Skip to main content

De Geo leerboek vmbo-kgt CE 4

Page 1

CE

Vmbo-kgt Leerboek De Geo Leerboek 4 Vmbo-kgt

SE Arm en rijk Bronnen van energie Grenzen en identiteit

Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo

CE

CE Weer en klimaat Bevolking en ruimte Water

www.thiememeulenhoff.nl/degeo 9 789006 238020

238020_OMSL.indd 1

10/04/19 15:59


Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo

Leerboek

vmbo-kgt

Auteurs Freek Jutte, Katie Oost en Theo Peenstra Eindredactie Daphne Ariaens

238020_BNWRK.indb 1

10/04/19 15:34


2

Methodeoverzicht

Methodeoverzicht

SE Leerstof voor het schoolexamen 978 90 06 23789 4 De Geo online + boek 3 vmbo-b SE 978 90 06 23792 4 De Geo online 3 vmbo-b SE 978 90 06 23797 9 De Geo online + boek 3 vmbo-kgt SE 978 90 06 23800 6 De Geo online 3 vmbo-kgt SE

CE Leerstof voor het centraal examen 978 90 06 23793 1 De Geo online + boek 4 vmbo-b CE 978 90 06 23796 2 De Geo online 4 vmbo-b CE 978 90 06 23801 3 De Geo online + boek 4 vmbo-kgt CE 978 90 06 23804 4 De Geo online 4 vmbo-kgt CE

Colofon

Beste leerling, Dit boek van De Geo gebruik je samen met de digitale leeromgeving in de les. Dit boek is van jou persoonlijk, dus je mag er aantekeningen in maken. Na dit schooljaar is het boek van jou. Dat is makkelijk als je volgend jaar iets wilt opzoeken, of iets moet leren voor een toets of je eindexamen. Wij wensen je veel succes en plezier met het vak aardrijkskunde. Team De Geo

Colofon Vormgeving en opmaak HollandseWerken / Marc Freriks, Zwolle Cartografisch tekenwerk en grafieken EMK, www.emk.nl Fotoresearch Lineair Beeldresearch, Arnhem Bureauredactie Taallandschap / Ellen Kremers, Deventer la

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 23802 0 Vierde druk, vierde oplage, 2020 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2019 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

238020_BNWRK.indb 2

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

10/04/19 15:34


3

Inhoud

Inhoud

CE

Thema en inhoud

Aan de leerling

4

Weer en klimaat

6

Bevolking en ruimte

1 Het weer en het klimaat 1.1 Weer of klimaat? 1.2 De zon als motor: temperatuur 1.3 De zon als motor: luchtdruk en wind 1.4 De zon als motor: neerslag 1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie 1.6 Bronnen

8 8

4

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Spanje en Nederland vergeleken Weer en klimaat in Europa Beschikbaarheid van water Klimaatverandering en extremer weer Bronnen Klimaatbeleid

3 Weer en klimaat in de VS 3.1 Het weer in de Verenigde Staten 3.2 Bronnen 3.3 Landbouw in de Verenigde Staten 3.4 Klimaatverandering en duurzaamheid in de VS 3.5 Klimaatbeleid van de VS Casus Extreem weer in de VS C.1 Tropische orkanen C.2 Tornado’s C.3 Hazard management

10 12 14 16 18

20 20 22 24 26 28 30 30 32 34 36 38 40 40 42 44

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 6 6.1 6.2 6.3 6.4

Bevolking en ruimte in Nederland Bevolkingsgroei in Nederland Regionale verschillen De verstedelijking van Nederland De Randstad Bronnen Bevolking en ruimte in Duitsland Bevolkingsgroei in Duitsland Regionale verschillen De verstedelijking van Duitsland Het Ruhrgebied Bronnen Bevolking en ruimte in China Bevolking in China Migratie in China Wonen in de stad Bronnen

Casus Megasteden in China C.1 Guangzhou in de Parelrivierdelta C.2 Shanghai in de Yangtzedelta C.3 De delta’s vergeleken Finish

50

Water

90

52 52 54

7 7.1 7.2 7.3

92 92 94

56 58 60

62 62 64 66 68 70

72 72 74 76 78

Water in Nederland Een land in de delta Een land van polders Watergebruik en waterwinning 7.4 Waterkwaliteit en waterkwantiteit 7.5 Gevolgen van klimaatverandering 7.6 Bronnen 8 Water in China 8.1 Rivieren en de waterkringloop 8.2 Rivieren in China 8.3 De Chang Jiang 8.4 De Huang He 8.5 Bronnen 9 9.1 9.2 9.3 9.4

80 9.5 80 82 84 86

Water in het Midden-Oosten Het Midden-Oosten Water delen met de buren Toenemende watertekorten Oplossingen voor te weinig water Bronnen

Casus Ruzie om water C.1 Stuwdammen in Turkije C.2 Waterbouwkundige werken in de Nijl C.3 Watermanagement Finish

Finish

96 98 100 102 104 104 106 108 110 112

114 114 116 118 120 122 124 124 126 128 130

46

Vaardigheden 134 Ruimte voor aantekeningen 140 Bronvermelding 144

238020_BNWRK.indb 3

10/04/19 15:34


4

Aan de leerling

Aan de leerling 16

Weer en klimaat

1

1.5

Het weer en het klimaat

Dit leerboek gebruik je bij aardrijkskunde in klas 4. Je gebruikt ook een werkboek, of eDition. Met het leerboek en het werkboek, of eDition, bereid je je voor op het eindexamen. In het leerboek en werkboek staat alles wat je moet kennen en kunnen voor het eindexamen. Hier lees je hoe je met De Geo werkt.

heden opstijgende vochtige en warme lucht koelen hoger in de atmosfeer af en bijna elke dag ontstaan grote regen- en onweersbuien. In dit tropische gebied valt dan ook gemiddeld veel neerslag (stijgingsneerslag).  Het gebied rondom de polen ontvangt gemiddeld minder zonne-energie dan alle andere gebieden op aarde. Hier is de gemiddelde temperatuur dan ook laag, het is er altijd koud. De lucht boven de poolgebieden is ook koud. Koude lucht is zwaar en zal in de atmosfeer naar beneden bewegen. Op de polen heerst er daarom altijd een hoge luchtdruk aan het aardoppervlak (maximum). Omdat het hele gebied zo koud is, warmt de dalende lucht daar niet op. Als de lucht vochtig is, kan er neerslag vallen, vaak als sneeuw.  Maar wat gebeurt er tussen de gordel van lage luchtdruk op de evenaar en het gebied met hoge luchtdruk op de polen? De opstijgende lucht in het gebied rond de evenaar verzamelt zich hoog in de atmosfeer en stroomt dan naar het noorden en zuiden als een hoge wind weg. Hoog in de atmosfeer koelt de lucht nog verder af en wordt zo koud dat hij gaat dalen. Dit gebeurt gemiddeld rondom de 30° N.B. en Z.B. Deze dalende lucht zorgt hier voor een gordel van hoge luchtdruk (hogeluchtdrukgordel). De dalende lucht warmt hier op, doordat het aardoppervlak op deze breedte veel zonne-energie ontvangt. De wolken die er nog zijn, verdampen. Rond de 30° N.B. en Z.B. valt gemiddeld dan ook weinig neerslag. Vanaf deze gordel met hoge luchtdruk stroomt warme lucht over het aardoppervlak naar de evenaar terug, waar de lucht opnieuw omhoog kan bewegen. Ook stroomt er warme lucht naar hogere breedten.  Rond 50 tot 60° N.B. en Z.B. (waar ook Nederland ligt) ontmoeten de koude lucht vanaf de polen en de warme lucht vanaf het zuiden (of op het zuidelijk halfrond: vanaf het noorden) elkaar. Hier beweegt de warme lucht over

Het weer verandert van dag tot dag en van plaats tot plaats. Toch kun je op wereldschaal patronen ontdekken in de verdeling van de gemiddelde temperatuur, de luchtdruk, de wind en de neerslag.

Wereldwijde luchtdrukgordels u De lucht om ons heen is steeds in beweging, op kleine

schaal rondom je eigen huis, maar ook op wereldschaal. Luchtstromen en winden op wereldschaal worden aangestuurd door lage- en hogedrukgebieden aan het aardoppervlak die ontstaan door meer of minder zonneinstraling.  Het gebied rondom de evenaar tussen de twee keerkringen ontvangt gemiddeld veel zonne-energie, elke dag opnieuw. Hier warmt de lucht boven het aardoppervlak dan ook sterk op, waardoor grote hoeveelheden warme en vochtige lucht opstijgen tot hoog in de atmosfeer. Aan het aardoppervlak ontstaat in dit hele gebied daardoor een gordel van lage luchtdruk (minimum): een lageluchtdrukgordel. De grote hoeveelH

Noordpool

60° N.B.

L

L

westenwinden

30° N.B.

H

H

FIGUUR 21

Een stortbui aan het einde van de dag in de tropen.

de koude lucht omhoog en ontstaan depressies (lagedrukgebieden) met veel wolken waaruit frontale neerslag valt. Op deze breedte ligt dan ook een gordel met lage luchtdruk (minimum). Boven in de atmosfeer waaien op grote hoogte winden terug naar het noorden en het zuiden.

Wereldwijde windsystemen: mondiale luchtcirculatie u De lucht beweegt continu in een mondiale lucht-

circulatie met opstijgende en dalende lucht in brede luchtdrukgordels en met winden die hoog in de atmosfeer en aan het aardoppervlak waaien. FIGUUR 22

17

De zon: motor van de luchtcirculatie

 Je hebt geleerd dat wind waait van hoge druk naar lage druk. Dat zie je in figuur 19. Maar je ziet ook dat de winden niet in een rechte lijn waaien, maar met een bocht naar links (op het zuidelijk halfrond) of naar rechts (op het noordelijk halfrond). Dit komt doordat de aarde samen met de atmosfeer om haar as draait. Een punt op de evenaar, en de lucht daarboven, heeft daarbij een grotere snelheid dan een punt in het noordpoolgebied en de lucht daarboven. Winden die van 30° N.B. of Z.B. naar de evenaar waaien, waaien dus naar een gebied waar de lucht een grotere rotatiesnelheid heeft en raken daarbij achter. Hierdoor krijgen ze een afwijking naar rechts op het noordelijk halfrond en naar links op het zuidelijk halfrond. Voor de winden die van 30° N.B. of Z.B. naar hogere breedte waaien, geldt dat ze naar een gebied waaien waar de lucht een kleinere rotatiesnelheid heeft, en raken daarop voor. Hierdoor krijgen ze op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.  De Nederlandse meteoroloog Buys Ballot heeft de afwijking van de wind op beide halfronden ontdekt en een wet hiervoor bedacht: de wet van Buys Ballot. Deze luidt: als je met je rug naar het hogedrukgebied staat, dan heeft de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.  In figuur 19 zie je dat er aan het aardoppervlak wereldwijde winden zijn die altijd uit dezelfde richting waaien. Dit zijn de passaatwinden, de noord- en zuidoostenwinden die waaien tussen 30° N.B. en Z.B. en de evenaar. En de westenwinden die waaien tussen de 30° N.B. en Z.B. en de gordel met lage luchtdruk rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. Dan zijn er nog de oostelijke winden die in de poolgebieden waaien.

1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie

De lucht boven Antarctica is koud en daalt. Hier heerst aan het aardoppervlak dan ook altijd een hoge luchtdruk (maximum).

passaatwinden evenaar

L

L

H

hogedrukgebied

L

lagedrukgebied windrichting

passaatwinden

H

fro

H

nt

30° Z.B.

westenwinden

L H L

60° Z.B.

L

hogedrukgebied lagedrukgebied

L

H

60° N.B.

30° N.B.

Zuidpool

H

H

windrichting

L evenaar

Noordpool

Leerboek In het leerboek staan drie thema’s: Weer en klimaat, Bevolking en ruimte en Water. Ieder thema is op dezelfde manier opgebouwd.

Startfoto Elk thema begint met een startfoto. Hiermee verken je het thema. Samen met je docent(e) bespreek je deze foto en maak je kennis met de onderwerpen die in het thema aan de orde komen. Werk je met de digitale variant? Dan kun je je met de opdrachten ook zelfstandig oriënteren.

FIGUUR 19

FIGUUR 20

Wereldwijde luchtcirculatie met luchtdrukgordels en windsystemen.

102

Water

7.6 Bronnen

7

u Rotterdam is de grootste haven van Europa. Er komen

uit de hele wereld goederen aan, waarmee verschillende dingen gebeuren.  Een deel van die goederen is bestemd voor klanten in Nederland zelf. Dat kunnen fabrieken zijn of groothandels die de goederen verder verkopen aan gewone winkels.  Een ander deel van de goederen wordt direct verder vervoerd naar andere landen. Dat gebeurt met andere vervoermiddelen dan waarmee de goederen aankomen. Vanuit Rotterdam worden goederen uit China, Mexico en Zuid-Korea bijvoorbeeld met kleinere zeeschepen samen naar andere Europese zeehavens gebracht. En over rivieren, spoorwegen en wegen naar bestemmingen die niet aan zee liggen. Aan- en afvoer van goederen tussen Nederlandse havens en andere werelddelen, 2014 (in miljoen ton). Nederlandse havens

27

BRON 2

42

7.6

103

Bronnen: Vervoer over water

Aan- en afvoer van goederen in Nederland per transportmiddel, 2015.

goederen komen Nederland in via:

goederen worden binnen Nederland vervoerd via:

goederen gaan Nederland uit via:

totaal: 450 miljoen ton

zeevaart binnenvaart wegvervoer

totaal: 560 miljoen ton

spoorvervoer

totaal: 630 miljoen ton

BRON 4 Nummer in Europa

BRON 5

Grootste havens in Europa. Nummer in de wereld

Haven

1

5

2

17

Antwerpen

208

3

29

Hamburg

137

4

41

Amsterdam

98

5

44

Algeciras

91

6

46

Marseille

81

7

55

Bremen

73

56

Novorossijsk

8

Rotterdam

Overslag in miljoen ton

Door de droogte van de afgelopen zomer is de waterstand van de rivieren laag. Als gevolg daarvan ontstaat er soms vertraging bij sluizen. Dat maakt wachttijden voor de scheepvaart langer. Daarnaast is door de blijvend lage waterstand op de Waal en IJssel op veel plaatsen de vaardiepte geringer. Hierdoor kunnen schepen minder lading vervoeren. Daarom geeft Rijkswaterstaat vaker aan de schippers door hoeveel de vaardiepte is, zodat ze daar rekening mee kunnen houden.

73

9

60

Valencia

69

62

Le Havre

68

BRON 6

Droogte heeft gevolgen voor scheepvaart

466

10

Nieuwsbericht uit 2018.

Duwbakken in de binnenvaart. Eén duwbak is ongeveer even groot als een klein binnenvaartschip en kan de lading vervoeren van 40 vrachtwagens. Een duwboot kan tegelijkertijd één tot zes bakken duwen.

De grootste zeeschepen die in Rotterdam aanleggen zijn 400 m lang. Maar de bemanning is klein. Op dit schip varen 19 mensen mee.

Azië

47

39

Anders actief

BRON 3

 Verder zijn er goederen die in de haven worden verwerkt in fabrieken. In Rotterdam gebeurt dat bijvoorbeeld veel met aardolie. De ruwe olie die in Rotterdam aankomt, wordt in olieraffinaderijen verwerkt tot benzine, diesel, vaseline en oplosmiddelen voor verf. Na verwerking worden die producten verder vervoerd.  Rotterdam is zo groot, omdat de haven goede verbindingen heeft met het achterland. Dat is het gebied waar de goederen die in de haven aankomen, naartoe worden vervoerd. Nederland heeft goede wegen, spoorwegen en vaarwegen voor de binnenvaart. De binnenvaart is alle scheepvaart op meren, kanalen en rivieren. Het achterland van Rotterdam is bovendien dichtbevolkt en welvarend. De vraag naar goederen is groot.  De goederen die via Rotterdam worden vervoerd, kun je in vier groepen verdelen.  Rotterdam heeft veel natte bulk. Dat zijn vloeistoffen die in het ruim van een schip of een tank gepompt kunnen worden, zoals olie.  Er is ook droge bulk. Dat zijn vaste stoffen die los in het ruim van het schip worden vervoerd. Steenkool, ertsen en granen zijn daar voorbeelden van.  Daarnaast zijn er containers: grote stalen dozen waarin losse goederen worden vervoerd. Door de standaardafmetingen van de containers is het in- en uitladen ervan sterk geautomatiseerd: het wordt voor een groot deel met computergestuurde kranen gedaan. Daardoor is het vervoer veel goedkoper geworden.  Als laatste zijn er overige goederen. Dat zijn goederen die niet los in een schip of in containers passen. Dat zijn bijvoorbeeld personenauto’s, grote machines of bouwonderdelen, zoals wieken van windmolens.

Goederen

BRON 1

Water in Nederland

Titel Vervoer ... over water

Nederland werd in het verleden een rijk land door de handel over zee. De havens van Amsterdam en Rotterdam zijn nog steeds erg belangrijk. De goederen die daar worden aangevoerd, worden bewerkt en verder vervoerd. Dat levert veel werk, verkeer en inkomsten op.

Noord- en Midden-Amerika

Samenhang tussen de wereldwijde luchtcirculatie en het gemiddelde neerslagpatroon.

18 9 Zuid-Amerika

60

Afrika

37

10

0

1 Oceanië

2.500 5.000 km

aanvoer

natte bulk

containers

afvoer

droge bulk

overig

Hoofdstukken De hoofdstukken behandelen het thema telkens in een ander gebied. Zo leer je over het thema in je eigen omgeving en Nederland, maar ook in andere gebieden in de wereld.

Casus Aan het eind van het thema staat een casus. De casus bevat examenstof voor gt-leerlingen.

Paragrafen Ieder hoofdstuk bestaat uit drie soorten paragrafen: - gewone paragraaf: met leerteksten en figuren - bronnenparagraaf: met een korte leertekst en veel bronnen

80

Bevolking en ruimte

C

C.1

Megasteden in China

81

u De enorme verstedelijking in het gebied begon met

Megasteden in China China

Alle begrippen die je moet kennen, zijn vetgedrukt. De structuurtekens in de tekst helpen je de tekst te lezen: u hoofdzaak  bijzaak of opsomming  voorbeeld of extra uitleg

Yangtzedelta Parelrivierdelta

C.1 Guangzhou in de Parelrivierdelta Ligging in een delta Shanghai (24 miljoen inwoners) en Guangzhou (15 miljoen inwoners) zijn twee Chinese megasteden. Ze liggen in sterk verstedelijkte kustgebieden in het oosten en zuiden van China: de Yangtzedelta en de Parelrivierdelta.

u De 2.200 km lange Xi Jiang (Parelrivier) stroomt in het

zuiden van China naar zee. In het laaggelegen mondingsgebied vertakt de rivier zich in veel stromen: een delta. De megastad Guangzhou (Kanton) is er met 15 miljoen inwoners de grootste stad. In dezelfde delta liggen ook Shenzhen (13 miljoen inwoners), Dongguan (9 miljoen), Hongkong (8 miljoen) en nog meer miljoenensteden.

Parelrivierdelta in 1993

Parelrivierdelta in 2016

Guangzhou

Huizhou

Dongguan

Foshan

Dali Foshan

Panyu

Guangzhou

CHINA Humen Chang’an Shajing

Jiangmen

Zhongshan

Shenzhen

Jiangmen

ng Ji a

ng Ji a

FIGUUR 1

50 km

ee Zuid-Chinese Z

Yuen Long Tuen Mun HONGKONG Kowloon Zhuhai Macau MACAU

MACAU

25

Longgang Longhua Shenzhen

Zhongshan

Xi

Xi

HONGKONG Hongkong Zhuhai

0

Verstedelijking in de Parelrivierdelta in 1993 (links) en in 2016 (rechts).

25

Huizhou

Dongguan

Panyu

Shunde

CHINA

0

238020_BNWRK.indb 4

Guangzhou in de Parelrivierdelta

De opkomst van de Parelrivierdelta

50 km

ee Zuid-Chinese Z

Victoria

ontwikkelingen in Hongkong, een voormalige Britse kolonie. De stad kwam begin van de twintigste eeuw onder Chinees bestuur, maar bleef een speciale status houden als een soort buitenlandse stad in China. Vroeger mocht niemand vanuit Hongkong de grens oversteken naar het communistische China. Het was een soort IJzeren Gordijn, net als tussen Oost- en West-Europa na de Tweede Wereldoorlog.  Dat is nu veranderd. Het eenpartijstelsel bleef bestaan, maar in 1980 begon China met de opendeurpolitiek. Net over de grens bij Hongkong mochten voor het eerst buitenlandse fabrieken worden neergezet. Dit gebied werd een open gebied. De nieuwe politiek werd een groot succes. Aangetrokken door de lage lonen verhuisden duizenden fabrieken van het dure Hongkong naar China. Ze hadden veel ongeschoolde werknemers nodig bij het maken van eenvoudige producten, zoals kleding, schoenen, speelgoed en meubelen. Aan de voorkant bleven de kantoren in Hongkong en aan de achterkant lagen de fabrieken in China. Dat noem je ook wel front office (front = voorkant, office = kantoor) en back factory (back = achterkant, factory = fabriek).

FIGUUR 2

Een ongeplande wijk in Guangzhou.

Enorme groei

Ruimtelijke kwaliteit

u Net over de grens bij Hongkong ligt Shenzhen. Die

u Om de toestroom van migranten op te vangen, wordt

stad merkte als eerste de gevolgen van de investeringen uit Hongkong. In 1980 was het nog een vissersdorp, nu is het een megastad met snelwegen en talloze torenflats. Ook in andere steden in de buurt van Hongkong, zoals Guangzhou, groeide de industrie na 1980 snel. De migratie was massaal.  Vanuit het binnenland van China vertrokken jaarlijks 1 à 2 miljoen arbeidsmigranten naar de Parelrivierdelta. Ze gingen werken in grote productiehallen, maar ook in kleine naaiateliers of als straathandelaren.  In figuur 1 zie je de grote gevolgen voor de inrichting. Helemaal uit het niets verschijnen grote metropolen op de kaart. Dat zijn enorm grote agglomeraties. Samen vormen de agglomeraties in de Parelrivierdelta een grootstedelijk gebied van ruim 118 miljoen inwoners. Het platteland tussen de agglomeraties wordt steeds kleiner. In het metropolitane gebied liggen honderden stadsdorpen: dat zijn dorpen in steden omringd door flatwijken waar vroeger landbouwgrond lag.

met een enorm tempo gebouwd aan woningen, voorzieningen en infrastructuur. Dit hoge tempo in combinatie met de soms ongecontroleerde manier waarop gebouwd wordt, leidt in de Parelrivierdelta tot problemen op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit. Als de ruimtelijke kwaliteit goed is, dan is een plek leefbaar. Zaken als veiligheid, sociale contacten, onderhoud en (groen)voorzieningen zijn dan goed in een wijk.  Dat er te weinig aandacht is voor de ruimtelijke kwaliteit is goed te zien in de honderden stadsdorpen. Nu ze geen boer meer kunnen zijn, bouwen de bewoners soms wel vijf woonlagen boven op hun huis om maar zo veel mogelijk te verdienen aan woningzoekende migranten. Of ze breken hun huis af en zetten er een flat van tien verdiepingen neer. De kwaliteit van de woningen is vaak slecht, omdat er geen wettelijke controle is van de bouwvoorschriften. De huizen staan dicht op elkaar en de appartementen zijn klein. Aandacht voor speeltuinen, sportveldjes en parken is er nauwelijks. De bebouwingsdichtheid in de rommelige, ongeplande wijkjes is enorm. Er wonen soms wel 50.000 migranten op één vierkante kilometer!

10/04/19 15:34


5

Aan de leerling

Vaardigheden

Wat moet je kennen en kunnen?

Achter in het leerboek staan alle vaardigheden uitgelegd die je bij aardrijkskunde en in het examen gebruikt.

Iedere paragraaf sluit af met Wat moet je kennen en kunnen? Daarin staat wat je na het maken van de opdrachten moet kennen en kunnen voor het schoolexamen.

134

V

V

0

1

2

Kaart lezen

At lan tis c

Vaardigheden Soorten kaarten

en thematische kaarten.  Een overzichtskaart geeft informatie over de ligging van steden, wateren, bergen, wegen, spoorlijnen en bodemgebruik. Deze kaarten gebruik je om een overzicht te krijgen van wat er in een gebied is. Er zijn verschillende soorten overzichtskaarten.  Natuurkundige overzichtskaarten laten natuurlijke kenmerken zien, zoals hoogteligging, rivieren en bergen (figuur 1).  Staatkundige overzichtskaarten laten zien waar de grenzen lopen en waar de hoofdsteden liggen. Landen en provincies hebben verschillende kleuren (figuur 2).  Thematische kaarten gaan over een bepaald onderwerp (= thema). Bijvoorbeeld over bevolkingsdichtheid, neerslag of talen (figuur 3).

100

he

200 km

0

an ea Oc

100

NOORWEGEN Oslo

At lan tis c

At lan tis c

0

he

NOORWEGEN Oslo

Belfast

rdzee Noo

IERLAND Dublin

DENEMARKEN Kopenhagen

VERENIGD KONINKRIJK

IERLAND Dublin

Noordzee

Amsterdam

Het Kanaal

Londen

Berlijn

DUITSLAND

BELGIË

Rouen

Luxemburg lf van Go

lf van Go

OOSTENRIJK

Nantes

Bordeaux

Bern Zürich ZWITSERLAND Turijn

Toulouse SPANJE

West-Europa, natuurkundig hoogte in m

ANDORRA

OOSTENRIJK

Lyon

Bilbao Montpellier

Milaan

ITALIË Genua

Venetië

Marseille

West-Europa, staatkundig aantal inwoners

lager dan 100

200 - 500

1.000 - 3.000

100.000 - 500.000

1.000.000 - 5.000.000

spoorweg

100 - 200

500 - 1.000

hoger dan 3.000

500.000 - 1.000.000

meer dan 5.000.000

hoofdweg

FIGUUR 1

Natuurkundige overzichtskaart.

FIGUUR 2

Nederland 15.000

Parijs

buitenland 10.000 1990

FRANKRIJK ZWITSERLAND

OOSTENRIJK

Milaan ITALIË ANDORRA

West-Europa, aantal inwoners per km2 aantal inwoners per km2

1995

FIGUUR 4

2000

2005

2010

2016 jaar

Lijndiagram.

Populairste vakantielanden bij Nederlanders, 2016 x 1.000 4.000 3.500 3.000

aantal inwoners steden

2.500

minder dan 10

50 - 200

minder dan 2 miljoen

10 - 50

meer dan 200

2 - 10 miljoen

2.000

meer dan 10 miljoen

1.500

Thematische kaart.

1.000 500 0

Soorten diagrammen

Duitsland

FIGUUR 5

München

ITALIË SPANJE

20.000

DUITSLAND

Hamburg

Straatsburg FRANKRIJK

Biskaje

Biskaje

Bern ZWITSERLAND

Parijs

Rennes

FRANKRIJK

Brussel BELGIË

Berlijn

DENEMARKEN Kopenhagen

Hannover Berlijn Rotterdam Dortmund Brussel Keulen Leipzig BELGIË DUITSLAND Luxemburg Frankfurt Praag

Het Kanaal

Brussel

Parijs

NEDERLAND Amsterdam

Cardiff

Finish

25.000

3

Birmingham Londen

30.000

NEDERLAND Amsterdam

Londen

Het Kanaal

FIGUUR 3

Newcastle upon Tyne VE VERENIGD KON KONINKRIJK

totaal

35.000

Edinburgh

Manchester

NEDERLAND

Oslo

Aantal vakanties van Nederlanders, 1990 - 2016 40.000

DENEMARKEN Kopenhagen

VERENIGD KONINKRIJK

SPANJE

Glasgow

NOORWEGEN

rdzee Noo

IERLAND Dublin

200 km

an ea Oc

135

Vaardigheden

200 km

an ea Oc

Biskaje

u Er zijn verschillende soorten kaarten: overzichtskaarten

 De titel is de naam van de kaart en geeft aan over welk gebied of over welk onderwerp de kaart gaat.  De legenda geeft uitleg van de kleuren en de symbolen op de kaart.  De noordpijl of windroos geeft aan waar het noorden is. Als het noorden niet aangegeven is, ligt het noorden aan de bovenkant van de kaart.  De schaal van de kaart geeft aan hoeveel de werkelijkheid is verkleind. De schaal wordt aangegeven met een schaalstok.

he

lf van Go

u Op of bij een kaart staan altijd de volgende dingen:

100

Frankrijk

Spanje

België

Italië

Oostenrijk

Staafdiagram.

u Bij aardrijkskunde gebruik je vaak een diagram.

Diagrammen geven meestal een sneller en duidelijker overzicht dan een tekst of een tabel met getallen. Er zijn verschillende soorten diagrammen:  Een lijndiagram laat een ontwikkeling in de tijd zien (figuur 4).  In een staafdiagram geeft de lengte van de staven een hoeveelheid aan (figuur 5). De staven kunnen over verschillende perioden gaan, maar ook over verschillende gebieden of groepen mensen.  Een cirkeldiagram gebruik je om de verdeling van een verschijnsel weer te geven (figuur 6). Het totaal is altijd 100%. De grootte van de cirkel is soms een maat voor de totale hoeveelheid.

Lange en korte vakanties van Nederlanders, 2016 lange vakanties (22,4 miljoen)

korte vakanties (13,1 miljoen)

17%

24%

23%

36%

11% 12% 36%

41%

Nederland zomer

buitenland zomer

Nederland winter

buitenland winter

FIGUUR 6

Cirkeldiagram.

Staatkundige overzichtskaart.

Ieder hoofdstuk eindigt met de Finish. De slotopdracht in de Finish helpt je om overzicht te krijgen over alle stof uit het hoofdstuk en een antwoord te geven op de hoofdvraag. In de Finish vind je ook een overzicht van de hoofdvraag, de deelvragen en alle leerdoelen van een heel hoofdstuk in het Leerdoelenoverzicht. Je kunt dit Leerdoelenoverzicht dus gebruiken als checklist bij het leren: beheers je alle leerdoelen?

Examentraining Begrippen Aan het eind van ieder thema staan alle begrippen, met de definitie en het paginanummer erbij.

Na ieder hoofdstuk kun je oefenen voor het eindexamen met echte examenvragen in de Examentraining. 96

Bevolking en ruimte

5

5

Bevolking en ruimte in Duitsland

2p

Examentraining

Werkboek

Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten je krijgt voor een goed antwoord.

BRON 2 0

50

100 km

Noo

1 Bekijk bron 1. Ò Neem de cijfers I t/m IV over en zet er de juiste betekenissen bij. Kies uit: Duitsland – Nederland – 65+ – jonger dan 20 jaar.

1p

BRON 1

rdzee

III

POLEN IV

Leeftijdsopbouw Duitsland en Nederland.

2010

I

DUITSLAND

5 In bron 4 staat de bevolkingsopbouw van Nederland in 2010 en 2050. Ò Over bron 4 zijn de uitspraken I tot en met IV gedaan. Neem de getallen over en schrijf erachter of de uitspraak goed of fout is. I Bij de lijn van de leeftijdsopbouw van 2050 staat de letter C. II De babyboom staat aangegeven met de letter A. III Tussen 2010 en 2050 is de vergrijzing afgenomen. Dat zie je bij B. IV De letter D geeft aan dat de ontgroening tussen 2010 en 2050 is toegenomen. BRON 4

1p

Bevolkingsopbouw Nederland in 2010 en 2050.

IV

De opdrachten in het werkboek helpen je om met de stof uit het leerboek te oefenen, en te leren. Aan het begin van elk hoofdstuk staat de hoofdvraag van het hoofdstuk en aan het begin van elke paragraaf een deelvraag. Deze vragen helpen je bij het leren over het thema. Als je de opdrachten maakt, werk je alle stof uit het leerboek vanzelf door. Voor het maken van de opdrachten heb je soms ook de atlas of internet nodig.

Symbolen Bij iedere opdracht zie je aan de symbolen wat je nodig hebt: leerboek atlas computer vaardigheden En je ziet of je in een opdracht mag/moet samenwerken: samenwerkingsopdracht

Herhaling

mannen

BELGIË III 0

10 I

20

30

40

50

20 - 65 jaar

60

70

80

90

TSJECHIË

LUX.

100 %

90

II

1p

8 Bron 6 laat de migratie van Oost-Duitsland naar West-Duitsland tussen 1950 en 2003 zien. Ò Geef de reden waarom in de periode 1962-1989 veel minder mensen van Oost-Duitsland naar West-Duitsland migreerden dan in de periode ervoor en erna. BRON 6

A

Migratie van Oost-Duitsland naar West-Duitsland, 1950 tot 2003.

60

ZWITSERLAND

BRON 3

60

De demografische transitie.

20 10 0

300

B C

40 30

100 0 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 jaar

10 D 150

x 1.000

geboortecijfer sterftecijfer geboorteoverschot sterfteoverschot

100

50

0

0 0 leeftijd

D 50

100

150

6 Er zijn grote verschillen tussen de herkomstlanden van immigranten in Duitsland en Nederland. In Nederland wonen bijvoorbeeld veel Surinamers. In Duitsland hebben zich bijna geen Surinamers gevestigd. Ò Noem de oorzaak van dit verschil.

1

1p

2 3

4 5

200

20

1p

40 30

C

in ‰

50

400

50

B

4 Bekijk bron 3. Ò Neem de cijfers 1 t/m 5 uit bron 3 over. Zet bij elk cijfer de juiste letter van de uitspraken hierna. A geboorte en sterfte in Duitsland B bevolkingsexplosie: de natuurlijke bevolkingsgroei is groot C de demografische transitie is voltooid: Duitsland gaat een nieuwe fase in D veel geboorten, veel sterfgevallen E geboorte en sterfte in Nederland

aantal personen (x 1.000)

A

OOSTENRIJK

1p

500

70 II

2 Bekijk bron 2. Ò Neem de cijfers I t/m IV over. Welke uitspraken over de bevolkingsgroei zijn van toepassing op de vier verschillende gebieden van Duitsland? Zet bij elk cijfer de letter van de juiste uitspraak. A De bevolking neemt er een klein beetje af. B De bevolking neemt er sterk af. C Veel mensen trekken uit de stad, hun plaatsen worden door immigranten uit binnen- en buitenland ingenomen. D Er zijn veel banen in de hightechindustrie en dat trekt veel mensen aan. 3 Hierna staan twee uitspraken. I In het noorden van Duitsland is het werk in de landbouw een belangrijke aantrekkingsfactor. II Na de sluiting van de fabrieken en de steenkoolmijnen is de werkloosheid in het Ruhrgebied sterk gedaald. Ò Welke uitspraak is juist? A Alleen I is juist. B Alleen II is juist. C Beide zijn juist. D Beide zijn onjuist.

Het Ruhrgebied: industrie, cultuur en landschap.

80 FRANKRIJK

1p

vrouwen

100

97

Examentraining

BRON 5

7 Bekijk bron 5. Ò Geef eerst aan of dit bord in 1950 of in 2015 langs de snelweg in Duitsland stond. Geef vervolgens een argument voor je keuze met behulp van bron 5.

1p

9 Lees bron 7. Ò Geef een voordeel van herinrichting voor de leefbaarheid in dit gebied. BRON 7

In het Ruhrgebied in Duitsland stonden veel overbodig geworden gebouwen op de lijst om gesloopt te worden. Een deel bleef behouden door ze aan te wijzen als industrieel erfgoed. Voor deze waardevolle gebouwen zijn nieuwe functies gezocht. Zo is een voormalige machinehal omgebouwd tot concertzaal, een afvalberg voor steenkool is nu een helling in een skihal, een voormalige lift van een steenkoolmijn is nu een interactieve ontdekkingsruimte, een gashouder is omgebouwd tot een duikbassin en een andere gashouder tot tentoonstellingshal.

De online omgeving: eDition Alle inhoud van het leerboek en werkboek staat ook online. Daar kun je dus alle opdrachten maken en alle teksten lezen. Maar in de onlineomgeving staat meer: - de start van een thema met een video en animaties - vervangende en aanvullende onlineopdrachten uit de paragrafen - een zelftoets per hoofdstuk, met een advies om nog meer te oefenen

De laatste opdracht in iedere paragraaf is een herhalingsopdracht. Daarin controleer je of je genoeg weet en of je antwoord kunt geven op de deelvraag van de paragraaf. In iedere paragraaf leer je een nieuwe manier om dit te doen.

238020_BNWRK.indb 5

10/04/19 15:34


6

Start

238020_BNWRK.indb 6

10/04/19 15:34


Start

Weer en klimaat

7

Weer en klimaat 1 2

Hoe werken het weer en het klimaat? Wat zijn verschillen en overeenkomsten tussen het weer, het klimaat en de gevolgen van klimaatverandering in Nederland en Spanje?

3

Hoe zit het met het weer, het klimaat en de klimaatverandering in de Verenigde Staten?

C

Hoe gaan de Verenigde Staten om met tornado’s en tropische orkanen?

238020_BNWRK.indb 7

10/04/19 15:34


8

Weer en klimaat

1

Het weer en het klimaat

1 Het weer en het klimaat 1.1

Weer of klimaat? Weer

Hoosbuien, hittegolven, zwaar onweer of strenge vorst ... Over het weer wordt veel gepraat, omdat het in Nederland vaak per dag en per plek wisselt. Het klimaat doet dat niet. Hoe zit dat precies?

17 januari

18 januari

4 6

5 8

4°C

6°C

2°C

5°C

4°C 7

3°C 8

6°C

4°C

4

7°C

6

6°C 3°C

5°C neerslag in mm 0 - 0,5

1-2

4-8

2-4

meer dan 8

0,5 - 1 zonnig

bewolkt

buien

hagel

licht bewolkt

regen

sneeuw

onweer

mist

zon

temperatuur °C FIGUUR 1 Deinweersverwachting. 10

8:38 uur 17:01 uur

5

u In jouw woonplaats kan het de ene dag 22 °C zijn

met een strakblauwe lucht, en de volgende dag is het bewolkt, 15 °C en valt er ’s middags regen. Maar 100 km verderop blijft het droog. Het weer in Nederland kan van dag tot dag en van plaats tot plaats verschillen; daarom noem je het ook wel wisselvallig. Het weer speelt zich af in de atmosfeer (dampkring). Het is de toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied.  In Nederland maken weerkundigen (meteorologen) van bijvoorbeeld Meteoconsult of van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) weersverwachtingen. In een weerbericht of op een weerkaart kun je herkennen welke weerelementen belangrijk zijn: temperatuur, wind, bewolking, neerslag en luchtdruk. Weerkundigen meten deze weerelementen met satellieten, weerballonnen en meetapparatuur in weerstations op het aardoppervlak. Met computermodellen maken ze daar een weersverwachting van.  Zonlicht bestaat uit zichtbaar licht, maar ook uit andere soorten straling, zoals ultraviolette straling. Deze uv-straling is in grote hoeveelheden schadelijk, want je kunt ervan verbranden als je je huid niet bedekt of met zonnebrandcrème beschermt. Je kunt er zelfs huidkanker door krijgen. Daarom wordt in een weerbericht vaak ook

maan 8:44 uur 17:35 uur

0 −5 vr

19 jan

za

20 jan

238020_BNWRK.indb 8

zo

21 jan

ma

22 jan

di

23 jan

wo

24 jan

do

25 jan

vr

26 jan

10/04/19 15:34


1.1

zomer wind

winter wind

15 °C

5 °C

15 °C

2 °C

20 °C

2 °C

9

Weer of klimaat?

eens aan de Sahara, waar het warm en droog is. Of aan Groenland, waar het koud is. Bij de indeling van klimaten op aarde zijn de gemiddelde temperatuur in de koudste en de warmste maand en de totale gemiddelde neerslag over een jaar belangrijk. Die bepalen welke planten en dieren in een gebied kunnen leven.

Klimaatfactoren FIGUUR 2

In kustgebieden zorgt een wind van zee in de zomer voor koelte en in de winter voor warmte.

de zonkracht of uv-index genoemd. De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt, en heeft een waarde tussen 1 (zeer weinig uv-straling) en 8 (maximale hoeveelheid uv-straling). Als het erg bewolkt is (hoge bewolkingsgraad), is de zonkracht kleiner dan bij een wolkeloze hemel.

Klimaat u Het weer kan dus van dag tot dag en van plaats tot

plaats verschillen. Dat is anders bij het klimaat. Dat komt doordat het klimaat het gemiddelde weer is over een langere periode (dertig jaar) in een bepaald gebied. Omdat het om een gemiddelde gaat over een langere periode, zie je in het klimaat de weeruitschieters zoals hittegolven of perioden met veel neerslag niet terug.  De klimaten op aarde zijn ingedeeld op basis van de weerelementen. Je kijkt dan naar de gemiddelde temperatuur en neerslag in een langere periode in een bepaald gebied. In een klimaatgrafiek (figuur 4) zie je deze gemiddelde temperatuur en neerslag per maand. Niet elk gebied op aarde heeft hetzelfde klimaat. Denk maar

u De verschillen in gemiddelde temperatuur en neer-

slag tussen gebieden kunnen heel groot zijn. Dit komt door de volgende vijf klimaatfactoren.  Breedteligging: dit is de afstand tot de evenaar. Hoe verder van de evenaar, hoe lager de gemiddelde temperatuur.  Hoogteligging boven zeeniveau: hoe hoger je komt, hoe lager de gemiddelde temperatuur. Onder deze klimaatfactor valt ook het reliëf in een gebied, zoals de ligging van een gebergte.  Het soort oppervlak dat de zon verwarmt: de gesteldheid van het aardoppervlak. Er is meer zonne-energie nodig om 1 m3 water (een vloeistof) op te warmen dan 1 m3 land (een vaste stof). Water koelt ook langzamer af dan land. Dit komt doordat zonnestralen dieper in het water doordringen en doordat opgewarmd water zich kan mengen met kouder water uit de diepte.  Hiermee samen hangt de afstand tot zee of een ander groot wateroppervlak. Een gebied bij zee ontvangt met een wind vanaf zee vaak vochtige lucht waar veel neerslag uit valt. Ook kan een zee daar zorgen voor een koele wind in de zomer en een warme wind in de winter.  De aanvoer van warmte, koude of vochtigheid van elders, door wereldwijde wind- en oceaanstromingen.

150

De Bilt

mm

10

50

0

j

f m a m j

FIGUUR 4

238020_BNWRK.indb 9

Wateroverlast door hoosbuien.

20

100

0

FIGUUR 3

ºC

j

a

s o n d

–10

Klimaatgrafiek van De Bilt. Alle klimaatgrafieken van plekken in Nederland lijken op elkaar: heel Nederland heeft dan ook hetzelfde klimaat en wel een gematigd zeeklimaat.

10/04/19 15:35


10

Weer en klimaat

1

Het weer en het klimaat

1.2 De zon als motor: temperatuur

In Suriname is het het hele jaar gemiddeld warmer dan 18 °C, maar in het noorden van Groenland komt de temperatuur gemiddeld nauwelijks boven de 0 °C. Hoe ontstaan deze grote verschillen in de gemiddelde temperatuur?

lange weg door atmosfeer, groot oppervlak B

hellingsh oe 23½° k N

ZONNESTRALEN

zoninvalshoek 20° 66½° N.B. noordpoolcirkel

korte weg door atmosfeer, klein oppervlak A

ZONNESTRALEN

23½° N.B. Kreeftskeerkring

zoninvalshoek 90°

Temperatuur

evenaar

u Als meteorologen spreken over de temperatuur op

een weerkaart, bedoelen ze de temperatuur van de lucht die met een thermometer gemeten wordt op 1,5 m hoogte boven een open grasvlakte in een wit kastje met openingen aan de zijkant. Op een thermometer in Europa staat de schaal van Celsius. Bij 0 °C bevriest water en bij 100 °C kookt het. Op kaarten wordt de temperatuur vaak weergegeven met isothermen: lijnen die plaatsen met een gelijke temperatuur met elkaar verbinden.

FIGUUR 5

Weerstation met onder andere een minimummaximumthermometer.

Zoninvalshoek en breedteligging u Op wereldschaal is de zon de warmteleverancier van

Z

FIGUUR 6

66½° Z.B. zuidpoolcirkel

23½° Z.B. Steenbokskeerkring

De zoninvalshoek per breedtegraad verschilt door de kromming van het aardoppervlak.

vliegen) wel −52 °C. De warmtestraling van het aardoppervlak bereikt deze hoogte niet. De algemene regel is dat de temperatuur vanaf het aardoppervlak elke 1.000 m afneemt met 6 °C, tot ongeveer 10 km hoogte.  De aarde is een bol. Dit betekent dat een bundel zonnestralen op hoge breedte een groter oppervlak verwarmt dan op lage breedte. Je zegt ook wel dat de zoninvalshoek op hoge breedte kleiner is dan op lage breedte. 1 m2 aardoppervlak op de evenaar wordt door dezelfde bundel zonnestralen dus meer opgewarmd dan 1 m2 aardoppervlak op hogere breedte. Dit betekent dat de lucht boven het aardoppervlak op de evenaar ook meer warmte ontvangt dan de lucht op hogere breedte, waardoor de gemiddelde temperatuur op de evenaar hoger is.  Lucht bestaat uit kleine deeltjes, gasmoleculen van bijvoorbeeld zuurstof, stikstof en waterdamp, maar ook uit waterdruppels (wolken) en stofdeeltjes (vulkanische as, roet). Een bundel zonnestralen op lagere breedte legt een minder lange weg door de atmosfeer af dan een bundel zonnestralen op hogere breedte, en botst daarbij tegen minder deeltjes. Op lage breedte ontvangt het aardoppervlak daarom een beetje meer zonne-energie dan op hoge breedte.

de aarde. Zonnestralen vallen op het aardoppervlak (water of land), dat daardoor opwarmt en warmte afgeeft aan de lucht erboven. De zon warmt de lucht dus niet direct op, maar via het aardoppervlak. Daarom is het op 10 km hoogte (een hoogte waarop intercontinentale vliegtuigen

238020_BNWRK.indb 10

10/04/19 15:35


1.2

hellingshoek 23½° 21 - 22 maart Zon loodrecht op evenaar. Lente op het noordelijk halfrond.

omwenteling aarde in 24 uur

omloop aarde in 365 dagen, 5 uur, 49 minuten en 26 seconden

Noordpool

21 - 22 juni Zon loodrecht op Kreeftskeerkring. Zomer op het noordelijk halfrond.

Zuidpool

FIGUUR 7

21 - 22 december Zon loodrecht op Steenbokskeerkring. Winter op het noordelijk halfrond.

22 - 23 september Zon loodrecht op evenaar. Herfst op het noordelijk halfrond.

De stand van de aarde ten opzichte van de zon gedurende het jaar, en de seizoenen.

Seizoenen u Is het je weleens opgevallen dat de aardbol van een

globe altijd schuin staat? Dat komt doordat de aardas in het echt schuin staat ten opzichte van de baan van de aarde om de zon. Dit betekent dat de ene helft van het jaar het noordelijk halfrond naar de zon is toegekeerd, en de andere helft van het jaar het zuidelijk halfrond. Hierdoor verandert tijdens een jaar de zoninvalshoek op elke breedtegraad, en dus ook de hoeveelheid warmte die de lucht boven het aardoppervlak ontvangt. Zo ontstaan

FIGUUR 8

238020_BNWRK.indb 11

De zon als motor: temperatuur

11

de seizoenen. Als het noordelijk halfrond zich naar de zon keert, gaat daar de winter over in de lente en daarna de zomer. Tegelijkertijd gaat op het zuidelijk halfrond de zomer over in de herfst en daarna de winter.  Het gebied tussen de 23½° N.B. en 23½° Z.B., het gebied tussen de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring, ontvangt gedurende het hele jaar de meeste warmte. Hier is de zoninvalshoek het hele jaar groter dan op de rest van de aardbol. Dit gebied heet de tropen. De seizoenen zijn hier nauwelijks merkbaar.

Andere invloeden op de gemiddelde temperatuur u Op continentale en regionale schaal spelen de hoogte-

ligging en de ligging aan zee ook een grote rol in de gemiddelde temperatuur in een gebied.  Luchtdeeltjes houden warmte vast. Waar meer luchtdeeltjes zijn, kan de atmosfeer meer warmte vasthouden en ontsnapt er minder warmte naar het heelal. Door de zwaartekracht zitten er op zeeniveau gemiddeld meer deeltjes in 1 m3 lucht dan op 3 km hoogte en op 8 km hoogte zijn het er nog minder. Beklimmers van de Mount Everest moeten dan ook zuurstofflessen meenemen, want op 8 km hoogte zit er veel minder zuurstof in de lucht, en raak je snel buiten adem. Het aardoppervlak in een gebergte wordt net als het aardoppervlak op zeeniveau opgewarmd door zonnestralen, dus ook de atmosfeer erboven. Maar omdat daar minder luchtdeeltjes boven het aardoppervlak zitten, houdt de atmosfeer boven gebergten minder warmte vast en ontsnapt meer warmte naar het heelal. Hoe hoger je in een gebergte komt, hoe lager de gemiddelde temperatuur van de lucht is.  In de zomer kan de zee in kustgebieden zorgen voor verkoeling, omdat de lucht boven water kouder is dan de lucht boven land. En in de winter zorgt de zee voor verwarming, omdat de lucht boven zee dan warmer is dan die boven land (figuur 2). Dat heeft te maken met het verschil in opwarmen en afkoelen van water en land. Je zegt ook wel dat de zee in een gebied met seizoenen, zoals Nederland, een matigende invloed heeft op de gemiddelde temperatuur.  Warme en koude zeestromen hebben ook invloed op de gemiddelde temperatuur in kustgebieden.

De tropische weelde van Suriname.

10/04/19 15:35


12

1

Weer en klimaat

Het weer en het klimaat

1.3 De zon als motor: luchtdruk en wind

In een weerbericht hoor je vaak over een lagedrukgebied vlak bij of boven Nederland. Dan valt er meestal neerslag en kan het hard waaien. Wat hebben luchtdruk en wind met elkaar te maken?

H 30° N.B.

FIGUUR 10

Luchtdruk en wind u Lucht heeft gewicht. Per liter weegt lucht niet veel,

ongeveer 1,3 gram. Maar als je de hele atmosfeer meeteelt, heeft lucht toch een behoorlijk gewicht. Dit gewicht zorgt voor een kracht op het aardoppervlak, de luchtdruk. De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op het aardoppervlak uitoefent. Je kunt luchtdruk meten met een barometer. Op weerkaarten en in weerberichten wordt de luchtdruk aangegeven in hectopascal (hPa). Aan het aardoppervlak ligt de luchtdruk meestal tussen de 940 en 1060 hPa. Op elke plek verandert de luchtdruk van dag tot dag. De luchtdruk aan het aardoppervlak in een gebied kun je in een kaart weergeven met isobaren. Een isobaar is een lijn die plaatsen met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.  Verschillen in luchtdruk ontstaan door verschillen in temperatuur van de lucht boven het aardoppervlak. Als lucht op een plek wordt opgewarmd, stijgt de lucht daar op en neemt de luchtdruk aan het aardoppervlak af. Hier ontstaat dan een lagedrukgebied of minimum. Vanuit 0 99 1010

0 98

00 10

10 10

102

de omgeving waar de luchtdruk hoger is, stroomt er lucht over het aardoppervlak naar het lagedrukgebied toe. Dit is wind. Boven in de atmosfeer stroomt de lucht precies de andere kant op. Zo ontstaat een luchtcirculatiesysteem waarbij op de ene plaats lucht opstijgt en op de andere plaats lucht daalt. In het gebied met dalende lucht neemt de luchtdruk toe: er ontstaat een hogedrukgebied of maximum. Zo’n luchtcirculatiesysteem bestaat bijvoorbeeld in de tropen, rond de evenaar, waar de lucht het hele jaar door sterk verwarmd wordt.  Een andere situatie waarin verschillen in luchttemperatuur zorgen voor verschillen in luchtdruk, is als koude en warme lucht botsen. Koude en warme lucht mengen niet makkelijk met elkaar, omdat ze een verschillende dichtheid hebben. Je kunt dit vergelijken met water en olie in een glas: de olie is lichter en drijft op het water. Warme lucht is lichter dan koude lucht en beweegt over de koudere lucht omhoog. Ook dan ontstaat er aan het aardoppervlak een lagedrukgebied. Bij het botsen van warme en koude lucht noem je dit lagedrukgebied ook wel een depressie. Over het aardoppervlak stroomt dan lucht uit de omgeving waar de luchtdruk hoger is hiernaartoe: dit voelen wij als wind. Depressies komen vaak voor in Nederland en andere gebieden die rond dezelfde breedtegraad liggen.

980 990

koude lucht

101 5

100 0

5

warme lucht

101

Rome

1015

10

30

Het luchtcirculatiesysteem rond de evenaar.

Berlijn

10

0

10

102

1030

L

20

30° Z.B.

100 0

L

10

H

0°

H

Oslo

H

10 10

1030

10 20

10 10

10 20

0

0

99

1000

L evenaar

H 0

FIGUUR 9

238020_BNWRK.indb 12

L

Cairo 500

1.000 km

Luchtdruk aan het aardoppervlak in Europa op een bepaalde dag.

bewegingsrichting front

FIGUUR 11

Het ontstaan van lage luchtdruk aan het aardoppervlak bij het botsen van warme en koude lucht in Nederland.

10/04/19 15:35


1.3

Westerstorm. Fietsers moeten vanwege de harde wind afstappen op de Erasmusbrug in Rotterdam. Tijdens deze storm werd aan de kust een windkracht van 11 Bft gemeten.

O

W

N

N

N

W

WN

O

ON

W

O

W

OZ

W

WZ

O

ZO

FIGUUR 13

Z

ZZO

238020_BNWRK.indb 13

NN

lucht van het gebied met hoge luchtdruk stroomt naar het gebied met lage luchtdruk. Als de isobaren op een kaart dicht bij elkaar liggen, is er op die plek een groot verschil in luchtdruk en zal het hard waaien.  De Ier Beaufort heeft in de negentiende eeuw de schaal van Beaufort bedacht, een maat voor de windkracht. Bij een windkracht van 0 beaufort (Bft) is het windstil, een windkracht van 12 Bft betekent orkaankracht.  Je kunt de windsnelheid meten met een windmeter (of anemometer). Je meet de windsnelheid in meter per seconde (m/s) of kilometer per uur (km/u). Windsnelheid en windkracht hangen met elkaar samen. Hoe groter de windsnelheid, hoe krachtiger de wind. Bij een snelheid van 0 tot 1 km/u is de windkracht 0 Bft en bij meer dan 117 km/u is de windkracht 12 Bft. Boven grote, gladde en platte oppervlakten zoals een zee kan de wind grotere snelheden ontwikkelen dan boven land. Op het land staan dingen in de weg, zoals bomen, gebouwen of reliëf, waardoor de wind wordt afgeremd. Dit noem je wrijving.

NN O

u Een verschil in luchtdruk zorgt voor wind, waarbij de

 Wind heeft ook altijd een richting. De windrichting wordt genoemd naar de kompasrichting van waaruit de wind waait. Komt de wind uit het noorden, dan noem je hem noordenwind. Een windroos kan je helpen bij het benoemen van de windrichting (figuur 13).  Een andere benaming voor een wind heeft te maken met het oppervlak waarover deze waait. Als een wind over zee naar land waait, noem je het een zeewind of aanlandige wind. Waait de wind over land naar zee, dan noem je het een landwind of aflandige wind.

ZZW

Windkracht, windsnelheid en windrichting

ZW

FIGUUR 12

13

De zon als motor: luchtdruk en wind

Windroos.

10/04/19 15:35


14

Weer en klimaat

1

Het weer en het klimaat

1.4 De zon als motor: neerslag

Als het weerbericht de komst van een lagedrukgebied aankondigt, betekent dat vaak wisselvallig weer met neerslag. Wat hebben luchtdruk en neerslag met elkaar te maken?

Luchtvochtigheid en het ontstaan van wolken u Overal in de lucht om ons heen zit een beetje water

verstopt in de vorm van waterdamp. Waterdamp kun je niet zien, het is een gas. Luchtvochtigheid is de hoeveelheid waterdamp die lucht bevat. Lucht met veel waterdamp erin noem je ook wel vochtige lucht (of natte lucht) en lucht met weinig waterdamp droge lucht.  Er zit een maximum aan de hoeveelheid vocht die in de lucht kan zitten. Dit is afhankelijk van de temperatuur. Warme lucht kan meer waterdamp bevatten dan koude lucht. Als lucht met een bepaalde hoeveelheid waterdamp erin afkoelt, raakt deze lucht verzadigd. Op dat moment gaat waterdamp condenseren tot water. In de lucht ontstaan dan kleine waterdruppels die wij zien als wolken. Deze waterdruppels kunnen heel klein zijn, waardoor ze blijven zweven. Dan valt er geen neerslag.

FIGUUR 14

238020_BNWRK.indb 14

Maar ze kunnen ook zo groot worden dat ze door de zwaartekracht naar beneden vallen. Dan regent, sneeuwt of hagelt het.  In de atmosfeer koelt lucht af als deze omhoog beweegt. Overal waar (warme) lucht opstijgt en dus afkoelt, kan de lucht verzadigd raken en kunnen wolken ontstaan. Het hangt van de hoeveelheid waterdamp in de lucht af of de waterdruppels groot genoeg worden om naar beneden te vallen als neerslag. In de atmosfeer kan (koude) lucht ook dalen. Dalende lucht warmt op en kan daardoor meer waterdamp bevatten. In gebieden met dalende lucht verdwijnen daardoor de wolken: de waterdruppels verdampen.

Soorten neerslag u Neerslag ontstaat dus in gebieden waar (warme) lucht

opstijgt. Dat gebeurt in verschillende situaties.  Overal waar het aardoppervlak flink opwarmt door de zonnestralen, wordt de lucht boven het aardoppervlak ook opgewarmd. Deze warme lucht is lichter dan de lucht in de omgeving en stijgt daardoor op. Je hebt al eerder gezien dat aan het aardoppervlak dan een lagedrukgebied ontstaat. Tijdens het opstijgen koelt deze lucht af en als er genoeg vocht in zit, ontstaan er wolken en kan er neerslag gaan vallen. Dit noem je stijgingsneerslag.

Wolkenlucht boven Nederland. Gaat het regenen, denk je?

10/04/19 15:35


1.4

15

De zon als motor: neerslag

loefzijde

lijzijde lucht daalt en warmt op

stuwingsneerslag

waterdruppels in wolken verdampen

vochtige lucht stijgt op en koelt af

wolk ontstaat door condensatie

droog, regenschaduw

warme lucht stijgt op

L zonnestralen warmen aardoppervlak op

FIGUUR 15

FIGUUR 17

Het ontstaan van stijgingsneerslag.

Het ontstaan van stuwingsneerslag.

Dit gebeurt bijvoorbeeld op grote schaal in de tropen rondom de evenaar. Maar ook op kleinere schaal op een mooie zomerse dag boven een grote zandvlakte als de Drunense Duinen in Nederland.  Je hebt al gezien dat warme lucht over koude lucht omhoog beweegt als warme en koude lucht botsen. Deze warme, opstijgende lucht koelt af en hierdoor kunnen wolken ontstaan, waaruit neerslag kan vallen. Het grensvlak tussen de warme en koude lucht (dat ontstaat doordat de twee luchtsoorten niet makkelijk met elkaar mengen) noem je een front. De neerslag die hierdoor valt, noem je frontale neerslag.  Bij een gebergte komt de wind vaak van één kant, en wordt de lucht omhooggestuwd. Dit noem je de loefzijde van het gebergte. Hier koelt de lucht af, kunnen zich wolken vormen en kan neerslag vallen. Deze neerslag noem je stuwingsneerslag. Aan de andere kant van het gebergte daalt de lucht vaak weer en warmt op. Dit noem je de lijzijde van het gebergte. De wolken die er nog zijn, verdampen en aan deze kant valt dan ook bijna geen neerslag. Je zegt ook wel dat dit gebied in de regenschaduw ligt.

Waterkringloop u Water komt op aarde in drie fasen (toestanden) voor:

vast (ijs, sneeuw), vloeibaar (water) en gas (waterdamp). Deze drie fasen wisselen elkaar voortdurend af in een kringloop: de waterkringloop. Als water ijs wordt, spreek je van bevriezen en andersom van smelten. Als water waterdamp wordt, spreek je van verdampen en andersom van condenseren.  Door zonnestralen verdampt er water vanaf het aardoppervlak, bijvoorbeeld uit oceanen, zeeën en meren. Zo komt er waterdamp in de lucht terecht. Op plaatsen waar de lucht afkoelt, kunnen wolken ontstaan en kan neerslag vallen. Meer dan de helft van alle neerslag valt boven oceanen en zeeën.  De neerslag die op het land valt, kan landijs worden in de poolgebieden, of gletsjerijs in hooggebergten. Het kan zich ook als stromend water verzamelen in beekjes, meren en rivieren die uiteindelijk weer in zee uitmonden. Dit noem je afstromen. En neerslag kan in de bodem en ondergrond wegzakken en grondwater worden. Dit noem je infiltreren. Via de diepere ondergrond stroomt dit grondwater naar rivieren en meren, en naar zee. FIGUUR 18

koude lucht

De waterkringloop.

neerslag

warme lucht

bevriezen

condensatie

L bewegingsrichting front

FIGUUR 16

verdamping

smelten

Het ontstaan van frontale neerslag.

ie

at

ltr

infi

verdamping verdamping afvoer door rivieren oceaan

afstroming

er

at

w nd

o gr

238020_BNWRK.indb 15

10/04/19 15:35


16

Weer en klimaat

1

Het weer en het klimaat

1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie

Het weer verandert van dag tot dag en van plaats tot plaats. Toch kun je op wereldschaal patronen ontdekken in de verdeling van de gemiddelde temperatuur, de luchtdruk, de wind en de neerslag.

Wereldwijde luchtdrukgordels u De lucht om ons heen is steeds in beweging, op kleine

schaal rondom je eigen huis, maar ook op wereldschaal. Luchtstromen en winden op wereldschaal worden aangestuurd door lage- en hogedrukgebieden aan het aardoppervlak die ontstaan door meer of minder zonneinstraling.  Het gebied rondom de evenaar tussen de twee keerkringen ontvangt gemiddeld veel zonne-energie, elke dag opnieuw. Hier warmt de lucht boven het aardoppervlak dan ook sterk op, waardoor grote hoeveelheden warme en vochtige lucht opstijgen tot hoog in de atmosfeer. Aan het aardoppervlak ontstaat in dit hele gebied daardoor een gordel van lage luchtdruk (minimum): een lageluchtdrukgordel. De grote hoeveelH

Noordpool

L

60° N.B.

L

westenwinden

30° N.B.

H

H

heden opstijgende vochtige en warme lucht koelen hoger in de atmosfeer af en bijna elke dag ontstaan grote regen- en onweersbuien. In dit tropische gebied valt dan ook gemiddeld veel neerslag (stijgingsneerslag).  Het gebied rondom de polen ontvangt gemiddeld minder zonne-energie dan alle andere gebieden op aarde. Hier is de gemiddelde temperatuur dan ook laag, het is er altijd koud. De lucht boven de poolgebieden is ook koud. Koude lucht is zwaar en zal in de atmosfeer naar beneden bewegen. Op de polen heerst er daarom altijd een hoge luchtdruk aan het aardoppervlak (maximum). Omdat het hele gebied zo koud is, warmt de dalende lucht daar niet op. Als de lucht vochtig is, kan er neerslag vallen, vaak als sneeuw.  Maar wat gebeurt er tussen de gordel van lage luchtdruk op de evenaar en het gebied met hoge luchtdruk op de polen? De opstijgende lucht in het gebied rond de evenaar verzamelt zich hoog in de atmosfeer en stroomt dan naar het noorden en zuiden als een hoge wind weg. Hoog in de atmosfeer koelt de lucht nog verder af en wordt zo koud dat hij gaat dalen. Dit gebeurt gemiddeld rondom de 30° N.B. en Z.B. Deze dalende lucht zorgt hier voor een gordel van hoge luchtdruk (hogeluchtdrukgordel). De dalende lucht warmt hier op, doordat het aardoppervlak op deze breedte veel zonne-energie ontvangt. De wolken die er nog zijn, verdampen. Rond de 30° N.B. en Z.B. valt gemiddeld dan ook weinig neerslag. Vanaf deze gordel met hoge luchtdruk stroomt warme lucht over het aardoppervlak naar de evenaar terug, waar de lucht opnieuw omhoog kan bewegen. Ook stroomt er warme lucht naar hogere breedten.  Rond 50 tot 60° N.B. en Z.B. (waar ook Nederland ligt) ontmoeten de koude lucht vanaf de polen en de warme lucht vanaf het zuiden (of op het zuidelijk halfrond: vanaf het noorden) elkaar. Hier beweegt de warme lucht over

passaatwinden evenaar

L

L

H

hogedrukgebied

L

lagedrukgebied windrichting

passaatwinden

H

fro

H

nt

30° Z.B.

westenwinden

L H L

60° Z.B.

L

hogedrukgebied lagedrukgebied windrichting

Zuidpool

H

H Noordpool

FIGUUR 19

238020_BNWRK.indb 16

Wereldwijde luchtcirculatie met luchtdrukgordels en windsystemen.

FIGUUR 20

L

H

60° N.B.

30° N.B.

L evenaar

Samenhang tussen de wereldwijde luchtcirculatie en het gemiddelde neerslagpatroon.

10/04/19 15:35


1.5

FIGUUR 21

Een stortbui aan het einde van de dag in de tropen.

de koude lucht omhoog en ontstaan depressies (lagedrukgebieden) met veel wolken waaruit frontale neerslag valt. Op deze breedte ligt dan ook een gordel met lage luchtdruk (minimum). Boven in de atmosfeer waaien op grote hoogte winden terug naar het noorden en het zuiden.

Wereldwijde windsystemen: mondiale luchtcirculatie u De lucht beweegt continu in een mondiale lucht-

circulatie met opstijgende en dalende lucht in brede luchtdrukgordels en met winden die hoog in de atmosfeer en aan het aardoppervlak waaien. FIGUUR 22

238020_BNWRK.indb 17

De zon: motor van de luchtcirculatie

17

 Je hebt geleerd dat wind waait van hoge druk naar lage druk. Dat zie je in figuur 19. Maar je ziet ook dat de winden niet in een rechte lijn waaien, maar met een bocht naar links (op het zuidelijk halfrond) of naar rechts (op het noordelijk halfrond). Dit komt doordat de aarde samen met de atmosfeer om haar as draait. Een punt op de evenaar, en de lucht daarboven, heeft daarbij een grotere snelheid dan een punt in het noordpoolgebied en de lucht daarboven. Winden die van 30° N.B. of Z.B. naar de evenaar waaien, waaien dus naar een gebied waar de lucht een grotere rotatiesnelheid heeft en raken daarbij achter. Hierdoor krijgen ze een afwijking naar rechts op het noordelijk halfrond en naar links op het zuidelijk halfrond. Voor de winden die van 30° N.B. of Z.B. naar hogere breedte waaien, geldt dat ze naar een gebied waaien waar de lucht een kleinere rotatiesnelheid heeft, en raken daarop voor. Hierdoor krijgen ze op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.  De Nederlandse meteoroloog Buys Ballot heeft de afwijking van de wind op beide halfronden ontdekt en een wet hiervoor bedacht: de wet van Buys Ballot. Deze luidt: als je met je rug naar het hogedrukgebied staat, dan heeft de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.  In figuur 19 zie je dat er aan het aardoppervlak wereldwijde winden zijn die altijd uit dezelfde richting waaien. Dit zijn de passaatwinden, de noord- en zuidoostenwinden die waaien tussen 30° N.B. en Z.B. en de evenaar. En de westenwinden die waaien tussen de 30° N.B. en Z.B. en de gordel met lage luchtdruk rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. Dan zijn er nog de oostelijke winden die in de poolgebieden waaien.

De lucht boven Antarctica is koud en daalt. Hier heerst aan het aardoppervlak dan ook altijd een hoge luchtdruk (maximum).

10/04/19 15:35


18

Weer en klimaat

1.6 Bronnen

1

Het weer en het klimaat

Titel Klimaten ... in de wereld

Met alle kennis die je nu hebt, kun je het voorkomen van de klimaten op aarde verklaren. Bij de indeling van de klimaten spelen de gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand en de gemiddelde neerslag per jaar een rol.

BRON 1 A 800

neerslag in mm

B temperatuur in °C

40

300

700

35

600

30

500 400 300

15

200

10

100

5

50

0

0

0

j f mam j j a s o n d maand

neerslag in mm

temperatuur in °C

40

250

30

25

200

20

20

150

10

100

0 –10 j f m a m j j a s o n d maand

–20

BRON 2 A neerslag in mm

B temperatuur in °C

40

100

80

20

80

60

0

60

40

–20

40

20

–40

20

0

–60

0

100

neerslag in mm

temperatuur in °C 40

j f m a m j j a s o n d maand

20 0 –20 –40 j f m a m j j a s o n d maand

BRON 3 A 100

neerslag in mm

B temperatuur in °C

200

neerslag in mm

temperatuur in °C

30

40 80 20 60 0 40 –20 20 –40 0

238020_BNWRK.indb 18

j f m a m j j a s o n d maand

160

20

120

10

80

0

40

–10

0

j f m a m j j a s o n d maand

–20

10/04/19 15:35


Anders actief

1.6

19

Bronnen: Klimaten in de wereld

BRON 4 A 200

neerslag in mm

B temperatuur in °C

40

150

30

100

20

50

10

0

j f m a m j j a s o n d maand

0

50

neerslag in mm

temperatuur in °C

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

j f m a m j j a s o n d maand

0

BRON 5 A

Subklimaat

tropisch regenklimaat

droog klimaat

120

20

100

40

90

10

75

30

60

0

50

20

30

–10

25

10

–20

0

j f mam j j a s o n d maand

j f m a m j j a s o n d maand

Kenmerken gemiddelde temperatuur

Kenmerken gemiddelde hoeveelheid neerslag

tropisch regenwoudklimaat

altijd boven 18 °C

voldoende neerslag in alle maanden

savanneklimaat

50

0

altijd boven 18 °C

met droge periode

steppeklimaat

ongeveer 150 tot 300 mm per jaar

woestijnklimaat

minder dan ongeveer 100 tot 150 mm per jaar

gematigd zeeklimaat

in de koudste maand warmer dan –3 °C en kouder dan 18 °C

voldoende neerslag in alle maanden

Middellandse Zeeklimaat / mediterraan klimaat

in de koudste maand warmer dan –3 °C en kouder dan 18 °C

droog seizoen in de zomer

gematigd landklimaat

- in de warmste maand warmer dan 10 °C - in de koudste maand kouder dan –3 °C

voldoende neerslag in alle maanden

landklimaat met een droge winter

- in de warmste maand warmer dan 10 °C - in de koudste maand kouder dan –3 °C

droog seizoen in de winter

toendraklimaat

warmste maand warmer dan 0 °C en kouder dan 10 °C

sneeuw- en ijsklimaat / hooggebergteklimaat

het hele jaar kouder dan 0 °C

landklimaat

238020_BNWRK.indb 19

temperatuur in °C

Kenmerken van de klimaten.

Hoofdklimaat

poolklimaat

neerslag in mm

125

0

zeeklimaat

B temperatuur in °C

30

150

BRON 6

neerslag in mm

10/04/19 15:35


CE

Vmbo-kgt Leerboek De Geo Leerboek 4 Vmbo-kgt

SE Arm en rijk Bronnen van energie Grenzen en identiteit

Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo

CE

CE Weer en klimaat Bevolking en ruimte Water

www.thiememeulenhoff.nl/degeo 9 789006 238020

238020_OMSL.indd 1

10/04/19 15:59


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Geo leerboek vmbo-kgt CE 4 by ThiemeMeulenhoff - Issuu