Skip to main content

Examenbundel_26-27_Nederlands_havo_9789006470185

Page 1


INCLUSIEF ONLINE OMGEVING Nederlands 2026 2027

Slim leren, zeker slagen

Slim leren, zeker slagen

Wil jij slim leren, zeker slagen?

Examenbundel

Oefen met echte examenopgaven per onderwerp en met complete examens. In het boek en online.

Oefenen, oefenen, oefenen

Uitleg b� de antwoorden

Oriëntatietoets geeft aan hoe je ervoor staat

Examenidioom

Speciaal voor de examens Duits, Engels en Frans.

Een grote woordenschat zorgt voor beter tekstbegrip

Duidel� ke voorbeeldzinnen

Ook voor de schoolexamens

Samengevat

De perfecte samenvatting om je voor te bereiden op je examen.

Zo leer je precies wat je moet weten.

Complete examenstof

R� tjes en defi nities

Geen lappen tekst

Zeker Slagen!

Zo leer je efficiënter leren.

J e leert hoe je moet leren

Hulp b� plannen

Je kr� gt zelfi nzicht en zelfvertrouwen

examen bundel

Nederlands

M. Reints

P. Merkx

E. Kuyvenhoven

2026 2027

Colofon

Auteurs

M. Reints

P. Merkx

E. Kuyvenhoven

Redactie

Marinell Bruys, Hoogerheide

Omslagontwerp

Studio Fabienne, Hoevelaken

Vormgeving

Studio Michelangela, Utrecht

Opmaak

Crius Group, Hulshout

Over ThiemeMeulenhoff

ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals ­ met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken.

We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd.

Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Samen leren vernieuwen.

www.thiememeulenhoff.nl

Boek ISBN 978 90 06 16625 5

Pakket ISBN 978 90 06 47018 5

Editie 1, druk 1, oplage 1, 2026

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026

Alle rechten voorbehouden. Tekst­ en datamining, AI­training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie­ en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting­pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is volledig CO2­neutraal geproduceerd.

ClimatePartner certified product climate-id.com/YI43H3

CO2 measure reduce contribute

Zo werk je met deze Examenbundel

De eerste stap om vol vertrouwen je examen voor dit vak in te gaan heb je gezet!

Deze Examenbundel is namelijk de beste voorbereiding, omdat je oefent met echte examenopgaven. Kijk hoe het werkt.

De indeling van het boek

Je Examenbundel bestaat uit verschillende delen:

• Deel 1 – Oriëntatietoets: krijg snel een eerste indruk hoe je scoort op de verschillende examenonderwerpen.

• Deel 2 – Theorie met oefenopgaven: de belangrijkste examenstof op een rijtje en oefeningen om de theorie meteen toe te passen.

• Deel 3 – Examens met uitwerkingen: oefen met hele examens met heldere uitleg van onze ervaren examendocenten.

• Deel 4 – Examen 2026-I: de generale repetitie voor het echte examen. De antwoorden en uitwerkingen staan op mijnexamenbundel.nl.

• Bijlagen – Register en cijferbepaling deel 3: kijk in het register welke vraagtypen in de examens van deel 3 voorkomen en welke paragraaf uit deel 2 erbij hoort, zodat je gericht kunt oefenen met de vraagtypen waar je nog moeite mee hebt. Bepaal na het maken van een examen eenvoudig je cijfer.

Uitwerkingen

Kijk de vragen na met de uitwerkingen. Daarin staat het juiste antwoord. Maar belangrijker: je krijgt duidelijke uitleg waaróm dit het juiste antwoord is en hoe je daar komt.

Zo oefen je én leer je tegelijk!

Online oefenen met Mijn Examenbundel

Bij dit boek hoort een online omgeving: mijnexamenbundel.nl. Het boek en Mijn

Examenbundel werken met elkaar samen.

Boek

Maak de balans op

• oriëntatietoets maken

• hele examens maken

Leren en oefenen

• theorie met oefenopgaven

Mijn Examenbundel

• nakijken oriëntatietoets

• nakijken hele examens

Je scores worden bewaard!

• uitlegvideo’s per onderwerp

• extra examenopgaven

Je ziet je voortgang!

Ook handig

• handige begrippenlijst argumentatieve vaardigheden

• onderwerpregister

• overzicht van de examenstof

• quickscan

• examentips

Alle belangrijke info bij elkaar!

Om optimaal gebruik te maken van boek én website, verwijst het boek op handige plekken naar mijnexamenbundel.nl

Voorbeeld:

Mijn Examenbundel

Wil je weten hoe je de toets hebt gemaakt? De antwoorden staan op mijnexamenbundel.nl. Vul je punten in en bekijk je score per onderwerp. Je scores worden bewaard.

Activeer direct je code voor Mijn Examenbundel

Ga nu naar mijnexamenbundel.nl en maak meteen je account aan. Met de activatiecode die je per mail hebt ontvangen of via de ELO van je school, heb je toegang tot alle extra’s die bij je boek horen.

Gebruik ook Samengevat

Wil jij je nóg beter voorbereiden op het eindexamen? Combineer Examenbundel dan met Samengevat - alle examenstof kort en bondig in één boek.

Heel veel succes!

Namens team Examenbundel heel veel succes met je examens! #ikgazekerslagen #geenexamenstress

Heb je een vraag of opmerking over deze Examenbundel? Ga dan naar examenbundel.nl/contact.

Opmerking

De overheid stelt de regels op voor het examen. Bijvoorbeeld wat de examenonderwerpen zijn, welke hulpmiddelen je mag gebruiken en wanneer het examen is. De auteurs en uitgever hebben deze Examenbundel met grote zorg samengesteld. Soms veranderen de regels van de overheid echter of worden er nieuwe afspraken gemaakt over wat die regels betekenen. Raadpleeg daarom altijd je docent of onze website www.examenbundel.nl voor actuele informatie die voor jouw examen van belang is.

Examen

Tekst 1 – Wie durft nog zorgeloos door het bos te banjeren? 66

Tekst 2 – Baan omdat je vrouw bent, wie wil dat nou?

73

Tekst 3 – Vrouwenquotum? Neem een voorbeeld aan de topsport 76

Tekst 4 – Praat een beetje Nederlands

Examen 2022-III

Tekst 1 – Tijd om digitaal te ontspullen: maak je smartphone eens leeg 92

Tekst 2 – Vliegschaamte: niks mis mee 97

Tekst 3 – Iederéén denkt in hokjes 101

Tekst 4 – Ridder 105

Uitwerkingen bij examen 2022-III 108

Examen 2023-I

Tekst 1 – Altijd een oogje in het zeil 117

Tekst 2 – Vereng internationalisering niet tot verengelsing 121

Tekst 3 – Stop met lokken buitenlandse studenten 124

Tekst 4 – Waarom moet lezen per se leuk zijn?

130

Uitwerkingen bij examen 2023-I 133

Examen 2023-II

Tekst 1 – Maar ik bén gelukkig en ik bén productief

Tekst 2 – Politiek debat hoort juist in de schoolbank

142

148

Tekst 3 – Laat jongeren eerder meedoen 151

Tekst 4 – Ga loten als je iets wil doen aan ongelijkheid 154

Uitwerkingen bij examen 2023-II 158

Examen 2024-I

Tekst 1 – Concentratie graag! 169

Tekst 2 – Lezen is cruciale oefening voor geest én lichaam 173

Tekst 3 – Stimuleer het lezen, maar negeer Netflix niet 178

Tekst 4 – Hoog tijd voor verplicht vaderschapsverlof 182

Uitwerkingen bij examen 2024-I 186

Examen 2024-II

Tekst 1 – Denken we wel genoeg? 196

Tekst 2 – Ook als AI onze teksten schrijft, moeten we zelf blijven leren denken 200

Tekst 3 – Zal de deelauto ooit de privéauto van de troon stoten? 204

Tekst 4 – Zou ons nieuws er anders uit kunnen zien? 209

Uitwerkingen bij examen 2024-II 212

Examen 2025-I

Deel 1 224

Tekst 1 – Mijn ideale vriendin: de vlogger 224

Deel 2 231

Tekst 2 – De gedachteloosheid van de Gorillas-fiets 231

Deel 3 – Regels in de Ruimte 234

Uitwerkingen bij examen 2025-I 241

Examen 2025-II

Deel 1

264

Tekst 1 – Dierenliefhebbers moeten eigenlijk geen huisdier nemen 264

Deel 2 269

Tekst 2 – Waarom zijn juist vrouwelijke thrillerschrijvers zo succesvol? 269

Deel 3

Tekst 3 – Knoop eens een gesprek aan met iemand met wie u niets deelt

275

275

Uitwerkingen bij examen 2025-II 280

DEEL 4 EXAMEN 2026-I

Examen 2026-I

BIJLAGEN

Register Cijferbepaling deel 3

302

ORIËNTATIETOETS

Hoe zou je het nu al doen op een examen?

De oriëntatietoets geeft je een eerste indruk.

Oriëntatietoets

Tekst 1

Wat als werken niet meer móet, maar mág?

(1) Zwitserland wees het twee weken geleden massaal af in een referendum: het basisinkomen, een onvoorwaardelijk inkomen voor elke burger, hoog genoeg om een bestaansminimum te garanderen. Het is een radicaal idee maar vooral een pleidooi tegen de gevestigde orde. Het adagium ‘werken voor je geld’ is niet meer voor iedereen heilig. Het basisinkomen introduceert een nieuwe manier van denken waarbij werken niet langer noodzaak is, maar een keuze.

(2) Bijna honderd jaar geleden voorspelde John Maynard Keynes1) een zonnige toekomst: technologische vooruitgang zou de productie verviervoudigen, zodat we in 2030 nog maar vijftien uur per week zouden hoeven werken. Zijn eerste voorspelling kwam uit, maar die vijftienurige werkweek lijkt ver te zoeken. In Nederland, dat tot de landen met de kortste werkweek ter wereld behoort, werken mensen gemiddeld nog steeds dertig uur per week. Waarom blijven we toch zo hard werken?

(3) We werken in de eerste plaats omdat het moet: om eten te kopen, huizen te huren, rekeningen te betalen. Het moet van de overheid, het moet van onze ouders. Toch hoeft dat allang niet meer zo te zijn. De collectieve rijkdom in het Westen is enorm. Ondanks de recente economische crisis leven we, historisch gezien, in tijden van overvloed. De moderne westerse mens werkt in –en dus ook aan – een consumptiemaatschappij. Hoe rijker we worden,

hoe meer we willen hebben: een vorm van materialisme die Karl Marx2) ‘warenfetisjisme’ noemde. Geld is uitgegroeid tot doel op zich in plaats van een middel tot het verwezenlijken van een ander doel.

(4) Een andere verklaring is dat we werken uit plichtsgevoel. Een arbeidsloos inkomen druist tegen ons calvinistische werkethos in. Sinds Adam en Eva uit het paradijs werden gegooid, is ledigheid des duivels oorkussen. Arbeid is niet alleen noodzaak maar ook de goedheid zelve, de hoeksteen van de christelijke samenleving. Ongeacht het inkomen worden we opgevoed met het idee dat werken een nuttige tijdsbesteding is. Gratis geld verdienen we niet. Voor wat, hoort wat.

(5) Daarnaast telt ook mee dat mensen gewoonte- en kuddedieren zijn.

Als iedereen in de sloot springt, doen wij het ook. Het begint al vroeg met de vraag wat je later wilt worden. Zo wordt gehamerd op het belang van een goede baan, en zo hameren we verder, want wie alleen een hamer krijgt, ziet overal spijkers.

(6) Maar belangrijker nog dan hárd te werken, is het gegeven dát we werken. Ons werk bepaalt in hoge mate onze status in de samenleving. Sterker nog, werk vervult een existentiële rol: het rechtvaardigt ons bestaan en geeft ons nut. Vraag iemand wie hij of zij is en je krijgt na een naam een beroep als antwoord. Het is geen toeval dat in een maatschappij waar werk centraal staat, de ongelukkigste en ongezondste mensen werkloos

zijn en het is ook geen toeval dat er enorme taboes rusten op werkloosheidsverzekeringen en -uitkeringen.

(7) Mensen die hun baan verliezen, raken tegelijkertijd een groot deel van hun identiteit kwijt. Voordat beleidsmakers en economen op zoek gaan naar financieringsmodellen voor het basisinkomen, moeten ze dus een fundamentelere vraag beantwoorden: wie zijn wij in een wereld waarin we mógen werken? Hoe vullen we ons leven in als we minder – of helemaal niet meer – hoeven te werken?

(8) Of het basisinkomen economisch, politiek of juridisch haalbaar is, is onderwerp van een eindeloze welles-

naar: Lily Schim van der Loeff en Kyrill Hartog uit: Het Parool, 23 juni 2016

nietesdiscussie. Dat is een discussie die óók gevoerd moet worden. Maar voorafgaand zouden we moeten vragen waarom wij over werken denken zoals we dat doen. Of ons idee over werken nu voortkomt uit noodzaak, plicht, gewoonte of uit identiteit, het gedachte-experiment van een basisinkomen trekt onze vastgeroeste ideeën in twijfel. De centrale rol van werken wordt van het voetstuk gestoten. Wat we doen is níét wie we zijn. Werken móét, kan veranderen in: werken mág. Doorbreek dit taboe en je boekt maatschappelijke vooruitgang. Kansarm of kansrijk, er valt veel meer te kiezen.

Lily Schim van der Loeff en Kyrill Hartog waren op het moment van schrijven programmamakers in opleiding bij debatcentrum De Balie.

noot 1 John Maynard Keynes (1883-1946) was een invloedrijk, Brits econoom. noot 2 Karl Marx (1818-1883) was een Duits filosoof. Zijn boek Das Kapital vormde de basis voor de ideologie van de arbeidersbeweging waaruit het socialisme en het communisme zijn voortgekomen.

In alinea 2 van tekst 1 wordt een toekomstbeeld gegeven. Een gedeelte daarvan wordt betwijfeld in het vervolg van tekst 1.

1 Geef aan welk gedeelte van dat toekomstbeeld dat is.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

In de alinea’s 3 tot en met 6 van tekst 1 worden drie redenen gegeven waarom we zo hard blijven werken.

2 Noem die drie redenen.

“Ons werk bepaalt in hoge mate onze status in de samenleving.” (regels 73-74)

In het vervolg van tekst 1 worden drie voor het individu nadelige aspecten van deze denkwijze over werk genoemd.

3 Welke drie aspecten zijn dat?

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

“Doorbreek dit taboe en je boekt maatschappelijke vooruitgang.” (regels 113-115)

4 Leg uit welke maatschappelijke vooruitgang er volgens tekst 1 wordt geboekt als het taboe van ‘werken mág’ doorbroken wordt.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 35 woorden.

Tekst 2

Basisinkomen aantasting van autonomie

(1) Als je je afvraagt welk dier je wilt zijn, dan zie je jezelf als een sterke tijger op een schaduwrijke savanne, of als kapucijneraapje in de oerwouden van Suriname. Dichter bij huis zie je een merel in een nestje in het Euromastpark op zoek naar voedsel voor de kleintjes.

(2) Als je jezelf verbeeldt als dier, droom je niet over het leven in een gerenoveerde tijgerkooi van Artis, een tralieloos verblijf in de Apenheul, of een jarendertigvolière in je achtertuin. Het is wel praktischer, leven als dier in Artis, Apenheul of volière: je eten wordt gebracht en je hoeft niet op je hoede te zijn voor andere dieren. Met deze praktische oplossing verdwijnt echter de lol van het leven.

(3) Dat is bij een basisinkomen hetzelfde. Dat gaat uit van het idee dat iedereen dan altijd genoeg heeft, een heel grote mensentuin, waarin beleidsmakers en veelverdieners de verzorgers zijn.

(4) Als argumenten voor het basisinkomen worden genoemd dat er onvoldoende werk is, dat automatisering steeds meer banen laat verdwijnen, dat er veel regels zijn en dat het arbeidsintensief is om de sociale verzekeringswet goed uit te voeren.

(5) Het zou uiteraard fijn zijn als iedereen zijn ideale baan heeft, als 63-jarigen geen sollicitatieplicht meer zouden hebben en als er nooit fouten gemaakt worden bij het uitbetalen van de uitkering. En sommigen vinden het oneerlijk dat je eerst je spaargeld moet gebruiken om in eigen levensonderhoud te voorzien, voordat je in aanmerking komt voor een uitkering.

(6) Zo bezien lijkt het handiger om alles bij elkaar te vegen, een mooie

berekening te maken en te stellen dat met het budget dat hiermee gemoeid is iedereen een basisinkomen kan ontvangen. Alle problemen opgelost!

(7) Maar een basisinkomen is geen oplossing. Allereerst haalt het basisinkomen de eigen ‘zin van het bestaan’ weg: mensen willen werken en in hun eigen levensonderhoud voorzien. Dat is leven.

(8) Voor de vele mensen die het vervelend vinden dat zij nu geen werk hebben, lost een basisinkomen bovendien niets op: ze hebben dan nog steeds geen werk. Ook heeft een basisinkomen een aanzuigende werking op mensen met verkeerde intenties. En dat heeft ontwrichtende gevolgen voor de economie. Ter illustratie: als ik hoor dat in Zwitserland na wordt gedacht over een basisinkomen, droom ik over geld en gemak voor mijzelf. Ik droom niet over ouderen helpen of bergen schoonmaken.

(9) Je hebt ook mensen die zich inspannen om naast hun uitkering bij te verdienen zonder dit te melden. Hier is veel inventiviteit in het ontduiken van regels, terwijl op ander gebied – cultuur, sport of zorg –weinig wordt toegevoegd aan de samenleving. Een basisinkomen verandert dit niet.

(10) Een basisinkomen is een slecht plan. Het tast de autonomie van mensen ernstig aan, lost het probleem van werkloosheid niet op, is economisch niet haalbaar en heeft aantrekkingskracht op mensen die weinig ambitie hebben om het land vooruit te helpen.

(11) Ook al is er een basisinkomen, dan is het nog steeds fijner om te

horen bij de mensen die het vlees verstoppen voor de tijger, en ben je

naar: Esther Schulte

uit: Trouw, 9 juni 2016

Esther Schulte is financieel adviseur bij Ocean Finance.

liever niet de tijger in de mooie kooi.

In de eerste twee alinea’s van tekst 2 worden twee groepen dieren tegenover elkaar geplaatst.

5 Benoem de twee groepen dieren en leg uit waar deze twee groepen voor staan, gezien de strekking van de tekst.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 30 woorden.

“Met deze praktische oplossing verdwijnt echter de lol van het leven.” (regels 18-19)

6 Wat moet binnen de strekking van tekst 2 onder ‘de lol van het leven’ verstaan worden?

7 Op wat voor toon wordt er in de alinea’s 5 en 6 geschreven over het basisinkomen?

op een

A bezorgde toon

B genuanceerde toon

C spottende toon

D verbaasde toon

In de alinea’s 7 tot en met 9 is sprake van een standpunt en argumentatie, die in schemavorm als volgt is weer te geven. Daarbij is een aantal plekken bewust leeg gelaten.

Standpunt

Argument 1

Het basisinkomen haalt de eigen ‘zin van het bestaan’ weg.

Subargument 1.1

Argument 2

Mensen die nu geen baan hebben, hebben dat met het basisinkomen nog steeds niet.

Argument 3

Subargument 3.1

Voorbeeld

Als ik hoor dat in Zwitserland na wordt gedacht over een basisinkomen, droom ik over geld en gemak voor mijzelf. Ik droom niet over ouderen helpen of bergen schoonmaken.

Argument 4

8 Vul het schema aan op grond van de informatie in de alinea’s 7 tot en met 9. Neem daartoe onderstaande termen over en zet de bijbehorende informatie erachter.

Standpunt:

Subargument 1.1:

Argument 3:

Subargument 3.1:

Argument 4:

Geef antwoord in volledige zinnen.

Het slot van een tekst kan verschillende onderdelen bevatten, zoals

1 een conclusie

2 een samenvatting

3 een toekomstverwachting

4 een uitsmijter

9 Welke drie van bovenstaande onderdelen bevat het slot van tekst 2?

Noteer alleen de nummers van je antwoord.

10 Welke omschrijving verwoordt het best wat het doel is van tekst 2?

Tekst 2 wil de lezer

A aan het denken zetten over de voors en tegens van het basisinkomen.

B een informatief overzicht bieden van argumenten voor en tegen het basisinkomen.

C ervan overtuigen dat het basisinkomen alleen negatieve gevolgen zal hebben.

D laten inzien dat het basisinkomen alleen zal werken onder bepaalde voorwaarden.

tekstfragment 1

(1) Ik heb een simpel voorstel: we schuiven het idee van een universeel basisinkomen op de lange baan. Dat wil zeggen: het wordt geen basisinkomen voor iedereen (arm én rijk). Dan hoeven we ons veel minder zorgen te maken over de betaalbaarheid.

(2) Natuurlijk, er zijn goede argumenten om wel voor de universele variant te kiezen. Het belangrijkste is dat er geen stigma meer zou zijn op het ontvangen van deze ‘uitkering’ (iedereen krijgt haar immers). Om deze reden was ik een tijd een pleitbezorger van gratis geld voor iedereen.

(3) Maar in de afgelopen maanden ben ik ervan overtuigd geraakt dat de praktische bezwaren voorlopig nog te groot zijn. Met een universeel basisinkomen zouden we namelijk een grote rondpompmachine moeten optuigen: miljoenen mensen zouden een basisinkomen krijgen én duizenden euro’s aan extra belastingen moeten ophoesten. Met de invoering van een universeel basisinkomen zouden bepaalde belastingtarieven oplopen naar 70 procent, of misschien nog hoger.

Van de 10 verdiende euro’s zou je er nog maar twee of drie mogen houden. Het zou goed kunnen dat mensen in zo’n geval zeggen: laat maar, ik ga niet extra werken. Of sterker nog: ik ga veel minder werken.

naar: Rutger Bregman op De Correspondent.nl

Tekstfragment 1 en tekst 2 nemen principieel verschillende standpunten in over het basisinkomen. 11 Leg uit welke standpunten dat zijn.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 40 woorden.

Overkoepelende vragen bij tekst 1 en 2

“Sterker nog, werk vervult een existentiële rol: het rechtvaardigt ons bestaan en geeft ons nut.” (regels 74-77 van tekst 1)

Uit dit citaat blijkt een visie op de rol van werk. Ook uit tekst 2 is een visie op de rol van werk af te leiden.

12 In hoeverre past de visie van tekst 2 bij de bovenstaande visie van tekst 1?

Ondersteun je antwoord met een citaat van maximaal twee zinnen uit tekst 2. Geef antwoord in een of meer volledige zinnen.

In zowel tekst 1 als tekst 2 worden mogelijke effecten beschreven van de invoering van het basisinkomen voor mensen die ongewild werkloos zijn.

13 Leg uit wat het verschil is tussen beide teksten met betrekking tot die effecten.

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 40 woorden.

Stel je de volgende situatie voor.

Mevrouw Van Dongen heeft een goedlopend bedrijf dat veel winst maakt. Er zijn verschillende partijen die een bod op haar bedrijf hebben gedaan.

Als ze het hoogste bod accepteert, hoeft ze nooit meer te werken voor haar geld. Toch besluit ze niet op het bod in te gaan en blijft ze als eigenaar dagelijks meewerken in het bedrijf.

14 Met informatie uit welke tekst zou dit gedrag verklaard kunnen worden? met informatie uit

A alleen tekst 1

B alleen tekst 2

C zowel tekst 1 als tekst 2

D geen van beide teksten

Mijn Examenbundel

Wil je weten hoe je de toets hebt gemaakt? De antwoorden staan op mijnexamenbundel.nl. Vul je punten in en bekijk je score per onderwerp.

Je scores worden bewaard.

THEORIE MET OEFENOPGAVEN

Handig overzicht van de belangrijkste theorie

Met voorbeeldopgaven en tips voor het beantwoorden van examenvragen.

Volledig aangepast aan het nieuwste examenprogramma.

1 Het centraal examen

Op het centraal examen Nederlands worden twee domeinen uit het examenprogramma getoetst: leesvaardigheid en argumentatieve vaardigheden voor zover het analyseren en beoordelen van een betoog of beschouwing betreft.

Het centraal examen Nederlands bestaat uit ongeveer vier teksten, overgenomen uit kranten en tijdschriften en van websites. Daarbij worden in totaal ongeveer 40 vragen gesteld. Soms is er in een vraag bij een tekst nog een tekstfragment opgenomen. Zo’n tekstfragment gaat over hetzelfde onderwerp als de hoofdtekst, maar het is geschreven door een andere schrijver en geeft een andere kijk op het onderwerp. Je gaat het tekstfragment inhoudelijk met de hoofdtekst vergelijken.

Bij een vraag worden steeds vaker ook andere bronnen opgenomen. Denk aan een grafiek of tabel, een cartoon of strip, een gedicht en reacties van lezers. In recente examens vergelijk je meerdere bronnen met elkaar aan de hand van een herkenbare situatieschets waarbij je je met die bronnen voorbereidt op een debat of betoog. Je vergelijkt de bronnen dan niet alleen op inhoud maar ook op bruikbaarheid.

Je krijgt drie uur de tijd voor het beantwoorden van de vragen.

Het soort teksten dat je moet kunnen lezen en begrijpen, wordt als volgt omschreven:

algemene omschrijving Je kunt een grote variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard zelfstandig lezen. Je leest met begrip voor geheel en details.

tekstkenmerken

De teksten zijn relatief complex, maar hebben een duidelijke opbouw die tot uiting kan komen in het gebruik van kopjes. De informatiedichtheid kan hoog zijn.

informatieve teksten Je kunt informatieve teksten lezen, zoals voorlichtingsmateriaal, brochures van instanties (met meer formeel taalgebruik), teksten uit (gebruikte) methodes, maar ook krantenberichten, zakelijke correspondentie, ingewikkelde schema’s en rapporten over het eigen werkterrein.

instructieve teksten Je kunt instructieve teksten lezen, zoals ingewikkelde instructies in gebruiksaanwijzingen bij onbekende apparaten en procedures.

betogende teksten Je kunt betogende teksten lezen waaronder teksten uit schoolboeken, opiniërende artikelen.

! Leestip

In de examens van de laatste jaren zijn teksten uit onderstaande informatiebronnen opgenomen. Vooral landelijke kranten en opiniebladen zijn populair.

Lees af en toe een interessant artikel uit een van die bronnen. Kijk daarbij ook goed naar de afbeeldingen bij de tekst. Wat voegen ze toe aan de inhoud? Het helpt je bij de voorbereiding op je examen.

Landelijke kranten

Opinieweekbladen

NRC, de Volkskrant, Trouw

De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, HP/De Tijd

Vraagtypen

De paragrafen hierna geven een overzicht van de belangrijkste theorie. Je leest er over welke leesvaardigheden en argumentatieve vaardigheden je moet beschikken om het examen goed te kunnen maken. Je neemt daarbij ook kennis van de vraagtypen die op het examen veel voorkomen en van de wijze waarop je deze het beste kunt beantwoorden. Bij de theorie vind je oefenopgaven en een lijst met belangrijke begrippen. Achter in deze bundel staat een register waarin je de examenopgaven kunt opzoeken die aansluiten bij de paragrafen van deel 2. Heb je moeite met een bepaald vraagtype, besteed dan extra aandacht aan de examenopgaven die je via het register vindt.

Beoordeling

Je werk wordt beoordeeld aan de hand van een correctievoorschrift. In dat voorschrift staan de scorepunten die aan een antwoord worden toegekend. Het cijfer dat je behaalt voor het centraal examen bepaalt voor 50 procent je eindcijfer voor het vak Nederlands.

2 Taalgebruik en aantal woorden

Bij open vragen moet je taalgebruik correct zijn. Dat wil zeggen: in je antwoord mogen geen taal- en geen spelfouten voorkomen. Voor incorrect taalgebruik worden maximaal 4 scorepunten in mindering gebracht. Daarvoor geldt als aftrekregeling:

• bij 1 fout of 2 fouten krijg je 1 punt aftrek;

• bij 3 of 4 fouten krijg je 2 punten aftrek;

• bij 5 of 6 fouten krijg je 3 punten aftrek;

• bij 7 of meer fouten krijg je 4 punten aftrek.

Onder incorrecte formuleringen en onjuist taalgebruik wordt verstaan: spelfouten, verkeerd woordgebruik en fouten in de zinsbouw, inclusief verkeerde woordvolgorde. Als je steeds dezelfde fout maakt, worden die herhaalde fouten als afzonderlijke fouten meegeteld. Bij de beoordeling van de spelling wordt uitgegaan van de schrijfwijze volgens het Groene Boekje.

Ook als je antwoord inhoudelijk fout is en dus geen punten oplevert, wordt het op taalgebruik en spelling beoordeeld. Een inhoudelijk fout antwoord met taalfouten leidt dus tot puntenaftrek.

Bij open vragen wordt vaak gezegd dat je in een of meer volledige zinnen moet antwoorden. In dat geval kun je antwoorden met een volzin, maar een zelfstandig gebruikte bijzin is ook goed. Luidt de vraag bijvoorbeeld: ‘Waarom mag je in dit geval wél klagen, volgens de tekst?’, dan kan je antwoord zijn: ‘Je mag in dit geval wel klagen omdat ze dan niet meer kunnen rondkomen.’ Maar het is ook goed als je antwoordt: ‘Omdat ze dan niet meer kunnen rondkomen.’

Moet je met een volledige zin antwoorden, dan wordt er een punt afgetrokken wanneer je met een zin antwoordt die niet volledig is. Je mag in dat geval ook geen telegramstijl gebruiken. Is je antwoord geheel in telegramstijl, dan wordt het hoe dan ook geheel fout gerekend en levert het je geen punten op.

Worden er volledige zinnen gevraagd, dan mag je niet citeren, ook niet verkort citeren.

Maar soms hoef je bij een open vraag niet in volledige zinnen te antwoorden. Dan mag je ook met een woordgroep antwoorden. Bij zo’n vraag wordt alleen op de spelling gelet.

Gebruik je in namen en afleidingen ervan geen hoofdletter, dan wordt er een punt afgetrokken.

Bij de beoordeling van het taalgebruik en de spelling wordt er niet op gelet hoe je getallen schrijft. Je kunt ze uitschrijven (bijvoorbeeld ‘veertien’), maar dat hoeft niet (bijvoorbeeld ‘14’).

Soms staat er in de tekst zelf een spelfout. Neem je die fout over in je antwoord, dan kost dat je geen punten.

Als je een citaat uit de tekst moet geven, wordt het taalgebruik in je antwoord niet beoordeeld.

Je antwoorden worden niet beoordeeld op interpunctie.

Geef niet meer antwoorden (zinnen, redenen, voorbeelden en dergelijke) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één zin wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één zin, wordt alleen de eerste zin in de beoordeling meegeteld.

Bij open vragen wordt vaak aangegeven dat je voor je antwoord niet meer dan een bepaald aantal woorden mag gebruiken. Als je bij zo’n vraag een antwoord geeft dat het maximale aantal woorden overschrijdt, worden alleen die woorden die binnen het maximum vallen, beoordeeld. Anders gezegd: voor een goed antwoord dat te lang is, krijg je zelden alle punten. Houd je dus altijd aan het gegeven maximale aantal woorden.

In aansluiting op de vorige regel geldt het volgende. Als je de vraag herhaalt voordat je tot het antwoord komt, tellen de woorden tot aan het eigenlijke antwoord niet mee.

Besteed niet te veel tijd aan het tellen van het maximale aantal woorden dat je in het antwoord mag gebruiken. Vaak kun je het aantal gebruikte woorden wel inschatten. En: het gegeven aantal woorden is in de regel ruim bemeten. Maar als je twijfelt over de lengte van je antwoord, tel dan zorgvuldig. Want als je antwoord maximaal 20 woorden mag tellen en je hebt er 24 gebruikt, dan tellen alleen de eerste 20 woorden als antwoord.

Blijf niet te ver onder het gegeven maximale aantal woorden. Als in een uitlegvraag een maximum van 35 woorden wordt genoemd, zal een antwoord van 8 woorden niet veel punten opleveren.

3 Signaalwoorden en signaalzinnen

Signaalwoorden geven het verband aan tussen (delen van) zinnen en tussen alinea’s. Ze geven belangrijke informatie over de opbouw van een tekst of tekstgedeelte. Zo kunnen signaalwoorden een opsomming aankondigen of duidelijk maken dat er sprake is van een voorbeeld of een verklaring. Let er dus goed op: bij het beantwoorden van vragen bij een tekst zijn signaalwoorden een belangrijk hulpmiddel.

Soorten en voorbeelden signaalwoorden

opsomming ook, bovendien, verder, eveneens, dan, vervolgens, daarnaast, ten eerste ... ten tweede, zowel ... als

tegenstelling maar, echter, toch, daarentegen, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, enerzijds ... anderzijds

oorzaak-gevolg daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is reden/verklaring want, omdat, daarom, waarom, namelijk, immers, aangezien

doel-middel door middel van, met de bedoeling om, met behulp van, om te, daartoe, opdat

toelichting denk hierbij aan, bijvoorbeeld, zo, dat komt voor bij, ter illustratie, dat is het geval bij

vergelijking net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde/dezelfde als, in vergelijking met, vergeleken met, soortgelijke

voorwaarde als, indien, mits (op voorwaarde dat), tenzij (behalve wanneer), stel dat conclusie dan ook, dus, aldus, hieruit volgt, concluderend samenvatting kortom, samenvattend, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan

Om de opbouw van een tekst te doorgronden heb je ook veel aan signaalzinnen. Met behulp van signaalzinnen maakt een schrijver duidelijk wat er volgt (aankondigend) of wat hij heeft behandeld (terugblikkend).

Soorten en voorbeelden signaalzinnen aankondigend Ik zal hier enkele voor- en nadelen van rekeningrijden bespreken. Maar aan het systeem kleven ook enkele bezwaren. Hoe is de opmars van het toerisme te verklaren? terugblikkend Van de besproken verklaringen lijkt de laatste me het meest aannemelijk. aankondigend én terugblikkend

Welke conclusie kunnen we nu uit bovenstaande onderzoeksresultaten trekken?

! Tip

Markeer signaalwoorden en -zinnen bij het lezen van de tekst. Het helpt je bij het beantwoorden van de vragen.

4

Citeren en met eigen woorden

Citeren is: een stukje uit een tekst letterlijk overnemen. In de examens kan worden gevraagd een woord, een woordgroep, een zinsgedeelte of een hele zin te citeren. Gaat het om lange zinsgedeelten of lange zinnen, dan doe je dat het handigst door de eerste twee en de laatste twee woorden van een zin of zinsgedeelte over te nemen en daar de regelnummers achter te schrijven.

Voorbeeld:

‘Stel, je (…) wordt samengevat.’ (regels 1-3)

Aandachtspunten:

• Wees nauwkeurig bij het citeren. Je antwoord is fout als je een citaat geeft dat te lang of te kort is.

• Een zinsgedeelte is een onderdeel van een zin dat op zijn minst twee opeenvolgende woorden bevat. Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt, vraagteken of uitroepteken.

• Vergeet niet de regelaanduiding toe te voegen.

• Het komt ook wel voor dat de zin die je moet citeren een samengestelde zin is, en dat het wordt goedgerekend als je alleen de hoofdzin citeert waar het om gaat. Maar neem het zekere voor het onzekere: als je een zin moet citeren, is het altijd goed als je de hele zin citeert.

Als er gevraagd wordt iets met eigen woorden uit te leggen, dan mag je beslist níet een zin of zinsgedeelte uit de tekst letterlijk overschrijven (citeren). Je mag wél belangrijke termen uit de tekst overnemen. Bij een met-eigen-woorden-vraag formuleer je zelfstandig met behulp van belangrijke woorden uit de tekst. Je hoeft dus maar enkele woorden uit een zin te vervangen om die tot je ‘eigen zin’ te maken.

Meestal staat bij een met-eigen-woorden-vraag aangegeven hoeveel woorden je maximaal mag gebruiken. Maak een inschatting van het aantal woorden dat je hebt gebruikt en tel ze bij twijfel na.

Het is bij met-eigen-woorden-vragen handig je antwoord eerst in het klad te schrijven. Dan kun je in het klad overbodige woorden wegstrepen en het antwoord op begrijpelijkheid controleren, voordat je dat op het antwoordblad schrijft.

Zoals je in paragraaf 1 kunt lezen, worden alle antwoorden op open vragen getoetst op correct taalgebruik.

! Tip

Markeer woorden uit de open vraag die je in je antwoord zou kunnen overnemen. Bijvoorbeeld: Welke werkwijzen gebruikt de biologische veehouderij, volgens de tekst, om de hoeveelheid antibiotica te beperken?

5 Tekstsoort en schrijfdoel

De teksten in de examens komen uit kranten en tijdschriften en van websites. Ze gaan over onderwerpen van maatschappelijke aard. Ook lees je meer over onderwerpen die te maken hebben met het vak Nederlands.

De voornaamste tekstsoorten zijn:

1 informatieve tekst of uiteenzetting. Een tekst waarin de schrijver iets uitlegt, beschrijft, verklaart of mededeelt.

Kenmerken:

• is objectief (de schrijver geeft voornamelijk feiten, geen eigen mening);

• is bedoeld om de lezers te informeren over een stand van zaken of een gang van zaken om zo de lezers iets te laten begrijpen.

Bij uiteenzettende teksten of tekstgedeelten wordt objectief uitleg gegeven, worden indelingen aangeduid en worden samenhangen en processen verduidelijkt.

2 betogende tekst of betoog. Een tekst waarin de schrijver een duidelijk standpunt inneemt en dat standpunt met argumenten onderbouwt.

Kenmerken:

• is subjectief (de schrijver geeft voornamelijk een eigen mening);

• is bedoeld om de lezers van het standpunt te overtuigen.

Bij betogende teksten of tekstgedeelten wordt een beargumenteerd standpunt ingenomen.

3 beschouwende tekst of beschouwing. Een tekst waarin de schrijver de lezer interpretaties, verklaringen en opinies ter overweging aanbiedt.

Kenmerken:

• is gedeeltelijk objectief, gedeeltelijk subjectief;

• is bedoeld om de lezer over een kwestie te laten nadenken.

Bij beschouwende teksten of tekstgedeelten belicht de schrijver een verschijnsel van verschillende kanten. Hij legt de lezer mogelijke verklaringen van en verschillende standpunten (inclusief zijn eigen standpunt) over een kwestie voor, zodat de lezer zijn eigen mening kan vormen. Een beschouwing kan ook de argumenten voor en tegen een of meer standpunten behandelen, maar is er niet op gericht de lezer voor een van die standpunten te winnen.

Men onderscheidt in zakelijke teksten de volgende schrijfdoelen:

1 informeren of uiteenzetten

2 overtuigen (betogen, een pleidooi houden)

3 tot actie aanzetten (activeren, aansporen tot handelen)

4 beschouwen (ter overweging aanbieden)

5 vermaken (amuseren)

Ook een combinatie van twee of meer schrijfdoelen is mogelijk. Je moet dan vaststellen wat het belangrijkste schrijfdoel is.

Een voorbeeld van een examenvraag:

• Hoe kan de tekst het beste getypeerd worden?

Deze tekst is vooral

A een beschouwende tekst met activerende elementen.

B een beschouwende tekst met betogende elementen.

C een betogende tekst met activerende elementen.

D een betogende tekst met beschouwende elementen.

Opdracht bij de theorie van paragraaf 3 tot en met 5

Lees de volgende samenvatting van een examentekst en beantwoord de vragen.

H. Blok

Ouders moeten kinderen zelf les kunnen geven

(1) Er is een trend om kinderen steeds jonger naar school te sturen. Dat is een bedenkelijke ontwikkeling om een aantal redenen.

(2) In de eerste plaats is het rendement van groepsgewijs onderwijs relatief laag. In de tweede plaats is geïnstitutionaliseerd onderwijs duur. In de derde plaats kweekt het uitvallers.

(3) Er is een goed alternatief voor het geïnstitutionaliseerde basisonderwijs: thuisonderwijs. Daarbij treden de ouders zelf als leerkrachten op. Dat heeft vele voordelen. Zo krijgt een kind thuis meer aandacht dan op een leerinstituut. Het is maatschappelijk gezien goedkoop, want de ouders betalen de kosten. De leeromgeving is rijker doordat er thuis meer hulpmiddelen zijn. Doordat het effectiever is, kost thuisonderwijs minder tijd. En het leerrendement van dit onderwijs blijkt veel groter te zijn. Dat geldt voor de leervakken, maar ook voor de sociaaleconomische ontwikkeling van het kind.

(4) Het zou daarom goed zijn als het basisonderwijs niet langer verplicht was maar facultatief. De overheid zou experimenten op het gebied van thuisonderwijs moeten ondersteunen.

1 Wat is de functie van de signaalzin ‘Dat is (…) aantal redenen.’ (eerste alinea)?

2 Citeer een signaalzin met dezelfde functie uit de derde alinea.

3 Noteer de acht onderstreepte signaalwoorden en zet erachter welk verband ze aanduiden.

4 Tot welke tekstsoort reken je Ouders moeten kinderen zelf les kunnen geven?

5 Motiveer je antwoord op vraag 4 met behulp van gegevens uit de tekst. Gebruik maximaal 25 woorden.

6 Intentie van de schrijver, stijlmiddelen en figuurlijk taalgebruik, framing

Naast vragen over tekstsoort en schrijfdoel kun je vragen verwachten over de intenties, opvattingen en gevoelens van de schrijver.

Drie voorbeelden van dergelijke vragen:

• In welke alinea van de tekst komt het standpunt van de auteur het duidelijkst naar voren?

• Hoe kan de houding van de auteur ten opzichte van zijn onderwerp het beste gekarakteriseerd worden?

A bezorgd, maar weinig kritisch

B kritisch en betrokken

C neutraal en afstandelijk

D zakelijk en professioneel

• Al in de eerste twee alinea’s zet de schrijver de toon voor zijn hele artikel.

Hoe zou je die toonzetting het beste kunnen typeren?

A als alarmerend

B als enthousiasmerend

C als prikkelend

D als spottend

Woordkeus, stijlmiddelen (als woordspeling, ironie, overdrijving) en figuurlijk taalgebruik kunnen veel zeggen over de houding van de schrijver ten opzichte van het onderwerp. De houding van de schrijver komt ook tot uiting in de toon of toonzetting van de tekst of een tekstdeel. Let bij vragen die de hele tekst betreffen vooral op de titel, de inleiding en het slot.

Drie voorbeeldvragen:

• Een kritisch lezer zou kunnen zeggen dat de titel van de tekst een woordspeling bevat en dat de auteur hiermee probeert de lezer te beïnvloeden.

Leg uit welke woordspeling dat is en geef aan op welke manier de lezer daarmee beïnvloed kan worden.

• Een schrijver kan gebruikmaken van stijlmiddelen om zijn mening overtuigender weer te geven.

Citeer uit het tekstgedeelte van de alinea’s 4 tot en met 6 een zin die duidelijk ironisch bedoeld is.

• Figuurlijk taalgebruik kan onder meer gebruikt worden om de aandacht van de lezer te trekken.

Welke drie andere effecten van figuurlijk taalgebruik heeft de schrijver van de tekst waarschijnlijk beoogd?

Kies uit onderstaande effecten:

1 de belangrijkste boodschap kracht bijzetten

2 de geloofwaardigheid van de aangehaalde politici in twijfel trekken

3 de nadruk leggen op de voordelen van nucleaire energie

4 de tekst een amuserend karakter geven

5 de twijfel van de auteur over de motie benadrukken

De schrijver kan met zijn of haar taalgebruik proberen het oordeel van de lezer te beïnvloeden. Dat kan met opzet gebeuren of gedachteloos. Noemt de schrijver iets een ‘probleem’, dan zal de lezer onbewust denken aan grote moeilijkheden, onoplosbare kwesties, onmogelijke opgaven. Noemt de schrijver het een ‘uitdaging’, dan zal de lezer onbewust denken: mooi om op te lossen, nieuwe kansen, niet makkelijk maar in ieder geval leerzaam enzovoort. Wat de schrijver hier doet, is framing. De schrijver heeft het onderwerp als het ware ingelijst: geframed. Het is voor de lezer moeilijk anders over het onderwerp te denken dan de schrijver. De lezer ziet het plaatje alleen zoals de schrijver het heeft ingelijst.

Vaak wordt er door framing een positieve of een negatieve emotie opgeroepen bij de lezer. Framing kom je vooral tegen in betogende teksten waarin meningen tegenover elkaar worden geplaatst. Frames zijn vooral bedoeld om het de tegenstander lastig te maken. De schrijver wil je niet alleen met argumenten overtuigen, maar ook door de keuze van positief of juist negatief geladen woorden.

Een voorbeeld van een frame, ontleend aan het Handboek Framing van Hans de Bruijn: je kunt het hebben over ‘meer efficiency in de zorg’. Dat zal op veel weerstand stuiten. Want bij efficiency denk je aan ‘zorgminuten’ en ‘stopwatchcultuur’. Wie vindt dat er zorg aan een patiënt of cliënt verleend moet worden met een stopwatch in de hand? Je kunt het ook hebben over ‘minder geldverspilling in de zorg’. Daar zal niemand tegen zijn. Want wie vindt dat er in de zorg geld verspild mag worden? Als je het frame overneemt waarin de schrijver over het onderwerp schrijft, sta je bij voorbaat zwak. Want je kunt moeilijk zeggen: ik ben voor minder efficiency in de zorg. Of: ik ben juist voor geldverspilling in de zorg.

Drie voorbeelden van vragen over framing:

• In de tekst wordt met enige regelmaat geprobeerd de sympathie van de lezer voor huisdieren en andere dieren te beïnvloeden door bijzonder taalgebruik.

Citeer drie woordgroepen uit alinea 5 waarin dergelijk bijzonder taalgebruik is te vinden.

Leg per woordgroep uit waarom lezers door dit taalgebruik meer of minder sympathie kunnen gaan voelen voor huisdieren in vergelijking met andere dieren.

• ‘Ikzelf ben aanhanger van het ecomodernisme, een optimistische duurzame stroming die begin deze eeuw is komen overwaaien uit de Verenigde Staten.’ (regels 40-44)

Wat is het effect van het gebruik van het woord ‘optimistische’, als het gaat om de tegenstelling tussen intensieve en biologische landbouw in de tekst?

• In bron 1 kom je regelmatig een opvallende woordkeuze van de auteur tegen. Ook zie je dat de auteur ingaat op de woordkeuze van anderen.

Omdat woordkeuze in een discussie een sterk effect kan hebben, besluit je hier aandacht aan te besteden.

Uit de woordkeuze in alinea 1 tot en met 3 kun je afleiden welke houding de auteur heeft ten opzichte van Jeff Bezos, Richard Branson en Elon Musk.

Citeer uit alinea 1 tot en met 3 de woordgroep die deze houding uitdrukt en geef aan of deze houding overwegend positief of negatief is.

Slim leren, zeker slagen

Extra oefenen, uitlegvideo’s en podcasts

Voortgang bijhouden

Altijd je digiboek bij de hand

Slim leren met Mijn Examenbundel

B� deze Examenbundel hoort een online omgeving: m�nexamenbundel.nl

Je vindt hier alles wat je nodig hebt om heel gericht te leren en oefenen voor je examen. Zoals de score van je oriëntatietoets, video’s, het digiboek, examentips en nog veel meer.

#ikgazekerslagen

Activeer direct je code voor Mijn Examenbundel

Ga nu naar m�nexamenbundel.nl en maak meteen je account aan. Met de activatiecode die je per mail hebt ontvangen of via de ELO van je school, heb je toegang tot alle extra’s die b� je boek horen.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Examenbundel_26-27_Nederlands_havo_9789006470185 by ThiemeMeulenhoff - Issuu