9
789055 746392
Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg
Het boek is bestemd voor professionele hulpverleners in de jeugdzorg en hun begeleiders, voor methodeontwikkelaars en voor studenten.
N.W. SLOT | H.J.M. SPANJAARD
Competentievergroting betekent dat aandacht niet alleen uitgaat naar problemen, maar ook naar het positieve gedrag. Het is een motiverende aanpak omdat de betrokkenen worden aangesproken op hun mogelijkheden in plaats van hun beperkingen. Het leren van sociale en cognitieve vaardigheden die nodig zijn voor thuis, op school, op het werk en in de vrije tijd staat centraal. De werkwijze van competentievergroting grijpt terug op leertheoretische principes en elementen uit de ontwikkelingspsychologie. Onderzoek toont aan dat een aanpak gericht op competentievergroting goede resultaten oplevert: de nadruk op het aanleren van sociale en cognitieve vaardigheden en het versterken van sociale ondersteuning stelt jeugdigen en ouders in staat beter te functioneren in het dagelijks leven. Dit boek staat uitgebreid stil bij de vraag hoe competentievergroting in de praktijk van de residentiële hulpverlening gerealiseerd kan worden. De technieken en hulpmiddelen worden op praktische en concrete wijze en aan de hand van veel voorbeelden beschreven. De eerste druk van het boek heeft vanaf 1999 een belangrijke rol gespeeld bij de wijde verspreiding van deze werkwijze. Sindsdien hebben zich in de jeugdzorg tal van ontwikkelingen voorgedaan. Daarom is het boek in 2009 herzien en uitgebreid. In deze nieuwe editie is er meer aandacht voor de positie van de ouders. Het aantal diagnostische hulpmiddelen is uitgebreid. Ook komen de cognitieve en morele aspecten van gedragsverandering beter aan bod.
Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg H.J.M. SPANJAARD
N.W. SLOT
N.W. Slot H.J.M. Spanjaard
Competentievergroting in de residentiĂŤle jeugdzorg Hulpverlening voor kinderen en jongeren in tehuizen
Derde, geheel herziene druk
Omslagontwerp: Studio Pietje Precies, Hilversum Vormgeving binnenwerk: Elgraphic + DTQP bv, Schiedam Afbeelding op het omslag: ‘De zusjes’ (1955) door Eugène Brands Illustraties: Juliette de Wit
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 5574 639 2 Derde, geheel herziene druk, vierde oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 1999, 2009 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www. stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Inhoud
Woord vooraf
1
13
Kinderen en jongeren in de residentiële jeugdzorg
15
1.1 1.2
Inleiding 15 Wat is residentiële jeugdzorg? 15 1.2.1 In de bossen of in de wijk? 16 1.2.2 Hoe ziet een leefgroepruimte eruit? 18 1.2.3 Taken van de groepsleider: verzorgen, opvoeden en behandelen 19 1.2.4 Jongeren betrekken bij de gang van zaken in de leefgroep 21 1.3 Residentiële hulp in allerlei soorten en maten 22 1.3.1 Leefgroepen voor normaal begaafde jeugd 24 1.3.2 Behandelinrichtingen voor gesloten jeugdzorg 25 1.3.3 Jeugdinrichtingen 26 1.3.4 Leefgroepen in psychiatrische centra 26 1.3.5 Tehuizen voor kinderen en jongeren met beperkingen 27 1.3.6 Kamertraining en begeleid wonen 27 1.3.7 Andere vormen van residentiële zorg voor kinderen en jongeren 28 1.4 Competentievergroting in een leefgroep: zes basiselementen 28 1.5 Effectiviteit van hulpverlening gericht op competentievergroting 32 1.5.1 Het onderscheid tussen model en methode 32 1.5.2 Methoden die uitgaan van competentievergroting 32 1.5.3 Competentievergroting in relatie tot internationale literatuur 34 Bijlage: Kerntaken van groepsleiders 36
2
De theoretische basis van competentievergroting
39
2.1 2.2
Inleiding 39 Competentie als ontwikkelingspsychologisch begrip
40
5
2.2.1
2.8 2.9
Competentie: voldoende vaardigheden om ontwikkelingstaken te vervullen 40 2.2.2 Ontwikkelingstaken, subtaken en vaardigheden 41 Factoren die competentie beïnvloeden 43 2.3.1 Factoren die competentie negatief beïnvloeden: stressoren, psychische stoornissen en cognitieve beperkingen 43 2.3.2 Factoren die competentie positief beïnvloeden: protectieve factoren 44 Competentie van kinderen en ouders: een transactioneel model 46 De leertheorieën en competentievergroting 48 2.5.1 Klassieke leertheorie 48 2.5.2 Operante leertheorie 49 2.5.3 Sociale leertheorie 50 2.5.4 Zelfmanagementmodel 51 Competentiegerichte strategieën 52 2.6.1 Strategieën gericht op ontwikkelingstaken en externe factoren 53 2.6.2 Strategieën gericht op interne factoren 54 Technieken ter ondersteuning van strategieën 56 2.7.1 Technieken die de groepsleiding aanwendt 56 2.7.2 Technieken om het eigen gedrag te sturen 57 2.7.3 Cognitieve technieken om gedachten en gevoelens te beïnvloeden 57 Beïnvloeding van de morele ontwikkeling 59 Beïnvloeding van het gezinssysteem 61
3
De dagelijkse routine
2.3
2.4 2.5
2.6
2.7
3.1 3.2
62
Inleiding 62 De dagelijkse routine: een praktisch begrip bij de planning en de uitvoering van hulpverlening 62 3.3 Een overzichtelijk en leefbaar klimaat 65 3.4 Mogelijkheden tot observatie 65 3.4.1 De dagelijkse routine bij aanvang van de behandeling 65 3.4.2 De dagelijkse routine tijdens het verdere verloop van de behandeling 65 3.5 Mogelijkheden tot interventies 66 3.6 Herstel van de dagelijkse routine bij incidenten en crises 67 3.7 Het in kaart brengen en evalueren van een dagelijkse routine 69 3.7.1 Criteria voor een goede dagelijkse routine 69 3.7.2 Het in kaart brengen van de dagelijkse routine van een leefgroep 70 3.8 De dagelijkse routine bij het opzetten van nieuwe behandelingsmethoden 74 3.9 De rondleiding: introductie tot de dagelijkse routine 75 Bijlage: Taken en vaardigheden uit een dagelijkse routine 77
6
4 4.1. 4.2
Observeren en communiceren
83
4.8
Inleiding 83 De meest zinvolle communicatie en observaties vinden buiten het kantoor plaats 83 Grondhouding 84 4.3.1 Veiligheid 85 4.3.2 Belangstelling en betrokkenheid 87 4.3.3 Afstand en nabijheid 88 4.3.4 Positief en activerend 89 4.3.5 Respectvol woordgebruik en humor 90 4.3.6 Positie kiezen en grenzen stellen 91 4.3.7 Weten wat je valkuilen zijn 92 Observeren in termen van gedrag en vaardigheden 93 4.4.1 Gedrag, cognities en emoties 93 4.4.2 Observeren in termen van concreet gedrag 94 4.4.3 Observeren van vaardigheden 96 Observeren uit de tweede hand 99 Gesprekstechnieken: professionaliteit en grondhouding 103 4.6.1 Uitnodigen 104 4.6.2 Aanmoedigen en het laten bestaan van stiltes 105 4.6.3 Vragen om verduidelijking: open, meerkeuze- en gesloten vragen 105 4.6.4 Korte samenvattingen 107 4.6.5 Reflecties van gevoelens 107 4.6.6 Vragen naar de mening van de jongeren 109 4.6.7 Praten over morele dilemma’s 109 4.6.8 Informatie geven 111 4.6.9 Praten met jonge kinderen: enkele tips 112 4.6.10 Praten over gevoelige onderwerpen 113 4.6.11 Slecht-nieuws-gesprek 115 4.6.12 Het twee-kolommen-gesprek 116 Mentorgesprekken 118 4.7.1 Wat doet een mentor? 118 4.7.2 De mentor in gesprek met de jongere 118 Tot slot 121
5
Informatie, analyse, doelen en werkpunten
4.3
4.4
4.5 4.6
4.7
5.1 5.2 5.3
122
Inleiding 122 Van hulpvraag naar hulpverleningsplan 122 Het verzamelen van informatie 128 5.3.1 Informatie via Bureau Jeugdzorg 128
7
5.3.2 5.3.3 5.3.4
5.7
Informatie uit het kennismakingsgesprek 129 Hulpmiddelen voor informatieverzameling 129 Observatie van het functioneren van de jongere in het leven van alledag 136 5.3.5 Gesprekken met de jongere 139 5.3.6 Een voorlopig werkplan 140 5.3.7 De competentielijst 141 5.3.8 Diagnostisch onderzoek naar aanwezigheid van stoornissen 143 Competentie- en probleemanalyse 145 5.4.1 Competentieanalyse 145 5.4.2 Probleemanalyse en delictbespreking 152 Het stellen van doelen en werkpunten 155 5.5.1 Het stellen van doelen 156 5.5.2 Jongeren motiveren voor minder aantrekkelijke doelen 159 5.5.3 Het formuleren van werkpunten 160 Evaluatie en bijstelling van doelen en werkpunten 163 5.6.1 Evalueren en bijstellen van werkpunten 164 5.6.2 Evalueren en bijstellen van doelen: voortgangsrapportage en hulpverleningsplanbespreking 165 Afsluiting 167
6
Fasering
5.4
5.5
5.6
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8
7 7.1 7.2 7.3
169
Inleiding 169 Drie fasen 171 Fase 1: Functioneren in de leefgroep en wennen aan de behandelingsmethode 173 Promotie: vrijheden en verantwoordelijkheden nemen toe 176 Fase 2: Het realiseren van individuele doelen en werkpunten 179 Fase 3: Vertrek 181 Informatieverzameling, analyse en hulpverleningsplanning in verschillende fasen 182 Nazorg 183
Technieken om vaardigheden te leren en inadequaat gedrag te verminderen 185 Inleiding 185 Dimensies voor gedragsverandering 186 Uitgangspunten bij het toepassen van technieken 187 7.3.1 Meer nadruk op adequaat dan op inadequaat gedrag
8
187
7.9 7.10 7.11
7.3.2 Een concrete beschrijving van het gedrag 188 7.3.3 Positieve formuleringen 189 7.3.4 Aansluiten op het vaardigheidsniveau van de jongere 189 7.3.5 Vergroten van de acceptatie 190 7.3.6 Versterking van positieve kernovertuigingen 190 Geplande en ongeplande leermomenten 192 Onderdelen die bij alle technieken terugkomen 193 7.5.1 Contact maken 193 7.5.2 Concreet omschrijven van gedrag in stappen 194 7.5.3 Het gebruik van ‘waaroms’ 195 7.5.4 Afsluiten 196 Technieken om adequaat gedrag te versterken en te instrueren 198 7.6.1 Feedback op adequaat gedrag 198 7.6.2 Instructie 200 7.6.3 Voordoen 201 7.6.4 Oefenen 203 Technieken om inadequaat gedrag te verminderen 204 7.7.1 Corrigerende instructies 205 7.7.2 Gedragssuggestie 207 7.7.3 Verkorte corrigerende instructie 208 7.7.4 Voordoen en oefenen 209 7.7.5 Sturende feedback 210 7.7.6 De stopinstructie 212 7.7.7 Apart zetten 213 7.7.8 Discussie: kunnen of willen? 215 Sancties en waarschuwingen 216 7.8.1 Sancties 216 7.8.2 Waarschuwingen 218 Timing en inseinen 220 Van externe sturing naar zelfsturing 222 Tot slot 223
8
Feedbacksystemen
7.4 7.5
7.6
7.7
7.8
8.1 8.2 8.3
8.4
225
Inleiding 225 Wat zijn feedbacksystemen? 225 Het puntensysteem, een veel gebruikt feedbacksysteem 226 8.3.1 De puntenkaart 226 8.3.2 Dagelijks verschil, dagelijks minimum en spaarpunten 8.3.3 Kaart wisselen 230 Toepassing van het puntensysteem 232 8.4.1 Taalgebruik, punten en sancties 232
229
9
8.4.2 8.4.3 8.4.4 8.4.5
Motivatie om mee te doen 233 Koppeling van het puntensysteem aan de fasering 233 De keuze voor privileges 234 Verschillende varianten: gestructureerde versus ongestructureerde puntenkaarten 236 8.4.6 Zelfbeoordeling en zelfmanagement 239 8.5 Discussiepunten en vooroordelen ten aanzien van het puntensysteem 241 8.6 Vervolgsystemen 245 8.6.1 Een dagelijks scoringssysteem 245 8.6.2 Zelfbeoordelingskaart 248 8.6.3 Voordelen en nadelen van dagelijkse en wekelijkse scoringssystemen 250 8.7 Schoolkaart 251 8.8 Beëindiging van feedbacksystemen 253 Bijlage: Vragen voor de evaluatie van feedbacksystemen 254
9
Regels en overleg
9.1 9.2 9.3
256
Inleiding 256 De functie van regels 257 Regels in relatie tot rechten, vrijheden, verplichtingen, verboden, afspraken en aanwijzingen 261 9.4 Vastleggen en aanpassen van regels 263 9.5 Criteria voor het formuleren van regels 264 9.5.1 Respect 264 9.5.2 Een concrete beschrijving 264 9.5.3 Positieve formulering 265 9.5.4 ‘Waaroms’ 266 9.5.5 Controleerbaarheid 266 9.6 Bekendmaken van regels 267 9.7 Beperkingen van regels 267 9.7.1 Seks & drugs 267 9.7.2 Regels bieden geen volledige bescherming 268 9.7.3 De toenemende roep om regels na de start van een nieuwe leefgroep 270 9.8 Groepsoverleg 270 9.8.1 Opzet van het overleg 270 9.8.2 Overleg bij bijzondere gebeurtenissen 273 9.9 Managersysteem 273 9.10 Wanneer regels niet opgevolgd worden 275 Bijlage 1: Voorbeelden van regels 277 Bijlage 2: Regels over huishoudelijke taken 279
10
10 10.1 10.2 10.3
De rol van ouders
282
10.6 10.7
Inleiding 282 Ouders zijn betrokken 282 Indicatie en plaatsing 284 10.3.1 Eigen Kracht-conferentie 285 10.3.2 Het gezamenlijk onderzoek 286 10.3.3 Een ambulant voortraject 291 Contacten met het gezin tijdens het verblijf in het tehuis 292 10.4.1 Wie doet wat? 292 10.4.2 Communiceren met ouders 294 De rol van ouders bij vertrek uit het tehuis 299 10.5.1 Vertrek 299 10.5.2 Terug naar huis 300 10.5.3 Naar een vervolginstelling 301 10.5.4 Naar zelfstandigheid 302 De rol van ouders bij tussenvormen van residentiĂŤle en ambulante hulp Slot 305
11
Incidenten en crisissituaties
10.4
10.5
11.1 11.2 11.3
1.4
11.5
306
Inleiding 306 Begripsbepalingen 307 Basisprincipes bij incidenten en crisissituaties 307 11.3.1 Geef voorrang aan de dagelijkse routine 307 11.3.2 Grijp in aan het begin van een gedragsketen 308 11.3.3 Benoem het aandeel van de jongere in termen van taken en vaardigheden 310 11.3.4 Vraag assistentie en verdeel de rollen 311 11.3.5 Stel de veiligheid van jezelf en anderen voorop 313 Spanning reducerende non-verbale signalen 314 11.4.1 Ruimtelijke positie ten opzichte van jongeren 314 11.4.2 Stemgeluid en oogcontact 315 11.4.3 Bewegingen 315 11.4.4 Fysiek contact 316 Technieken om inadequaat gedrag te stoppen en om te buigen 317 11.5.1 Verkorte corrigerende instructies 317 11.5.2 De verkorte corrigerende instructie tijdens afleidend gedrag 317 11.5.3 De verkorte corrigerende instructie tijdens inadequaat gedrag met een acuut karakter 319 11.5.4 De verkorte corrigerende instructie tijdens ernstig inadequaat gedrag en geblokkeerde dagelijkse routine 319
11
303
11.9
11.5.5 Is de techniek van de verkorte instructie haalbaar en realistisch? 322 Enkele fysieke technieken 323 11.6.1 Fysieke beheersing 323 11.6.2 Het stopteken en het schepje 325 11.6.3 Fysiek sturen 326 Apart zetten 329 De invloed van niet direct betrokkenen tijdens incidenten en crisissituaties 331 11.8.1 Maak onderscheid tussen wel- en niet-betrokkenen 331 11.8.2 Maak de niet-betrokkenen belangrijk en informeer hen 332 11.8.3 Geef niet-betrokkenen een aandeel in het oplossen van het incident of de crisis 332 Tot slot 333
12
Samenwerking tussen groepsleiding en andere disciplines
11.6
11.7 11.8
12.1 12.2 12.3 12.4 12.5
12.6
12.7
334
Inleiding 334 Aanvullende en gemeenschappelijke verantwoordelijkheden 334 Verschillende rollen en verantwoordelijkheden bij multidisciplinair werken 335 Samenwerking tussen groepsleiders en diagnostici 337 Samenwerking tussen groepsleiders en therapeuten 338 12.5.1 Soorten therapie 338 12.5.2 Overleg tussen de groepsleiding en de therapeut 340 Samenwerking tussen de leefgroep en de school 340 12.6.1 Samenwerking met aan school verwante voorzieningen en met werk 242 Samenwerking tussen groepsleiding, ambulante begeleiding en gezins(systeem)therapeuten 343
Referenties
345
Over de auteurs
12
347
Woord vooraf
Hulpverleners die met kinderen en jongeren in tehuizen werken, hechten steeds meer belang aan het vergroten van competentie. Dat betekent dat hun aandacht niet alleen uitgaat naar problemen, maar ook naar het positieve gedrag. Daarbij wordt veel nadruk gelegd op het leren van vaardigheden die nodig zijn voor het leven thuis, op school, op het werk en in de vrije tijd. Het is niet eenvoudig om competentievergroting in praktijk te brengen. Dit geldt vooral voor de groepsleiders die soms overspoeld worden door het probleemgedrag van de bewoners waardoor de aandacht voor positief gedrag en ontwikkelingskansen naar de achtergrond dreigt te verschuiven. Dit boek staat uitgebreid stil bij de vraag hoe competentievergroting in de praktijk van de residentiële hulpverlening gerealiseerd kan worden. Het is een boek voor groepsleiders en hun begeleiders, voor methodeontwikkelaars en voor studenten. De methodische aspecten in dit boek grijpen terug op de ontwikkelingspsychologie en de leertheorieën. We hebben het aantal theoretische uiteenzettingen beperkt omdat we vooral een praktijkboek wilden maken. In 2009 is het boek herzien. Dit was nodig omdat zich in de jeugdzorg verschillende veranderingen hebben voorgedaan. Bovendien waren enkele belangrijke onderwerpen in de eerste versie onderbelicht gebleven. In deze nieuwe editie is er meer aandacht voor de positie van de ouders. Het aantal diagnostische hulpmiddelen is uitgebreid en sommige gedragsveranderende technieken zijn concreter beschreven op grond van praktijkervaringen. Ook komen de cognitieve en morele aspecten van gedragsverandering beter aan bod. Bij het schrijven van dit boek is dankbaar gebruik gemaakt van de ervaringen die groepsleiders en hun begeleiders in de praktijk met competentievergroting hebben opgedaan. Onze collega’s van PI Research hebben de afgelopen jaren bijgedragen aan de verdere ontwikkeling van de methoden die in de residentiële jeugdzorg kunnen worden aangewend om de competentie van ouders, kinderen en adolescenten te vergroten. Zij hebben hun ervaringen met ons gedeeld en
13
suggesties gedaan ter verbetering van dit boek. Wij zijn hen daar zeer erkentelijk voor. In het boek worden regelmatig kinderen en jongeren opgevoerd. De namen zijn aangepast en soms is het verhaal wat gewijzigd om herkenning te voorkomen. Met deze concrete voorbeelden willen we tot uitdrukking brengen dat de uiteindelijke toetsing van een methode plaatsvindt in het dagelijkse contact met kinderen, jongeren en ouders.
Wim Slot en Han Spanjaard
14
1 Kinderen en jongeren in de residentiële jeugdzorg 1.1 Inleiding Sommige kinderen en jongeren wonen voor kortere of langere tijd in een leefgroep in een residentiële instelling. Zij kunnen niet bij hun ouders wonen vanwege opvoedingsproblemen, problematiek van de jeugdige zelf of een combinatie van beide. Zij worden verzorgd, opgevoed en behandeld door professionals: groepsleiders, ambulant werkers, gedragswetenschappers, therapeuten en leerkrachten of arbeidstrainers. In paragraaf 1.2 komt aan de orde wat een tehuis is, hoe een leefgroep eruitziet en wat de taken van de groepsleiders zijn. In paragraaf 1.3 volgt een overzicht van verschillende soorten tehuizen en leefgroepen. De in dit boek beschreven manier van werken met kinderen en jongeren is gericht op competentievergroting. In paragraaf 1.4 wordt bij wijze van inleiding op de andere hoofdstukken van dit boek een korte schets gegeven van de basiselementen van deze methode. In paragraaf 1.5 wordt ingegaan op de effectiviteit van methoden gericht op competentievergroting.
1.2 Wat is residentiële jeugdzorg? We spreken van residentiële jeugdzorg wanneer kinderen en/of jongeren dag en nacht opgenomen zijn in een voorziening waar ze verzorgd, opgevoed en eventueel ook behandeld worden. Voor voorzieningen voor residentiële jeugdzorg zijn diverse namen in omloop. De begrippen ‘tehuis’, ‘inrichting’, ‘internaat’, ‘centrum’ en ‘kliniek’ zijn de meest voorkomende. Onder deze termen
15
wordt veelal een groot gebouw of een verzameling gebouwen verstaan waarin een of meer leef- of behandelgroepen gehuisvest zijn. Gemakshalve spreken we in dit boek verder over ‘tehuizen’ en ‘leefgroepen’, waarmee we in veel gevallen ook ‘internaten’, ‘inrichtingen’, ‘centra’ en ‘klinieken’ respectievelijk ‘behandelgroepen’ bedoelen. Leefgroepen bieden meestal plaats aan zes tot tien kinderen en/of jongeren. Maar ze zijn er ook voor kleinere aantallen bewoners. Leefgroepen verschillen qua begeleiding en behandeling in intensiteit, wat zich weerspiegelt in de verhouding tussen het aantal jongeren en het aantal groepsleiders: hoe intensiever de behandeling, hoe groter het aantal groepsleiders en hoe kleiner de groepsgrootte. De dagelijkse verzorging, opvoeding en behandeling worden uitgevoerd door een team van groepsleiders, ook wel ‘pedagogisch medewerkers’, ‘sociotherapeuten’ of ‘inrichtingswerkers’ genoemd. De taken van de groepsleiding worden omvangrijker naarmate de jongeren – op basis van leeftijd of beperkingen – meer verzorging nodig hebben en hun problemen omvangrijker en ingewikkelder zijn. Hoe intensiever de verzorging en behandeling, des te groter het takenpakket voor de groepsleiding en des te groter het team. Op basis hiervan verschillen leefgroepen in: – de begeleiding overdag: er zijn verschillen wat betreft het aantal groepsleiders dat op bepaalde momenten van de dag, ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds, tegelijkertijd werkt; – de mate waarin groepsleiders naast het werken op leefgroep nog andere taken hebben, zoals het uitvoeren van trainingsmodules en contact met de ouders van de jongere; – de begeleiding tijdens de nacht, variërend van slaapdienst door de groepsleiding (al dan niet wakker) tot een nachtwaker of zelfs in het geheel geen begeleiding tijdens de nacht. Veel teams van leefgroepen bestaan uit zes à acht groepsleiders. Soms is een van de groepsleiders ‘meewerkend’ teamleider, soms is er een aparte teamleider die leiding geeft aan een of twee leefgroepen. Daarnaast is er vaak een gedragswetenschapper als behandelcoördinator aan een team verbonden.
1.2.1
In de bossen of in de wijk? Sommige residentiële instellingen zijn gevestigd op een afgebakend terrein met daarop verschillende gebouwen. Hierin zijn de leefgroepen gehuisvest, soms één per gebouw, soms ook twee of drie. Bij grotere tehuizen zijn er op het terrein vaak ook nog een school, een of meer werkvoorzieningen en een vrijetijds- of activiteitencentrum. Vroeger was het gebruikelijk leefgroepen te huisvesten op een groot terrein, enigszins afgelegen van de bewoonde wereld. Vooral in het wat bosrijker mid-
16
den en oosten van het land zijn in de loop van de twintigste eeuw veel tehuizen en internaten ontstaan. Jongeren werden hierdoor afgeschermd tegen de mogelijk ‘slechte invloeden’ van de stad en in een gecontroleerde ‘gezonde’ omgeving opgevoed en begeleid bij het volgen van onderwijs en het leren van een vak. Bij een aantal tehuizen met een heel lang verleden speelt nog een andere reden: destijds was de grond in deze contreien relatief goedkoop en waren er mogelijkheden jongeren te werk te stellen, bijvoorbeeld bij de ontginning van veengronden. In de jaren zeventig en tachtig werden verscheidene tehuizen vanuit dunner bevolkte gebieden verhuisd naar stedelijke agglomeraties. Tegenwoordig worden de leefgroepen meer in woonwijken gehuisvest, bijvoorbeeld door twee eengezinswoningen met elkaar te verbinden en te verbouwen tot een leefgroepruimte. Binnen deze leefgroepen speelt het deelnemen aan het reguliere leven in de samenleving een grotere rol: de jongeren gaan naar een school in de buurt en maken voor vrijetijdsbesteding gebruik van voorzieningen en clubs in de wijk. De doelstellingen in deze leefgroepen zijn gericht op het omgaan met de eisen die het dagelijks leven in de samenleving stelt. Enerzijds worden de jongeren gestimuleerd zo veel mogelijk deel te nemen aan de samenleving buiten het tehuis. Anderzijds wordt de samenleving zo veel mogelijk binnen de muren van het tehuis gehaald, bijvoorbeeld door ouders, vrienden van de jongeren en ook buurtbewoners regelmatig op bezoek te laten komen. In sommige tehuizen zijn de doelstellingen meer gericht op het vergroten van inzicht. Men vindt het belangrijk dat de jongeren meer begrip krijgen van de oorzaken van hun problemen. Of men probeert de jongere via bepaalde ervaringen – denk aan overlevingstochten – tot een beter inzicht in zichzelf te stimuleren. De eisen die het dagelijks leven aan de jongeren stelt, worden in deze tehuizen even naar de achtergrond geschoven: tijdens therapie of tijdens een overlevingstocht hoeven ze bijvoorbeeld niet naar school. Jeugdinrichtingen worden de laatste jaren voornamelijk aan de rand van een stad, op industrieterreinen gebouwd. Voor jongeren in gesloten inrichtingen is aansluiting op de samenleving moeilijk omdat deze jongeren geen of zeer beperkte vrijheid hebben zich buiten de muren of hekken van de inrichting te begeven. Bovendien ligt in sommige jeugdinrichtingen de nadruk in eerste instantie op het vergroten van inzicht en/of het behandelen van individuele problematiek, los van de eisen van het dagelijks leven. Deze noodzaak kan bijvoorbeeld voortkomen uit het feit dat de jongere een zeer ernstig delict heeft gepleegd en om die reden tijdelijk buiten de samenleving geplaatst moet worden. Soms kiest men in instellingen voor een methode en een leefklimaat die sterk afwijken van het alledaagse leven in de samenleving. De jongeren starten bijvoorbeeld met een lange zeiltocht. Ze worden – soms op onverwachte momenten – voor groepsopdrachten gesteld. In sommige projecten probeert men daarbij gedragsverandering te bewerkstellingen door een disciplinering met
17
militaire kenmerken. Deze programma’s zijn niet onomstreden. De kritiek betreft het feit dat jongeren in dit soort voorzieningen onvoldoende gelegenheid krijgen de vaardigheden te leren die ze na hun verblijf nodig hebben om op een goede manier in hun eigen omgeving te functioneren.
1.2.2
Hoe ziet een leefgroepruimte eruit? Een belangrijk deel van het leven in een tehuis speelt zich af in een leefgroepruimte. Dit is een grote huiskamer met een of twee eettafels en een zithoek met een televisie. Afhankelijk van de ruimte en de leeftijd van de jongeren die er wonen, is er eventueel nog een aparte hoek voor spel en hobby. Hier kan een spelcomputer staan, een tafelvoetbalspel of een tafeltennistafel. Er zijn leefgroepen die behalve een huiskamer ook nog een aparte spel- en hobbyruimte hebben. Alle leefgroepruimtes hebben een al dan niet open keuken. Als er op de leefgroep zelf gekookt wordt is deze redelijk groot en volledig ingericht. Als het warme eten door een centrale keuken van het tehuis of een cateringbedrijf wordt geleverd is de keuken kleiner. De jongeren hebben allen een eigen kamer; kinderen tot twaalf jaar delen soms (op verzoek) een kamer. Uiteraard zijn er toiletten, douches en bergruimte. Vaak is er een aparte kamer voor de groepsleiding, al dan niet met een bed voor de slaapdienst. De meeste leefgroepen hebben een extra spreekkamer voor het voeren van bepaalde gesprekken en overleg. Sommige centra, met name jeugdinrichtingen en psychiatrische voorzieningen, beschikken bovendien over een afzonderingsruimte: een prikkelarme ruimte waar een jongere voor korte tijd afgezonderd kan worden en waar een minimum aan spullen aanwezig is. Bij de indeling en inrichting van een leefgroep en de huiskamer wordt rekening gehouden met de leeftijd, het niveau en de problematiek van de jongeren. Ook de gekozen behandelingsmethode stelt eisen aan de fysieke omgeving. Enkele aspecten waarmee bij de bouw, indeling en inrichting van de ruimte rekening gehouden moet worden, zijn: – veiligheid; – warmte en gezelligheid; – mogelijkheden tot activiteit en ontwikkeling, zoals bewegingsvrijheid ten behoeve van spel; – de mate waarin gangen, douches, toiletten e.d. (in een enkele oogopslag) te overzien zijn door de groepsleiding; – mogelijkheden voor jongeren zich terug te trekken; – mogelijkheden jongeren taken te laten uitvoeren (schoonmaken, helpen bij koken en afwas, zelf koken, enzovoort); – openheid voor de buitenwereld; dat wil zeggen dat de aankleding zodanig is, dat bezoek zich welkom en prettig voelt.
18
1.2.3
Taken van de groepsleider: verzorgen, opvoeden en behandelen Wanneer kinderen of jongeren in een residentiële instelling worden opgenomen, wordt (een deel van) de verzorging en opvoeding van de ouders overgenomen door de groepsleiding. Verzorging betekent dat de groepsleider zorg draagt voor de elementaire levensbehoeften, zoals nachtrust, een dagritme, kleding, eten, drinken, lichamelijke verzorging, veiligheid en steun. De groepsleiding zorgt dat jongeren op tijd naar bed gaan en wakker zijn. De groepsleiding houdt in de gaten dat jongeren genoeg en gezond eten. Ook bemoeit de groepsleider zich met de kleding van de jongeren en met hoe, waar en wanneer ze zich wassen. De groepsleider zorgt voor het leefbaar houden van de huiskamer en voor sfeer en gezelligheid, bijvoorbeeld door leuke dingen met de jongeren te doen en feestjes te vieren. De groepsleiding stimuleert dat jongeren in de leefgroep contact met elkaar opbouwen.
VO O R B E E L D Een belangrijk moment waarop de jongeren contact hebben met elkaar en de groepsleiding is tijdens de maaltijd. Wanneer jongeren gezonde voeding krijgen die er smakelijk uitziet en die op een huiselijke manier wordt opgediend (bijvoorbeeld in schalen en niet in metalen bakken), dan beïnvloedt dit niet alleen de sfeer tijdens de maaltijd, maar ook erna.Tevens leren jongeren dat eten niet alleen iets is waarmee je je maag vult, maar dat dit ook een gelegenheid is waarbij je op een leuke manier contact kunt hebben met anderen.
Veiligheid ontstaat doordat groepsleiders met regels en een min of meer vast dagritme structuur aanbieden. Door regelmatige aanwezigheid geven groepsleiders de mogelijkheid een goed contact met hen op te bouwen. Groepsleiders voeren korte en langere gesprekken met jongeren en weten veel van hun achtergronden. Het contact tussen groepsleiders en jongeren is niet gebaseerd op een gelijkwaardige relatie, maar is wel een persoonlijk contact. Groepsleiders zijn professionals die bepaalde taken en verantwoordelijkheden hebben. Dat brengt met zich mee dat zij vaak zeer persoonlijke zaken van een jongere weten en ook, vanwege hun voorbeeldfunctie, grote invloed op de jongeren hebben. Groepsleiders zijn echter ook persoonlijk betrokken en kunnen door een aai over de bol of een arm om een schouder van een jongere troost geven. Ze blijven zich ook juist dan bewust van hun professionele taak waarin zij afstand en nabijheid bewust hanteren en de grenzen van de jongere respecteren. We komen op het terrein van opvoeden wanneer groepsleiders proberen de jongeren vaardigheden te leren om zo veel mogelijk zelf in eerder genoemde levensbehoeften te voorzien en wanneer ze waarden en normen proberen over te dragen. Hiertoe creëren groepsleiders een zodanig opvoedingsklimaat dat de
19
jongeren voldoende kansen krijgen en gestimuleerd worden zich verder te ontwikkelen. Opvoeding is in sterke mate toekomstgericht: jongeren worden voorbereid op de eisen en verwachtingen die de samenleving aan hen stelt. Opvoeding in een leefgroep is anders dan opvoeding in een gezinssituatie. Jongeren verblijven meestal voor een beperkte tijd in een groep. Eerst moeten ze wennen en uiteindelijk ook weer afscheid nemen van de groep. Tussen jongeren ontstaan contacten en interacties die vragen om aandacht en bijsturing. De groepsleiding heeft oog voor groepsprocessen: onderlinge verhoudingen binnen de groep, verdeling van rollen binnen de groep en groepsdruk. Om zoveel mogelijk een veilig klimaat te bieden proberen groepsleiders pesterijen en machtsmisbruik tussen jongeren te voorkomen. Het werken met de groep als geheel, bijvoorbeeld tijdens het eten en het groepsoverleg, vraagt een aantal extra vaardigheden van de groepsleider.
VO O R B E E L D In veel leefgroepen met kinderen wordt aan het begin van een uurtje ‘vrije tijd’ door de groepsleider een rondje gehouden wat iedereen gaat doen. Kinderen die meteen goede ideeën hebben en bovendien op een goede manier vragen of een van de andere kinderen met hen mee wil spelen, laten adequaat gedrag zien dat door groepsleiders kan worden versterkt. Andere kinderen weten niet meteen wat ze willen gaan doen of vragen niet aan andere kinderen samen met hen een activiteit te ondernemen. Deze kinderen hebben wat meer ondersteuning en sturing nodig, bijvoorbeeld doordat de groepsleider voordoet hoe je activiteiten kiest of een ander voorstelt samen iets te gaan doen. De groepsleider kijkt tijdens de vrijetijdsbesteding welke kinderen en welke activiteiten juist wat extra aandacht moeten krijgen.
Opvoeding betekent het overdragen en aanleren van allerlei praktische, cognitieve en sociale vaardigheden. Aangezien de meeste jongeren uit een problematische opvoedingssituatie komen en vaak ook individuele problemen hebben, worden extra eisen aan de opvoedingsvaardigheden van groepsleiders gesteld. Zo komt het vaak voor dat jongeren voorheen vaardigheden, waarden en normen geleerd hebben die niet altijd adequaat zijn en gewaardeerd worden in de leefgroep. Dit kan leiden tot allerlei lastig gedrag dat door groepsleiders bijgestuurd en omgebogen moet worden. Opvoeding gaat over in behandeling wanneer de groepsleiding, op basis van observaties en een plan, systematisch werkt aan bepaalde verandering in cognities, emoties en/of gedrag. Het doel is dan het verminderen van probleemgedrag en stoornissen. Voor behandeling in een tehuis is afstemming nodig tussen de verschillende disciplines die bij een jongere betrokken zijn. Aan sommige doelen uit het ‘hulpverleningsplan’ wordt vooral aandacht besteed door groepsleiders, andere doelen komen bij een therapeut of een ambulant werker aan bod.
20
De groepsleider is een belangrijke organisator van zowel het dagelijks leven in de groep, alsook van de afspraken met individuele jongeren. In verband met het laatste wordt er in veel leefgroepen gewerkt met een mentor- of coachsysteem. Een groepsleider die mentor of coach is, draagt extra verantwoordelijkheden voor een individuele jongere, heeft aparte afspraken met deze jongere en houdt bepaalde zaken extra in de gaten. Het ligt voor de hand dat de mentor taken heeft in het onderhouden van contacten met de ouders, de school, de plaatsende instantie en een eventuele therapeut. Gezien de wisselende diensten, vakanties en eventuele ziekteperiodes, werken veel leefgroepen met schaduwmentoren of -coaches, dat wil zeggen een tweede groepsleider die extra op de hoogte is van de achtergronden en individuele afspraken met betrekking tot de jongere. Een groepsleider heeft dus een groot aantal taken (zie bijlage 1 voor een uitgebreid overzicht).
1.2.4
Jongeren betrekken bij de gang van zaken in de leefgroep De groepsleiding creĂŤert in de leefgroep een klimaat waarin de jongeren zich veilig voelen, zich kunnen ontwikkelen en aan hun problemen kunnen werken. Naarmate de groepsleiding jongeren meer betrekt bij de dagelijkse gang van zaken in de leefgroep, zullen zij meer het gevoel hebben serieus genomen te worden. Als jongeren meer mogelijkheden hebben om invloed uit te oefenen op hun leefomgeving, geeft dat extra kansen om zich verder te ontwikkelen. Er zijn verschillende manieren waarop jongeren bij de gang van zaken in de leefgroep betrokken kunnen worden. Hieronder volgen enkele voorbeelden. Wanneer er regels veranderd moeten worden die direct betrekking hebben op het dagelijks leven in de groep (bijvoorbeeld hoe hard de muziek mag staan), kan de groepsleider dit in overleg met de jongeren doen. Jongeren hebben vaak goede ideeĂŤn als het gaat om de vraag welke regels zinvol zijn. Daarnaast zullen jongeren zich beter houden aan regels die ze zelf mede opgesteld hebben. Een goed moment voor overleg over regels met jongeren is het groepsoverleg. Als jongeren betrokken worden bij het opstellen van een takenrooster, zullen ze zich meer verantwoordelijk voelen voor de uitvoering van de taken. Bovendien bevordert dit de zelfstandigheid van de jongeren. Ook is het mogelijk jongeren te betrekken bij het bedenken en organiseren van activiteiten. Zij zijn dan meer betrokken bij de activiteit en leren tevens hoe ze hun vrije tijd op een leuke manier kunnen invullen en welke voorbereiding daarvoor nodig is. Jongeren zullen zich meer op hun gemak voelen wanneer zij zelf kunnen bijdragen aan de inrichting van hun leefomgeving. Door jongeren te betrekken bij bijvoorbeeld de keuze voor posters in de gemeenschappelijke ruimte en door spullen die de jongeren hebben gemaakt daar neer te zetten, creĂŤert de groeps-
21
leiding samen met de jongeren een leefomgeving die ook van hen is. Tot slot kan de groepsleider jongeren motiveren door hun ruimte te geven voor de eigen voorkeuren op het gebied van onder meer muziek, kleding en eten. Jongeren die hun eigen kleding mogen dragen, regelmatig naar hun eigen muziek mogen luisteren en die zelf hun favoriete eten aan de groep mogen voorzetten, leren tevens omgaan met mensen die andere voorkeuren en interesses hebben dan zij zelf.
1.3 Residentiële hulp in allerlei soorten en maten De Wet op de Jeugdzorg (2005) regelt onder andere de toegang tot de (residentiële) jeugdzorg. Bij problemen in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen kan het Bureau Jeugdzorg om hulp gevraagd worden. Het Bureau Jeugdzorg is de centrale toegang tot de jeugdzorg en verzorgt als onafhankelijke instelling de indicatie hiervoor. Het Bureau Jeugdzorg kan, na zorgvuldige analyse van mogelijke problemen van een jongere, besluiten tot een indicatie voor jeugdzorg. Dit gebeurt op het moment dat Bureau Jeugdzorg verdere zorg voor een jongere noodzakelijk acht. De jongere en de ouders hebben hierbij inspraak: in samenspraak wordt het probleem omschreven en vastgesteld welke zorg nodig is. Opname in een gesloten jeugdzorginstelling kan na indicatie van Bureau Jeugdzorg én een besluit (machtiging) van de kinderrechter. Daarnaast vinden de strafrechtelijke plaatsingen in justitiële jeugdinrichtingen plaats door een kinderrechter: een rechtercommissaris kan een besluit nemen over voorlopige hechtenis, een kinderrechter kan jeugddetentie of Plaatsing in een Inrichting van Jeugdigen opleggen. Een huisarts mag rechtstreeks doorverwijzen naar de jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd ggz) als er vermoedelijk sprake is van een ernstige psychische stoornis. Tot slot vindt de plaatsing van jeugdigen in leefgroepen voor kinderen of jongeren met lichamelijke en/of (lichte) verstandelijke beperkingen plaats via een Centrum Indicatiestelling Zorg door andere (ambulante) instellingen, zoals de MEE. Kinderen en jongeren kunnen om heel verschillende redenen een indicatie voor residentiële jeugdzorg krijgen. Bovendien zijn er grote verschillen in praktische mogelijkheden, behandelvisies en manieren van werken binnen verschillende leefgroepen en tehuizen. Door al deze verschillen biedt de residentiële jeugdzorg in Nederland een veelkleurig palet met allerlei soorten en maten van begeleiding en behandeling. Er zijn diverse principes op basis waarvan indelingen gemaakt kunnen wor-
22
den. Bij een indeling op basis van problematiek kan men denken aan aparte leefgroepen voor bijvoorbeeld kinderen en jongeren: – met emotionele problemen (stemming, depressies, angst); – met gedragsproblemen (hyperactiviteit, oppositioneel gedrag); – met cognitieve problemen (concentratie- en leerproblemen); – met contactstoornissen (autisme); – uit problematische gezinnen (opvoedingsproblemen, verwaarlozing en (seksuele) mishandeling); – met handicaps. Ook sommige dove, slechthorende, blinde en slechtziende kinderen en jongeren hebben residentiële zorg nodig. Hetzelfde geldt wanneer er sprake is van een ernstige of meervoudige lichamelijke handicap. Afgezien van de vraag of het wenselijk is jongeren met dezelfde problematiek bij elkaar in een leefgroep te zetten, is een ander probleem van deze indeling dat bij veel kinderen en jongeren combinaties van problemen voorkomen. Een ander indelingsprincipe gaat uit van gegevens zoals leeftijd, sekse, IQ en justitiële status van de jongere. Maar ook hierin komen in de praktijk allerlei combinaties voor. In sommige groepen wonen alleen jongens of meisjes, terwijl andere groepen gemengd zijn. Er zijn zogeheten horizontale groepen met jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd en verticale groepen voor jongeren van verschillende leeftijd. Wat betreft IQ zien we leefgroepen en tehuizen voor: – normaal begaafde jeugd; – jeugd met een lichte verstandelijke beperking (IQ ± 55 – 85); – jeugd met een matige of ernstige verstandelijke beperking (IQ < ± 55). Wat betreft justitiële status hebben we kinderen en jongeren: – met een machtiging gesloten jeugdzorg, op te leggen door de kinderrechter; na indicatie door Bureau Jeugdzorg kan een jongere gedwongen worden opgenomen in een behandelinrichting voor gesloten jeugdzorg; – met een strafmaatregel: Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ), voorlopige hechtenis en jeugddetentie; – met een (voorlopige) ondertoezichtstelling: de ondertoezichtstelling (OTS) is een maatregel die het gezag van de ouders beperkt. De kinderrechter benoemt een gezinsvoogd, meestal van Bureau Jeugdzorg, die beslissingen neemt over de opvoeding van het kind. Van de onder toezicht gestelde kinderen woont globaal de helft thuis. Er is een extra besluit nodig, de machtiging uithuisplaatsing, om het kind in een pleeggezin of een tehuis te plaatsen; – met een voogdijmaatregel: voogdij betreft de zorg over een minderjarige en diens goederen. In de voogdij van een kind wordt door een voogdij-instelling (Bureau Jeugdzorg) voorzien als de ouders door de kinderrechter uit het ouderlijk gezag ontheven of ontzet zijn of als er geen ouders meer zijn. Bij het
23
laatste gaat het om weeskinderen of minderjarige alleenstaande asielzoekers bij wie in de voogdij voorzien moet worden. De dagelijkse beslissingen over de opvoeding worden genomen door de voogd. De beslissingen van een voogd kunnen verder gaan dan die van een gezinsvoogd, omdat eerstgenoemde in feite het ouderlijk gezag belichaamt, terwijl dat in het geval van gezinsvoogdij bij de ouder(s) blijft. Niet alle voogdijkinderen worden in tehuizen geplaatst, velen gaan naar pleeggezinnen of familie. Een heel andere indeling van leefgroepen ontstaat wanneer we de soort hulp die geboden wordt als uitgangspunt nemen: – gesloten versus open; – gedragsmatig, inzichtgevend, systeemgericht en/of psychodynamisch; – al dan niet op de samenleving gericht; – gericht op terugkeer naar het gezin versus gericht op zelfstandig wonen (begeleid wonen, kamertraining). Soms wordt de manier waarop residentiële hulp gefinancierd wordt en de sector waarbinnen een instelling valt, gebruikt als leidraad voor een indeling: – het Ministerie van Justitie betaalt plaatsing in justitiële jeugdinrichtingen; – de provinciale overheden betalen plaatsing in regionale residentiële voorzieningen; – de zorgkantoren betalen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten plaatsing in psychiatrische centra, medische kindertehuizen en tehuizen voor ((licht) verstandelijk) gehandicapten. Een dekkende indeling in verschillende leefgroepen is niet te maken, aangezien een zeer groot aantal combinaties te maken is uit voornoemde indelingsprincipes. Hierna geven we van enkele veel voorkomende residentiële behandelvormen een nadere omschrijving.
1.3.1
Leefgroepen voor normaal begaafde jeugd De meerderheid van de jongeren in tehuizen verblijft in leefgroepen voor normaal begaafde jeugd. Binnen deze leefgroephuizen kan men onderscheid maken tussen crisisopvanggroepen, observatiegroepen en behandelgroepen. Het verblijf in een crisisopvanggroep is meestal van korte duur: de plaatsing gebeurt plotseling (vanuit een crisissituatie), waarna er gezocht wordt naar een goede vervolgoplossing. Observatiegroepen zijn er om een jongere enige tijd gericht te observeren en achtergrondinformatie te verzamelen, alvorens te besluiten welke vorm van (residentiële) hulp de meest geschikte is. Dit gebeurt bij lang niet alle jongeren. Veel jongeren worden op basis van de indicatie door Bureau Jeugdzorg meteen in een behandelgroep geplaatst, waarbij het observeren en informa-
24
tie verzamelen in de eerste fase van het verblijf in deze groep plaatsvindt. Deze leefgroepen bieden gemiddeld plek aan zes tot tien jongeren. Enerzijds is het doel van het verblijf van jongeren in leefgroepen het leren functioneren in het leven van alledag en het leren uitvoeren van alle taken die daarbij horen. Anderzijds wordt er ook gewerkt aan individuele problematiek van de jongeren en worden jongeren voorbereid op de vervolgsituatie. Hoe er precies gewerkt wordt, hangt af van de problematiek van de jongeren en de behandelmethode van de leefgroep. Het verblijf in een leefgroep is mede gericht op voorbereiding van de jongere op een volgende stap. Dat kan zijn terug naar de ouders of plaatsing in een pleeggezin of een andere leefgroep. Bij wat oudere en meer zelfstandige jeugdigen kan ook gedacht worden aan kamertrainingscentra, een project voor begeleid wonen of (begeleiding bij) zelfstandig wonen. De duur van het verblijf in een leefgroep varieert van enkele dagen in een crisisopvanggroep tot zo’n anderhalf jaar in een behandelgroep. In enkele gevallen is de duur langer vanwege de beperkingen of problemen van de jongere en/of het niet beschikbaar zijn van een alternatieve opvoedingssituatie. In dit kader zijn er soms aparte leefgroepen voor ‘langverblijf’. In deze gevallen vormt residentiële hulp voor langere tijd het alternatief voor het wonen thuis. Dit geldt bijvoorbeeld ook vaak voor een ‘gezinshuis’, waar een echtpaar, naast eigen kinderen, drie à vier andere kinderen in huis verzorgt en opvoedt. Sommige leefgroepen zijn qua sekse gemengd, andere niet. Qua leeftijd zijn de meeste leefgroepen horizontaal, dat wil zeggen dat kinderen en jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd in één leefgroep zitten. Gangbaar zijn leefgroepen voor kinderen tussen de zes en twaalf, tussen de twaalf en zestien en tussen de veertien en achttien jaar.
1.3.2
Behandelinrichtingen voor gesloten jeugdzorg In instellingen voor gesloten jeugdzorg worden jongeren behandeld met ernstige gedragsproblemen die een gevaar vormen voor zichzelf en/of voor anderen. Bijvoorbeeld jongeren die erg agressief zijn. Maar het kan ook gaan om jongeren die vooral beschermd moeten worden tegen de gevaren van de ‘buitenwereld’. Denk aan leeftijdgenoten of volwassenen die een grote druk op de jongere uitoefenen om probleemgedrag te tonen zoals alcohol- en druggebruik en delinquentie of die de jongere tot prostitutie dwingen. Bij een instelling voor gesloten jeugdzorg kan letterlijk de deur op slot. Door hulp aan te bieden in een gesloten omgeving wordt voorkomen dat de jongere zich aan de behandeling kan onttrekken of dat anderen de jongere hieraan onttrekken. In een behandelinrichting voor gesloten jeugdzorg wordt een jongere gedwongen opgenomen. De kinderrechter moet daartoe een specifieke machtiging gesloten jeugdzorg verlenen.
25
1.3.3
Jeugdinrichtingen Jongeren tussen de twaalf en achttien jaar die van een ernstig strafbaar feit worden verdacht, komen in aanraking met het jeugdstrafrecht. De kinderrechter kan kiezen tussen het opleggen van een boete, een taakstraf, een gedragsinterventie, een vrijheidsbenemende straf (jeugddetentie) of een maatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen). Een vrijheidsbenemende straf (voor jongeren van twaalf tot zestien jaar hooguit één jaar, voor jongeren van zestien tot achttien jaar maximaal twee jaar) wordt uitgevoerd in een justitiële jeugdinrichting. Jongeren worden in gesloten groepen geplaatst wanneer er sprake is van voorlopige hechtenis of een veroordeling tot een straf (jeugddetentie). De maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) wordt opgelegd als de kinderrechter vindt dat een ontwikkelingsstoornis heeft geleid tot het plegen van een misdrijf en de jongere hiervoor intensieve hulp en behandeling nodig heeft. Criteria voor het opleggen van een PIJ zijn dat het om een ernstig delict gaat, de veiligheid van anderen in het geding is en de maatregel van belang is voor de verdere ontwikkeling van de jongere (gezien de psychosociale en/of ‘psychiatrische’ problematiek). Een PIJ wordt voor twee jaar opgelegd en kan verlengd worden tot maximaal vier, in uitzonderingsgevallen zes jaar. In de meeste gevallen wordt een jongere met een PIJ in een gesloten behandelgroep geplaatst. Gaandeweg de behandeling stroomt de jongere vaak door naar een open groep. Jongeren met een PIJ verblijven gemiddeld één à anderhalf jaar in een gesloten groep. Het doel van behandeling in een jeugdinrichting is, in algemene zin, het verkleinen van de kans dat de jongere opnieuw een delict pleegt. Op beperkte schaal verblijven ook meerderjarige jongeren in een behandelinrichting. Dit kan alleen op eigen verzoek in het kader van voortgezette hulpverlening en na toestemming van de minister van Justitie.
1.3.4
Leefgroepen in psychiatrische centra Onder leefgroepen in psychiatrische centra worden leefgroepen verstaan in instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie of jeugdafdelingen van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis of de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Deze leefgroepen vertonen veel overeenkomsten met de leefgroepen in tehuizen voor normaal begaafde jeugd. Een belangrijk verschil is dat een voorwaarde voor opname de aanwezigheid van een psychische stoornis is. De aanwezigheid van een stoornis, zoals bijvoorbeeld autisme, stelt extra eisen aan de fysieke omgeving en het methodisch handelen van de groepsleiding. Bij de behandeling van kinderen en jongeren in psychiatrische centra worden
26
meer therapieën en medische interventies ingezet dan in andere tehuizen. Ook wordt er vanwege de relatief ingewikkelde en veelal meervoudige problematiek met meer verschillende disciplines gewerkt ten behoeve van eenzelfde jongere en diens ouders.
1.3.5
Tehuizen voor kinderen en jongeren met beperkingen Jongeren met een verstandelijke, zintuiglijke en/of lichamelijke beperking vragen om een andere fysieke omgeving en manier van opvoeden en behandelen dan normaal begaafde jongeren. Deze jongeren gaan vaak naar aparte scholen en werkplaatsen. De beperking is meestal niet de enige reden tot plaatsing. Soms komen deze jongeren uit gezinnen waarin de opvoeding niet (meer) adequaat verloopt en/of hebben deze jongeren naast de beperking bepaalde gedrags- en/of psychische problemen. Voor de volgende categorieën jongeren zijn aparte leefgroepen en tehuizen: – licht verstandelijk beperkte jeugd (IQ ± 55 – 85); – verstandelijk beperkte (zeer moeilijk lerende) jeugd (IQ < ± 55); – jongeren met auditieve en communicatieve beperkingen (doven en slechthorenden); – jongeren met visuele functiebeperkingen (blinden en slechtzienden); – lichamelijk gehandicapte jeugd; – meervoudig gehandicapte jeugd. Deze indeling wordt door velen gehanteerd, maar heeft het bezwaar dat doofheid als een handicap wordt getypeerd, een aanduiding waarvan men in de dovenwereld om emancipatorische redenen juist afstand neemt.
1.3.6
Kamertraining en begeleid wonen Kamertrainingscentra zijn huizen waarin vier tot acht jongeren onder begeleiding wonen met als doel het bevorderen van praktische, sociale en maatschappelijke redzaamheid en zelfstandigheid. De jongeren zijn vijftien jaar of ouder. In sommige kamertrainingscentra zijn de begeleiders ’s nachts wel aanwezig, in andere niet. In de projecten voor begeleid wonen delen diverse jongeren de woning, maar de begeleiding is minder intensief dan bij kamertraining. De begeleiders bieden ondersteuning bij huisvesting aan jongeren met psychosociale problematiek die een hulpvraag hebben met betrekking tot het zelfstandig leren wonen. Diverse Regionale Instellingen voor Beschermd Wonen (RIBW) hebben begeleide woonvormen voor jongeren vanaf ongeveer 14 jaar. De jongeren hebben veelal een behandeling in een psychiatrische kliniek achter de rug en worden in de RIBW-woonvorm begeleid naar een zo zelfstandig mogelijk leven.
27
1.3.7
Andere vormen van residentiële zorg voor kinderen en jongeren Van oudsher heeft Nederland een aantal vakinternaten: tehuizen met een of twee interne scholen. Jongeren worden hier geplaatst vanwege problemen in de thuis- en schoolsituatie; het doel van een vakinternaat is jongeren (weer) onderwijs te bieden en/of een vak te leren. In de praktijk komen de doelstellingen van de vakinternaten in grote mate overeen met die van behandeltehuizen. Ook medische kindertehuizen kennen in Nederland een lange traditie. In deze tehuizen verblijven vooral jongere kinderen die, behalve eventuele andere problemen, een lichamelijke aandoening hebben die (para)medische aandacht vereist. De behandeling is erop gericht het kind, gegeven de lichamelijke klacht, te stimuleren zich verder te ontwikkelen en kind en ouders te leren met de lichamelijke klacht om te gaan. Een andere vorm van residentiële zorg betreft gezinshuizen. Gezinshuizen worden geleid door een echtpaar dat, naast eigen kinderen, een aantal (vaak vier) andere kinderen in huis verzorgt, opvoedt en – afhankelijk van de problematiek van het kind en de ondersteuning van de gezinshuisouders door de residentiële instelling – behandelt. Een of beide ouders hebben als gezinshuisouder een aanstelling bij de instelling voor jeugdzorg, eventueel aangevuld met een baan buiten de deur.
1.4 Competentievergroting in een leefgroep: zes basiselementen In dit boek gaat het om residentiële hulp aan kinderen en jongeren gericht op competentievergroting. Het ‘competentiemodel’ maakt gebruik van een leertheoretisch kader en een ontwikkelingspsychologisch perspectief. Competentievergrotende hulpverlening is gericht op verminderen van probleemgedrag en vergroten van vaardigheden van een jongere. Er wordt aangesloten bij het ontwikkelingsniveau van de jongere zoals zich dat manifesteert in verschillende aspecten van het dagelijks functioneren. Competentievergroting impliceert dat jongeren vaardigheden leren die ze nu (in de leefgroep) en straks in de samenleving nodig hebben om adequaat te kunnen functioneren. Om jongeren vaardigheden te leren, is het noodzakelijk hun taken aan te bieden die aansluiten bij hun mogelijkheden en voldoende uitdaging en leerkansen bieden voor verdere ontwikkeling. Het competentiemodel en de factoren die competentie beïnvloeden, worden in hoofdstuk 2 uitgebreid toegelicht. Residentiële hulp gericht op competentievergroting wordt vormgegeven door een aantal nauw met elkaar samenhangende elementen (zie figuur 1.1): – de fysieke omgeving, de dagelijkse routine en huisregels; – methodisch handelen van groepsleiders in het leven van alledag;
28
Fasering en feedbacksystemen Gezin- en netwerkinterventies
Aanvullende behandeling / therapie fysieke omgeving Dagelijkse routine regels
Methodisch handelen in het leven van alledag
Assessment en behandelplanning
Figuur 1.1: Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg: zes basiselementen
– – – –
fasering en feedbacksysteem; assessment en behandelplanning; aanvullende behandeling door specialisten; netwerkinterventies.
De fysieke omgeving voor jongeren in een leefgroep bestaat uit een eigen kamer, de groepsruimte, recreatieruimte, enzovoort. Ook de ligging van de leefgroep in of ten opzichte van de samenleving is een onderdeel van de fysieke omgeving. Bij de vormgeving en het gebruik van de fysieke omgeving moet rekening gehouden worden met enerzijds veiligheid en beheersing en anderzijds eisen vanuit het behandelperspectief, dat wil zeggen een omgeving met zo veel mogelijk leerkansen. De momenten en manier waarop jongeren van de fysieke omgeving gebruik maken, hangt af van de dagelijkse routine. Onder de dagelijkse routine verstaan we het draaiboek van de regelmatig terugkerende onderdelen van de dag, zoals opstaan, wassen en aankleden, ontbijten, school, samen theedrinken, huiswerk maken, vrije tijd, enzovoorts. Per onderdeel heeft een jongere verschillende vaardigheden nodig om de aan de orde zijnde taken goed te volbrengen. Bij de dagelijkse routine hoort ook een aantal regels, over wat jongeren wel en niet mogen en wat er van hen verwacht wordt in verschillende situ-
29
aties. Een goede tehuisomgeving biedt zo veel mogelijk leerkansen, juist ook wanneer het soort tehuis of leefgroep door het besloten of gesloten karakter veel beperkingen oplegt aan de dagelijkse routine. Hoe een bij de doelgroep passende dagelijkse routine kan worden gecreëerd en onderhouden, staat beschreven in hoofdstuk 3. Richtlijnen voor het opstellen en hanteren van regels in de leefgroep komen aan de orde in hoofdstuk 9. Met methodisch handelen van groepsleiders bedoelen we de manier waarop groepsleiders jongeren begeleiden, nieuwe vaardigheden leren, reageren op gewenst en ongewenst gedrag en hoe zij handelen bij incidenten en crisissituaties. De nadruk bij competentievergroting ligt op het leren van nieuw en gewenst gedrag. Hiertoe krijgen jongeren veelvuldig feedback op adequaat gedrag. Nieuw gedrag wordt geleerd middels instructie en suggestie, zo nodig gevolgd door voordoen en oefenen. Bij het stoppen van inadequaat gedrag wordt zo veel mogelijk geprobeerd het alternatieve (adequate) gedrag te instrueren. Met andere woorden: de groepsleider zegt de jongeren wat zij wél moeten doen in plaats van wat zij níet moeten doen. Bij moeilijke situaties, zoals bij incidenten en crisissituaties, wordt het ongewenste gedrag zo spoedig mogelijk omgebogen om onnodige escalatie te voorkomen. De in te zetten technieken om gedrag stop te zetten en om te buigen zijn zo licht mogelijk en ook hier voert instructie van gewenste gedragingen de boventoon. Op de toepassing van technieken en het hanteren van incidenten en crisissituaties, wordt uitgebreid ingegaan in de hoofdstukken 7 en 11. In hoofdstuk 4 (‘Observeren en communiceren’) worden enkele basistechnieken besproken die voor elke vorm van methodisch handelen van belang zijn: observeren en gesprekstechnieken. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op verschillende manieren om het contact met jongeren op te bouwen en te onderhouden, alsmede op het voeren van mentorgesprekken. Een derde onderdeel van een programma gericht op competentievergroting is de fasering van het verblijf en het gebruik van feedbacksystemen. Het verblijf van een jongere wordt verdeeld in fasen. Per fase krijgt een jongere meer verantwoordelijkheden en vrijheden. Feedbacksystemen zijn bedoeld om de jongeren zo veel mogelijk informatie te verschaffen over de aard en de doelmatigheid van hun gedrag. De nadruk ligt op positieve feedback. Feedbacksystemen worden toegepast in combinatie met een fasering. Promotie naar een volgende fase vindt plaats aan de hand van de hoeveelheden punten of positieve scores die een jongere verdient. Hoe meer punten of scores des te sneller volgt promotie naar de volgende fase. Fasering en het gebruik van feedbacksystemen komen uitgebreid aan de orde in respectievelijk hoofdstuk 6 en 8. Naarmate de behandeling van een jongere verder vordert, komt de nadruk minder te liggen op ‘externe sturing’ en steeds meer op ‘zelfsturing’. In hoofdstuk 7 en 8 worden enkele technieken besproken die toegepast kunnen worden om zelfstu-
30
ringsvaardigheden te leren; in hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de wijze waarop het groepsoverleg en het managersysteem zelfsturingsvaardigheden stimuleren. Het vierde element dat bij competentievergroting onder de loep genomen wordt, betreft de assessment en planmatige uitvoering van de behandeling. Assessment wil zeggen het verzamelen en analyseren van informatie en het stellen van doelen. De doelen worden afgestemd op het functioneren van de jongere ten aanzien van de ontwikkelingstaken én op de factoren die een rol spelen bij het probleemgedrag. Hiertoe wordt voor elke jongere een ‘competentieanalyse’ en zo nodig een ‘probleemanalyse’ gemaakt. Op basis hiervan worden concrete, haalbare en evalueerbare doelen geformuleerd. Deze vormen het uitgangspunt voor de behandeling in de leefgroep en de eventueel aanvullende specialistische behandeling (therapie). De doelen sluiten aan bij de sterke punten van de jongere, dat wil zeggen die dingen waar hij goed in is, personen uit zijn sociale netwerk op wie hij terug kan vallen, enzovoorts. Behandeldoelen worden geconcretiseerd in zo veel mogelijk dagelijks te beoordelen werkpunten. De jongeren worden bij hun behandeling betrokken door expliciet te werken aan hun wensen tot verandering en door regelmatig met hen te communiceren over de werkpunten. In hoofdstuk 5 wordt uitgebreid stilgestaan bij het verzamelen en analyseren van informatie en het stellen van doelen en werkpunten. Het betrekken van het gezin en het sociale netwerk bij de opvoeding en behandeling van jongeren in een leefgroep is onder meer van belang met het oog op de toekomst van de jongere. In hoofdstuk 10 wordt beschreven hoe ouders of andere belangrijke personen uit het netwerk van de jongere worden betrokken bij en geïnformeerd over de doelen en het verloop van de hulpverlening. Idealiter wordt er ook gewerkt aan een aantal veranderingsdoelen ten aanzien van de sociale omgeving van de jongere: wat kunnen de ouders of andere belangrijke personen doen om de jongere nu en in de toekomst te ondersteunen? Wat zou er thuis, in de buurt of op school moeten veranderen opdat de jongere weer thuis kan wonen? En welke vaardigheden heeft de jongere hiervoor nodig? Groepsleiders of ambulant werkers gaan – vaak samen met de jongere – op pad om doelen ten aanzien van het sociale netwerk te realiseren. Tot slot kan aanvullende behandeling plaatsvinden. Hiermee wordt bedoeld dat, naast het werken aan doelen en werkpunten in het leven van alledag, aanvullende individuele of groepsgerichte behandeling mogelijk is in de vorm van bijvoorbeeld sociale-vaardigheidstraining, gespreksgroepen, (cognitief-gedragsmatige, psychomotorische, creatieve) therapie en psychiatrische (medische) zorg. In dit boek komen de verschillende therapievormen slechts summier aan de orde. Wel wordt in hoofdstuk 12 ingegaan op de samenwerking tussen verschillende disciplines in het kader van competentievergroting.
31