9 789006 619218
D E GEO BASISBOEK
Ontdek waar het om draait
www.thiememeulenhoff.nl/degeo
185294_OMSL.indd 1
9 789006 185294
22/11/18 14:32
185294_BNWRK.indb 1
22/11/18 14:07
Auteurs C.M. de Boer MSc, drs. Chr. de Jong, F. Jutte MSc, drs. J.H.A. Padmos, drs. T.G. Peenstra Eindredactie drs. D. Ariaens, drs. J.H.A. Padmos, A.M. Peters
185294_BNWRK.indb 1
22/11/18 14:07
2
Methodeoverzicht
Colofon
Methodeoverzicht
Beste leerling
978 90 06 18540 9 978 90 06 18541 6 978 90 06 18542 3
De Geo LRN•line online + 1 vwo lb en wb + Basisboek De Geo LRN•line online + 2 vwo lb en wb De Geo LRN•line online + 3 vwo lb en wb
Dit Basisboek van De Geo gebruik je samen met de digitale leeromgeving in de les. Dit Basisboek is van jou persoonlijk, dus je mag er aantekeningen in maken. Je hebt het Basisboek drie jaar nodig. Het is dus ook voor klas 2 en 3. Daarna kun je het Basisboek in de bovenbouw gebruiken als naslagwerk.
978 90 06 18531 7 978 90 06 18532 4 978 90 06 18533 1
De Geo LRN•line online + 1 havo/vwo lb en wb + Basisboek De Geo LRN•line online + 2 havo lb en wb De Geo LRN•line online + 3 havo lb en wb
Colofon
978 90 06 18537 9 978 90 06 18538 6
De Geo LRN•line online + 1 vmbo-t/havo lb en wb + Basisboek De Geo LRN•line online + 2 vmbo-t/havo lb en wb
Vormgeving en opmaak HollandseWerken / Marc Freriks, Zwolle Visuals Wim Dasselaar, Ruinerwold Cartografisch tekenwerk en grafieken EMK, Deventer Fotoresearch Daliz / Linsie Spaans, Den Haag Bureauredactie Text & Support / Marjon Koolen, Beusichem Taallandschap / Ellen Kremers, Deventer
978 90 06 18534 8 978 90 06 18535 5
De Geo LRN•line online + 1 vmbo-kgt lb en wb De Geo LRN•line online + 2 vmbo-kgt lb en wb
Over de omslagfoto Lofoten, een eilandengroep in het noorden van Noorwegen.
978 90 06 18543 0 978 90 06 18544 7
De Geo LRN•line online + 1 vmbo-bk lb en wb De Geo LRN•line online + 2 vmbo-bk lb en wb
978 90 06 18549 2 978 90 06 18547 8
De Geo LRN-line online vmbo-t/havo/vwo basisboek De Geo LRN-line online vmbo-bk/vmbo-kgt
De Geo Basisboek is een onderdeel van de aardrijkskundemethode De Geo Geordend. De grondleggers zijn prof. dr. R. Tamsma, H. Dragt en W.A. Hofland (sinds 1968) en J. Bos en dr. J. Hofker (sinds 1970).
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 18529 4 Tiende editie, eerste druk, eerste oplage, 2018 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
185294_BNWRK.indb 2
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
22/11/18 14:07
Inhoud
3
Inhoud Hoe werk je met het Basisboek? 1 Vaardigheden B1 Wat is aardrijkskunde? B2 Aardrijkskunde: gebieden B3 Aardrijkskunde: verschijnselen B4 Beschrijven en verklaren B5 Natuurlijke en menselijke factoren B6 Regio in beeld B7 Absolute en relatieve ligging B8 Gebiedskenmerken B9 Bevolkingskenmerken B10 Interne en externe relaties B11 Vergelijkingen maken B12 Algemeen en bijzonder B13 Wisselen van schaalniveau B14 Dimensies B15 Verbanden leggen B16 Kenmerken van kaarten B17 Overzichtskaarten B18 Generaliseren B19 Thematische kaarten B20 Hoogte en reliëf op kaarten B21 Kaartvaardigheden B22 Geografische breedte B23 Geografische lengte B24 Tijdzones B25 Absolute en relatieve afstand B26 Aardrijkskundige vragen B27 Hoofdvraag en deelvragen B28 Onderzoeksplan B29 Waarderen B30 Een buurtprofiel maken B31 Woningkenmerken B32 Bewonerskenmerken B33 Kenmerken van de woonomgeving B34 Bronnen B35 Enquête B36 Hoe gebruik je de atlas? B37 Diagrammen B38 (Lucht)foto’s en kaarten B39 Remote sensing B40 Kaarten en computers B41 Werken met Google Earth
2 Weer en klimaat B42 B43 B44 B45 B46
Weer en klimaat Planeet aarde Seizoenen Samenstelling van de dampkring Stralingsbalans
185294_BNWRK.indb 3
6
8 8 10 10 10 10 12 12 12 12 13 14 14 14 15 15 16 17 17 18 18 18 20 20 21 21 22 22 22 23 24 24 25 25 26 26 27 27 28 28 28 29
30 30 32 32 33 33
B47 Temperatuurfactoren B48 Breedteligging en temperatuur B49 Luchtstreken B50 Isothermen B51 Hoogtegordels B52 Hoogteligging en temperatuur B53 Temperatuur boven land en zee B54 Aanlandige en aflandige winden B55 Zeestromen B56 Ligging van gebergten B57 Neerslagfactoren B58 Stuwingsregen B59 Stijgingsregen B60 Droogte B61 Wind B62 Hogedruk- en lagedrukgebieden B63 Wet van Buys Ballot B64 Grote windsystemen B65 Moesson B66 Orkaan B67 Werking van een orkaan B68 Tornado B69 Weerbericht B70 Weerkaart B71 Koufront en warmtefront B72 Klimaatdiagram B73 Klimaatsysteem van Köppen B74 Grenzen tussen de Köppenklimaten
3 Systeem aarde B75 Geofactoren B76 Landschapszones B77 Cultuur- en natuurlandschap B78 Woestijn en steppe: te droog B79 Poolstreken: te koud B80 Tropisch regenwoud: onvruchtbaar B81 Tropisch regenwoud B82 Savanne B83 Steppe B84 Woestijn B85 Loofbos B86 Naaldbos (taiga) B87 Toendra B88 Landijs en zee-ijs B89 Grondsoorten B90 Bodems B91 Bodemsoorten B92 Waterkringloop B93 Grondwater B94 Rivieren B95 Verval en verhang B96 Debiet en regiem
34 34 35 35 36 36 38 38 38 39 40 41 41 41 42 42 42 43 44 44 45 45 46 46 46 47 49 49
50 50 52 52 52 53 53 54 54 55 55 56 56 57 57 58 58 59 60 60 60 61 61
22/11/18 14:07
4
Inhoud 4 Actieve aarde B97 Endogene en exogene krachten B98 Continentverschuiving B99 Platentektoniek B100 Platen en breuken B101 Bewegingsrichtingen van platen B102 Vulkanisme B103 Soorten vulkanen B104 Hotspots B105 Vulkanische verschijnselen B106 Aardbeving B107 Schaal van Richter B108 Schade door aardbevingen B109 Tsunami B110 ReliĂŤf B111 Gesteentekringloop B112 Plooiingsgebergten B113 Breukgebergten B114 Oud en jong gebergte B115 Verwering B116 Erosie en sedimentatie B117 Geologie B118 IJstijden B119 Gletsjers B120 Glaciale landschapsvormen B121 Diepte-erosie B122 Breedte-erosie B123 Kustvormen B124 Afbraak en opbouw door wind
5 Duurzaamheid B125 Duurzaamheid B126 Bevolking en draagkracht B127 Ecologische voetafdruk B128 Voedselafdruk B129 Watervoetafdruk B130 Duurzame energie B131 Duurzaam gebruik B132 Duurzaam voedsel B133 Landdegradatie B134 Bodemerosie B135 Verwoestijning B136 Verzilting B137 Ontbossing B138 Overbeweiding B139 Natuur- en milieurampen B140 Soorten milieuvervuiling B141 Koolstofkringloop B142 Versterkt broeikaseffect B143 Klimaatverandering B144 Klimaatverandering en zeestromen B145 Klimaatverandering en zonnestraling
185294_BNWRK.indb 4
62 62 64 64 64 66 68 68 69 69 70 70 70 71 72 72 73 73 74 74 75 78 78 79 79 80 80 81 81
82 82 84 84 85 85 86 86 87 88 88 88 89 89 89 92 92 92 93 94 94 94
B146 Terugkoppeling B147 Gevolgen van klimaatverandering
6 Bevolking, migratie en cultuur B148 Bevolking en inrichting B149 Bevolkingscijfers: absoluut en relatief B150 Natuurlijke bevolkingsgroei B151 Sociale bevolkingsgroei B152 Vergrijzing en ontgroening B153 Demografische druk B154 Leeftijdsopbouw B155 Soorten bevolkingsdiagrammen B156 Levensverwachting B157 Demografische transitie B158 Immigratie en emigratie B159 Push- en pullfactoren B160 Economische migratie B161 Politieke migratie B162 Sociale migratie B163 Bevolking naar migratieachtergrond B164 Staten en grenzen B165 Volk, natie, staat B166 Cultuur B167 Multiculturele samenleving B168 Migrantenwijken B169 Segregatie B170 Integratie en assimilatie
7 Stedelijke en landelijke omgeving B171 Stad en dorp B172 Stedelijk gebied B173 Landelijk gebied B174 Urbanisatie B175 Suburbanisatie B176 Mobiliteit B177 Forensen B178 Mobiliteit en inrichting B179 File en spits B180 Model van een stad B181 Cityvorming B182 Grondprijs en ruimtegebruik B183 Ruimtelijke ordening B184 Leefbaarheid B185 Achterstandswijken B186 Stedelijke vernieuwing B187 Woningverbetering B188 Re-urbanisatie en gentrificatie B189 Smart city B190 Duurzame stad B191 Creatieve stad B192 Kennisstad
95 95
96 96 98 98 98 99 99 100 100 100 101 102 102 102 103 103 103 104 104 105 106 106 107 107
108 108 110 110 111 111 112 112 113 113 114 114 115 115 116 116 116 117 117 120 120 120 121
22/11/18 14:07
Inhoud
8 Mensen en hun activiteiten B193 Bestaansmiddelen B194 Productiemiddelen B195 Grondstoffen B196 Arbeidsintensief en kapitaalintensief B197 Landbouw B198 Specialisatie B199 Schaalvergroting B200 Intensieve landbouw B201 Extensieve veeteelt B202 Landbouw en inrichting B203 Draineren en irrigeren B204 Industrie en ambacht B205 Industrie B206 Diensten B207 Industrie, diensten en inrichting B208 Grondstof of afzetmarkt B209 Arbeidsmarkt B210 Infrastructuur B211 Agglomeratievoordelen B212 Backwash- en spreadeffecten B213 Voorzieningen B214 Verzorgingsgebied B215 Verzorgingsniveau B216 Reikwijdte B217 Draagvlak en drempelwaarde B218 Recreatie en inrichting B219 Toerisme B220 Massatoerisme B221 Toeristenindustrie B222 Ontwikkeling toerisme
9 Ontwikkelingspeil B223 Arme en rijke landen B224 Kenmerken van ontwikkeling B225 Bruto nationaal product (bnp) B226 Basisbehoeften B227 Human development index (hdi) B228 Groeiers en achterblijvers B229 Opkomende landen B230 Global shift B231 Werken in de landbouw B232 Werken in de industrie B233 Werken in de dienstensector B234 Voedsel B235 Huisvesting B236 Onderwijs B237 Gezondheidszorg B238 Bevolking: aantal en groei B239 Percentage stedelingen B240 Krottenwijken B241 Primate city
185294_BNWRK.indb 5
122 122 124 124 125 126 126 127 127 127 128 129 130 130 131 131 132 132 133 133 133 134 134 134 135 135 136 137 137 137 137
B242 Interne en externe factoren B243 Sterke en zwakke staten B244 Ontwikkelingssamenwerking B245 Politieke systemen B246 Economische systemen
10 Globalisering
5
150 150 151 151 151
152
B247 Globalisering B248 Kolonisatie en dekolonisatie B249 Soorten koloniĂŤn B250 Centrum en periferie B251 Neokolonialisme B252 Tijd en ruimte krimpen B253 Economische globalisering B254 Politieke globalisering B255 Culturele globalisering B256 Gevolgen van globalisering B257 Reacties op globalisering B258 Global cities B259 Multinationale ondernemingen B260 Internationale arbeidsverdeling B261 Newly Industrializing Countries B262 Globalisering en wereldverkeer B263 Massagoederen en stukgoederen B264 Mainports B265 Theorie van Ullman B266 Wereldhandel B267 Economische machtsblokken B268 Europese integratie B269 Handelsbalans en betalingsbalans
152 154 154 154 155 156 156 156 156 157 157 158 158 159 159 160 160 161 161 162 162 163 163
138
Register
164
138 140 140 141 141 142 143 143 144 144 145 146 146 147 147 148 148 149 149
Bronvermelding
168
22/11/18 14:07
6
Hoe werk je met het Basisboek? Wat is het Basisboek?
Waar vind je de begrippen?
Het Basisboek gaat over begrippen die in de aardrijkskunde belangrijk zijn. Ze worden precies omschreven. Zo’n precieze omschrijving noem je een definitie. Je herkent ze op twee manieren: - blauw: een nieuw begrip waarvan de definitie omschreven wordt in het Basisboeknummer dat je leest - zwart: een herhaald begrip waarvan de definitie in een ander Basisboeknummer staat
- De begrippen zijn omschreven in 269 Basisboeknummers. Elk Basisboeknummer heeft een titel. Al die titels staan in de inhoud. - Alle Basisboeknummers over een bepaald onderwerp staan bij elkaar in een hoofdstuk. Alle hoofdstukken hebben een eigen kleur. Die zie je boven aan de pagina’s en in de Basis boeknummers. Alle Basisboeknummers (en begrippen) die over het weer en het klimaat gaan, staan bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 Weer en klimaat. De kleur van dit hoofdstuk is oranje. - Als je een Basisboeknummer snel wilt opzoeken, kun je boven aan de rechterbladzijde kijken. Daar staan de Basis boeknummers die op die twee bladzijden behandeld worden. - Achter in het Basisboek vind je het Register. Daarin staan alle begrippen met daarachter het Basisboeknummer waarin de definitie van dat begrip staat.
Om je te helpen bij het leren, werkt De Geo met structuurtekens: hoofdzaak: waarover gaat het stukje? bijzaak of opsomming van verschillende punten voorbeeld of extra uitleg
onderwerp (thema)
54
kopregel: in welk hoofdstuk ben je?
3
tekening
de Basisboeknummers die op deze twee bladzijden worden behandeld
Systeem aarde
Oorspronkelijke vegetatie: van nat naar droog
tropisch regenwoud • neerslag meer dan 2.000 mm • 12 maanden neerslag
FIGUUR
B 81
3.8
55
Oorspronkelijke vegetatie: van nat naar droog
B 81
savanne • neerslag 500 - 2.000 mm • 4 tot 6 maanden droge tijd
steppe • neerslag 250 - 500 mm • droge tijd ongeveer 9 maanden
B 82
B 83
B 84
woestijn • neerslag minder dan 250 mm • bijna altijd droog
De invloed van neerslag op de plantengroei.
Tropisch regenwoud
B 82
B 83
Savanne
Steppe
B 84
Woestijn
u Tropische regenwouden liggen in de tropen en hebben
u Ten noorden en ten zuiden van de evenaar valt een aantal
u Een steppe is een droog gebied (aride zone) waar ongeveer
u In sommige delen van de droge gebieden (aride zone) valt
vier kenmerken. In tropische regenwouden is het altijd warm. De temperatuur is het hele jaar door hoger dan gemiddeld 18 °C. Ook valt er veel neerslag: minimaal 2.000 mm per jaar. In de warme, vochtige omgeving groeien veel soorten planten en bomen kriskras door elkaar. Het is een heterogeen bos (heteros = verschillend, genus = soort). Ook leven er veel soorten dieren. De variatie aan levensvormen is enorm. Met andere woorden: de biodiversiteit is groot. De bomen verschillen enorm in lengte. Er zijn soorten van 10 tot 15 m hoog, maar ook van 20 tot 35 m. Andere bomen steken daar weer bovenuit. Er zijn dus verschillende etages van bomen (figuur 3.9). Doordat er veel boomkruinen boven elkaar zijn, is er veel schaduw en is het in het bos altijd schemerig. De bomen zijn het hele jaar groen. De bladeren vallen wel af, maar niet allemaal tegelijk, zoals bij ons in de herfst. Bovendien groeien nieuwe bladeren direct weer aan.
maanden per jaar geen regen. Er is daar dus een droge tijd. Dat is het gebied van de savanne. Het ligt nog wel in de tropen, maar er groeien geen tropische regenwouden meer. Het landschap bestaat uit een afwisseling van graslanden met groepen bomen en struiken. Het tropische gras is heel hoog met lange pluimen. Soms valt er in de savanne zo’n vier tot zes maanden per jaar geen druppel regen. In die droge tijd wordt gras geel en stoten de bomen hun bladeren af. De savanne in Afrika is onder andere het woongebied van groot wild als leeuwen, giraffen, olifanten en zebra’s (figuur 3.10).
250 tot 500 mm neerslag per jaar valt. Er valt nog net genoeg regen voor de groei van grassen en lage struikjes (figuur 3.11). De begroeiing op een steppe heeft zich aangepast aan de droogte. De grassen hebben bijvoorbeeld diepe wortels. Ook staan de graspollen vaak ver uit elkaar. De struikjes hebben meestal lange, smalle blaadjes of doornen om de verdamping tegen te gaan. Gemiddeld valt er per jaar maar in drie of vier maanden regen. Dat is voor bijna alle boomsoorten te weinig neerslag om te kunnen groeien.
geen of bijna geen neerslag: minder dan 250 mm per jaar. Door de droogte groeit er helemaal niets. Dit noem je een woestijn. Vaak is er nog wat schaarse begroeiing van grassen en cactussen. Dat is de woestijnsteppe. Het ontbreken van planten komt door de droogte en dus niet door een onvruchtbare bodem. Planten en bomen groeien alleen op een plek waar water in de woestijn is. Dat is een oase (figuur 3.12). Het is een misverstand dat er in een woestijn alleen maar zand is. De Sahara bestaat bijvoorbeeld maar voor een kwart uit zand, de rest is grind- of rotsbodem. Ook is het in een woestijn niet altijd heet. In de winter is het op veel plekken in de Sahara niet warmer dan gemiddeld 10 °C. En er zijn ook woestijnen in koude gebieden. Dat zijn de poolwoestijnen.
FIGUUR
3.9
Tropisch regenwoud in Indonesië.
Basisboeknummer en -titel
185294_BNWRK.indb 6
FIGUUR 3.10
Savanne in Kenia.
foto
FIGUUR 3.11
Steppe in China.
zwart begrip: herhaald begrip
FIGUUR 3.12
Woestijn met oase in Libië.
blauw begrip: begrip met omschrijving van de definitie
22/11/18 14:07
7
Hoe werk je met het Basisboek?
Leerboek, werkboek en Basisboek
De Geo Digitaal en het Basisboek
- Een leerboek gebruik je maar één jaar. In klas 2 en 3 krijg je een nieuw leerboek. Het Basisboek heb je drie jaar nodig. Je gebruikt het dus ook in klas 2 en 3. - Het Basisboek gaat vooral over algemene begrippen. Er wordt in uitgelegd wat die begrippen betekenen. Het lijkt dus wel wat op een woordenboek. - In de leerboeken staat onder aan de bladzijde welke Basis boeknummers je in die paragraaf gebruikt en die dus belangrijk zijn voor het onderwerp in de paragraaf. De kleur van de Basisboek nummers in het leerboek geeft aan in welk hoofd stuk van het Basisboek dit onderwerp behandeld wordt. - In de werkboeken maak je opdrachten waarvoor je Basisboek nummers nodig hebt.
Via www.thiememeulenhoff.nl/degeo ga je naar de digitale leeromgeving. Daar vind je het complete Basisboek. Je kunt daar ieder Basisboeknummer digitaal opzoeken. Je vindt er ook animaties die de begrippen uitleggen.
24
2
§1
Grote natuurlandschappen op aarde
§1 Ontbossing in het Amazonegebied
7
Lees in je leerboek Verstedelijking. Lees in het Basisboek B239 Percentage stedelingen.
a Door de verstedelijking neemt de urbanisatiegraad af / toe. b Hoe hoog is de urbanisatiegraad in Brazilië?
c Wat voor soort land is Brazilië hierdoor volgens B239? een rijk land een minder ontwikkeld land een van de minst ontwikkelde landen d Wat is het verschil tussen de urbanisatiegraad en het urbanisatietempo?
Amazonegebied
9
Herhaling
a Zet de volgende kenmerken op de juiste plek onder Landschap in W5: cultuurlandschap – moeras – savanne – steppe – tropisch regenwoud. b Vul in W5 in hoe bevolkt het gebied is. Kies uit: dun – matig – dicht. c In welk deel van Brazilië zijn de problemen rondom verstedelijking het grootst?
d Welke rol speelt de bevolkingsopbouw van Brazilië in de problemen rondom verstedelijking?
W5
FIGUUR
2
e Het urbanisatietempo in Brazilië is hoog / laag. f Wat voor soort land maakt dit Brazilië volgens B239?
Eenvoudige huizen langs de rivier de Amazone.
129
Brazilië: landschap en bevolking
Landschap en bevolkingsdichtheid in Brazilië..
Gebied
Landschap
Bevolkingsdichtheid
noordwesten noordoosten
Waar liggen tropische regenwouden en waarom liggen ze daar? Dat ga je bekijken in het Amazonegebied.
hoogte in m 50 woudreuzen
45
35
u Het Amazonegebied ligt in Zuid-Amerika. Het is genoemd naar de rivier de Amazone. Dat is de op één na langste rivier in de wereld. Het gebied bestaat uit dichte, ondoordringbare bossen. Dat zijn de tropische regenwouden. De naam zegt het al: de bossen liggen in de tropen. Dat is het gebied dicht bij de evenaar, tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B. Het is er altijd warm: overdag ruim 30°, ’s nachts een paar graden minder. Ook regent het veel, gemiddeld meer dan 2.000 mm per jaar (De Bilt: 800 mm). Bijna elke dag valt er wel een stevige regenbui. Vandaar de naam regenwouden. In de warme en vochtige omgeving is er een weelderige, dichte begroeiing. Veel soorten planten en bomen groeien door elkaar. Ook leven er veel dieren in het oerwoud. De variatie aan levensvormen is enorm. Anders gezegd: de biodiversiteit is groot (bio = leven, diversiteit = verschillend). Er zijn bomen van 10 tot 15 m hoog, maar ook van 20 tot 35 m. Andere bomen steken daar nog weer boven uit. Dat zijn de echte woudreuzen. Zo ontstaan verschillende verdiepingen (etages) van bomen in het bos (figuur 3). Vanwege de dichte boomkruinen is er veel schaduw en is het altijd schemerig in het bos.
VAARDIGHEID
B
2
B
4
B 48
B 57
B 59
B 72
zuidwesten
gastplanten die op bomen groeien
h Wat is het verband tussen het urbanisatietempo en de problemen door de verstedelijking in São Paulo?
Leerdoelen
30 25
LB
20
8
lianen
15 10
jonge bomen
palmen 5
weinig lichtval, weinig begroeiing
0
FIGUUR
Wat moet je kennen en kunnen?
dicht bladerdek dichtste bladerdek (veel dierenleven)
3
De etages in het tropische regenwoud.
Ontbossing u Het Braziliaanse regenwoud wordt ernstig bedreigd. Dat komt door het kappen van bossen (ontbossing). Hoewel het tempo van de ontbossing de laatste tien tot vijftien jaar is afgenomen, verdwijnt er nog steeds elke minuut een stuk bos ter grootte van twee voetbalvelden. Er is al bijna een vijfde deel van het oorspronkelijke bosoppervlak verdwenen. Dat is 25 keer de oppervlakte van Nederland! De ontbossing heeft te maken met een ongelijke bevolkingsspreiding in Brazilië: het oosten is dichtbevolkt, het westen is leeg. De regering wil de mensen beter verspreiden over het land. Dat doen ze door het bewoonbaar maken van het Amazonegebied. Dwars door het bos zijn wegen aangelegd, zoals de 4.000 km lange Transamazônica.
Bekijk in je leerboek figuur 7. Gebruik in het Basisboek B154 Leeftijdsopbouw en B155 Soorten bevolkingsdiagrammen en bekijk figuur 6.9.
a In figuur 7 zie je het bevolkingsdiagram van Brazilië. Op het diagram van welk land in figuur 6.9 lijkt de leeftijdsopbouw van Brazilië het meest?
b Hoe heet de vorm van het bevolkingsdiagram in figuur 7 volgens B155?
c Hoe kun je in figuur 7 zien dat Brazilië een jonge bevolking heeft?
• hoe de bevolking over Brazilië is verdeeld • wat de natuurlandschappen te maken hebben met de bevolkingsspreiding • wat de gevolgen zijn van de verstedelijking • welke invloed de leeftijdsopbouw van de bevolking heeft op de bevolkingsspreiding
WB • de antwoorden op opdracht 2 • de ingevulde W3 en W5
BB • B154 Leeftijdsopbouw • B155 Soorten bevolkingsdiagrammen • B239 Percentage stedelingen
Begrippen
d Hoe kun je zien dat het geboortecijfer wel is gedaald?
Leerboek bevolkingsdichtheid, savanne, steppe, tropisch regenwoud, urbanisatiegraad, verstedelijking Basisboek bevolkingsdiagram, leeftijdsopbouw, urbanisatiegraad, urbanisatietempo
Digitaal samenvatting en proeftoets §1
B 77
leerboek: verwijzing naar Basisboeknummers
185294_BNWRK.indb 7
centraal midden
oostkust en zuiden
hoge boomtoppen
40
Tropische regenwouden
g Door welke oorzaak uit vraag 6b ontstaat dit opvallende verschil in de antwoorden bij vraag 7c en 7f vooral?
werkboek: verwijzing naar Basisboeknummers
22/11/18 14:07
8
B
1
Vaardigheden
1 Wat is aardrijkskunde?
Samen met bijna 8 miljard andere mensen leef je op een unieke planeet: de aarde. Er is een grote variatie in de natuur: bergen, woestijnen, bossen, rivieren, oceanen, enzovoort. Ook zijn er veel verschillen in de cultuur van de mensen. Zo zijn er tientallen godsdiensten en honderden talen. Een voorbeeld van verschillen op aarde zie je op de foto’s. Figuur 1.1 laat de kurkdroge woestijn van Namibië zien. Je ziet hoge zandduinen waar toeristen tegenop klimmen. Er groeit bijna niets, alleen hier en daar wat grassen. Heel anders ziet het vochtige oerwoud in Thailand eruit (figuur 1.2). De toeristen zweven door een groen, dichtbegroeid bos met hoge bomen. Bij aardrijkskunde bestudeer je gebieden als Namibië en Thailand. Je vergelijkt ze ook met elkaar: wat zijn de verschillen en hoe zijn die verschillen te verklaren? Bijvoorbeeld: Waarom is Namibië droog en Thailand nat? Bij het bestuderen van de gebieden let je niet alleen op de natuur, maar bekijk je ook hoe de bewoners het gebied hebben ingericht. Op de foto’s van figuur 1.1 en 1.2 zie je vooral natuur, en maar weinig inrichting. Alleen de zipline door het bos is door mensen aangelegd. Een ander woord voor aardrijkskunde is geografie. Dit komt van de Griekse woorden geo (= aarde) en grafie (= beschrijven).
FIGUUR
1.2
Zweven door het oerwoud in Thailand.
FIGUUR
1.1
Kurkdroge woestijn in Namibië.
185294_BNWRK.indb 8
22/11/18 14:07
9 B
1
1.
Vaardigheden
185294_BNWRK.indb 9
22/11/18 14:07
10
1
Vaardigheden
Beschrijven en verklaren B
2 Aardrijkskunde: gebieden
Aardrijkskunde gaat over gebieden. Een gebied of regio is een stuk van het aardoppervlak. Zo’n gebied kan heel groot zijn, zoals het zuidpoolgebied. Dat is een werelddeel, groter dan Europa. Maar een gebied kan ook heel klein zijn, zoals je eigen buurt. Als je in een gebied rondkijkt, zie je het landschap: het zichtbare deel van het aardoppervlak. In een natuurlandschap is (bijna) niets in het landschap door mensen veranderd. Alles wat je ziet, is natuur: bergen, rivieren, moerassen, enzovoort. De fysische geografie bestudeert hoe een natuurlandschap is ontstaan. Ingerichte landschappen zijn door mensen veranderd. Ze hebben bijvoorbeeld wegen, huizen en akkers aangelegd. De sociale geografie bekijkt hoe mensen het landschap hebben ingericht, en hoe mensen leven.
B
3 Aardrijkskunde: verschijnselen
B
4 Beschrijven en verklaren
Bij aardrijkskunde beschrijf en verklaar je. Bij het beschrijven geef je antwoord op vragen over wat ergens is. Dat zijn vragen die beginnen met de woorden wat en waar. In figuur 1.3 zie je bijvoorbeeld een rivier in een bos. In figuur 1.4 is dezelfde rivier te zien, maar dan jaren later. Er is ook een stad met huizen, bedrijven en wegen. Je kunt bijvoorbeeld de vraag stellen: Waar is de stad gebouwd? Verklaren betekent uitleggen hoe iets komt. Je legt verbanden tussen verschillende plaatsen of verschijnselen. Verklarende vragen beginnen vaak met het woord waarom. Bijvoorbeeld: Waarom is de stad daar gebouwd? Dat heeft te maken met de rivier. Om aan de overkant te komen, moesten mensen overvaren of een brug bouwen. Ook gingen ze langs de rivier handeldrijven met mensen uit andere gebieden. Daarom werd dit een logische plek om te gaan wonen. Met het verdiende geld bouwden mensen huizen, kerken en andere gebouwen. Zo ontstond er een stad. Bij de verklaring spelen dus natuurlijke en menselijke factoren een rol. Een factor is een omstandigheid die invloed heeft op iets anders.
In B2 staat dat aardrijkskunde over gebieden gaat. Maar dat
is nog niet alles. Aardrijkskunde gaat ook over aardrijkskundige verschijnselen. Dat zijn de verschijnselen die een plaats op aarde heeft. Ze kunnen worden afgebeeld op kaarten. Aardbevingen en vulkanen zijn voorbeelden van aardrijkskundige verschijnselen. In sommige gebieden komen ze vaak voor, en in andere niet. Het zijn allebei natuurlijke verschijnselen. Bij aardrijkskunde bestudeer je ook menselijke verschijnselen. Voorbeelden daarvan zijn steden en migratie. Zo zijn er veel voorbeelden te bedenken. Kijk maar eens in de inhoudsopgave van dit Basisboek. Dat is eigenlijk één lange lijst van aardrijkskundige verschijnselen. Sommige verschijnselen zijn in het landschap goed zichtbaar, zoals vulkanen en steden. Voor andere verschijnselen heb je gemeten gegevens of meetapparatuur nodig, zoals bevolkingscijfers die de migratie tussen landen laten zien of een seismograaf voor het meten van de kracht van een aardbeving.
185294_BNWRK.indb 10
B
5 Natuurlijke en menselijke factoren
Verklaren doe je met factoren (B4). Die factoren kun je indelen in twee groepen: natuurlijke factoren en menselijke factoren. Soms heb je alleen natuurlijke factoren nodig voor een verklaring, soms alleen menselijke factoren en soms allebei. Als je wilt verklaren waarom er in Japan vaak aardbevingen voorkomen, moet je de verklaring zoeken bij de natuur. Japan ligt op een plek waar twee stukken van de aardkorst langs elkaar schuiven. Soms gaan die verschuivingen plotseling heel snel: dat is een aardbeving. Je kunt de aardbevingen in Japan alleen met een natuurlijke factor verklaren. Als je wilt verklaren waarom vluchtelingen met bootjes de Middellandse Zee oversteken, moet je de verklaring zoeken bij de mensen. De vluchtelingen gaan met boten, omdat vliegmaatschappijen ze niet willen meenemen. Omdat de vluchtelingen niet worden toegelaten in Europa, zouden de vliegmaatschappijen hen weer mee terug moeten nemen. De vluchtelingen betalen daarom veel geld voor een gevaarlijke boottocht. Je kunt de keuze voor een boottocht dus alleen met een menselijke factor verklaren. Vaak gebruik je zowel menselijke als natuurlijke factoren. Bijvoorbeeld als je de wintersport in de Alpen wilt verklaren. De natuurlijke factoren klimaat en reliëf zorgen voor de sneeuw en de mogelijkheid tot afdalingen. Menselijke factoren (geld, kennis, politiek) zorgen voor de inrichting van het gebied met voorzieningen voor de wintersport.
22/11/18 14:07
11
Beschrijven en verklaren
B
FIGUUR
1.3
2
B
3
B
4
B
5
Een natuurlandschap.
Is dit een natuurlijk meer? Waarom ligt er een snelweg?
Wat is het bodemgebruik?
Waarom ligt de stad hier?
Waarom ligt de fabriek aan de rivier?
Is het rivierwater schoon?
FIGUUR
1.4
185294_BNWRK.indb 11
Een ingericht landschap.
22/11/18 14:07
12
1
Vaardigheden
Regio in beeld B
6 Regio in beeld
Als je een gebied beschrijft, kun je kijken naar vier soorten kenmerken: ligging (B7), gebiedskenmerken (B8), bevolkingskenmerken (B9) en interne en externe relaties (B10). Je krijgt zo een aardrijkskundig beeld van een gebied (figuur 1.5). LIGGING - absolute ligging: breedteligging en lengteligging - relatieve ligging: de ligging van een stad, rivier of land ten opzichte van een andere plek GEBIEDSKENMERKEN natuurlijke omgeving - klimaat - oorspronkelijke plantengroei - hoogteligging en reliëf - aanwezigheid van grondstoffen en/of delfstoffen ingericht landschap - bodemgebruik - bebouwing - infrastructuur - bevolkingsomvang, bevolkingsdichtheid en bevolkingsspreiding BEVOLKINGSKENMERKEN demografische kenmerken - samenstelling van de bevolking: leeftijd, opleiding, herkomst, huishoudens - verandering van de bevolking: geboorte, sterfte, migratie economische kenmerken - bestaansmiddelen - werk en inkomen - ontwikkelingskenmerken: welvaart - duurzaamheid sociaal-culturele kenmerken - manier van samenleven: omgangsvormen, zorg voor elkaar - taal - kunst - godsdienst politieke kenmerken - verdeling van de macht: overheid, bedrijven, burgers - bestuur: staatsvorm, lidmaatschap internationale organisaties - wetten en regels RELATIES - interne relaties - externe relaties FIGUUR
1.5
185294_BNWRK.indb 12
Regio in beeld.
B
7 Absolute en relatieve ligging
Bij aardrijkskunde kijk je altijd naar de ligging van een plaats of gebied. Er zijn twee soorten ligging: de absolute ligging en de relatieve ligging. De absolute ligging geeft aan waar een gebied precies ligt op aarde. Bij wiskunde gebruik je daarvoor een assenstelsel. Bij aardrijkskunde doe je eigenlijk hetzelfde. De x-as is de evenaar en de y-as is de nulmeridiaan van Greenwich. De ligging ten opzichte van de evenaar noem je de breedteligging (B22). De ligging ten opzichte van de nulmeridiaan noem je de lengteligging (B23). De relatieve ligging van een plaats is de positie van die plaats ten opzichte van een andere plek. Daarbij gebruik je de windrichtingen noord, oost, zuid en west, en de afstand in kilometers, tijd of kosten (B25).
B
8 Gebiedskenmerken
Gebiedskenmerken kun je indelen in twee groepen. De natuurlijke omgeving (fysisch milieu) met kenmerken als klimaat, reliëf, grondsoorten en plantengroei. Het ingerichte landschap met menselijke kenmerken als bebouwing, bodemgebruik, infrastructuur en bevolkingsspreiding.
B
9 Bevolkingskenmerken
De bevolking heeft een grote invloed op de inrichting van een gebied (figuur 1.6). Je kunt bevolkingskenmerken in vier groepen indelen. Demografische kenmerken gaan over de mensen zelf en over de groei en de afname van de bevolking: geboorte, sterfte en herkomst van mensen (immigratie en emigratie). Economische kenmerken gaan over de bestaansmiddelen van mensen. Werk en geld spelen daarbij een grote rol. Een belangrijk voorbeeld is de (verdeling van de) welvaart in een land. Ook kun je kijken naar het aantal mensen dat werkt in de landbouw, de industrie en de dienstensector (B193). Soms is het moeilijk om economische kenmerken in geld uit te drukken, bijvoorbeeld de kosten van een schoon milieu of het duurzaam omgaan met grondstoffen. Sociale kenmerken gaan over hoe mensen voor elkaar zorgen: familie, buren en vrienden. In elke samenleving bestaan regels over het omgaan met geboorte, huwelijk, dood en ouder worden. Die regels zijn vaak vastgelegd in een geloof of religie. Maar ook de manier waarop mensen met elkaar communiceren hoort erbij, zoals taal en kunst. Je spreekt daarom ook vaak van sociaal-culturele kenmerken. Cultuur is alles wat je hebt aangeleerd.
22/11/18 14:07
13
Regio in beeld
B
demografie een zee van huizen, want veel mensen wonen in de stad
economie kantoren in de stad
6
B
cultuur de minaret van een moskee; ook de islam krijgt een plek in de stad
economie en cultuur hotel met toeristen die de cultuur van de stad bezoeken
7
B
8
B
9
B 10
demografie veel kleine huishoudens; in de kerk woningen voor alleenstaanden
cultuur religie minder belangrijk; kerk verbouwd tot woningen
cultuur een terrasje in je vrije tijd
economie winkels in de stad
politiek in het stadhuis wordt over de inrichting gesproken
demografie en politiek ruimte voor jongeren
politiek geen auto’s op het plein
FIGUUR
1.6
Verschillende bevolkingskenmerken.
Welvarende mensen zijn niet automatisch gelukkig. De mate waarin iemand zich gezond, veilig, gelukkig en verbonden voelt met andere mensen, heet welzijn. Het welzijn van mensen heeft dus te maken met economische kenmerken én met sociale kenmerken. Bij de politieke kenmerken kijk je naar het bestuur van het land. Wie heeft de macht en wie juist niet? Welke regels en wetten zijn er? In een democratie kiest de bevolking een overheid die beslissingen mag nemen. Daarnaast hebben ook (eigenaren van) grote bedrijven veel invloed op de overheid. Ook proberen organisaties van mensen met een bepaald belang de overheid te beïnvloeden. Een voorbeeld van zo’n organisatie is Greenpeace, maar ook de plaatselijke actiegroep die een dierenasiel wil opzetten.
185294_BNWRK.indb 13
politiek ruimte voor openbaar vervoer
B 10 Interne en externe relaties Mensen, bedrijven en instellingen hebben onderling veel met elkaar te maken. Bij aardrijkskunde kijk je naar relaties (verbanden) binnen een gebied en tussen gebieden. Bij interne relaties gaat het om contacten binnen een gebied. Bijvoorbeeld een zuivelfabriek die producten levert aan grote supermarkten als Albert Heijn of Jumbo. Of forensen die elke dag op en neer reizen van huis naar hun werk. Of toeristen die op vakantie gaan in eigen land. Contacten met andere gebieden noem je externe relaties. Dan kun je denken aan bedrijven die via de Rotterdamse haven hun producten exporteren naar landen over de hele wereld. Of aan toeristen die in het buitenland op vakantie gaan.
22/11/18 14:07
14
1
Vaardigheden
Aardrijkskundige werkwijzen
500 m 500 m
winkelstraat
woningen
bedrijven
FIGUUR 1.7A Bijzonder: Kadjebi is een voorbeeld van een dorp in Ghana.
FIGUUR 1.7B
B 11 Vergelijkingen maken
B 13 Wisselen van schaalniveau
Bij aardrijkskunde vergelijk je aardrijkskundige verschijnselen in een of meer gebieden. Je benoemt dan de overeenkomsten en verschillen, bijvoorbeeld tussen een stad en een dorp. Een stad en een dorp zijn allebei nederzettingen. Dat is een overeenkomst. Maar er zijn ook veel verschillen. In een stad wonen bijvoorbeeld veel meer mensen dan in een dorp en de gebouwen staan er dichter op elkaar. Mensen uit de dorpen komen naar de stad om er gebruik te maken van voorzieningen. Je kunt ook een stad in een rijk land vergelijken met een stad in een arm land. Je ziet dan verschillen in hoe de mensen wonen. In de snelgroeiende steden in arme landen zijn vaak uitgestrekte krottenwijken. Maar er zijn ook overeenkomsten. Net als in rijke landen komen mensen uit omliggende dorpen naar de stad voor een markt, een ziekenhuis of onderwijs.
weg
Algemeen: model van een dorp.
Bij aardrijkskunde worden verschillende schaalniveaus gebruikt. Als je een onderwerp wereldwijd bestudeert, werk je op een ander schaalniveau dan wanneer je in je eigen woonwijk kijkt. In figuur 1.8 zie je dat er vijf schaalniveaus zijn: - lokale schaal: een stad of dorp - regionale schaal: een landsdeel, provincie of streek - nationale schaal: een land - continentale schaal: meer dan één land, een werelddeel - mondiale schaal: de wereld Daarnaast is er nog de fluviale schaal: het schaalniveau van het stroomgebied van een rivier. Rivieren houden zich niet aan landgrenzen. Door inzoomen en uitzoomen kun je van schaalniveau veranderen. Als je inzoomt, bekijk je een gebied van steeds dichterbij. Als je uitzoomt, bekijk je een steeds groter gebied.
B 12 Algemeen en bijzonder mondiaal
Bij aardrijkskunde gebruik je veel begrippen en voorbeelden.
Ieder begrip heeft zijn eigen definitie. Een dorp is bijvoorbeeld het begrip dat hoort bij een plaats waar weinig mensen bij elkaar wonen en waar de woningdichtheid relatief laag is. Verder zijn er weinig hoge gebouwen en weinig voorzieningen, zoals winkels. Dat is een beschrijving waarin kenmerken van een dorp worden genoemd. Die algemene beschrijving geldt voor alle dorpen (figuur 1.7B). Maar dorpen in arme en rijke landen zien er heel verschillend uit (figuur 1.7A en 1.7C). Door nieuwe voorbeelden van dorpen steeds met het begrip te vergelijken, leer je het begrip steeds beter te herkennen en te gebruiken.
nationaal
inzoomen
uitzoomen
continentaal
regionaal
lokaal
FIGUUR
185294_BNWRK.indb 14
1.8
Door inzoomen en uitzoomen verander je van schaalniveau.
22/11/18 14:07
15
Aardrijkskundige werkwijzen
B 11
B 12
B 13
B 14
B 15
Bij de economische dimensie gaat het om de belangen van (het bezit van) grondstoffen, werk en geld. De sociaal-culturele dimensie bekijkt hoe verschillende groepen mensen in een samenleving met elkaar willen omgaan en hoe ze voor elkaar zorgen. Bij de politieke dimensie gaat het over de verdeling van de macht. Wat is de rol van de overheid, van grote bedrijven en van belangenorganisaties bij het nemen van beslissingen? Bij de fysische dimensie bekijk je het onderwerp vanuit de belangen van de natuur. De gevolgen voor de natuur hebben vaak invloed op het leven van de mensen. Denk daarbij aan het opraken van grondstoffen of aan klimaatverandering. 500 m
FIGUUR 1.7C Bijzonder: Scherpenzeel is een voorbeeld van een dorp in Nederland.
B 15 Verbanden leggen Bij aardrijkskunde leg je relaties (verbanden) tussen
Als je het onderwerp recreatie bestudeert, gaat het op lokale schaal om een middagje naar een zwemplas. Dat kost weinig geld of soms zelfs niets. Voor een week of weekendje weg blijven mensen meestal in eigen land, op een camping aan zee bijvoorbeeld (regionale of nationale schaal). Maar voor langere vakanties nemen ze het vliegtuig naar Zuid-Europa. Op continentale schaal gaat toerisme over langere reizen met overnachtingen in hotels, en over grote toeristengebieden, zoals de Alpen of het Middellandse Zeegebied.
B 14 Dimensies
verschijnselen en tussen gebieden. Je legt uit wat ze met elkaar te maken hebben. Je kunt zoeken naar verbanden tussen verschijnselen. Je kijkt dan naar de invloed van een verschijnsel op iets anders. Toeristen gaan bijvoorbeeld naar Spanje vanwege het lekkere weer en het mooie landschap. Het massatoerisme zorgt in Spanje voor werkgelegenheid, maar ook voor vervuiling en een tekort aan water. Je kunt zoeken naar verbanden tussen verschillende gebieden. Door politieke onrust en aanslagen gaan er minder toeristen naar Turkije dan enkele jaren geleden. Omdat mensen uit WestEuropa toch naar de zon willen, kiezen ze nu vaker voor Spanje, zodat het toerisme daar groeit.
Als je een onderwerp in een gebied onderzoekt, ontdek je dat mensen verschillende belangen hebben. Ze kunnen een gebied of gebeurtenis vanuit verschillende invalshoeken of dimensies bekijken (figuur 1.9). Die dimensies komen grotendeels overeen met de bevolkingskenmerken (B9). FIGUUR
1.9
Verschillende dimensies in het Waddengebied.
economie vakantieaccommodaties, restaurants, verhuur van surfplanken
sociaalcultureel nadeel van massatoerisme: verlies van eilandtradities
185294_BNWRK.indb 15
natuur rustplaats voor zeehonden en vogels
politiek militair oefenterrein
22/11/18 14:08
16
1
Vaardigheden
Kaartsoorten: overzichtskaarten Praag
FRANKRIJK
OOSTENRIJK
ZWITSERLAND
Ljubljana
Milaan
OEKRAÏNE
SLOWAKIJE
Bratislava Budapest HONGARIJE
ITALIË
Rome
Odesa
Zagreb
SLOVENIË KROATIË BOSNIË EN HERZEGOVINA
Sarajevo Podgorica MONTENEGRO
Tirana
MOLDAVIË
Chişinău
ROEMENIË
Boekarest
Belgrado SERVIË KOSOVO
BULGARIJE
Prishtinë Sofia Skopje
ALBANIË
Istanbul
MACEDONIË
Bursa TURKIJE
GRIEKENLAND
Izmir
Dieren huizen
hoofdweg
bos
kerk, moskee
lokale weg
kerk, moskee met toren
straat/overige weg
water akker
hoogteligging in meters
8.1
huizenblok
Het Kanaal
TUNESIË
stad met meer dan 1 miljoen inwoners Bern
landgrens
weg
n Rij
u
Staatkundige overzichtskaart.
en at rp Ka
Rhône
spoorlijn
na
Bern n Alpe
Istanbul
en
eZ
n
Rome
Do na u
Al pe
art
jn nni pe
Rome
isc he
Istanbul Istanbul v a H o o glan d nA n a t o li ë
A
Zw
n Di
ar
ee
Po
Athene Tunis
g eA u rè s b e rg t e
Midd e ll a n d s e Z e e
500 km
Zuidoost-Europa: reliëf hoogte in m lager dan 100
200 - 500
1.000 - 3.000
100 - 200
500 - 1.000
hoger dan 3.000
FIGUUR 1.11
185294_BNWRK.indb 16
hoofdstad
FIGUUR 1.12
Do
500 km
Zuidoost-Europa: staatkundig
1 : 300.000
Topografische kaart.
Parijs
Midd e ll a n d s e Z e e
500 m
spoorweg
FIGUUR 1.10
Athene
Tunis
weiland met sloten
ee
Wenen
eZ
München
POLEN
TSJECHIË
art
DUITSLAND
Zw
Parijs
Natuurkundige overzichtskaart.
B 16 Kenmerken van kaarten Een kaart is een tekening van een stuk van het aardoppervlak. Er zijn twee hoofdsoorten kaarten: overzichtskaarten en thematische kaarten. Een goede kaart heeft een titel, een legenda en een schaal. Kaarten worden meestal getekend met het noorden boven. Als dat niet zo is, moet er ook een noordpijl of een windroos op de kaart staan. De titel van de kaart geeft aan waar de kaart over gaat. Bij een overzichtskaart staat alleen de naam van het gebied in de titel, bij een thematische kaart ook een onderwerp. Om een kaart beter leesbaar te maken, worden kleuren, arceringen en tekens gebruikt. Die kaarttekens noem je kaartsymbolen. De verklaring van de kleuren en de kaartsymbolen heet de legenda. Een kaart is een verkleinde weergave van de werkelijkheid. Bij de ene kaart is die verkleining veel sterker dan bij de andere. De schaal is de verhouding tussen de afstanden op de kaart en die in de werkelijkheid. Eén manier om de schaal aan te geven, is het gebruik van een verhoudingsgetal, bijvoorbeeld 1 : 200.000. Dat betekent dat 1 centimeter op de kaart 200.000 centimeter in werkelijkheid is. Dat is 2 kilometer. Handige tip: Haal vijf nullen van het schaalgetal en je weet het aantal kilometers. Een andere manier om de schaal aan te geven, is met een schaalstokje (of schaalbalk). In een kaart op een beeldscherm wordt de schaal altijd met een schaalstok aangegeven.
22/11/18 14:08
17
Kaartsoorten: overzichtskaarten
B 16
B 17
B 18
d de ie ne eb rt ts g a ui et ka h e n d va op
duinen
vuurtoren
bos
wegwijzer
grasland
fietspad
bebouwing
verharde weg
250 m
FIGUUR 1.13
Bij generaliseren laat je dingen weg en vergroot je dingen. Hier zie je een foto van Hollum op Ameland. Rechts in de foto staat een kaart. De kaart is gemaakt van het gebied dat links in de foto is getekend met een stippellijn.
B 17 Overzichtskaarten Een overzichtskaart geeft informatie over de ligging van
steden, wateren, bergen, wegen en spoorlijnen en het bodemgebruik. Deze kaarten worden gebruikt om een eerste indruk te krijgen van een gebied (oriëntatie): een overzicht van ‘wat’ en ‘waar’ in een gebied. Er zijn verschillende soorten overzichtskaarten. Topografische kaarten (figuur 1.10) zijn overzichtskaarten die over een klein gebied gaan. Ze hebben een schaal tot 1 : 100.000. Topografische kaarten gebruik je als je op lokaal of regionaal schaalniveau werkt. Ze laten zo precies mogelijk zien hoe het landschap eruitziet. Natuurkundige overzichtskaarten (figuur 1.11) laten vooral natuurlijke kenmerken van een gebied zien, zoals hoogteligging, natuurlijke plantengroei, rivieren en bergen. Meestal staan er ook landgrenzen en enkele steden op zodat je je gemakkelijker kunt oriënteren. Op staatkundige overzichtskaarten (figuur 1.12) staan grenzen en hoofdsteden. Verschillende landen of provincies hebben een eigen kleur. Soms staan er ook nog belangrijke rivieren en (spoor)wegen op.
185294_BNWRK.indb 17
Navigatiekaarten zijn kaarten die worden gebruikt om de weg te wijzen of te vinden. Ze zijn minder precies dan topografische kaarten, maar er staan meer namen op. Voorbeelden van navigatiekaarten zijn wegenkaarten, stadsplattegronden en zeekaarten.
B 18 Generaliseren Op een kaart kun je nooit alles weergeven. Je moet daarom kiezen wat je weglaat en wat je juist extra duidelijk op de kaart tekent. Je keuze heeft te maken met het doel van de kaart en met de schaal van de kaart. Het weglaten en benadrukken of vergroten van dingen op een kaart heet generaliseren. Je tekent dan bijvoorbeeld niet alle huizen apart, maar maakt er één huizenblok van. Of je maakt dingen groter, zodat ze bij de verkleining van de kaart toch goed opvallen, zoals een vuurtoren (figuur 1.13). Er zijn grootschalige kaarten en kleinschalige kaarten. Op een kleinschalige kaart is de werkelijkheid heel sterk verkleind. Daarom moet op kleinschalige kaarten meer worden gegeneraliseerd.
22/11/18 14:08
18
1
Vaardigheden
Kaartsoorten: thematische kaarten B 19 Thematische kaarten Thematische kaarten gaan altijd over een bepaald onderwerp (= thema). Er zijn verschillende soorten thematische kaarten. Stippenkaarten gebruiken stippen om de spreiding van een verschijnsel in beeld te brengen. Elk symbool stelt dan een bepaalde waarde voor, bijvoorbeeld 1.000 inwoners (figuur 1.14). Op choropletenkaarten staan gegevens die in gemeenten, provincies of landen zijn gemeten. De kleuren worden donkerder of feller naarmate de waarde hoger is (figuur 1.15). Op mozaïekkaarten zijn duidelijk verschillende kleuren gebruikt. De grenzen tussen de kleuren op deze kaarten worden bijvoorbeeld bepaald door klimaten, plantengroei of godsdiensten (figuur 1.16). Op isolijnenkaarten staan lijnen die punten met een gelijke waarde verbinden (isolijnen). De tussenliggende gebieden zijn meestal ingekleurd: hoe hoger de gemeten waarden, hoe donkerder. Een voorbeeld is figuur 2.17 (neerslag). Andere voorbeelden zijn figuur 1.17 over hoogteligging (hoogtelijnen), kaarten met isothermen (temperatuur, figuur 2.9) en kaarten met isobaren (luchtdruk, figuur 2.34). Op anamorfosekaarten zien de gebieden er vervormd uit. De grootte van de gebieden wordt bepaald door de waarde die dat gebied voor een bepaald kenmerk heeft, bijvoorbeeld de grootte van de bevolking. Hoe groter de bevolking van een gebied, hoe groter dat gebied op de kaart staat (figuur 1.18). Anamorfosekaarten kun je goed gebruiken voor bevolkingskenmerken. Op diagramkaarten zijn in de kaart verschillende cirkel-, staaf-, blok- of stroomdiagrammen getekend. In een stroomdiagram kun je relaties aangeven, bijvoorbeeld de verkeersstromen tussen verschillende continenten (figuur 1.35).
185294_BNWRK.indb 18
B 20 Hoogte en reliëf op kaarten Hoogte kan op verschillende manieren op kaarten worden aangegeven. Het eenvoudigst is het aangeven van de hoogteligging met een getal: de hoogte in meters (ten opzichte van de zeespiegel). De Mount Everest is bijvoorbeeld 8.848 m hoog. Op topografische kaarten worden behalve hoogtecijfers ook hoogtelijnen gebruikt. Een hoogtelijn is een lijn die punten met dezelfde hoogteligging met elkaar verbindt. Als je in een gebied met heuvels of bergen gaat fietsen of wandelen, is het goed om van tevoren op de kaart naar de hoogtelijnen te kijken. Hoe dichter de hoogtelijnen bij elkaar lopen, hoe steiler de helling. Als er veel ruimte is tussen de hoogtelijnen, heb je dus te maken met een flauwe helling (figuur 1.17). Op natuurkundige overzichtskaarten worden ook vaak schaduwen gebruikt om aan te geven dat er hoogteverschillen (reliëf) zijn.
B 21 Kaartvaardigheden Bij het gebruiken van kaarten heb je vaardigheden nodig. Bij kaartlezen kijk je naar de titel, de schaal en de legenda van de kaart. Bij kaartlezen benoem je waar plaatsen liggen en waar verschijnselen voorkomen. Ottawa, de hoofdstad van Canada, ligt in het zuiden van het land (figuur 1.15). Bij kaartanalyse orden je de gegevens op de kaart. Dat kun je in twee stappen doen. Het herkennen van patronen: je verdeelt een gebied in twee of meer delen, de deelgebieden. In die deelgebieden ga je op zoek naar spreidingspatronen. Bijvoorbeeld: het zuiden van Canada is dichtbevolkt, het noorden is dunbevolkt. Het leggen van verbanden: de bevolkingsspreiding in Canada (figuur 1.14) vergelijk je dan met iets anders, bijvoorbeeld het klimaat (figuur 1.16). Dan zie je dat in de koude gebieden in het noorden van Canada weinig mensen wonen. De meeste mensen wonen in het minder koude zuiden van het land. Er is in Canada een verband tussen klimaat en bevolkingsspreiding. Bij kaartinterpretatie zoek je naar een verklaring voor de gevonden verbanden: Is het gevonden verband toevallig of zit er meer achter? Daarvoor moet je logisch nadenken en vaak ook informatie gebruiken die niet op de kaart staat. In het voorbeeld van Canada is het verband niet toevallig: het noorden is te koud voor bewoning.
22/11/18 14:08
19
Kaartsoorten: thematische kaarten
B 19
1.000 km
B 20
B 21
Canada: bevolkingsspreiding, 2016
Noord elijk eI Jsz ee
1.000 inwoners Baffi nba ai
CANADA
400
Oceaan Grote
Hud son ba ai
Vancouver
300
ntische Oceaan Atla
Alaska (VS)
Groenland (DEN.)
200
100
100 2 00
Ontario Ottawa
300 400
Montréal
VERENIGDE STATEN
FIGUUR 1.17
Stippenkaart.
1.000 km
Groenland Canada: (DEN.) bevolkingsdichtheid, 2016 aantal inwoners per km² Baffi minder dan 1 n baa i 1-5
Noord elijk eI Jsz ee
d el N o or
Alaska (VS)
5 - 10
Vancouver Ottawa
VERENIGDE STATEN
FIGUUR 1.15
Montréal
Grote Oce aan
32
Vancouver
Montréal
VERENIGDE STATEN
Groenland (DEN.)
Anamorfosekaart.
Canada: klimaat
Baffi nba ai
Alaska (VS)
3-5
CANADA
FIGUUR 1.18 Noord elijk eI Jsz ee
minder dan 3
meer dan 90
Ottawa
Choropletenkaart.
1.000 km
Groenland (DEN.) Ba ffi
Canada: Franstaligen per provincie in %
che Oceaan antis Atl
Oceaan Grote
Hud son ba ai
che Oceaan antis Atl
CANADA
ze
Hud son ba ai
10 - 15 meer dan 15
ij k
Js eI
i aa nb
Alaska (VS)
Hoe dichter de hoogtelijnen bij elkaar liggen, hoe steiler de helling.
e
FIGUUR 1.14
poolklimaat gebergteklimaat landklimaat zeeklimaat steppeklimaat
Oceaan Grote
Hud son ba ai
Vancouver Ottawa
Montréal
che Oceaan antis Atl
CANADA
VERENIGDE STATEN
FIGUUR 1.16
185294_BNWRK.indb 19
Mozaïekkaart.
22/11/18 14:08
20
1
Vaardigheden
Plaatsbepaling op aarde B 22 Geografische breedte
90°
60°
30°
0°
30°
60°
90° 120° 150° 180°
8.000 km
60°
Amsterdam
52° N.B. 34° N.B. Los Angeles
30°
30°
evenaar
Sydney
30°
W
.
180° 150° 120°
FIGUUR 1.19
90°
60°
30°
0°
30°
.L . O
.L
5° O.L.
8°
60°
nulmeridiaan
34° Z.B.
11
15 30°
60°
90°
1°
60°
120° 150° 180°
De plaatsbepaling van Amsterdam, Sydney en Los Angeles.
Noordpool 90° N.B. 60° N.B.
noorde lijk h alfr on d
Als je precies wilt weten waar een plaats ligt op aarde, moet je kijken naar de absolute ligging. Om die te bepalen, heb je net als bij wiskunde twee assen nodig: een x-as en een y-as. Bij de plaatsbepaling op aarde zijn dat de evenaar en de nulmeridiaan (figuur 1.19). De evenaar verdeelt de aardbol in twee helften: het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond. De twee halfronden kun je opdelen in breedtegraden. Bij de evenaar staat 0, bij de twee polen staat 90. Op elke breedtegraad kun je een cirkel trekken, de breedtecirkel of parallel (figuur 1.20). Al die cirkels lopen evenwijdig (parallel) aan de evenaar. Met de breedtegraden kun je meten hoe ver een plaats van de evenaar ligt. Dat is de breedteligging van zo’n plaats. Op het noordelijk halfrond spreek je van noorderbreedte (= N.B.). Op het zuidelijk halfrond van zuiderbreedte (= Z.B.). Amsterdam ligt bijvoorbeeld op 52° N.B. (spreek uit: 52 graden noorderbreedte) en de Noordpool ligt op 90° N.B. Als een plaats dicht bij de evenaar ligt, ligt die plaats op lage breedte. Een plaats ver van de evenaar ligt op hoge breedte.
150° 120° 60°
30° N.B. NOORDERBREEDTE
ZUIDERBREEDTE
30° Z.B.
60° Z.B. 90° Z.B. Zuidpool
FIGUUR 1.20
Geografische breedte. Noordpool
Greenwich
E
RLEN GT STE
nulme ridiaan
0°
30° O.L.
oostelijk halfrond
OO
LENGTE WESTER
60° W.L.
30° W.L.
westelijk halfrond
90° W.L.
Met de breedteligging weet je op welke breedtecirkel een plaats ligt, maar nog niet waar op die breedtecirkel precies. Daarom is er behalve de evenaar nog een as nodig. Als tweede as gebruik je de nulmeridiaan. Dit is de lijn die van de Noordpool naar de Zuidpool loopt over Greenwich (bij Londen). Een meridiaan is dus een halve cirkel (figuur 1.21). Ten oosten van de nulmeridiaan ligt het oostelijk halfrond en ten westen ervan het westelijk halfrond. Bij de polen komen alle meridianen samen. De geografische lengte is de afstand van een plaats tot de nulmeridiaan. Die meet je door de graden te tellen. Je kunt vanaf de nulmeridiaan 180 graden naar het oosten en 180 graden naar het westen gaan. Daarom spreek je van oosterlengte (O.L.) en westerlengte (W.L.). Amsterdam ligt bijvoorbeeld op 5° O.L. (spreek uit: 5 graden oosterlengte). Met de lengteligging weet je op welke meridiaan een plaats ligt.
lijk ide zu
B 23 Geografische lengte
nd halfro
0° evenaar
Zuidpool
FIGUUR 1.21
185294_BNWRK.indb 20
Geografische lengte.
22/11/18 14:08
21
Plaatsbepaling op aarde
B 22
4
5
New York
3
2
1 24
nach
t
20
Greenwich 19 18
10
O
N
17
11
N
FIGUUR 1.22
E
21:00 uur
21
9
Z
Tokyo
22
7 8
S
dag
T
12
R
13
A
14
L
E
15
B 24
B 25
B 24 Tijdzones
23
6
07:00 uur
B 23
16
N
Tijdverschil op aarde: de meridianen begrenzen de tijdzones.
De meridianen worden ook gebruikt om tijdzones te begrenzen. Dat zie je in figuur 1.22, waar je de aarde ziet vanaf een punt schuin boven de Noordpool. De zon verlicht maar één helft van de aarde; het is daarom alleen op die helft van de aarde dag. Omdat de aarde in 24 uur om haar as draait, komt (bijna) elk deel van de aarde een bepaalde tijd in het licht (dag) en een bepaalde tijd in het donker (nacht). Door het draaien van de aarde begint de dag niet overal op hetzelfde moment. Als in Europa de dag begint, is het in Amerika nog midden in de nacht. Er is daardoor een tijdverschil tussen Europa en Amerika. De tijd van een plaats wordt berekend met de zonnestand. Als de zon midden op de dag hoog aan de hemel staat, is het 12 uur. In figuur 1.22 is het 12 uur op de nulmeridiaan. Dit betekent dat het ten westen hiervan vroeger is en ten oosten later. Eigenlijk heeft elke meridiaan een andere tijd, maar dat is veel te lastig. Daarom is de aarde verdeeld in 24 tijdzones die elk 15 lengtegraden breed zijn (360 graden gedeeld door 24 uur).
1500 - 1850 zeilschepen en paard en wagen, 15 km/uur
B 25 Absolute en relatieve afstand
1850 - 1930 stoomtreinen, 100 km/uur stoomschepen, 20 km/uur
1950 propellervliegtuig, 600 km/uur
1970 straalvliegtuig, 1.000 km/uur nu internet, informatie binnen seconden
FIGUUR 1.23
185294_BNWRK.indb 21
De afstand kun je op twee manieren uitdrukken. De absolute afstand is de afstand in kilometers die hemelsbreed is gemeten. Dit betekent dat de afstand is gemeten in een rechte lijn. Kenmerkend voor de absolute afstand is dat hij voor iedereen gelijk is en nooit verandert. De relatieve afstand is de afstand die je uitdrukt in tijd, kosten en moeite. Relatief wil zeggen dat je iets in relatie (= verband) ziet tot iets anders. Je brengt de reistijd bijvoorbeeld in verband met het vervoermiddel: ga je met de fiets of met de auto? De relatieve afstand is voor iedereen anders. Niet iedereen heeft een rijbewijs of geld om een vliegticket te kopen. En je moet een visum hebben om van Afrika naar Europa te reizen. Relatieve afstand verandert ook in de tijd (figuur 1.23). Het verplaatsen van mensen, goederen en informatie gaat steeds sneller en is steeds goedkoper. Vroeger duurde een reis naar Australië een paar maanden. Nu vlieg je er in 24 uur naartoe.
Verandering van de relatieve afstand in de loop der jaren.
22/11/18 14:08
22
1
Vaardigheden
Aardrijkskundig onderzoek B 26 Aardrijkskundige vragen Bij aardrijkskunde stel je aardrijkskundige vragen. Dat zijn vragen die over een plaats of gebied gaan. Er zijn vijf soorten vragen. beschrijvende vragen: Deze vragen beginnen met woorden als waar, hoe of wat. Bijvoorbeeld: Waar liggen woestijnen? Hoe zien woestijnen in Afrika eruit? verklarende vragen: Deze vragen beginnen met woorden als waarom, waardoor of hoe komt het. Het zijn vragen naar redenen en oorzaken. Bijvoorbeeld: Waarom liggen veel woestijnen rond de keerkringen? voorspellende vragen: Bij voorspellende vragen probeer je een uitspraak te doen over een onbekende situatie. Bijvoorbeeld: Zullen de woestijnen in Afrika zich de komende vijftig jaar uitbreiden? waarderende vragen: Waarderen betekent dat je bekijkt of iets goed of slecht is, en voor wie dat zo is. Bijvoorbeeld: Is het goed of slecht dat de woestijnen zich uitbreiden? probleemoplossende vragen: Als er problemen zijn, willen mensen die graag oplossen. Omdat je niet zeker weet of die oplossing werkt, is het antwoord op een probleemoplossende vraag vaak een voorstel, een advies of een plan. Bijvoorbeeld: Welke oplossingen zijn er om de verwoestijning in Afrika tegen te gaan?
B 27 Hoofdvraag en deelvragen Als je een onderwerp of een gebied gaat bestuderen, stel je één centrale vraag (de hoofdvraag) die je kunt verdelen in enkele deelvragen (figuur 1.24). Bij een aardrijkskundig onderzoek is er altijd een onderwerp (wat) en een gebied (waar). In een goede hoofdvraag beschrijf je ze allebei. Vaak is het ook nodig om aan te geven over welke periode het onderzoek gaat. Goede deelvragen voldoen aan de volgende eisen. De deelvragen geven ieder antwoord op een stukje van de hoofdvraag. Let erop dat de deelvragen niet gaan over andere gebieden of onderwerpen dan de hoofdvraag. Er zijn maximaal vier deelvragen. Deelvragen staan in een logische volgorde. Je hebt bijvoorbeeld het antwoord op de eerste deelvraag nodig om de tweede deelvraag te kunnen beantwoorden. Of je stelt eerst een beschrijvende en daarna een verklarende deelvraag.
HOOFDVRAAG Is de stijging van het aantal toeristen naar Amsterdam in de laatste tien jaar gunstig of ongunstig? DEELVRAAG 1 Wat zijn de voordelen van veel toeristen in Amsterdam? DEELVRAAG 2 Wat zijn de nadelen van veel toeristen in Amsterdam? DEELVRAAG 3 Wie hebben er voordeel van veel toeristen in Amsterdam? DEELVRAAG 4 Wie hebben er nadeel van veel toeristen in Amsterdam? FIGUUR 1.24
B 28 Onderzoeksplan Als je bij aardrijkskunde een onderzoek doet, volg je altijd het Stappenplan aardrijkskundig onderzoek (figuur 1.25). STAP 1
Wat ga je doen? – Vragen stellen
Over welk gebied gaat het onderzoek? Wat is het onderwerp van het onderzoek? Wat weet je al van het gebied en het onderwerp dat je wilt onderzoeken? Wat is je hoofdvraag? Wat zijn je deelvragen? Welke bronnen heb je nodig? Ga je lezen, filmpjes bekijken of ga je zelf waarnemingen doen en interviews houden? STAP 2
Hoe ga je het doen? – Plannen
Hoeveel tijd heb je (nodig)? Met wie ga je samenwerken? Hoe ga je het werk verdelen? STAP 3
Doen! – Informatie verzamelen en verwerken
Bronnen verzamelen, lezen en verwerken. Deelvragen beantwoorden. Hoofdvraag beantwoorden. STAP 4
Laten zien – Presenteren
Presentatie: bijvoorbeeld werkstuk, PowerPoint-presentatie, filmpje, tentoonstelling. STAP 5
Terugblik
Wat heb je geleerd? Wat ging goed? Wat zou je een volgende keer anders doen? Hoe ging de samenwerking? FIGUUR 1.25
185294_BNWRK.indb 22
Voorbeeld van een hoofdvraag met deelvragen.
Stappenplan aardrijkskundig onderzoek.
22/11/18 14:08
23
Aardrijkskundig onderzoek
B 26
FIGUUR 1.26
B 27
B 28
B 29
Mogen er nog nieuwe toeristenwinkels bij in Amsterdam?
B 29 Waarderen ď ľ Eerst beschrijf je iets, dan verklaar je het en ten slotte
waardeer je het. Waarderen betekent dat je je mening geeft over een aardrijkskundig probleem (figuur 1.26). Zo’n probleem pak je aan met het Stappenplan eigen mening (figuur 1.27).
STAP 1
Wat is het probleem?
In het centrum van Amsterdam komen steeds meer winkels voor toeristen. De gemeente wil er geen nieuwe toeristenwinkels meer bij. STAP 2
Wie zijn erbij betrokken?
winkeliers, Amsterdammers, toeristen en de gemeente STAP 3
Wat is hun mening over het probleem?
Winkeliers Er zijn heel veel toeristen in Amsterdam. Die willen heel graag souvenirs kopen. De toeristenwinkels maken veel winst. Amsterdammers De winkels voor toeristen verkopen alleen fastfood, ijs en kaas tegen heel hoge prijzen. Je kunt als binnenstadbewoner bijna nergens meer gewone boodschappen doen. Toeristen Het is wel heel gezellig, die winkeltjes met ijs en kaas. Maar het is ook erg duur. En eigenlijk denk ik niet dat dit het echte Nederland is. De gemeente Amsterdam wordt erg saai met al die fastfoodketens en kaaswinkels. We willen dat er ook winkels voor de gewone Amsterdammers zijn. Daarom mogen er geen nieuwe toeristenwinkels meer bij komen. STAP 4
Wat is jouw eigen mening?
Je moet als een soort rechter goed luisteren naar wat de verschillende partijen willen en waarom ze dat willen. Daarna geef je een eigen oordeel. FIGUUR 1.27
185294_BNWRK.indb 23
Stappenplan eigen mening.
22/11/18 14:08
24
1
Vaardigheden
Buurtprofiel
park portiekflats
gerenoveerde woningen
moskee
appartementencomplex
rijtjeswoningen
(duurdere) vrijstaande koopwoningen
zonnecellen op bestaande koopwoningen
nieuwe speelplaats
brede school (ook bibliotheek, crèche, taalles)
FIGUUR 1.28
Verschillende kenmerken van woningen, bewoners en de woonomgeving.
B 30 Een buurtprofiel maken Een stad is verdeeld in woonwijken en buurten. Iedere buurt heeft zijn eigen kenmerken als je kijkt naar de woningen, de bewoners en de woonomgeving (figuur 1.28). Met deze kenmerken kun je een buurtprofiel maken (figuur 1.29). Een buurtprofiel laat zien hoe een buurt of wijk ervoor staat. Een ‘goede’ wijk heeft bijvoorbeeld veel koopwoningen, hoge inkomens, hoogopgeleide inwoners en weinig werkzoekenden. Ook zijn er weinig inbraken en voelen de mensen zich veilig op straat. Alle kenmerken samen zorgen ervoor dat de inwoners zich prettig of niet prettig voelen in hun woonwijk. Ze zeggen iets over de leefbaarheid van een woonwijk.
185294_BNWRK.indb 24
B 31 Woningkenmerken De woningen in een woonwijk kun je op verschillende manieren indelen. Het gemakkelijkst zichtbare kenmerk is het woningtype. Eengezinswoningen zijn vrijstaande huizen, twee-onder-eenkapwoningen en rijtjeswoningen. Dat zijn voorbeelden van laagbouw: ze hebben één, twee of drie verdiepingen. Meergezinswoningen zijn voorbeelden van gestapelde bouw. Het zijn flats met appartementen en beneden- en bovenwoningen. Ook woningen boven bedrijven horen erbij. Gebouwen met meer dan vier verdiepingen noem je hoogbouw.
22/11/18 14:08
25
Buurtprofiel
B 30
B 31
B 32
B 33
Verder kun je kijken naar het onderhoud van de woningen. Je let dan bijvoorbeeld op de kwaliteit van het schilderwerk en de staat van de keuken en de badkamer. Dat kun je niet allemaal aan de buitenkant zien. Samen met de grootte van de woning bepaalt de staat van het onderhoud voor een belangrijk deel de prijs van een woning.
B 32 Bewonerskenmerken
twee-onder-eenkapwoningen
sportvoorzieningen
Woningkenmerken - woningtype - ouderdom woningen - koop of huur - huizenprijs: onderhoud, grootte Bewonerskenmerken - - - - -
huishoudensgrootte gezinsfase leeftijdsopbouw inkomen etniciteit
Woonomgeving - relatieve ligging - voorzieningen - openbare ruimte - sociale veiligheid - verbeteringen FIGUUR 1.29
Buurtprofiel.
Je kunt ook kijken naar de bouwperiode: zijn de huizen gebouwd vóór 1900, tussen 1900 en 1940, of in de jaren daarna? Wijken die jonger zijn dan dertig jaar, noem je nieuwbouwwijken. Als de bewoners eigenaar zijn van de woning, is het een koopwoning. Bij een huurwoning is de bewoner zelf geen eigenaar, maar huurt hij het huis van een andere eigenaar. Vaak is dat een woningbouwvereniging die huizen bouwt om ze te verhuren. Huurwoningen zijn vaak te herkennen, omdat ze allemaal dezelfde kleuren schilderwerk hebben.
185294_BNWRK.indb 25
Er zijn ook verschillen tussen de bewoners van een woonwijk. Een wijk bestaat uit verschillende soorten huishoudens. Een huishouden bestaat uit één of meer mensen die samen in een huis wonen. Je kunt kijken naar de huishoudensgrootte. Dat is het aantal mensen dat in één woning woont. De huishoudensgrootte varieert meestal van één persoon tot vier of vijf personen. Bij de samenstelling van de huishoudens kijk je ook naar de gezinsfase. Er zijn drie groepen: gezinnen met kinderen, stellen zonder kinderen en eenpersoonshuishoudens. Ook de leeftijdsopbouw zegt veel over een wijk: wonen er veel kinderen (0 - 15 jaar) of juist veel ouderen (65-plussers)? Je kunt ook kijken naar het inkomen van de bewoners in een wijk. In rijke wijken hebben veel mensen een hoog opleidingsniveau, een goede baan en een hoog inkomen. In arme wijken zijn veel bewoners laagopgeleid, hebben ze een laag inkomen en zijn ze vaker werkloos. Een ander kenmerk is de etniciteit van de bewoners. In sommige wijken wonen veel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.
B 33 Kenmerken van de woonomgeving Behalve naar woningen en mensen kun je ook kijken naar de wijk als geheel. Je let daarbij op de ligging van de wijk ten opzichte van andere wijken, grote wegen en het stadscentrum. Verder let je op verschillende zaken in de wijk zelf. De voorzieningen in de wijk vertellen vaak iets over de inwoners. Uit het soort winkels of de aanwezigheid van een kerk, moskee of buurthuis kun je iets afleiden over het inkomen of de etniciteit van de bewoners. En speeltuinen en trapveldjes zeggen iets over de gezinsfase van veel bewoners in een wijk. Bij de openbare ruimte, zoals de straten en het groen, let je op de hoeveelheid parkeer- en speelgelegenheid en of die plekken goed zijn onderhouden. De sociale veiligheid kun je afleiden uit het aantal verkeersongelukken en inbraken in een jaar. Maar ook uit hoe veilig de bewoners van een wijk zich thuis en op straat voelen. Vaak spelen overlast van verkeer, hangjongeren en rommel op straat daarbij een belangrijke rol. Ten slotte kun je soms voorbeelden vinden van verbeteringen in een buurt. Er zijn dan bijvoorbeeld nieuwe speeltuintjes en opgeknapte woningen. Gemeenten, woningbouwverenigingen en bewoners werken daarbij vaak samen.
22/11/18 14:08
9 789006 619218
D E GEO BASISBOEK
Ontdek waar het om draait
www.thiememeulenhoff.nl/degeo
185294_OMSL.indd 1
9 789006 185294
22/11/18 14:32