HAVO
ldVoorbee en k k u t s d f hoo
Tijdvakken en historische contexten 4/5 HAVO Naam Klas
Inhoud
Tijdvakken
Geschiedenis indelen
1 2 3
4 Tijd van steden en staten (1000-1500) 2
5 6 7 8 9 10
Tijd van jagers en boeren Tijd van Grieken en Romeinen Tijd van monniken en ridders
Oriëntatie 2 4.1 Opbloei en macht van de stad 4 4.2 Staten ontstaan 11 4.3 De paus en de kruistochten 15 Afsluiting 20
Tijd van ontdekkers en hervormers Tijd van regenten en vorsten Tijd van pruiken en revoluties Tijd van burgers en stoommachines Tijd van wereldoorlogen Tijd van televisie en computer
Historische contexten
1 Het Britse Rijk (1585-1900) 22
2 Duitsland in Europa (1918-1991) 58
3
Oriëntatie 22 1.1 Nieuwe samenlevingen 25 1.2 India als trots van het Britse Rijk 36 1.3 Het Britse Rijk als economische wereldmacht 45 Afsluiting 54 Examentraining 56
Oriëntatie 58 2.1 Duitsland: van de Eerste naar de Tweede Wereldoorlog 61 2.2 Duitsland in de Koude Oorlog 75 2.3 Toenadering, hereniging en integratie 87 Afsluiting 93 Examentraining 95 Nederland 1948-2008
Dit betreft tijdelijk materiaal, zetfouten voorbehouden. Het complete boek en de digitale variant hiervan (Tijdvakken en Historische contexten) verschijnen in juni 2019. Houd onze website in de gaten voor meer informatie en actuele verschijningsdata.
2
4
Tijd van steden en staten 1000-1500
13 14 15 16 17
Kenmerkende aspecten
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden. Het begin van staatsvorming en centralisatie. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van kruistochten.
3000 v. Chr.
1 voor Chr.
Prehistorie
500 na Chr.
Oudheid
3
Oriëntatie
bron 1
Middeleeuwse teksten werden vaak prachtig versierd. Zulke versieringen heten miniaturen. Deze Franse miniatuur uit 1422 komt uit Le quadrilogue invectif, een scheldpartij tussen de drie standen en een vrouw die Frankrijk symboliseert. De standen geven elkaar de schuld van de ellende waarmee arme mensen te maken hebben. De miniatuur laat zien hoe het óók kan: de standen doen waar ze goed in zijn, zonder anderen daarmee te benadelen.
Honderd jaren oorlog De miniatuur van bron 1 laat zien hoe goed Frankrijk zou kunnen functioneren. Een rechtvaardige koning bestuurt samen met de adel het land en zorgt voor veiligheid. De geestelijkheid zorgt ervoor dat de zielen van de Fransen in de hemel komen. De boer haalt een grote oogst binnen, die de gehele bevolking kan voeden. In de steden worden mooie producten gemaakt (nijverheid) en deze worden goed verkocht (handel). De realiteit van de veertiende eeuw was echter geheel anders. Meer dan honderd jaar heerste er oorlog tussen Frankrijk en Engeland (1337-1453). Belangen van koningen en hoge edelen waren inzet van een wrede strijd. Gewone mensen waren de dupe. De inwoners van steden leden onder belegeringen, plunderingen en hoge belastingen. Soldaten beroofden handelaren en vernielden de oogst. Boeren moesten hun gegijzelde vrouwen en dochters vrijkopen van moorddadige soldaten. Dorpen gingen in vlammen op. Vlaanderen
Engeland
bron 2
Artesië Ponthieu Crécy
l Het Kanaa
Picardië
Rouen Caen
Barfleur
Normandië Bretagne
Maine
Malestroit
Anjou
(1343)
Valois
Bourgondië Nevers
Atla n
tische
Oceaan
Tours
Maupertuis
La Marche
Bordeaux
Gyenne
Agenais
Aiguillon
Gasgogne
50
100 km
Berry Bourbon
(1345)
Armagnac
Béarn Bigorre
Auch Toulouse
Vienne
Dauphine
Valentinois Gevaudan
Rouergue
Embrun
Languedoc
Comminges Foix
Soldaten plunderen een veroverde stad. Frans miniatuur uit het einde van de vijftiende eeuw.
In de Tijd van steden en staten groeide de bevolking van Europa sterk. Dat kwam doordat de landbouw meer voedsel opleverde. De betere landbouwmethodes zorgden ook dat niet iedereen meer boer hoefde te zijn. Daarom gingen steeds meer mensen zich bezighouden met handel of nijverheid. Oude, vervallen steden kwamen weer tot bloei en er kwamen nieuwe steden bij. Er kwam steeds meer geld in omloop en veel stedelingen werden rijk. Voor koningen en edelen was die rijkdom een bron van belastinginkomsten. Maar de stedelingen wilden alleen belasting betalen als ze in ruil daarvoor macht en invloed kregen.
Savoye
Forez
Lyon Saintonge Limousin Aquitanië Auvergne Périgord Auberoche
(1346)
0
Bourges
Poitiers
(1356)
Poitou
Heilige Roomse Rijk
Reims Parijs Champagne Poissy Brétigny (1360) Sens Orléans Blois
bron 3
Aix Arles Provence Narbonne
gebied waar de Engelse koning de macht had gebied waar de Franse koning de macht had
De koningen vergrootten tijdens oorlogen hun grondgebied en bestuurden dit steeds meer vanuit een hoofdstad. Ambtenaren stelden wetten op die voor de bevolking van het hele land golden. Zowel de stedelingen als de koningen kregen dus meer macht en dat botste nogal eens! Ook de machtspositie van edelen en van de Kerk veranderde. Deze veranderende machtsverhoudingen zijn het belangrijkste onderwerp van dit hoofdstuk.
gebied waar familieleden van de Franse koning de macht hadden gebied waarvan leenmannen van de Franse koning de macht hadden gebied waar de Franse en Engelse koning geen macht hadden grens van het koninkrijk Frankrijk in 1360 Franse lenen van Edward III bij zijn troonsbestijging in 1327
bron 2
Frankrijk in de veertiende eeuw.
1000
Middeleeuwen
1500
1600
1700
Vroegmoderne tijd
1800
1900 1950
heden
Moderne tijd
4.1 Opbloei en macht van de stad 13 14
bron 4
Kenmerkende aspecten
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
Glas-in-lood-raam in de kerk van Semur-en-Auxois, waarop verschillende bewerkingen van textiel zijn afgebeeld.
Textielproductie Twee mannen zitten aan een breed weefgetouw en weven een wollen laken. Daarna komt de voller. Hij vervilt het laken door het in een kuip met kalkwater en urine onder te dompelen: vies werk. Na het verven wordt het laken gecontroleerd op gaatjes en vervolgens ruwer gemaakt, door het te borstelen. Tenslotte scheert de scheerder het laken zo glad mogelijk. Hij moet erg voorzichtig werken en is een belangrijke specialist. In veel steden was de vervaardiging van textiel een zeer omvangrijke economische bezigheid. De lakenproducenten in de Franse stad Semus-en-Auxois lieten in de kerk een glas-in-lood-raam plaatsen, waarop de werkzaamheden die te maken hebben met textielproductie, zijn uitgebeeld.
Bevolkingsgroei Vanaf het einde van de Vroege Middeleeuwen werden met name in Vlaanderen woeste gronden geschikt gemaakt voor landbouw. Vaak gebeurde dat omdat een edelman of een klooster daar opdracht toe gaf. Zo nam de hoeveelheid land-
In de Tijd van monniken en ridders was er nog nauwelijks gespecialiseerde textielnijverheid. Elk dorp, vaak zelfs elk gezin, produceerde zelf het voedsel en de kleding die men nodig had. De bevolking groeide maar langzaam. In de Tijd van steden en staten groeide de voedselproductie door ontginningen (het geschikt maken van grond voor landbouw) en door landbouwtechnische vernieuwingen. Dankzij de groeiende voedselproductie hoefde niet iedereen nog boer te zijn. Een deel van de mensen ging zich toeleggen op het produceren of verhandelen van goederen, zoals textiel. Dit proces en de gevolgen ervan worden in deze paragraaf uitgelegd.
bron 5
Monniken bij hun werk op het land. Miniatuur uit de veertiende eeuw.
5
4.1 Opbloei en macht van de stad
In 1157 kregen zeven horigen grond om te ontginnen: ‘Wij hebben ontginningsland in Breust in wettig en erfelijk bezit gegeven aan onze horigen Ludowicus, Helewidis, Godefridus, Winandus, Adelardus, Heimon, Wilnegildis, voor een-en-twintig schellingen en drie penningen, elk jaar op het feest van Sint Remigius te betalen. Dat is de helft van de vroegere grondbelasting. Zij hoeven voor niemand meer diensten te verrichten.’ Uit: Privilege van de Sint-Servaaskerk en de Onze-Lieve-Vrouwekerk in
Friese Landen Groningen
ze e
Leeuwarden
ord
Sticht
No
bouwgrond toe. Naast de ontginningen zorgden ook enkele veranderingen in de landbouw voor toenemende opbrengsten. Zo vervingen de boeren de eenvoudige ploeg die de grond alleen omwoelde door een zware ploeg met wielen die de grond echt omkeerde. In plaats van ossen spanden de boeren paarden voor de ploeg. Paarden zijn gehoorzamer en houden het zware werk langer vol. Door effectiever te bemesten raakte de grond minder snel uitgeput. Daardoor konden de boeren de grond intensiever gebruiken. Zij konden elk jaar twee derde van de akkers inzaaien, in plaats van de helft. In het miniatuur van bron 5 zijn veel van deze veranderingen terug te zien. De bomen in het miniatuur symboliseren de bossen die de monniken moeten kappen om de grond als akker in gebruik te kunnen nemen. De paarden voor de ploeg doen het zwaarste werk. De nonnen hebben de schop al in de hand voor het ontginningswerk. Rechts past een schaapherder op een kudde. Op de natte, vruchtbare grond aan de kust groeit veel voer voor de schapen. De monniken zullen deze vochtige kleigrond spoedig indijken om er vruchtbaar akkerland van te maken. Deze vernieuwingen in de landbouw, de ontginningen en de bevolkingsgroei vonden in de Nederlanden het eerst in Vlaanderen plaats. Vanuit Vlaanderen breidden de ontginningen zich in de elfde en twaalfde eeuw uit naar het noorden en vervolgens naar het oosten. Ook in Noord-Italië kwam er in dezelfde periode landbouwgrond bij door ontginningen. Daardoor groeide ook daar de bevolking sterk.
Zwolle Amsterdam Gelre Sticht Utrecht Arnhem
Holland Delft
Kleef
Zeeland Breda Brabant Brugge Vlaanderen
Gent
Antwerpen Loon
Gulik
Brussel Rijsel
Luik
Limburg
Namen
Artesië
Henegouwen
Luxemburg Luxemburg
0
25
bron 7
50 km
De Nederlanden omstreeks 1300.
bijvoorbeeld textiel of aardewerk. Deze specialisten in een ambacht gingen wonen op een plek waar veel mensen kwamen en waar zijzelf en hun voorraden veilig waren. Bestaande stadjes werden hierdoor groter en bij knooppunten van handelsroutes en bij burchten ontstonden nieuwe steden. De hoeveelheid handel en nijverheid nam steeds verder toe, net als de omvang van de steden. De maatschappij veranderde van een landbouwsamenleving in een landbouw-stedelijke samenleving.
Maastricht (1157).
bron 6
Handel en nijverheid In de vroege Middeleeuwen was elk dorp vrijwel geheel autarkisch. De boeren werkten op de akkers en zorgden voor voedsel. Elk huishouden maakte zelf huisraad en kleding. Een smid maakte gereedschappen. De toename van de voedselproductie en de bevolkingsgroei legden in Vlaanderen en in NoordItalië de basis voor grote economische veranderingen. Niet iedereen hoefde meer in de voedselproductie te werken. Wie daar handig in was, specialiseerde zich in de productie van
Gent en Brugge De vruchtbare Vlaamse akkers leverden veel graan. Maar er waren in Vlaanderen ook moerassige gebieden en daar hielden de boeren al eeuwenlang schapen. De wolproductie zorgde voor een bloeiende textielnijverheid. In Vlaamse steden, zoals Gent, Brugge, Ieper en Atrecht, produceerden ambachtslieden laken (een stof van wol) van hoge kwaliteit. In de steden verkochten de boeren van het omliggende platteland niet alleen wol, maar ook graan en vee. Met de opbrengst daarvan kochten ze producten voor hun huishouden en hun boerenbedrijf. Zo kregen steden een marktfunctie voor de hele regio.
6
4 Tijd van steden en staten
In de elfde eeuw kwam de wol voor de Vlaamse textiel nijverheid van Vlaamse schapen. Maar de ambachtslieden produceerden steeds meer wollen lakens. Daardoor moest ook wol uit Engeland worden ingevoerd. De meeste Engelse wol kwam aan in Brugge, toen de belangrijkste havenstad van Vlaanderen.
De Hanze Handelaren organiseerden zich steeds vaker in koopmans gilden. Ze gingen samenwerken om elkaar bij te staan op reis en om het nodige kapitaal voor handelsreizen bijeen te krijgen. Het organiseren van een Hanze was een volgende stap in die samenwerking. In de Hanze van Londen organiseerden zich Vlaamse handelaren die in Londen wol inkochten voor de Vlaamse textielnijverheid. Van de grootste Hanze waren vele tientallen handelssteden aan de Oostzee en Noordzee lid. De steden die in een Hanze samenwerkten, gaven elkaars handelaren bescherming en allerlei handelsvoorrechten.
Interregionale handel Net als in Vlaanderen werd in Noord-Italië veel textiel geproduceerd. Bovendien kochten handelaren uit de NoordItaliaanse steden Venetië en Genua in het oostelijk deel van de Middellandse Zee luxeproducten uit Azië, zoals zijde en specerijen, en brachten die onder andere naar NoordFrankrijk. Daar werden jaarmarkten georganiseerd. Deze vormden in de dertiende eeuw het hoogtepunt van de interregionale handel, omdat er producten uit verschillende gebieden, zoals de Hanzesteden, Vlaanderen en het Middellandse Zeegebied, werden verhandeld. In de veertiende eeuw werden de jaarmarkten minder belangrijk. Oorlogsgeweld maakte Noord-Frankrijk onveilig. Hoge belastingen, opgelegd door de Franse koning, verminderden de winsten. Bovendien voeren Italiaanse handelaren uit Venetië en Genua nu ook direct per schip naar Brugge. De handel over zee werd steeds belangrijker. Zoals Genua en Venetië Azië aan Europa koppelde, zo vormde Brugge de schakel tussen de Hanze en Zuid-Europa. In de vijftiende eeuw konden schepen Brugge steeds moeilijker bereiken doordat het water tussen de stad en de open zee verzandde. Antwerpen nam de havenfunctie van Brugge over en groeide in de zestiende eeuw uit tot de belangrijkste handelsstad van de Nederlanden.
bron 8
Schepen leggen aan in Hamburg. Kranen brengen vaten wijn uit Frankrijk op de kade. De schepen vervoeren graan naar het zuiden. Handelaren controleren de kwaliteit van de waren en onderhandelen over de prijs. Duits miniatuur uit de dertiende eeuw.
Stadsstichtingen Edelen bevorderden de groei van steden in hun gebied. Als een stad dankzij nijverheid of handel rijk werd, leverde hen dat namelijk veel belastinginkomsten op. Daarom stichtten de edelen steden en gaven ze extra vrijheden aan dorpen die tot marktplaats waren uitgegroeid. Daarmee wilden ze bereiken dat zich daar ambachtslieden en handelaren vestigden. Zo profiteerde hun hertogdom of graafschap van handel en nijverheid. Een versterkte stad met trouwe burgers kon bovendien helpen het grondgebied te verdedigen. Zulke vrijheden en voorrechten lokten veel mensen aan, ook vanaf het platteland. Doordat horigen van het platteland naar de stad vertrokken, dreigde een tekort aan horigen op de domeinen. De adel kon dit alleen voorkomen door ook voor de horigen de belastingen te verlagen en de verplichtingen te verminderen. Zo zorgde de opkomst van de steden voor meer vrijheid voor de bevolking, zowel in de steden als op het platteland.
7
4.1 Opbloei en macht van de stad
Stadsbestuur
Conrad, hertog van Zwaben, stichtte de marktplaats Freiburg (Duitsland): ‘Het dient aan iedereen, nu en in de toekomst, bekend te zijn dat ik de kooplieden uit de omgeving heb samengeroepen. 1 Ik heb een markt opgericht en aan die markt iedere koopman een stuk grond gegeven om er een huis te bouwen. Voor dat stuk grond moet de eigenaar elk jaar grondbelasting betalen. 2 Ik garandeer ieder die naar de markt komt bescherming en veiligheid. Als iemand op de markt beroofd wordt, dan krijgt hij schadevergoeding. 3 Als een van mijn burgers sterft, zullen zijn vrouw en zijn kinderen alles erven wat hij bezit. 4 De kooplieden van de marktplaats hoeven geen tol te betalen. 5 De burgers van de stad mogen hun eigen priester en hun eigen plaatselijke beschermheer kiezen.’
De burgers, ook stedelingen genoemd, gebruikten hun financiële positie om invloed op rechtspraak en bestuur van hun stad te krijgen. In ruil voor de belastingen aan de graaf of hertog, of in ruil voor leningen als hij in financiële problemen zat, eisten ze stadsrechten. Door die privileges mocht de Vlaamse graaf in de Vlaamse steden niet meer rechtspreken. De stadsrechten verplichtten hem patriciërs, rijke burgers met grond en huizen in de stad, als schepenen (rechters) aan te wijzen. De burgers hadden dankzij hun privileges meer invloed op het bestuur van de stad dan de boeren in de dorpen. Daar bleef het bestuur in handen van de adel.
Spanningen in de stad Wie eenmaal schepen was, bleef dat tot zijn dood. Het stadsbestuur kwam zo in handen van een kleine groep patriciërs die soms de macht misbruikte. Armere burgers moesten in verhouding veel belasting betalen en werden meestal zwaar bestraft bij misdrijven, terwijl de rijken minder zware straffen kregen. Meer dan eens kwam in Vlaanderen het gemeen, de
Uit: Stichtingsacte Freiburg (1120).
bron 9
HOUT
ce
aa n
WOL
ch tis an l t A
e
O
Southampton
Londen
Lübeck Hamburg Bremen Antwerpen
Oo
stze e
Noo rdz ee
Novgorod
Danzig GRAAN
Riga VIS HOUT PELS
Brugge Ieper Leipzig Gent Keulen Atrecht WIJN Frankfurt Parijs Provins Bar-sur-Aube ZOUT Troyes
Kiev
La Rochelle ZIJDE SPECERIJEN
Bordeaux WIJN GRAAN
Milaan Genua
Caffa
Venetië
Pisa
e Zwarte Z e
Florence
Lissabon Constantinopel
Antiochië
Damaskus steden
grote commerciële regio’s
grote handelsroutes
hanzesteden
Vlaanderen
zeewegen
grote jaarmarkten
Champagne
landwegen
Italiaanse centra
Noord-Italië
andere steden
bron 10
Handel in Europa rond 1300.
Mi dde l
Akko
land se Zee
ZIJDE EDELSTENEN
Alexandrië SPECERIJEN
0
500
1.000 km
8
4 Tijd van steden en staten
’1 De burgers van Gent moeten de graaf trouw zijn zolang hij hen volgens recht en rede behandelt. 2 De stad krijgt dertien schepenen die in rechtszaken vonnissen. 3 De Gentenaren hoeven voor hun vorst aan geen enkele militaire tocht deel te nemen, behalve op zee. 4 De burgers van Gent mogen hun stad versterken door middel van muren, grachten en op alle andere manieren.’ Uit: Stadsprivilege van Gent (1191).
stedelingen die niet tot het patriciaat behoorden, in opstand tegen deze situatie. Toen de graaf van Vlaanderen in 1241 weer eens verlegen zat om geld, wilden burgers uit Brugge hem alleen helpen als hij in ruil daarvoor de macht van het patriciaat zou beperken. De graaf gaf toe en bepaalde dat elk jaar nieuwe schepenen moesten worden gekozen en dat de stadsbestuurders geen familie van elkaar mochten zijn. De graaf bepaalde verder dat de handwerkersgilden een stadsraad kregen die de schepenen kon controleren.
bron 11
bron 12
Stadsbestuurders lezen mededelingen voor vanaf het bordes van het stadhuis. Miniatuur uit de vijftiende eeuw.
9
4.1 Opbloei en macht van de stad
Opdrachten Oriëntatie
opdracht 1
Een bewering over de Tijd van steden en staten: ‘Doordat de samenleving veranderde, veranderden ook de machtsverhoudingen.’ Leg de bewering uit, door aan te geven: a Welke maatschappelijke veranderingen er in dit tijdvak waren. b Hoe de machtsverhoudingen in dit tijdvak veranderden. c Waarom het een met het ander te maken heeft.
opdracht 2 vaardigheid – relevantie
a
b
c d
Standplaatsgebondenheid Stedelingen wilden alleen belasting betalen als ze daarvoor macht en rechten terugkregen. De koning, die de belastingen oplegde, stelde hier twee argumenten tegenover: 1 Ik ben de koning en dus de baas. Als ik zeg dat jullie moeten betalen, moeten jullie betalen. 2 Met jullie belastinggeld zorg ik voor veiligheid. Als jullie niet betalen, branden de Engelsen jullie stad af. Het eerste argument van de koning maakt in onze tijd geen indruk meer, maar in de Middeleeuwen wél. Hoe verklaar je deze verandering? Reageer (als middeleeuwer) op het tweede argument van de koning. Doe dat in een betoogje van ongeveer veertig woorden. Wat wordt er in onze tijd gedaan met belastinggeld? Bedenk ten minste zes dingen. Beredeneer wat een inwoner van een middeleeuwse stad zou vinden van wat onze overheid met ons belastinggeld doet. Onthouden: 1a, 1b, 2c Begrijpen: 1c, 2a, 2d Toepassen: 2b
4.1 Opdrachten opdracht 1
Gebruik Ontginningen, en bron 1 en 5. a Noem drie vernieuwingen die zorgden voor een grotere voedselproductie. b Welke van deze vernieuwingen zie je terug in de bronnen? Beschrijf waar je ze ziet.
opdracht 2
Gebruik bron 6. a Grond kon verschillende bezitters hebben. Wie is de grondbezitter in bron 6? b Noem nog vier andere mogelijke grondbezitters. c Op welke drie manieren stimuleerden de grondbezitters in bron 6 ontginningen?
opdracht 3 vaardigheid
Oorzaken, gevolgen Gebruik Bevolkingsgroei, en Handel en nijverheid. Hierna staan woorden en korte zinnen. Plaats ze in een pijlenschema zodat duidelijk wordt hoe de economische ontwikkeling verliep. steden – ontginningen – bevolkingsgroei – horigheid neemt af – specialisatie in beroepen – ontginningen – niet alle mensen zijn in de landbouw nodig – bevolkingsgroei – horigheid neemt af – nijverheid – interregionale handel – handel – regionale handel
opdracht 4
Gebruik Handel en nijverheid, en bron 4. Stelling 1: De opkomst van een geldeconomie was goed voor handel en nijverheid en dus ook voor de bloei van de steden. Stelling 2: Bron 4 bewijst dat sommige ambachtslieden binnen de textielnijverheid gespecialiseerd waren. Stelling 3: Bron 4 is een bewijs van de rijkdom van de ambachtslieden die in de textielnijverheid werkten. Bewijs de juistheid van de drie stellingen en verwijs daarbij duidelijk naar bronelementen.
opdracht 5
Gebruik De Hanze, Interregionale handel, en bron 8 en 9. a Geef een overeenkomst en een verschil tussen een koopmansgilde en een Hanze. b De ontwikkeling van handel in de Middeleeuwen kan in drie fasen worden verdeeld: 1 Handel tussen een stad en het omliggende platteland. 2 Handel tussen een grote stad en kleinere steden en dorpen op het platteland. 3 De grote stad is een handelsknooppunt waar producten worden verhandeld die uit verschillende verre gebieden afkomstig zijn. Bij welke fasen passen de woorden ‘interregionale handel’ en ‘regionale handel’ het best? c Beoordeel met behulp van bron 8 of er voor Hamburg vooral sprake was van regionale handel of van interregionale handel. Geef daarbij een duidelijke aanwijzing uit de bron. d Vergelijk Gent, Brugge en Hamburg met elkaar. Welke van deze steden heeft de drie fasen het verst doorlopen? Welke het minst?
10
4 Tijd van steden en staten
opdracht 6 vaardigheid
Gebeurtenis, verschijnsel, ontwikkeling Gebruik Interregionale handel. Haal uit de tekst een voorbeeld van een gebeurtenis, een voorbeeld van een verschijnsel en een voorbeeld van een ontwikkeling.
opdracht 7
Gebruik Stadsstichtingen, en bron 10. Stelling 1: In 1120 was er in Zuidoost-Duitsland een geld economie. Stelling 2: Hertog Conrad nam maatregelen om de stichting van steden te stimuleren en de economie te laten groeien. Stelling 3: Door Freiburg te stichten, kreeg hertog Conrad minder macht. Kies twee van de drie stellingen. Maak voor elk van beide stellingen duidelijk of de stelling juist of onjuist is.
opdracht 8 vaardigheid – relevantie
Motieven, standplaatsgebondenheid Gebruik Stadsbestuur, Spanningen in de stad, en bron 11. a In de Middeleeuwen had elke stad eigen wetten en rechten. Voorbeelden daarvan vind je in bron 11. Bedenk drie redenen waarom de graaf aan Gent dit stadsprivilege heeft verleend. b Leg uit dat zowel de stad als de graaf voordelen had van het stadsprivilege van 1191. Gebruik bronelementen in je antwoord. c Beide partijen hadden voordeel van dit systeem. Bedenk waarom het toch, in de loop der tijd, is afgeschaft. d In onze tijd geldt een wet voor alle burgers in het hele land. Beredeneer waarom dit systeem voor onze samenleving effectiever is dan het systeem van stadsprivileges.
opdracht 9 vaardigheid
Betrouwbaarheid, bruikbaarheid en representativiteit van bronnen Gebruik bron 10, 11 en 12 . Stel, je doet historisch onderzoek. Je onderzoeksvraag is ‘Hoe en waardoor kregen de mensen in de Tijd van steden en staten steeds meer vrijheid?’ a Beredeneer per bron of die bron bruikbaar is voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag. b Beredeneer per bron of die bron betrouwbaar is voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag. c Beredeneer of deze bronnen representatief zijn voor de ontwikkeling naar meer vrijheid in de Middeleeuwen.
opdracht 10 actieve werkvorm
a Werk in groepjes van vier. Elk groepje krijgt een stad toegewezen, waarbij de docent kiest uit Brugge, Gent, Brussel, Antwerpen, Dordrecht, Haarlem, Utrecht en Deventer. Verdiep je met behulp van boeken en/of internet in de middeleeuwse geschiedenis van de aan jullie toegewezen stad. Werk de volgende vragen uit: 1 Welke edelman had de macht in het gebied waarin de stad ligt? 2 Wanneer is de stad gesticht? 3 Wanneer kreeg de stad stadsrechten? Wat hielden die stadsrechten in? 4 Was de stad gespecialiseerd in de productie van een bepaald product? 5 Was de stad een handelsstad? Met welke gebieden werd vooral gehandeld? 6 Zijn er in de stad nog (delen van) middeleeuwse bouwwerken te zien? 7 Is de stad in de late Middeleeuwen betrokken geraakt bij grote rampen? b Presenteer je bevindingen op een vel A2-papier. Zorg voor geschikte afbeeldingen, zoals een plattegrond van de stad in de late Middeleeuwen, een foto van de stadsrechten, een voor de stad typerend product. c Vergelijk de door jullie uitgewerkte stad met die van de andere leerlingen. Welke overeenkomsten en verschillen zie je? Kun je groepjes van steden maken? Op basis waarvan?
opdracht 11 samenvatting
a Schrijf de kenmerkende aspecten op die aan het begin van de paragraaf staan. b Schrijf bij elk kenmerkend aspect de bijbehorende leerdoelen. De leerdoelen staan in de afsluiting van het hoofdstuk. c Schrijf bij elk leerdoel de begrippen die bij het leerdoel passen. d Schrijf per kenmerkend aspect een samenvatting zodat elk leerdoel en elk begrip in samenhang aan de orde komen. Onthouden: 1a, 2b, 5a, 10a, 10b, 11a, 11b Begrijpen: 2a, 2c, 3, 8a, 8b, 8c, 8d, 11c, 11d Toepassen: 1b, 4, 5c, 6, 7, 9a, 9b, 9c Analyseren: 5b, 5d, 10c
22
1
Het Britse Rijk (1585-1900)
1 2 3
Leidende vragen
Op welke manieren ontwikkelden zich de Engelse koloniën in de Amerika’s (1585-1833)? Waardoor werd India in de negentiende eeuw de belangrijkste kolonie binnen het Britse Rijk (1765-1885)? Welke rol speelden de koloniën in sociaal-economische ontwikkelingen in Groot-Brittannië (1750-1900)?
3000 v. Chr.
1 voor Chr.
Prehistorie
500 na Chr. Oudheid
23
Oriëntatie
bron 1
Generaal Wellington (voorgrond) is in Londen om zijn petekind prins Arthur een cadeautje te brengen. Arthur zit in de armen van zijn moeder, de Britse koningin Victoria. Haar man prins Albert is een beetje afgeleid, hij kijkt naar het grote glazen gebouw op de achtergrond. Daar wordt vandaag de eerste Wereldtentoonstelling geopend. Schilderij van Franz Xaver Winterhalter uit 1851.
Het Britse Rijk toont haar wereldmacht Halverwege de negentiende eeuw was het Britse Rijk op de top van haar wereldmacht. In alle werelddelen bevonden zich Britse gebieden. Met de verovering van de Indiase provincie Punjab viel ook India bijna helemaal onder Brits gezag. India was een van de belangrijkste koloniën binnen het Britse Rijk. Er werden veel grondstoffen gewonnen en gewassen verbouwd voor de groeiende industrie in Groot-Brittannië. Britten gaven India daarom de bijnaam ‘juweel in de kroon’. Hiermee wilden ze zeggen dat India als handelskolonie het belangrijkste onderdeel (het juweel) van het Britse Rijk (de kroon) was. Juwelen speelden niet alleen in deze bijnaam een rol. In India bevond zich de Koh-i-Noor, de mooiste en grootste diamant ter wereld. Al eeuwenlang bestond de traditie dat degene die de Koh-i-Noor bezat, zich de belangrijkste machthebber van India mocht noemen. Toen de Britten de macht kregen in Punjab, kregen ze ook de Koh-i-Noor in handen. De Britse lord Dalhousie zei over deze gebeurtenis: ‘In de loop der eeuwen ontwikkelde de Koh-i-Noor in India zich als het ware tot een historisch symbool van verovering. Nu heeft hij zijn juiste rustplaats gevonden.’ Met de ‘juiste rustplaats’ bedoelde hij natuurlijk Groot-Brittannië.
bron 2
Op de eerste wereldtentoonstelling lieten landen uit de hele wereld zich van hun beste kant zien. Engeland presenteerde zichzelf als wereldleider op industrieel gebied én als leider van het Britse Rijk. Afbeelding uit 1851.
1000 Middeleeuwen
Terwijl een schip van de Britse Royal Navy de Koh-i-Noor vanuit India naar Engeland bracht, werd in Londen de eerste Wereldtentoonstelling voorbereid. Prins Albert, de echtgenoot van de Britse koningin Victoria, wilde laten zien waartoe GrootBrittannië en haar koloniën op technologisch en industrieel gebied in staat waren. Ook voormalige koloniën en Europese mogendheden mochten voorbeelden van hun cultuur en wetenschap tentoonstellen. Voor prins Albert was het heel belangrijk om de vooruitgang in de wereld te laten zien, maar de Wereldtentoonstelling moest de bezoekers ook duidelijk maken dat het Britse Rijk de meest vooruitstrevende, rijkste en machtigste mogendheid van de wereld was.
‘We leven in een buitengewoon mooie overgangsperiode die snel de verwezenlijking naderbij lijkt te brengen van het grote doel waarop de hele geschiedenis is gericht: de realisering van de eenheid van de mensheid. Heren, de tentoonstelling van 1851 zal ons een getrouwe toetssteen en een levendig beeld verschaffen van het punt dat de mensheid als geheel heeft bereikt in de uitvoering van deze grote taak, en een nieuw vertrekpunt van waaruit alle naties richting zullen kunnen geven aan hun verdere inspanningen.’ Uit: toespraak van prins Albert (1850).
bron 3 Als tentoonstellingsruimte liet Albert een glazen gebouw ontwerpen dat zo groot en indrukwekkend was dat het de naam Crystal Palace kreeg, het kristallen paleis. Voor de Koh-i-Noor werd een speciale ruimte ingericht, waarin de schittering van de diamant extra goed tot haar recht zou komen. De diamant werd een favoriet sieraad van koningin Victoria. Ze droeg het vaak als broche of als onderdeel van de kroon. De Koh-i-Noor groeide uit tot symbool voor het succesvolle Britse Rijk. In dit hoofdstuk staat het Britse wereldrijk tussen 1585 en 1900 centraal. Er wordt aandacht besteed aan de sociale, economische en politieke ontwikkelingen die de diverse bevolkingsgroepen binnen het Britse Rijk doormaakten. De verhalen van kolonisten, indianen en Afrikanen in de Amerika’s, de fabrieksarbeiders in Groot-Brittannië en de Indiase handwerklieden in Brits-Indië bepalen de inhoud van deze historische context.
1500
1600
1700
Vroegmoderne tijd
1800
1900 1950 2000 Moderne tijd
24
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
Tijdvakken – kenmerkende aspecten 18 21
25
27
29
30
31 32 33 34 35
36
Tijdvak 5 Ontdekkers en hervormers
Het begin van de Europese overzeese expansie. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
Tijdvak 6 Regenten en vorsten
Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Tijdvak 7 Pruiken en revoluties
Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
Tijdvak 8 Burgers en stoommachines
De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving. Discussies over de ‘sociale kwestie’. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. De opkomst van emancipatiebewegingen. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.
Opdrachten opdracht 1 vaardigheid
Standplaatsgebondenheid a Beschrijf in steekwoorden wat je van het schilderij van bron 1 vindt. b Plaats jezelf in de schoenen van een inwoner van Londen in 1851. Je hebt de Wereldtentoonstelling bezocht en je kijkt nu naar dit gloednieuwe portret van jouw koningin, haar echtgenoot en hun kind. Beschrijf in twee zinnen wat je van het schilderij vindt en welke emoties het bij je oproept. c Verklaar de mogelijke verschillen tussen je antwoorden van opdracht 1a en 1b.
opdracht 2 vaardigheid
Motieven a Prins Albert had verschillende motieven voor het organiseren van de wereldtentoonstelling. Ontleen aan bron 2 en aan bron 3 een motief en ontleen aan de tekst een derde motief. b Beschrijf de ‘eenheid der mensheid’ zoals Albert die waarschijnlijk voor zich zag. Bedenk daarbij welke rol het Britse Rijk hierin zou kunnen spelen.
opdracht 3 relevantie
a India wilde de Koh-i-Noor graag terug en voerde rechtszaken om dat voor elkaar te krijgen. Waarom stopte de Indiase regering hiermee? b Werk samen met een medeleerling. Zijn jullie het eens met de beslissing die India volgens het nieuwsbericht heeft genomen? Formuleer samen argumenten voor en tegen de beslissing. c Vrijwel alle landen die ooit koloniën hadden, hebben kunstwerken en andere waardevolle producten uit die koloniën in bezit. Hoe zou hiermee volgens jullie moeten worden omgegaan? Onder welke omstandigheden moeten de bezittingen terug naar het land van herkomst en onder welke omstandigheden niet? Schrijf hierover een betoog van ongeveer honderdvijftig woorden.
‘De Koh-i-Noor, een diamant van 105 karaat, behoort al 150 jaar tot de Britse kroonjuwelen en zit in de Imperial State Crown verwerkt, de kroon die gedragen werd door de moeder van de huidige koningin Elizabeth. De Indiërs proberen de steen al tientallen jaren terug te krijgen, maar lijken die strijd nu op te geven. De regering van eerste minister Modi verklaarde aan het hooggerechtshof dat het de eisen om het juweel terug te krijgen, moet staken. De steen werd namelijk geschonken aan de Britse kolonisator door de Indiase koning maharadja Ranjit Singh in 1851, aldus de regering. ‘De steen werd niet gestolen of met geweld ontvreemd,’ stelde openbaar aanklager Kumar tijdens een hoorzitting in een zaak waarbij de teruggave van de steen geëist werd.’ Uit: nieuwsbericht van persbureau Reuters (19 april 2016).
bron 4
Begrijpen: 2a, 2b Toepassen: 1a, 3c Analyseren: 1b, 3a, 3b
1.1
Nieuwe samenlevingen 18 21 25 27 29 30
bron 5
Kenmerkende aspecten
Het begin van de Europese overzeese expansie. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
Leidende vraag
Op welke manieren ontwikkelden zich de Engelse koloniën in de Amerika’s (1585-1833)?
John White maakte deze tekeningen in 1585. Links is een indiaanse vrouw te zien, met haar dochtertje. Het kind speelt met een Engels popje. Rechts staat een indiaanse krijger. White bepaalde met zijn tekeningen het beeld dat veel Europeanen in de zeventiende eeuw hadden van Noord-Amerikaanse indianen.
26
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
John White in Noord-Amerika De Engelse tekenaar en kaartenmaker John White tekende de kustlijnen van Noord-Amerika. Ook liet hij zien hoe de mensen, dieren en planten in dat gebied eruitzagen. Eigenlijk kon White helemaal niet goed tekenen. Soms gaf hij mensen twee rechtervoeten, of tekende hij te veel poten aan exotische dieren. Maar de tekeningen hoefden niet tot in detail te kloppen. Ze hadden namelijk een belangrijker doel: met deze tekeningen wilde White mensen uit Engeland overhalen om naar Amerika te komen. Daarom tekende hij sommige indianen met een koperen ketting om hun hals, want zo liet hij zien dat er in Amerika kostbare grondstoffen te vinden waren. Ook liet hij de indianen op zijn tekeningen uitgebreid koken met mais, vlees en vis. Dat maakte duidelijk dat er ruim voldoende voedsel was. Ook hadden de indianen vrijwel altijd een vriendelijk en gastvrij uiterlijk. Dat Engelsen naar Amerika moesten komen, was niet alleen voor White belangrijk, maar ook voor andere Engelsen die al in Amerika woonden. Dat waren er nog niet veel. Aan het einde van de zestiende eeuw verkenden Engelse ontdekkingsreizigers de oostkust van Noord-Amerika. Ze stichtten er enkele kleine koloniën. In de loop van de tijd nam het aantal koloniën toe. Deze paragraaf beschrijft de Engelse kolonisatie van grote delen van Noord-Amerika.
Motieven voor kolonisatie Spanje en Portugal verdienden veel geld aan hun koloniën in Midden- en Zuid-Amerika. De Engelsen wilden dat ook, zeker sinds er tussen Engeland en Spanje een oorlog was uitgebroken. De oostkust van Noord-Amerika was nog niet gekoloniseerd. Misschien konden daar rijkdommen worden gevonden. Mocht dat tegenvallen, dan kon het gebied altijd nog een handige uitvalsbasis vormen in de oorlog tegen Spanje. Vanuit Noord-Amerika konden de Spaanse zilver- en goudvloten immers makkelijker worden onderschept dan vanuit Europa. Een andere reden om de kust van Noord-Amerika te verkennen, was de hoop op een nieuwe, onbekende route naar Azië. Daar werden veel kostbare producten verhandeld. De al bekende route naar Azië was in handen van de Portugezen. Stel dat de Engelsen een andere route konden vinden, via het noorden van Amerika? Sommige Engelse koloniën in Noord-Amerika bestonden maar kort. De kolonie Roanoke, waar John White woonde, heeft maar een paar jaar bestaan. De oogsten mislukten en gevechten met indianen eisten veel slachtoffers. White ging terug naar Engeland. Zijn dochter Eleanor bleef wel in Noord-Amerika. Ze verhuisde vanuit Roanoke naar Virginia. Dit was de eerste Engelse kolonie die succesvol werd. Virginia lag in het zuidelijke deel van Noord-Amerika.
NOORD-AMERIKA Massachusetts (1630) Plymouth New York Virginia Connecticut (1607) (1633) Jamestown Roanoke (1585)
ntisch Atla
e Oceaan
Barbados (1655)
Jamaica (1627)
Grote Oce aan
noordelijke koloniën zuidelijke koloniën
bron 6
ZUID-AMERIKA 0
500
1.000 km
Engelse koloniën in Amerika.
Plantages in Virginia Europa had na de reizen van Columbus kennisgemaakt met tabak. De vraag ernaar groeide snel, maar misoogsten en oorlogen zorgden ervoor dat er niet genoeg aanbod was. Indianen in Virginia verbouwden wel tabak, maar niet in grote hoeveelheden. Dat veranderde toen de Engelse kolonist John Rolfe een paar tabakszaden uit het Spaanse Trinidad te pakken kreeg. Met hulp van de plaatselijke indianen lukte het hem met dit zaad grote hoeveelheden tabak te verbouwen en te verwerken.
bron 7
Indianen bereiden tabak. Drie van hen zijn bezig met het onderdompelen van tabaksbladeren in een kookketel. Op de achtergrond hangen twee mannen tabaksbladeren te drogen aan een rek. Tekening van Moyses van Wtenbrouck uit 1622.
27
1.1 Nieuwe samenlevingen
Het klimaat in Virginia bleek uitstekend geschikt voor het verbouwen van gewassen op plantages. John Rolfe legde de basis voor de plantage-economie in het zuiden van NoordAmerika. In 1616 vervoerde Rolfe de eerste lading tabak uit Virginia naar het Engelse moederland. Hij nam zijn vrouw Rebecca met zich mee. Zij was geboren als Pocahontas, dochter van het indianenopperhoofd Powhatan. Na haar bekering tot het christendom veranderde ze haar naam in Rebecca. Bij terugkomst in Virginia zag Rolfe dat daar inmiddels zoveel tabak werd verbouwd dat de planten zelfs in de straten van het stadje Jamestown groeiden. In 1618 werd tienduizend kilo tabak vervoerd naar Engeland. Twintig jaar later was de tabaksexport gegroeid naar 250.000 kilo en was Virginia de belangrijkste producent van tabak voor Europa geworden. Het succes van Virginia werd overschaduwd door oorlogen tussen kolonisten en indianen. Hoewel beide groepen aanvankelijk redelijk goed met elkaar overweg konden, nam de wederzijdse irritatie toe. Er kwamen steeds meer kolonisten en die gebruikten steeds meer grondgebied, zowel om te wonen als om te gebruiken als landbouwgrond. Dat leidde tot conflicten en uiteindelijk zelfs tot oorlogen. Tijdens een aanval van indianen op kolonisten werd een derde van de inwoners van Virginia vermoord, onder wie waarschijnlijk John Rolfe.
bron 8
Portret uit 1616 van Pocahontas, alias Rebecca, in deftige Engelse kleding. Het onderschrift vertelt dat Rebecca de dochter is van de machtige Powhatan, opperhoofd van indianen in Virginia, maar dat zij nu is bekeerd tot christen en is getrouwd met de Engelsman John Rolfe.
Pilgrim Fathers in New England In november 1620 kwam een groep mensen die zich de Pilgrim Fathers noemden, aan op de oostkust van Noord-Amerika. De ongeveer honderdvijftig Pilgrim Fathers waren strenggelovige protestanten. De Engelse koning had hen verboden hun geloof in Engeland op hun eigen manier te belijden. Omdat zij hun geloof niet wilden opgeven, besloten zij naar Noord-Amerika te gaan en er een kolonie te stichten in wat zij later New England noemden. Hier hoopten ze onafhankelijk van anderen hun eigen sobere samenleving te kunnen opbouwen en hun strenge geloofsvoorschriften te kunnen volgen. Omdat het al november was, was het te laat om voedselvoorraden voor de winter te verbouwen. Met hulp van de inheemse bevolking kwamen de Pilgrim Fathers de winter door. De jaren daarna bleven deze groep kolonisten en de plaatselijke indianen samenwerken. De contacten waren gericht op handel. De kolonisten wilden dierenhuiden, vooral van buffels, de indianen wilden graag geweren en metalen voorwerpen. Het verbouwen van mais en zoete aardappels was populair onder de nieuwe inwoners van Amerika. Ook deze gewassen wisselden indianen en kolonisten onderling uit. De Pilgrim Fathers stuurden positieve berichten naar Engeland, net zoals John White eerder had gedaan vanuit Roanoke. De berichten hadden resultaat. In de driekwart eeuw na 1620 werden nog twaalf Engelse koloniĂŤn gesticht, allemaal aan de oostkust van Noord-Amerika. De meeste kolonisten waren gelovigen die zich, net als de Pilgrim Fathers, niet thuis voelden bij de Kerk in Engeland. Een andere reden om naar Amerika te vertrekken, was de bevolkingsgroei in het moederland. Vooral jonge mensen zochten hun geluk elders, in een nieuwe wereld waar de mogelijkheden voor werk en succes groter waren. De kolonie die de Pilgrim Fathers in 1620 stichtten, had in 1643 al twintigduizend inwoners.
bron 9
De Pilgrim Fathers arriveren in Noord-Amerika. Schilderij van de Amerikaan Charles Lucy uit 1820.
28
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
indianen werd direct ingenomen door nieuwe kolonisten, die in steeds grotere aantallen de overtocht van Engeland naar Noord-Amerika maakten. Dat kolonisten en indianen dicht bij elkaar woonden, leidde tot handel en oorlogen, maar ook tot verspreiding van Europese ziekten onder de indianen. Tegen ziekten als waterpokken, mazelen, malaria en griep waren Europeanen redelijk bestand. De indianen hadden nog geen natuurlijke afweerstoffen tegen deze ziekten aangemaakt en waren daardoor gemakkelijke slachtoffers voor de ziektekiemen. De oorlogen en de Europese ziekten zorgden ervoor dat een groot deel van de oorspronkelijke bevolking van Noord-Amerika van de aardbodem verdween. bron 10
Elk jaar in november vieren de Amerikanen Thanksgiving Day, om te gedenken dat de Pilgrim Fathers met hulp van de indianen de eerste jaren in Amerika voldoende te eten hadden om te overleven. Dit schilderij geeft de eerste Thanksgiving Day weer. Schilderij van de Amerikaanse schilder Jean Ferris uit 1912. Virginia New England Barbados
8%
andere eilanden 20%
8%
17%
bron 11
In 1635 vertrokken vanuit Londen 53 schepen naar de Britse koloniën in Noord-Amerika en de Caraïben. Van de opvarenden bestond zestig procent uit jonge mannen van 15 tot 24 jaar oud.
Oorlog en ziekte Net als in Virginia vestigden zich in de andere koloniën steeds vaker kolonisten op het grondgebied van de indianen. Zo groeiden de koloniën, maar ook het aantal conflicten en oorlogen. Beide partijen begingen daarbij massamoorden. Bij Mystic River in het noorden van Noord-Amerika werden bijvoorbeeld vierhonderd indianen vermoord, omdat het gerucht ging dat twee Engelse handelaren door indianen waren overvallen. In de oorlogen gaven de betere wapens en de gevechtstactieken van de Engelsen uiteindelijk de doorslag. Bovendien vormden de verschillende indianenvolken geen eenheid, waardoor ze niet effectief samenwerkten in de strijd tegen hun gezamenlijke vijand. De indianen verdwenen uit het grootste deel van de Engelse koloniën. Het grondgebied van de
In Lancaster, New England, woonde Mary Rowlandson. Ze beschrijft een aanval door indianen. Rowlandson werd ontvoerd door de indianen, maar ze werd na de betaling van losgeld vrijgelaten en deed verslag van haar belevenissen: ‘Op 10 februari 1675 kwamen de indianen in grote getalen naar Lancaster. De eersten kwamen rond zonsopgang, we werden wakker van het geluid van geweren. Er stonden toen al meerdere huizen in brand, de rook steeg op naar de Hemel. Uit één huis werden vijf personen naar buiten genomen. De vader, moeder en een baby werden op het hoofd geslagen. De andere twee werden levend weggevoerd. Er was ook iemand die, hoewel gewond, probeerde weg te rennen. Hij werd neergeschoten en terwijl hij nog smeekte voor zijn leven, hen zelfs geld beloofde (zo vertelden ze mij later), werd hij op zijn hoofd geslagen, ontdaan van zijn kleding en opengesneden. En zo gingen deze moorddadige ellendelingen verder, plunderend en brandstichtend.’ Uit: M. Rowlandson, A Narrative of the Captivity and Restoration of Mrs. Mary Rowlandson (1682).
bron 12
Plantages en slavernij Het verbouwen en verwerken van tabak was arbeidsintensief. Ook voor het verbouwen van andere plantagegewassen zoals rijst, thee en indigo (een blauwe kleurstof) waren veel handen nodig. In Virginia werkten de kolonisten met een systeem waarbij nieuwkomers de kosten van hun reis in vier tot zeven jaar konden afbetalen door te werken op bestaande plantages. Daarna kregen deze landarbeiders een eigen stuk land om zelf een plantage te beginnen en lieten ze op hun beurt op dezelfde wijze nieuwkomers overkomen. In 1619 bracht een Hollands schip Afrikaanse slaven naar Virginia, die moesten werken op de plantages. In eerste instantie werd met hen dezelfde afspraak gemaakt als met
29
1.1 Nieuwe samenlevingen
andere nieuwkomers. Na een paar jaar werken om de kosten van de reis af te betalen, mochten ook deze mannen op een eigen stuk grond als vrije burgers een plantage beginnen. Deze regel werd na een paar jaar al aangepast: mensen die je onbeperkt als slaven kon gebruiken, waren immers een winstgevende investering. En omdat de Afrikanen niet uit vrije wil de reis naar Amerika maakten, lag het voor de hand dat de kolonisten hen onder dwang aan het werk zetten. De Afrikanen bleven dus in slavernij werken op de plantages. De transAtlantische slavenhandel en de plantage-economie in het zuiden van Noord-Amerika raakten onlosmakelijk met elkaar verbonden.
bron 13
Wanneer Afrikaanse stammen in de zeventiende eeuw met elkaar in oorlog waren, maakten ze gevangen tegenstanders tot slaaf. Europese handelaren speelden daarop in door de tot slaaf gemaakte gevangenen te kopen. Schilderij van John Raphael Smith uit 1788.
Vestigingskoloniën in het noorden De koloniën in het noorden van Noord-Amerika ontwikkelden zich anders dan de koloniën in het zuiden van Noord-Amerika. Waar in het zuiden een agrarische samenleving ontstond met grote plantages, weinig stadjes en veel intensieve landarbeid door slaven, kregen de koloniën in het noorden van NoordAmerika alle kenmerken van vestigingskoloniën. Veel bewoners ervan hielden zich wel bezig met landbouw, maar wat zij produceerden, was vooral bestemd voor eigen consumptie en voor de plaatselijke markt. Grootschalige productie van plantageproducten was in het noorden niet mogelijk door de rotsachtige bodem en door het klimaat met zeer strenge winters. De economische nadruk lag in het noorden dan ook niet op landbouw, maar op nijverheid en handel. Er werd bijvoorbeeld veel aan scheepsbouw gedaan. Hout was een belangrijke grondstof voor de schepen. Ook werd hardhout aan het buitenland verkocht, net als vis. De opbrengsten waren fors en de koloniën werden dan ook welvarend.
Ook in het noorden bestond slavenarbeid. Maar het aandeel van slaven in de totale bevolking was in de zuidelijke koloniën vele malen groter dan in de noordelijke koloniën van NoordAmerika.
Uitbreiding Britse Rijk in de Caraïben Terwijl het Engelse koloniale gebied in Noord-Amerika zich snel uitbreidde en zich ontwikkelde tot dertien winstgevende koloniën, keken de Engelse machthebbers ook naar andere gebieden in Amerika die zij konden koloniseren. In 1627 werd het eiland Barbados een Engelse kolonie en in 1655 lukte het de Engelsen om de Spanjaarden te verjagen van Jamaica. De eilanden van de Caraïben waren populair bij Europese investeerders omdat het klimaat en de bodem ideaal waren voor het verbouwen van suikerriet. Suiker was, net als tabak, een gewild product in Europa. Het werd bijvoorbeeld gebruikt om de koffie en thee te zoeten die in grote hoeveelheden vanuit Azië werden aangevoerd. Wie geld investeerde in de opzet van een plantage, kon dus al snel rekenen op forse winsten. Plantagehouders in Brazilië hadden een manier gevonden om suikerriet snel te vermalen en er vervolgens het vocht uit te halen, waardoor er suiker overblijft. Kolonisten op Barbados kopieerden dit productieproces, waardoor het eiland al snel volledig werd ingezet voor de suikerteelt. Het werk werd gedaan door Afrikaanse slaven. De intensieve suikerteelt op Barbados leverde de Engelse kolonisten enorme winsten op, maar zorgde er ook voor dat de grond uitgeput raakte. Er ontstond erosie op de heuvels en zware regenbuien spoelden de verarmde grond de zee in. Hetzelfde gebeurde enkele decennia later op Jamaica. Desondanks werden Barbados en Jamaica de belangrijkste suikerproducenten ter wereld. De Engelse koloniën in het Caraïbisch gebied waren geen vestigingskoloniën. De plantagehouders kwamen naar de eilanden om geld te verdienen en hun fortuin zo snel mogelijk naar Engeland te brengen. Op de Caraïbische eilanden lag de nadruk volledig op de plantages. Dat zorgde voor hoge winsten, meer nog dan in de zuidelijke koloniën van Noord-Amerika. Maar dat financiële succes leunde sterk op slavenarbeid.
Winstgevende handel over zee Met het toenemen van de handel tussen de overzeese gebieden van het Britse Rijk, ontwikkelden zich vaste routes over zee. Die werden voor een belangrijk deel bepaald door de zeestroming. Hoe minder vaak een schip met een leeg ruim de zeeën over hoefde te varen, hoe hoger de winst voor de investeerders was. Vanuit Europa werden Europese en Aziatische producten in Afrika geruild tegen slaven. Het was in de zeventiende eeuw in Afrika normaal dat verslagen tegenstanders slaaf werden. Europese handelaren maakten gebruik van deze gewoonte, kochten tot slaaf gemaakte
30
bron 14
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
Deze tekening uit een Frans boek uit de jaren zestig van de zeventiende eeuw laat aan Europese investeerders zien welke stappen er nodig zijn om suikerriet te verbouwen en te bewerken.
Afrikanen en namen ze mee naar het Caraïbisch gebied. Een groot deel van deze slaven bleef in de Caraïben en werd aan het werk gezet op de suikerplantages van Jamaica en Barbados. Een ander deel werd doorgevoerd naar de plantages in het zuiden van Noord-Amerika. Het ruim van de schepen werd direct weer gevuld met plantageproducten als suiker, tabak en rijst voor de Europese markten. Engeland richtte voor deze winstgevende driehoekshandel de Royal African Company op, die zich specialiseerde in het vervoer van slaven over de Atlantische oceaan. Behalve plantage producten brachten deze schepen ook Amerikaans goud en zilver mee naar Engeland. Dat werd gebruikt om de vele munten te slaan die nodig waren voor de groei van de Engelse economie.
0
2.000
4.000 km
EUROPA
NOORDAMERIKA
AFRIKA
ZUID-AMERIKA
wapens, textiel, luxe goederen slaven katoen, tabak, suiker, rijst, indigo, goud, zilver
bron 15
Een schematische weergave van de driehoekshandel met de belangrijkste handelsstromen tussen Europa, Afrika en Amerika.
31
1.1 Nieuwe samenlevingen
bron 16
Dit schip, de Brookes, was ingericht voor het vervoer van 421 slaven. De eigenaar van het schip vond dat dat niet genoeg winst opleverde. Hij vulde het schip daarom met zevenhonderd slaven die vanuit Afrika naar de Caraïben werden vervoerd. De tekeningen komen uit een boek van de Engelsman Thomas Clarkson uit 1808, waarin hij betoogt dat slavernij verkeerd is en moet worden afgeschaft.
Oplopende spanningen in Noord-Amerika Groot-Brittannië ging ervan uit dat de koloniën altijd de belangen van het moederland moesten ondersteunen. Kolonisten leverden grondstoffen aan Groot-Brittannië, kochten producten die ze zelf niet konden produceren in GrootBrittannië, vervoerden alles op Britse schepen én exporteerden hun eigen producten alleen naar Groot-Brittannië. Zowel de kolonisten als de Britse bestuurders hadden voordeel van deze situatie. De handelsstromen van en naar Groot-Brittannië waren veilig en zeker. Als kolonisten toch eens een handelsovereenkomst met anderen sloten, bijvoorbeeld met de Hollanders of de Fransen, kneep de Britse overheid een oogje toe. Want als er geld kon worden verdiend, bleken de regels ineens een stuk minder belangrijk. In de loop van de achttiende eeuw kwam in de vreedzame samenwerking tussen Groot-Brittannië en de dertien koloniën in Noord-Amerika langzaam verandering. Groot-Brittannië voerde veel oorlogen met Frankrijk over grondgebied in Amerika. Die oorlogen kostten veel geld en de Britse overheid vond dat de kolonisten een deel daarvan moesten betalen. De oorlogen werden immers gevoerd om hen tegen de Fransen te beschermen, redeneerde de Britse overheid. Groot-Brittannië ging daarom belasting heffen over producten die iedere kolonist kocht, zoals kranten, postzegels, glas, verf, papier en thee. De opbrengsten van die belastingen verdwenen in de Britse schatkist, tot ongenoegen van de kolonisten.
Verlichting en onafhankelijkheid In de achttiende eeuw werden verlichte ideeën steeds populairder. Filosofen, schrijvers, maar ook steeds meer gewone mensen dachten na over de vraag hoe de macht verdeeld moest worden. Sommigen zagen volkssoevereiniteit als een alternatief voor de machtige koningen, zoals de absoluut regerende Franse Lodewijk XIV. De Fransman Montesquieu bedacht de trias politica, een systeem waarin de macht wordt verdeeld tussen meerdere groepen. Dat verkleint de kans op machtsmisbruik, want de groepen kunnen elkaar controleren en, als het nodig is, in bedwang houden. Behalve over macht, werd er ook steeds meer nagedacht over natuurlijke rechten zoals het recht op vrijheid, eigendom en zelfbescherming. Ook kolonisten in Noord-Amerika gingen verlichte vragen stellen. Waarom moesten ze extra belasting betalen terwijl ze geen lid mochten zijn van het Engelse parlement? Het parlement besloot over het invoeren van belastingen, dus als ze moesten betalen, zouden ze dan geen invloed moeten hebben op die besluitvorming? No taxation without representation, geen belasting zonder vertegenwoordiging, werd een veelgehoorde uitspraak onder de kolonisten. Na enkele gewelddadige confrontaties tussen het Britse leger en opstandige kolonisten verklaarden de dertien NoordAmerikaanse koloniën zich op 4 juli 1776 onafhankelijk van het Britse Rijk. In een onafhankelijkheidsverklaring legden de afgevaardigden van de dertien staten van Amerika uit waarom zij zich niet langer gebonden voelden aan de Britse koning. Ze zagen hem als een tiran die hen alleen nodig had voor het
32
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
voeren van zijn eigen oorlogen en die zich niets aantrok van de belangen van de kolonisten. Het was duidelijk dat de kolonisten zich niet langer Engels voelden, ze waren Amerikaans geworden. Ze bouwden hun eigen politieke instituten met een eigen parlement en eigen rechtspraak. Vanaf 1789 lieten de Amerikanen zich vertegenwoordigen door een gekozen president en een parlement dat ze het Congres noemden. De wijze waarop de macht tussen president, Congres en rechters was verdeeld, werd in een grondwet vastgelegd. Daarin stond ook dat de Verenigde Staten van Amerika zichzelf als een federale statenbond zouden besturen. George Washington werd de eerste president.
John Adams, een van de ondertekenaars van de onafhankelijkheidsverklaring en de tweede president van de Verenigde Staten, schreef in 1787: ‘Als er een centrale waarheid te leren is uit de geschiedenis van alle tijden, is het wel deze: dat de rechten en vrijheden van de mensen, en de democratische mix in een staatsbestel nooit in stand gehouden kunnen worden zonder de uitvoerende en de wetgevende macht van elkaar te scheiden. Als de uitvoerende macht, of een aanzienlijk deel daarvan, in handen gelaten wordt van een aristocratische of democratische assemblee (parlement), zal het de wetgevende macht corrumperen zoals roest onherroepelijk ijzer aantast, of zoals arsenicum het menselijk lichaam. En als de wetgevende macht aangetast wordt, zal het volk te gronde gericht worden.’ Uit: John Adams, Een verdediging van het staatsbestel in de Verenigde Staten van Amerika (1787).
bron 17
Afschaffing van de slavernij De ideeën over de natuurlijke rechten van mensen zorgden ervoor dat steeds meer mensen zich tegen de slavernij verzetten. Ook christenen in Europa en Amerika spraken zich uit tegen het onder dwang laten werken van medemensen. Zij verafschuwden de slechte behandeling van de slaven, de families die uit elkaar werden getrokken en de vele verkrachtingen om nieuwe slaven te krijgen op de plantages. In het Britse parlement werd in 1807 een verbod op slavenhandel afgekondigd dat voor het gehele Britse Rijk gold. Voor de abolitionisten was dit een eerste stap in de richting van het einddoel: de volledige afschaffing van de slavernij. Dat doel werd in 1833 bereikt in grote delen van het Britse Rijk, waaronder ook Jamaica en Barbados. De onafhankelijke Verenigde Staten hoefden zich niets aan te trekken van deze nieuwe Britse wetgeving. Maar ook daar werden de abolitionisten steeds feller in hun afkeer van slavernij.
bron 18
Illustratie uit de autobiografie Twelve Years a Slave or Solomon Northup, a citizen of New York (Twaalf jaar een slaaf, of Solomon Northup, een burger uit New York) uit 1853, waarin Northup beschrijft hoe hij als vrije burger werd ontvoerd en als slaaf te werk werd gezet in het zuiden van de Verenigde Staten. Na twaalf jaar kwam hij vrij. Deze tekening laat zijn hereniging met zijn gezin zien. Het boek speelde een grote rol in de beeldvorming over slavernij bij abolitionisten in de Verenigde Staten.
In de Verenigde Staten liepen de meningsverschillen over het wel of niet laten bestaan van slavernij zo hoog op dat het zelfs uitliep op een burgeroorlog. De abolitionisten waren vooral actief in de noordelijke staten. In de zuidelijke staten waren de vele plantages afhankelijk van de slavernij, waardoor daar veel verzet was tegen abolitionisme. Vooral door de toenemende vraag naar katoen waren hier de plantages in de loop van de achttiende en negentiende eeuw alleen maar groter geworden, met een groeiend aantal als slaven ingezette landarbeiders. Het afschaffen van de slavernij zou een economische ramp betekenen. In het noorden, waar veel minder slavernij was, zouden de gevolgen van afschaffing aanzienlijk kleiner zijn. Toch werd de slavernij uiteindelijk ook in de Verenigde Staten afgeschaft.
33
1.1 Nieuwe samenlevingen
De voormalige slaaf Jourdan Anderson reageert op een verzoek van zijn oude eigenaar. Jourdan dicteert de tekst aan zijn abolitionistische werkgever Valentine Winters. Winters besluit de brief voor publicatie naar kranten te sturen: ‘Mijnheer: Ik heb uw brief gekregen en ik was blij te horen dat u Jourdan niet bent vergeten, dat u wilt dat ik weer bij u kom wonen en dat u belooft beter voor mij te zijn dan wie dan ook. Ik zou vooral graag willen weten wat de mooie kans precies is die u mij zegt te willen geven. Ik heb het hier redelijk goed. Ik verdien vijfentwintig dollar per maand, plus proviand en kleren; ik heb een gerieflijk huis voor Mandy – de mensen hier noemen haar mevrouw Anderson; de kinderen Mindy, Jane en Grundy gaan naar school en leren goed. Als u me terugschrijft en zegt welk loon u me wilt betalen, kan ik beter beslissen of het in mijn voordeel is om terug te komen. Mandy zegt dat ze bang is om terug te gaan zonder bewijs dat u ons rechtvaardig en vriendelijk zult behandelen; we hebben besloten uw oprechtheid op de proef te stellen door u te vragen ons het loon te sturen over de tijd dat wij voor u hebben gewerkt. Ik heb tweeëndertig jaar trouw voor u gewerkt en Mandy twintig jaar. Met vijfentwintig dollar per maand voor mij en 2 dollar per week voor Mandy wordt dat elfduizend zeshonderdtachtig dollar. Als u deze brief beantwoordt, vertelt u dan alstublieft ook of u de veiligheid kunt garanderen voor mijn Milly en Jane, die nu groot en allebei erg knap zijn geworden. U weet nog wel hoe het met die arme Matilda en Catherine is vergaan. Ik zou liever hier blijven en honger lijden – en van de honger omkomen als het moest – dan dat mijn dochters door het geweld en de boosaardigheid van hun jonge meesters te schande zouden worden gemaakt. Vertelt u alstublieft ook of er in de buurt scholen voor gekleurde kinderen zijn geopend. De grootste wens in mijn leven is dat mijn kinderen een goede opleiding krijgen en deugdzame manieren leren. Doe de groeten aan George Carter en bedank hem dat hij het pistool van u heeft afgepakt toen u op mij schoot. Van uw oude knecht, Jourdon Anderson.’ Uit: The New York Daily Tribune (22 augustus 1865).
bron 19
1.1
Opdrachten
opdracht 1 vaardigheid
Betrouwbaarheid van bronnen, bron en vraagstelling Gebruik John White in Noord-Amerika, en bron 5. a Leg uit dat de tekeningen van John White primaire bronnen zijn over het Amerika van rond 1600. b Geef met behulp van de tekst twee argumenten tegen de betrouwbaarheid van deze tekeningen als historische bronnen over het Amerika van rond 1600. c Formuleer drie onderzoeksvragen waarvoor de tekeningen goed bruikbaar zijn.
opdracht 2
Gebruik Motieven voor kolonisatie, en bron 6. a Geef twee economische motieven en een militair motief voor kolonisatie door de Engelsen van delen van Amerika. b Bron 6 toont de ligging van de Engelse koloniën in NoordAmerika. Welk van de motieven voor kolonisatie die je bij 2a opschreef, kun je gebruiken om de ligging van de koloniën te verklaren? c Bedenk nog een tweede verklaring waarom de Engelsen hun koloniën juist in het oosten stichtten.
opdracht 3 vaardigheid a b c
d
e
Standplaatsgebondenheid, betrouwbaarheid van bronnen Gebruik Plantages in Virginia, en bron 5, 7, 8 en 20. Beredeneer dat de tekening in bron 8 met hetzelfde doel is getekend als de tekeningen van John White. Welk doel had John Smith met het bekend maken van zijn reddingsverhaal? Beredeneer in hoeverre het doel van John Smith (vraag 3b) invloed heeft gehad op het waarheidsgehalte van zijn verhaal. Betekent dat (antwoord op vraag 3c) dat bron 20 een onbetrouwbare bron is over Pocahontas en Smith? Licht je antwoord toe. De tekenaar van bron 7 is voor zover bekend nooit zelf de Atlantische Oceaan overgestoken om de tabaksplantages in de koloniën te bezoeken. Bedenk op basis van welke informatie deze tekenaar zijn tekening maakte.
Een historicus schrijft: ‘De avonturier John Smith maakte deel uit van de eerste lichting kolonisten in Jamestown, Virginia. Hij werd in 1607 gevangengenomen door de indianenopperhoofd Powhatan. Powhatans dochter Pocahontas, toen pas 12 jaar oud, voorkwam dat John Smith door de krijgsraad van haar vader werd geëxecuteerd. John Smith kwam vrij en keerde terug naar Engeland. Zes jaar later gijzelden de kolonisten Pocahontas om haar vader een lesje te leren. Pocahontas zou zich toen bekeerd hebben tot het christendom en niet
34
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
meer willen terugkeren naar haar stam. Ze trouwde met John Rolfe, de man die de tabaksteelt in Virginia had ontwikkeld. In 1616 gingen Rolfe en zijn jonge vrouw, die zich inmiddels Rebecca was gaan noemen, naar Engeland om daar investeerders te krijgen voor de tabaksteelt in Virginia. John Smith hoorde over de komst van zijn redder en vertelde in Londen het spannende reddingsverhaal uit 1607. Hierbij zou Pocahontas zelfs haar eigen hoofd op dat van Smith hebben gelegd om te voorkomen dat haar vader Johns hoofd zou verbrijzelen met een steen. Pocahontas, alias Rebecca, was populair in Londen en er kwamen veel nieuwe investeerders voor Virginia bij. Helaas voor Rebecca was zij niet opgewassen tegen het kille klimaat in Londen, ze overleed in maart 1617.’
Uit: Frans Verhagen, Geschiedenis van de Verenigde Staten (2017).
bron 20
opdracht 4 vaardigheid
Bron en vraagstelling Gebruik Pilgrim Fathers in New England, en bron 11. a Welk gegeven uit het bijschrift van bron 11 kan uit het cirkeldiagram worden afgeleid? Welk gegeven niet? b Formuleer een onderzoeksvraag waarvoor bron 11 bruikbaar is.
opdracht 5 vaardigheid a b c d e
Motieven, oorzaken, betrouwbaarheid van bronnen Gebruik Oorlog en ziekte, en bron 12. Welk motief hadden Engelse kolonisten om vriendschap met de indianen te sluiten? Welk motief hadden indianen om vriendschap met de Engelse kolonisten te sluiten? Verklaar waarom de vriendschap veranderde in oorlog. Noem twee oorzaken voor de snelle afname van het aantal indianen. Is het verslag van Mary Rowlandson (bron 12) een betrouwbare bron over de relatie tussen kolonisten en indianen? Geef een argument voor en een argument tegen de betrouwbaarheid.
opdracht 6 vaardigheid
Standplaatsgebondenheid Gebruik Plantages en slavernij, en Vestigingskoloniën in het noorden. a Vergelijk de zuidelijke koloniën in Noord-Amerika met de noordelijke koloniën in Noord-Amerika. Neem daartoe het hierna volgende schema (bovenaan de tweede kolom) over en vul het in. b Verklaar waarom het aandeel van slaven in de totale bevolking in de zuidelijke koloniën van Noord-Amerika veel groter was dan in de noordelijke koloniën van NoordAmerika.
Noordelijke koloniën Economisch kenmerk
Zuidelijke koloniën
Nadruk op nijverheid en handel.
Sociaal-maatschappelijk kenmerk Geografisch kenmerk c Stel, je bent een jongen en je leeft in de zeventiende eeuw. Je vertrekt met een van de schepen waarover bron 11 gaat. Waar zou je het liefst terechtkomen: in het noorden of in het zuiden van Noord-Amerika? Beargumenteer je keuze met minimaal twee argumenten. d Bedenk waarom jij je als zeventiende-eeuws meisje bij voorkeur in New England zou vestigen. Gebruik informatie uit de tekst en geef minimaal twee argumenten.
opdracht 7 vaardigheid a b
c
d
Betrouwbaarheid van bronnen, bron en vraagstelling Gebruik bron 9, 10 en 13. Beschrijf in je eigen woorden in één zin per schilderij waar de schilderijen over gaan. Maak per schilderij duidelijk dat de weergave van de gebeurtenissen niet waarheidsgetrouw is. Maak daarvoor ook gebruik van de bijschriften. Maak per schilderij duidelijk welke reden de schilder waarschijnlijk had om af te wijken van de historische werkelijkheid. Hoewel de schilderijen geen waarheidsgetrouw beeld geven, kunnen ze toch als bron worden gebruikt voor sommige historische onderzoeken. Bedenk twee onderzoeksvragen waarvoor deze schilderijen betrouwbare en bruikbare bronnen zijn.
opdracht 8 relevantie
a
b
c d
Gebruik Plantages en slavernij. De Nederlandse overheid beschrijft wat eindexamen kandidaten moeten weten. Ook voor het onderwerp ‘Het Britse Rijk’ is dat gedaan. Een fragment uit deze beschrijving: ‘Alle Engelse koloniën maakten gebruik van de arbeid van slaafgemaakten, maar in de zuidelijke plantagekoloniën vormden zij een groter deel van de bevolking.’ Sinds enkele jaren maken sommige mensen zich er hard voor om de term ‘slaafgemaakten’ te gebruiken, in plaats van de term ‘slaven’. Bedenk welke argumenten ze hiervoor hebben. Hoe moeten mensen die in slavernij leven en werken naar jouw mening genoemd worden? Slaven, of slaafgemaakten? Beargumenteer je standpunt. In de zeventiende eeuw stond de term ‘slaven’ niet ter discussie. In onze tijd wel. Hoe verklaar je dit verschil? Paragraaf 1.1 gaat over de zeventiende en achttiende eeuw. Volgens de overheid moet daarin dus de term ‘slaafgemaakten’ worden gebruikt. De historici die dit
35
1.1 Nieuwe samenlevingen
boek schreven, denken daar anders over en gebruiken de term ‘slaven’. Verklaar zowel het standpunt van de overheid als het standpunt van de auteurs van dit boek.
opdracht 9 a b
c
d
e f
Gebruik Uitbreiding Britse Rijk in de Caraïben, Winstgevende handel over zee, bron 14, 15 en 16. Noem twee redenen waarom de eilanden in de Caraïben geschikt waren voor plantagelandbouw. Een bewering: ‘De opkomst van de plantagelandbouw was een belangrijke oorzaak van de driehoekshandel.’ Leg met behulp van bron 15 uit wat driehoekshandel is. Beredeneer vervolgens in hoeverre de bewering juist is. Maak duidelijk dat de intensieve verbouwing van suiker op Jamaica en Barbados zorgde voor zowel de opkomst als de ondergang van de plantagelandbouw. Leg uit dat de tekening van bron 14 bedoeld was om Europese investeerders ervan te overtuigen dat de produc tie van suiker in de Caraïben een goede investering was. Wat hoopte de tekenaar van bron 16 met de publicatie van zijn tekening te bereiken? Beredeneer welk effect de afschaffing van de slavernij had op de winstgevendheid van de plantages op Barbados en Jamaica.
opdracht 10 vaardigheid
Oorzaken Gebruik Oplopende spanningen in Noord-Amerika. a Wat was voor de kolonisten de aanleiding om in opstand te komen tegen het Britse bestuur? b Wat was de oorzaak voor het invoeren van belasting op gebruiksartikelen in Noord-Amerika? c De Britse belastingen raakten bijna alle kolonisten in Noord-Amerika. Geef hiervoor een verklaring.
opdracht 11
Gebruik Verlichting en onafhankelijkheid, en bron 17. a Maak duidelijk waarom volkssoevereiniteit voor de kolonisten zo belangrijk was. b Noem twee natuurlijke rechten die voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijders heel belangrijk waren. Leg uit waarom dit leidde tot hun strijd tegen de Britse overheersing. c Noem twee argumenten die John Adams in bron 17 geeft voor het invoeren van een trias politica in het Amerikaanse staatsbestel.
opdracht 12 vaardigheid
Motieven Gebruik Afschaffing van de slavernij, en bron 18. a Abolitionisten hadden verschillende motieven om zich tegen slavernij te verzetten. Noem twee motieven. b Geef bij elk motief een argument dat werd gebruikt om de slavernij af te wijzen.
c Bedenk welk motief veel werd gebruikt om aan te geven dat slavernij in stand gehouden moest worden. d Bedenk zelf nog een motief voor en een motief tegen abolitionisme. e Bedenk drie motieven voor abolitionisten om in de strijd tegen de slavernij geïllustreerde boeken zoals dat van bron 18 als ‘wapens’ te gebruiken.
opdracht 13 actieve werkvorm
a
b c d
Gebruik bron 19. Hoewel de brief van bron 19 beleefd en vriendelijk van toon is, klinkt er toch ironie en cynisme in door. Het is duidelijk dat de schrijver als slaaf veel ellende heeft meegemaakt. Noem drie voorbeelden uit de brief waar de schrijver ironisch / cynisch is. Geef per voorbeeld aan wat de realiteit waarschijnlijk was. Formuleer een onderzoeksvraag die je met behulp van bron 19 kunt beantwoorden. Zoek online twee andere (primaire) bronnen die ook helpen bij het beantwoorden van jouw onderzoeksvraag. Werk jouw onderzoeksvraag uit met behulp van bron 19 en de twee bronnen die je zelf hebt gevonden. Maak met bronvermelding duidelijk welke informatie in jouw uitwerking uit welke bron voortkomt.
opdracht 14 samenvatting
1 2 3 a b c d
De leidende vraag bij paragraaf 1.1 is: Op welke manieren ontwikkelden zich de Engelse koloniën in de Amerika’s (1585-1833)? In de paragraaf zijn drie verschillende soorten Engelse koloniën besproken: De vestigingskoloniën in het noorden van Noord-Amerika (New-England) De plantagekoloniën in het zuiden van Noord-Amerika (Virginia) De plantagekoloniën van de Caraïben, met name Jamaica en Barbados. Vertel voor elke soort kolonie afzonderlijk: Wanneer is deze soort kolonie ongeveer ontstaan? Welke reden(en) hadden kolonisten om zich hier te vestigen? Hoe verliep de samenwerking tussen kolonisten en inheemse bewoners? Welke rol speelde slavernij in het economische succes en hoe keek men aan tegen abolitionisme?
Onthouden: 2a, 4a, 5c, 5d, 6a, 7a, 9a, 10a, 10b, 12a Begrijpen:1a, 1b, 2b, 3a, 5a, 5b, 7b, 9c, 9e, 10c, 11a, 12b, 13a Toepassen: 2c, 3b, 4b, 6b, 6c, 6d, 7c, 7d, 9b, 9d, 9f, 11c, 12c, 13b, 13c, 13d Analyseren: 1c, 3c, 3d, 3e, 5e, 8a, 8b, 8c, 8d, 11b, 12d, 12e
36
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
1.2
India als trots van het Britse rijk 25 29 31 33 34
bron 21
Kenmerkende aspecten
Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. De opkomst van emancipatiebewegingen.
Leidende vraag
Waardoor werd India in de negentiende eeuw de belangrijkste kolonie binnen het Britse Rijk (1765-1885)?
De negenjarige prins Duleep Singh met zijn twee legeraanvoerders Labh en Tej en een bediende, die achter hem staat om hem te ondersteunen tijdens zijn strijd tegen het Britse leger. Indiaas schilderij van een onbekende schilder (1846).
Duleep Singh verliest zijn macht Halverwege de negentiende eeuw bestuurde de negenjarige Duleep Singh de provincie Punjab in Noordoost-India. Punjab was een van de laatste onafhankelijke gebieden in India. Voor de verdediging van zijn rijk vertrouwde Duleep Singh op zijn legerleiders Labh en Tej. Maar zij maakten geheime afspraken
met het Britse leger en lieten de jonge Duleep Singh in de steek. Na de overwinning op Punjab in 1849 had GrootBrittannië bijna het gehele Indiase subcontinent onder haar hoede. Duleep Singh zou Punjab in naam blijven regeren met ‘ondersteuning’ van de Britten. In de praktijk had hij natuurlijk weinig te zeggen. Ook moest hij alle staatseigendommen overdragen aan de Britten, als
37
1.2 India als trots van het Britse rijk
genoegdoening voor de oorlogsschade die ze hadden opgelopen tijdens de jarenlange strijd. Duleep Singh moest zelfs zijn geliefde Koh-i-Noor-diamant afstaan.
Delhi Punjab
Karachi
Mumbai Bombay (1638)
Madras
Chennai
(1639)
Go lf v
Bengaluru
an Be n
ga l
en
ee
Ongeveer drie vierde deel van India was in handen van de Mogols. De vorsten van deze dynastie regeerden dit gebied sinds het begin van de zestiende eeuw. Aan het begin van de zeventiende eeuw vestigden handelaren uit Portugal, de Republiek en Engeland zich aan de Indiase kust. De Mogolvorsten vonden dat prima: meer handelaren betekende immers meer handel en dus meer winst, ook voor hen. Ruwe katoen en zijde waren populair bij de Europeanen, net als de prachtig bewerkte stoffen en tapijten die Indiase wevers en handwerkers maakten. Deze producten werden verkocht tegen producten waar in India vraag naar was, zoals bewerkt goud, zilver en porselein. Om zo effectief mogelijk te kunnen handelen in en met India richtten de Britten de East India Company (EIC) op. Deze compagnie was vergelijkbaar met de VOC. Beide compagnieën hadden namens hun land van herkomst het alleenrecht op de handel in en met Azië. Britse handelaren die zaken wilden doen in Azië, waren dus verplicht zich bij de EIC aan te sluiten. Ook mocht de EIC, net als de VOC, verdragen sluiten met plaatselijke leiders, zoals de Mogolvorsten in India. Een derde overeenkomst is dat beide compagnieën het recht hadden geweld te gebruiken om de handel te beschermen. De EIC streefde naar handelsmonopolies. Ook de VOC en de Portugezen wilden handelsmonopolies. Ze dachten aan kleine monopolies, bijvoorbeeld voor één product (peper, zijde, ivoor), of voor het gebied direct rondom een factorij. De Mogolvorst Djehangir beloofde de Britten echter een handelsmonopolie voor alle handel met het gehele Mogol-rijk. De East India Company stichtte na de handelsovereenkomst met Djehangir factorijen op strategische punten aan de Indiase kust. De VOC en de Portugezen bleven ook actief in India, maar liepen regelmatig tegen de Britse handelsafspraken aan. Strijd daarover werd meestal gewonnen door de Britten, die immers de Mogols aan hun kant hadden.
(1690)
(1612)
Z he isc
Handelsmonopolie voor de Britten
Calcutta Kolkata
Surat
ab Ar
Na de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten verlegden de Britten hun aandacht naar India. Het land werd een belangrijke leverancier van ruwe katoen en een afzetmarkt voor de katoenen eindproducten uit de textielindustrie in Noord-Engeland. Deze paragraaf vertelt hoe Groot-Brittannië haar macht in India verkreeg en uitbreidde, welke gevolgen dat had voor haar onderdanen en hoe de Indiërs omgingen met het Britse bestuur.
Bengalen
INDIA
0
bron 22
250
500 km
De belangrijkste factorijen van de East India Company aan de kust van India.
‘Ik heb aan alle koninkrijken en havens in mijn rijken opdracht gegeven alle handelaren van de Engelse Natie te ontvangen als onderdanen van mijn vriend; dat in elke plaats waar zij verkiezen te leven zij volledige vrijheid genieten zonder beperkingen; en in welke haven zij ook zullen arriveren noch Portugal noch enig ander land het zal wagen hun rust te molesteren; en in welke stad zij resideren, ik heb aan al mijn gouverneurs en kapiteins de opdracht gegeven de Engelsen alle vrijheid te geven die ze wensen; te verkopen, kopen en transporteren naar hun land wat zij maar wensen. Ter bevestiging van onze liefde en vriendschap wens ik dat Uwe Majesteit aan zijn kooplieden opdracht geeft in hun schepen allerhande soorten rariteiten en rijke goederen mee te nemen die geschikt zijn voor mijn paleis; en dat het u behaagt mij uw koninklijke brieven te sturen bij elke gelegenheid, dat ik mij mag verheugen in uw goede gezondheid en voorspoedige zaken; dat onze vriendschap wederzijds en eeuwigdurend moge zijn.’ Uit: Brief van Djehangir aan James I (1617).
bron 23
Katoen als belangrijkste handelswaar In tegenstelling tot in Noord-Amerika ontstonden in India in de zeventiende eeuw geen vestigingskoloniën en ook geen plantagekoloniën. De Engelsen bleven in hun factorijen aan de kust en zochten contact met Indiase tussenpersonen die bania’s werden genoemd. Deze bania’s maakten handelsafspraken met de katoentelers, spinners en wevers in het binnenland. Ook zorgden zij dat alle ingekochte stoffen klaar voor transport werden afgeleverd bij de factorijen. De telers, wevers en spinners in India bleven tot in de achttiende eeuw onafhankelijk van de Britse overheersers. De
38
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
he tisc lan a an Oce
In dit schilderij is veel nadruk gelegd op de prachtige stoffen waarvan de kleding van de vrouw is gemaakt. Schilderij van Francesco Renaldi, 1789.
aan
bron 25
Oce
handel was voor hen winstgevend, vooral omdat de vraag naar de stoffen bleef groeien. De mooie stoffen uit India werden een statussymbool voor rijke burgers in Europa. De katoenen stoffen waren veel zachter en prettiger om kleding van te maken dan de wollen en linnen stoffen die in Europa veel gedragen werden. Ook de bevolkingsgroei in Europa zorgde voor een blijvend groeiende vraag naar de Indiase stoffen. Toch brachten de Britten lang niet alle katoen en katoenen stoffen naar Europa. Een deel ervan ruilden ze in Azië tegen specerijen en andere producten die in Europa zeer waardevol waren. Weer een ander deel brachten de Britten naar Afrika, om het daar te ruilen tegen slaven. Zo werden dus de specerijen handel en de trans-Atlantische slavenhandel gedeeltelijk betaald met Indiase stoffen.
ote Gr
De factorij van de Britse East India Company in Surat, India, 1680.
At
bron 24
Grote Ocea
an
Het goud en zilver waarmee de Britten de stoffen in India kochten, was afkomstig uit koloniën in Amerika. De handel in katoen en katoenen stoffen uit India verbond Azië, NoordAmerika, Zuid-Amerika, Afrika en Europa met elkaar in een wereldwijd handelsnetwerk waarin het handelskapitalisme floreerde. De Britse marine, de Royal Navy, speelde een grote rol in het beschermen van de Britse handelsbelangen op zee. Het Engelse parlement legde zelfs vast dat de Royal Navy altijd sterker moest zijn dan de vloten van twee mogelijke vijanden samen. Zo verzekerde het Britse Rijk zich van militaire en economische overmacht op de wereldzeeën.
O he isc 0 Ind
ceaan 2.500 5.000 km
West-Indië en Verenigde Staten (opbrengsten plantages) China (opiumhandel) India (katoen, textiel) Afrika (slavenhandel)
bron 26
De belangrijkste wereldhandelsroutes waarin de Britten een rol speelden.
Het Verdrag van Allahabad In de loop van de achttiende eeuw verminderde de centrale macht van de Mogolvorsten in India. Ze verloren hun greep op de lokale vorsten in de verschillende provincies. Deze lokale vorsten gingen steeds meer hun eigen gang en sloten zelf verdragen met buurlanden, Europese handelaren óf de Britse East India Company. De EIC schrok er niet voor terug om met militair geweld de Britse belangen in India te verdedigen of te vergroten. Een voorbeeld hiervan is de strijd om Bengalen, een gebied in het noordoosten van India. Handelaren uit Frankrijk en uit de Republiek probeerden daar handelscontacten op te bouwen met plaatselijke producenten en leveranciers. De lokale vorst en de Mogolvorst deden daar weinig tegen, ondanks hun afspraken met de Britten. Het Britse leger greep in, veroverde het gebied en gaf het bestuur in handen van de EIC. De Mogolvorst Shah Alam II moest in 1765 het Verdrag van Allahabad tekenen. Hierin stond dat in de veroverde provincies niet de Mogolvorst, maar de East India Company voortaan de belastingen zou innen. De EIC gebruikte de opbrengsten daarvan om haar leger te bekostigen en om handelsinves teringen te doen. Het Verdrag van Allahabad paste in de veranderende machtsverhoudingen tussen Groot-Brittannië en India. De Amerikaanse onafhankelijkheid in 1776 en de ineenstorting van
39
1.2 India als trots van het Britse rijk
bron 27
De Mogolvorst Shah Alam II ondertekent het Verdrag van Allahabad. Schilderij van Benjamin West uit 1818.
de suikerproductie op Barbados en Jamaica zorgden ervoor dat India steeds belangrijker werd voor het Britse Rijk. Om meer grip te krijgen op de binnenlandse handelsstromen werden de onafhankelijke Indiase bania’s vervangen door tussenpersonen die op de loonlijst van de EIC stonden. Hierdoor nam de Britse invloed op het binnenland van India sterk toe.
In het Verdrag van Allahabad worden de medewerkers van de East India Company als volgt beschreven: ‘De sterksten en de meest machtigen, de meest edele van alle verheven edelen, de voorlopers van vele roemrijke strijders, onze trouwe dienaren en integere begunstigden, onze koninklijke genadigheid meer dan waard, de “English Company” (East India Company).’ Uit: Verdrag van Allahabad (1765).
bron 28
Britse normen en waarden in India De belangrijkste religies in India waren het hindoeïsme en de islam. Daarnaast waren er verschillende religies met minder aanhangers. Bij elke religie horen rituelen. Veel daarvan vonden de Britten vreemd. Dat gold ook voor verschillende sociale gebruiken die in de Indiase cultuur heel normaal waren. In de loop van de negentiende eeuw maakten bestuurders van de EIC
steeds meer bezwaar tegen sommige culturele gebruiken van de Indiërs. Ook sommige leden van het Britse parlement wilden maatregelen invoeren die moesten zorgen voor veranderingen in de Indiase samenleving. Westerse, Britse normen en waarden moesten leidend worden in India. Gebruiken die daarmee in strijd waren of leken, moesten verdwijnen. Dat gold voor godsdiensten, maar ook voor culturele gebruiken, zoals de zogenaamde weduweverbranding. Als een vooraanstaande man was overleden en werd gecremeerd, ondergingen zijn vrouwen hetzelfde lot, met dat verschil dat zij nog leefden als de vlammen oplaaiden.
‘Laten we ons best doen om onze wortels in de bodem van India te planten door de geleidelijke introductie en ontwikkeling van onze eigen principes en opvattingen, van onze wetten, instituten en manieren, maar bovenal – als de bron van alle verbeteringen – van onze godsdienst en als gevolg daarvan onze moraal. Europese wetten en instellingen zijn vanzelfsprekend superieur aan die van Azië. Dat geldt te meer voor de Britse wetten en instellingen. Ze kunnen met zekerheid voorspellen dat als India haar duistere, bloedige, bijgelovige gebruiken heeft ingeruild voor de zachtaardige invloed van het christelijk licht en de waarheid, orde, veiligheid en voorspoed vanzelf zullen volgen.’ Uit: een parlementaire toespraak van William Wilberforce (1832).
bron 29
40
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
De Grote Indiase Opstand Ondanks de Britse afwijzing van Indiase gebruiken en religies, accepteerden veel Indiërs het Britse gezag. Er was in India inmiddels een middenklasse opgekomen die een Engelse scholing had gehad. Veel Indiërs werkten voor de East India Company als bestuurders, of als tussenhandelaren. De leveranciers van katoen en stoffen hadden economisch belang bij een goede relatie met de Britten. Toch sluimerde er bij veel Indiërs onder de oppervlakte wel ongenoegen. Vooral als religieuze gebruiken door de Britse bestuurders ter discussie werden gesteld, kwamen Indiërs in opstand. Meestal konden de Britten deze opstanden snel stoppen. In 1857 lukte dat niet, waarschijnlijk omdat de opstand die toen begon, in het BritsIndische leger ontstond. Het Brits-Indische leger bestond uit 280.000 man. De officieren waren Brits. De gewone soldaten waren Indiërs uit alle regio’s van Brits-Indië, met verschillende religieuze achtergronden. In 1857 kreeg een legereenheid nieuwe onderdelen voor hun geweren. Al snel ging het gerucht dat deze onderdelen waren ingesmeerd met vet van varkens en koeien. Koeien zijn heilig voor hindoes en varkens zijn volgens de islam onrein. Een groep Indiase soldaten weigerde om die reden de onderdelen in gebruik te nemen. Britse officieren zetten de weigeraars gevangen. Toen andere Indiase soldaten hiervan hoorden, brak een grote opstand uit. Het lukte de opstandelingen de grote stad Delhi in te nemen en daar veel Britten te vermoorden, te mishandelen, of gevangen te nemen. De opstand breidde zich uit over grote delen van India. Ongeveer een zesde deel van Brits-Indië was korte tijd volledig los van Britse overheersing.
bron 31
De leeuw neemt wraak op de tijger. Cartoon uit het Britse tijdschrift Punch (1857).
Einde aan de Mogol-dynastie Uiteindelijk lukte het de Britten in 1858 de opstand neer te slaan. De onderlinge verschillen tussen de Indiase bevolkingsgroepen waren te groot om een sterke eenheid tegen de Britse overheersing te blijven vormen. De opstand had duidelijk gemaakt dat er wel iets moest veranderen. Kennelijk was de East India Company niet in staat om de kolonie goed te besturen. Daarom werd besloten dat het bestuur van de kolonie onder direct gezag van de Britse regering kwam. De EIC bleef wel de dagelijkse gang van zaken in India organiseren. Ook het Brits-Indische leger kreeg te maken met een reorganisatie. Officieren moesten erop letten dat een regiment niet te veel Indiërs uit dezelfde regio of met dezelfde religie bevatte. Het Britse gezag werd strenger, Engelser en liet nog minder dan voorheen ruimte voor de Indiase gewoonten en gebruiken. Het kleine beetje macht dat nog in handen van de Mogolvorst lag, werd ook door de Britten overgenomen, waardoor nu officieel een einde kwam aan de Mogol-dynastie. Van grote symbolische betekenis was dat de Britse koningin Victoria in 1876 tot keizerin van Brits-Indië werd gekroond. Nu kon er geen enkele twijfel meer over bestaan dat India onder gezag stond van het Britse Rijk. Deze ontwikkeling past binnen het modern imperialisme van de negentiende en begin twintigste eeuw. Niet alleen de Britten, maar ook andere Europese volken vergrootten hun macht over steeds grotere koloniale gebieden.
India wordt grondstoffenleverancier én afzetmarkt bron 30
Een vooraanstaande Indiase familie, halverwege de negentiende eeuw.
In de eerste anderhalve eeuw van de Britse handelscontacten met India waren Europeanen nog niet in staat net zulke mooie stoffen te produceren als de Indiërs. Dat veranderde in de achttiende eeuw dankzij de industrialisatie van de kledingindustrie in Groot-Brittannië. De Industriële Revolutie zorgde ervoor dat Groot-Brittannië minder behoefte had aan Indiase eindproducten, want die konden Britse producenten nu
41
Suezkanaal Port Saïd Suez EGYPTE
AFRIKA
aan Oce che s i Ind
aan O ce
Om alle grondstoffen en eindproducten over de wereld te kunnen verplaatsen, was een goed vervoersnetwerk nodig. In India liet de Britse overheid in de negentiende eeuw een uitgebreid spoorwegennet aanleggen. Daarmee konden de gewassen vanaf de plantages snel en in grote hoeveelheden naar de havenplaatsen worden vervoerd, om daar te worden ingescheept. Andersom konden zo de Britse eindproducten ook
AZIË
he
Treinen en het Suezkanaal
EUROPA
tisc lan At
zelf ook maken. Tegelijkertijd nam de behoefte aan de grondstof katoen snel toe. Ook andere handelsgewassen, zoals thee en tabak, konden heel goed in India worden verbouwd. Er werden daarvoor grote plantages opgezet in de binnenlanden van India. Alsnog, na eeuwen van handel tussen Britten en Indiërs, kregen gedeeltes van India langzaam maar zeker kenmerken van een plantagekolonie. Doordat de Britten India zelf bestuurden, konden ze ook bepalen welke rol India in de wereldeconomie speelde. De Britten bepaalden welke producten er werden geproduceerd en of dat werd gedaan op grote plantages, of niet Daarbij speelden de belangen van het moederland een grotere rol dan die van India zelf. Zo bepaalde Groot-Brittannië dat India de ruwe katoen ging leveren die in Groot-Brittannië zelf tot mooie stoffen en kleding kon worden gemaakt. India zou vervolgens dienen als afzetgebied voor een deel van die stoffen en kleding. Dat was een probleem voor de Indiase huisnijverheid. Miljoenen Indiërs die thuis, of in kleine bedrijfjes, stoffen en kleding produceerden, kregen te maken met concurrentie. De industrieel geproduceerde stoffen waren vaak veel goedkoper, waardoor de Indiase nijverheid het moeilijk kreeg.
Grote Oc eaan
1.2 India als trots van het Britse rijk
0
bron 32
2.000
4.000 km
De opening van het Suezkanaal in 1869.
snel en efficiënt de binnenlanden van India bereiken. Het vervoer van en naar India verliep vanaf 1869 nog sneller door de opening van het Suezkanaal in Egypte. Dit kanaal verbond de Rode Zee met de Middellandse Zee, waardoor schepen die tussen Europa en Azië voeren, niet meer om Afrika heen hoefden te varen. De bouw van het honderddrieënnegen tig kilometer lange kanaal kostte een groot aantal Egyptische arbeiders het leven. Ook financieel waren er grote problemen: de kosten vielen twee keer zo hoog uit dan vooraf gedacht. Toch werd de opening een groot feest, waarbij veel Europese staatshoofden en regeringsleiders aanwezig waren. Ze vierden vooral dat de reis over zee tussen Azië en Europa voortaan bron 33
Deze cartoon uit het Britse tijdschrift Punch (1878) laat zien hoe de minister-president van GrootBrittannië (achtergrond links) het grootste deel van de aandelen koopt in het Suezkanaal. Hierdoor krijgt Groot-Brittannië de meeste zeggenschap over het Suezkanaal. De leeuw op de voorgrond staat symbool voor Groot-Brittannië.
42
bron 34
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
Bijeenkomst van het eerste Indian National Congress in 1885. De deelnemers kwamen uit alle streken van India naar Bombay en wilden een afvaardiging zijn van de Indiase bevolking.
maar liefst 8000 kilometer korter zou zijn dan toen er nog rond Zuid-Afrika gevaren moest worden. Egypte en Frankrijk waren de grootaandeelhouders van het Suezkanaal. Egypte had zich echter diep in de schulden gestoken voor de bouw van het kanaal. Toen Groot-Brittannië interesse toonde in een groot deel van de aandelen, was de koop snel gesloten.
Indiërs willen deelnemen aan bestuur De Britse invloed op India nam in de loop van de negentiende eeuw steeds verder toe. De handelstaal was Engels, op scholen werd les gegeven alsof de kinderen in Groot-Brittannië leefden en ook het rechtssysteem was volledig Engels. Mensen uit de hogere klassen stuurden hun zonen zelfs naar Engeland of naar Zuid-Afrika (ook een Britse kolonie), om daar hun vervolgopleiding aan een universiteit te volgen. Zo ontstond een groep Engels opgeleide Indiërs die in houding en denkwijze bijna ‘Britser dan de Britten’ was. Maar ze kregen geen bestuursmacht. Want hoewel de Britten vonden dat het hun taak was de Indische bevolking volgens de Engelse richtlijnen ‘op te voeden’, waren ze niet bereid hun macht met de Indische bevolking te delen. In 1885 richtte een groep universitair geschoolde Indiërs het Indian National Congress op. Dat moest een vertegenwoordiging van het Indiase volk worden, dat een rol kon gaan spelen in het bestuur. Aanvankelijk waren de wensen van het Congress bescheiden. De deelnemers spraken zich
vooral uit tegen de economische uitbuiting van India en tegen de racistische eigenschappen van het Britse bestuur. Maar het Indian National Congress was vooral zo vernieuwend (en bedreigend voor de Britten) omdat hierin Indiërs uit alle regio’s van de kolonie verenigd waren en samenwerkten. De meeste Britse bestuurders in India reageerden afwijzend op het congres. Een groep ‘onervaren’ Indiërs kon onmogelijk zo goed besturen als de Britten, stelden zij. Bovendien vreesden de Britten dat het Indian National Congress vanuit een idee van nationalisme en eigenbelang het bestuur helemaal zou willen overnemen. Dat vonden de Britten een verschrikkelijke gedachte, want het voortbestaan en het uitbreiden van de Britse koloniale macht stond altijd op de eerste plaats. Met het zicht op de twintigste eeuw bleef Groot-Brittannië ervan overtuigd dat het haar taak was de wereld naar Brits model te vormen. Daar werkte ze hard aan: rond 1900 heerste GrootBrittannië over een kwart van de wereldbevolking.
43
1.2 India als trots van het Britse rijk
opdracht 3 vaardigheid
De doelen van het Indian National Congress werden vastgesteld tijdens de eerste bijeenkomst: ‘1 De bevordering van persoonlijk contact en vriendschap tussen de meer serieuze voorvechters van onze zaak in de verschillende delen van het rijk. 2 De beëindiging door vriendelijk en persoonlijk contact van alle mogelijke vooroordelen op gebied van ras, afkomst en regio tussen alle liefhebbers van ons land en de verdere uitbreiding en bevestiging van gevoelens van nationale eenheid die hun oorsprong hebben in het gedenkwaardige bestuur van onze geliefde lord Ripon*. 3 Het vastleggen, na uitgebreide discussie, van de volwassen mening van geleerde groepen in India over de belangrijkste en meest dringende sociale vraagstukken van het moment. 4 Het bepalen van de regels en de beste manier waarop het de komende twaalf maanden wenselijk is voor de deelnemers aan dit congres (Indiërs) te werken in het publieke belang van India.’
Motieven Gebruik Handelsmonopolie voor de Britten. Het Britse leger hielp de Mogolvorsten vaak, bijvoorbeeld bij het beschermen van de grenzen van hun rijk. Ook als twee Indiase vorsten onderling de strijd aangingen, waren Britten vaak bereid een van beide vorsten te steunen. a Bedenk een motief voor de Britten om te helpen bij de bescherming van de grenzen van het Mogolrijk. b Bedenk een motief voor de Britten om partij te kiezen in conflicten tussen Indiase vorsten.
* Lord Ripon was van 1880 tot 1884 de hoogste Britse bestuurder in India.
c
opdracht 4 vaardigheid
a b
Uit: Oprichtingsovereenkomst Indian National Congress (1885).
Hij zette zich in voor lokaal zelfbestuur voor de Indiase bevolking.
bron 35
1.2
d
Opdrachten
opdracht 1 vaardigheid
Continuïteit en verandering Gebruik Duleep Singh verliest zijn macht. Z oek online naar informatie over Duleep Singh en het verloop van zijn volwassen leven. Maak duidelijk welke continuïteit en welke verandering je ziet in Singhs relatie tot het Britse Rijk. Vergelijk je bevindingen met enkele klasgenoten.)
opdracht 2 a
b
c d
Gebruik Handelsmonopolie voor de Britten, en bron 22, 23 en 24. Maak met een citaat uit de brief van Djehangir (bron 23) duidelijk welk voordeel de Mogolvorsten hadden bij de handelsbetrekkingen met Engeland. Beredeneer met behulp van beeldelementen uit bron 22 en 24 waarom het voor Groot-Brittannië nodig was goede contacten te onderhouden met Indiase bestuurders. Geef een militaire (strategische) en een economische verklaring. Waarom wilden Europeanen zo graag handelsmonopolies krijgen in nieuw ontdekte gebieden? Maak een overzichtje van de bestuurlijke en economische verschillen en overeenkomsten in de bevoegdheden van de EIC en de VOC in de koloniën van respectievelijk het Britse Rijk en de Republiek der Nederlanden.
e
Oorzaken, gevolgen Gebruik Katoen als belangrijkste handelswaar, en bron 25 en 26. Noem drie oorzaken voor de toenemende vraag naar katoen in Groot-Brittannië. Bedenk twee gevolgen van de toegenomen beschikbaarheid van katoenen en zijden stoffen uit India op de Afrikaanse en Europese markten. Bedenk welke rol het schilderij van bron 25 gespeeld kan hebben in de toenemende Europese vraag naar Indiase stoffen. Leg uit welke indirecte rol India speelde in de transAtlantische slavenhandel. Verklaar waarom de Engelsen in Noord-Amerika wel vestigingskoloniën begonnen en in India niet.
opdracht 5
Gebruik Het Verdrag van Allahabad, en bron 27 en 28. a Beredeneer waarom de afname van de macht van de Mogolvorsten zorgde voor uitbreiding van de macht van de East India Company. b Het schilderij van bron 27 is aan het begin van de negentiende eeuw geschilderd. Welke verandering in het Britse bestuur van India had plaatsgevonden tussen de gebeurtenis die op het schilderij is afgebeeld en de periode waarin het schilderij is gemaakt? Maak duidelijk hoe dat zichtbaar is in het schilderij. c Met welke bedoeling en door wie is het citaat van bron 28 waarschijnlijk opgenomen in het Verdrag van Allahabad?
opdracht 6 vaardigheid
Motieven, standplaatsgebondenheid Gebruik Britse normen en waarden in India, en bron 29. a Geef in één zin weer hoe William Wilberforce dacht over het doorvoeren van Engelse normen en waarden in de Indiase samenleving. Geef vervolgens aan welke motieven hij geeft voor zijn standpunt. b Beschrijf in twee of drie zinnen wat jij vindt van de inhoud van bron 29 en waarom je dat vindt. Leg uit in hoeverre jouw reactie bepaald wordt door jouw eigen standplaatsgebondenheid.
44
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
opdracht 7 vaardigheid
Standplaatsgebondenheid Gebruik De Grote Indiase Opstand, en bron 31. a Het verhaal van de Grote Indiase Opstand laat zien dat de manier waarop de Britten omgingen met de Indiase cultuur ook in hun nadeel kon werken. Licht dit toe. b Voor welke landen staan de twee dieren in de tekening van bron 31 symbool? c Maak met behulp van twee beeldelementen de standplaatsgebondenheid van de tekenaar duidelijk.
opdracht 11 actieve werkvorm – vaardigheid
a
opdracht 8
Gebruik bron 30. a Welk voorbeeld van Britse invloed zie je terug op deze foto? b Bedenk onder welke Indiase bevolkingsgroepen de Britse invloed het grootst was en onder welke bevolkingsgroepen het kleinst. c De Britse invloed op het gezin op de foto van bron 30 lijkt klein. Maar dat kan schijn zijn. Bedenk drie mogelijke voorbeelden van Britse invloed op dit gezin die niet op een foto zichtbaar zijn.
opdracht 9
Gebruik Einde aan de Mogol-dynastie, en India wordt grondstoffenleverancier én afzetmarkt. a Hoe zorgde Groot-Brittannië in de negentiende eeuw voor een constante aanvoer van grondstoffen uit de koloniën? b Waarom werd het door de Industriële Revolutie belangrijk dat de koloniën ook als afzetmarkt voor Britse producten zouden dienen?
opdracht 10 relevantie
Gebruik Treinen en het Suezkanaal, en bron 32 en 33. a Hoe maakt de tekenaar van bron 33 duidelijk waarom de Britse minister-president de aandelen in het Suezkanaal kocht? Ondersteun je uitleg met twee beeldelementen. b Zoek online naar informatie over het Suezkanaal. Beschrijf in ongeveer honderdvijftig woorden of het Suezkanaal in de eenentwintigste eeuw nog belangrijk is. Beantwoord in je stuk in elk geval deze vragen: • Wie is de eigenaar of machthebber van het Suezkanaal? • Vinden er wel eens conflicten plaats over het Suezkanaal? • Hoe belangrijk is het Suezkanaal in onze moderne tijd voor de wereldhandel? (Maak dit met voorbeelden duidelijk.) • In bron 32 zie je dat het kanaal vrij smal was. Hoe is ervoor gezorgd dat moderne schepen, die veel groter en zwaarder zijn dan in de negentiende eeuw, het kanaal toch kunnen gebruiken?
b c d
e
Standplaatsgebondenheid Gebruik Indiërs willen deelnemen aan bestuur, en bron 34 en 35. De deelnemers aan het Indian National Congress kwamen uit alle delen van India. Toon dit aan met behulp van de foto van bron 34. Werk verder in een viertal. Twee leerlingen verplaatsen zich in de Britse bestuurders in India aan het eind van de negentiende eeuw. Twee andere leerlingen verplaatsen zich in de Indiërs die in Groot-Brittannië hebben gestudeerd en nu (eind negentiende eeuw) deel willen uitmaken van het bestuur van India, samen met de Britten. Bediscussieer de wensen van het Indian National Congress (bron 35) vanuit je eigen rol. Doe dat zo: Bedenk minimaal drie argumenten om je eigen positie in de discussie te onderbouwen. Voer de discussie. Bespreek de discussie na. Bepaal welke positie makkelijker/moeilijker te verdedigen was: die van de Britten of die van de Indiërs? Probeer dit ook te verklaren. Verwerk de uitkomsten van opdracht 11a en 11c in een tekst van ongeveer honderdvijftig woorden.
opdracht 12 samenvatting
De leidende vraag van paragraaf 1.2 is: Waardoor werd India in de negentiende eeuw de belangrijkste kolonie binnen het Britse Rijk (1765-1885)? a Neem de tussenkopjes van de paragraaf over en bepaal per tussenkopje (tekstdeel) welk belang de Britten hadden bij de gebeurtenissen in dat tekstdeel en welk belang de Indiërs hadden bij de gebeurtenissen in dat tekstdeel. b Bepaal per tekstdeel een voorbeeld van continuïteit en/of van verandering ten opzichte van het voorgaande tekstdeel in de manier waarop Britten en Indiërs met elkaar omgingen. c De geschiedenis van India en het Britse Rijk kent een aantal keerpunten: gebeurtenissen en/of ontwikkelingen die bepalend waren voor het verdere verloop van de geschiedenis. Schrijf drie van dergelijke keerpunten op en leg steeds kort uit waarom het een keerpunt was. Beargumenteer vervolgens welk van de drie keerpunten volgens jou het belangrijkste was.
Onthouden: 2d, 4a Begrijpen: 2a, 5a, 6a, 7a, 7b, 8a, 9a, 9b, 10a, 12a Toepassen: 2b, 2c, 4b, 4c, 4d, 4e, 5b, 5c, 7c, 10b, 11a, 11b, 12b Analyseren: 1, 3a, 3b, 6b, 8b, 8c, 11c, 11d, 11e, 12c
Het Britse rijk als economische wereldmacht
1.3 31 32 33 35 36
bron 36
Kenmerkende aspecten
De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving. Discussies over de ‘sociale kwestie’. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.
Leidende vraag
Welke rol speelden de koloniën in sociaal-economische ontwikkelingen in Groot-Brittannië (1750-1900)?
De dochters van fabrieksarbeiders dansen voor bezoekers. Zo laten ze zien wat ze allemaal hebben geleerd op school en hoe goed ze zich hebben ontwikkeld onder de hoede van hun leraren. Gravure van G. Hunt (1820).
Een beter leven voor arbeiders De ouders van de kinderen op het schilderij van bron 36 werkten voor Robert Owen. Hij had aan het einde van de achttiende eeuw een katoenweverij in Schotland gekocht. Eerder had hij gezien, gehoord en gelezen hoe zwaar het leven van fabrieksarbeiders was. Lange werkdagen, stoffige ruimtes, veel lawaai: dat kon nooit goed zijn voor het welzijn van mensen. Owen besloot in zijn eigen katoenweverij voor betere arbeidsomstandigheden te zorgen. Een arbeidsdag duurde maximaal tien uur. Dat was weinig, in die tijd. Kinderarbeid werd verboden en de kinderen moesten naar school op het fabrieksterrein. De arbeiders kregen woningen die voor die
tijd ruim en schoon waren. Owen noemde zijn fabriek New Lanark en hij deelde de winst met zijn arbeiders. New Lanark werd een succesvolle onderneming. Toch bleef Robert Owens manier van leidinggeven een uitzondering in industrieel Groot-Brittannië en haar koloniën. Deze paragraaf gaat over de sociale en politieke gevolgen van de Industriële Revolutie voor de inwoners van het Britse Rijk. De samenlevingen van Groot-Brittannië en haar koloniën veranderden snel, onder invloed van de uitbreidende wereldeconomie. Dit zorgde voor politieke onrust, zowel in Groot-Brittannië als in de koloniën.
46
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
De Industriële Revolutie
Stoom als nieuwe krachtbron
Groot-Brittannië vergrootte in de achttiende eeuw haar economische voorsprong op de rest van de wereld. Dit succes had alles te maken met de Britse koloniën. Die leverden het Britse Rijk veel grondstoffen en plantageproducten op. Ook de handel over zee was winstgevend. Deze successen waren niet uit de lucht komen vallen. In Groot-Brittannië werd veel nagedacht over mogelijkheden om bestaande successen te vergroten en bestaande problemen te overwinnen. Niet alleen technici, producenten en wetenschappers deden dat; ook onder gewone burgers was het een populaire bezigheid om over dergelijke onderwerpen na te denken en te praten. Er werden zelfs regelmatig wedstrijden gehouden waarbij mensen werden uitgedaagd mee te denken over het oplossen van een bepaald probleem. Kortom, in Engeland was al sinds de zeventiende eeuw veel meer aandacht voor ontwikkelingen en experimenteren dan in de meeste andere landen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist in Engeland een aantal uitvindingen werd gedaan die de Industriële Revolutie in gang zetten. Eén van die uitvindingen was de Spinning Jenny. Dit is een machine die in staat was om tegelijkertijd meerdere draden te maken van ruwe katoen of wol. Een spinnenwiel, waarmee voorheen altijd draad werd gesponnen, maakt maar een draad tegelijk. Na de uitvinding van de Spinning Jenny verliep de productie van weefgaren dus veel sneller dan voorheen. Samen met andere vernieuwingen en verbeteringen van het productieproces zorgde dit voor een revolutie in de textielindustrie. Vooral in Noord-Engeland, bij steden als Manchester en Liverpool, bouwden ondernemers nieuwe fabrieken die de nieuwe machines konden huisvesten.
Hoe vernieuwend de Spinning Jenny en andere machines ook waren, de energie die ze gebruikten, kwam nog steeds uit spierkracht. Maar ook dit veranderde. Aan het begin van de achttiende eeuw werd de eerste werkende stoommachine gebouwd. Dit apparaat gebruikte de kracht van stoom om iets in beweging te zetten. De kwaliteit van de eerste stoommachines was niet goed, maar rond 1775 lukte het de Britse uitvinder James Watt een goed bruikbare en stevige stoommachine te bouwen. De stoom werd opgewekt door water te verhitten. De druk van de stoom kon in de machine van Watt zo hoog oplopen dat het grote stalen wielen in beweging bracht én in beweging hield. De stoommachine kon zo gebruikt worden als een motor die de nieuwe machines in de textielindustrie in Noord-Engeland aandreef. Daardoor hoefden mensen dat niet meer met de hand te doen en kon er veel sneller en langer doorgewerkt worden. De Industriële Revolutie zorgde ervoor dat Engeland in relatief korte tijd, zo’n honderd jaar, van een landbouw-stedelijke samenleving veranderde in een industriële samenleving. De meeste mensen werkten niet langer in de landbouw, maar in de industrie. Rond 1860 was negentien procent van de Engelse bevolking werkzaam in de landbouw en veertig procent in de industrie. Doordat er steeds meer producten in fabrieken werden gemaakt, verdween langzaam maar zeker de huisnijverheid. Mensen die in hun levensonderhoud voorzagen door eigen kleinschalige spinnerijen, konden niet tegen de concurrentie van de fabrieken op, die de producten zoveel sneller en goedkoper leverden.
bron 38
bron 37
De Spinning Jenny. Engelse schoolplaat uit de negentiende eeuw.
De stoom onder de aandrijvers van de weefgetouwen (zichtbaar tussen de weefgetouwen) zorgt ervoor dat de machines constant draaien. Tekening uit 1862.
1.3 Het Britse rijk als economische wereldmacht
Een veranderende samenleving Dat er steeds meer textiel werd geproduceerd, kwam goed uit. Niet alleen omdat handelaren textiel in de koloniën konden verkopen, maar ook doordat er in Groot-Brittannië zelf een toenemende vraag was. Dat kwam doordat het aantal Britten snel toenam. Deze bevolkingsgroei had twee oorzaken. Ten eerste verbeterde de landbouw. Daardoor ontstonden voedseloverschotten in plaats van voedseltekorten. Ten tweede nam de aandacht voor verbetering van hygiëne en de bestrijding van ziekten toe. Vandaar dat de Britten gemiddeld steeds ouder werden en de bevolking in omvang toenam. De bevolkingsgroei bracht een grotere vraag naar kleding en huishoudtextiel met zich mee. Het zorgde ook dat er steeds meer goedkope arbeiders beschikbaar waren. Die ontwikkeling werd nog versterkt doordat er op het platteland een bevolkingsoverschot was ontstaan. De uitvinding van verschillende landbouwmachines en het invoeren van betere landbouwtechnieken hadden ervoor gezorgd dat het werk op het land door veel minder mensen kon worden gedaan. Daardoor trokken steeds meer mensen van het platteland naar de steden in de hoop dat ze werk zouden vinden in de (textiel)
47
fabrieken. De fabrikanten konden deze goedkope arbeiders goed gebruiken om aan de groeiende vraag naar textiel producten te voldoen. In hoog tempo werden in de steden nieuwe wijken gebouwd waar arbeiders met hun gezinnen konden wonen, liefst zo dicht mogelijk bij de fabriek. Daarbij werd weinig aandacht besteed aan comfort en hygiëne. Voor fabrikanten was de gezondheid van de arbeiders namelijk niet heel belangrijk: er waren zoveel mensen beschikbaar, dat een zieke of zwakke arbeider gemakkelijk vervangen kon worden.
Vaar- en spoorwegen Grote fabrieken en nieuwe industriesteden werden veelal bij water gebouwd. De nabijheid van een kanaal, een rivier of de open zee maakte het gemakkelijk om grondstoffen, eindproducten en arbeiders te vervoeren. Het feit dat schepen dankzij de stoommachine op stoomkracht konden varen, maakte alles nog gemakkelijker. Daardoor konden de schepen sneller varen dan wanneer ze afhankelijk waren van windkracht én ze konden zwaarder worden beladen. De hoeveelheid producten die vervoerd moest worden, liep door de almaar uitbreidende industrie in Groot-Brittannië steeds verder op. Waterwegen alleen waren niet genoeg om alle benodigde grondstoffen en eindproducten op tijd van de ene naar de andere locatie te vervoeren. Er ontstond grote behoefte aan een nieuwe vorm van (snel) vervoer. De stoommachine maakte de ontwikkeling van stoomtreinen mogelijk. In 1825 trok een stoomlocomotief voor het eerst over een lange afstand een wagon vol steenkool over een treinspoor. Kort daarna vervoerde een trein de eerste personen over het spoor tussen de fabriekssteden Stockton en Darlington in het noordoosten van Engeland. Fabriekseigenaren begrepen snel dat grondstoffen, eindproducten en mensen nog sneller van en naar de industriesteden konden worden vervoerd via het spoor. Wat begon als een enkele spoorlijn, breidde zich in dertig jaar tijd uit tot een spoorwegnetwerk dat het hele grondgebied van Groot-Brittannië besloeg. De verplaatsing van goederen verliep hiermee sneller, efficiënter en dus winstgevender. Dat GrootBrittannië ook in India een groot spoorwegennet liet aanleggen, om ook daar de verbindingen tussen de zeehavens en de binnenlanden sterk te verbeteren, is dus niet verwonderlijk.
Verschuivingen in de wereldeconomie bron 39
Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd kleding vooral van katoen gemaakt. Het grote voordeel ten opzichte van wol en linnen was dat katoen heet gewassen kon worden. Zo werden allerlei bacteriën gedood tijdens het wassen en zorgde de kleding voor een betere hygiëne en betere afweer tegen ziekte kiemen. Afbeelding uit een Frans modetijdschrift, 1856.
Met de groei van de textielindustrie in Groot-Brittannië nam de vraag naar ruwe katoen uit het buitenland in hoog tempo toe. Dat veranderde de relatie met de Indiase tussenleveranciers. Britten handelden niet langer met tussenpersonen (de bania’s), maar namen het heft in eigen handen. In plaats van kant en klare producten en mooie geweven stoffen, vroegen Britse handelaren naar ruwe katoen om deze zelf te kunnen
48
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
0
1840
50
100 km
0
1850
Schotland
100 km
al
100 km
Engeland
Wales
ana
50
zee rd oo N
zee rd oo N
Engeland
Wales
Het K
0
1872 Schotland
zee rd oo N
Engeland
bron 40
50
Schotland
Wales
Het K
ana
al
Het K
ana
al
De groei van het aantal spoorwegverbindingen in Engeland en Wales tussen 1840, 1850 en 1872.
bewerken in de Britse industrie. Daardoor werd India ook steeds belangrijker als afzetmarkt voor de Britse eindproducten. Ondertussen bleven ook de Britse koloniën in de Caraïben (Jamaica en Barbados) en de Verenigde Staten een belangrijke rol spelen als leveranciers van grondstoffen en plantageopbrengsten. Uit Barbados en Jamaica kwamen nog steeds vooral suiker, tabak en rijst, de Verenigde Staten leverden steeds meer katoen. Vooral de zuidelijke staten waren belangrijke katoenleveranciers. Het werk op deze plantages werd nog steeds verricht door slaven. Doordat de vraag naar katoen toenam, nam het aantal slaven dat op de katoenplantages werkte, ook toe. Nooit eerder was het aantal slaven in de Verenigde Staten zo hoog geweest als in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Dat de economie van het Britse Rijk kwetsbaar was voor
gebeurtenissen buiten haar territorium werd duidelijk toen tussen 1861 en 1865 in Noord-Amerika een burgeroorlog woedde. Een belangrijke oorzaak van deze burgeroorlog was de onenigheid tussen de noordelijke en zuidelijke staten over de afschaffing van de slavernij. Toen de zuidelijke staten besloten onafhankelijk te worden van de Verenigde Staten, besloten de noordelijke staten de export van zuidelijke producten te saboteren. De aanvoer naar Groot-Brittannië van Amerikaans katoen kwam hierdoor vrijwel stil te liggen. De fabrieken in Groot-Brittannië kregen hierdoor te weinig ruwe katoen geleverd om winstgevend te blijven draaien. Om te voorkomen dat zo’n situatie zich in de toekomst nog een keer zou voordoen, richtte Groot-Brittannië zich voor de productie van ruwe katoen nog meer tot het ‘eigen’ India.
Invoer van ruwe katoen in Groot-Brittannië tussen 1700 en 1860. Achter elke periode staat hoeveel miljoenen kilo’s katoen in die periode werden ingevoerd.
De industrialisatie van Groot-Brittannië zorgde ervoor dat het handelskapitalisme uit de zeventiende en achttiende eeuw veranderde in industrieel kapitalisme. Ondernemers wilden zoveel mogelijk vrijheid om fabrieken te bouwen, goederen te produceren en te verhandelen. De overheid moest volgens hen zorgen voor bescherming van de productie en de handel en voor het tegengaan van buitenlandse concurrentie. Verder moest de overheid vooral weinig doen: hoe meer regels en bemoeienis, hoe minder goed de handel zou verlopen, meenden veel ondernemers. Zij wilden een liberale markteconomie met zoveel mogelijk ruimte voor wereldwijde vrijhandel. Het Britse parlement begreep heel goed dat de welvaart van het land gebaat was bij vrijhandel. Zodra ergens op de wereld een beperking van handelsmogelijkheden dreigde, stuurde Groot-Brittannië haar Royal Navy erheen om vrijhandel af te dwingen. Dit deed ze ook naar gebieden die geen deel uitmaakten van het Britse Rijk. Twee oorlogen die Groot-
Periode
Periode
1701-1710
50
1781-1790
812
1711-1720
67
1791-1800 1.393
1721-1730
68
1801-1810
3.025
1731-1740
78
1811-1820
4.810
1741-1750
97
1821-1830
8.326
1751-1760
125
1831-1840 15.271
1761-1770
167
1841-1850 25.173
1771-1780
232
1851-1860 38.645
Uit: R. Davis, The Industrial Revolution and British Overseas Trade (1979).
bron 41
Vrijhandel op de wereldzeeën
1.3 Het Britse rijk als economische wereldmacht
bron 42
49
Een Britse schoolplaat uit 1833 brengt de ontwikkeling van de stoomtrein tussen 1825 en 1833 in beeld.
Brittannië in de eerste helft van de negentiende eeuw met China voerde, illustreren dit. China wilde alleen handelen onder haar eigen voorwaarden en stond niet alle Britse handel toe. Zo verbood de Chinese keizer de handel in de zeer verslavende, maar voor de Britten uiterst winstgevende drug opium. De Royal Navy, die bestond uit moderne stoomschepen, schoot de ouderwetse Chinese vloot aan flarden en dwong China een verdrag te tekenen waarmee Groot-Brittannië Hongkong in handen kreeg. Ook kreeg Groot-Brittannië door het verdrag toegang tot andere Chinese havens en hoefde het voortaan nog nauwelijks invoerrechten te betalen. Daarmee lag de enorme Chinese markt open voor Britse handelaren.
Politieke macht voor de ondernemers Voor verkiezingen van parlementsleden gebruikte GrootBrittannië een districtenstelsel. Het land was verdeeld in districten (regio’s) en elk district mocht mensen afvaardigen naar het parlement. Maar in de loop van de eeuwen waren
sommige districten veel minder belangrijk geworden, terwijl andere, bijvoorbeeld de nieuwe industriegebieden, juist veel belangrijker waren geworden. Het was tijd om het systeem te herzien. Vooral de industriële ondernemers drongen hierop aan. Zij vonden het niet terecht dat zij weinig politieke invloed hadden, terwijl een totaal verarmd en ontvolkt plattelandsdistrict soms juist veel politieke invloed had. Van oudsher hadden oude, adellijke families veel politieke macht in Groot-Brittannië. Deze families waren fel tegen een herziening van het kiessysteem, omdat ze bang waren dat ze hun aanzien en invloed zouden verliezen. Veel edelen keken bovendien erg neer op al die nieuwe ondernemers die in korte tijd rijk waren geworden en nu ook nog politieke macht wilden. Toch werd in 1832 de Reform Bill (hervormingswet) aangenomen. Deze wet veranderde de samenstelling van de districten, waardoor regio’s met een sterke bevolkingsgroei meer invloed kregen. Maar niet iedereen die in deze regio’s woonde, profiteerde van het herziene kiessysteem. Aan het kiesrecht waren namelijk eisen verbonden. Zo moest je bijvoorbeeld beschikken over een bepaalde hoeveelheid geld of
50
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
bron 43
Werkomstandigheden in een ijzerwalserij. Schilderij van Adolph Menzel uit 1875.
bezittingen. Hierdoor mochten alle huiseigenaren stemmen. Dat leverde de nieuwe industriegebieden met hun grote steden veel politieke invloed op. Maar de meeste arbeiders en ambachtslieden hadden weinig bezittingen en vielen nog steeds buiten het kiesrecht. Het was vooral de gegoede burgerij, de ondernemers in de industriesteden, die profiteerde van de Reform Bill.
bedrijfsongevallen. Niet alle arbeiders waren blij met de Factory Acts. Sommige arbeidersgezinnen konden met het kleine beetje extra inkomen van de kinderen net het hoofd boven water houden. Deze gezinnen kwamen door de nieuwe regels juist nog meer in de problemen.
De arbeidersklasse laat zich horen Voor de arbeiders was het leven in de industriesteden hard en zwaar. Ze woonden in overbevolkte, verpauperde wijken en werkten tegen lage lonen en vaak onder gevaarlijke omstandigheden. Alcoholisme, criminaliteit en ziekte waren verschijnselen die hun levens nog erbarmelijker maakten. Omdat ze geen kiesrecht hadden, konden arbeiders geen vertegenwoordigers in het parlement kiezen die deze situatie wilden verbeteren. Wel kwamen groepen arbeiders steeds vaker in protest en groeide het socialisme uit tot een politieke stroming waar rekening mee gehouden moest worden. Het Britse parlement hield zich liever niet bezig met de sociale kwestie. De meeste parlementsleden vonden dat fabriekseigenaren zelf moesten zorgen voor fatsoenlijke werken woonomstandigheden. Daar bemoeide de overheid zich liever niet mee. Onder druk van protesten en vakbonden, én door de invloed van mensen als Robert Owen (zie de inleiding van deze paragraaf) kwamen er in 1833 toch enkele Factory Acts (fabriekswetten). Hierin werd geregeld dat kinderarbeid in fabrieken verboden was voor kinderen die jonger dan negen jaar waren en dat de werktijden voor kinderen tussen de negen en dertien jaar beperkt werden. Kinderen moesten voortaan minimaal twee uur per dag onderwijs krijgen. Ook kwamen er regels voor de inzet van vrouwen en ouderen in fabrieken en over de wijze waarop moest worden omgegaan met
bron 44
Een arbeidster leest dat in de Factory Acts regels voor vrouwen in fabrieken zijn vastgelegd. In het onderschrift staat: ‘Wat een brutaliteit, mij is nooit iets gevraagd.’
51
1.3 Het Britse rijk als economische wereldmacht
bron 45
Het Britse Rijk in 1886. De figuren naast de kaart symboliseren de Britse koloniën. Vrouwe Brittannia staat in het midden. Kaart getekend door Walter Crane (1886).
Concurrentie uit Amerika en Duitsland Veel ondernemers die in Groot-Brittannië rijk waren geworden, investeerden een deel van hun geld in de Britse koloniën. De spoorwegen in India werden voor een belangrijk deel bekostigd door investeringen uit Groot-Brittannië. Londen werd steeds belangrijker als financieel centrum van de wereld. De eerste wereldtentoonstelling in 1851 maakte duidelijk dat GrootBrittannië ook op technologisch en cultureel gebied veel verder was dan andere grote Europese landen. Maar die positie kwam onder druk te staan. Na afloop van de burgeroorlog in de Verenigde Staten (1865) werd deze voormalige kolonie van Engeland een steeds sterkere concurrent op economisch gebied. Ook het in 1871 uitgeroepen keizerrijk Duitsland werd op industrieel gebied al snel net zo sterk als Groot-Brittannië. Europese landen richtten zich steeds heviger op het verkrijgen van nieuwe koloniën, niet alleen als leveranciers van grondstoffen en als afzetgebieden voor de Europese eindproducten, maar ook om aanzien en macht te verkrijgen. De rivaliteit tussen de Europese mogendheden nam in de tweede helft van de negentiende eeuw dus sterk toe. Groot-Brittannië was echter niet van plan zich te laten inhalen door andere grootmachten. Aan het einde van de negentiende
eeuw vergrootte Groot-Brittannië haar rijk verder door er nog meer gebieden in Afrika, het Midden-Oosten en Azië aan toe te voegen.
1.3
Opdrachten
opdracht 1 vaardigheid a b
c
d
Representativiteit van bronnen Gebruik Een beter leven voor arbeiders, en bron 36 en 46. Beschrijf in drie zinnen wat je ziet in bron 36. Beargumenteer in hoeverre deze bron representatief is voor de leefomstandigheden van arbeiderskinderen in de negentiende eeuw. Maak met een citaat uit bron 46 duidelijk dat de leerplicht op New Lanark zorgde voor meer arbeiders voor Owens fabriek. In het verhaal over New Lanark staan ideeën die passen bij een politiek-maatschappelijke stroming uit de negentiende eeuw. Leg met voorbeelden uit welke stroming bedoeld wordt.
52
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
Een bezoeker kijkt met Robert Owen rond in een klaslokaal in New Lanark, waar kleuters spelen: ‘Een groot aantal kinderen, in de leeftijd tussen één en drie jaar oud, was verzameld in een grote ruimte. Ze waren onder de hoede van een zorgzame vrouw (Molly Young), die hen toestond zichzelf te vermaken met allerlei speelgoed. Soms verzamelde ze de oudste kinderen om met hen het alfabet door te nemen. Ze zagen er gelukkig uit en terwijl we binnenkwamen, renden de kleintjes naar meneer Owen om zijn hand te pakken en aan zijn jas te trekken. Deze kleuterschool is een groot goed voor het werk omdat het de moeders in staat stelt hun huis af te sluiten en zich te voegen bij de fabrieksarbeiders zonder zich zorgen te hoeven maken over hun kinderen.’ Uit: Een verslag van een Amerikaanse bezoeker aan New Lanark (1819).
bron 46
opdracht 2 vaardigheid
Gevolgen Gebruik De Industriële Revolutie, Stoom als nieuwe krachtbron, en bron 37 en 38. a Noem twee veranderingen die de Spinning Jenny veroorzaakte in de productie van textiel. b Noem twee veranderingen die de stoommachine veroorzaakte in de productie van textiel. c Bepaal welke gevolgen de veranderingen hebben gehad. Neem daartoe het schema over en vul het in. Economische gevolgen Sociaal-maatschappelijke gevolgen Gevolgen voor transport en vervoer
Politieke gevolgen
opdracht 3 vaardigheid a b c
d
e
Oorzaken, gevolgen Gebruik Een veranderende samenleving, en bron 39. Noem de oorzaken van de bevolkingsgroei in GrootBrittannië in de achttiende eeuw. Geef twee oorzaken van het toenemen van de landbouw opbrengst in Groot-Brittannië in de achttiende eeuw. De tekening van bron 39 werd gepubliceerd in een modemagazine. Beredeneer dat dergelijke tekeningen de vraag naar katoenen kleding deden toenemen. Een bewering: ‘Het gebruik van katoenen kleding droeg bij aan de bevolkingsgroei.’ Geef een argument voor de juistheid van de bewering. Maak een schema van oorzaak en gevolg. Begin met de verbeteringen in de landbouw en eindig met de industriële samenleving. Zorg dat het schema uit minimaal vijf stappen bestaat.
opdracht 4 vaardigheid
Oorzaken, gevolgen Gebruik Vaar- en spoorwegen, en bron 40 en 42. a Maak met behulp van bron 40 duidelijk in welke delen van Groot-Brittannië de meeste productie was. b Leg uit dat je uit bron 42 kunt afleiden dat veel Britten trots waren op de snelle ontwikkeling van de spoorwegen. c De bouw van spoorwegen is zowel een oorzaak als een gevolg van de toenemende productie in Groot-Brittannië. Leg dit uit.
opdracht 5 vaardigheid
Oorzaken Gebruik Verschuivingen in de wereldeconomie, en bron 41. a Leg met cijfers uit bron 41 uit welk decennium je kunt beschouwen als het begin van de Industriële Revolutie. b Tussen 1861 en 1865 werd de Amerikaanse burgeroorlog uitgevochten. Stel dat de tabel van bron 42 zou doorlopen tot 1900. Beredeneer welke ontwikkeling in de cijfers je zou zien in de periode 1850-1870. Doe dat ook voor de periode 1870-1900.
opdracht 6 vaardigheid a b c
d e
Continuïteit en verandering Gebruik Vrijhandel op de wereldzeeën. Schrijf een definitie op van handelskapitalisme. Schrijf ook een definitie op van industrieel kapitalisme. Vergelijk deze twee vormen van kapitalisme. Noteer twee verschillen en twee overeenkomsten. Leg uit dat er bij de overgang van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme zowel sprake was van continuïteit als van verandering. Leg uit waarom ondernemers graag een liberale markteconomie wilden. Leg uit dat de gebeurtenissen in China goed passen bij de rol die de overheid volgens ondernemers moest hebben.
opdracht 7
Gebruik Politieke macht voor de ondernemers, en De arbeidersklasse laat zich horen. a Leg uit waarom ondernemers graag wilden dat de Reform Bill werd geaccepteerd. b De Reform Bill leverde arbeiders geen kiesrecht op. Bedenk waarom dat zowel volgens de overheid als volgens de meeste ondernemers een goede zaak was. c Op welke manieren wisten de arbeiders toch invloed te krijgen?
opdracht 8
Gebruik De arbeidersklasse laat zich horen. a Leg uit waarom de Britse overheid weinig deed om de sociale kwestie op te lossen. b Past deze houding van de overheid bij de liberale markteconomie, of juist niet? Leg je antwoord uit.
53
1.3 Het Britse rijk als economische wereldmacht
c Beredeneer dat veel aanhangers van de liberale markteconomie tegenstanders waren van de Factory Acts. d De overheid wilde zich niet bemoeien met de sociale kwestie. Beredeneer waarom de overheid dan tóch de Factory Acts instelde.
opdracht 9 a
b c
d
Gebruik De arbeidersklasse laat zich horen, en bron 43 en 44. Formuleer met behulp van drie beeldelementen welke indruk het schilderij van bron 43 jou geeft over de arbeidsomstandigheden in deze fabriek. Bedenk twee regels voor vrouwen (bron 44) die in de Factory Acts vastgelegd kunnen zijn. De tekenaar van bron 44 wilde duidelijk maken dat niet alle arbeiders blij waren met de Factory Acts. Maak dit duidelijk met behulp van twee bronelementen. Beredeneer of de tekenaar van bron 44 zich vooral betrokken voelde bij de arbeiders, of juist bij de ondernemers.
a Werk in een tweetal. Neem het schema over. Een van jullie plaatst de vier begrippen in de hokjes 1 t/m 4. De ander plaatst de vier gebeurtenissen in de hokjes 5 t/m 8. Begrippen die naast elkaar staan, moeten een verband hebben met elkaar. Dat geldt ook voor de gebeurtenissen. Leg die verbanden uit. b Leg samen de verbanden tussen de aan elkaar grenzende gebeurtenissen en begrippen in de binnenste en buitenste cirkel. Als dat niet lukt, moet je de buitenste cirkel ‘draaien’ zodat de begrippen aan andere gebeurtenissen grenzen. Maak een overzicht waarin je voor elk van de vier gebeurtenissen uitlegt welk verband er is met de twee begrippen die aan de gebeurtenis grenzen. c Vergelijk jullie uitkomsten met een ander duo en bespreek de verbanden die jullie hebben gelegd.
4
1
5
opdracht 10 vaardigheid
Bron en vraagstelling Gebruik bron 45. a Bekijk de figuren links en rechts van de kaart. Bepaal samen welke figuur voor welke kolonie of koloniën staat. Zoek informatie over de koloniën om te bepalen waardoor de koloniën werden gekenmerkt. Maak bij elke figuur duidelijk waaraan je ziet welke kolonie hij of zij vertegenwoordigt. Maak zoveel mogelijk combinaties. Vergelijk jullie antwoorden met die van een ander duo. b Bedenk drie onderzoeksvragen waarbij bron 45 de onderzoeker van bruikbare informatie kan voorzien.
opdracht 11 relevantie
Gebruik Concurrentie uit Amerika en Duitsland. Het Britse Rijk bestaat niet meer. Wel zijn drieënvijftig voormalige koloniën van het Britse Rijk nog vrijwillig met elkaar verbonden in het Commonwealth of Nations (Gemenebest van Naties). Beredeneer welke redenen de voormalige koloniën hebben om bij dit Commonwealth of Nations te willen horen. Bedenk economische, sociale en culturele redenen. Zoek eventueel informatie online. Verwerk je bevindingen in een verslag van ongeveer honderdvijftig woorden.
opdracht 12 actieve werkvorm
Vier begrippen: Industriële Revolutie – industriële samenleving – industrieel kapitalisme – modern imperialisme Vier gebeurtenissen: uitvinding Spinning Jenny – invoering Reform Bill – invoering Factory Acts – opening Suezkanaal
8
3
het Britse Rijk negentiende eeuw
7
6
2
opdracht 13 samenvatting – vaardigheid
Gebeurtenis, verschijnsel en ontwikkeling De leidende vraag bij deze paragraaf is: Welke rol speelden de koloniën in sociaal-economische ontwikkelingen in Groot-Brittannië (1750-1900)? a Maak een overzicht van acht sociaaleconomische ontwikkelingen in Groot-Brittannië die in deze paragraaf worden beschreven. b Leg per sociaaleconomische ontwikkeling in een of twee zinnen uit welke rol de Britse koloniën speelden in deze ontwikkeling. c Vergelijk jouw overzicht met dat van een klasgenoot. Kies samen de drie sociaaleconomische ontwikkelingen die volgens jullie het belangrijkst zijn. Beargumenteer de keuzes. Onthouden: 3a, 3b, 6a, 7c, 8a, 12a Begrijpen: 1d, 2a, 2b, 3d, 4a, 4c, 5a, 6d, 6e, 7a, 8b, 8c, 9b Toepassen: 1b, 1c, 2c, 3c, 3e, 4b, 5b, 7b, 8d, 9c, 11a, 11b, 12b Analyseren:1a, 6b, 6c, 9a, 9d, 10, 11c, 12c
54
1 Het Britse Rijk (1585-1900)
Afsluiting
Leerdoelen 1.1 Nieuwe samenlevingen 1 Je kunt drie motieven beschrijven om in de zeventiende eeuw naar Amerika te verhuizen. 2 Je kunt beschrijven hoe de contacten tussen kolonisten en indianen zich ontwikkelden. 3 Je kunt verklaren waarom de komst van kolonisten zorgde voor een snelle afname van het aantal indianen. 4 Je kunt sociale en economische eigenschappen noemen van vestigingskoloniën en van plantageeconomieën. 5 Je kunt verklaren waarom de plantagekoloniën in het Caraïbisch gebied, zoals Barbados en Jamaica, winstgevender waren voor de Britse kolonisator dan de plantage koloniën in Noord-Amerika. 6 Je kunt de driehoekshandel van de Britse African Company beschrijven en verklaren. 7 Je kunt economische en politieke motieven noemen voor het verzet van de kolonisten tegen Groot-Brittannië. 8 Je kunt uitleggen hoe verlichte ideeën als trias politica, volkssoevereiniteit en natuurlijke rechten werden toegepast in de Amerikaanse grondwet. 9 Je kunt argumenten voor en tegen abolitionisme noemen. 10 Je kunt verklaren waarom het verbod op slavenhandel en slavernij in het Britse Rijk zorgde voor de economische neergang van Jamaica en Barbados. 1.2 India als trots van het Britse Rijk 1 Je kunt uitleggen dat het Britse handelsmonopolie in India voordelen had voor de Britse handelaren, maar ook voor de Indiase bevolking en de Indiase vorsten.
2
3
4
5
7
8
9
Je kunt de Britse handelswijze in India in de zeventiende eeuw, met factorijen en bania’s, beschrijven en verklaren. Je kunt de ontwikkeling van de positie van Indiase handelsproducten in de wereldeconomie van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw beschrijven en verklaren. Je kunt uitleggen waarom het Verdrag van Allahabad het einde betekende van de invloed van de Mogol vorsten op het bestuur van India. Je kunt verklaren waarom in 1857 de Grote Indiase Opstand tegen het Britse gezag uitbrak en je kunt benoemen welke gevolgen deze opstand kreeg. Je kunt het verband tussen de Industriële Revolutie in Groot-Brittannië en de opkomst van het modern imperialisme in India uitleggen. Je kunt het belang van de opening van het Suezkanaal voor de Britse handel uitleggen. Je kunt de motieven voor de oprichting van het Indian National Congress noemen.
1.3 Het Britse Rijk als economische wereldmacht 1 Je kunt het belang beschrijven van de Spinning Jenny en de stoommachine voor de ontwikkeling van de Industriële Revolutie in Engeland. 2 Je kunt oorzaken van de bevolkingsgroei in Engeland in de achttiende eeuw noemen. 3 Je kunt de uitbreiding van het Britse en Indiase spoorwegnetwerk beschrijven en daarbij verklaren waarom deze snelle uitbreiding noodzakelijk was voor de Britten. 4 Je kunt de betekenis van de Reform Bill voor de ondernemers in de Britse steden beschrijven.
5
6
Je kunt de betekenis van de Factory Acts voor Britse arbeiders beschrijven. Je kunt de veranderende positie van het Britse Rijk in de wereldeconomie aan het einde van de negentiende eeuw beschrijven en verklaren.
Begrippen abolitionisme Beweging waarvan de
aanhangers streden voor afschaffing van de slavernij.
driehoekshandel Handelsnetwerk tussen Europa, Afrika en Amerika.
dynastie Familie die gedurende meerdere generaties invloed of macht uitoefent.
factorij Handelspost aan een buitenlandse
kust die werd gebruikt als steunpunt voor de overzeese handel.
federale statenbond Onafhankelijke staten
met eigen regelgeving die met elkaar een verbond van samenwerking hebben (de federatie), waarin een gezamenlijke politiek wordt gevoerd.
handelskapitalisme Handel drijven met als doel winst te maken.
handelsmonopolie Afspraak om als enige te mogen handelen in een bepaald product, met een bepaald land, of in een bepaald gebied.
indianen Inheemse bewoners van Amerika. industrieel kapitalisme Fabrieksmatig
produceren van producten, met als doel deze met winst te verkopen.
Industriële Revolutie Overgang van een
economie van vooral landbouw en (huis) nijverheid naar een economie waarin
goederen vooral machinaal en in fabrieken worden geproduceerd.
industriële samenleving Samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken worden
gemaakt en de meeste mensen in steden wonen.
inheemse bevolking Oorspronkelijke bewoners van een gebied.
liberale markteconomie Een economie
gebaseerd op vrijhandel, met zo min
mogelijk inmenging in economische zaken door de politiek.
55
Afsluiting
Tijdbalk
modern imperialisme Het streven van WestEuropese landen na 1850 om zo groot mogelijke koloniale gebieden te verwerven.
moederland Een staat die de macht
uitoefent in een ander land of gebied
1585 Engelsen beginnen met het verkennen van Noord-Amerika als eventuele nieuwe kolonie
door koloniale overheersing.
nationalisme Voorliefde voor de eigen natie; ook wel het streven om alle mensen van hetzelfde volk in een eigen staat samen
1600
te brengen.
natuurlijke rechten Rechten die altijd, overal
1620 Pilgrim Fathers stichten kolonie
en voor iedereen zouden moeten gelden, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting.
plantage-economie Economie die
afhankelijk is van de opbrengsten van
1650
grote landbouwgebieden (plantages).
plantagekolonie Een overzees gebiedsdeel met grote landbouwgebieden waar slaven handelsgewassen voor de Europese markt verbouwden.
slavernij Systeem waarbij iemand eigendom is van een ander.
sociale kwestie De slechte
1700
levensomstandigheden van de
arbeidersklasse en de vraag hoe deze
problemen moeten worden opgelost.
socialisme Verzamelnaam van politieke stromingen die tot doel hebben de
maatschappelijke ongelijkheid op te
heffen, zoals het communisme en de sociaaldemocratie.
1750
trans-Atlantische slavenhandel Afrikanen
1765 Verdrag van Allahabad
vervoeren naar Amerika om hen daar als slaven te werk te stellen
1776 Onafhankelijkheidsverklaring Verenigde Staten van Amerika
trias politica Scheiding van de macht in drie delen: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
verlichte ideeën Ideeën die dankzij rationeel
1800
1807 Slavenhandel verboden in het Britse Rijk
(verstandelijk) redeneren ontstonden en die tot doel hadden een betere samenleving te creëren.
vestigingskolonie Een gebied waar
kolonisten zich blijvend vestigen.
volkssoevereiniteit Het volk heeft de hoogste
macht en bepaalt wie de bestuurders zijn.
vrijhandel Vrij verkeer van goederen en
1850
diensten tussen verschillende gebieden,
1832 Reform Bill 1833 Factory Acts 1833 Slavernij verboden in grote delen van het Britse Rijk 1851 Eerste wereldtentoonstelling, Londen 1857 Grote Indiase opstand
zonder belastingen en andere beperkingen.
wereldeconomie Een economisch systeem
1885 Oprichting Indian National Congress
waarin goederen uit verschillende delen van de wereld worden verhandeld.
1900
1900 Groot-Brittannië heerst over een kwart van de wereldbevolking
56
2p
2p
Examentraining 1
2
Verklaar waarom de zuidelijke koloniën in Noord-Amerika zich wel ontwikkelden tot vestigingskoloniën en de Caraïbische eilanden Jamaica en Barbados niet. Gebruik bron 1. Paine roept alle Amerikanen op te strijden tegen de Engelse overheersing. Toon aan: • dat de schrijver bij het opstellen van deze tekst geïnspireerd werd door verlichte ideeën en • dat hij daarbij het volk belangrijker vond dan het individu. Bron 1 Tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog schreef de Amerikaanse filosoof Thomas Paine in een open brief aan de Amerikanen: ‘Ik beschouw de oorlog van Amerika tegen Engeland als een oorlog van het volk, of als een oorlog namens het volk, die wordt gevoerd voor het beschermen van de natuurlijke rechten van het volk en zijn bezittingen. Het volk heeft besloten zijn rechten te verdedigen en daar zelfs zijn leven en bezittingen voor te riskeren. Het volk heeft vertegenwoordigers gekozen en heeft tegen hen gezegd: “Handel in ons belang en we zullen jullie steunen en ondersteunen.” Dit is de basis en het principe van de oorlog tegen Engeland en dus is er geen andere conclusie mogelijk dan dat elke Amerikaan aan zijn verplichtingen heeft te voldoen en zich moet inzetten ten gunste van de oorlogvoering, op welke wijze dan ook.’
4p
3
Gebruik bron 2. Een bewering: ‘In zijn speech geeft Bonnerjee zowel een wens tot continuïteit als een wens tot verandering in het bestuur van India aan.’ Geef met verwijzingen naar de bron aan: • welke continuïteit Bonnerjee wenst en • welke verandering Bonnerjee wenst. Bron 2 In 1885 opende voorzitter Womesh Chandra Bonnerjee het Indian National Congress met een toespraak: ‘Groot-Brittannië heeft veel gedaan voor het welzijn van India en het hele land is haar oprecht dankbaar daarvoor. Ze heeft ons orde gegeven, ze heeft ons spoorrails gegeven en bovenal heeft ze ons de buitengewone zegening van Westers onderwijs gegeven. Maar er moet nog veel gedaan worden. Hoe meer vooruitgang mensen boeken in welzijn en onderwijs, hoe meer inzicht zij hebben in politieke zaken en hoe groter het verlangen naar politieke verbetering. Ik denk dat onze wens om geregeerd te worden volgens de heersende principes in Europa geenszins onverenigbaar is met onze loyaliteit aan de Britse overheid. Alles wat wij wensen is dat de basis van het bestuur wordt verbreed en dat de inwoners van India hierin een fatsoenlijk en rechtmatig aandeel krijgen. De discussie die hierover gaat plaatsvinden binnen dit congres zal net zo gunstig zijn voor de nu heersende autoriteiten als voor de gehele bevolking van India.’