Skip to main content

Feniks 3havo werkboek

Page 1

Geschiedenis voor de onderbouw Werkboek 3 havo

Feniks, geschiedenis voor de onderbouw van havo en vwo

Geschiedenis voor de onderbouw Werkboek 3 havo


Geschiedenis voor de onderbouw Werkboek 3 havo

Auteurs Robert Boonstra Cor van der Heijden Raymond de Kreek Idzard van Manen Eindredactie Jos Venner


Inhoud Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

t ijd van burgers en stoommachines

1 Nederland 1813-1900  4

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Koning Willem I  6 Nederland als koloniale mogendheid  10 Economische ontwikkelingen  16 Sociale verhoudingen  20 Afsluiting  23

ISBN 978 9006 39112 1 Tweede druk, eerste oplage, 2016

t ijd van burgers en stoommachines

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2016

t ijd van de wereldoorlogen

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

2 Op weg naar democratie  28

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

De Grondwet van 1848  30 Het ontstaan van de verzuiling  33 Het eerste feminisme  36 De strijd om het algemeen kiesrecht  39 Afsluiting  45

t ijd van burgers en stoommachines

t ijd van de wereldoorlogen

3 De Eerste Wereldoorlog  48

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Je eigen volk en je eigen land  50 De Grote Oorlog  54 Een totale oorlog  56 Het laatste oorlogsjaar en vrede  61 Afsluiting  64

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

t ijd van burgers en stoommachines

t ijd van de wereldoorlogen

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

4 Rusland wordt communistisch  70

3000 v.Chr.

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Socialisten en anarchisten in Rusland  73 Twee revoluties in één jaar  76 Van Burgeroorlog tot Vijfjarenplannen  78 Op weg naar de totalitaire staat  83 Afsluiting  86

1

v.Chr.

500

na Chr.


t ijd van de wereldoorlogen

5 Van Golden Age naar Great Depression  90

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

De roaring twenties  92 De grote depressie  96 Roosevelt en de New Deal  99 Einde aan de crisis, begin van de oorlog  103 Afsluiting  105

t ijd van de wereldoorlogen

6 Nationaalsocialisme en Tweede Wereldoorlog  108

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

De Republiek van Weimar  111 In de ban van Hitler  113 De Tweede Wereldoorlog  116 Nederland in bezettingstijd  119 Afsluiting  125

t ijd van de wereldoorlogen

t ijd van televisie en computer

7 De wereld onder hoogspanning  128

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Van wereldoorlog naar Koude Oorlog  130 Aan de leiband van Moskou  135 Europese samenwerking  141 Het einde van de Koude Oorlog  144 Afsluiting  149

1000

t ijd van de wereldoorlogen

t ijd van televisie en computer

8 De lange weg naar gelijkheid  152

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Wisseling van de macht  154 De worsteling van Indonesië  157 Suriname  160 Het Joods-Palestijns conflict  163 Afsluiting  169

t ijd van televisie en computer

9 Nederland na 1945  172

9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Handen uit de mouwen  173 Multiculturele samenleving  179 Politiek Nederland  182 Protesteren en emanciperen  186 Afsluiting  190

t ijd van televisie en computer

10 Twitter, democratie en terrorisme  196

10.1 Globalisering  200 10.2 Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie  202 10.3 Van dictatuur naar democratie?  205 10.4 Jihad tegen McWorld  209 10.5 Afsluiting  213

Illustratieverantwoording  216

1500

1600

1700

1800

1900 1950 2000


4

1 Nederland 1813-1900

1 1

a

b

c

d

Nederland 1813-1900 Weet je het nog? Gebruik bron W1 t/m W6

In dit hoofdstuk leer je een stuk van de geschiedenis van Nederland. In deel 1 en 2 van Feniks is regelmatig aandacht besteed aan het gebied dat nu Nederland wordt genoemd. In bron W1 t/m W6 staan zes tekstfragmenten die letterlijk afkomstig zijn uit hoofdstukken van Feniks, deel 1 en 2. Alleen de jaartallen staan er niet meer bij. Lees bron W1 t/m W 6 door. Elke bron hoort bij een van de tijdvakken die in Feniks deel 1 en deel 2 zijn behandeld. Vul in het schema op de volgende bladzijde in de tweede kolom de naam van het tijdvak in. Kies uit: Tijd van burgers en stoommachines – Tijd van de wereld­ oorlogen – Tijd van Grieken en Romeinen – Tijd van jagers en boeren – Tijd van monniken en ridders – Tijd van ontdekkers en hervormers – Tijd van pruiken en revoluties – Tijd van regenten en vorsten – Tijd van steden en staten – Tijd van televisie en computer Vul in de derde kolom de jaartallen in die bij de tijdvakken van kolom 2 horen. Kies uit: 1800-1900 – 500-1000 – 1600-1700 – vanaf 1950 – 1000-1500 – 3000 v.Chr.-500 n.Chr. – 1900-1950 – 1500-1600 – tot 3000 v.Chr. – 1700-1800 In bron W1-W6 wordt informatie gegeven die bij een van de kenmerkende aspecten hoort. Vul in de vierde kolom het kenmerkend aspect in dat het best bij de bron past. Je hebt hierbij de keuze uit onderstaande opsomming van tien kenmerkende aspecten. Zet alleen het nummer in het schema. Er blijven vier kenmerkende aspecten over. 1 Burgerschap en wetenschappelijk denken in de Griekse stadstaat. 2 De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap. 3 De Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving. 4 De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden. 5 De uitbreiding van de christelijke wereld door de kruistochten. 6 De verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur en de confrontatie met de Germaanse cultuur. 7 De verspreiding van het christendom in geheel Europa. 8 Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat. 9 Het ontstaan van handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. 10 Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen. Hieronder volgen vijf namen van personen: 1 Willem V 2 Augustus 3 Bonifatius 4 Piet Hein 5 Filips II Zet deze namen in het juiste vakje van de vijfde kolom.

Bron W1

Om ervoor te zorgen dat het rustig bleef in het Rijk en dat niet groepjes Germanen kwamen roven en plunderen, was in de eerste eeuw langs een groot deel van de grens een verdedigingssysteem aangelegd: de limes. In de provincie Germania Inferior, waar ons land bij hoorde, lag een heel systeem van forten en wachttorens; in Nijmegen lag een groot legioenskamp (castra). Bron W2

Uiteindelijk kwam een groep edelen in actie. Met veel machtsvertoon trokken ze naar Brussel. Daar boden zij aan landvoogdes Margaretha van Parma het Smeekschrift aan. Hierin verzochten zij Margaretha de koning te vragen de Staten-Generaal bijeen te roepen en de plakkaten tegen ketters buiten werking te stellen. Bron W3

De eerste boeren vestigden zich in Nederland. In ZuidLimburg kapten ze stukken bos en legden akkers aan. De lössgrond was erg vruchtbaar en zorgde voor goede oogsten. Daardoor kon de bevolking groeien. Er ontstonden dorpjes, waarvan het grootste (bij Elsloo) bijna tweehonderd inwoners telde. Bron W4

De Nederlanders wilden ook naar West-Afrika en Amerika. Daarvoor werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Van de Staten-Generaal kreeg zij het monopolie op de handel op die gebieden. Net als de VOC liet ook de WIC zien dat handel en oorlog samengingen. Bron W5

De kerstening van de Franken verliep gemakkelijk, omdat hun koning en edelen tot het christendom waren overgegaan en daarmee hun onderdanen het voorbeeld gaven. Moeizamer ging het bij de Friezen en de Saksen. De missionarissen van het gebied kwamen meestal uit Engeland. Uit dat land kwam Willibrord, die begon het christelijk geloof onder de Friezen te verkondigen. Bron W6

Nog voordat de Franse Revolutie uitbrak, probeerden ook in de Republiek diverse groepen mensen een revolutie op gang te brengen. Zij noemden zich patriotten, begonnen zich te bewapenen en wilden de regenten en de stadhouder verjagen. Dat mislukte echter en een flink aantal patriotten vluchtte naar Frankrijk.


5

Oriëntatie

Schema bij opdracht 1 Bron

Tijdvak

Jaartallen

Kenmerkend aspect

Persoon

W1

W2

W3

W4

W5

W6

2

Lees: Dan liever de lucht in!, en gebruik bron 1

Koning Willem I heeft bepaald dat er bij de Nederlandse Marine altijd een schip zal varen met de naam Van Speyk. Er wordt beweerd dat de vlaggenmast voor het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder de scheepsmast is van de kanonneerboot van Van Speyk. Een televisieproducent heeft het plan om een tiendelige serie te maken onder de titel Tien helden uit de Nederlandse geschiedenis. Onder dezelfde titel worden ook een tentoonstelling in een museum en een mooi boek gemaakt. De organisatoren zitten met een probleem: welke tien personen moeten ze kiezen? Erasmus, Rembrandt van Rijn, Willem van Oranje en Antoni van Leeuwenhoek mogen natuurlijk niet ontbreken. Maar bij andere namen ontstaat discussie: ‘Is deze persoon wel een echte held?’ en ‘Is persoon A meer een held dan persoon B?’. Een van de personen op het lijstje over wie discussie ontstaat, is Jan van Speyk. Schrijf een brief van ongeveer 150 woorden waarin je adviseert om Jan van Speyk wel of niet te selecteren voor de serie Tien helden uit de Nederlandse geschiedenis. Noem minstens drie argumenten waarom je dit adviseert.

Kennis Begrip Toepassing

1bd 1a 1c, 2


6

1 Nederland 1813-1900

1 1

1

Koning Willem I Betrouwbaarheid van bronnen

Weet je het nog?

Hieronder volgt een lijst met perioden, namen en begrippen. Vul deze in de juiste kolom van het schema onderaan deze pagina in. Doe het zo dat je ook in elke rij namen en begrippen zet die op hetzelfde onderwerp betrekking hebben. Op één plaats in het schema blijft het vakje leeg. • Koninkrijk Holland – (Verenigd) Koninkrijk der Nederlanden – Bataafse Republiek – De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden • Lodewijk Napoleon – Willem I – Willem V • Regenten – Belgen – Patriotten – Fransen • Eerste Grondwet – Monarchie – Stadhouder – Eenheidsstaat 2

Weet je het nog?

a In 1815 werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samengevoegd. In het leesboek vind je de opmerking dat deze gebieden ‘al meer dan twee eeuwen niet meer bij elkaar hadden gehoord’. Dat is natuurlijk te vaag. Vanaf welk moment volgden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden een gescheiden weg? Kruis de juiste gebeurtenis aan: 1555, de troonsafstand van keizer Karel V. 1566, de aanbieding van het Smeekschrift. 1579, de Unie van Atrecht en de Unie van Utrecht. 1581, het Plakkaat van Verlating. 1609, het Twaalfjarig Bestand. b Licht je keuze toe.

Bij het bestuderen van historische bronnen moet je je overtuigen van de juistheid van de informatie in de bron. Is de informatie wel betrouwbaar? Dat is afhankelijk van de vraag die je aan de bron stelt. Het antwoord op de vraag: ‘Wat gebeurde er nu precies op het strand van Scheveningen toen de prins van Oranje daar op 30 november 1813 aan land kwam?’, kun je niet geven op grond van één bron. Het liefst lees je daarvoor bronnen van zowel aanhangers als tegenstanders van de prins. Om de betrouwbaarheid van een bron te achterhalen moet je altijd de volgende vragen stellen en beantwoorden: 1 Wanneer is de bron gemaakt? Is het een secundaire bron of een primaire? Let op! Een primaire bron is niet vanzelfsprekend altijd betrouwbaar. 2 Hoe is de maker van de bron aan zijn informatie gekomen? Was hij er zelf bij of heeft hij de informatie van iemand anders? 3 Had de maker van de bron een bepaalde bedoeling met de informatie in de bron? Stelt hij de situatie extra positief of juist extra negatief voor? Maakt hij mensen zwart of bejubelt hij ze? De beantwoording van de laatste vraag is het belangrijkst. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een bron moet je je altijd realiseren dat mensen vroeger anders dachten en handelden dan jij nu. 3

Lees: Betrouwbaarheid van bronnen, en gebruik bron 5 en W7 Je oefent: betrouwbaarheid van bronnen

a Op grond van welk gegeven in het bijschrift bij bron 5 zou je mogen aannemen dat deze bron betrouwbaar is?

Schema bij opdracht 1 1588/1648-1795

1795-1806

1806-1810

1813-heden


1.1 Koning Willem I

b Gebruik bron W7. In een biografie van Koning Willem I geeft de schrijver een nauwkeurige beschrijving van wat er op 30 november 1813 gebeurde. Noem drie overeenkomsten tussen bron 5 en bron W7 en noem drie punten van verschil tussen beide bronnen. Overeenkomsten: 1 2 3 Verschillen: 1 2 3 c Een bewering: ‘Bron 5 is een onbetrouwbare bron van informatie over de gebeurtenissen op 30 november 1813 op het strand in Scheveningen’. Ben je het met deze bewering eens of oneens? Licht je keuze toe.

4

Lees: Het Verenigd Koninkrijk

Het besluit om de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samen te voegen tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was genomen door de deelnemers aan het Congres van Wenen. Op dit congres kwamen de overwinnaars op de Franse legers van Napoleon bij elkaar om te praten over de toekomst van Europa. a Leg uit waarom zij het een uitstekend plan vonden om het huidige Nederland, België en Luxemburg samen te voegen tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

b Wat vond Willem I daarvan? Wat denk je? Leg je antwoord uit.

Bron W7

Vanwege een krachtige oostenwind duurde de overtocht langer dan Willem Frederik had verwacht. Pas op dinsdag 30 november, kort voor zonsondergang, kregen de opvarenden van The Warrior* de duinen bij Scheveningen in zicht. Mist en nevel boven een inmiddels kalme zee en het late tijdstip van de dag maakten dat de kust maar moeilijk te onderscheiden was. De Oranjewimpel ging in top en er werden enkele salvo’s afgevuurd. Jacob Fagel** ging van boord om de situatie te verkennen. Maar nog voor het sein ‘veilig’ klonk, besloot Willem Frederik hem te volgen. Engelse matrozen roeiden de prins naar het land. Vanaf het strand was een boerenkar het water in gereden. Her en der, op het strand en vanaf de duinen, keken mensen toe, scherp in de gaten gehouden door Britse soldaten, die de Prins van Oranje moesten beschermen tegen een eventuele aanval van de Fransen. Tegen de tijd dat Willem Frederik, gestoken in burgermanspak, door de branding het strand op werd getrokken, was het vijf uur geweest. Het was donker geworden. J. Koch, Koning Willem I, 1772-1843, 2013. * The Warrior was de naam van het Britse oorlogsschip waarmee Willem Frederik van Engeland naar de overkant van de Noordzee werd gebracht. ** Jacob Fagel was een Nederlandse diplomaat en op dat moment de persoonlijke secretaris van Willem Frederik.

a Op welke wijze kun je de rol van deze delen in de economie typeren? Trek lijnen.

Lees: Een harde werker…

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was uit vier delen samengesteld. Elk deel droeg op eigen wijze bij aan de economie.

Zuid Landbouwproducten

Nederlands-Indië Nijverheidsproducten

Suriname Koloniale producten

b Op welke wijze heeft Willem I Noord en Zuid met elkaar verbonden?

c Op welke wijze heeft hij Noord en Zuid en de koloniën met elkaar verbonden?

6 5

Noord Handel

Gebruik bron 7 Je oefent: feit en mening

a In de tekst staat dat koning Willem I veel aandacht had voor de economie. Welk economisch voordeel heeft het voor ondernemers als er overal dezelfde maten en gewichten gebruikt worden?

7


8

1 Nederland 1813-1900

Feit en mening Bij een historisch onderzoek moet je goed opletten of de bronnen feiten of meningen bevatten. Bij een feit ben je helemaal zeker dat het zo gebeurd, gezegd of geschreven is. Een feit is controleerbaar. Of iets een feit is, stel je vast door gegevens te gebruiken uit verschillende bronnen. Een mening is een oordeel van een mens over iets. Een mening hangt af van de voorkeur van een persoon. Een mening is altijd subjectief en persoonsgebonden. Als een archeoloog zegt: ‘De Neanderthalers maakten mooie stenen gebruiksvoorwerpen,’ dan is het een feit dat de archeoloog dat gezegd heeft; maar dat de archeoloog die stenen gebruiksvoorwerpen mooi vindt, is zijn mening. b De invoering van dezelfde maten en gewichten diende voor koning Willem I ook een politiek doel. Welk doel is dat? Gebruik in je antwoord de begrippen ‘centralisatie’, ‘uniformering’ en ‘particularisme’.

2 Onderwijzers van de lagere scholen werden gewezen op de verplichting om bij het onderwijs uit te gaan van de voorgeschreven maten en gewichten. feit / mening 3 De onderwijzers waren niet overtuigd van het nut en de noodzaak om hun leerlingen het gebruik van de voorgeschreven maten en gewichten aan te leren. feit / mening 4 Koning Willem I wilde vernieuwingen (zoals de nieuwe maten en gewichten) doorvoeren omdat hij zich hierdoor populair bij de bevolking wilde maken. feit / mening 5 De door de Amsterdamse geschut- en klokgieterij op de markt gebrachte set met acht standaard inhoudsmaten moest er onder andere toe bijdragen dat er tijdens het handeldrijven minder fraude met de hoeveelheden handelswaar gepleegd kon worden. feit / mening 7

Lees: Taal- en godsdienstpolitiek, en De afsplitsing van België

a Welke drie hoofdbezwaren hadden de Belgen ten aanzien van het regeringsbeleid van koning Willem I? 1 2 3 b Met welk (ander) onderdeel van het regeringsbeleid zullen de Belgen het over het algemeen wel eens zijn geweest?

c Geef van onderstaande zinnen aan of ze een feit of een mening bevatten. 1 De gemeentebesturen in Nederland ontvingen nagenoeg jaarlijks een verzoek om toe te zien op strikte handhaving van de verplichting om de door de landelijke overheid voorgeschreven maten en gewichten te gebruiken. feit / mening

8

Lees: Taal- en godsdienstpolitiek, en gebruik bron 8 Je oefent: soorten geschiedenis

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden viel in 1830 al weer uiteen. De verschillen waren te groot. Vul in het schema hieronder de tegenstellingen tussen Noord en Zuid in.

Schema bij opdracht 8 Noord Economisch

Politiek

Religieus

Cultureel/taal

Zuid


9

1.1 Koning Willem I

9

Lees: Taal- en godsdienstpolitiek

a Noem het hoofdkenmerk van het negentiende-eeuwse politiek liberalisme en het hoofdkenmerk van het economisch liberalisme. Het politiek-liberalisme:

Het economisch liberalisme:

b Beredeneer of Louis de Potter een liberaal was.

10 Lees: De afsplitsing van België Onder een ‘monsterverbond’ verstaan wij een pact tussen twee partijen die eigenlijk niet bij elkaar passen, maar een gemeenschappelijke vijand of een gemeenschappelijk doel hebben. a Tussen welke partijen kwam het in de Zuidelijke Nederlanden tot een monsterverbond?

b Leg uit waarom die twee partijen tot samenwerking besloten.

12 Lees de deelvraag en vat samen In een aantal opzichten was koning Willem I een aanhanger van de idealen van de Verlichting, die mede aan de basis stonden van de Franse Revolutie. In een aantal andere opzichten was hij dat niet. Hieronder volgen drie uitspraken over koning Willem I. Geef voor elke uitspraak aan of hieruit blijkt dat hij beïnvloed is door de idealen van de Verlichtingsfilosofen en van de Franse Revolutie. Geef kort aan waarom je tot deze keuze komt. a Willem, de zoon van stadhouder Willem V, koos bij de aanvaarding van de troon voor de naam koning Willem I en niet voor de naam koning Willem VI. De Koning is wel / niet beïnvloed door de Verlichtingsidealen, want

b Koning Willem I liet in artikel 73 van de Grondwet de volgende zin opnemen: Le Roi décide seul. [De Koning beslist alleen.] De Koning is wel / niet beïnvloed door de Verlichtingsidealen, want

c Koning Willem I wilde dat Indië een ‘bloeiend, welvarend en gelukkig land’ zou worden. De Koning is wel / niet beïnvloed door de Verlichtingsidealen, want

11

Lees: De afsplitsing van België

Op welke wijze speelden internationale machtsoverwegingen een rol bij het uit elkaar vallen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in België en Nederland?

Tips voor de toets Begrippen: Verenigd Koninkrijk, gecentraliseerde eenheidsstaat, Nederlandsche Handelmaatschappij, grondwet, constitutionele monarchie Opdrachten: 4ab, 5abc, 7ab, 9ab, 10ab, 12 Kennis Begrip Toepassing

1, 5abc, 7a, 8, 9a, 11 2ab, 3a, 4a, 6ac, 7b, 9b, 10a 3bc, 4b, 6b, 9c, 10b, 12abc


10

1 Nederland 1813-1900

1 1

2

Nederland als koloniale mogendheid

Weet je het nog?

2

Hieronder zie je telkens acht namen van personen, gebeurtenissen of begrippen. Zet de woorden per kolom onder elkaar in het schema, maar doe het zo dat in elke rij vier woorden/begrippen staan die bij elkaar horen. Rij 1 is al voor je ingevuld. Kolom A: stapelmarkt – WIC – regenten – VOC – Maurits – calvinisme – Rembrandt van Rijn – Christiaan Huygens. Kolom B: Amerika – Staten-Generaal – pakhuizen – aandelen – Saskia van Uylenburgh – Baruch de Spinoza – stadhouder – Hervormde Kerk. Kolom C: De Nachtwacht – Batavia – Johan van Oldenbarnevelt – moedernegotie – Kaapvaart –burgers – schuilkerk – Anthonie van Leeuwenhoek. Kolom D: wetenschappelijke revolutie – Piet Hein – burgers – Heren Zeventien – bestuur – landsadvocaat – Portugese synagoge – schuttersstuk – handelskapitalisme.

Gebruik bron W8 en W9 Je oefent: continuïteit en verandering

a Noem twee overeenkomsten tussen de kaarten van W8 en W9. 1 2 b Noem drie verschillen tussen W8 en W9. 1 2 3 c Een bewering: ‘Met betrekking tot de Nederlandse aanwezigheid in het gebied dat nu Indonesië vormt, is er voor en na 1800 sprake van continuïteit.’ Ben je het met deze bewering eens of oneens? Licht je antwoord toe.

Continuïteit en verandering In de geschiedenis vinden ontwikkelingen plaats, ofwel veranderingen. Het kan ook zijn dat veranderingen over een langere tijd ontbreken. Ga bij een vraag naar een verandering na wat er eerst, of voor de gebeurtenis, was en wat er later, of na een gebeurtenis, was. Bij veranderingen spreken wij van discontinuïteit. Is alles hetzelfde gebleven, dan is er continuïteit. Schema bij opdracht 1 1

Kolom A

Kolom B

Kolom C

Kolom D

stapelmarkt

pakhuizen

moedernegotie

handelskapitalisme

2

WIC

3

regenten

4

VOC

5

Maurits

6

calvinisme

7

Rembrandt

8

Huygens


1.2 Nederland als koloniale mogendheid

11

c Op welke wijze maakte het Cultuurstelsel het leven van de Javaanse bevolking zwaarder?

octrooigebied van de VOC factorij / fort / nederzetting van de VOC

FORMOSA

Grot eO c ea

an

INDIA

CEYLON

Indische Oceaan 0

500

NEDERLANDS OOST-INDIË

d Op welke wijze had de Nederlandse regering voordeel van het Cultuurstelsel?

1.000 km

1 : 80.000.000

Bron W8  De invloedssfeer en de factorijen, forten en nederzettingen van de VOC in Azië (1602-1795).

0

500

1.000 km

1 : 60.000.000

FILIPIJNEN

te Gro

Malakka

Sumatra

1 ce a

O

hinese Zee id-C Zu

an

2 3

BORNEO Borneo Celebes

In Lebak di sc he Oc eaa n Spaans gezagsgebied Nederlands gezagsgebied Portugees gezagsgebied Bron W9  De koloniale bezittingen en de invloedssfeer van de Nederlandse staat in Azië rond 1840.

3

e De Nederlandse bevolking had ook voordeel van het Cultuurstelsel. Op welke wijze profiteerden de volgende groepen daarvan: 1 de ondernemers; 2 de arbeiders; 3 de consumenten?

4

Lees: Het Cultuurstelsel

a Het woord ‘cultuur’ kan twee heel verschillende betekenissen hebben. Zoek (bijvoorbeeld in een woordenboek) deze twee verschillende betekenissen op. Schijf de twee definities in je eigen woorden kort op. 1 2 b Welke betekenis van cultuur wordt bedoeld in het woord ‘cultuurstelsel’?

Lees: Het Cultuurstelsel

a Waarom voerde Nederland het Cultuurstelsel in?

5

Lees: Het Cultuurstelsel

Het cultuurstelsel wordt vaak vergeleken met het feodalisme. a Schrijf kort op wat feodalisme is.

b Vat de kern van het Cultuurstelsel in één zin samen. b Leg uit waarom je het cultuurstelsel en het feodalisme terecht met elkaar kunt vergelijken.


12

1 Nederland 1813-1900

Bron W10  De invoer van katoenen stoffen op Java en Madura, 1830-1840 (¥ miljoen gulden).

Met certificaat van Nederlandse oorsprong

Aangevoerd op onder Engelse vlag varende schepen

Totaal

1830

2,3

1,2

3,8

1831

1,3

1,2

2,9

1832

0,1

0,4

1,9

1833

0,1

2,5

3,9

1834

0,3

3,4

4,4

1835

1,5

2,2

4,1

1836

3,2

2,6

6,1

1837

3,6

2,9

7,1

1838

5,7

3,2

9,7

1839

7,3

2,5

10,5

1840

8,8

2,8

13,1

Bron W11  Het batig saldo van het Cultuurstelsel.

Periode

De Indische baten als percentage Batig saldo (in miljoenen van de totale inkomsten voor de guldens) Nederlandse overheid

1830-1840

93

19*

1841-1850

141

19*

1851-1860

267

31

1861-1870

224

24

1871-1877

98

13

* Dit is het gemiddelde voor de periode 1831-1850. Uit: C. Fasseur, Kultuurstelsel en koloniale baten. De Nederlandse exploitatie van Java, 1840-1860, 1975.

7

Gebruik bron W11

a Ben je het eens of oneens met de volgende stelling: ‘Nederlands-Indië was de melkkoe van Nederland’? Licht je keuze kort toe.

Uit: T. de Graaf, Voor handel en maatschappij. Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, 1824-1964, 2012.

6

Lees: Het Cultuurstelsel, en gebruik bron W10

a De Javanen kregen plantloon, waardoor zij meer konden kopen. Leg uit in hoeverre bron W10 deze bewering ondersteunt.

b De katoenindustrie in Twente profiteerde van het op Java ingevoerde Cultuurstelsel. Geef aan in hoeverre bron W10 deze bewering ondersteunt.

b Welke van de volgende woorden vind jij van toepassing op het Cultuurstelsel? Kruis er drie aan. rechtvaardig diefstal leerzaam misdadig behulpzaam uitgekiend misbruik 8

Lees: Plantages in de buitengewesten

a Vergelijk de producten die in de tijd van het cultuurstelsel verbouwd moesten worden met de producten die op de particuliere plantages werden verbouwd. Wat valt je daarbij op?

b Bedenk met de opkomst van een nieuwe tak in de industrie in West-Europa een verklaring voor dit verschil.


1.2 Nederland als koloniale mogendheid

9

Lees: Plantages in de buitengewesten

Wat kun je opmerken over de Industriële Revolutie in Nederland in de periode 1870-1900?

Motieven Oorzaken voor menselijk handelen kunnen omstandigheden zijn, zoals het weer, maar ook de situatie van een mens op een gegeven moment. De eigen gedachten of de eigen wil van een mens noemen wij een motief (of beweegreden). 11

Lees de deelvraag en vat samen Je oefent: motieven

a Vat kort samen wat modern imperialisme is. 10 Gebruik bron 15 Je oefent: gebondenheid aan tijd en plaats a Wat is een ereschuld?

b Vat de kern van bron 15 samen.

b In deze paragraaf zijn vier motieven behandeld die bij het modern imperialisme een rol speelden. Noem deze vier motieven. c Waarom gebruikt de auteur van bron 15 de term ‘ereschuld’?

1 2 3 4

d Leg uit dat de Ethische Politiek (mede) een gevolg was van de discussie over de ‘ereschuld’.

13

c Op welke plaats komen deze vier motieven terug in de paragraaf? Noteer achter elk motief het tussenkopje waarin dit motief nadrukkelijk een rol speelt.

e Werd door de Ethische Politiek deze ereschuld ingelost? Licht je keuze kort toe. Tips voor de toets Begrippen: Cultuurstelsel, Agrarische Wet, modern imperialisme, Ethische Politiek Opdrachten: 2abc, 3abcde, 7ab, 10abcd, 11abc Kennis: Begrip: Toepassing: Analyse:

1, 3b, 4a, 5a, 10a, 11ab 2ab, 3acde, 4b, 5b, 7b, 8a, 10bc 2c, 6ab, 7a, 8b, 10d, 11c 9


14

1 Nederland 1813-1900

Verdieping bij 1.2 1

Lees: Multatuli Gebruik bron W9 en W13 voor de ligging van Lebak.

Om het boek van Multatuli te kunnen begrijpen, moet je iets weten van het bestuursstelsel in Nederlands-Indië. Dit was in tweeën gesplitst: een afdeling was ‘Nederlands’ en een andere afdeling was ‘Indisch’. a Hieronder staan de namen van zes functies die allemaal iets met het bestuur van Nederlands-Indië te maken hebben. Zet deze namen op de goede plaats in het schema. Ga daarbij van veel naar weinig macht. districtshoofd (inheems) – gouverneur-generaal – assistentresident – inlandse regent (inheems) – resident – Minister van Koloniën Schema bij opdracht 1a

3

Lees: Het verhaal van Saïdjah en Adinda, en gebruik bron 18

a Wat is (in het algemeen) een statussymbool?

b Waarom was een kris een statussymbool?

c In de Indische samenleving speelde ‘eer’ een belangrijke rol. Leg uit dat de verkoop van de kris voor de vader van Saïdjah een ‘verlies van eer’ betekende.

b Leg met behulp van dit schema uit waarom het voor Eduard Douwes Dekker zo lastig was om het machtsmisbruik door de inlandse elite in zijn district aan te pakken.

2

Gebruik bron 16

De vader van Saïdjah kwam in de problemen omdat hij zowel aan de ‘inlandse adel’ als aan het Nederlandse bestuur geld of goederen moest afdragen. Aan welke verplichtingen moest de vader van Saïdjah voldoen? Noteer de zinnen waaruit dit blijkt.

d Citeer de zin waarin nog meer sprake was van ‘verlies van eer’.

e Er wordt in het verhaal van de lotgevallen van Saïdjah en Adinda nog een ander voorbeeld genoemd waaruit het grote belang blijkt dat aan de familie werd toegekend. Welk voorbeeld is dat?


15

Verdieping bij 1.2

4

Lees: Vlucht naar Sumatra, en gebruik bron W12 en W13

Multatuli heeft zware kritiek op het gedrag van de Nederlandse autoriteiten. Noteer de zin waarin de handelwijze van de Nederlanders het sterkst bekritiseerd wordt. Onderstreep in die zin één woord waaruit dit in het bijzonder blijkt.

Bron W12

In de tijd waarin het verhaal van Saïdjah en Adinda zich afspeelt, was de invloed van de Nederlandse overheid op Java en het zuidelijke gedeelte van Sumatra groot. Noem drie voorbeelden waaruit dit blijkt.

Op een dag, nadat de opstandelingen een nederlaag hadden geleden, doolde hij [Saïdjah] rond in een dorp dat was veroverd door het Nederlandse leger, en dus in brand stond. Saïdjah wist dat de daar verslagen bende grotendeels bestond uit vluchtelingen uit Lebak. Als een spook waarde hij rond in de huizen die nog niet helemaal waren verbrand. Hij vond het lijk van Adinda’s vader met een dolksteek in zijn borst. Naast hem zag Saïdjah de drie vermoorde broers van Adinda, jonge mannen, bijna kinderen nog, en iets verderop lag het lijk van Adinda, naakt, afschuwelijk mishandeld. Er stak een smal strookje blauw doek uit de gapende borstwond die een einde leek te hebben gemaakt aan een lange worsteling. Toen zag Saïdjah enkele soldaten, die met geladen geweer de laatste nog levende opstandelingen in het vuur van de brandende huizen dreven. Hij stormde af op de soldaten, probeerde hen nog tegen te houden, maar de brede zwaardbajonetten raakten hem in de borst.

1

Multatuli, Max Havelaar of de koffieveilingen van de Nederlandse handelmaatschappij, 1860; hertaald door Gijsbert van Es, 2010.

5

Lees de tekst, en gebruik bron 16 en bron W12

SUMATRA a nd oe S at ra

St

2

Ind isc

he

Lebak

O

ce

0

50

aa

n

Java Z ee Batavia

Buitenzorg JAVA

100 km

1 : 7.000.000

3

de door Saîdjah gevolgde weg van zijn dorpje bij Lebak naar Batavia de reis naar het eiland Sumatra Bron W13  Het westelijk deel van Java en het zuiden van Sumatra, met daarop aangegeven de route die Saïdjah over land naar Batavia en over zee naar zijn geliefde Adinda op Sumatra had afgelegd.

6

Je oefent: gebondenheid aan tijd en plaats

In de tekst staat dat de families van Saïdjah en Adinda al heel vroeg met elkaar afgesproken hadden dat zij met elkaar zouden trouwen. Ze waren toen nog maar amper zeven jaar oud. a Welk motief hadden de ouders om hun kinderen al op zo’n jonge leeftijd aan elkaar te koppelen?

b Deze praktijk kwam niet alleen op Java voor. Ook in Europa regelden veel ouders met wie hun kinderen later zouden trouwen. Binnen welke kringen kwam dit vooral voor en wat was daarbij het belangrijkste motief?

c Geef je mening: wat vind jij ervan dat ouders een grote en beslissende invloed hebben over de partner met wie hun kinderen zullen trouwen?

Kennis: Begrip: Toepassing:

1a, 3ab, 4 1b, 2, 3cde, 5, 6ab 6c


16

1 Nederland 1813-1900

1 1

3

Economische ontwikkelingen

Weet je het nog?

2

Vul op de open plaatsen in deze tekst woorden in, zodat er een goed lopende en inhoudelijk correcte tekst ontstaat. Gebruik: zeventiende – rijkste – boter (of kaas) – Delft – Amsterdam – tertiaire – export – doorvoerhandel – sterkste / grootste – Haarlem – nijverheid / industrie – schepen – kaas (of boter) – Engeland – Oost

Lees: Specialisatie in de landbouw, en gebruik bron 21

a Werden de zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland in het begin van de negentiende eeuw bewoond door boeren die vooral voor de export werkten? Leg je antwoord uit.

De Republiek groeide in de 1.

eeuw uit tot een

van de 2.

b Gebruik bron 21. Heeft deze prent betrekking op een boerderij in de kustprovincies of op een gemengd bedrijf in het oosten en zuiden van ons land? Licht je keuze met twee argumenten toe.

economische machten en werd een van de 3.

landen ter wereld. In

West-Nederland ontwikkelde zich een agrarische sector waar hoogwaardige, voor de 4. bestemde, producten verbouwd werden. De twee bekendste voorbeelden zijn 5. 6.

en . De nijverheid bracht een

breed scala aan producten voort, zoals linnen uit 7.

, aardewerk met

een blauwe kleur uit 8.

en

9.

uit

Hoorn. De Republiek had een centrale positie verworven in de

3

Je oefent: gevolgen op korte termijn en lange termijn

‘Vooral ondernemers die gespecialiseerd waren in het maken van luxe kwaliteitsproducten hielden vast aan de ambachtelijke productiemethoden.’ a Bedenk twee motieven die deze ondernemers (op de korte termijn) hadden om niet met de tijd mee te gaan.

10. tussen Noord- en Zuid-Europa en tussen 11. en West. Nederlandse vrachtvaarders domineerden de zeeën en 12. was het centrum van de wereldhandel. In de loop van de achttiende eeuw ging deze positie aan 13.

b Welk gevolg had dit ‘niet meegaan met de tijd’ op de lange termijn?

verloren.

In Nederland stagneerde de economische ontwikkeling. In de negentiende eeuw herstelden de drie economische sectoren zich (de primaire sector: de landbouw, de secundaire sector: de 14. 15. dienstverlening).

en de sector: de handel en

4

Gebruik bron 22

Heeft deze afbeelding betrekking op ‘ambachtelijke werkzaamheden’ of op ‘industriële arbeid’? Licht je keuze met een beeldelement uit de bron toe.


1.3 Economische ontwikkelingen

5

17

Gebruik bron W14. Je oefent: gebeurtenis, verschijnsel, ontwikkeling

a De IndustriĂŤle Revolutie begon in Engeland. Schrijf zo gedetailleerd mogelijk op wat je nog weet van de manier waarop in Engeland de overschakeling naar stoomkracht plaatsvond. Zoek het eventueel op in je werkboek van vorig jaar.

Bron W14  Een stoomgemaal en een windwatermolen staan gebroederlijk naast elkaar in Spanbroek in Noord-Holland.

b Bekijk bron W14 aandachtig. Welke overeenkomst zie je tussen de ontwikkelingen in Nederland en die in Engeland?

6

Gebruik bron 32

a Vat in drie punten de belangrijkste veranderingen samen die zich tussen 1860 en 1900 met betrekking tot de nijverheid in Nederland voordeden.

b Geef een verklaring voor de uitzonderingspositie die Friesland en Zeeland innamen.

c De wijze waarop de gegevens in beide kaartjes zijn weergegeven, zijn niet zo nauwkeurig. Noem de reden waarom beide kaartjes niet erg duidelijk laten zien waar het percentage van de beroepsbevolking dat werkzaam is in de nijverheid erg hoog is.

7

Lees: Stapelmarkt wordt transitohandel

a Op welke manieren kan een overheid met het uitvaardigen van wetten de vrijhandel beperken of zelfs geheel tegengaan?

b Met welk hoofddoel zullen de ons omringende landen in de eerste helft van de negentiende eeuw allerlei wetten uitgevaardigd hebben die de handel sterk belemmerden?


18

1 Nederland 1813-1900

Bron W15  Procentueel aandeel van de beroepsbevolking in de nijverheid in enkele landen, 1850-1910.

Land Verenigde Staten

1850

1860

1870

1880

1890

1900

1910

17,7

20,1

25,1

25,0

28,3

30,6

32,1

38,7

40,5

43,9

50,1

42,0

40,1

47,3

52,0

18,3

23,8

30,4

30,8

32,2

33,4

België Frankrijk Duitsland

36,5

Zweden Nederland

11,6 27,7

28,7

14,0

Uit: C. van der Heijden, Alle hens aan dek. Twee ronden van economische groei. Nederland tussen 1500 en 1900, 1998.

8

Gebruik W15

Een bewering: ‘De industrialisatie leidde in Nederland, in vergelijking met andere Europese landen, tot een minder sterke aardverschuiving.’ Licht met behulp van de cijfers in bron W15 de juistheid van deze bewering toe.

Gebondenheid aan tijd en plaats Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een bron moet je je ervan bewust zijn dat mensen vroeger of elders anders dachten en handelden dan jij nu. Gebondenheid aan tijd en plaats is dat mensen vroeger (tijd) of in andere landen (plaats) of in een andere cultuur anders denken over bepaalde situaties dan wat wij nu en hier gewend zijn. 10 Gebruik bron 24 Je oefent: gebondenheid aan tijd en plaats Welke uitspraken passen goed bij deze tekst? 1 Het verschil tussen de plaats waar goederen verbouwd of geproduceerd worden en de afzetmarkt is steeds groter geworden. 2 Het wachten op schaarste heeft geen zin meer. 3 Alleen door schaalvergroting kan de koopman het hoofd boven water houden. 4 Door de moderne communicatiemedia is er voor de echte koopman weinig lol meer aan. 5 Voor de slogan ‘time is money’ is in de huidige moderne wereld geen plaats meer. 11

Gebruik bron W16

Licht met behulp van de cijfers in deze bron toe dat de transitohandel succesvol was.

9

Lees: Stapelmarkt wordt transitohandel

De stapelmarkt uit de Gouden Eeuw en de transitohandel uit de negentiende eeuw hebben een grote overeenkomst én een groot verschil. a Welke overeenkomst bestaat er tussen de stapelmarkt en de transitohandel?

b Welk verschil bestaat er tussen de stapelmarkt en de transitohandel?

Bron W16  Overzicht van de totale tonnages die in Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen werden geregistreerd, 1870-1913 (x 1000 ton).

Amsterdam

Rotterdam

Antwerpen

1870

319

1026

1317

1875

320

1412

2063

1880

759

1682

2650

1885

983

2120

2969

1890

992

2939

3840

1895

1135

4215

4559

1900

1536

6360

5688

1905

1763

8375

8373

1910

2147

10877

10756

1913

2627

13047

12025

Uit: C. van der Heijden, Alle hens aan dek. Twee ronden van economische groei. Nederland tussen 1500 en 1900, 1998.


1.3 Economische ontwikkelingen

12 Gebruik W16 en W17

19

13 Lees de deelvraag en vat samen

a Geef met behulp van bron W17 één belangrijke verklaring voor de sterke toename van de in de haven van Rotterdam aangevoerde tonnages, zoals vermeld in bron W16.

De deelvraag bij deze paragraaf luidt: Welke veranderingen deden zich in de negentiende eeuw voor op het gebied van de landbouw, industrie en handel in Nederland? a Beschrijf voor elk genoemd onderdeel van de economie twee belangrijke veranderingen. Landbouw:

b Geef met behulp van bron W17 één belangrijke verklaring voor de sterke toename van de in de haven van Amsterdam aangevoerde tonnages, zoals vermeld in bron W16. Industrie:

Handel: c Geef met behulp van bron W17 een verklaring voor het achterblijven van Amsterdam ten opzichte van Rotterdam.

b Noem drie voorbeelden van veranderingen in de ene sector die gevolgen hadden voor een andere sector in de economie. 1 Den Helder

Kanalen aangelegd in de periode voor 1840 1840 - 1914 na 1914 natuurlijke waterwegen

2

1824

Alkmaar

No

ord

-Ho kan lland s aal

3

1876 Noord ze kanaa el

IJmuiden

1872 N Wa ieu ter we we g ns l r o a Vo ana k 1829

m-Rijnkanaa l da er t s Am Lek

Rotterdam

Merwede kanaal

1893

1845

Ri jn ka -Sc na hie al -

Rin

gva a

rt

Amsterdam

Ou d e Ma as 0

Tips voor de toets

1952

1892

Waa l 25

1 : 2.000.000

Bron W17  Kanalen in West-Nederland.

Begrippen: transitohandel Opdrachten: 2ab, 3ab, 6ab, 7ab, 13ab

Utrecht

50 km

Kennis: Begrip: Toepassing:

1, 2a, 5a, 6a, 13a 2b, 3a, 6b, 9ab, 11, 12c 3b, 4, 5b, 6c, 7ab, 8, 10, 12ab, 13b


20

1 Nederland 1813-1900

1 1

4

Sociale verhoudingen

Weet je het nog?

In de beginfase van de Industriële Revolutie waren de werk- en leefomstandigheden van de arbeiders slecht. a Noem drie voorbeelden van slechte werkomstandigheden.

b Noem drie voorbeelden van slechte woonomstandigheden.

b Noem van beide andere bronnen een reden waarom de betrouwbaarheid daarvan minder groot is.

c Noem drie voorbeelden van milieuverontreiniging die in de snel groeiende industriesteden veelvuldig voorkwamen.

d Waarom konden al deze misstanden zo lang blijven voortbestaan? Betrek in je antwoord ook de rol van de overheid.

2

Gebruik bron 26

Welke drie oorzaken worden in deze bron genoemd voor de armoede van ‘de Huipen’?

3

Gebruik bron 26, 28 en 29 Je oefent: betrouwbaarheid van bronnen

a Van welke van deze drie bronnen is de betrouwbaarheid het grootst? Licht je keuze kort toe.

Bruikbare bronnen Om het verleden goed te doorgronden en correct te beschrijven, moet je vragen stellen. Voor de beantwoording van de vragen gebruik je bronnen. Als een bron een bijdrage levert aan een juist antwoord op de vraag, dan heb je te maken met een bruikbare bron. Of een bron bruikbaar is hangt dus af van de vraag die je gesteld hebt. 4

Gebruik bron W18 Je oefent: bruikbaarheid van bronnen

a Voor welke onderzoeksvraag levert bron W18 bruikbare informatie?


1.4 Sociale verhoudingen

Onderzoeksvragen: 1 Wat voor voedsel kwam er bij de arbeidende klasse in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw op tafel? 2 Welke verschuivingen in het voedselpakket deden zich in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw voor? 3 Bestonden er in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw regionale verschillen in de samenstelling van het voedselpakket? 4 Kreeg de Nederlandse bevolking in de eerste helft van de negentiende eeuw voldoende calorieën binnen om volwaardig te kunnen functioneren? 5 Kwamen er in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw verschillen tussen mannen en vrouwen voor bij de samenstelling van het dagelijkse menu? b Stel, je doet onderzoek naar de voedselvoorziening in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw. Je komt deze bron op het spoor. Maar je bent nog niet helemaal tevreden.

5

21

Gebruik bron W18

a Bij het aandachtig bestuderen van de cijfers kun je een driedeling aanbrengen. Groepeer de rijen in deze tabel zodanig dat er drie groepen ontstaan. Geef deze drie groepen ieder een verzamelnaam.

b Beschrijf voor deze drie groepen telkens in één zin de ontwikkeling die met betrekking tot de jaarlijkse consumptie van broodgranen en vlees onderscheiden kan worden.

Bron W18  Jaarlijkse consumptie van broodgranen en vlees in aantal calorieën per dag, per hoofd van de bevolking.

1807-1808 1834-1837

1852-1855

Noord-Holland

1007

906

861

Zuid-Holland

1017

970

1001

Utrecht

1202

898

935

Friesland

884

801

842

Groningen

709

810

847

Drenthe

847

1013

1054

Overijssel

582

927

970

Gelderland

777

1071

1159

Noord-Brabant

925

1247

1210

Nederland*

890

968

1010

6

Gebruik bron 29

a Beschreef J. Penn een woning die door fabrieksarbeiders bewoond werd? Licht je keuze kort toe.

* exclusief Zeeland en Limburg Ontleend aan: J.L. van Zanden, Lonen en arbeidsmarkt in Amsterdam, 18001865, 1983.

Wat voor gegevens zou je aan deze bron willen toevoegen om deze nog beter bruikbaar te maken voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag?

b Op welke bedreiging van de volksgezondheid legde J. Penn de nadruk?

Representativiteit van bronnen Je moet je afvragen of een bron een uitspraak doet over één persoon of een situatie, of dat de informatie geldt voor een grote groep of zelfs de gehele bevolking. Als dat laatste het geval is, dan vinden wij de bron representatief. Een bron die een uitspraak doet voor het grootste deel van de groep mensen waarover je een vraag gesteld hebt, heeft een grote representativiteit.


22

7

1 Nederland 1813-1900

Gebruik bron 30 Je oefent: representativiteit van bronnen

a Stel: je doet onderzoek naar de huisvesting in Nederland tussen 1850 en 1920. Je vindt deze foto, maar je besluit om deze niet te gebruiken omdat je deze niet voldoende representatief vindt. Noem twee redenen waarom je tot deze keuze komt.

b Daarna ontdek je tijdens je onderzoek dat deze foto door G.H. Breitner is gemaakt. Dit was een vooraanstaande kunstschilder. Hij maakte in de loop der jaren duizenden foto’s van het Amsterdamse straatleven. Deze foto’s dienden als studiemateriaal voor zijn schilderijen. Er zijn voorbeelden bekend van schilderijen die vrijwel identiek zijn nageschilderd aan de hand van foto’s. Dit gegeven is voor jou een bevestiging dat je de juiste beslissing hebt genomen om deze foto niet te gebruiken. Noem hiervoor de belangrijkste reden.

tien tot twaalf jaar in fabrieken te laten werken als zij maar niet langer dan zes uren werkten (en niet tussen acht uur in de avond en zes uur in de ochtend). a Leg in eigen woorden uit waarom het ‘Kinderwetje’ weinig invloed had op de omvang van de kinderarbeid.

b Leg uit waarom de invoering van de leerplichtwet veel effectiever was bij het terugdringen van de kinderarbeid.

10 Lees de deelvraag en vat samen

8

Lees: De sociale kwestie

a Het ‘Kinderwetje’ van Van Houten was een ‘initiatiefwet’. Zoek op wat een initiatiefwet is.

b Wat zegt het over het politieke klimaat in Nederland dat er voor de regeling van de sociale kwestie een initiatiefwet nodig was?

Streep van de cursief gedrukte passages telkens het onjuiste gedeelte door. In het begin van de negentiende eeuw waren de verschillen op sociaal gebied klein / groot. Bij de lagere / hoge sociale groepen was door het gebrek aan voldoende werkgelegenheid veel armoede / welvaart. De houding van de elite ten opzichte van de arbeidersklasse was stimulerend / neerbuigend. In de eerste / tweede helft van de negentiende eeuw veranderde deze houding. Een deel van de burgerij (vooral zij die stinkend rijk waren / gestudeerd hadden) nam het op voor de sociaal zwakken / sterken. Zij brachten de economische successen / sociale misstanden onder de aandacht. Tot de belangrijkste woordvoerders van de sociale kwestie behoorden fabrikanten en kooplieden / artsen, dominees en priesters. Zij behaalden bescheiden / klinkende successen, waardoor er op dit gebied veel / weinig veranderde. Een van de eerste verbeteringen had betrekking op de kinderarbeid / huisvesting. De echte veranderingen werden pas in de twintigste / eenentwintigste eeuw doorgevoerd. Tips voor de toets Begrippen: sociale kwestie, Kinderwetje, sociale wetgeving Opdrachten: 1, 4ab, 6, 8ab, 9ab, 10

9

Lees: De sociale kwestie

Mr. Samuel van Houten diende zijn wetsvoorstel in met de bedoeling ‘overmatige arbeid en verwaarlozing van kinderen’ tegen te gaan. In artikel 1 werd bepaald dat het verboden werd om kinderen beneden twaalf jaren in dienst te nemen of te hebben. In artikel 2 werden enkele uitzonderingen genoemd. Zo kon de burgemeester vergunning verlenen om jongens van

Kennis: Begrip: Toepassing: Analyse:

1abc, 2, 8a, 10 1d, 6a, 9ab 3b, 5b, 7b, 8b 3a, 4ab, 5a, 6b, 7a


23

1.5 Afsluiting

5

1 1

Afsluiting

Gebruik bron W19 en W20 Je oefent: plaatsen in de tijd

a Geef een karakteristiek van de omvang en ligging van het spoorwegnet in 1860.

b In welke opzichten was de situatie met betrekking tot het spoorwegnet in 1890 veranderd?

c Doe met behulp van deze bronnen een uitspraak over de doorbraak van de modernisering in Nederland.

Spoorwegnet 1860

Hollandse IJzeren Spoorweg-Mij Nederlandsche Rhijnspoorweg-Mij Antwerpen-Rotterdamsche Spoorweg-Mij Aken-Maastrichtse Spoorweg-Mij Overige buitenlandse spoorwegmaatschappijen

Leeuwarden

Groningen

Groningen

Leeuwarden Harlingen 1863

Assen

Den Helder

Assen 1868

1865

Zwolle Haarlem 1839 Amsterdam 1842 Leiden 1843 Utrecht 1845 ’s-Gravenhage 1843 1855 1847 Gouda Arnhem Rotterdam

Middelburg

1855 Breda Roosendaal

1856

Den Bosch

1854

Hasselt 1856 Maastricht Bron W19  Het spoorwegnet in Nederland in 1860.

1853

1867 Haarlem

1878

1870 Hoogeveen

Meppel Alkmaar

1868

1865 Kampen

Zwolle Almelo 1865 1866 Hengelo Apeldoorn 1865 Leiden Enschede 1876 1878 Amersfoort 1870 ’s-Gravenhage Zutphen1878 Winterswijk Utrecht Arnhem Gouda 1870 1879 Rotterdam Dordrecht Nijmegen 1872 1865 Boxtel 1873 1863 Middelburg Breda 1866 Roosendaal Tilburg 1868 Vlissingen Venlo Eindhoven 1867 1879 Roermond 1866 1865 Hasselt

Aken

Amsterdam

1863

Maastricht Spoorwegnet 1880

Hollandse IJzeren Spoorweg-Mij Nederlandsche Rhijnspoorweg-Mij Grand Central Belge (inclusief voormalige Aken-Maastrichtse en Antwerpen-Rotterdamsche) Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Mij Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen Noord-Brabantsch-Duitsche Spoorweg-Mij Overige buitenlandse spoorwegmaatschappijen Bron W20  Het spoorwegnet in Nederland in 1880.

Aken


24

1 Nederland 1813-1900

d Bestudeer de legenda bij bron W19 en W20. Wat valt je daarbij op?

e De spoorwegen zijn in Nederland pas aangelegd na de regeerperiode van Koning Willem I. Hoe zou, als het aan Koning Willem I had gelegen, de legenda bij beide kaartjes eruit hebben gezien?

2

Vat paragraaf 1.1 samen

Vul de kruiswoordpuzzel in. Indien van toepassing: gebruik geen spaties.

Horizontaal 2 In deze stad begon de Belgische Opstand. 4 In de ogen van Engeland moest het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden deze functie vervullen. 5 Het begin van de schermutselingen bij de Belgische Opstand vond plaats in een .... 6 Deze groep had in de Zuidelijke Nederlanden nog veel invloed. 7 Op dit beleidsterrein concentreerde Koning Willem I zijn aandacht. 9 Een van de bijnamen van Koning Willem I. 10 Hierin waren de spelregels van de manier van regeren van Koning Willem I vastgelegd. 11 Een kenmerk van de stijl van regeren van Koning Willem I. Verticaal 1 De volledige voornaam van de latere Koning Willem I. 3 De meeste inwoners in het noorden waren protestants en in het zuiden .... 5 In deze plaats keerde de prins van Oranje terug in Nederland. 8 Het hoofddoel van Koning Willem I was om Noord en Zuid om te vormen tot een ....

Kruiswoordpuzzel opdracht 2 1

2 3 4 5

6

7 8

9

10

11


1.5 Afsluiting

25

Bron W21

‘Ik liep naar de Dam en was verbaasd om hier een grote menigte te zien. Na enige tijd werd de vlag met een oranje lint gehesen. Het geschreeuw van ‘Oranje Boven’ weergalmde. Ik kan niet ontkennen dat die geliefde vlag mij verrukte, toen ik haar weer voor het eerst zag golven. Niets evenaarde het genoegen ruimer adem te kunnen halen, nu we ontslagen zijn van het Franse juk. Eindelijk kunnen we de verdelgers van het vaderland bij hun werkelijke naam noemen, daar zij ons als bloedhonden hebben geregeerd. Alles was van oranje voorzien. Overal hoorde men op de Fransen schimpen. Op de kleren van de minste bedelaar zag men oranje linten. Een nieuw volk scheen verrezen te zijn. Waar men pas geleden slechts het zuchtend gemor van slaven hoorde, heerste nu de juichtoon van de vrijheid.’ Naar: W. de Clerq, Dagboek in woelige weken, 1988.

3

Pas je kennis toe Gebruik bron W21

a Wanneer is deze tekst geschreven? Je hebt de keuze uit: 1813, 1815, 1830 of 1839. Licht je keuze kort toe.

b Bedenk een onderzoeksvraag waarvoor deze bron bruikbare informatie verschaft.

c Geeft de schrijver van deze bron vooral feiten of meningen? Licht je keuze met twee voorbeelden toe.

4

Vat paragraaf 1.2 samen

Hieronder volgen in willekeurige volgorde acht zinnen die samen een goede samenvatting van paragraaf 2 vormen. a Streep in elke zin van de cursief gedrukte woorden de foute mogelijkheden door. 1 In het eerste / laatste kwart van de negentiende eeuw breidden de Nederlanders hun politieke en militaire invloed met behulp van het KNIL op Java / in de buitengewesten sterk uit. 2 In ruil voor het plantloon / batig slot verbouwden de Javaanse boeren vooral exportgewassen / rijst en graan die bestemd waren voor de inlandse / Nederlandse markt. 3 Met steun van Nederlandse bestuursambtenaren / inlandse edelen kwam prins Diponegoro in opstand en begon de Javaoorlog / Atjeh-oorlog. 4 Multatuli schreef in 1860 / 1890 zijn boek (‘Max Havelaar’) als aanklacht tegen / verheerlijking van het Cultuurstelsel / de Ethische Politiek. 5 Na de invoering van het Cultuurstelsel/ de Agrarische Wet werden vanaf 1870 / 1890 op grote plantages vooral exportgewassen verbouwd, zoals koffie en tabak / rijst en graan. 6 Na de Napoleontische oorlogen kwamen de gebieden in ‘de Oost’ in het bezit van de VOC / De Nederlandse staat. 7 Omdat de Nederlandse regering niet tevreden was met de winst / het verlies van 40 miljoen gulden werd het Cultuurstelsel afgeschaft / ingevoerd. 8 Vanaf 1870 / 1900 had de Nederlandse overheid ook meer oog voor de culturele / economische taak om de Indische bevolking op de voeden tot beschaafde christelijke / islamitische landgenoten. b Plaats deze zinnen in de juiste chronologische volgorde. Noteer alleen de nummers.

Bron W22

d De schrijver van deze bron ziet de toekomst hoopvol tegemoet. Hoe zal zijn oordeel een kwart eeuw later hebben geklonken? Geef in een zin aan hoe zijn vermoedelijke oordeel zou hebben geklonken.

De gouverneur-generaal (de hoogste bestuursambtenaar) sprak de volgende woorden: ‘Indië is een Nederlands wingewest. De bevolking aldaar moet billijk en rechtvaardig bestuurd worden. Daarmee bedoel ik: men moet geen inbreuk maken op haar huishoudelijke en godsdienstige bezigheden, haar tegen alle mishandelingen beschermen en haar zoveel mogelijk volgens de eigen principes en gewoonten besturen. Maar voor het overige moeten de belangen van deze landen geheel ondergeschikt zijn aan die van het Moederland.’ 5

Pas je kennis toe Gebruik bron W22

Sprak de gouverneur-generaal deze woorden naar aanleiding van de invoering van: 1 het Cultuurstelsel, of, 2 de Agrarische Wet, of, 3 de Ethische Politiek? Licht je antwoord toe.


26

1 Nederland 1813-1900

f Vat in een zin samen wat er gedurende de negentiende eeuw met betrekking tot de Nederlandse handel veranderde.

6

Vat paragraaf 1.3 samen

a Vat in een zin samen wat kenmerkend was voor de situatie in de Nederlandse landbouw aan het begin van de negentiende eeuw.

b Vat in een zin samen wat er gedurende de negentiende eeuw met betrekking tot de Nederlandse landbouw veranderde. Bron W23  Foto genomen in een schoenfabriek. in het begin van de twintigste eeuw.

7 c Vat in een zin samen wat kenmerkend was voor de situatie in de Nederlandse industrie aan het begin van de negentiende eeuw.

d Vat in een zin samen wat er gedurende de negentiende eeuw met betrekking tot de Nederlandse industrie veranderde.

e Vat in een zin samen wat kenmerkend was voor de situatie in de Nederlandse handel aan het begin van de negentiende eeuw.

Pas je kennis toe Gebruik: bron W23

a Is hier sprake van huisnijverheid of van industrie?

b Waaruit kun je dat opmaken? Kies drie antwoorden die samen een verklaring voor het bij vraag 7a gegeven antwoord bieden. Noteer alleen de nummers.

Mogelijke antwoorden: 1 Er wordt in een werkplaats aan huis gewerkt. 2 De machines worden via drijfriemen aangedreven; deze worden weer door een stoommachine in beweging gebracht. 3 Er worden alleen schoenen op bestelling gemaakt. 4 De schoenmakers werken in een grote fabriekshal. 5 Er wordt alleen met eenvoudige werktuigen gewerkt. 6 Er wordt gelijktijdig aan veel verschillende producten gewerkt. 7 Er is slechts een schoenmaker met twee knechten aan het werk. 8 De machines worden met behulp van spierkracht in beweging gebracht. 9 Er zijn veel verschillende arbeiders aan het werk die ieder een klein deel van het hele productieproces uitvoeren.


27

1.5 Afsluiting

8

Vat paragraaf 1.4 samen

9

Vul in deze tekst woorden in zodat er inhoudelijk correcte goedlopende zinnen ontstaan.

a Is de huisvader op deze prent een voorstander van sociale wetgeving? Leg je antwoord zo genuanceerd mogelijk uit.

In het begin van de negentiende eeuw was er vooral in de 1

Pas je kennis toe Gebruik: bron W24

sprake van sociale

onrust. De belangrijkste oorzaak daarvan was het gebrek aan 2 Tussen de verschillende sociale groepen was er vaak sprake van wederzijds 3 In de industriesteden speelden dezelfde problemen als in andere landen: lage 4 5

en lange Een andere

sociale misstand was het op grote schaal toepassen van 6

.

Op dit terrein kwam de eerste sociale wet tot stand: 7 Door deze wet werd het probleem niet volledig opgelost. Dat gebeurde pas met de invoering van de 8

b De minister op deze tekening (de man met hoge hoed, uiterst rechts) was Hendrik Goeman Borgesius. Hij was van 1897 tot 1901 Minister van Binnenlandse Zaken. Zoek op welke belangrijke wetten tijdens zijn ministerschap tot stand kwamen.

.

c Deze tekening heeft betrekking op een van deze door Goeman Borgesius ingediende wetten. Welke wet is dat en op welke wijze levert de tekenaar, Joh. Braakensiek, daarop kritiek?

Bron W24  ‘Leerplicht vóór een nieuwe Armenwet.’ In 1899 verscheen deze prent van Joh. Braakensiek. Een huisvader geeft de Minister een wijze raad: ‘Eerst kleeren en brood, mijnheer!’

Tips voor de toets Opdrachten: 1a, 2, 4ab, 6abcdef, 8 Kennis: Begrip: Toepassing: Analyse:

1a, 2, 4ab, 6ace, 8, 9b 1d, 6bdf, 7a, 9a 1c, 3bcd, 5, 7b, 9c 1be, 3a


Geschiedenis voor de onderbouw Werkboek 3 havo

Feniks, geschiedenis voor de onderbouw van havo en vwo

Geschiedenis voor de onderbouw Werkboek 3 havo


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Feniks 3havo werkboek by ThiemeMeulenhoff - Issuu