit Duitse en Russische gebieden. De Geallieerden verdeelden onderling de Duitse koloniën. Bovendien moest Duitsland enorme herstelbetalingen aan de overwinnaars doen. Duitse ministers kregen de keuze: ze ondertekenden het verdrag, of de Geallieerden zouden de oorlog voortzetten en Duitsland innemen. De Duitse ministers tekenden het vredesverdrag, maar veruit de meeste Duitsers waren woedend: volgens hen was Duitsland groot onrecht aangedaan.
Bij de vredesonderhandelingen probeerde president Wilson zijn Veertien Punten toe te passen. Enkele van deze punten:
”7. België moet worden ontruimd en hersteld. Het moet haar zelfstandigheid en vrijheid terugkrijgen.
8. Er moet een Volkenbond komen om toekomstige oorlogen tegen te gaan en de onafhankelijkheid van alle landen, groot en klein, te beschermen.
9. Alle Franse gebieden moeten worden bevrijd en de bezette gebieden, ook Elzas-Lotharingen, moeten worden teruggegeven.
11. De volken van Oostenrijk-Hongarije moeten zich ongehinderd zelfstandig kunnen ontwikkelen.
13. De Turken hebben recht op een zelfstandige staat, maar de andere volken in het Ottomaanse Rijk hebben dat ook.
14. Een onafhankelijke Poolse staat moet opgericht worden met gebieden waar alleen Polen wonen en met een vrije toegang tot de zee.”
Naar: Woodrow Wilson, Veertien Punten (1918).
1.4 Vrede, maar niet voor iedereen

De Franse premier Clemenceau over de vredesbepalingen:
”Na de machtigste inspanningen en geweldigste offers aan bloed die de geschiedenis ooit gekend heeft, mogen wij het resultaat van onze overwinning niet in gevaar brengen. De Volkenbond zou een middel zijn om de veiligheid te garanderen. Ik accepteer dat middel. Maar als de Volkenbond niet in staat is zijn besluiten met wapengeweld af te dwingen, kan het noodzakelijk zijn om die mogelijkheid op een andere manier voorhanden te hebben.”
Naar: Paul Mantoux, Aantekeningen van een tolk (1955).
Bron 30
De oorlog gaat door
De overwinnaars straften ook de bondgenoten van Duitsland. In het Midden-Oosten kwamen delen van het Ottomaanse Rijk als mandaatgebied in Franse of Britse handen. Rusland, dat voortijdig met de Duitsers vrede had gesloten, verloor gebied. Het moest accepteren dat de Geallieerden de zelfstandigheid van Finnen, Polen en de Baltische volken steunden. Volken in Oostenrijk-Hongarije die dat wilden, kregen onafhankelijkheid: Tsjechoslowakije en Hongarije werden nieuwe staten, en op de Balkan ontstond – naar wens van de bewoners – een nieuwe veelvolkenstaat: het latere Joegoslavië. Voor keizer, tsaar en sultan was na de Eerste Wereldoorlog geen plaats meer.
Veel Duitsers en Oostenrijkers vonden de vredesbepalingen onrechtvaardig. Voor hen was er kennelijk geen zelfbeschikkingsrecht: ze hadden de straffen in het vredesverdrag simpelweg te accepteren. Ook veel Hongaren en Turken waren ontevreden. Zij hadden weliswaar een eigen staat, maar die was veel kleiner dan gewenst. Veel van het front teruggekeerde soldaten hadden grote aanpassingsmoeilijkheden. Zij konden de verschrikkingen van het slagveld niet vergeten en hadden moeite om hun oude leven als burgers weer op te pakken. Invaliditeit, voedselgebrek en een hoge inflatie waren maar enkele van de zaken die hun leven ingewikkeld of zelfs ondraaglijk maakten. Talloze mensen die tijdens de oorlog geestelijk of lichamelijk invalide waren geworden voelden zich niet begrepen en niet gewaardeerd, ondanks het enorme offer dat ze hadden gebracht. Zo ging de oorlog in de hoofden van miljoenen mensen ook na juni 1919 gewoon door.

Bron 31
Volgens het Verdrag van Versailles moest Duitsland onder andere de steden Danzig en Posen afstaan aan Polen. In 1919 protesteren mensen in Berlijn daartegen.





Tijdens haar verblijf in Frankrijk las Vera in de krant Le Petit Journal berichten over een massamoord op Armeniërs. Vanaf 1918 zag ze posters waarop werd gevraagd geld te geven voor oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. Daarbij werden vaak de Armeniërs genoemd als een volk dat zeer veel te lijden had.
Door de ingewikkelde naoorlogse problemen en haar oorlogservaringen besloot Vera geschiedenis te gaan studeren, in plaats van Engelse literatuur. Ze wilde leren begrijpen waardoor de wereldoorlog was uitgebroken, en hoe in de toekomst oorlogen konden worden voorkomen. Vera geloofde dat de Volkenbond hiervoor een goed middel was: door te bemiddelen in conflicten tussen landen en door oorlogsslachtoffers en vluchtelingen te helpen. Na haar studie zou Vera zich jarenlang inzetten voor de Volkenbond, onder meer door in artikelen en toespraken het belang van deze organisatie te benadrukken. Een van de onderwerpen die ze daarin aansneed, was de Armeense kwestie. Al tientallen jaren voor de oorlog begon, waren er spanningen tussen Turken en Armeniërs. De Armeniërs waren een van de vele volken in het Ottomaanse Rijk, en waren als christenen een religieuze minderheid. De 2,2 miljoen Armeniërs woonden verspreid over het rijk. In het noordoosten vormden ze een derde deel van de bevolking. De Turkse bevolking en de regering van de sultan zagen Armeniërs en andere niet-islamitische volken als tweederangsburgers. Voor hen waren de wetten strenger en de belastingen hoger dan voor moslims. Een aantal beroepen mochten ze niet uitoefenen. In deze paragraaf lees je hoe deze situatie tijdens de oorlog verergerde.
leerdoel
• Je kunt de verhouding tussen Turken en Armeniërs in het Ottomaanse Rijk beschrijven en uitleggen waardoor die in de Eerste Wereldoorlog verslechterde.

Armeniërs in het Ottomaanse Rijk
In de twintig jaar voor de oorlog werd de discriminatie van Armeniërs door Turken steeds feller. Aan het eind van de negentiende eeuw braken in een aantal Armeense dorpen in het noordoosten opstanden uit tegen die discriminatie. De sultan reageerde met grof geweld dat aan 200.000 Armeniërs het leven kostte. In 1908 vond er in het Ottomaanse Rijk een staatsgreep plaats. De nieuwe machthebbers, die zich de Jong-Turken noemden, wilden het Ottomaanse Rijk moderner maken. Ze waren zeer nationalistisch en racistisch, en ze versterkten de discriminatie van Armeniërs en andere minderheden.
Het Ottomaanse Rijk sloot zich tijdens de Eerste Wereldoorlog aan bij de Centralen. De Centralen vochten tegen Rusland en dat deed het Ottomaanse Rijk dus ook. Aan beide kanten van de Ottomaans-Russische grens woonden veel Armeniërs. Velen van hen hoopten na de oorlog een eigen staat te krijgen. De Russische tsaar beloofde dat het Russische leger de Armeniërs zou bevrijden van de Turks-islamitische onderdrukking. Tienduizenden Russische Armeniërs vochten in het Russische leger. Voor de Jong-Turken waren de Armeniërs in het rijk daardoor extra verdacht en hele dorpen werden door Turkse leger- en politie-eenheden uitgemoord.
Genocide en daarna
In 1915 verergerde het Turkse geweld tegen de Armeniërs. Uiteindelijk was sprake van genocide: een geplande volkenmoord. Dit proces begon nadat een Russisch leger een dubbel zo groot Ottomaans leger versloeg. Armeniërs in het Ottomaanse Rijk kregen hiervan de schuld en de regering greep dit aan om definitief met hen af te rekenen. De strijd aan het Ottomaans-Russische front golfde op en neer. Steeds als Ottomanen gebieden innamen, volgden plunderingen van Armeense dorpen, verkrachtingen en moordpartijen. Plaatselijk bewapenden Armeniërs zich om zich tegen het Ottomaanse geweld te kunnen verdedigen. De Ottomanen noemden dit opstandigheid en reageerden met nog meer moordpartijen. Daarbij dwongen ze vele honderdduizenden Armeniërs hun woonplaatsen te verlaten. De meesten werden simpelweg de woestijn ingejaagd, waar ze omkwamen. Buitenlandse diplomaten in het Ottomaanse Rijk schreven alarmerende berichten aan hun regeringen, maar die waren niet in staat of niet bereid de massamoorden te stoppen. Uiteindelijk verloren ongeveer 1,3 miljoen Armeniërs het leven.

Bron 33 Russische soldaten zijn het Ottomaanse Rijk binnengevallen en vinden overblijfselen van gedode Armeense dorpsbewoners (1915).
Na het verliezen van de Eerste Wereldoorlog verloren de Jong-Turken de macht. Het Gerechtshof van Constantinopel veroordeelde de drie belangrijkste Turkse regeringsleiders ter dood, vanwege hun rol in de Armeense volkenmoord. Door te vluchten ontkwamen ze aan hun executie. De opstelling van de Turkse regering veranderde enkele jaren later totaal. Ze ontkende dat er sprake was van volkenmoord en dat doet ze tot op de dag van vandaag. De drie gevluchte regeringsleiders ontkwamen overigens niet aan hun straf. Ze vonden de dood door Armeense moordaanslagen in 1921 en 1922.
Een klaproos, zo heet de bloem van ijzerdraad en stof op de voorkant van dit boek.
Hij is gemaakt in 1921. In Groot-Brittannië werden op 11 november van dat jaar voor het eerst zulke klaprozen verkocht.
Op die dag wordt de wapenstilstand van 11 november 1918 herdacht, waarmee in Europa de gevechten van de Eerste Wereldoorlog stopten. De klaproos was een symbool voor de miljoenen soldaten die in die oorlog waren gesneuveld. Soldaten die wél terugkwamen uit deze oorlog, waren vaak invalide en getraumatiseerd. Veel van hen werden daardoor werkloos. Met de verkoop van de klaprozen werd geld opgehaald voor de organisatie die deze mensen en de weduwen en kinderen van gesneuvelde soldaten hielp.
De Remembrance poppy (‘herdenkings-klaproos’) was direct populair. Er was zoveel vraag naar dat het Britse leger een klaproosfabriek begon waar invalide veteranen konden werken.
Die fabriek bestaat nog steeds. Jaarlijks worden er zo’n dertig miljoen poppies gemaakt, nu meestal van kunststof.
Het doel is gelijk gebleven: werkgelegenheid bieden aan invalide veteranen, en veteranen en hun families helpen met de opbrengst van de poppies.
In Groot-Brittannië en veel andere landen dragen mensen een Remembrance poppy op hun kleding op 11 november en gedurende de twaalf dagen daarvoor.
Scan de QR-code voor meer informatie over de Remembrance poppy.


