Vmbo-kgt Leerboek
Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo
CE
2
Methodeoverzicht
Methodeoverzicht
SE Leerstof voor het schoolexamen 978 90 06 23789 4 De Geo online + boek 3 vmbo-b SE 978 90 06 23792 4 De Geo online 3 vmbo-b SE 978 90 06 23797 9 De Geo online + boek 3 vmbo-kgt SE 978 90 06 23800 6 De Geo online 3 vmbo-kgt SE
CE Leerstof voor het centraal examen 978 90 06 23793 1 De Geo online + boek 4 vmbo-b CE 978 90 06 23796 2 De Geo online 4 vmbo-b CE 978 90 06 23801 3 De Geo online + boek 4 vmbo-kgt CE 978 90 06 23804 4 De Geo online 4 vmbo-kgt CE
Colofon
Beste leerling, Dit boek van De Geo gebruik je samen met de digitale leeromgeving in de les. Dit boek is van jou persoonlijk, dus je mag er aantekeningen in maken. Na dit schooljaar is het boek van jou. Dat is makkelijk als je volgend jaar iets wilt opzoeken, of iets moet leren voor een toets of je eindexamen. Wij wensen je veel succes en plezier met het vak aardrijkskunde. Team De Geo
Colofon Vormgeving en opmaak HollandseWerken / Marc Freriks, Zwolle Cartografisch tekenwerk en grafieken EMK, www.emk.nl Fotoresearch FotoLineair, Arnhem Bureauredactie Taallandschap / Ellen Kremers, Deventer la
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 23802 0 Vierde druk, eerste oplage, 2018 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo
Leerboek
vmbo-kgt
Auteurs Freek Jutte, Katie Oost, Theo Peenstra en Michael van Veen Eindredactie Daphne Ariaens
6
Start
Start
7
Weer en klimaat
Weer en klimaat 1 Hoe werken het weer en het klimaat? 2 Wat zijn verschillen en overeenkomsten tussen het weer, het klimaat
en de gevolgen van klimaatverandering in Nederland en Spanje?
3 Hoe zit het met het weer, het klimaat en de klimaatverandering in de
Verenigde Staten?
C Hoe gaan de Verenigde Staten om met tornado’s en tropische orkanen?
8
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1 Het weer en het klimaat 1.1
Weer of klimaat? Weer
Hoosbuien, hittegolven, zwaar onweer of strenge vorst ... Over het weer wordt veel gepraat, omdat het in Nederland vaak per dag en per plek wisselt. Het klimaat doet dat niet. Hoe zit dat precies?
17 januari
18 januari
4 6
5 8
4°C
6°C
2°C
5°C
4°C 7
6°C
3°C 8
4°C
4
7°C
3°C
5°C neerslag in mm 0 - 0,5 0,5 - 1
1-2
4-8
2-4
meer dan 8
zonnig
bewolkt
buien
hagel
licht bewolkt
regen
sneeuw
onweer
temperatuur °C FIGUUR 1 Deinweersverwachting. 10 5 0
6
6°C
mist
zon 8:38 uur 17:01 uur
maan 8:44 uur 17:35 uur
In jouw woonplaats kan het de ene dag 22 °C zijn
met een strakblauwe lucht, en de volgende dag is het bewolkt, 15 °C en valt er ’s middags regen. Maar 100 km verderop blijft het droog. Het weer in Nederland kan van dag tot dag en van plaats tot plaats verschillen; daarom noem je het ook wel wisselvallig. Het weer speelt zich af in de atmosfeer (dampkring). Het is de toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied. In Nederland maken weerkundigen (meteorologen) van bijvoorbeeld Meteoconsult of van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) weersverwachtingen. In een weerbericht of op een weerkaart kun je herkennen welke weerelementen belangrijk zijn: temperatuur, wind, bewolking, neerslag en luchtdruk. Weerkundigen meten deze weerelementen met satellieten, weerballonnen en meetapparatuur in weerstations op het aardoppervlak. Met computermodellen maken ze daar een weersverwachting van. Zonlicht bestaat uit zichtbaar licht, maar ook uit andere soorten straling, zoals ultraviolette straling. Deze uv-straling is in grote hoeveelheden schadelijk, want je kunt ervan verbranden als je je huid niet bedekt of met zonnebrandcrème beschermt. Je kunt er zelfs huidkanker door krijgen. Daarom wordt in een weerbericht vaak ook
1.1
zomer wind
winter wind
15 °C
5 °C
15 °C
2 °C
20 °C
2 °C
9
Weer of klimaat?
eens aan de Sahara, waar het warm en droog is. Of aan Groenland, waar het koud is. Bij de indeling van klimaten op aarde zijn de gemiddelde temperatuur in de koudste en de warmste maand en de totale gemiddelde neerslag over een jaar belangrijk. Die bepalen welke planten en dieren in een gebied kunnen leven.
Klimaatfactoren FIGUUR 2
In kustgebieden zorgt een wind van zee in de zomer voor koelte en in de winter voor warmte.
de zonkracht of uv-index genoemd. De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt, en heeft een waarde tussen 1 (zeer weinig uv-straling) en 8 (maximale hoeveelheid uv-straling). Als het erg bewolkt is (hoge bewolkingsgraad), is de zonkracht kleiner dan bij een wolkeloze hemel.
Klimaat Het weer kan dus van dag tot dag en van plaats tot
plaats verschillen. Dat is anders bij het klimaat. Dat komt doordat het klimaat het gemiddelde weer is over een langere periode (dertig jaar) in een bepaald gebied. Omdat het om een gemiddelde gaat over een langere periode, zie je in het klimaat de weeruitschieters zoals hittegolven of perioden met veel neerslag niet terug. De klimaten op aarde zijn ingedeeld op basis van de weerelementen. Je kijkt dan naar de gemiddelde temperatuur en neerslag in een langere periode in een bepaald gebied. In een klimaatgrafiek (figuur 4) zie je deze gemiddelde temperatuur en neerslag per maand. Niet elk gebied op aarde heeft hetzelfde klimaat. Denk maar
De verschillen in gemiddelde temperatuur en neer-
slag tussen gebieden kunnen heel groot zijn. Dit komt door de volgende vijf klimaatfactoren. Breedteligging: dit is de afstand tot de evenaar. Hoe verder van de evenaar, hoe lager de gemiddelde temperatuur. Hoogteligging boven zeeniveau: hoe hoger je komt, hoe lager de gemiddelde temperatuur. Onder deze klimaatfactor valt ook het reliëf in een gebied, zoals de ligging van een gebergte. Het soort oppervlak dat de zon verwarmt: de gesteldheid van het aardoppervlak. Er is meer zonne-energie nodig om 1 m3 water (een vloeistof) op te warmen dan 1 m3 land (een vaste stof). Water koelt ook langzamer af dan land. Dit komt doordat zonnestralen dieper in het water doordringen en doordat opgewarmd water zich kan mengen met kouder water uit de diepte. Hiermee samen hangt de afstand tot zee of een ander groot wateroppervlak. Een gebied bij zee ontvangt met een wind vanaf zee vaak vochtige lucht waar veel neerslag uit valt. Ook kan een zee daar zorgen voor een koele wind in de zomer en een warme wind in de winter. De aanvoer van warmte, koude of vochtigheid van elders, door wereldwijde wind- en oceaanstromingen.
150
De Bilt
mm
10
50
0
j
f m a m j
FIGUUR 4
Wateroverlast door hoosbuien.
20
100
0
FIGUUR 3
ºC
j
a
s o n d
–10
Klimaatgrafiek van De Bilt. Alle klimaatgrafieken van plekken in Nederland lijken op elkaar: heel Nederland heeft dan ook hetzelfde klimaat en wel een gematigd zeeklimaat.
10
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1.2 De zon als motor: temperatuur
In Suriname is het het hele jaar gemiddeld warmer dan 18 °C, maar in het noorden van Groenland komt de temperatuur gemiddeld nauwelijks boven de 0 °C. Hoe ontstaan deze grote verschillen in de gemiddelde temperatuur?
lange weg door atmosfeer, groot oppervlak B
hellingsh oe 23½° k N
ZONNESTRALEN
zoninvalshoek 20° 66½° N.B. noordpoolcirkel
korte weg door atmosfeer, klein oppervlak A
ZONNESTRALEN
23½° N.B. Kreeftskeerkring
zoninvalshoek 90°
Temperatuur
evenaar
Als meteorologen spreken over de temperatuur op
een weerkaart, bedoelen ze de temperatuur van de lucht die met een thermometer gemeten wordt op 1,5 m hoogte boven een open grasvlakte in een wit kastje met openingen aan de zijkant. Op een thermometer in Europa staat de schaal van Celsius. Bij 0 °C bevriest water en bij 100 °C kookt het. Op kaarten wordt de temperatuur vaak weergegeven met isothermen: lijnen die plaatsen met een gelijke temperatuur met elkaar verbinden.
FIGUUR 5
Weerstation met onder andere een minimummaximumthermometer.
Zoninvalshoek en breedteligging Op wereldschaal is de zon de warmteleverancier van
de aarde. Zonnestralen vallen op het aardoppervlak (water of land), dat daardoor opwarmt en warmte afgeeft aan de lucht erboven. De zon warmt de lucht dus niet direct op, maar via het aardoppervlak. Daarom is het op 10 km hoogte (een hoogte waarop intercontinentale vliegtuigen
Z
FIGUUR 6
66½° Z.B. zuidpoolcirkel
23½° Z.B. Steenbokskeerkring
De zoninvalshoek per breedtegraad verschilt door de kromming van het aardoppervlak.
vliegen) wel −52 °C. De warmtestraling van het aardoppervlak bereikt deze hoogte niet. De algemene regel is dat de temperatuur vanaf het aardoppervlak elke 1.000 m afneemt met 6 °C, tot ongeveer 10 km hoogte. De aarde is een bol. Dit betekent dat een bundel zonnestralen op hoge breedte een groter oppervlak verwarmt dan op lage breedte. Je zegt ook wel dat de zoninvalshoek op hoge breedte kleiner is dan op lage breedte. 1 m2 aardoppervlak op de evenaar wordt door dezelfde bundel zonnestralen dus meer opgewarmd dan 1 m2 aardoppervlak op hogere breedte. Dit betekent dat de lucht boven het aardoppervlak op de evenaar ook meer warmte ontvangt dan de lucht op hogere breedte, waardoor de gemiddelde temperatuur op de evenaar hoger is. Lucht bestaat uit kleine deeltjes, gasmoleculen van bijvoorbeeld zuurstof, stikstof en waterdamp, maar ook uit waterdruppels (wolken) en stofdeeltjes (vulkanische as, roet). Een bundel zonnestralen op lagere breedte legt een minder lange weg door de atmosfeer af dan een bundel zonnestralen op hogere breedte, en botst daarbij tegen minder deeltjes. Op lage breedte ontvangt het aardoppervlak daarom een beetje meer zonne-energie dan op hoge breedte.
1.2
hellingshoek 23½° 21 - 22 maart Zon loodrecht op evenaar. Lente op het noordelijk halfrond.
omwenteling aarde in 24 uur
omloop aarde in 365 dagen, 5 uur, 49 minuten en 26 seconden
Noordpool
21 - 22 juni Zon loodrecht op Kreeftskeerkring. Zomer op het noordelijk halfrond.
Zuidpool
FIGUUR 7
21 - 22 december Zon loodrecht op Steenbokskeerkring. Winter op het noordelijk halfrond.
22 - 23 september Zon loodrecht op evenaar. Herfst op het noordelijk halfrond.
De stand van de aarde ten opzichte van de zon gedurende het jaar, en de seizoenen.
Seizoenen Is het je weleens opgevallen dat de aardbol van een
globe altijd schuin staat? Dat komt doordat de aardas in het echt schuin staat ten opzichte van de baan van de aarde om de zon. Dit betekent dat de ene helft van het jaar het noordelijk halfrond naar de zon is toegekeerd, en de andere helft van het jaar het zuidelijk halfrond. Hierdoor verandert tijdens een jaar de zoninvalshoek op elke breedtegraad, en dus ook de hoeveelheid warmte die de lucht boven het aardoppervlak ontvangt. Zo ontstaan
FIGUUR 8
De tropische weelde van Suriname.
De zon als motor: temperatuur
11
de seizoenen. Als het noordelijk halfrond zich naar de zon keert, gaat daar de winter over in de lente en daarna de zomer. Tegelijkertijd gaat op het zuidelijk halfrond de zomer over in de herfst en daarna de winter. Het gebied tussen de 23½° N.B. en 23½° Z.B., het gebied tussen de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring, ontvangt gedurende het hele jaar de meeste warmte. Hier is de zoninvalshoek het hele jaar groter dan op de rest van de aardbol. Dit gebied heet de tropen. De seizoenen zijn hier nauwelijks merkbaar.
Andere invloeden op de gemiddelde temperatuur Op continentale en regionale schaal spelen de hoogte-
ligging en de ligging aan zee ook een grote rol in de gemiddelde temperatuur in een gebied. Luchtdeeltjes houden warmte vast. Waar meer luchtdeeltjes zijn, kan de atmosfeer meer warmte vasthouden en ontsnapt er minder warmte naar het heelal. Door de zwaartekracht zitten er op zeeniveau gemiddeld meer deeltjes in 1 m3 lucht dan op 3 km hoogte en op 8 km hoogte zijn het er nog minder. Beklimmers van de Mount Everest moeten dan ook zuurstofflessen meenemen, want op 8 km hoogte zit er veel minder zuurstof in de lucht, en raak je snel buiten adem. Het aardoppervlak in een gebergte wordt net als het aardoppervlak op zeeniveau opgewarmd door zonnestralen, dus ook de atmosfeer erboven. Maar omdat daar minder luchtdeeltjes boven het aardoppervlak zitten, houdt de atmosfeer boven gebergten minder warmte vast en ontsnapt meer warmte naar het heelal. Hoe hoger je in een gebergte komt, hoe lager de gemiddelde temperatuur van de lucht is. In de zomer kan de zee in kustgebieden zorgen voor verkoeling, omdat de lucht boven water kouder is dan de lucht boven land. En in de winter zorgt de zee voor verwarming, omdat de lucht boven zee dan warmer is dan die boven land (figuur 2). Dat heeft te maken met het verschil in opwarmen en afkoelen van water en land. Je zegt ook wel dat de zee in een gebied met seizoenen, zoals Nederland, een matigende invloed heeft op de gemiddelde temperatuur. Warme en koude zeestromen hebben ook invloed op de gemiddelde temperatuur in kustgebieden.
12
1
Weer en klimaat
Het weer en het klimaat
1.3 De zon als motor: luchtdruk en wind
In een weerbericht hoor je vaak over een lagedrukgebied vlak bij of boven Nederland. Dan valt er meestal neerslag en kan het hard waaien. Wat hebben luchtdruk en wind met elkaar te maken?
H 30° N.B.
FIGUUR 10
Luchtdruk en wind Lucht heeft gewicht. Per liter weegt lucht niet veel,
ongeveer 1,3 gram. Maar als je de hele atmosfeer meeteelt, heeft lucht toch een behoorlijk gewicht. Dit gewicht zorgt voor een kracht op het aardoppervlak, de luchtdruk. De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op het aardoppervlak uitoefent. Je kunt luchtdruk meten met een barometer. Op weerkaarten en in weerberichten wordt de luchtdruk aangegeven in hectopascal (hPa). Aan het aardoppervlak ligt de luchtdruk meestal tussen de 940 en 1060 hPa. Op elke plek verandert de luchtdruk van dag tot dag. De luchtdruk aan het aardoppervlak in een gebied kun je in een kaart weergeven met isobaren. Een isobaar is een lijn die plaatsen met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt. Verschillen in luchtdruk ontstaan door verschillen in temperatuur van de lucht boven het aardoppervlak. Als lucht op een plek wordt opgewarmd, stijgt de lucht daar op en neemt de luchtdruk aan het aardoppervlak af. Hier ontstaat dan een lagedrukgebied of minimum. Vanuit 0 99 1010
0 98
00
10
1030
10 20
10
10
10
10
102
9
1000
20
0
90
10
0
de omgeving waar de luchtdruk hoger is, stroomt er lucht over het aardoppervlak naar het lagedrukgebied toe. Dit is wind. Boven in de atmosfeer stroomt de lucht precies de andere kant op. Zo ontstaat een luchtcirculatiesysteem waarbij op de ene plaats lucht opstijgt en op de andere plaats lucht daalt. In het gebied met dalende lucht neemt de luchtdruk toe: er ontstaat een hogedrukgebied of maximum. Zo’n luchtcirculatiesysteem bestaat bijvoorbeeld in de tropen, rond de evenaar, waar de lucht het hele jaar door sterk verwarmd wordt. Een andere situatie waarin verschillen in luchttemperatuur zorgen voor verschillen in luchtdruk, is als koude en warme lucht botsen. Koude en warme lucht mengen niet makkelijk met elkaar, omdat ze een verschillende dichtheid hebben. Je kunt dit vergelijken met water en olie in een glas: de olie is lichter en drijft op het water. Warme lucht is lichter dan koude lucht en beweegt over de koudere lucht omhoog. Ook dan ontstaat er aan het aardoppervlak een lagedrukgebied. Bij het botsen van warme en koude lucht noem je dit lagedrukgebied ook wel een depressie. Over het aardoppervlak stroomt dan lucht uit de omgeving waar de luchtdruk hoger is hiernaartoe: dit voelen wij als wind. Depressies komen vaak voor in Nederland en andere gebieden die rond dezelfde breedtegraad liggen.
980 990
koude lucht
101 5
100
5
warme lucht
101
Rome
1015
10
30
Het luchtcirculatiesysteem rond de evenaar.
Berlijn
10
0
10
102
1030
L
20
30° Z.B.
100 0
L
10
0°
H
Oslo
H
10 10
H
L evenaar
H 0
FIGUUR 9
L
Cairo 500
1.000 km
Luchtdruk aan het aardoppervlak in Europa op een bepaalde dag.
bewegingsrichting front
FIGUUR 11
Het ontstaan van lage luchtdruk aan het aardoppervlak bij het botsen van warme en koude lucht in Nederland.
1.3
Westerstorm. Fietsers moeten vanwege de harde wind afstappen op de Erasmusbrug in Rotterdam. Tijdens deze storm werd aan de kust een windkracht van 11 Bft gemeten.
N
O
W
N
N
W
NN
WN
O
ON
W
O
W
OZ
W
WZ
O
ZO
FIGUUR 13
Windroos.
Z
ZZO
lucht van het gebied met hoge luchtdruk stroomt naar het gebied met lage luchtdruk. Als de isobaren op een kaart dicht bij elkaar liggen, is er op die plek een groot verschil in luchtdruk en zal het hard waaien. De Ier Beaufort heeft in de negentiende eeuw de schaal van Beaufort bedacht, een maat voor de windkracht. Bij een windkracht van 0 beaufort (Bft) is het windstil, een windkracht van 12 Bft betekent orkaankracht. Je kunt de windsnelheid meten met een windmeter (of anemometer). Je meet de windsnelheid in meter per seconde (m/s) of kilometer per uur (km/u). Windsnelheid en windkracht hangen met elkaar samen. Hoe groter de windsnelheid, hoe krachtiger de wind. Bij een snelheid van 0 tot 1 km/u is de windkracht 0 Bft en bij meer dan 117 km/u is de windkracht 12 Bft. Boven grote, gladde en platte oppervlakten zoals een zee kan de wind grotere snelheden ontwikkelen dan boven land. Op het land staan dingen in de weg, zoals bomen, gebouwen of reliëf, waardoor de wind wordt afgeremd. Dit noem je wrijving.
NN O
Een verschil in luchtdruk zorgt voor wind, waarbij de
Wind heeft ook altijd een richting. De windrichting wordt genoemd naar de kompasrichting van waaruit de wind waait. Komt de wind uit het noorden, dan noem je hem noordenwind. Een windroos kan je helpen bij het benoemen van de windrichting (figuur 13). Een andere benaming voor een wind heeft te maken met het oppervlak waarover deze waait. Als een wind over zee naar land waait, noem je het een zeewind of aanlandige wind. Waait de wind over land naar zee, dan noem je het een landwind of aflandige wind.
ZZW
Windkracht, windsnelheid en windrichting
ZW
FIGUUR 12
13
De zon als motor: luchtdruk en wind
14
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1.4 De zon als motor: neerslag
Als het weerbericht de komst van een lagedrukgebied aankondigt, betekent dat vaak wisselvallig weer met neerslag. Wat hebben luchtdruk en neerslag met elkaar te maken?
Luchtvochtigheid en het ontstaan van wolken Overal in de lucht om ons heen zit een beetje water
verstopt in de vorm van waterdamp. Waterdamp kun je niet zien, het is een gas. Luchtvochtigheid is de hoeveelheid waterdamp die lucht bevat. Lucht met veel waterdamp erin noem je ook wel vochtige lucht (of natte lucht) en lucht met weinig waterdamp droge lucht. Er zit een maximum aan de hoeveelheid vocht die in de lucht kan zitten. Dit is afhankelijk van de temperatuur. Warme lucht kan meer waterdamp bevatten dan koude lucht. Als lucht met een bepaalde hoeveelheid waterdamp erin afkoelt, raakt deze lucht verzadigd. Op dat moment gaat waterdamp condenseren tot water. In de lucht ontstaan dan kleine waterdruppels die wij zien als wolken. Deze waterdruppels kunnen heel klein zijn, waardoor ze blijven zweven. Dan valt er geen neerslag.
FIGUUR 14
Wolkenlucht boven Nederland. Gaat het regenen, denk je?
Maar ze kunnen ook zo groot worden dat ze door de zwaartekracht naar beneden vallen. Dan regent, sneeuwt of hagelt het. In de atmosfeer koelt lucht af als deze omhoog beweegt. Overal waar (warme) lucht opstijgt en dus afkoelt, kan de lucht verzadigd raken en kunnen wolken ontstaan. Het hangt van de hoeveelheid waterdamp in de lucht af of de waterdruppels groot genoeg worden om naar beneden te vallen als neerslag. In de atmosfeer kan (koude) lucht ook dalen. Dalende lucht warmt op en kan daardoor meer waterdamp bevatten. In gebieden met dalende lucht verdwijnen daardoor de wolken: de waterdruppels verdampen.
Soorten neerslag Neerslag ontstaat dus in gebieden waar (warme) lucht
opstijgt. Dat gebeurt in verschillende situaties. Overal waar het aardoppervlak flink opwarmt door de zonnestralen, wordt de lucht boven het aardoppervlak ook opgewarmd. Deze warme lucht is lichter dan de lucht in de omgeving en stijgt daardoor op. Je hebt al eerder gezien dat aan het aardoppervlak dan een lagedrukgebied ontstaat. Tijdens het opstijgen koelt deze lucht af en als er genoeg vocht in zit, ontstaan er wolken en kan er neerslag gaan vallen. Dit noem je stijgingsneerslag.
1.4
15
De zon als motor: neerslag
loefzijde
lijzijde lucht daalt en warmt op
stuwingsneerslag
waterdruppels in wolken verdampen
vochtige lucht stijgt op en koelt af
wolk ontstaat door condensatie
droog, regenschaduw
warme lucht stijgt op
L zonnestralen warmen aardoppervlak op
FIGUUR 15
FIGUUR 17
Het ontstaan van stijgingsneerslag.
Het ontstaan van stuwingsneerslag.
Dit gebeurt bijvoorbeeld op grote schaal in de tropen rondom de evenaar. Maar ook op kleinere schaal op een mooie zomerse dag boven een grote zandvlakte als de Drunense Duinen in Nederland. Je hebt al gezien dat warme lucht over koude lucht omhoog beweegt als warme en koude lucht botsen. Deze warme, opstijgende lucht koelt af en hierdoor kunnen wolken ontstaan, waaruit neerslag kan vallen. Het grensvlak tussen de warme en koude lucht (dat ontstaat doordat de twee luchtsoorten niet makkelijk met elkaar mengen) noem je een front. De neerslag die hierdoor valt, noem je frontale neerslag. Bij een gebergte komt de wind vaak van één kant, en wordt de lucht omhooggestuwd. Dit noem je de loefzijde van het gebergte. Hier koelt de lucht af, kunnen zich wolken vormen en kan neerslag vallen. Deze neerslag noem je stuwingsneerslag. Aan de andere kant van het gebergte daalt de lucht vaak weer en warmt op. Dit noem je de lijzijde van het gebergte. De wolken die er nog zijn, verdampen en aan deze kant valt dan ook bijna geen neerslag. Je zegt ook wel dat dit gebied in de regenschaduw ligt.
Waterkringloop Water komt op aarde in drie fasen (toestanden) voor:
vast (ijs, sneeuw), vloeibaar (water) en gas (waterdamp). Deze drie fasen wisselen elkaar voortdurend af in een kringloop: de waterkringloop. Als water ijs wordt, spreek je van bevriezen en andersom van smelten. Als water waterdamp wordt, spreek je van verdampen en andersom van condenseren. Door zonnestralen verdampt er water vanaf het aardoppervlak, bijvoorbeeld uit oceanen, zeeën en meren. Zo komt er waterdamp in de lucht terecht. Op plaatsen waar de lucht afkoelt, kunnen wolken ontstaan en kan neerslag vallen. Meer dan de helft van alle neerslag valt boven oceanen en zeeën. De neerslag die op het land valt, kan landijs worden in de poolgebieden, of gletsjerijs in hooggebergten. Het kan zich ook als stromend water verzamelen in beekjes, meren en rivieren die uiteindelijk weer in zee uitmonden. Dit noem je afstromen. En neerslag kan in de bodem en ondergrond wegzakken en grondwater worden. Dit noem je infiltreren. Via de diepere ondergrond stroomt dit grondwater naar rivieren en meren, en naar zee. FIGUUR 18
koude lucht
De waterkringloop.
neerslag
warme lucht
bevriezen
condensatie
L bewegingsrichting front
FIGUUR 16
verdamping
smelten
Het ontstaan van frontale neerslag.
verdamping afvoer door rivieren oceaan
r
te
afstroming
on gr
a dw
ie
at
ltr
infi
verdamping
16
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie
Het weer verandert van dag tot dag en van plaats tot plaats. Toch kun je op wereldschaal patronen ontdekken in de verdeling van de gemiddelde temperatuur, de luchtdruk, de wind en de neerslag.
Wereldwijde luchtdrukgordels De lucht om ons heen is steeds in beweging, op kleine schaal rondom je eigen huis, maar ook op wereldschaal. Luchtstromen en winden op wereldschaal worden aangestuurd door lage- en hogedrukgebieden aan het aardoppervlak die ontstaan door meer of minder zonneinstraling. Het gebied rondom de evenaar tussen de twee keerkringen ontvangt gemiddeld veel zonne-energie, elke dag opnieuw. Hier warmt de lucht boven het aardoppervlak dan ook sterk op, waardoor grote hoeveelheden warme en vochtige lucht opstijgen tot hoog in de atmosfeer. Aan het aardoppervlak ontstaat in dit hele gebied daardoor een gordel van lage luchtdruk (minimum): een lageluchtdrukgordel. De grote hoeveel-
H
Noordpool
L
60° N.B.
L
westenwinden
30° N.B.
H
H
heden opstijgende vochtige en warme lucht koelen hoger in de atmosfeer af en bijna elke dag ontstaan grote regen- en onweersbuien. In dit tropische gebied valt dan ook gemiddeld veel neerslag (stijgingsneerslag). Het gebied rondom de polen ontvangt gemiddeld minder zonne-energie dan alle andere gebieden op aarde. Hier is de gemiddelde temperatuur dan ook laag, het is er altijd koud. De lucht boven de poolgebieden is ook koud. Koude lucht is zwaar en zal in de atmosfeer naar beneden bewegen. Op de polen heerst er daarom altijd een hoge luchtdruk aan het aardoppervlak (maximum). Omdat het hele gebied zo koud is, warmt de dalende lucht daar niet op. Als de lucht vochtig is, kan er neerslag vallen, vaak als sneeuw. Maar wat gebeurt er tussen de gordel van lage luchtdruk op de evenaar en het gebied met hoge luchtdruk op de polen? De opstijgende lucht in het gebied rond de evenaar verzamelt zich hoog in de atmosfeer en stroomt dan naar het noorden en zuiden als een hoge wind weg. Hoog in de atmosfeer koelt de lucht nog verder af en wordt zo koud dat hij gaat dalen. Dit gebeurt gemiddeld rondom de 30° N.B. en Z.B. Deze dalende lucht zorgt hier voor een gordel van hoge luchtdruk (hogeluchtdrukgordel). De dalende lucht warmt hier op, doordat het aardoppervlak op deze breedte veel zonne-energie ontvangt. De wolken die er nog zijn, verdampen. Rond de 30° N.B. en Z.B. valt gemiddeld dan ook weinig neerslag. Vanaf deze gordel met hoge luchtdruk stroomt warme lucht over het aardoppervlak naar de evenaar terug, waar de lucht opnieuw omhoog kan bewegen. Ook stroomt er warme lucht naar hogere breedten. Rond 50 tot 60° N.B. en Z.B. (waar ook Nederland ligt) ontmoeten de koude lucht vanaf de polen en de warme lucht vanaf het zuiden (of op het zuidelijk halfrond: vanaf het noorden) elkaar. Hier beweegt de warme lucht over
passaatwinden evenaar
L
L
H
hogedrukgebied
L
lagedrukgebied windrichting
passaatwinden
H
fro
H
nt
30° Z.B.
westenwinden
L H L
60° Z.B.
L
hogedrukgebied lagedrukgebied windrichting
Zuidpool
H
H Noordpool
FIGUUR 19
Wereldwijde luchtcirculatie met luchtdrukgordels en windsystemen.
FIGUUR 20
L
H
60° N.B.
30° N.B.
L evenaar
Samenhang tussen de wereldwijde luchtcirculatie en het gemiddelde neerslagpatroon.
1.5
FIGUUR 21
Een stortbui aan het einde van de dag in de tropen.
de koude lucht omhoog en ontstaan depressies (lagedrukgebieden) met veel wolken waaruit frontale neerslag valt. Op deze breedte ligt dan ook een gordel met lage luchtdruk (minimum). Boven in de atmosfeer waaien op grote hoogte winden terug naar het noorden en het zuiden.
Wereldwijde windsystemen: mondiale luchtcirculatie De lucht beweegt continu in een mondiale lucht-
circulatie met opstijgende en dalende lucht in brede luchtdrukgordels en met winden die hoog in de atmosfeer en aan het aardoppervlak waaien. FIGUUR 22
De zon: motor van de luchtcirculatie
17
Je hebt geleerd dat wind waait van hoge druk naar lage druk. Dat zie je in figuur 19. Maar je ziet ook dat de winden niet in een rechte lijn waaien, maar met een bocht naar links (op het zuidelijk halfrond) of naar rechts (op het noordelijk halfrond). Dit komt doordat de aarde samen met de atmosfeer om haar as draait. Een punt op de evenaar, en de lucht daarboven, heeft daarbij een grotere snelheid dan een punt in het noordpoolgebied en de lucht daarboven. Winden die van 30° N.B. of Z.B. naar de evenaar waaien, waaien dus naar een gebied waar de lucht een grotere rotatiesnelheid heeft en raken daarbij achter. Hierdoor krijgen ze een afwijking naar rechts op het noordelijk halfrond en naar links op het zuidelijk halfrond. Voor de winden die van 30° N.B. of Z.B. naar hogere breedte waaien, geldt dat ze naar een gebied waaien waar de lucht een kleinere rotatiesnelheid heeft, en raken daarop voor. Hierdoor krijgen ze op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links. De Nederlandse meteoroloog Buys Ballot heeft de afwijking van de wind op beide halfronden ontdekt en een wet hiervoor bedacht: de wet van Buys Ballot. Deze luidt: als je met je rug naar het hogedrukgebied staat, dan heeft de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links. In figuur 19 zie je dat er aan het aardoppervlak wereldwijde winden zijn die altijd uit dezelfde richting waaien. Dit zijn de passaatwinden, de noord- en zuidoostenwinden die waaien tussen 30° N.B. en Z.B. en de evenaar. En de westenwinden die waaien tussen de 30° N.B. en Z.B. en de gordel met lage luchtdruk rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. Dan zijn er nog de oostelijke winden die in de poolgebieden waaien.
De lucht boven Antarctica is koud en daalt. Hier heerst aan het aardoppervlak dan ook altijd een hoge luchtdruk (maximum).
18
Weer en klimaat
1.6 Bronnen
1
Het weer en het klimaat
Titel Klimaten ... in de wereld
Met alle kennis die je nu hebt, kun je het voorkomen van de klimaten op aarde verklaren. Bij de indeling van de klimaten spelen de gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand en de gemiddelde neerslag per jaar een rol.
BRON 1 A 800
neerslag in mm
B temperatuur in °C
40
700
35
600
30
500
300
neerslag in mm
temperatuur in °C
40
250
30
25
200
20
400
20
150
10
300
15
200
10
100
0
100
5
50
0
0
0
j f mam j j a s o n d maand
–10 j f m a m j j a s o n d maand
–20
BRON 2 A neerslag in mm
B temperatuur in °C
40
100
80
20
80
60
0
60
40
–20
40
20
–40
20
–60
0
100
neerslag in mm
temperatuur in °C 40
0
j f m a m j j a s o n d maand
20 0 –20 –40 j f m a m j j a s o n d maand
BRON 3 A 100
neerslag in mm
B temperatuur in °C
200
neerslag in mm
temperatuur in °C
30
40 80 20 60 0 40 –20 20 –40 0
j f m a m j j a s o n d maand
160
20
120
10
80
0
40
–10
0
j f m a m j j a s o n d maand
–20
1.6
Anders actief
19
Bronnen: Klimaten in de wereld
BRON 4 A 200
neerslag in mm
B temperatuur in °C
40
150
30
100
20 10
50 0
j f m a m j j a s o n d maand
0
50
neerslag in mm
temperatuur in °C
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
j f m a m j j a s o n d maand
0
BRON 5 A neerslag in mm
neerslag in mm
temperatuur in °C
30
125
120
20
100
40
90
10
75
30
60
0
50
20
30
–10
25
10
–20
0
150
0
BRON 6
B temperatuur in °C
j f mam j j a s o n d maand
j f m a m j j a s o n d maand
50
0
Kenmerken van de klimaten.
Hoofdklimaat Subklimaat
Kenmerken gemiddelde temperatuur
Kenmerken gemiddelde hoeveelheid neerslag
tropisch tropisch regenklimaat regenwoudklimaat
altijd boven 18 °C
voldoende neerslag in alle maanden
savanneklimaat
altijd boven 18 °C
met droge periode
droog klimaat
steppeklimaat
ongeveer 150 tot 300 mm per jaar
woestijnklimaat
minder dan ongeveer 100 tot 150 mm per jaar
gematigd zeeklimaat zeeklimaat Middellandse Zeeklimaat /
in de koudste maand warmer dan –3 °C en kouder dan 18 °C
voldoende neerslag in alle maanden
in de koudste maand warmer dan –3 °C en kouder dan 18 °C
droog seizoen in de zomer
- in de warmste maand warmer dan 10 °C - in de koudste maand kouder dan –3 °C
voldoende neerslag in alle maanden
- in de warmste maand warmer dan 10 °C - in de koudste maand kouder dan –3 °C
droog seizoen in de winter
mediterraan klimaat
gematigd landklimaat landklimaat landklimaat met een droge winter toendraklimaat poolklimaat sneeuw- en ijsklimaat /
warmste maand warmer dan 0 °C en kouder dan 10 °C
het hele jaar kouder dan 0 °C hooggebergteklimaat
20
Weer en klimaat
2
Spanje en Nederland vergeleken
2 Spanje en Nederland vergeleken Nederland
Spanje
2.1
Weer en klimaat in Europa Weer
In Europa zijn er vaak grote verschillen in het weer tussen gebieden. Ook komen er heel verschillende klimaten voor. Hoe zit dit in Spanje en Nederland?
L
H 8
2 10
0
10
1024
bewegingsrichting lucht
H hogedrukgebied
luchtdruk in hPa
L lagedrukgebied
FIGUUR 1
94
1
20
02
4
99
9
Op het noordelijk halfrond stroomt lucht uit een hogedrukgebied met de klok mee (rechtsom) en naar een lagedrukgebied tegen de klok in (linksom). Op het zuidelijk halfrond is dit precies andersom. Denk nog maar eens terug aan de Wet van Buys Ballot (paragraaf 1.5).
Het weer in Spanje en Nederland wordt beïnvloed
door drie verschijnselen. Het eerste zijn depressies die ontstaan boven de Atlantische Oceaan en die met de westenwinden over Europa heen gaan. Het tweede is een altijd bestaand hogedrukgebied op de Atlantische Oceaan bij de Azoren (Azoren-Hoog). En het derde zijn hogedrukgebieden die (tijdelijk) ontstaan boven het vasteland van Europa (vaak in de winter). Op onze breedte ontmoeten warme lucht uit het zuiden en koude lucht uit het noorden elkaar. Waar dat gebeurt ontstaan telkens opnieuw depressies: lagedrukgebieden met bepaalde kenmerken. Door de draaiing van de aarde stroomt op het noordelijk halfrond lucht naar een lagedrukgebied tegen de klok in (linksom), in een soort spiraal (figuur 1). Omdat warme en koude lucht niet makkelijk met elkaar mengen, draaien deze luchtsoorten met een spiraalbeweging linksom in elkaar, waarbij de warme lucht over de koude lucht omhoog beweegt (figuur 2). Dit gebeurt altijd volgens hetzelfde patroon: aan de ene kant ontstaat door die draaiende beweging een warmtefront, waarbij warme lucht in een gebied met koelere lucht komt. En aan de andere kant ontstaat een koufront, waarbij koude lucht in een gebied met warme lucht komt. De koude lucht bij het koufront beweegt sneller dan de warme lucht en de koelere lucht.
2.1
Daarom haalt het koufront het warmtefront uiteindelijk in en ontstaat een ‘gesloten’ front (occlusiefront). Dit kun je je voorstellen als een soort ritssluiting. Is de ritssluiting helemaal dicht, dan houdt de depressie op te bestaan. Bij de fronten van een depressie valt frontale neerslag. Het Azoren-Hoog is onderdeel van de hogedrukgordel die heerst rond de 30° N.B. In onze zomer staat de zon loodrecht op de Kreeftskeerkring. Dan ligt deze hogedrukgordel noordelijker dan 30° N.B. en is sterk. Het Azoren-Hoog heeft dan meer invloed in Europa: het dwingt depressies in een noordelijker route van west naar oost over Europa. In Nederland valt er dan vaak frontale neerslag. In een groot deel van Spanje heerst dan het Azoren-Hoog en is het droog en zonnig weer. In onze winter staat de zon loodrecht boven de Steenbokskeerkring en ligt de hogedrukgordel met het AzorenHoog meer naar het zuiden en is zwak. Depressies kunnen dan een veel zuidelijker route nemen van oost naar west: in Spanje valt daarom in de winter vaak frontale neerslag. Ook op andere plaatsen kunnen (tijdelijke) hogedrukgebieden ontstaan. Bijvoorbeeld in de winter boven het binnenland van Europa. Het landoppervlak en de lucht erboven koelen dan zo veel af, dat de lucht daar gaat dalen. Als dit hogedrukgebied sterk wordt, dan waait in Nederland een oostenwind en is het koud. Het kan dan langere tijd vriezen.
5
98
985
10
00 0 99
0
L
10
H
A
warm
102
10
25
0
10
10
103
0
B 100
0 99
10
20
1.000 km
warmtefront
25
500
10
0
5 103
1
2
koud
neerslag H
hoge luchtdruk
L
lage luchtdruk
A B
figuur 3
FIGUUR 2
L koud
warm
warm
occlusiefront L
3
koel
koud
koel
4 koud
warm
koude lucht
koel
koud
L A warm
Weerkaart van Europa. Je ziet een hogedrukgebied bij de Azoren dat zich uitstrekt naar Spanje en een depressie met fronten boven Nederland. De doorsnede A-B zie je in figuur 3. Let op: als er meer depressies vlak na elkaar ontstaan, dan kunnen ze deels met elkaar overlappen en ziet een weerkaart er veel rommeliger en ingewikkelder uit!
warm
ont ufr ko
koufront
warme lucht
00 10
103 0
ligt zuidelijker. Bovendien heeft het verschillende (hoog) gebergten en ligt het zowel aan de Atlantische Oceaan als aan de Middellandse Zee. Welke klimaten komen er voor? In het noorden komt het gematigd zeeklimaat voor, met zachte winters en koele zomers en neerslag in alle jaargetijden. Dit komt door de ligging aan de Golf van Biskaje, een ondiepe uitloper van de Atlantische Oceaan. Door de breedteligging zijn de gemiddelde temperaturen wat hoger dan in Nederland. Het noordwesten van Spanje vormt een uitzondering. In dit gebied valt de neerslag vooral in de winter en zijn de zomers droog. Maar de gemiddelde temperatuur van de warmste maand is hier lager dan in het zuiden van Spanje. Dit komt vooral door de ligging direct aan de Atlantische Oceaan. Daarom zegt men dat dit gebied een Middellandse Zeeklimaat heeft met koele zomers. In het zuiden heerst het Middellandse Zeeklimaat, met droge, warme zomers en natte, zachte winters. Het water in de Middellandse Zee is gemiddeld warmer dan het water in de Noordzee. Dit komt onder andere doordat het water in de Middellandse Zee weinig koud water ontvangt van de Atlantische Oceaan via de Straat van Gibraltar en zuidelijker ligt dan de Noordzee. In de hooggebergten, zoals de Pyreneeën, verwacht je een hooggebergteklimaat. Maar door de zuidelijke ligging komt in de bergen meestal het landklimaat voor en alleen hoog in de Pyreneeën het toendraklimaat. Aan de zuidkust en in het binnenland zijn er gebieden waar zo weinig neerslag valt, dat er het (warme) steppeklimaat of zelfs het woestijnklimaat heerst.
fr on t
koel L
koud
Spanje heeft een groter oppervlak dan Nederland en
m te
10
20
00
10
00 10
99 0
995
10
10
10
99 0
Klimaat
w ar
L
21
Weer en klimaat in Europa
FIGUUR 3
zware neerslag
matige neerslag
B bewegingsrichting depressie
Doorsnede (A-B) door het koufront en warmtefront van de depressie uit figuur 2. In figuur 2 zie je in vier tekeningen hoe warme en koude lucht bij een depressie linksom in elkaar draaien, als een soort spiraal, waarbij de warme lucht opstijgt.
22
Weer en klimaat
2
Spanje en Nederland vergeleken
2.2 Beschikbaarheid van water
Het klimaat van een gebied bepaalt hoeveel water voor mens en natuur beschikbaar is. Bijvoorbeeld voor de landbouw of voor miljoenen toeristen. Hoe zit dat in Spanje en Nederland?
Neerslagverdeling en neerslagintensiteit Om voor Spanje en Nederland te weten hoeveel water voor mens en natuur beschikbaar is, is het handig om te kijken naar de verdeling van neerslag in een gebied (de neerslagverdeling), naar de periode waarin deze neerslag valt en de intensiteit waarmee deze neerslag valt. De neerslagintensiteit is de hoeveelheid neerslag per tijdseenheid, bijvoorbeeld per uur of per dag. De neerslagverdeling en de periode waarin de neerslag valt, hebben te maken met de klimaten die voorkomen in Spanje en Nederland. In gebieden met een gematigd zeeklimaat regent het in elk seizoen voldoende.
FIGUUR 4
In gebieden met een Middellands Zeeklimaat is het in de zomer droog en valt de meeste neerslag in de winter. In gebieden met een steppeklimaat regent het in alle maanden weinig. Binnen een klimaatperiode van 30 jaar kunnen er drogere en nattere perioden voorkomen. Zo heeft Spanje regelmatig last van een paar jaren achter elkaar minder neerslag dan gemiddeld: een droogte. Dit levert problemen op met de beschikbaarheid van water. De neerslagintensiteit wisselt per seizoen. In Nederland regent het in de zomer minder lang dan in de winter en vooral in de vorm van buien. Een willekeurige plaats krijgt gemiddeld eens per tien jaar te maken met een wolkbreuk of hoosbui. Dan valt er 25 mm of meer in een uur of minstens 10 mm in vijf minuten. In Spanje komen ook hoosbuien voor. De intensiteit kan zo hoog zijn dat in enkele uren de helft van de jaarlijkse neerslag valt. Het water krijgt dan niet de kans om in de ondergrond te zakken en stroomt meteen over land af. Er ontstaat zo een piekafvoer in rivieren en riolen, waardoor deze kunnen overstromen. In reliëfrijke gebieden en droge gebieden is er dan ook kans op bodemerosie en modderstromen.
Overstroming in Los Alcázares in de regio van Murcia in 2016. In Murcia viel op 17 en 18 december van dat jaar 142,8 mm neerslag. In dit gebied raakte het verkeer ontregeld en scholen sloten hun deuren. Honderden mensen werden geëvacueerd. Ter vergelijking, in Nederland valt in de hele maand december gemiddeld ongeveer 75 mm neerslag.
2.2
Beschikbaarheid van water
23
Gebieden in Spanje met een steppeklimaat hebben last van een negatieve waterbalans, omdat de verdamping over een jaar groter is dan de hoeveelheid neerslag die er valt. De neerslag valt in droge gebieden soms ook in hoosbuien, waardoor dit water niet in het gebied blijft als grondwater maar meteen afstroomt naar beken en rivieren.
Landbouw en toerisme In Nederland is er tot nu toe voldoende water
FIGUUR 5
Benidorm heeft bijna 67.000 inwoners. In de zomer verblijven er wel meer dan 500.000 mensen, en er zijn bijna 12 miljoen hotelovernachtingen per jaar.
Waterbalans In een bepaald gebied kan best veel neerslag vallen.
Maar als de temperatuur daar hoog is en veel water meteen weer verdampt, dan houd je in dat gebied niet veel water over voor de natuur of de mens. Het is dus belangrijk om te kijken naar het verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de verdamping in een gebied. Dit verschil noem je de nuttige neerslag. De verdamping in een gebied bestaat uit verdamping uit oppervlaktewater, uit de bovenste centimeters van de bodem en uit de waterdamp die planten uitademen. De nuttige neerslag kan positief zijn (neerslagoverschot) of negatief (neerslagtekort). De waterbalans van een gebied gaat over de nuttige neerslag in een jaar, berekend over een langjarig gemiddelde (vergelijkbaar met het klimaat).
300
in mm verdamping neerslag
250
beschikbaar voor activiteiten zoals landbouw en toerisme. Dit komt door ons gematigde zeeklimaat. Maar in Spanje is dat in grote gebieden al langere tijd anders. In grote delen van Spanje is het irrigeren van landbouwgronden nodig, vooral in de akkerbouw en tuinbouw. Irrigatie is het opbrengen van water door te sproeien of het aanvoeren van water via kanaaltjes en sloten. Een nadeel hiervan is dat je vaak te veel water opbrengt. Dit water verdampt en de zouten die hierin zaten, komen dan in de bodem terecht. Het zoutgehalte in de bodem neemt toe. Dit noem je verzilting. Het beste is om te zorgen voor een goede drainage (afvoer) van het irrigatiewater naar het grondwater of oppervlaktewater, zodat het zout met het water de bodem uitgaat. Druppelirrigatie is ook goed: dan geef je elke plant precies de juiste hoeveelheid water, gaat er geen water verloren en komt er ook geen zout in de bodem terecht. Om aan de grote watervraag te voldoen, vooral in de droge zomermaanden als er ook miljoenen toeristen zijn, heeft Spanje in veel rivieren stuwdammen aangelegd. De stuwmeren vormen de watervoorraad in droge tijden. Via kanalen en pijpleidingen wordt water uit rivieren en stuwmeren naar irrigatiegebieden geleid. Ook pompt Spanje, net als Nederland, veel grondwater op. Deze grondwatervoorraden worden door neerslag niet voldoende aangevuld en raken op. Hierdoor daalt de grondwaterspiegel, met verdroging als gevolg.
200
150
100
50
0
j
FIGUUR 6
f
m
a
m
j
j
a
s
o
n
d maand
Gemiddelde waterbalans van Córdoba, 2001 - 2015. FIGUUR 7
Druppelirrigatie: via de slangen ontvangen de bomen precies voldoende water.
24
Weer en klimaat
2
Spanje en Nederland vergeleken
2.3 Klimaatverandering en extremer weer
Het lijkt alsof de winters in Nederland steeds milder en de zomers steeds warmer worden. In Spanje neemt de gemiddelde temperatuur toe. Heeft dit te maken met klimaatverandering?
Versterkt broeikaseffect De atmosfeer bestaat van nature uit allerlei gassen,
zoals zuurstof, stikstof, koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en waterdamp (H2O). Deze laatste drie gassen zorgen voor het vasthouden van warmte in de atmosfeer. Je noemt deze gassen ook wel broeikasgassen, en het vasthouden van warmte ook wel het natuurlijke broeikaseffect, omdat het vasthouden van de warmte lijkt op hoe een broeikas werkt. De gemiddelde temperatuur op aarde is hierdoor 15 °C in plaats van −18 °C. Dit maakt de aarde leefbaar. Door onze manier van leven verbruiken we veel natuurlijke hulpbronnen en energie. Huishoudens, industrie, transport en landbouw zorgen er samen voor dat er veel fossiele brandstoffen worden verbruikt, waarbij vooral koolstofdioxide vrijkomt. Hierdoor neemt de concentratie van koolstofdioxide in de atmosfeer toe en gaat de atmosfeer steeds meer warmte vasthouden. Dit noem je het versterkte broeikaseffect. Het gevolg hiervan is dat de gemiddelde temperatuur op aarde snel hoger wordt. Dit leidt tot allerlei verschijnselen, zoals extremer weer, klimaatverandering, het smelten van gletsjer- en landijs en zeespiegelstijging.
de zomer van 2017, of als een hogedrukgebied ergens boven Europa ervoor zorgt dat depressies en koude lucht Nederland niet bereiken. Extreem hoge temperaturen in de zomer komen in de toekomst dan ook vaker voor. In Spanje kunnen we volgens de laatste inzichten zo’n warme zomer ongeveer elke 30 jaar verwachten (elk jaar 3% kans), in Nederland is dat elke 20 jaar (elk jaar 5% kans). In Spanje wordt niet alleen de zomer warmer. Ook de winter en de lente zijn de afgelopen 25 jaar ongeveer een graad warmer geworden. Door de hogere temperaturen is de verdamping toegenomen en hebben landen rond de Middellandse Zee steeds vaker last van droogte. In Nederland worden hogere gemiddelde wintertemperaturen verwacht, de winters zijn vaker zacht. De winters in Amsterdam zijn rond 2050 waarschijnlijk vergelijkbaar met die van Bordeaux (Frankrijk) nu. Volgens het KNMI kan de gemiddelde temperatuur in Nederland deze eeuw stijgen met 1 tot bijna 4 °C, afhankelijk van de uitstoot van broeikasgassen. In de zomer, lage voorspelling 0
In de winter, lage voorspelling
500 1.000 km
0
In de zomer, hoge voorspelling 0
500 1.000 km
500 1.000 km
In de winter, hoge voorspelling 0
500 1.000 km
Klimaatverandering en extremer weer De weerelementen bepalen het weer en het klimaat.
Hoe veranderen bijvoorbeeld de temperatuur en de neerslag in Nederland en Spanje de komende tijd? In de zomer zal het in Europa gemiddeld warmer worden. De juni-temperaturen in Europa vertonen al een duidelijke opwaartse trend. In Spanje en Portugal is het in juni gemiddeld nu 2,5 °C warmer dan een eeuw geleden, in Nederland is dit ruim 1,5 °C. Hier bovenop kunnen schommelingen in het weer voor nog hogere zomertemperaturen zorgen, wel 2 of 3 °C hoger. Dit gebeurt bijvoorbeeld als het Azoren-Hoog heel sterk is, zoals in
in °C 1,5 - 2
3,5 - 4
5,5 - 6
2 - 2,5
4 - 4,5
meer dan 6
2,5 - 3
4,5 - 5
geen gegevens
3 - 3,5
5 - 5,5
FIGUUR 8
Voorspelling van de temperatuurstijging per jaar, in de zomer en in de winter, vergelijking tussen 2071 - 2100 (voorspelling) en standaardperiode 1971 - 2000 (gemeten). Je ziet twee verschillende voorspellingen: een hoge en een lage variant. Om dit te berekenen zijn verschillende computermodellen van het klimaat gebruikt. De werkelijke waarden zullen hier waarschijnlijk ergens tussenin uitkomen.
2.3
25
Klimaatverandering en extremer weer
In Nederland neemt de komende decennia de neerslag in de winter toe en er komen ook meer hoosbuien voor. Vanaf 1906 is de hoeveelheid al toegenomen met 18%. De toename wordt voor een deel veroorzaakt, doordat warmere lucht in het opgewarmde klimaat meer waterdamp kan opnemen. In de zomer zal de neerslagintensiteit van hoosbuien toenemen, maar het regent minder vaak. Het is niet zeker hoe de neerslag gaat veranderen in Spanje. Sommige wetenschappers voorspellen minder neerslag in de zomer en de winter. De neerslag kent daar van jaar tot jaar sowieso grote variaties. Eén of zelfs een paar droge seizoenen na elkaar kunnen dus ook normale weerschommelingen zijn. Maar een langere droge periode in combinatie met grotere verdamping door hogere temperaturen kan voor problemen zorgen met de beschikbaarheid van water.
0
500
1.000 km
in mm per jaar Gemiddeld per jaar 0
In de zomer
500 1.000 km
0
500 1.000 km
meer dan –4
0-1
5-6
–4 - –3
1-2
6-7
–3 - –2
2-3
meer dan 7
–2 - –1
3-4
–1 - 0
4-5
FIGUUR 10
in % meer dan –40
–10 - –5
20 - 30
–40 - –30
–5 - 5
meer dan 30
–30 - –20
5 - 10
geen gegevens
–20 - –10
10 - 20
FIGUUR 9
Voorspelling van de neerslagverandering per jaar en in de zomer, vergelijking tussen 2071 - 2100 (voorspelling) en standaardperiode 1971 - 2000 (gemeten).
Gemiddelde zeespiegelstijging per jaar in de periode 1992 - 2011, gebaseerd op satellietmetingen.
Volgens het KNMI kan de zeespiegel in Nederland in deze eeuw 25 cm tot wel 100 cm stijgen. Hoeveel dit precies is, hangt af van de uitstoot van broeikasgassen, de uiteindelijke stijging van de temperatuur en het afsmelten van het ijs. Langs de Spaanse kust wordt een minimale zeespiegelstijging van 15 cm verwacht tot 2050 en tot 2100 kan de stijging 50 tot 100 cm zijn.
Zeespiegelstijging De zeespiegelstijging wordt op dit moment veroor-
zaakt door het opwarmen van het oceaan- en zeewater, waardoor het uitzet. En door het versnelde afsmelten van land- en gletsjerijs door de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde. Volgens onderzoek van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is in de periode 1901 - 2010 de wereldgemiddelde zeespiegel gestegen met ongeveer 19 cm. Het gemiddelde tempo van deze stijging neemt toe en zal de komende jaren waarschijnlijk hoger liggen dan 2 mm per jaar. Omdat het heel lang duurt voordat de oceanen, zeeën en ijskappen zich hebben aangepast aan de wereldwijde opwarming, zal de zeespiegel nog eeuwenlang blijven stijgen, ook als de hoeveelheid broeikasgassen niet meer verder stijgt.
FIGUUR 11
Los Barrios de Luna in Spanje tijdens de grote droogte van 2017.
26
Weer en klimaat
2.4 Bronnen
2
Spanje en Nederland vergeleken
Titel Gevolgen ... BRON 3
Risico op verwoestijning
Het wordt warmer in Spanje en in Nederland en het neerslagpatroon verandert. In Nederland valt er meer neerslag in de winter en in Spanje wordt het waarschijnlijk droger. Welke problemen levert dit op?
Het risico op verwoestijning wordt berekend op basis van vier factoren: hoe droog een gebied is, hoeveel erosie er optreedt, hoe vaak er bosbranden zijn en of er duurzaam met grondwater wordt omgegaan. Het risico is heel groot als een gebied heel droog is, als er al veel erosie is, als er bosbranden zijn en als er meer grondwater wordt opgepompt dan er met neerslag weer in de grond zakt.
BRON 1
Verdroging en verzilting
BRON 2
PORTUGAL
Zee ndse ella d d Mi
Canarische Eilanden 0
100
200 km
risico op verwoestijning heel groot
gemiddeld
oppervlaktewater
groot
klein
nat gebied
Mogelijke gevolgen van klimaatverandering in Europa. 0
Noordpoolgebied - veel snellere temperatuurstijging dan gemiddeld - afname van de gemiddelde hoeveelheid zee-ijs - vermindering van de hoeveelheid ijs op Groenland - vermindering van de permafrost - gevaar voor verlies van biodiversiteit
Atlantische regio -
Atla ntisch e Oceaan
In Spanje neemt door de temperatuurstijging en verminderde neerslag de verdroging toe en daarmee ook de kans op verzilting. Vooral in landbouwgebieden waar geĂŻrrigeerd wordt, is dit risico groot. Ook in gebieden waar te veel grondwater wordt opgepompt, kan zout water uit grotere diepte aan het oppervlak komen. In laaggelegen kustgebieden kan de stijgende zeespiegel verzilting veroorzaken, omdat zout zeewater via de ondergrond het land binnendringt. Dit laatste gebeurt in de kustgebieden in Nederland. Als de zomers in Nederland echt flink warmer worden, dan kan ook in Nederland in de zomer verdroging en verzilting op gaan treden.
FRANKRIJK
vaker zware neerslag meer waterafvoer via rivieren toenemende kans op overstroming meer schade door winterstormen afname van energiegebruik voor verwarming
continentale regio -
vaker extreme hitte minder zomerneerslag toenemende kans op rivieroverstromingen toenemende kans op bosbranden afname van economische waarde van bossen - toename van de vraag naar energie voor airconditioning
in kustgebieden - zeespiegelstijging - stijging van de temperatuur van het zeewater - verzuring van het zeewater - migratie van soorten naar het noorden - toename van zuurstofarme zones in het zeewater
Atl
sche Oceaan anti
500
1.000 km
berggebied -
meer dan gemiddelde temperatuurstijging meer smeltende gletsjers grotere kans op het uitsterven van soorten meer kans op aardverschuivingen veranderingen op het gebied van waterkracht - minder skitoerisme
noordelijke regio -
vaker zware neerslag minder sneeuw en ijs meer waterafvoer via rivieren meer schade door winterstormen meer bosgroei en landbouwoogsten toename van de mogelijkheden voor waterkracht - minder vraag naar energie voor verwarming - meer zomertoerisme
mediterrane regio - sterke toename extreme hitte; meer doden door hittegolven - minder waterafvoer via rivieren - toename van de kans op droogte en bosbranden - meer waterschaarste - kleinere landbouwoogsten - toename van de vraag naar energie voor airconditioning - minder zomertoerisme; meer toerisme in andere perioden
Anders actief
BRON 4
2.4
Bronnen: Gevolgen
BRON 5
Gezondheid
Meer kans op bosbranden
Temperatuurstijging heeft gevolgen voor de gezondheid van mensen. In hete zomers, met extreme temperaturen, neemt de kans op overlijden aan harten vaatziektes toe. In een warmere winter overlijden juist minder mensen. In hete zomers verslechtert de luchtkwaliteit, wat tot meer sterfte kan leiden bij mensen met ziektes aan de luchtwegen. Hogere temperaturen leiden naar verwachting ook tot een verlenging van het groei- en bloeiseizoen en tot een toename van het aantal allergiedagen. Mogelijk verschijnen er in Nederland nieuwe planten die allergieën veroorzaken. Allergische verschijnselen door pollen kunnen dus eerder in het seizoen optreden. Daarnaast bestaat er grote onzekerheid over de effecten op besmettelijke ziekten die bijvoorbeeld door de Aziatische tijgermug worden overgebracht. Door de hogere temperaturen is de kans groter geworden dat deze mug overleeft en zich permanent vestigt. Tijgermuggen kunnen vervelende ziektes meebrengen, zoals het zikavirus en knokkelkoorts (dengue). Vooral in Zuid-Europa kan de mug voor problemen zorgen met het zikavirus. Niet alleen omdat hogere zomertemperaturen ervoor zorgen dat vrouwelijke muggen dan vaker bijten, het virus sneller wordt overgedragen en zich sneller vermenigvuldigt. Maar ook omdat er in de zomer veel toeristen met het vliegtuig naar Zuid-Europa reizen, ook uit gebieden waar het zikavirus voorkomt. Hoe meer zikavirus, hoe meer muggen het virus kunnen overdragen, en hoe warmer het wordt, hoe groter het risico op een uitbraak van het zikavirus in Zuid-Europa. voorkomen tijgermug
De risico’s van klimaatverandering zijn in Nederland het grootst voor natuurgebieden die afhankelijk zijn van neerslag, zoals heidevelden, droge graslanden en hoogveen. Ook gevoelig zijn moeraslanden die afhankelijk zijn van de aanvoer van oppervlaktewater. In Spanje staan alle natuurgebieden die afhankelijk zijn van neerslag door droogte onder druk, zoals de wetlands, meren in hooggebergten, lagunes, rivieren en beken. De altijdgroene mediterrane vegetatie verandert steeds meer in in steppevegetatie of zelfs woestijn. Planten en dieren die zich niet snel genoeg kunnen aanpassen, verdwijnen. De voedselpiramide stort in zo’n gebied dan in elkaar. In Nederland en Spanje neemt de kans op natuurbranden toe. Op de foto zie je een bosbrand in het natuurpark De La Granadella vlakbij Benidorm.
BRON 6
gevestigd
ische ant Atl
0
500
Oceaan
1.000 km
geïntroduceerd afwezig geen gegevens
Veranderingen in de landbouw Een hogere CO2-concentratie en de hogere temperatuur kunnen in de toekomst leiden tot hogere landbouwopbrengsten en een verlenging van het groeiseizoen. Daarbij is het wel belangrijk dat er voldoende water beschikbaar is. Dit is in Spanje waarschijnlijk niet het geval, waardoor daar de landbouwopbrengsten met 10 tot 30% zullen dalen. In Nederland kunnen veranderingen in neerslag en extreem weer, zoals buien, hagel en droogte oogsten bedreigen.
27
28
Weer en klimaat
2
Spanje en Nederland vergeleken
2.5 Klimaatbeleid
Door klimaatverandering ontstaan er in Spanje en Nederland problemen met onder andere water, de landbouw en het toerisme. Hoe gaan beide landen hiermee om?
Tegengaan van klimaatverandering Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw waar-
schuwen wetenschappers voor klimaatverandering en zijn regeringen wereldwijd met elkaar in gesprek om afspraken te maken over het aanpassen aan en het tegengaan van klimaatverandering. In 1992 is het Klimaatverdrag onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties (VN) afgesloten en ondertekend tijdens een conferentie in Rio de Janeiro. Het doel van dit verdrag is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. In het begin deden nog niet zo veel landen mee, maar tijdens elke jaarlijkse conferentie raakten meer landen ervan overtuigd dat actie nodig was. In 2015 besloten 195 landen tijdens de klimaatconferentie in Parijs dat de temperatuurstijging op aarde maximaal 1,5 °C mag zijn. In 2017 spraken deze landen in Bonn af hoe ze dit precies wilden aanpakken. In dit Akkoord van Parijs gaan de maatregelen opnieuw vooral over het uitstoten van minder koolstofdioxide. Ook Nederland en Spanje doen mee aan deze afspraken.
FIGUUR 12
Fossiele brandstoffen raken op en zorgen voor klimaatverandering. Ze tasten de leefomgeving aan van toekomstige generaties. De energie uit fossiele brandstoffen is niet duurzaam. Hernieuwbare energiebronnen leveren wel duurzame energie: je kunt ze onbeperkt gebruiken zonder dat ze schade aan de leefomgeving veroorzaken. Daarom willen steeds meer landen omschakelen van niet-duurzame naar duurzame energie. Denk aan windmolens, zonne-energie en waterkracht. Dat heet de energietransitie. Ook op andere manieren wordt geprobeerd duurzaamheid te stimuleren. Door bijvoorbeeld minder producten te kopen, langer met apparaten te doen en auto’s te delen doen we aan duurzaam consumeren. Producenten kunnen apparaten zo bouwen dat ze langer meegaan of dat ze makkelijker te repareren zijn. Ook kunnen producenten zo energiezuinig mogelijk en met zo min mogelijk nieuwe hulpbronnen apparaten maken. Dit noem je duurzaam produceren. Door bijvoorbeeld papier, metaal, plastic en glas te recyclen (te hergebruiken) dragen we hier ook aan bij.
Aanpassen aan klimaatverandering Het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen
en duurzaam handelen om klimaatverandering tegen te gaan, is niet voldoende. Het klimaat verandert al en daardoor ontstaan er al problemen. Daarom is het ook nodig om ons aan te passen aan bijvoorbeeld de stijging van de gemiddelde temperatuur, veranderingen in het neerslagpatroon, hoosbuien, piekafvoeren, verdroging en verzilting.
Windmolens in Aragón, Spanje.
FIGUUR 13
Gescheiden afvalinzameling in Nederland om te recyclen.
2.5
FIGUUR 14
De zandmotor bij Kijkduin. Hier is extra veel zand op en voor de kust gespoten, zodat zeestromen en wind het zand op een natuurlijke manier naar het noorden langs de kust transporteren.
In Nederland moeten we rekening houden met te veel water. Bijvoorbeeld als er veel neerslag valt en rivieren grote piekafvoeren moeten verwerken of als de zeespiegel stijgt. In Nederland is er daarom langs rivieren meer ruimte gemaakt voor het stromende water door bijvoorbeeld kribben weg te halen, uiterwaarden te verlagen en bebouwing weg te halen. Ook zijn er grote wateropvangbekkens aangelegd die mogen overstromen, en zijn dijken verhoogd en verbreed. Zo worden dijkdoorbraken voorkomen. De Nederlandse kust wordt beschermd tegen de zeespiegelstijging door boulevards en kades op te hogen, stranden te verbreden en duinen te verhogen. Een voorbeeld hiervan is de zandmotor bij Kijkduin. In grote delen van Spanje zal er door klimaatverandering een tekort aan water zijn. Omdat er veel water verbruikt wordt door de landbouw, is de regering van Spanje samen met de landbouwsector aan het nadenken hoe bijvoorbeeld de fruit-, olijven- en wijnteelt minder water kunnen verbruiken. Ook wordt onderzocht of de veestapel moet worden verkleind om begrazing en het verbruik van water te verminderen. De Spaanse regering stimuleert het gebruik van druppelirrigatie door de landbouwsector. Ook stimuleert zij het ontwikkelen van ontziltingsinstallaties: daarin wordt van zout water zoet water gemaakt. Er zijn ongeveer 700 fabrieken die elke dag zoet water produceren voor 8 miljoen mensen. Een nadeel hiervan is dat het proces veel energie kost. Daarnaast zijn en worden er veel grote waterreservoirs in Spanje aangelegd, door in rivieren stuwdammen te bouwen. Deze lopen vol in de winter en vormen een watervoorraad in de droge zomer. Ook wordt daar hydroelektriciteit mee opgewekt.
Klimaatbeleid
FIGUUR 15
29
Ontziltingsfabriek in Barcelona.
In Spanje is het toerisme een belangrijke bron van inkomsten. Natuur en toerisme hangen sterk samen. Vooral kustgebieden en berggebieden zijn kwetsbaar voor klimaatverandering. Sneeuwtoerisme zal steeds minder mogelijk zijn in de hooggebergtes van Spanje. Toeristen zullen misschien niet meer in de steeds warmere zomer naar Spanje komen, maar op andere momenten. Of ze kiezen een andere bestemming binnen of buiten Spanje. Voor de toeristen die wel komen, moet er voldoende water beschikbaar zijn.
FIGUUR 16
Watertekort in Fuente de Piedra op 25 augustus 2017. De inwoners van meer dan 100 dorpen in Spanje moesten in de zomer van 2017 gebruikmaken van vrachtwagens met water voor de dagelijkse watervoorziening, omdat er door de droogte geen water meer uit de kranen kwam.
30
Weer en klimaat
3
Weer en klimaat in de VS
3 Weer en klimaat in de VS 3.1
Verenigde Staten
Het weer in de Verenigde Staten
In de Verenigde Staten zie je net als in Europa in grote gebieden hetzelfde weer, maar vaak ook grote verschillen. Welke factoren bepalen het weer in dit uitgestrekte land?
Frontale neerslag en droogte De VS strekken zich uit tussen ongeveer 25 en 50° N.B.
Alaska zelfs tussen ongeveer 60 en 70° N.B. Dit betekent dat zowel de hogeluchtdrukgordel rond de 30° N.B., de lageluchtdrukgordel rond de 50 tot 60° N.B. en de hogeluchtdrukgordel van het noordpoolgebied van het mondiale luchtcirculatiesysteem, invloed hebben op het weer in dit land. Daarnaast vind je er (hoog)gebergten die noord-zuid lopen en ligt het land aan twee grote oceanen. Daar waar koude, droge lucht vanaf de polen en warme, vochtige lucht uit het zuiden elkaar boven de VS ontmoeten, komen extreme weersomstandigheden voor.
Net als in Europa, komen in de VS frontale depressies voor, die ontstaan waar de warme lucht uit het zuiden (maritieme, (sub)tropische lucht) en de koude lucht uit het noorden (continentale, polaire lucht) elkaar ontmoeten. Er valt dan ook regelmatig frontale neerslag. De neerslagintensiteit hangt af van de verschillen in temperatuur en luchtvochtigheid tussen de luchtmassa’s: hoe groter de verschillen, hoe heftiger het weer. De hogeluchtdrukgordel rond de noordpool (polair hogedrukgebied boven Canada) dwingt in de winter de depressies naar het zuiden en westen. Daardoor valt er in het binnenland van de VS tussen Denver en Chicago in de winter bijna geen neerslag. De koude, polaire lucht kan soms heel ver naar het zuiden doordringen, vooral in de winter. Dit heet in de VS een cold wave (koude golf) die zorgt voor extreme kou en veel sneeuw. De warme (sub)tropische lucht kan ook heel ver naar het noorden doordringen, vooral in de zomer. Dit heet een warm wave (warme golf) die zorgt voor hoge temperaturen. In het zuiden van de VS, bij de grens met Mexico, vind je warme en droge gebieden, zoals de Mojavewoestijn en de Sonorawoestijn, waar onder invloed van de hogeluchtdrukgordel van de mondiale luchtcirculatie weinig neerslag valt. De gebergten langs de kust helpen hier een handje bij.
3.1
winter
31
Het weer in de Verenigde Staten
zomer
20 10
6
en ch
6 102
1020
Atlantische Azoren Hoog O cea an 1020
1017
1017
1014
Hawaiiaans Hoog
500 1.000 km
en ch
1026
Azoren Hoog A tlan tis Oceaacnhe 20 10
1020
1014
1014
an Grote Ocea
0
102
VERENIGDE STATEN
es
Ap pa la
VERENIGDE STATEN
3 102
4
101
Ap pa la
0
102
1014
CANADA
untains Mo ky
1008
Hawaiiaans Hoog
0
Ro c
CANADA
es
7 101 20 10
02
C o a st Ran g
C o a st Ran g
4
101
14
10
10
untains Mo ky
08
100
99
Ro c 10
8
IJsland Laag
an Grote Ocea 0
10
14
500 1.000 km
014
1
warme zeestroom
koud kustwater, opstijgend dieptewater
koude zeestroom
isobaar
FIGUUR 1
Luchtdrukverdeling en winden in de VS in de winter en in de zomer.
Stuwingsneerslag Vooral de gebergten in het westen van de VS hebben
invloed op het weer. Het zijn de Coastal Ranges (Kustgebergte), de Cascade Ranges, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains. De hoogste toppen reiken tot boven de 4.400 m. In Alaska ligt nog de Alaska Range met de berg Denali (Mt. McKinley) van 6.194 m. Aan de westkant van deze bergen, de loefzijde, valt de meeste neerslag. Hier waait vochtige lucht vanaf de Grote Oceaan tegen de gebergtes aan, waardoor de lucht omhoog gestuwd wordt en afkoelt. Waterdamp kan dan condenseren en zo waterdruppels vormen. Als deze groot genoeg zijn, vallen ze als regen of sneeuw naar beneden. Dit is stuwingsneerslag. Het gebied aan de oostkant van de gebergten, de lijzijde, ligt in de regenschaduw. De lucht die hier over FIGUUR 2
overheersende windrichting
de bergen heen weer gaat dalen, warmt op. De waterdruppels die er nog waren, verdampen. Aan deze kant valt er dan ook bijna geen neerslag. Hier vind je wat meer zuidelijk in de VS bijvoorbeeld Death Valley: een extreem droog en heet gebied.
Stijgingsneerslag Het zuiden van Florida en Hawaii liggen in de tropische zone. Dit betekent dat het hier gemiddeld elke maand warmer is dan 18 °C en dat er stijgingsneerslag valt. Op Hawaii, dat bestaat uit veel vulkanische eilanden, zorgen bergen daarnaast ook nog voor een stuwend effect. Aan de kant waar de wind vandaan komt, regent het wel meer dan 7.000 mm per jaar. Maar aan de lijzijde veel minder, in sommige gebieden maar 200 tot 700 mm per jaar.
Death Valley: de hoogste temperatuur die hier ooit is gemeten, is 56,7 °C.
32
Weer en klimaat
3.2 Bronnen
Weer en klimaat in de VS
Titel Klimaat ... en plantengroei
De factoren die het weer in de VS beïnvloeden, zijn ook bepalend voor de klimaten die er voorkomen. Welke klimaten zijn dit en welke oorspronkelijke plantengroei komt er voor?
Klimaatgebieden Alle klimaatfactoren spelen in de VS een rol: de
breedteligging, de hoogteligging/het reliëf, de ligging aan de Grote Oceaan en de Atlantisch Oceaan en de aanvoer van kou en warme van elders (onder andere door koude en warmte zeestromen). Welke klimaten komen er hierdoor voor? In het zuidoosten komt het gematigd zeeklimaat voor, met zachte winters en koele zomers en neerslag in alle jaargetijden. Dit komt door de ligging aan de Golf van Mexico en de Atlantische Oceaan. Door de breedteligging zijn de gemiddelde temperaturen wat hoger dan in Nederland. Ook in het noordwesten komt het gematigde zeeklimaat voor. Hier zijn de gemiddelde temperaturen vergelijkbaar met die van Nederland. In het noordwesten komt het Middellandse Zeeklimaat met koele zomers voor, vergelijkbaar met dat in Spanje. In dit gebied valt de neerslag vooral in de winter en zijn BRON 1
3
de zomers droog. De gemiddelde temperatuur van de warmste maand is hier lager dan in het zuidwesten van de VS. Dit komt vooral door de breedteligging. In het zuidwesten heerst het Middellandse Zeeklimaat met droge, warme zomers en natte, zachte winters. Op Hawaii heerst het tropisch regenwoudklimaat en in het zuiden van Florida het savanneklimaat. In de winter valt in Florida minder neerslag dan in de zomer. In het noordoosten liggen de gebieden met een landklimaat. Het regent hier voldoende in alle jaargetijden. Langs de kust zou je op deze breedtegraad een gematigd zeeklimaat verwachten, maar hier komt de wind vaak uit het westen, waardoor in de winter koude lucht en in de zomer warme lucht uit het binnenland wordt aangevoerd. Langs de kust stroomt koud water van de Labradorstroom, maar door de westenwinden heeft de zee nauwelijks invloed op de temperatuur. Door de meer noordelijke ligging, komt in Alaska in het hooggebergte het hooggebergteklimaat voor. Maar grote delen van de hooggebergten in de rest van de VS hebben een landklimaat of hooguit een toendraklimaat. In Alaska komen ook het toendraklimaat en het sneeuwen ijsklimaat voor. In het binnenland, in het zuiden en in de regenschaduw van de gebergten in het westen komen droge klimaten voor: het woestijnklimaat en het (koude en warme) steppeklimaat.
Klimaten in de Verenigde Staten. CANADA
0
500
1.000 km
sneeuw- en ijsklimaat toendraklimaat landklimaat gematigd zeeklimaat Middellandse Zeeklimaat met koele zomer Middellandse Zeeklimaat koud steppeklimaat warm steppeklimaat koud woestijnklimaat warm woestijnklimaat
VERENIGDE STATEN
t la
nt isc he
Oc ea an
an ea Oc te Gro
savanneklimaat
A
Alaska
Hawaii
MEXICO
G o lf v a n M e xi c o
tropisch regenwoudklimaat
Anders actief
BRON 2
3.2
Bronnen: Klimaat en plantengroei
Oorspronkelijke plantengroei.
A
B
Landschap ten oosten van Denver in Colorado.
Landschap in het Acadia National Park in Maine.
C
D
Dawes Glacier, Endicott Arm, Alaska.
Langs de westkust tussen Los Angeles en San Francisco.
E
F
Myakka Rivier, Sarasota County, Venice, Florida.
De Appalachen in Georgia, ten noorden van Atlanta.
33
34
Weer en klimaat
3
Weer en klimaat in de VS
3.3 Landbouw in de Verenigde Staten
In de VS zijn er gebieden met gematigde temperaturen en voldoende neerslag. Daar kun je wel een aardappel verbouwen. Maar in een warm en droog gebied waar cactussen groeien, daar lopen misschien alleen een paar schapen. Waar vind je in de VS nou precies akkerbouw, veeteelt en bosbouw?
Soorten landbouw Het totale landoppervlak van de VS is ongeveer 9,2
miljoen km2. Hiervan wordt ongeveer 74% gebruikt voor landbouw, waarbij akkerbouw ongeveer 24% van dit landoppervlak inneemt, veeteelt zo’n 36% en bosbouw 40%. De landbouw is een belangrijke economische sector. Er worden voedselgewassen verbouwd voor eigen consumptie, zoals groenten, rijst, fruit en noten. Ook worden handelsgewassen geproduceerd, zoals mais, soja, granen en katoen. Daarnaast is veel vlees bestemd voor de export. In grote gebieden worden kapitaal en kennis gebruikt om een hoge opbrengst per hectare te halen. Hier spreek je van intensieve landbouw. Waar welk grondgebruik plaatsvindt, hangt onder andere af van het klimaat, het 0
CANADA
reliëf en hoeveel (grond)water beschikbaar is. Daar waar aquifers voorkomen, wordt het grondwater gebruikt om landbouw te irrigeren. Grondwater is een onderdeel van de waterkringloop. Als er voldoende neerslag valt, wordt het grondwater aangevuld. Uiteindelijk stroomt grondwater naar rivieren, meren en zee. Wij pompen grondwater op uit watervoerende gesteentelagen (aquifers), zoals kalksteen en zandsteen, om te drinken of te irrigeren. Als we sneller grondwater oppompen dan dat neerslag het aanvult, dan raakt het water in de aquifers op en daalt de grondwaterspiegel. Dit is in grote delen van de VS het geval. Zo is de grondwaterspiegel in de Ogallala-aquifer onder de Great Plains (Prairiën) op veel plaatsen al meer dan 15 m gedaald en op sommige plekken al meer dan 75 m. In en rondom Central Valley daalt de grondwaterspiegel wel 200 m tijdens langere perioden van droogte. Dit leidt tot problemen als verzakkingen van de ondergrond van soms wel 10 m en tekorten aan water voor huishoudens, landbouw en industrie.
Akkerbouw In de akkerbouw kun je onderscheid maken tussen
handelsgewassen en voedselgewassen. Alle soorten akkerbouw in de VS zijn vormen van intensieve landbouw.
250 500 km
0
CANADA
250 500 km
Great Plains Dairy Belt SoybeanCorn Belt
VERENIGDE STATEN
van M
exico
katoen, fruit en tuinbouw
zuivel, mais
runderen, graan
runderen, pluimvee, tabak
runderen, schapen, graan
katoen, pluimvee, varkens
runderen, graan, katoen
runderen, akkerbouw, pluimvee
Oc ea MEXICO
aquifer
mais, soja, varkens, runderen
FIGUUR 3
che
B
Atlantis
n
che
el
lf Go
tt o
Atlantis
MEXICO
e Co voormalig
an ea Oc Grote
an ea Oc Grote
Great Plains
an
an
Ogallala aquifer
Oc ea
Great Basin
t
Central Valley
Gespecialiseerde landbouwregio’s en oprakende grondwatervoorraden waar de landbouw voor een groot deel van afhankelijk is.
lf Go
van M
exico
minder dan 10
30 - 50
80 - 150
10 - 20
50 - 80
150 - 270
20 - 30
FIGUUR 4
Aantal vleesrunderen per km2 per county, 2012 (een county is een soort gemeente binnen een deelstaat).
3.3
Handelsgewassen als tarwe, soja en mais worden in grote hoeveelheden verbouwd in de Great Plains (winteren zomertarwe) en de Soybean-Corn Belt. Het woord belt betekent gordel en wil zeggen dat zo’n gebied zich heeft gespecialiseerd in een landbouwactiviteit. De mais dient vooral als veevoer en als grondstof voor bio-ethanol. In de Great Plains valt te weinig neerslag voor de verbouw van tarwe. Daarom wordt hier geïrrigeerd met grondwater. Voedselgewassen als groenten, fruit (ook citrusvruchten), wijndruiven en tabak worden verbouwd in het warmere en vochtige zuidoosten, de voormalige Cotton Belt, en in het westen van de VS, bijvoorbeeld in Central Valley. In het westen van de VS is deze akkerbouw alleen mogelijk door irrigatie. In de voormalige Cotton Belt worden ook handelsgewassen verbouwd, zoals katoen.
Veeteelt In de veeteelt kun je onderscheid maken tussen
intensieve en extensieve veeteelt. Bij intensieve veeteelt houd je veel dieren op weinig grond. Hierbij wordt ook kennis en kapitaal ingezet om een zo hoog mogelijke opbrengst te halen. Bij extensieve veeteelt houd je weinig dieren op veel grond. Melk en zuivelproducten worden vooral geproduceerd in de Dairy Belt. Ongeveer driekwart van de boeren hebben minder dan 100 melkkoeien, maar de boeren met meer dan 100 melkkoeien produceren wel 85% van de melk. Het gaat hier om intensieve veeteelt. Voor de vleesindustrie overheersen steeds meer de intensieve veehouderijen, waar runderen, varkens, schapen en kippen worden gehouden, vergelijkbaar met onze
FIGUUR 5
Feedlot bij Lubbock in Texas.
Landbouw in de Verenigde Staten
35
megastallen en legbatterijen. Runderen staan steeds vaker in een feedlot. Dit zijn zeer grote bedrijven waar duizenden dieren binnen vier tot zes maanden worden vetgemest om daarna naar het slachthuis te gaan. Op deze bedrijven eet het vee geen gras, maar mais, alfalfa en ander veevoer waar de dieren snel van groeien. In 2015 had meer dan 70% van deze bedrijven 1.000 tot 8.000 runderen en ongeveer 0,5% zelfs meer dan 32.000. In totaal liepen er in 2016 meer dan 10 miljoen runderen in feedlots. In gebieden waar weinig neerslag valt, weinig water beschikbaar is voor irrigatie of voor grote hoeveelheden vee, of waar de bodem niet geschikt is voor akkerbouw, wordt extensieve veeteelt bedreven. Het gaat bijvoorbeeld om runderen, paarden en schapen die rondzwerven over enorme grasvlaktes van de Great Plains, maar ook in droge gebieden in het westen van de VS.
Bosbouw Verspreid over de VS staan uitgestrekte bossen met
veel verschillende soorten bomen. Het gaat hier om beschermde natuurgebieden, maar ook om gebieden waar commerciële bosbouw plaatsvindt. Vaak is in deze gebieden door droogte, reliëf of ongeschikte bodems geen akkerbouw of (extensieve) veeteelt mogelijk. Producten die deze bossen leveren, zijn bijvoorbeeld timmerhout, stookhout en houtsnippers voor biomassa, maar ook medicinale kruiden en eetbare paddenstoelen, vruchten en noten.
FIGUUR 6
Geïrrigeerde tarwevelden in de Great Plains ten noordoosten van Denver.
36
Weer en klimaat
3
Weer en klimaat in de VS
3.4 Klimaatverandering en duurzaamheid in de VS
Ook in de VS is klimaatverandering al merkbaar. De temperatuur stijgt en neerslagpatronen veranderen. Hoe beïnvloedt dit de landbouw en het leven in het land? En wat heeft dit te maken met duurzaamheid?
Veranderingen De afgelopen tientallen jaren is de gemiddelde jaar-
temperatuur in de meeste gebieden in de VS gestegen met 0,5 tot 2 °C. Behalve in de herfst is het in alle seizoenen warmer geworden, vooral in de winter. Het groeiseizoen is met vier tot zestien dagen toegenomen sinds 1970, afhankelijk van de breedteligging van een gebied. De verwachting is dat de komende eeuw de gemiddelde jaartemperatuur verder stijgt. In het noordwesten en het zuiden van de VS is er de afgelopen eeuw ongeveer 4% meer neerslag gevallen, terwijl er aan de oostkust, in de Rocky Mountains en in het zuidwesten juist minder is gevallen. De neerslagintensiteit is in de meeste gebieden toegenomen, ook in gebieden waar de neerslaghoeveelheid is afgenomen. zomer 2040
0
zomer 2080
500 1.000 km
0
winter 2040
0
zomer 2040
0
500 1.000 km
0
zomer 2080
500 1.000 km
0
winter 2040
winter 2080
500 1.000 km
De gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid neerslag zal naar verwachting in een groot deel van de VS verder toenemen. De grootste veranderingen zie je in de zomer en de winter. Meer neerslag betekent niet automatisch dat er meer water beschikbaar is in een gebied. Bij extreme buien zorgt een grotere neerslagintensiteit voor oppervlakkige afstroming naar riolen, beken en rivieren, en dus een piekafvoer. Dit kan overstromingen, modderstromen en bodemerosie veroorzaken. Ook betekenen hogere temperaturen meer verdamping. Door de grotere neerslagintensiteit en hogere temperaturen komt water dus niet in het gebied zelf terecht en kan niet verbruikt worden door mensen of de natuur. Het hangt van het evenwicht tussen de totale hoeveelheid neerslag per jaar en de verdamping per jaar af, of de waterbalans positief of negatief is en hoeveel water er dan overblijft om verbruikt te worden. Behalve extreme buien met grote neerslagintensiteit, komen ook andere extreme weer- en klimaatomstandigheden steeds meer voor, bijvoorbeeld perioden met droogte en/of hoge temperaturen. Deze hebben veel invloed op de landbouw en de natuur. Net als in Europa, neemt in de VS de kans op verdroging, en dus op verzilting en verwoestijning, toe. Natuurbranden zullen vaker voorkomen.
0
500 1.000 km
500 1.000 km
winter 2080
500 1.000 km
0
500 1.000 km
verandering in neerslag in %
verandering in temperatuur (in °C) 0,5 - 1
1,5 - 2
2,5 - 3
3,5 - 4
4,5 - 5
−40 - −30
−20 - −10
0 - 10
20 - 30
1 - 1,5
2 - 2,5
3 - 3,5
4 - 4,5
meer dan 5
−30 - −20
−10 - 0
10 - 20
30 - 40
FIGUUR 7
Voorspelde temperatuurtoename voor de zomer en de winter voor 2040 en 2080 ten opzichte van de basisperiode 1970 - 1999. Berekening op basis van een scenario waarbij de CO2-uitstoot hoog blijft.
FIGUUR 8
Voorspelde verandering in de hoeveelheid neerslag voor de zomer en de winter voor 2040 en 2080 ten opzichte van de basisperiode 1970 - 1999. Berekening op basis van een scenario waarbij de CO2-uitstoot hoog blijft.
3.4
In gebieden waar irrigatie met grondwater plaatsvindt, raken de diepere grondwatervoorraden ook uitgeput. Dit risico bestaat bijvoorbeeld in de Great Plains waar de tarweverbouw afhankelijk is van dit grondwater. Akkerbouwgewassen zijn gevoelig voor watertekorten en schommelingen in temperatuur, waardoor de opbrengst wel 30 tot 40% kleiner kan zijn. Melkkoeien en vleesrunderen kunnen slecht tegen extreme hitte, omdat zij niet kunnen zweten. De melkproductie en hun welzijn nemen hierdoor af. De kustgebieden krijgen te maken met zeespiegelstijging, gemiddeld 2 mm per jaar. Hierdoor neemt het risico op overstromingen, kustafslag en verzilting in deze gebieden toe.
37
Klimaatverandering en duurzaamheid in de VS
Als we alle beschikbare ruimte op aarde eerlijk en duurzaam zouden verdelen over alle mensen, dan is er voor iedereen gemiddeld 1,7 hectare beschikbaar. We gebruikten in 2014 wereldwijd gemiddeld 2,8 hectare per persoon. De ecologische voetafdruk per land verschilt: van een Nederlander is die in 2014 5,8 hectare, van een Amerikaan 8,4, van een Vietnamees 1,7 en van een Tanzaniaan 1,5. Verenigde Staten 8,4 ha*
China 3,7 ha*
11% 14%
8% 35%
18%
15% 31%
Duurzaamheid en ecologische voetafdruk
14% 25%
Net als andere landen in de wereld, draagt ook de
VS bij aan klimaatverandering. Het land stoot, op China na, de grootste hoeveelheid CO2 uit ter wereld. Ook per inwoner stoten de VS veel uit ten opzichte van de meeste andere landen. Om te bepalen hoe duurzaam een land is, en dus hoe duurzaam de inwoners leven, kijk je niet alleen naar CO2-uitstoot, maar bijvoorbeeld ook naar het verbruik van grondstoffen en water, en milieuvervuiling. Een maat voor de duurzaamheid van een land en zijn inwoners is de ecologische voetafdruk. Het is de ruimte die we per persoon innemen op aarde, weergegeven in hectare. Deze hangt onder andere af van hoeveel landbouwgrond voor het verbouwen van je eten nodig is, hoeveel ruimte nodig is voor wonen, hoeveel ruimte fabrieken en wegen in beslag nemen, waar de producten die je koopt worden gemaakt, maar ook van hoeveel oppervlakte bos nodig is om de CO2-uitstoot van jouw energieverbruik om te zetten in zuurstof. FIGUUR 10
Duitsland 5,1 ha*
28%
7% 16%
Argentinië 3,7 ha* 5% 10% 17%
26% 51%
17%
3% 2%
Tanzania 1,5 ha*
voedsel
mobiliteit
wonen
consumptiegoederen
FIGUUR 9
27%
1%
20% 74%
* ecologische voetafdruk
24%
diensten (bijv. bankrekening)
Consumptiepatroon van een gemiddelde inwoner, als percentage van de ecologische voetafdruk, 2014.
Las Vegas, gebouwd in een van de droogste gebieden van de VS. In 1964 had het 127.000 inwoners, in 2000 iets minder dan 1,4 miljoen inwoners en in 2016 bijna 2,2 miljoen inwoners.
38
Weer en klimaat
3
Weer en klimaat in de VS
3.5 Klimaatbeleid van de VS
Om de vier jaar zijn er verkiezingen in de VS. Het is dan elke keer weer spannend wat de nieuwe regering wil doen aan het tegengaan van en het zich aanpassen aan klimaatverandering.
hun grondgebied en mogen ze zelf bedenken hoe ze dat willen doen. Eind 2020 zijn er weer verkiezingen in de VS. De vraag is welk beleid de dan weer nieuwe regering gaat uitzetten.
Geachte President Trump, Wij, als enkele van de grootste bedrijven die in de Verenigde Staten gevestigd en /of actief zijn, dringen er sterk bij u op aan dat de Verenigde Staten partij blijven bij het Klimaatakkoord van Parijs.
Beleid van Trump In januari 2017 werd Donald Trump president van de
VS. In tegenstelling tot zijn voorganger, Barack Obama, is Trump van mening dat klimaatverandering geen bedreiging is voor de wereld en voor de VS zelf. Internationaal wil hij geen rol spelen bij het tegengaan van klimaatverandering en hij trekt de VS terug uit het Akkoord van Parijs. Dit betekent ook dat de VS de beloofde bijdrage aan het mondiale klimaatbeleid niet (helemaal) gaat betalen. Hij zet het economische belang van de VS voorop en wil meer fossiele brandstoffen gaan winnen en verbruiken. In een aantal regio’s in de VS, bijvoorbeeld Pittsburgh en omgeving, zijn veel mensen werkloos, omdat bedrijven daar zijn weggegaan of gesloten. Trump wil hier banen scheppen in bijvoorbeeld de staalindustrie, de chemische industrie en de auto-industrie. Dit was ook een verkiezingsbelofte. In 2018 zet Trump stappen om de bestaande wetgeving van de regering Obama (Clean Power Plan) om de CO2-uitstoot van de VS te verminderen, terug te draaien. In deze wet moeten de deelstaten zorgen voor het terugbrengen van de CO2-uitstoot op
FIGUUR 11
Protest tegen het beleid van Trump.
Klimaatverandering biedt voor bedrijven zowel risico’s als kansen. Als de Verenigde Staten partij blijven bij het Akkoord profiteren Amerikaanse bedrijven en de Amerikaanse economie daar op vele manieren van: • Een steviger concurrentiepositie: door van zowel geïndustrialiseerde landen als ontwikkelingslanden maatregelen te vragen, zorgt het Akkoord voor een gelijkere wereldwijde inspanning; dat verkleint het risico op een slechtere concurrentiepositie voor Amerikaanse bedrijven. • Meer werkgelegenheid, meer markten en meer groei: door de uitbreiding van de markten voor innovatieve en schone technologieën, zorgt het Akkoord voor meer banen en economische groei. Amerikaanse bedrijven kunnen voorop lopen in die markten. Als de Verenigde Staten zich terugtrekken uit het Akkoord, wordt onze toegang tot die markten beperkter en lopen wij bovendien het risico op strafmaatregelen. • Afname van bedrijfsrisico’s: door steviger maatregelen wereldwijd door de jaren heen zorgt het Akkoord voor de terugdringing van toekomstige negatieve invloed van het klimaat, waaronder schade aan bedrijven en voorzieningen, een afnemende productiviteit in de landbouwsector, teruglopende watervoorraden en verstoring van de mondiale goederenstromen. Wij, onderstaande bedrijven, maken ons zorgen over het welzijn van onze klanten en investeerders, onze gemeenschappen en partners. Wij vergroten onze klimaatbestendigheid en investeren in innovatieve technologieën die kunnen bijdragen aan de overgang naar duurzame energie. Om die te laten slagen moeten overheden wel het voortouw nemen. Het Amerikaanse bedrijfsleven wil graag goede wereldwijde afspraken. In het Akkoord van Parijs staan die afspraken. Aangezien andere landen meer investeren in vooruitstrevende technologieën en dichter bij de doelen van het Klimaatverdrag komen, zijn wij van mening dat de Verenigde Staten er goed aan doen leiderschap aan de wereld te tonen en Amerika vooruit te helpen door ons samen met de rest van de wereld te blijven inzetten voor de zeer belangrijke klimaatdoelstellingen. Hoogachtend, Adobe • Apple • Blue Cross Blue Shield of Massachusetts • Danfoss • Dignity Health • Facebook • Gap, Inc. • Google • The Hartford • Hewlett Packard Enterprise • Ingersoll Rand • Intel Corporation • Johnson Controls • Levi Strauss & Co. • Mars Incorporated • Microsoft • Morgan Stanley • National Grid • PG&E Corporation • Royal DSM • Salesforce • Schneider Electric • Tiffany & Co. • Unilever • VF Corporation
FIGUUR 12
Een advertentie in de media in de VS, juni 2017.
FIGUUR 13
Demonstratie voor het beleid van Trump.
3.5
De VS is een federatie. Dit betekent dat er op nationaal niveau wetten worden gemaakt. Maar de deelstaten kunnen zelf ook wetten bedenken die gelden binnen hun grondgebied. Dit geeft ze de kans om zelf wel iets te doen aan het tegengaan van klimaatverandering of het zich aanpassen eraan. Ze krijgen hier alleen geen of weinig financiële steun voor vanuit de nationale regering in Washington. Ook federale instellingen, zoals de Environmental Protection Agency (EPA), die onderzoek doen en samen met deelstaten beleid ontwikkelen, zullen voor het klimaat geen tijd en geld meer kunnen vrijmaken. Dat maakt het voor deelstaten wel lastiger om zelf klimaatbeleid uit te voeren.
Ondanks de koers van de regering Trump zijn er toch
initiatieven in de VS om klimaatverandering tegen te gaan en om zich aan te passen aan klimaatverandering. Veel bedrijven die niet afhankelijk zijn van steun en subsidie van de nationale overheid, maken gebruik van hernieuwbare energie. Ook zonder subsidies is hernieuwbare energie goedkoper dan steenkool en kan concurreren met aardgas in de VS. Dit betekent dat bedrijven zullen blijven investeren in hernieuwbare energie, omdat het geld opbrengt. Sommige federale ministeries, zoals het Department of Energy (Ministerie van Energie), houden het tegengaan van en omgaan met klimaatverandering toch als een speerpunt in hun werk. De website van het Department of Energy geeft als reden daarvoor: ‘[…] Als wereldwijd de gemiddelde temperatuur stijgt, nemen natuurbranden, droogte en piekgebruik van elektriciteit toe. Dit zet de nationale energie-infrastructuur onder druk. Illinois Virginia Virginia Beach
1 m: voorspeld voor 2100; delen van de Golfkust en de Missouri Kentucky Zuid-Atlantische kust overstromen
Texas
Alabama
Mobile Houston
Noord-Carolina Zuid South Carolina Carolina
Georgia
Jacksonville
Atlan tisch eO ce aa n
6 m: voorspeld voor de komende 600 jaar; Tennesse 90% van Miami, New Orleans en Virginia Beach overstroomt
Mississippi
New Orleans Tampa Florida Golf van Mexico
0
150
FIGUUR 14
huizen bouwen op palen
zeewering met noodoverloopgebied zoutmoeras oesterbank
zandeiland/ strandbank
huizen verder weg bouwen van het water
Wat er wel gebeurt
Louisiana
39
Klimaatbeleid van de VS
300 km
Zeespiegelstijging in het zuidoosten van de VS.
Miami
FIGUUR 15
Mogelijke maatregelen die gebieden aan de kust kunnen nemen om zich aan te passen aan zeespiegelstijging.
Extreem weer is de belangrijkste oorzaak van het uitvallen van elektriciteitsnetwerken. Er wordt voorspeld dat extreem weer door klimaatverandering in de toekomst steeds vaker voorkomt.’ Sommige staten, maar ook grote steden in de VS, maken plannen om hun CO2-uitstoot te verminderen en zich wel aan het klimaatverdrag en het Akkoord van Parijs te houden. Zo heeft Californië onder andere als doelstelling om in 2030 ten minste 50% groene elektriciteit op te wekken, 50% minder benzine te gebruiken in auto’s en bestaande gebouwen twee keer zo energiezuinig te maken. Ook willen een aantal staten duurzamer met hun water omgaan. Ze stellen grenzen aan het waterverbruik van huishoudens en bedrijven, ze pompen minder grondwater op en helpen agrariërs met duurzame manieren van irrigeren en gewassen verbouwen. Een gebied als Florida en steden als Miami en New Orleans krijgen te maken met zeespiegelstijging. Samen met experts uit onder andere Nederland is de overheid aan het onderzoeken hoe de kust veiliger gemaakt kan worden. Op veel plaatsen zijn er geen of heel lage duinen en ook geen dijken of andere zeeweringen. Een zeespiegelstijging van 40 cm heeft hier al veel invloed. In alle kustgebieden dreigt er extra overstromingsgevaar bij stormen of orkanen, als het zeewater hoog tegen de kust wordt opgestuwd door harde winden. Hierdoor kunnen ook stukken van een kust worden afgeslagen.
40
Weer en klimaat
C
Extreem weer in de VS
Extreem weer in de VS
Verenigde Staten
C.1 Tropische orkanen Hurricane Katrina In Nederland zijn stormen met windkracht 12 zeldzaam, maar het zuidoosten van de VS krijgt er bijna elk jaar een paar keer mee te maken. Hoe ontstaan deze tropische orkanen en wat zijn de gevolgen?
FIGUUR 1
Hurricane Katrina, 28 augustus 2005.
ď ľ Bijna ieder jaar is het raak in de VS, maar in 2005 ging
het wel heel erg mis. Gemiddeld ontstaan er zo’n acht tropische orkanen per jaar op de Atlantische Oceaan, waarvan er dan een aantal over het oosten en zuidoosten van het land trekken. In 2005 ontstonden maar liefst vijftien tropische orkanen, waarvan er zes het land bereikten. Een daarvan was Katrina, die enorme schade aanrichtte in New Orleans en omgeving.
C.1
Naam
bft
tropische depressie tropische storm
Windsnelheid (km/uur)
Orkaanklasse
≤ 7
< 62
8 - 11
62 - 117
41
Tropische orkanen
Schade
tropische orkaan 12 118 - 152 1 meest lichte schade (hurricane, cycloon 153 - 176 2 dak- en vensterschade en belangrijke schade aan bomen en of tyfoon) gewassen 177 - 208 3 grote schade met uitgebreide vernielingen aan gebouwen 209 - 248 4 zeer grote schade: daken weggeblazen, veel waterschade op de begane grond van gebouwen aan de kust > 248 5 catastrofaal: vrijwel alle daken weggeblazen, evenals kleine lichtere bouwsels en grote schade aan gebouwen FIGUUR 2
De schaal van Saffir & Simpson, die tropische orkanen indeelt in 5 klassen.
In een jaar krijgt elke tropische storm in de VS afwisselend jongens- en meisjesnamen, op alfabetische volgorde. Het begint met de letter A, bijvoorbeeld Arlene, gevolgd door Brett, Cindy, Dennis, enzovoort. Katrina was de elfde naam in het rijtje in 2005 en de vijfde tropische orkaan dat jaar. Een tropische orkaan heet in Noord-Amerika een hurricane.
Snel ronddraaiende lucht Elke orkaan begint als een tropische depressie. Zo’n
AZIË
NOORDAMERIKA juni t/m november (vooral in augustus 15 mei t/m - oktober) november
juni t/m december 23½°
hurricanes
tyfoons evenaar
januari t/m maart
cyclonen
23½°
AUSTRALIË 0
2.500 5.000 km
FIGUUR 3
Grote Oceaan
ZUIDAMERIKA
e is c h Atlant aan Oc e
lokaal lagedrukgebied kan ontstaan boven warm zeewater van minimaal 26,5 °C. De lucht erboven is ook warm, kan dus veel waterdamp bevatten en is daarom heel vochtig. De warme, vochtige lucht stijgt snel op tot grote hoogte, koelt af en waterdamp condenseert: er vormen zich wolken en het gaat regenen. Van alle kanten stroomt lucht over zee toe om het tekort aan lucht (lagedruk) aan te vullen. Net als bij een depressie op onze breedtegraad op het noordelijk halfrond, stroomt de lucht in een spiraal naar het lagedrukgebied toe, linksom, tegen de wijzers van de klok in. De tropische depressie wordt een tropische storm als warme, vochtige lucht uit de omgeving blijft toestromen en snel omhoog blijft bewegen. Dan wordt de luchtdruk in het midden steeds lager. Zo kan een tropische orkaan ontstaan. Dit gebeurt als de depressie lang genoeg boven de warme zee beweegt en er voldoende warme, vochtige lucht kan toestromen. Niet elke depressie wordt dus een tropische storm en niet elke tropische storm wordt een orkaan. Een tropische orkaan is enorm: zo’n 500 tot 1.500 km. In het midden zit een wolkenvrij ‘gat’ van 30 tot 50 km. De over zee toestromende lucht draait heel snel rond dit oog van de orkaan, maar bereikt dit niet en beweegt in een spiraal omhoog. Hier valt neerslag met grote intensiteit en de windsnelheid bereikt orkaankracht. De snel naar boven bewegende lucht hoopt zich op boven de orkaan en zorgt daar voor een hoge luchtdruk. De lucht stroomt hier alle kanten op, ook naar beneden, het oog in. Daarom is het daar wolkenvrij en bijna windstil.
De kracht van een tropische orkaan neemt af als de orkaan boven land of boven koeler zeewater komt. Er is dan geen warme, zeer vochtige lucht meer die snel opstijgt en de orkaan nieuwe energie geeft. Ook wordt de wind op land geremd door bomen, huizen, gebouwen en reliëf. Afhankelijk van het pad dat een tropische orkaan volgt, duurt het 5 tot 10 dagen voordat deze is uitgeraasd en weer de kracht heeft van een tropische depressie. AZIË EUROPA juni t/m november
AFRIKA januari t/m maart
cyclonen veel gevolgde paden orkaangebied
Gebieden waar en periodes waarin tropische stormen en orkanen ontstaan en veel gevolgde paden.
Verspreidingsgebied van orkanen Zeewater van de juiste temperatuur komt voor rond-
om de evenaar. Tropische orkanen ontwikkelen zich aan beide kanten van de evenaar, tussen 5 en 20° N.B. en Z.B. Op het zuidelijk halfrond krijgt de wind een afwijking naar links en draaien de orkanen precies andersom dan op het noordelijk halfrond. In het begin bepalen de passaatwinden het pad van orkanen, maar op een gegeven moment buigt hun pad meestal richting de polen af. Daarna bewegen ze richting het westen met de daar heersende westenwinden. Tropische orkanen heten in Azië tyfoons en op het zuidelijk halfrond cyclonen. Op het noordelijk halfrond ontwikkelen de meeste tropische stormen en orkanen zich van augustus tot en met oktober en op het zuidelijk halfrond van januari tot en met maart.
42
Weer en klimaat
C
Extreem weer in de VS
C.2 Tornado’s
Tornado’s, ronddraaiende slurven van lucht, komen ook in Nederland wel eens voor. Maar die zijn meestal niets vergeleken bij de tornado’s die in het midden van de VS voorkomen. Hoe ontstaat dit weersverschijnsel?
Kracht EF Schaal
Windsnelheid (km/uur)
Schade
EF0
105 - 137
lichte schade
EF1
138 - 178
matige schade
EF2
179 - 218
aanzienlijke schade
EF3
219 - 266
ernstige schade
EF4
267 - 322
zeer zware schade
EF5
> 322
catastrofaal
FIGUUR 5
Natuurramp in Joplin
De schaal van Fujita (EF schaal) deelt tornado’s in naar kracht op basis van de windsnelheid en de schade. In Nederland komen elk jaar tornado’s voor met een kracht van EF0. Die heten in Nederland ook wel windhoos (boven land) of waterhoos (boven zee).
Het is 22 mei 2011, half zes in de middag. Boven
het stadje Joplin hangt een inktzwarte lucht. De sirenes loeien, er is een twister (tornado) in aantocht: een zeer krachtige wervelwind die als een trechtervormige slurf onder een onweerswolk zichtbaar is. De bewoners van Joplin zoeken snel een veilig heenkomen, want al een kwartier later trekt de tornado met een verwoestende kracht over de stad. Het duurt maar tien minuten, maar de gevolgen zijn dramatisch: er vallen 161 doden en ongeveer 1000 gewonden. De schade aan de bebouwing en infrastructuur is enorm, duizenden huizen, winkels en een highschool zijn verwoest. De totale kosten lopen uiteindelijk tegen de 2 miljard euro. Joplin ligt aan de rand van Tornado Alley, in het midden van de VS. In dat gebied komt jaarlijks ongeveer 90% van de gemiddeld 1.253 tornado’s per jaar voor. Het jaar 2011 was een uitzonderlijk tornadojaar. Maar liefst 1.691 tornado’s trokken in de VS een spoor van vernieling, waarbij in totaal 553 doden vielen. Dit was niet meer voorgekomen sinds 1936. Tornado Alley. 0
CANADA
500
1.000 km
ins
Joplin Ap
L
Centrale Laagvlakte
n he lac a p
warme, droge lucht
O ote Gr
warme, vochtige lucht
ceaan
ico n Mex lf va Go
aan
nta
Tornado Alley
O ce
ou R ocky M
koude, droge lucht
MEXICO
aantal tornado's
250
200
150
100
50
0
jan
feb
FIGUUR 6
maa
apr
mei
jun
jul
aug sep
okt
nov dec maand
Gemiddeld aantal tornado’s in de VS per maand, 1991 - 2010.
Het ontstaan van tornado’s Je hebt al gezien hoe een frontale depressie ontstaat
t la nt isc he
FIGUUR 4
300
A
op plekken waar twee verschillende luchtsoorten bij elkaar komen. Dat komt doordat de twee luchtsoorten niet gemakkelijk mengen. In Tornado Alley gebeurt er regelmatig ook iets anders. Hier komt warme, vochtige lucht vanaf de laaggelegen Golf van Mexico boven het laagland van Tornado Alley in aanraking met koude, droge lucht vanaf de veel hoger gelegen Rocky Mountains. Daar kan ook nog warme, droge woestijnlucht uit het zuidwesten bijkomen. In deze situatie schuift de koude lucht die hoog ligt over de warme lucht die veel lager ligt. Soms schuift de warme, droge woestijnlucht daar nog tussenin. Deze opbouw van de atmosfeer noemen meteorologen instabiel. De warme, vochtige lucht kan in deze situatie razendsnel tot grote hoogte omhoog
C.2
FIGUUR 7
43
Tornado’s
Een tornado bij Simla in Colorado.
bewegen. Zo vormen zich de supercell storms (enorme onweersbuien) waarbij ook tornado’s kunnen ontstaan. Voordat een tornado kan ontstaan, moet zo’n supercell storm eerst gaan ronddraaien. Dat gebeurt omdat de windrichting en de windsnelheid met de hoogte verandert. Aan het aardoppervlak komt de wind bijvoorbeeld uit het zuiden of zuidoosten, hoger in de atmosfeer waait het harder en komt de wind uit het zuidwesten en nog hoger in de atmosfeer waait het nog harder en komt de wind uit het noordwesten. Dit zorgt ervoor dat de supercell storm gaat ronddraaien. Doordat de warme vochtige lucht zo snel opstijgt, ontstaat er aan het aardoppervlak een klein gebied met een lage luchtdruk. Nieuwe warme, vochtige lucht stroomt van alle kanten toe en stijgt in een spiraalvorm omhoog. Onder deze omstandigheden kan er onder aan de zware onweerswolken een slurf ontstaan van steeds sneller ronddraaiende en omhoog wervelende lucht. Als de slurf de grond raakt, noem je het een tornado. Een tornado is 100 tot 450 m in doorsnede en met een enorme windkracht (met windstoten tot wel 400 km/uur) zuigt hij alles op zijn pad omhoog. Daarom richt dit weersverschijnsel op twee manieren schade aan: door de hoge windkracht en door het rondvliegende puin, bijvoorbeeld verkeersborden, bomen, glas, spijkers, dakpannen, prikkeldraad, kabels, metalen platen, stenen, wasmachines, daken, auto’s en vrachtwagens. Tornado’s bewegen zich met 16 tot 32 km per uur door het landschap, maar een snelheid van 113 km per uur is ook wel eens gemeten. Meestal leggen ze zo’n 10 km af voordat ze ophouden te bestaan. Dit gebeurt als er niet meer voldoende warme en vochtige lucht beschikbaar is in de omgeving van de tornado.
Ongeveer 5% van alle tornado’s in de VS bereikt een kracht van EF3 en hoger. Een kracht van EF5 wordt in 0,1% van alle tornado’s bereikt. De tornado in Joplin was van de laatste categorie en richtte daarom zo’n enorme verwoesting aan.
Het voorkomen van tornado’s Tornado’s komen het hele jaar voor en kunnen op elk
moment van de dag ontstaan, afhankelijk van de weersomstandigheden. Er is dus geen echt tornadoseizoen. Het risico op tornado’s is het grootste als de temperatuurverschillen tussen luchtsoorten het grootste zijn. Dat is meestal vanaf de lente tot in de herfst. Van februari tot en met april zie je meer tornado’s in het zuiden van de VS en in de loop van de lente en de zomer komen ze steeds noordelijker voor, totdat heel Tornado Alley actief is, tot in Ohio. In de herfst keert dit patroon zich om en komen de tornado’s weer meer richting het zuiden voor. In de winter komen de minste tornado’s voor. FIGUUR 8
Verwoesting in Joplin door de tornado van 22 mei 2011.
44
Weer en klimaat
C
Extreem weer in de VS
C.3 Hazard management
Aan tropische orkanen en tornado’s kun je niets doen. Maar je kunt je er wel op voorbereiden. Dit leren de inwoners van de VS steeds beter.
dijken. Ook spraken mensen over racisme: ‘New Orleans is een stad met veel arme, zwarte bewoners. Als er in New York of Los Angeles een ramp zou gebeuren, zou er veel eerder hulp zijn geboden.’
Rampenbestrijding Er kan veel misgaan In New Orleans kon iedereen op Katrina voorbereid
zijn. In de weerberichten was duidelijk gezegd: Katrina komt recht op New Orleans af. Alle bewoners moesten evacueren (het gebied verlaten), omdat het er niet meer veilig was. Bijna een miljoen inwoners zijn inderdaad uit New Orleans en omliggende steden vertrokken. Ook werden veel mensen uit voorzorg opgevangen in het Louisiana Superdome-stadion. Toch ging er veel mis, hoe kan dat? Duizenden mensen waren in de stad achtergebleven, omdat ze niet konden of wilden vluchten of omdat ze de waarschuwingen niet hadden opgepikt. Doordat ongeveer 80% van de stad onder water liep, zijn mensen verdronken of vast komen te zitten in hun huis. De hulpverlening kwam langzaam op gang. Er was geen stroom en mobiele telefoons werkten niet meer. Er kwamen nog meer mensen naar het Superdome-stadion. Door gebrek aan voedsel en water was een evacuatie uit het Superdome-stadion nodig. Het duurde vijf dagen om alle mensen weg te halen, vooral door een tekort aan bussen en ondergelopen wegen. Er kwam veel kritiek op de regering. Er was bezuinigd op de bouw van nieuwe
FIGUUR 9
Evacuees.
Hoe kun je je goed voorbereiden op een natuurramp,
zoals een tropische orkaan of een tornado? Wat kun je doen om te voorkomen dat er slachtoffers vallen? En hoe kun je de schade beperken? Daarover gaat hazard management (rampenbestrijding). Dit zijn maatregelen van de overheid om natuurrampen en de ernst ervan te voorspellen en de gevolgen ervan te beperken. Hierbij zijn twee dingen altijd belangrijk: een waarschuwingssysteem en een rampenplan. Verder hangt het van de natuurramp af welke andere dingen je nog kunt doen. In het geval van orkanen en tornado’s kun je bijvoorbeeld huizen en gebouwen steviger bouwen. Een systeem om mensen op tijd te waarschuwen is bij een tropische orkaan goed mogelijk. Je ziet al dagen van tevoren dat er een zware tropische depressie op zee ontstaat. Met satellieten kun je volgen of de depressie zich ontwikkelt tot een orkaan en van welke klasse. De route van de orkaan kan vooraf vaak redelijk worden voorspeld, maar wordt ook in de gaten gehouden door satellieten. Een tornado voorspellen is lastiger. Het weerbericht zegt wel dat er kans is op tornado’s, maar niet precies waar of hoe laat. Wel zijn er overal radarstations die de windsnelheden meten en satellieten die het weer in de gaten
FIGUUR 10
Evacuees uit New Orleans op weg naar een veilige plek in het binnenland.
C.3
45
Hazard management
Mandeville Slidell Lake Pontchartrain
Bay Sint Louis Sound sippi ssis Mi
Laplace Lake Borgne
ou
nd
New Orleans
t Bre
FIGUUR 11
on
S
Barataria Bay
Een schuilkelder onder de grond is de veiligste plek om te schuilen bij een tornado. Terrebonne Bay
houden. Ook zijn er storm chasers (spotters of tornadojagers) in het veld die het meteen doorgeven als ze een tornado zien. De gemiddelde waarschuwingstijd voor tornado’s is ongeveer 13 minuten. De vraag is of alle inwoners van een gebied die een waarschuwing voor een orkaan of tornado krijgen, iets met deze waarschuwing doen. Als je zelf inschat dat het wel zal meevallen met die tropische orkaan of er zijn al twee waarschuwingen voor tornado’s gegeven, terwijl ze uiteindelijk niet over je huis heen kwamen, dan luister je misschien niet naar zo’n waarschuwing. Bij hazard management moet je daarom ook rekening houden met de risicoperceptie van de mensen in het gebied: de persoonlijke inschatting van een risico. In een goed rampenplan staat precies wie wat moet doen bij een ramp. Bijvoorbeeld wie er beslist of mensen moeten evacueren, waar de noodopvangplaatsen zijn, hoe en waar overlevingspakketten worden uitgedeeld of hoeveel hulpverleners nodig zijn. Bij een rampenplan hoort ook voorlichting aan bewoners, zodat ze zijn voorbereid op een ramp en weten wat ze moeten doen. In het geval van tropische orkanen en tornado’s is het nuttig om stevige huizen te bouwen die niet snel instorten. Je kunt bijvoorbeeld het dak extra goed vastmaken met staal of huizen van steen bouwen en niet van hout. Maar om te schuilen bij een tornado is een schuilkelder onder de grond het beste.
Verbeteringen Is er geleerd van de rampen in New Orleans en Joplin?
In New Orleans is inmiddels veel verbeterd. Er is een soort deltaplan uitgevoerd waarbij de dijken zijn verhoogd. Ook zijn er dammen en stormvloedkeringen gebouwd. In augustus 2012 hebben de deltawerken van de stad hun werk gedaan bij de tropische orkaan Isaac.
Golf van Mexico 0
10
20 km
kustbescherming: bescherming van de kustlijn met kribben om de golfenergie op te vangen aanleg van moerassen: moeras (wetland) aanleggen door het opspuiten van zand overstromingsgebieden: verplaatsing van sediment via kanalen en het verdelen van water en sediment, zodat het land hoger komt te liggen gebieden waar wetland zal ontstaan: deze gebieden kunnen meegroeien met de zeespiegel, omdat ze kunnen overstromen walrestauratie: aanleggen van wallen met sediment en vegetatie, als drempels voor hoge golven herstel en aanleg van waddeneilanden dijken: dijkverhoging stedelijke bebouwing
FIGUUR 12
Masterplan voor de kust in de regio van New Orleans.
Na het tornadogeweld in 2011 is van alles gedaan om de bewoners van Tornado Alley voor te lichten over het gevaar van tornado’s en wat ze moeten doen als er eentje op hun dorp of stad afkomt. Dit heeft na 2011 geleid tot minder dodelijke slachtoffers. Ook heeft de National Weather Service samen met experts waarschuwingen duidelijker en begrijpelijker gemaakt, zodat bewoners sneller in actie komen als ze het bericht ontvangen. En er worden nieuwe satellieten en supercomputers gebruikt om betere voorspellingen te doen over tornado’s. FIGUUR 13
Het West Closure Complex ten zuiden van New Orleans.
46
Weer en klimaat
Finish Welke begrippen moet je kennen? A aanlandige wind 12 Wind die van de zee naar het land waait. Heet ook zeewind. aflandige wind 12 Wind die van het land naar de zee waait. Heet ook landwind. afstromen 15 Neerslag die zich als stromend water verzamelt in beekjes, meren en rivieren en zo uiteindelijk in de zee terechtkomt. B barometer 12 Instrument om de luchtdruk te meten. bevriezen 15 Het overgaan van water (vloeibare fase) in ijs (vaste fase). bewolkingsgraad 9 Het percentage van de hemel dat met wolken is bedekt. breedteligging 9 De afstand van een plaats tot de evenaar weergegeven in breedtegraden. broeikasgassen 24 Gassen in de atmosfeer (dampkring) die warmte vasthouden, zoals koolstofdioxide (CO2) en methaan (CH4). C condenseren Het overgaan van waterdamp (gasfase) in water (vloeibare fase).
14
D depressie 12 Een lagedrukgebied rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. waarbij een warmtefront en een koufront voor neerslag zorgen. Heet ook frontale depressie. droge lucht 14 Lucht die weinig waterdamp bevat. droog klimaat 19 Een klimaat waarbij minder dan ongeveer 300 mm neerslag valt per jaar. Hier horen het woestijnklimaat en het steppeklimaat bij.
duurzaam consumeren 28 Zo met producten omgaan dat je weinig of geen schade toebrengt aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties). duurzaam produceren 28 Producten maken op een manier die weinig of geen schade toebrengt aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties). duurzaamheid 28 Bij alles wat we doen ervoor zorgen dat we weinig of geen schade toebrengen aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties). E ecologische voetafdruk 37 De ruimte die we per persoon innemen op aarde, weergegeven in hectare. Het is een maat voor de duurzaamheid van een land en zijn inwoners. extensieve veeteelt 35 Veeteelt met weinig dieren op veel grond. F frontale neerslag Neerslag die ontstaat bij een warmtefront en een koufront, waar warme en koude lucht botsen.
15
G gematigd landklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 10 °C, waarbij het in de koudste maand kouder is dan –3 °C en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden. gematigd zeeklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan –3 °C en kouder is dan 18 °C, en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden. gesteldheid van het aardoppervlak 9 Het soort oppervlak dat de zon verwarmt, bijvoorbeeld water of land. H handelsgewas 34 Een gewas dat geteeld wordt voor de handel. hergebruiken 28 Het opnieuw gebruiken van spullen (tweedehands spullen) of het verwerken van afval tot een nieuw product. Heet ook recyclen.
Finish
hogedrukgebied Een gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook maximum. hogeluchtdrukgordel zie luchtdrukgordel hooggebergteklimaat Een klimaat dat voorkomt in hooggebergten en waarbij het in alle maanden kouder is dan 0 °C. hoogteligging Ligging van een plek ten opzichte van zeeniveau, aangegeven in meters.
12
16 19
9
I infiltreren 15 Het in de bodem naar het grondwater wegzakken van neerslag. intensieve landbouw 34 Landbouw waarbij veel kapitaal en kennis wordt gebruikt om een hoge opbrengst per hectare te behalen. intensieve veeteelt 35 Veeteelt met veel dieren op weinig grond. irrigatie 23 Het opbrengen van water op landbouwgronden door te sproeien, of het aanvoeren van water naar landbouwgronden via kanaaltjes en sloten. isobaar 12 Een lijn die plaatsen met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt. isotherm 10 Een lijn die plaatsen met gelijke temperatuur met elkaar verbindt. K klimaat 9 Het gemiddelde weer over een langere periode (30 tot 40 jaar) in een bepaald gebied. klimaatfactoren 9 De factoren die het klimaat in een gebied bepalen. Het zijn: de breedteligging, de hoogteligging (reliëf), de gesteldheid van het aardoppervlak, afstand tot de zee en de aanvoer van warmte, koude of vochtigheid van elders door wereldwijde wind- en oceaanstromen. Klimaatverdrag 28 Het onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties in 1992 wereldwijd afgesloten verdrag dat als doel heeft om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.
47
L lagedrukgebied 12 Gebied met een lagere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook minimum. lageluchtdrukgordel 16 zie luchtdrukgordel landklimaat 19 Een klimaat met een warme of hete zomer en een koude winter. Hier horen het gematigd landklimaat en het landklimaat met een droge winter bij. landklimaat met een droge winter 19 Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 10 °C, waarbij het in de koudste maand kouder is dan −3 °C en waarbij de winter een droog seizoen is. landwind 12 Wind die van het land naar de zee waait. Heet ook aflandige wind. lijzijde 15 De kant van het gebergte waar bijna nooit de wind vandaan komt, waar de lucht daalt en opwarmt, waardoor er bijna geen neerslag valt. Dit gebied ligt in de regenschaduw. loefzijde 15 De kant van het gebergte waar bijna altijd de wind vandaan komt, waar de lucht omhoog wordt gestuwd en afkoelt, waardoor er vaak neerslag valt. luchtdruk 12 De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak uitoefent. luchtdrukgordel 16 Een zone met een hoge of lage luchtdruk die op de hele aarde rond een bepaalde breedtegraad voorkomt. luchtvochtigheid 14 De hoeveelheid waterdamp die lucht bevat. M maximum 12 Een gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook hogedrukgebied. mediterraan klimaat 19 Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan −3 °C en kouder is dan 18 °C, en waarbij de zomer een droog seizoen is. Heet ook Middellandse Zeeklimaat. Middellandse Zeeklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan −3 °C en kouder is dan 18 °C, en waarbij de zomer een droog seizoen is. Heet ook mediterraan klimaat. minimum 12 Gebied met een lagere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook lagedrukgebied.
48
Weer en klimaat
N natte lucht 14 Lucht die veel waterdamp bevat. Heet ook vochtige lucht. natuurlijk broeikaseffect 24 Het vasthouden van warmte door broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de aarde leefbaar is. neerslag 14 Water dat in vaste of vloeibare vorm op de aarde neerslaat (zoals regen, sneeuw en hagel). neerslagintensiteit 22 De hoeveelheid neerslag per tijdseenheid, bijvoorbeeld per uur of per dag. neerslagverdeling 22 De verdeling van neerslag in een gebied. nuttige neerslag 23 Het verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de verdamping in een gebied. P piekafvoer 22 Tijdelijke, extra grote waterafvoer in beken, rivieren en/of riolen. poolklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de warmste maand altijd kouder is dan 10 °C. Hierbij horen het ijs- en sneeuwklimaat en het toendraklimaat. R recyclen 28 Het opnieuw gebruiken van spullen (tweedehands spullen) of het verwerken van afval tot een nieuw product. Heet ook hergebruiken. regenschaduw 15 Gebied aan de lijzijde van een gebergte, waar bijna geen neerslag valt. S savanneklimaat 19 Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18 °C en waarbij er in een seizoen/periode geen neerslag valt. schaal van Beaufort 13 Een maat voor de windkracht, aangegeven in Beaufort (Bft), die loopt van 0 (windstil) tot en met 12 (orkaankracht). schaal van Celsius 10 Een maat voor de temperatuur, aangegeven in °C en gebaseerd op het vriespunt (0 °C) en het kookpunt (100 °C) van water. smelten 15 Het overgaan van ijs (vaste fase) naar water (vloeibare fase).
sneeuw- en ijsklimaat 19 Een klimaat dat voorkomt in de poolgebieden en waarbij het in alle maanden kouder is dan 0 °C. steppeklimaat 19 Een klimaat waarbij er ongeveer tussen de 150 en 300 mm neerslag per jaar valt. Het steppeklimaat kan warm of koud zijn. stijgingsneerslag 14 Neerslag die ontstaat in gebieden waar (vochtige) lucht door het aardoppervlak wordt opgewarmd, opstijgt en hoger in de atmosfeer afkoelt. stuwingsneerslag 15 Neerslag die ontstaat bij gebergten waar (vochtige) lucht omhooggestuwd wordt en afkoelt. T temperatuur 10 Een maat voor de kou of de warmte op een bepaald moment, in Europa aangegeven in de Schaal van Celsius. thermometer 10 Instrument om de temperatuur te meten, in Europa volgens de Schaal van Celsius. toendraklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 0 °C en kouder dan 10 °C. tropisch regenklimaat 19 Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18 °C. Hierbij horen het tropisch regenwoudklimaat en het savanneklimaat. tropisch regenwoudklimaat 19 Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18 °C en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden. U uv-straling Ultraviolette straling, een onderdeel van zonlicht (zonnestraling).
8
V verdampen 14 Het overgaan van water (vloeibare fase) in waterdamp (gasfase). verdroging 23 Het droger worden van de bodem door het dalen van de grondwaterspiegel. versterkt broeikaseffect 24 Het toenemen van de concentratie van broeikasgassen (bijvoorbeeld koolstofdioxide) onder invloed van de mens waardoor de atmosfeer steeds meer warmte vasthoudt. De gemiddelde temperatuur op aarde wordt hierdoor steeds hoger.
Finish
verwoestijning 26 Uitbreiding van de woestijn in een gebied, vooral door verdroging en erosie. verzilting 23 De toename van het zoutgehalte in de bodem. vochtige lucht 14 Lucht die veel waterdamp bevat. Heet ook natte lucht. voedselgewas 34 Een gewas dat geteeld wordt voor consumptie binnen het eigen land. voedselpiramide 27 Een keten van organismen, planten en dieren die eten en gegeten worden en die afhankelijk van elkaar zijn om te overleven. W waterbalans 23 De nuttige neerslag in een jaar, berekend over een langjarig gemiddelde, voor een bepaald gebied (vergelijkbaar met het klimaat). waterkringloop 15 Het voortdurend afwisselen van de drie fasen van water in een kringloop. weer 8 De toestand van de atmosfeer (dampkring) op een bepaald moment in een bepaald gebied. wet van Buys Ballot 17 Door de draaiing van de aarde krijgt de wind, die waait van een hoge drukgebied naar een lagedruk gebied, een afwijking. Buys Ballot heeft hiervoor een wet bedacht die luidt: als je met je rug naar het hogedrukgebied staat, dan heeft de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links. wind 12 Het bewegen van lucht in de atmosfeer door verschillen in luchtdruk. windkracht 13 De kracht van de wind uitgedrukt in eenheden van de Schaal van Beaufort. windrichting 13 De kompasrichting waar de wind vandaan komt. windroos 13 Een diagram waarin de windrichtingen zijn aangegeven. windsnelheid 13 De snelheid van de wind in m/s of km/u, gemeten met een windmeter (anemometer). woestijnklimaat 19 Een klimaat waarbij er minder dan ongeveer 100 tot 150 mm neerslag per jaar valt. Het woestijnklimaat kan warm of koud zijn.
49
Z zeeklimaat 19 Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan –3 °C en kouder dan 18 °C. Hierbij horen het gematigd zeeklimaat en het Middellandse Zeeklimaat. zeespiegelstijging 24 Het stijgen van de gemiddelde zeespiegel door het uitzetten van het oceaan- en zeewater en het versnelde afsmelten van land- en gletsjerijs. zeewind 12 Wind die van de zee naar het land waait. Heet ook aanlandige wind. zoninvalshoek 10 De hoek die een bundel invallende zonnestralen maakt met het aardoppervlak. Als de zon loodrecht boven je staat, is de zoninvalshoek 90°. zonkracht 9 De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt en heeft een waarde tussen 1 (zeer weinig uv-straling) en 8 (maximale hoeveelheid uv-straling). Heet ook uv-index.
Casusbegrippen H hazard management 44 Maatregelen van de overheid om natuurrampen en de ernst ervan te voorspellen of de gevolgen ervan te beperken. Heet ook rampenbestrijding. hurricane 41 Zo heet een tropische orkaan in Noord-Amerika. R risicoperceptie De persoonlijke inschatting van een risico.
45
T tornado 42 Een zeer krachtige wervelwind die als een trechtervormige slurf onder een onweerswolk zichtbaar is. Heet ook twister. tropische orkaan 40 Zware tropische storm met een windkracht van ten minste 12 Bft. W wervelwind Omhoog wervelende, snel ronddraaiende, in een spiraalvorm omhoog bewegende lucht.
42
SE Arm en rijk Bronnen van energie Grenzen en identiteit
CE Weer en klimaat Bevolking en ruimte Water
www.thiememeulenhoff.nl/degeo