2026 2027
Slim leren, zeker slagen
INCLUSIEF ONLINE OMGEVING










![]()
2026 2027
INCLUSIEF ONLINE OMGEVING



























Oefen met echte examenopgaven per onderwerp en met complete examens. In het boek en online.
Oefenen, oefenen, oefenen
Uitleg b� de antwoorden
Oriëntatietoets geeft aan hoe je ervoor staat

Speciaal voor de examens Duits, Engels en Frans.
Een grote woordenschat zorgt voor beter tekstbegrip
Duidel� ke voorbeeldzinnen
Ook voor de schoolexamens

De perfecte samenvatting om je voor te bereiden op je examen.
Zo leer je precies wat je moet weten.
Complete examenstof
R� tjes en defi nities
Geen lappen tekst






Zo leer je efficiënter leren.
J e leert hoe je moet leren
Hulp b� plannen
Je kr� gt zelfi nzicht en zelfvertrouwen
M. Reints
P. Merkx
P. Sigmans
2026 2027
Auteurs
M. Reints
P. Merkx
P. Sigmans
Redactie
Marinell Bruys, Hoogerheide
Omslagontwerp
Studio Fabienne, Hoevelaken
Vormgeving
Studio Michelangela, Utrecht
Opmaak
Crius Group, Hulshout
Over ThiemeMeulenhoff
ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken.
We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd.
Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Samen leren vernieuwen.
www.thiememeulenhoff.nl
Boek ISBN 978 90 06 42481 2
Pakket ISBN 978 90 06 58902 3
Editie 1, druk 1, oplage 1, 2026
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026
Alle rechten voorbehouden. Tekst en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichtingpro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2neutraal geproduceerd.
ClimatePartner
certified product climate-id.com/YI43H3
CO2 measure reduce contribute
De eerste stap om vol vertrouwen je examen voor dit vak in te gaan heb je gezet!
Deze Examenbundel is namelijk de beste voorbereiding, omdat je oefent met echte examenopgaven. Kijk hoe het werkt.
Je Examenbundel bestaat uit verschillende delen:
• Deel 1 – Oriëntatietoets: krijg snel een eerste indruk hoe je scoort op de verschillende examenonderwerpen.
• Deel 2 – Theorie met oefenopgaven: de belangrijkste examenstof op een rijtje en oefeningen om de theorie meteen toe te passen.
• Deel 3 – Examens met uitwerkingen: oefen met hele examens met heldere uitleg van onze ervaren examendocenten.
• Deel 4 – Examen 2025-I: de generale repetitie voor het echte examen. De antwoorden en uitwerkingen staan op mijnexamenbundel.nl.
• Bijlagen – Register en cijferbepaling deel 3: kijk in het register welke vraagtypen in de examens van deel 3 voorkomen en welke paragraaf uit deel 2 erbij hoort, zodat je gericht kunt oefenen met de vraagtypen waar je nog moeite mee hebt. Bepaal na het maken van een examen eenvoudig je cijfer.
Kijk de vragen na met de uitwerkingen. Daarin staat het juiste antwoord. Maar belangrijker: je krijgt duidelijke uitleg waaróm dit het juiste antwoord is en hoe je daar komt.
Zo oefen je én leer je tegelijk!
Bij dit boek hoort een online omgeving: mijnexamenbundel.nl. Het boek en Mijn
Examenbundel werken met elkaar samen.
Boek
Maak de balans op
• oriëntatietoets maken
• hele examens maken
Leren en oefenen
• theorie met oefenopgaven
Mijn Examenbundel
• nakijken oriëntatietoets
• nakijken hele examens
Je scores worden bewaard!
• uitlegvideo’s per onderwerp
• extra examenopgaven
Je ziet je voortgang!
Ook handig
• handige begrippenlijst argumentatieve vaardigheden
• onderwerpregister
• overzicht van de examenstof
• quickscan
• examentips
Alle belangrijke info bij elkaar!
Om optimaal gebruik te maken van boek én website, verwijst het boek op handige plekken naar mijnexamenbundel.nl
Voorbeeld:
Wil je weten hoe je de toets hebt gemaakt? De antwoorden staan op mijnexamenbundel.nl. Vul je punten in en bekijk je score per onderwerp. Je scores worden bewaard.
Ga nu naar mijnexamenbundel.nl en maak meteen je account aan. Met de activatiecode die je per mail hebt ontvangen of via de ELO van je school, heb je toegang tot alle extra’s die bij je boek horen.

Wil jij je nóg beter voorbereiden op het eindexamen? Combineer Examenbundel dan met Samengevat - alle examenstof kort en bondig in één boek.
Heel veel succes!
Namens team Examenbundel heel veel succes met je examens! #ikgazekerslagen #geenexamenstress
Heb je een vraag of opmerking over deze Examenbundel? Ga dan naar examenbundel.nl/contact.
Opmerking
De overheid stelt de regels op voor het examen. Bijvoorbeeld wat de examenonderwerpen zijn, welke hulpmiddelen je mag gebruiken en wanneer het examen is. De auteurs en uitgever hebben deze Examenbundel met grote zorg samengesteld. Soms veranderen de regels van de overheid echter of worden er nieuwe afspraken gemaakt over wat die regels betekenen. Raadpleeg daarom altijd je docent of onze website www.examenbundel.nl voor actuele informatie die voor jouw examen van belang is.
Tekst 1 – Hier word je het gelukkigst 62
Tekst 2 – Geld maakt gelukkig 69
Tekst 3 – Niet waar de robots bij zijn 72 Uitwerkingen bij examen 2022-II
Examen
Tekst 1 – Juist door ver te reizen help je de wereld
85
85
Tekst 2 – Wij zijn niet ons brein, maar wel onze boekenkast 91
Tekst 3 – Breindrijverij
95
Tekst 4 – Denkfout 98
Uitwerkingen bij examen 2022-III 101
Examen 2023-I
110
Tekst 1 – De Malediven verdwijnen, maar onze consumptiedrift niet 110
Tekst 2 – Reizen is het nieuwe roken? Niet meer reizen is misschien wel schadelijker 114
Tekst 3 – Internationale ervaring bevordert creativiteit op het werk 118
Tekst 4 – De selfie-rage getuigt van een grote honger om gezien te worden
Uitwerkingen bij examen 2023-I
Examen 2023-II
Tekst 1 – Leven in een filterbubbel. Wil je dat?
Tekst 2 – Alles doen en voelen
Tekst 3 – ‘Vrouwelijkheid’ in taal zegt niet zoveel
122
125
135
135
139
143
Tekst 4 – Mensen willen graag kiezen, maar zijn er helemaal niet zo goed in 145
Uitwerkingen bij examen 2023-II
148
Examen 2024-I 158
Pulp in het Nederlandse leesonderwijs? 158
Tekst 1 – Fastfood voor jonge lezers: de schadelijke promotie van pulp in het onderwijs 158
Reacties op tekst 1 162
Tekst 2 – Toverberg 166
Onderzoek naar de waardering van De engelenmaker 169
Uitwerkingen bij examen 2024-I 174
Examen 2024-II 186
Deel 1 186
Tekst 1 – Hoe autonoom zijn we, wanneer we een deel van ons leven aan technologie ‘uitbesteden’? 186
Deel 2 194
Roddelen is een goede zaak! 194
Deel 3 199
Tekst 2 – Het mag wel wat strenger 199
Uitwerkingen bij examen 2024-II 202
Examen 2025-I 213
Deel 1 – Onderzoek naar de waarde van boosheid 213
Deel 2 221
Tekst 1 – Taal is een brug in het denken 221
Deel 3 226
Tekst 2 – We leven achter een hek. En de rest vindt dat best 226
Uitwerkingen bij examen 2025-I 231
Examen 2025-II
Deel 1
248
Tekst 1 – In jouw schoenen, in mijn hoofd 248
Deel 2 255
Tekst 2 – Goede smaak is authentieke smaak, maar hoe kun je nog authentiek zijn? 255
Deel 3 – Stemrecht vanaf je zestiende? 259
Uitwerkingen bij examen 2025-II 267
DEEL 4 EXAMEN 2026-I
Examen 2026-I
BIJLAGEN
Register
Cijferbepaling deel 3
288
De oriëntatietoets geeft je een eerste indruk.
(1) Data worden zo ijverig verzameld omdat ze goedkoop zijn, hoorde ik laatst een ambtenaar zeggen. Dat klonk logisch. Toch denk ik zelf dat ze zo ijverig worden verzameld omdat ze duur zijn. Dat klinkt namelijk nog logischer. Data zijn niet onstoffelijk, je moet ze produceren, opslaan, transporteren en distribueren: alleen al met die fysieke rompslomp is mateloos veel geld gemoeid. En dan moeten het analyseren en investeren nog beginnen.
(2) Dataficering is dus allereerst een lucratief bedrijf. Neem een analoog kind en tover dat om tot een digitaal kinddossier: nu heb je opeens apparaten nodig, meetsystemen, accounts, opslagservers, analysesoftware, netwerken. Vertaal een persoon in persoonsgegevens, een patiënt in elektronische mappen, een briefje van tien in financiële data en je hebt bedrijfsmatige infrastructuren nodig. Dataficering is big business.
(3) Waarom kijken moderne artsen niet langer naar hun patiënt, maar naar hun computer? Omdat ze druk in gesprek zijn met bedrijven die, letterlijk achter de schermen, met de patiëntgegevens aan het werk gaan. In de spreekkamer, in de kilometerteller van je auto en in alle klaslokalen zitten opeens bedrijven die er tot voor kort niet zaten. Hoe meer data je maakt, hoe meer economische bedrijvigheid er is.
(4) Nu had je vroeger natuurlijk ook data. Wetenschap, recht en bestuur hebben de werkelijkheid altijd al naar een informationele werkelijkheid vertaald – gegevens verzameld over
de wereld, categorieën en ordeningen aangebracht, profielen geschetst. Maar de informationele werkelijkheid waarmee zij kwamen aanzetten, was grotendeels publiek en openbaar. Kennis, wetten, geld en beleid waren publieke middelen.
(5) De eerste stap in de moderne revolutie is de privatisering van alles. We noemen de nieuwe grootmachten niet alleen Googlonia en Facebookistan omdat zulke bedrijven een omzet hebben waarmee ze landen evenaren, maar vooral omdat ze functies van staten overnemen. De publieke middelen worden privaat. Techgiganten zijn eigenaar van de infrastructuur, ze downloaden burgers, ze vervangen publiek geld door privaat geld en ze leggen onbekende, private normen op via software. Hun wereldmacht is niet alleen economisch, maar ook politiek.
(6) Nu is het uiteraard fijn dat bedrijven kansen zien in nieuwe technologieën. Maar het is minder fijn dat democratieën hun politieke macht zo snel uit handen geven. Het maken van data en algoritmes is politiek werk: je definieert menselijk gedrag en kiest in welke richting je dat gaat bijsturen. Over de ideologieën van techbedrijven als Amazon, Microsoft en Apple zou je daarom een gesprek in het parlement willen voeren. Maar gesprek, zeggenschap en controle zijn er niet.
(7) De macht van de technologiebedrijven heeft daardoor nu al grote totalitaire potentie. Het kan zijn dat Google de militaire robottechnologie van Boston Dynamics uit jeugdige
nieuwsgierigheid heeft aangeschaft, het kan zijn dat het bedrijf het DNA van burgers verzamelt uit wetenschappelijke bevlogenheid, maar de optelsom van militaire macht en greep op de wereldbevolking noopt tot wantrouwen. Of op zijn minst tot publieke bemoeienis.
(8) En de tweede stap in de revolu-
naar: Maxim Februari
uit: NRC Handelsblad, 28 juli 2017
Maxim Februari (1963) is jurist, schrijver en columnist.
tie? Die wordt gezet als data zich binnenkort met behulp van kunstmatige intelligentie verzelfstandigen. Kennis, wetten en beleid zijn dan niet langer publiek, niet langer privaat, maar autonoom. Misschien kunnen we daarover in het parlement ook alvast eens iets zeggen.
“De eerste stap in de moderne revolutie is de privatisering van alles.” (regels 50-51)
Volgens het tekstgedeelte dat bestaat uit alinea 1 tot en met 5 van tekst 1 doet deze privatisering zich voor in verschillende beroepsdomeinen.
1 Noem drie van deze beroepsdomeinen.
“De eerste stap in de moderne revolutie is de privatisering van alles.” (regels 50-51)
2 In welke alinea van tekst 1 komt deze “privatisering van alles” voor het eerst aan de orde?
In tekst 1 staat de ontwikkeling centraal in het eigenaarschap van data.
Deze ontwikkeling kent drie fasen.
3 Geef aan welke drie fasen dit zijn.
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 30 woorden.
“Nu is het uiteraard fijn dat bedrijven kansen zien in nieuwe technologieën. Maar het is minder fijn dat democratieën hun politieke macht zo snel uit handen geven.” (regels 66-70)
4 Hoe moeten bovenstaande twee zinnen worden begrepen in het licht van de tekst als geheel?
A Doordat de overheid zich weinig bemoeit met dataverzameling en -verwerking, richten nieuwe bedrijven zich hierop.
B Hoewel er met databewerking veel geld te verdienen is, moeten deze activiteiten voorbehouden blijven aan de overheid.
C Omdat bedrijven gemakkelijker internationaal opereren, zijn zij in het voordeel als het gaat om dataverzameling en -verwerking.
D Weliswaar valt innovatie door bedrijven te prijzen, maar in dit geval mogen ze niet ongecontroleerd hun gang gaan.
5 Tot welke tekstsoort kan tekst 1 worden gerekend, gelet op de strekking van de tekst?
De tekst is een
A beschouwing, want in de tekst komen met name verschillende visies op de toenemende dataficering aan de orde.
B beschouwing, want in de tekst komen voornamelijk visies op nieuwe technologieën aan de orde.
C betoog, want in de tekst wordt hoofdzakelijk bepleit dat de privatisering van data argwaan zou moeten wekken.
D betoog, want in de tekst wordt voortdurend bepleit dat de moderne revolutie behalve risico’s talrijke kansen kan bieden.
In tekst 1 komen diverse nadelen van de huidige omgang met data aan de orde.
6 Wat is de essentie van deze nadelen?
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
In tekst 1 worden oproepen gedaan aan politici om ervoor te zorgen dat de macht niet wordt kwijtgeraakt.
7 Welke twee dingen zouden politici hiertoe moeten agenderen volgens de tekst?
tekstfragment 1
Of, stelde Horvitz, directeur van het onderzoekslab van Microsoft, hoe eerlijk is onze democratie nog als we op basis van Facebookberichten precies weten hoe iemand zich voelt en hoe je hem moet bespelen om niet (of wel) te gaan stemmen? De Britse krant The Guardian schreef vorige maand hoe de meest geavanceerde techniek op dit gebied in handen is van big-data-miljardair Robert Mercer.
naar: Jan Benjamin, De renaissance van kunstmatige intelligentie uit: NRC Handelsblad, 13 maart 2017
8 Citeer drie zinnen uit tekst 1 die elk afzonderlijk kunnen worden gezien als een samenvatting van de zorgen die door Horvitz worden geuit in tekstfragment 1.
9 Noteer de nummers van twee alinea’s uit tekst 1 waaruit een negatieve houding blijkt ten aanzien van het afgeven van de politieke macht.
(1) Ik weet het niet met die Facebookdiscussies. Het overkomt mij regelmatig dat ik inhaak op een grammaticale vraag die een docent Nederlands stelt en dat ik terechtkom in een discussie die mij op een gegeven moment een ongemakkelijk gevoel geeft.
(2) Er is altijd een heleboel animo voor zo’n grammaticale discussie. Ook al gaat het soms maar om een woordsoort- of zinsdeelbenoeming, of om de vraag of de ene of de andere zin goed of fout is, het is een feit dat er meestal meerdere docenten enthousiast deelnemen aan de gedachtewisseling.
(3) Natuurlijk wordt het snel onoverzichtelijk, waardoor niet iedereen eerst alles leest. Daardoor zie je soms na drie dagen discussiëren iemand een antwoord toevoegen dat al eergisteren verworpen was. De discussies zijn vaker getrouwe
kopieën van iets wat al enkele jaren (of maanden) eerder besproken is, waardoor mensen met een iets minder optimistische levensopvatting dan ik al snel het gevoel zouden kunnen krijgen dat alle moeite vergeefs is. Maar dat vind ik allemaal nog tot daaraan toe.
(4) Moeilijker heb ik het met mensen die op een gegeven moment aanhaken met de opmerking “Als we het zelf al niet weten!” De gevolgtrekking daaruit moeten we meestal zelf bedenken, maar deze wordt soms verwoord met de retorische vraag “Moeten we onze leerlingen daarmee lastigvallen?” Blijkbaar is het zo dat je leerlingen ‘lastigvalt’ als je iets bespreekt wat je zelf niet weet. Dat moet je dus vooral niet doen. En dus zijn er ook altijd docenten die opmerken: “Schrappen dat voorbeeld!” Vooral niet gebruiken in een toets, en bij voorkeur ook niet
bespreken in de klas, want dat schept alleen maar verwarring.
(5) Eigenlijk is hier sprake van een soort framing1). Het frame is dat onzekerheid in het onderwijs een vorm van kindermishandeling is. Dat klinkt misschien een beetje cru, maar de vooronderstelling achter die retorische vraag is wel degelijk dat het lastigvallen van leerlingen niet in de haak is. Nee, natuurlijk moeten we leerlingen niet lastigvallen.
(6) Volgens het frame zouden leraren alleen vaten met zekere kennis mogen uitstorten over de leerlingen. Daarmee doen ze de leerlingen een plezier, omdat deze niet lastiggevallen wensen te worden. Ik geloof niet dat het zo werkt. Leren is je grenzen verleggen, en als je dat wilt doen, dan helpt het niet veel om in het veilige midden, zo ver mogelijk
naar: Peter-Arno Coppen uit: Levende Talen Magazine 2017 (104) nr. 1
van die grenzen te blijven. De onzekerheid van grensgevallen is juist wat je nodig hebt om verder te komen.
(7) Het is tijd voor reframing2): leerlingen moeten zo veel mogelijk lastiggevallen worden. Ze moeten geprikkeld, gepord, uitgedaagd en een beetje uit het lood geslagen worden. Zekerheden, daar hebben ze weinig aan (en die vinden ze diep in hun hart ook oninteressant), ze moeten juist kunnen omgaan met de onzekerheden van het leven.
Toetsen moeten vooral vragen en opdrachten bevatten waarvan de docenten de uitkomsten niet weten, zodat de leerlingen optimaal de gelegenheid krijgen om te laten zien hoe ze hierover denken of redeneren, en of ze in staat zijn om bewuste keuzes te maken.
Peter-Arno Coppen (1958) is hoogleraar Vakdidactiek aan de Letterenfaculteit van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij houdt zich onder andere bezig met grammaticaonderwijs.
noot 1 Bij framing worden woorden en beelden doelbewust gekozen, zodat bepaalde aspecten van een onderwerp worden benadrukt en andere onderbelicht blijven.
noot 2 reframing: herframing, waarbij andere aspecten van een onderwerp worden benadrukt dan bij een eerdere framing
In de inleiding van een tekst kan op verschillende manieren ervoor worden gekozen de aandacht van de lezer te trekken.
10 Voor welke manier is in alinea 1 van tekst 2 het duidelijkst gekozen?
In alinea 1 van tekst 2 wordt vooral de aandacht getrokken door
A aan te sluiten bij de actualiteit.
B af te wijken van een algemene bevinding.
C een afwijkend standpunt in te nemen.
D een persoonlijke ervaring mee te delen.
E een schokkend gegeven te presenteren.
In alinea 1 tot en met 3 van tekst 2 wordt geprobeerd het gedrag van bepaalde deelnemers aan de Facebookdiscussies over grammatica te vergoelijken.
11 Hoe wordt geprobeerd het gedrag van deze deelnemers te vergoelijken?
“Maar dat vind ik allemaal nog tot daaraan toe.” (regels 31-32)
Met de geciteerde zin toont de auteur zich toegeeflijk.
12 Waarop is deze zin een toegeving?
In alinea 4 en 5 van tekst 2 wordt bezwaar gemaakt tegen de opvatting van sommige mensen die deelnemen aan de Facebookdiscussies.
13 Hoe luidt de opvatting waartegen bezwaar wordt gemaakt?
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.
“Eigenlijk is hier sprake van een soort framing.” (regels 51-52)
14 Citeer de zin die laat zien dat docenten de geframede opvatting in de praktijk brengen.
In alinea 7 van tekst 2 is een volledige redenering aanwijsbaar.
15 Citeer de zinnen die respectievelijk het standpunt, het argument en de aanbeveling van deze redenering uit alinea 7 verwoorden.
standpunt argument aanbeveling
De titel van tekst 2 luidt: ‘Lekker leerlingen lastigvallen’. Gezien de rest van de tekst kan deze titel worden opgevat als een paradox.
16 Leg het paradoxale van deze titel uit.
Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 25 woorden.
Een kritisch lezer zou kunnen opmerken dat er in alinea 7 van tekst 2 sprake lijkt van het overdrijven van voordelen.
17 Leg deze drogreden uit door onderstaande zin af te maken:
Als leerlingen vragen over grammatica krijgen waarop het antwoord niet eenduidig is, dan wil dat nog niet zeggen dat …
Geef antwoord in een volledige zin en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.
In tekst 2 wordt gesproken over docenten die leerlingen niet willen confronteren met vragen waarop zijzelf het antwoord niet weten.
18 Wat is de belangrijkste kritiek op deze docenten, gelet op de strekking van de tekst?
Deze docenten
A bieden te weinig uitdaging aan de leerlingen.
B vereenzelvigen zich te zeer met de leerlingen.
C weten niet meer van de stof dan de leerlingen.
D zijn bang om af te wijken van het schoolboek.
19 Welke bewering geeft het best de hoofdgedachte van tekst 2 weer?
Docenten zouden
A de grenzen van de te onderwijzen lesstof beter moeten aangeven.
B hun leerlingen veel vaker moeten confronteren met onzekerheden.
C vaker hun eigen deskundigheid tijdens de les in twijfel moeten trekken.
D zich minder moeten richten op de meningen van collega’s op Facebook.
Wil je weten hoe je de toets hebt gemaakt? De antwoorden staan op mijnexamenbundel.nl. Vul je punten in en bekijk je score per onderwerp.
Je scores worden bewaard.
Met voorbeeldopgaven en tips voor het beantwoorden van examenvragen.
Volledig aangepast aan het nieuwste examenprogramma.
Op het centraal examen Nederlands worden twee domeinen uit het examenprogramma getoetst: leesvaardigheid en argumentatieve vaardigheden voor zover het analyseren en beoordelen van een betoog of beschouwing betreft.
Het centraal examen Nederlands bestaat uit ongeveer vier teksten, overgenomen uit kranten en tijdschriften en van websites. Daarbij worden in totaal ongeveer 40 vragen gesteld. Soms is er in een vraag bij een tekst nog een tekstfragment opgenomen. Zo’n tekstfragment gaat over hetzelfde onderwerp als de hoofdtekst, maar het is geschreven door een andere schrijver en geeft een andere kijk op het onderwerp. Je gaat het tekstfragment inhoudelijk met de hoofdtekst vergelijken.
Bij een vraag worden steeds vaker ook andere bronnen opgenomen. Denk aan een grafiek of tabel, een cartoon of strip, een gedicht en reacties van lezers. In recente examens vergelijk je meerdere bronnen met elkaar aan de hand van een herkenbare situatieschets waarbij je je met die bronnen voorbereidt op een debat of betoog. Je vergelijkt de bronnen dan niet alleen op inhoud maar ook op bruikbaarheid.
Je krijgt drie uur de tijd voor het beantwoorden van de vragen.
Het soort teksten dat je moet kunnen lezen en begrijpen, wordt als volgt omschreven:
algemene omschrijving Je kunt een grote variatie aan teksten lezen over tal van onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard en je kunt die in detail begrijpen.
tekstkenmerken De teksten zijn complex en de structuur is niet altijd even duidelijk.
informatieve teksten Je kunt informatieve teksten met een hoge informatiedichtheid lezen, zoals lange en ingewikkelde rapporten en gecondenseerde artikelen.
betogende teksten Je kunt betogende teksten lezen waaronder teksten met een ingewikkelde argumentatie, of artikelen waarin de schrijver (impliciet) een standpunt inneemt of beschouwing geeft.
! Leestip
In de examens van de laatste jaren zijn teksten uit onderstaande informatiebronnen opgenomen. Vooral landelijke kranten en opiniebladen zijn populair.
Lees af en toe een interessant artikel uit een van die bronnen. Kijk daarbij ook goed naar de afbeeldingen bij de tekst. Wat voegen ze toe aan de inhoud? Het helpt je bij de voorbereiding op je examen.
Landelijke kranten
NRC, de Volkskrant, Trouw Opinieweekbladen De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, HP/De Tijd
Vraagtypen
De paragrafen hierna geven een overzicht van de belangrijkste theorie. Je leest er over welke leesvaardigheden en argumentatieve vaardigheden je moet beschikken om het examen goed te kunnen maken. Je neemt daarbij ook kennis van de vraagtypen die op het examen veel voorkomen en van de wijze waarop je deze het beste kunt beantwoorden. Bij de theorie vind je oefenopgaven en een lijst met belangrijke begrippen. Achter in deze bundel staat een register waarin je de examenopgaven kunt opzoeken die aansluiten bij de paragrafen van deel 2. Heb je moeite met een bepaald vraagtype, besteed dan extra aandacht aan de examenopgaven die je via het register vindt.
Beoordeling
Je werk wordt beoordeeld aan de hand van een correctievoorschrift. In dat voorschrift staan de scorepunten die aan een antwoord worden toegekend. Het cijfer dat je behaalt voor het centraal examen, bepaalt voor 50 procent je eindcijfer voor het vak Nederlands.
Bij open vragen moet je taalgebruik correct zijn. Dat wil zeggen: in je antwoord mogen geen taal- en geen spelfouten voorkomen. Voor incorrect taalgebruik worden maximaal 4 scorepunten in mindering gebracht. Daarvoor geldt als aftrekregeling:
• bij 1 fout of 2 fouten krijg je 1 punt aftrek;
• bij 3 of 4 fouten krijg je 2 punten aftrek;
• bij 5 of 6 fouten krijg je 3 punten aftrek;
• bij 7 of meer fouten krijg je 4 punten aftrek.
Onder incorrecte formuleringen en onjuist taalgebruik wordt verstaan: spelfouten, verkeerd woordgebruik en fouten in de zinsbouw, inclusief verkeerde woordvolgorde. Als je steeds dezelfde fout maakt, worden die herhaalde fouten als afzonderlijke fouten meegeteld. Bij de beoordeling van de spelling wordt uitgegaan van de schrijfwijze volgens het Groene Boekje.
Ook als je antwoord inhoudelijk fout is en dus geen punten oplevert, wordt het op taalgebruik en spelling beoordeeld. Een inhoudelijk fout antwoord met taalfouten leidt dus tot puntenaftrek.
Bij open vragen wordt vaak gezegd dat je in een of meer volledige zinnen moet antwoorden. In dat geval kun je antwoorden met een volzin, maar een zelfstandig gebruikte bijzin is ook goed. Luidt de vraag bijvoorbeeld: ‘Waarom mag je in dit geval wél klagen, volgens de tekst?’, dan kan je antwoord zijn: ‘Je mag in dat geval wel klagen omdat ze dan niet meer kunnen rondkomen.’ Maar het is ook goed als je antwoordt: ‘Omdat ze dan niet meer kunnen rondkomen.’
Moet je met een volledige zin antwoorden, dan wordt er een punt afgetrokken wanneer je met een zin antwoordt die niet volledig is. Je mag in dat geval ook geen telegramstijl gebruiken. Is je antwoord geheel in telegramstijl, dan wordt het hoe dan ook geheel fout gerekend en levert het je geen punten op.
Worden er volledige zinnen gevraagd, dan mag je niet citeren, ook niet verkort citeren.
Maar soms hoef je bij een open vraag niet in volledige zinnen te antwoorden. Dan mag je ook met een woordgroep antwoorden. Bij zo’n vraag wordt alleen op de spelling gelet.
Gebruik je in namen en afleidingen ervan geen hoofdletter, dan wordt er een punt afgetrokken.
Bij de beoordeling van het taalgebruik en de spelling wordt er niet op gelet hoe je getallen schrijft. Je kunt ze uitschrijven (bijvoorbeeld ‘veertien’), maar dat hoeft niet (bijvoorbeeld ‘14’).
Soms staat er in de tekst zelf een spelfout. Neem je die fout over in je antwoord, dan kost dat je geen punten.
Als je een citaat uit de tekst moet geven, wordt het taalgebruik in je antwoord niet beoordeeld.
Je antwoorden worden niet beoordeeld op interpunctie.
Geef niet meer antwoorden (zinnen, redenen, voorbeelden en dergelijke) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één zin wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één zin, wordt alleen de eerste zin in de beoordeling meegeteld.
Bij open vragen wordt vaak aangegeven dat je voor je antwoord niet meer dan een bepaald aantal woorden mag gebruiken. Als je bij zo’n vraag een antwoord geeft dat het maximale aantal woorden overschrijdt, worden alleen die woorden die binnen het maximum vallen, beoordeeld. Anders gezegd: voor een goed antwoord dat te lang is, krijg je zelden alle punten. Houd je dus altijd aan het gegeven maximale aantal woorden.
In aansluiting op de vorige regel geldt het volgende. Als je de vraag herhaalt voordat je tot het antwoord komt, tellen de woorden tot aan het eigenlijke antwoord niet mee.
Besteed niet te veel tijd aan het tellen van het maximale aantal woorden dat je in het antwoord mag gebruiken. Vaak kun je het aantal gebruikte woorden wel inschatten. En: het gegeven aantal woorden is in de regel ruim bemeten. Maar als je twijfelt aan de lengte van je antwoord, tel dan zorgvuldig. Want als je antwoord maximaal 20 woorden mag tellen en je hebt er 24 gebruikt, dan tellen alleen de eerste 20 woorden als antwoord.
Blijf niet te ver onder het gegeven maximale aantal woorden. Als in een uitlegvraag een maximum van 35 woorden wordt genoemd, zal een antwoord van 8 woorden niet veel punten opleveren.
Signaalwoorden geven het verband aan tussen (delen van) zinnen en tussen alinea’s. Ze geven belangrijke informatie over de opbouw van een tekst of tekstgedeelte. Zo kunnen signaalwoorden een opsomming aankondigen of duidelijk maken dat er sprake is van een voorbeeld of een verklaring. Let er dus goed op: bij het beantwoorden van vragen bij een tekst zijn signaalwoorden een belangrijk hulpmiddel.
Soorten en voorbeelden signaalwoorden
opsomming ook, bovendien, verder, eveneens, dan, vervolgens, daarnaast, ten eerste ... ten tweede, zowel ... als
tegenstelling maar, echter, toch, daarentegen, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, enerzijds ... anderzijds
oorzaak-gevolg daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is reden/verklaring want, omdat, daarom, waarom, namelijk, immers, aangezien
doel-middel door middel van, met de bedoeling om, met behulp van, om te, daartoe, opdat
toelichting denk hierbij aan, bijvoorbeeld, zo, dat komt voor bij, ter illustratie, dat is het geval bij
vergelijking net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde/dezelfde als, in vergelijking met, vergeleken met, soortgelijke
voorwaarde als, indien, mits (op voorwaarde dat), tenzij (behalve wanneer), stel dat conclusie dan ook, dus, aldus, hieruit volgt, concluderend samenvatting kortom, samenvattend, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan
Om de opbouw van een tekst te doorgronden heb je ook veel aan signaalzinnen. Met behulp van signaalzinnen maakt een schrijver duidelijk wat er volgt (aankondigend) of wat hij heeft behandeld (terugblikkend).
Soorten en voorbeelden signaalzinnen aankondigend Ik zal hier enkele voor- en nadelen van rekeningrijden bespreken. Maar aan het systeem kleven ook enkele bezwaren. Hoe is de opmars van het toerisme te verklaren? terugblikkend Van de besproken verklaringen lijkt de laatste me het meest aannemelijk. aankondigend én terugblikkend
Welke conclusie kunnen we nu uit bovenstaande onderzoeksresultaten trekken?
! Tip
Markeer signaalwoorden en -zinnen bij het lezen van de tekst. Het helpt je bij het beantwoorden van de vragen.
Citeren is: een stukje uit een tekst letterlijk overnemen. In de examens kan worden gevraagd een woord, een woordgroep, een zinsgedeelte of een hele zin te citeren. Gaat het om lange zinsgedeelten of lange zinnen, dan doe je dat het handigst door de eerste twee en de laatste twee woorden van een zin of zinsgedeelte over te nemen en daar de regelnummers achter te schrijven.
Voorbeeld:
‘Stel, je (…) wordt samengevat.’ (regels 1-3)
Aandachtspunten:
• Wees nauwkeurig bij het citeren. Je antwoord is fout als je een citaat geeft dat te lang of te kort is.
• Een zinsgedeelte is een onderdeel van een zin dat op zijn minst twee opeenvolgende woorden bevat. Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt, vraagteken of uitroepteken.
• Vergeet niet de regelaanduiding toe te voegen.
• Het komt ook wel voor dat de zin die je moet citeren een samengestelde zin is, en dat het wordt goedgerekend als je alleen de hoofdzin citeert waar het om gaat. Maar neem het zekere voor het onzekere: als je een zin moet citeren, is het altijd goed als je de hele zin citeert.
Als er gevraagd wordt iets met eigen woorden uit te leggen, dan mag je beslist níet een zin of zinsgedeelte uit de tekst letterlijk overschrijven (citeren). Je mag wél belangrijke termen uit de tekst overnemen. Bij een met-eigen-woorden-vraag formuleer je zelfstandig met behulp van belangrijke woorden uit de tekst. Je hoeft dus maar enkele woorden uit een zin te vervangen om die tot je ‘eigen zin’ te maken.
Meestal staat bij een met-eigen-woorden-vraag aangegeven hoeveel woorden je maximaal mag gebruiken. Maak een inschatting van het aantal woorden dat je hebt gebruikt en tel ze bij twijfel na.
Het is bij met-eigen-woorden-vragen handig je antwoord eerst in het klad te schrijven. Dan kun je in het klad overbodige woorden wegstrepen en het antwoord op begrijpelijkheid controleren, voordat je dat op het antwoordblad schrijft.
Zoals je in paragraaf 1 kunt lezen, worden alle antwoorden op open vragen getoetst op correct taalgebruik.
! Tip
Markeer woorden uit de open vraag die je in je antwoord zou kunnen overnemen.
Bijvoorbeeld: Welke werkwijzen gebruikt de biologische veehouderij, volgens de tekst, om de hoeveelheid antibiotica te beperken?
De teksten in de examens komen uit kranten en tijdschriften en van websites. Ze gaan over onderwerpen van maatschappelijke aard. Ook lees je meer over onderwerpen die te maken hebben met het vak Nederlands.
De voornaamste tekstsoorten zijn:
1 informatieve tekst of uiteenzetting. Een tekst waarin de schrijver iets uitlegt, beschrijft, verklaart of mededeelt.
Kenmerken:
• is objectief (de schrijver geeft voornamelijk feiten, geen eigen mening);
• is bedoeld om de lezers te informeren over een stand van zaken of een gang van zaken om zo de lezers iets te laten begrijpen.
Bij uiteenzettende teksten of tekstgedeelten wordt objectief uitleg gegeven, worden indelingen aangeduid en worden samenhangen en processen verduidelijkt.
2 betogende tekst of betoog. Een tekst waarin de schrijver een duidelijk standpunt inneemt en dat standpunt met argumenten onderbouwt.
Kenmerken:
• is subjectief (de schrijver geeft voornamelijk een eigen mening);
• is bedoeld om de lezers van het standpunt te overtuigen.
Bij betogende teksten of tekstgedeelten wordt een beargumenteerd standpunt ingenomen.
3 beschouwende tekst of beschouwing. Een tekst waarin de schrijver de lezer interpretaties, verklaringen en opinies ter overweging aanbiedt.
Kenmerken:
• is gedeeltelijk objectief, gedeeltelijk subjectief;
• is bedoeld om de lezer over een kwestie te laten nadenken.
Bij beschouwende teksten of tekstgedeelten belicht de schrijver een verschijnsel van verschillende kanten. Hij legt de lezer mogelijke verklaringen van en verschillende standpunten (inclusief zijn eigen standpunt) over een kwestie voor, zodat de lezer zijn eigen mening kan vormen. Een beschouwing kan ook de argumenten voor en tegen een of meer standpunten behandelen, maar is er niet op gericht de lezer voor een van die standpunten te winnen.
Men onderscheidt in zakelijke teksten de volgende schrijfdoelen:
1 informeren of uiteenzetten
2 overtuigen (betogen, een pleidooi houden)
3 tot actie aanzetten (activeren, aansporen tot handelen)
4 beschouwen (ter overweging aanbieden)
5 vermaken (amuseren)
Ook een combinatie van twee of meer schrijfdoelen is mogelijk. Je moet dan vaststellen wat het belangrijkste schrijfdoel is.
Een voorbeeld van een examenvraag:
• Hoe kan de tekst het beste getypeerd worden?
Deze tekst is vooral
A een beschouwende tekst met activerende elementen.
B een beschouwende tekst met betogende elementen.
C een betogende tekst met activerende elementen.
D een betogende tekst met beschouwende elementen.
Lees de volgende samenvatting van een examentekst en beantwoord de vragen.
H. Blok
Ouders moeten kinderen zelf les kunnen geven
(1) Er is een trend om kinderen steeds jonger naar school te sturen. Dat is een bedenkelijke ontwikkeling om een aantal redenen.
(2) In de eerste plaats is het rendement van groepsgewijs onderwijs relatief laag. In de tweede plaats is geïnstitutionaliseerd onderwijs duur. In de derde plaats kweekt het uitvallers.
(3) Er is een goed alternatief voor het geïnstitutionaliseerde basisonderwijs: thuisonderwijs. Daarbij treden de ouders zelf als leerkrachten op. Dat heeft vele voordelen. Zo krijgt een kind thuis meer aandacht dan op een leerinstituut. Het is maatschappelijk gezien goedkoop, want de ouders betalen de kosten. De leeromgeving is rijker doordat er thuis meer hulpmiddelen zijn. Doordat het effectiever is, kost thuisonderwijs minder tijd. En het leerrendement van dit onderwijs blijkt veel groter te zijn. Dat geldt voor de leervakken, maar ook voor de sociaaleconomische ontwikkeling van het kind.
(4) Het zou daarom goed zijn als het basisonderwijs niet langer verplicht was maar facultatief. De overheid zou experimenten op het gebied van thuisonderwijs moeten ondersteunen.
1 Wat is de functie van de signaalzin ‘Dat is (…) aantal redenen.’ (eerste alinea)?
2 Citeer een signaalzin met dezelfde functie uit de derde alinea.
3 Noteer de acht onderstreepte signaalwoorden en zet erachter welk verband ze aanduiden.
4 Tot welke tekstsoort reken je Ouders moeten kinderen zelf les kunnen geven?
5 Motiveer je antwoord op vraag 4 met behulp van gegevens uit de tekst. Gebruik maximaal 25 woorden.
Naast vragen over tekstsoort en schrijfdoel kun je vragen verwachten over de intenties, opvattingen en gevoelens van de schrijver.
Drie voorbeelden van dergelijke vragen:
• In welke alinea van de tekst komt het standpunt van de auteur het duidelijkst naar voren?
• Hoe kan de houding van de auteur ten opzichte van zijn onderwerp het beste gekarakteriseerd worden?
A bezorgd, maar weinig kritisch
B kritisch en betrokken
C neutraal en afstandelijk
D zakelijk en professioneel
• Al in de eerste twee alinea’s zet de schrijver de toon voor zijn hele artikel.
Hoe zou je die toonzetting het beste kunnen typeren?
A als alarmerend
B als enthousiasmerend
C als prikkelend
D als spottend
Woordkeus, stijlmiddelen (als woordspeling, ironie, overdrijving) en figuurlijk taalgebruik kunnen veel zeggen over de houding van de schrijver ten opzichte van het onderwerp. De houding van de schrijver komt ook tot uiting in de toon of toonzetting van de tekst of een tekstdeel. Let bij vragen die de hele tekst betreffen vooral op de titel, de inleiding en het slot.
Drie voorbeeldvragen:
• Een kritisch lezer zou kunnen zeggen dat de titel van de tekst een woordspeling bevat en dat de auteur hiermee probeert de lezer te beïnvloeden.
Leg uit welke woordspeling dat is en geef aan op welke manier de lezer daarmee beïnvloed kan worden.
• Een schrijver kan gebruikmaken van stijlmiddelen om zijn mening overtuigender weer te geven.
Citeer uit het tekstgedeelte van de alinea’s 4 tot en met 6 een zin die duidelijk ironisch bedoeld is.
• Figuurlijk taalgebruik kan onder meer gebruikt worden om de aandacht van de lezer te trekken.
Welke drie andere effecten van figuurlijk taalgebruik heeft de schrijver van de tekst waarschijnlijk beoogd?
Kies uit onderstaande effecten:
1 de belangrijkste boodschap kracht bijzetten
2 de geloofwaardigheid van de aangehaalde politici in twijfel trekken
3 de nadruk leggen op de voordelen van nucleaire energie
4 de tekst een amuserend karakter geven
5 de twijfel van de auteur over de motie benadrukken
De schrijver kan met zijn of haar taalgebruik proberen het oordeel van de lezer te beïnvloeden.
Dat kan met opzet gebeuren of gedachteloos. Noemt de schrijver iets een ‘probleem’, dan zal de lezer onbewust denken aan grote moeilijkheden, onoplosbare kwesties, onmogelijke opgaven. Noemt de schrijver het een ‘uitdaging’, dan zal de lezer onbewust denken: mooi om op te lossen, nieuwe kansen, niet makkelijk maar in ieder geval leerzaam enzovoort.
Wat de schrijver hier doet, is framing. De schrijver heeft het onderwerp als het ware ingelijst: geframed. Het is voor de lezer moeilijk anders over het onderwerp te denken dan de schrijver.
De lezer ziet het plaatje alleen zoals de schrijver het heeft ingelijst.
Vaak wordt er door framing een positieve of een negatieve emotie opgeroepen bij de lezer. Framing kom je vooral tegen in betogende teksten waarin meningen tegenover elkaar worden geplaatst. Frames zijn vooral bedoeld om het de tegenstander lastig te maken. De schrijver wil je niet alleen met argumenten overtuigen, maar ook door de keuze van positief of juist negatief geladen woorden.
Een voorbeeld van een frame, ontleend aan het Handboek Framing van Hans de Bruijn: je kunt het hebben over ‘meer efficiency in de zorg’. Dat zal op veel weerstand stuiten. Want bij efficiency denk je aan ‘zorgminuten’ en ‘stopwatchcultuur’. Wie vindt dat er zorg aan een patiënt of cliënt verleend moet worden met een stopwatch in de hand? Je kunt het ook hebben over ‘minder geldverspilling in de zorg’. Daar zal niemand tegen zijn. Want wie vindt dat er in de zorg geld verspild mag worden? Als je het frame overneemt waarin de schrijver over het onderwerp schrijft, sta je bij voorbaat zwak. Want je kunt moeilijk zeggen: ik ben voor minder efficiency in de zorg. Of: ik ben juist voor geldverspilling in de zorg.
Drie voorbeelden van vragen over framing:
• In de tekst wordt met enige regelmaat geprobeerd de sympathie van de lezer voor huisdieren en andere dieren te beïnvloeden door bijzonder taalgebruik.
Citeer drie woordgroepen uit alinea 5 waarin dergelijk bijzonder taalgebruik is te vinden. Leg per woordgroep uit waarom lezers door dit taalgebruik meer of minder sympathie kunnen gaan voelen voor huisdieren in vergelijking met andere dieren.
• ‘Ikzelf ben aanhanger van het ecomodernisme, een optimistische duurzame stroming die begin deze eeuw is komen overwaaien uit de Verenigde Staten.’ (regels 40-44)
Wat is het effect van het gebruik van het woord ‘optimistische’, als het gaat om de tegenstelling tussen intensieve en biologische landbouw in de tekst?
• In bron 1 kom je regelmatig een opvallende woordkeuze van de auteur tegen. Ook zie je dat de auteur ingaat op de woordkeuze van anderen. Omdat woordkeuze in een discussie een sterk effect kan hebben, besluit je hier aandacht aan te besteden.
Uit de woordkeuze in alinea 1 tot en met 3 kun je afleiden welke houding de auteur heeft ten opzichte van Jeff Bezos, Richard Branson en Elon Musk.
Citeer uit alinea 1 tot en met 3 de woordgroep die deze houding uitdrukt en geef aan of deze houding overwegend positief of negatief is.
framing
Als gevraagd wordt naar de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea’s, moet je één zin opschrijven die het belangrijkste van dat tekstgedeelte weergeeft.
Er zijn in examenteksten drie soorten vragen naar de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea’s:
1 met-eigen-woorden-vraag, bijvoorbeeld:
Zeg met eigen woorden wat de hoofdgedachte is van het tekstgedeelte dat bestaat uit de alinea’s 4 tot en met 6.
Gebruik maximaal 15 woorden.
2 citeervraag, bijvoorbeeld:
Citeer de zin die de hoofdgedachte bevat van het tekstgedeelte dat bestaat uit de alinea’s 12 tot en met 16.
3 kopjesvraag, bijvoorbeeld:
De tekst kan worden onderverdeeld in drie delen die van de volgende kopjes kunnen worden voorzien:
deel 1: Twijfels bij de aanpak van het probleem deel 2: De kern van het probleem deel 3: Conclusie en mogelijke oplossing
Bij welke alinea begint deel 2?
Bij welke alinea begint deel 3?
Aandachtspunten:
• Let bij het zelf formuleren of citeren van de hoofdgedachte op de plaats van de kernzinnen. Vaak staat de kernzin van een alinea vooraan (eerste of tweede zin) of achteraan. Hetzelfde geldt voor een groepje alinea’s: de belangrijkste informatie staat dikwijls vooraan of achteraan.
• Het is niet de bedoeling dat je bij een hoofdgedachtevraag een opsommende samenvatting van de betreffende alinea’s geeft. Eén zin is genoeg; twee zinnen is een zin te veel. Probeer de inhoud van de alinea’s in algemene termen en kernachtig weer te geven. Details, voorbeelden en uitweidingen laat je dus weg.
• Vaak wordt een maximaal aantal woorden vermeld. Houd je strikt aan het vermelde aantal.
• Let bij een kopjesvraag op het verloop van de inhoud en de logische structuur, niet alleen op de alineanummers. Bepaal waar de inleiding eindigt, waar de kern of het middenstuk begint en waar de conclusie of afsluiting start. Gebruik daarbij structuuraanduiders, zoals veranderingen in onderwerp, synoniemen van de woorden uit de kopjes, signaalwoorden en signaalzinnen die een nieuw deel aankondigen. Houd er rekening mee dat de inleiding vaak uit meerdere alinea’s bestaat. Lees dus even door na de eerste alinea totdat je merkt dat het middenstuk begint. Dat is vaak deel 2 in een kopjesvraag.
Een vraag naar de hoofdgedachte van de hele tekst heeft vrijwel altijd de vorm van een meerkeuzevraag.
Aanpak meerkeuzevraag naar hoofdgedachte:
• Onderstreep de kernzinnen en signaalwoorden of schrijf op wat je zelf het belangrijkste van de tekst vindt.
• Let bij het bepalen van de hoofdgedachte van de tekst vooral op de titel, de inleiding en het slot.
• Kies het alternatief dat het meest overeenkomt met je eigen notities. Let daarbij vooral op volledigheid: het juiste alternatief geeft alle belangrijke onderdelen van de tekst in de juiste samenhang. De zinnen die alleen maar overeenstemmen met een deel van de tekst, en die dus niet de hoofdgedachte van de hele tekst weergeven, streep je weg.
7 Hoofdgedachte en hoofdvraag
Soms wordt niet naar de hoofdgedachte maar naar de hoofdvraag (of overkoepelende vraag) van een tekst(gedeelte) gevraagd. Zo’n vraag kan de vorm van een meerkeuzevraag hebben. Ook kan het zijn dat je de hoofdvraag moet citeren of zelf formuleren. Let daarbij op de vraagvorm.
Een voorbeeld:
• Zeg met eigen woorden wat de hoofdvraag is waarop de auteur in deze tekst een antwoord probeert te geven. Formuleer je antwoord in de vorm van een vraag.
Bepaal of de volgende uitspraken juist of onjuist zijn.
6 In het antwoord op een met-eigen-woorden-vraag mag je geen termen uit de tekst letterlijk overnemen.
7 Bij een met-eigen-woorden-vraag mag je het maximale aantal woorden met tien procent overschrijden.
8 Je citeert nooit meer dan één zin als je de hoofdgedachte van een tekst weergeeft.
9 Bij het bepalen van de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea’s let je vooral op de kernzinnen.
10 De kernzin van een alinea staat altijd vooraan (eerste of tweede zin).
11 Als je zelf de hoofdgedachte van een groepje alinea’s moet formuleren, geef je daar een opsommende samenvatting van.
12 Bij het bepalen van de hoofdgedachte van de hele tekst let je vooral op de titel, de inleiding en het slot.
13 In een meerkeuzevraag naar de hoofdgedachte van de tekst kunnen ook alternatieven die overeenstemmen met een deel van de tekst, juist zijn.
14 Als gevraagd wordt naar de overkoepelende vraag waarop de auteur in de tekst antwoord geeft, mag je nooit citeren.
Slim leren, zeker slagen

Extra oefenen, uitlegvideo’s en podcasts




Voortgang bijhouden
Altijd je digiboek bij de hand
B� deze Examenbundel hoort een online omgeving: m�nexamenbundel.nl
Je vindt hier alles wat je nodig hebt om heel gericht te leren en oefenen voor je examen. Zoals de score van je oriëntatietoets, video’s, het digiboek, examentips en nog veel meer.
#ikgazekerslagen
Activeer direct je code voor Mijn Examenbundel
Ga nu naar m�nexamenbundel.nl en maak meteen je account aan. Met de activatiecode die je per mail hebt ontvangen of via de ELO van je school, heb je toegang tot alle extra’s die b� je boek horen.