WERKBOEK NIVEAU 3&4
Communicatie PW
Deze uitgave Communicatie PW maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaak uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk. B1-K1 Begeleiden van kinderen bij hun ontwikkeling
pedagogisch werk
De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.
PW Communicatie PW WERKBOEK
De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.
Herz
ien
Auteur: A.C. Verhoef Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 978551
MBO_WB_Welzijn_communicatie_PW_210x297mm.indd All Pages
4/05/18 09:40
Communicatie PW Niveau 3 & 4
A.C. Verhoef
Colofon Auteur A.C. Verhoef
Redactie M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
Taalkundige redactie Tekst 2000, Utrecht
Vormgeving en omslag Studio Fraaj, Rotterdam
Fotografie omslag Mathilde Karrèr Photography, Rotterdam
Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort
Illustraties Roel Seidell, Nijmegen Tiekstra Media, Groningen
Foto’s Bert Spiertz / Hollandse Hoogte © blz. 226
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een Over ThiemeMeulenhoff learning design company. Wezich brengen content, leerontwerp ThiemeMeulenhoff ontwikkelt van educatieve uitgeverij toten een learning technologie samen. onze content, groeiende expertise,en ervaring en design company. WeMet brengen leerontwerp technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring enscholen leeroplossingen zijn we eenen leeroplossingen zijn we een partner voor bij het vernieuwen partner voorvan scholen bij hetZo vernieuwen ensamen verbeteren onderwijs. Zode verbeteren onderwijs. kunnen we betervan recht doen aan kunnen we tussen samen lerenden beter recht aan en de verschillen tussen verschillen endoen scholen ervoor zorgen datlerenden leren steeds en scholen en effectiever ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, en efficiënter wordt.persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 033 448 3800 www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 069 7855 1 Tweede 2018 ISBN 978druk, 90 06eerste 97855 oplage, 1 Tweede druk, eerste oplage, 2018 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2016 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden Alle rechten voorbehouden. uitgeautomatiseerd deze uitgave maggegevensbestand, worden verveelvoudigd, opgeslagen Niets in een of verveelvoudigd, opgeslagen een of geautomatiseerd openbaar gemaakt, in enige in vorm op enige wijze,gegevensbestand, hetzij elektronisch, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of de eniguitgever. andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op Voor zover maken kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond grond van het artikel 16Bvan Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit vanmen 23 augustus 1985,wettelijk Stbl. 471 Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient de daarvoor en artikel 17 Auteurswet 1912, te dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde verschuldigde vergoedingen voldoen aan Stichting Publicatieen vergoedingen te voldoen aan Stichting en Reproductierechten Reproductierechten Organisatie (PRO),PublicatiePostbus 3060, 2130 KB Hoofddorp Organisatie (PRO), Postbus 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). (www.stichting-pro.nl). Voor3060, het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave Voor het overnemenreaders van gedeelte(n) uitcompilatiewerken deze uitgave in bloemlezingen, in bloemlezingen, en andere (artikel 16 readers en andere (artikel 16teAuteurswet) dientmeer men zich tot Auteurswet) dient compilatiewerken men zich tot de uitgever wenden. Voor de uitgeverover te wenden. Voor meer informatie van muziek, informatie het gebruik van muziek, filmover en het gebruik maken van kopieënfilm in en het maken van in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. het onderwijs zie kopieën www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever uitgever heeft heeft ernaar ernaargestreefd gestreefdde deauteursrechten auteursrechtenteteregelen regelenvolgens volgens de de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te te kunnen doen gelden, kunnen alsnog totuitgever de uitgever wenden. kunnen doen gelden, kunnen zichzich alsnog tot de wenden. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Deze uitgave isdat volledig CO2-neutraal Dit betekent de bosbouw op geproduceerd. een verantwoorde wijze heeft Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. plaatsgevonden. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Rondleiding door dit werkboek Het werkboek is verdeeld in thema’s. Een thema in het werkboek sluit precies aan bij een thema in de theorie. Thema 1 Oriëntatie op het werkveld PW
1
Themaopening Je leest waar het thema over gaat en welke hoofdstukken en onderwerpen aan de orde komen.
Dit thema gaat over welzijnswerk. Welzijnswerk noem je ook wel sociaal-agogisch werk. Welzijn heeft te maken met het welbevinden van mensen, met zich ‘gelukkig’ voelen. In het sociaal-agogisch werk houd je je dus bezig met het welzijn van mensen. Je probeert het gedrag van mensen zo te veranderen dat ze zich gelukkig(er) voelen. Het welzijnswerk heeft drie werkvelden: PW, MZ en SW. Elk werkveld heeft zijn eigen doelgroep en aandachtspunten. • Jij hebt gekozen voor PW. Dat staat voor pedagogisch werk. Je houdt je daar bezig met de opvoeding (pedagogiek) en opvang van kinderen en jongeren tot 23 jaar. Er zijn drie opleidingen op niveau 3 en 4. • Bij MZ (maatschappelijke zorg) draait het om het geven van ondersteuning en zorg aan mensen die dat nodig hebben. Binnen MZ zijn er zes opleidingen op niveau 3 en 4. • De afkorting SW betekent sociaal werk. In dit werkveld word je opgeleid om cliënten actief mee te laten doen in de samenleving en hun maatschappelijke positie te verbeteren. SW heeft twee opleidingen, beide op niveau 4. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Sociaal-agogisch werk • sociaal-agogisch werk = welzijnswerk • beroepen in de welzijnssector - kiezen voor sociaal-agogisch werk • beroepshouding Hoofdstuk 2: Pedagogisch werk • een baan als pedagogisch medewerker • werkvelden
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Sociaal-agogisch werk 1 1
1
1
Bij sociaal-agogisch werk gaat het om het welzijn van mens en samenleving. a Geef een ander woord voor sociaal-agogisch werk.
8
b
1
In dit werkboek staan verschillende soorten opdrachten. Deze helpen je om je de benodigde vakkennis en beroepsvaardigheden eigen te maken.
2
Wat is het doel van sociaal-agogisch werk?
c
Geef een voorbeeld van PW waarmee je dit doel laat zien.
d
Maak een mindmap met als titel: sociaal-agogisch werk. Een mindmap is een woordweb, waarbij je onderwerpen rondom een thema (in dit geval: sociaalagogisch werk) noteert. Je kunt een mindmap gewoon op papier maken, maar het kan ook op een leuke manier digitaal, via ‘Coggle’. Je kunt inloggen in op www.coggle.it met een Google-account. Coggle is gratis. Het werkt eenvoudig, maar er zijn op YouTube ook instructiefilmpjes te vinden.
De welzijnssector bevat verschillende beroepsgroepen. a Welke drie hoofdgroepen kun je onderscheiden?
Verwerking Verwerkingsopdrachten helpen je de theorie te leren en te begrijpen. Ze zijn geordend per hoofdstuk.
1 9
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Toepassing Praktijksituaties hiermee pas je de theorie toe in realistische praktijkbeschrijvingen.
Toepassing Praktijksituaties Veiligheid en uitdaging De leerlingen van basisschool De Kring hebben hun jaarlijkse sportdag. De kinderen zijn door hun leerkrachten in teams verdeeld. In elk team zit van elke jaargroep een kind. De leeftijdsverschillen zijn dus groot. Dat is bewust gedaan. Kinderen kunnen elkaar zo niet alleen helpen, er ontstaat ook een goede band tussen de verschillende groepen. Naast de activiteiten op de sportdag die elk jaar terugkomen, zijn er ook elk jaar nieuwe activiteiten. Dat maakt de dag voor alle kinderen spannend en uitdagend. Nikki is onderwijsassistent op De Kring. Ze heeft een belangrijk aandeel gehad in de voorbereiding van de jaarlijkse sportdag. Ze zat in de onderzoekscommissie. Een van haar taken was het bedenken van een nieuwe activiteit en de begeleiding ervan op de dag zelf. De leerlingen en hun begeleiders hebben geluk: het is prachtig weer en het belooft een fantastische dag te worden. Nikki begeleidt het spel ‘schat veroveren’. Ze heeft het spel zelf bedacht. Ze legt uit wat de bedoeling is: In het midden van het speelveld staat een kist. Daarin ligt een schat. Aan beide kanten van het veld staat een team achter een lijn, de jongste kinderen vooraan. Op haar fluitsignaal rent het eerste kind van beide teams naar de kist en pakt er een goudstaaf uit. De kinderen rennen terug naar hun team en tikken het volgende kind aan. Pas dan mag die teamgenoot in actie komen om een volgende goudstaaf te veroveren. Als de kist leeg is, is het spel afgelopen en worden de goudstaven geteld. Het team dat het meeste goud heeft veroverd, heeft gewonnen. ‘Duidelijk? Zijn er nog vragen?’ Die zijn er niet, het spel kan beginnen. Als het fluitsignaal klinkt, sprinten de eerste twee kinderen naar het midden van het veld, duiken tegelijkertijd in de kist om een goudstaaf te pakken en knallen met hun koppen tegen elkaar. De EHBO’er kan meteen aan het begin van de dag in actie komen en voor beide kinderen is het voor die dag over en uit. Met een buil op hun hoofd en waarschijnlijk een lichte hersenschudding worden ze vroegtijdig opgehaald door hun ouders. Nikki voelt zich schuldig. Had ze dit kunnen voorkomen?
Vaardigheden om de benodigde beroepsvaardigheden aan te leren. Themaopdrachten grotere opdrachten waarmee je met de kennis en vaardigheden aan de slag gaat. Je werkt dan ook aan belangrijke algemene vaardigheden als samenwerken, informatie zoeken, presenteren, kritisch denken, plannen en problemen oplossen.
1
1
Je maakt de opdracht in een groep van vier studenten. Jullie maken een analyse van de beschreven situatie en jullie bedenken een oplossing waarmee het spel veiliger wordt.
Werkwijze Maak deze analyse aan de hand van de volgende punten en zet je uitkomsten op papier: a Bij deze sportdag is het belangrijk om een goede balans te vinden tussen uitdaging en veiligheid. Geef in je analyse aan waarom die balans belangrijk is.
1 18
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Evaluatie Studiehulp
1 Sociaal-agogisch werk 1
Stelling 1 Een ander woord voor welzijnswerk is sociaal-agogisch werk. 2 Pedagogiek is de wetenschap die zich bezighoudt met het veranderen van het gedrag van mensen. 3 Welzijn is de mate van welbevinden. 4 MZ is de afkorting voor maatschappelijke zorg. 5 MZ bestaat uit zes opleidingen. 6 PW is de afkorting van professioneel werk. 7 Een PW’er kan werken in de kinderopvang. 8 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 9 SW is de afkorting van sociaal werk. 10 De opleiding tot agogisch werker GGZ is een van de opleidingen bij SW. 11 De cliënten waar je werk op is gericht, noem je de doelgroep. 12 Een goede beroepshouding bestaat uit: echtheid, waardering en empathie. 13 Een ander woord voor empathie is inlevingsvermogen. 14 Integer zijn wil zeggen dat je kunt opkomen voor jezelf. 15 Assertief zijn betekent dat je je kunt inleven in de cliënt.
Juist Onjuist
◯ ◯
◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯ ◯
Evaluatie Studiehulp een zelftoets waarmee je controleert of je de theorie kent. Antwoorden zijn op te vragen bij je docent.
Hoeveel vragen heb je goed beantwoord?
1 Pedagogisch werk 2
Stelling 1 Bij PW werk je in de kinderopvang of in het onderwijs. 2 De opleiding tot onderwijsassistent valt ook onder PW. 3 Onder het bijzonder onderwijs vallen scholen die uitgaan van een bepaalde levensovertuiging. 4 In een kinderdagverblijf komen kinderen van twee tot zes jaar. 5 Peuterspeelzalen zijn er voor kinderen tussen de nul en twee jaar. 6 Een gastouder mag slechts een beperkt aantal kinderen opvangen. 7 Een BSO-plus heeft een thema (zoals sport, kunst of drama) als extra. 8 Een tienercentrum is een vervolg op de buitenschoolse opvang. Er komen jongeren tussen de elf en vijftien jaar. 9 Dagopvang noem je ook wel semiresidentiële of semimurale hulpverlening. 10 24-uursopvang noem je ook wel thuisopvang of ambulante hulpverlening. 11 Een Boddaertcentrum is bedoeld voor kinderen met een meervoudige beperking.
1 28
Juist Onjuist
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
◯ ◯ ◯
Evaluatie evalueren en reflecteren zijn belangrijke vaardigheden voor jouw toekomstige beroep: zet na elk thema op een rij wat je goed beheerst en wat je actiepunten zijn.
THEMA 1 Oriëntatie op het werkveld PW
Vaardigheden Een vaardigheid heeft een vaste opbouw: Oefenen Toepassen Transfer Oriënteren
Vaardigheden De juiste beroepshouding tonen Oriënteren
1 1
1 2 3
Bestudeer de theorie over kiezen voor sociaal-agogisch werk en beroepshouding. Zoek drie personeelsadvertenties uit jouw toekomstige werkveld. Geef aan hoe je daarin de beroepshouding terugziet.
4
Zoek op het internet naar het kwalificatiedossier Pedagogisch werk (https://www.s-bb. nl/onderwijs/kwalificeren-en-examineren/kwalificatiedossiers) en bekijk dit. Wat zegt dat dossier over een goede beroepshouding?
5
Oefenen 6 7
Bekijk het reflectieschema hierna. Vul op de lijnen nu zelf een hulpvraag in.
Observatielijsten
Observatielijsten Bij sommige vaardigheden horen observatielijsten. Die vind je direct achter in dit werkboek. De observatielijsten zijn geordend per thema. Bovenaan staat bij welke vaardigheid de observatielijst hoort. Een observatielijst kun je gemakkelijk uit je werkboek halen. Zo kun je ze in de klas of in je BPV laten invullen.
Thema 1 Lichamelijke verzorging
277
Zorgvrager wassen op bed 277 Zorgvrager wassen op bed met wasdoekjes 281 Zorgvrager wassen aan de wastafel, onder de douche of in bad 285 Haren wassen op bed 289 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met een elektrisch scheerapparaat 291 Zorgvrager die zich op bed bevindt, scheren met scheermes en scheerzeep 293 Tandenpoetsen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 295 Gebitsprothese verzorgen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 297 Mondholte reinigen van een zorgvrager die zich op bed bevindt 299 Therapeutische elastische kousen met een open teenstuk aantrekken 301 Therapeutische elastische kousen met een gesloten teenstuk aantrekken 303 Therapeutische elastische kousen uittrekken 305 Hygiënische verzorging van een baby 307
Thema 2 Hulp bieden bij de opname van voeding en vocht Hulp bieden aan een zorgvrager die zelf niet kan eten en drinken Flesvoeding geven 311
Thema 3 Hulp bieden bij de uitscheiding
309
1 22
309
313
Hulp bij het gebruik van een po op bed 313 Hulp bij het gebruik van een urinaal op bed 317 Verwisselen van een incontinentiemat 319 Externe katheter of condoomkatheter verwisselen 321 Katheterzak verwisselen 325 Verzorgen van een blaaskatheter 327 Laxerende zetpil toedienen 329 Microklysma (microlax) of fosfaatklysma toedienen 331 Hulp bieden bij het manueel verwijderen van ontlasting 333 Hulp bieden bij het opgeven van sputum 335 Hulp bieden bij braken 337 Hulp bieden bij het inbrengen van een tampon bij menstruatie
339
Thema 4 Hygiënisch en ergonomisch verantwoord werken
341
Handen wassen met (vloeibare) zeep 341 Handen desinfecteren met handalcohol 343 Aan- en uittrekken van steriele handschoenen 345 Creëren van een schoon of steriel werkveld 347
1 275
Iconen helpen je op weg In de kantlijn staan icoontjes. Die geven aan wat je in de opdracht kunt verwachten.
1 1 1 1 1 1 1
geeft aan dat je een deel van de theorie (nog een keer) leest om de vraag te kunnen beantwoorden. bij deze opdracht werk je samen met anderen. bij deze opdracht heb je een computer met internet nodig om informatie op te zoeken. bij deze opdracht werk je aan je schrijfvaardigheden, bijvoorbeeld met het schrijven van een uitgebreid antwoord, verslag of rapport. bij deze opdracht laat je de uitkomsten zien in een mondelinge presentatie. geeft aan dat het gaat om een creatieve opdracht. geeft aan dat deze opdracht op niveau 4 is.
Werken met dit werkboek Vind je het prettig om eerst de theorie te lezen en dan te kijken of je het weet en begrepen hebt? Lees dan eerst de theorie en maak daarna de verwerkingsvragen. Ben je meer iemand die het liefst de theorie doorneemt aan de hand van vragen? Start dan met de verwerkingsvragen en leg je theorieboek ernaast. Werk je het liefst vanuit de praktijk? Begin dan met een praktijksituatie of een themaopdracht en kijk of je de vragen kunt beantwoorden met de informatie uit de theorie.
Inhoudsopgave Thema 1 Communicatie
10
Verwerking 11 Verwerkingsopdrachten 11 Hoofdstuk 1 Aspecten van communicatie 11 Hoofdstuk 2 Communicatieproblemen 23 Hoofdstuk 3 Interculturele communicatie 32 Toepassing 36 Praktijksituaties 36 Misverstanden in de communicatie 36 Een chaotisch begin van de bijscholing 39 De Russische Aleksandra begint met haar BPV 41 Vaardigheden 43 Adequaat non-verbaal communiceren 43 Omgaan met cliënten die de Nederlandse taal niet zo goed beheersen Themaopdrachten 48 Evaluatie 51 Studiehulp 51 Hoofdstuk 1 Aspecten van communicatie 51 Hoofdstuk 2 Communicatieproblemen 51 Hoofdstuk 3 Interculturele communicatie 52 Evaluatie en reflectie 53
Thema 2 Luisteren
55
Verwerking 56 Verwerkingsopdrachten 56 Hoofdstuk 4 Luisteren en luisterhouding 56 Hoofdstuk 5 Alledaagse gesprekken voeren 61 Hoofdstuk 6 Actief luisteren 67 Toepassing 71 Praktijksituaties 71 Korte gesprekken in de buitenschoolse opvang 71 Actief luisteren naar een peuter 74 Vaardigheden 76 Contact leggen en onderhouden met de cliënt 76 Actief luisteren 80 Themaopdrachten 85
46
Evaluatie 89 Studiehulp 89 Hoofdstuk 4 Luisteren en luisterhouding 89 Hoofdstuk 5 Alledaagse gesprekken voeren 89 Hoofdstuk 6 Actief luisteren 90 Evaluatie en reflectie 91
Thema 3 Gesprekstechnieken
93
Verwerking 94 Verwerkingsopdrachten 94 Hoofdstuk 7 Tweegesprekken 94 Hoofdstuk 8 Groepsgesprekken 100 Toepassing 108 Praktijksituaties 108 Emilia is een oorbel van haar moeder kwijtgeraakt 108 De voorbereiding en de start van het overleg over Maaike Vaardigheden 113 Het voeren van een helpend gesprek 113 Voeren van een slechtnieuwsgesprek 116 Efficiënt overleg voeren 120 Themaopdrachten 125 Evaluatie 128 Studiehulp 128 Hoofdstuk 8 Tweegesprekken 128 Hoofdstuk 8 Groepsgesprekken 128 Evaluatie en reflectie 130
Thema 4 Feedback geven en krijgen
132
Verwerking 133 Verwerkingsopdrachten 133 Hoofdstuk 9 Feedback geven en krijgen Toepassing 140 Praktijksituatie 140 Ramona krijgt feedback 140 Vaardigheden 142 Feedback geven en ontvangen Themaopdrachten 146
133
142
Evaluatie 149 Studiehulp 149 Hoofdstuk 9 Feedback geven en krijgen Evaluatie en reflectie 150
149
110
Thema 5 Beroepshouding
152
Verwerking 153 Verwerkingsopdrachten 153 Hoofdstuk 10 Beroepscode 153 Hoofdstuk 11 Aspecten van de beroepshouding 156 Toepassing 166 Praktijksituaties 166 Margot zorgt niet goed voor zichzelf 166 Lola is gewend om te zeggen wat ze denkt Eliza heeft een burn-out 170 Vaardigheden 172 Inzicht in je beroepshouding 172 Echtheid tonen 178 Inlevingsvermogen vergroten 181 Themaopdrachten 186
168
Evaluatie 189 Studiehulp 189 Hoofdstuk 10 Beroepscode 189 Hoofdstuk 11 Aspecten van de beroepshouding 190 Evaluatie en reectie 191
Thema 6 Assertiviteit
193
Verwerking 194 Verwerkingsopdrachten 194 Hoofdstuk 12 Opkomen voor jezelf 194 Hoofdstuk 13 Intimiteit en ongewenste intimiteiten
198
Toepassing 202 Praktijksituaties 202 Mandy ziet op tegen haar eindgesprek 202 Kiara heeft last van ongewenste intimiteiten 205 Vaardigheden 207 Je assertief opstellen als pedagogisch werker 207 Op assertieve wijze je eigen mening en wensen naar voren brengen Themaopdrachten 213 Evaluatie 215 Studiehulp 215 Hoofdstuk 12 Opkomen voor jezelf 215 Hoofdstuk 13 Intimiteit en ongewenste intimiteiten Evaluatie en reectie 217
215
210
Thema 7
Zelfbeeld en reflectie
219
Verwerking 220 Verwerkingsopdrachten 220 Hoofdstuk 14 Ieder mens is uniek 220 Hoofdstuk 15 Zelfreflectie 227 Hoofdstuk 16 Richtlijnen voor gedrag: waarden en normen
233
Toepassing 236 Praktijksituaties 236 De verschillende gezichten van Esmee 236 Mascha denkt na over zichzelf 238 Vaardigheden 240 Persoonlijkheid en zelfbeeld beschrijven 240 Themaopdrachten 247 Evaluatie 250 Studiehulp 250 Hoofdstuk 14 Ieder mens is uniek 250 Hoofdstuk 15 Zelfreflectie 250 Hoofdstuk 16 Richtlijnen voor je gedrag: waarden en normen Evaluatie en reflectie 252
Thema 8 Reageren op onvoorziene en crisissituaties Verwerking 255 Verwerkingsopdrachten 255 Hoofdstuk 17 Crisissituaties 255 Hoofdstuk 18 Agressief gedrag 263 Hoofdstuk 19 Conflictsituaties en conflicthantering Toepassing 274 Praktijksituaties 274 Jimmy raakt zoek bij een uitstapje 274 André reageert agressief bij inpakken van de bus Een conflict over achterbaks gedrag 280 Vaardigheden 282 Omgaan met agressief gedrag 282 Zorgvuldig handelen in conflictsituaties 285 Themaopdrachten 289 Evaluatie 295 Studiehulp 295 Hoofdstuk 17 Crisissituaties 295 Hoofdstuk 18 Agressief gedrag 295 Hoofdstuk 19 Conflictsituaties en conflicthantering Evaluatie en reflectie 297
Observatielijsten
300
268
277
296
254
251
Thema 1 Communicatie
1
Als pedagogisch werker communiceer je de hele dag door met kinderen en jongeren, hun ouders/verzorgers, collega’s, leidinggevenden en anderen die betrokken zijn bij de cliëntgroep. Met elk gedrag dat je vertoont breng je informatie over. Je communiceert bewust en onbewust. Wat straal jij uit? Hoe kom jij over? Soms denk je daar zelf heel anders over dan de mensen om je heen. Dit thema gaat over alles rondom communicatie. Dit thema bevat verwerkingsopdrachten, praktijksituaties, vaardigheden, themaopdrachten, studiehulp, evaluatie en reflectie over de volgende onderwerpen. Hoofdstuk 1: Aspecten van communicatie • communicatie en interactie • soorten communicatie • vormen van non-verbale communicatie • betekenis van non-verbale communicatie in het contact • lichaamstaal • inhoudelijk en relationeel aspect van communicatie • hoe dichtbij mag de ander komen? • context van de communicatie • eigen manier van communiceren Hoofdstuk 2: Communicatieproblemen • communicatieproblemen • communicatieproblemen en het communicatieschema • effectieve communicatie Hoofdstuk 3: Interculturele communicatie • diversiteit • taalproblemen door anderstaligheid • cultuurverschillen tussen mensen • aandachtspunten voor de communicatie met mensen uit een andere cultuur
1 10
Verwerking Verwerkingsopdrachten
1 Aspecten van communicatie 1
1
Mensen communiceren wat af. De hele dag door staan ze in contact met anderen. a Wat is communicatie? Kies het juiste antwoord. a Betekenis toekennen aan wat je waarneemt. b Het overbrengen van informatie van de een naar de ander. c Juist gebruik van taal om met woorden een boodschap duidelijk te laten overkomen. d Omzetten van de ontvangen boodschap in een eigen betekenis. e Wisselwerking, wederzijdse beïnvloeding. b Bij communicatie gaat het altijd om drie dingen: een zender, een ontvanger en een boodschap. Kies de juiste woorden. Lotte schrijft een overdracht voor haar collega Marieke. In dit geval is Lotte de boodschap / ontvanger / zender, Marieke is de boodschap / ontvanger / zender en dat wat Lotte schrijft is de boodschap / ontvanger / zender. Tina praat tegen het konijn dat ze in haar armen houdt en aait. In dit geval is het konijn de boodschap / ontvanger / zender, Tina is de boodschap / ontvanger / zender en het aaien en in de armen houden van het konijn is de boodschap / ontvanger / zender. c Kies de juiste woorden.
Birol, pedagogisch werker zegt tegen Suzy, een kind op haar groep die haar wenkbrauwen fronst: ‘Volgens mij begrijp je het niet.’
In dit geval is:
Birol
Boodschap / Ontvanger / Zender
Het fronsen van de wenkbrauwen
Boodschap / Ontvanger / Zender
De woorden die Birol spreekt (en alle nonverbale communicatie die ze uitzendt)
Boodschap / Ontvanger / Zender
Suzy
Boodschap / Ontvanger / Zender
1 11
THEMA 1 Communicatie
2
Bij interactie reageert de een op de ander en gaan boodschappen heen en weer. Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding. a Lees het onderstaande praktijkvoorbeeld en beantwoord daarna de vraag.
Nadia is onderwijsassistent. Ze zit achter de computer. Ze tuurt naar het scherm, waarop een leerlingvolgsysteem openstaat. Ze zucht en wrijft met haar vingers in haar ogen. Aan haar collega Jamie vraagt ze geërgerd: ‘Kun je me even helpen? Ik begrijp echt niet wat ik nu weer verkeerd heb gedaan.’ Jamie antwoordt: ‘Ik kom eraan, even dit afmaken.’
b
c
Wie geeft informatie aan wie? Kies het juiste antwoord. a Nadia geeft informatie aan Jamie. b Jamie geeft informatie aan Nadia. c Nadia geeft informatie aan Jamie en Jamie geeft informatie aan Nadia. d Nadie en Jamie geven geen informatie aan elkaar. Nadia en Jamie wisselen informatie met elkaar uit. Is de uitspraak juist of niet juist? Kies het juiste antwoord.
Nadia laat aan Jamie zien dat ze moe is door met haar vingers in haar ogen te wrijven.
Juist / Onjuist
Nadia zegt tegen Jamie dat ze iets verkeerds heeft gedaan, maar niet weet wat. Ook vraagt ze Jamie of die haar kan helpen.
Juist / Onjuist
Jamie wil Nadia eigenlijk niet helpen.
Juist / Onjuist
Jamie zegt tegen Nadia dat hij wel wil helpen maar dat Nadia even geduld moet hebben. Hij maakt eerst iets anders af.
Juist / Onjuist
d
Kies het juiste woord. In dit praktijkvoorbeeld is niet / wel sprake van interactie. Op welke manier beïnvloedt Nadia Jamie?
e
Op welke manier beïnvloedt Jamie Nadia?
1 12
Verwerkingsopdrachten
3
4
1 Aspecten van communicatie
Communicatie kan direct plaatsvinden tussen twee mensen, maar ook indirect, bijvoorbeeld via een medium. Dit is een informatiedrager die zorgt voor de overdracht van de boodschap. a Wat is geen medium? Kies het juiste antwoord. a Brochure b E-mail c Film d Gesprek e Krant f Tv g Vlog h WhatsApp b Is de uitspraak juist of onjuist? Kies het juiste antwoord.
Een nadeel van communiceren via een medium is dat je als zender niet ziet hoe de ander jouw boodschap ontvangt.
Juist / Onjuist
Via een medium geef je een terugkoppeling van informatie.
Juist / Onjuist
Feedback betekent letterlijk: terugkoppeling.
Juist / Onjuist
Alleen bij rechtstreekse communicatie is directe feedback mogelijk.
Juist / Onjuist
Via een brief breng je een boodschap over aan de ontvanger.
Juist / Onjuist
Bij feedback wordt duidelijk gemaakt hoe de boodschap of het gedrag van de een op de ander overkomt.
Juist / Onjuist
Bij gebruik van een medium is rechtstreekse feedback altijd mogelijk.
Juist / Onjuist
Mensen kunnen op verschillende manieren met elkaar communiceren. Dit kan bijvoorbeeld via eenzijdige, tweezijdige en meerzijdige communicatie. a Zet de term naast de juiste omschrijving. Kies uit: eenzijdige communicatie – tweezijdige communicatie – meerzijdige communicatie Vorm van communicatie waarbij de ontvanger direct kan reageren. Vorm van communicatie waarbij direct reageren niet mogelijk is. Bij deze vorm is de zender nooit op hetzelfde moment ook de ontvanger. Vorm van communicatie waarbij er meerdere ontvangers zijn die direct kunnen reageren.
1 13
THEMA 1 Communicatie
b
5
Welke soorten communicatie zijn van toepassing op de situatie? Kies de juiste woorden. Let op: er kunnen meerdere soorten communicatie van toepassing zijn. 1 Sandra leest in de krant over verandering in de kinderopvang: verbaal / nonverbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 2 Pim, pedagogisch werker, praat met zijn collega’s Jeanet en Rachel: verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 3 Onderwijsassistent Tamara interviewt de vader en moeder van Jesse: verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 4 Moeder geeft haar baby borstvoeding: verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 5 Birol schrijft een overdracht voor zijn collega Marieke: verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 6 Tina praat tegen het konijn dat ze in haar armen houdt en aait: verbaal / nonverbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 7 Marije loopt bij de tieneropvang van tafel weg en slaat de deur keihard dicht: verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium. 8 In het kinderdagverblijf bijt Paul (3 jaar), Beau (4 jaar): verbaal / non-verbaal / eenzijdig / tweezijdig / meerzijdig / medium.
Communicatie kan misgaan als de ontvanger de woorden anders of verkeerd interpreteert. a Kies het juiste antwoord. Interpreteren houdt in dat je: a betekenis toekent aan wat je waarneemt. b de ontvangen boodschap omzet in een eigen betekenis. c gestoord wordt in de communicatie doordat er ruis optreedt. d taal juist gebruikt om met woorden een boodschap duidelijk te laten overkomen. b Woorden zijn symbolen met een bepaalde betekenis. Leg deze zin uit met een eigen voorbeeld.
c
Waarom is het belangrijk je te realiseren dat woorden symbolen zijn? Maak gebruik van het woord ‘interpretatiefouten’.
d
Als je woorden gebruikt die een ander niet kent, neemt de kans op interpretatiefouten toe. Geef hier een eigen voorbeeld van. Bijvoorbeeld dat jij een woord gebruikte dat je gesprekspartner niet kende of dat je gesprekspartner een woord gebruikte dat jij niet kende.
1 14
Verwerkingsopdrachten
e
6
1
1 Aspecten van communicatie
Leg uit waarom woorden die emoties uitdrukken gemakkelijk tot interpretatiefouten kunnen leiden.
Ook met non-verbale communicatie breng je veel informatie over. a Wat zijn vormen van non-verbale communicatie? Kies de juiste antwoorden. a Woorden die je uitspreekt of opschrijft. b WhatsAppje met een emoticon die je aan een vriend stuurt. c De kleding die je draagt. d Een stripverhaal van Asterix & Obelix. e De kleur van je gezicht. b Non-verbale signalen hebben een veel groter effect dan verbale communicatie. Geef een voorbeeld waaruit dat duidelijk naar voren komt.
c
Bekijk de volgende vijf afbeeldingen. Welke betekenis geef jij aan de gebaren en houdingen in de afbeeldingen?
d
Ga in groepen van vier studenten bij elkaar zitten en bespreek de volgende vragen met elkaar. 1 Welke betekenis hebben jullie aan de lichaamstaal gegeven?
1 15
THEMA 1 Communicatie
7
2
Welke verschillen zie je daarin? Leg de anderen uit waarop jij vooral let.
3
Is er sprake van een interpretatiefout als mensen verschillende betekenissen geven aan lichaamstaal?
4
Wat kunnen de gevolgen zijn van het feit dat mensen aan lichaamstaal verschillende betekenissen geven?
Er zijn allerlei vormen van non-verbale communicatie. a Zet de juiste vorm van non-verbale communicatie naast de beschrijving. Kies uit: gebaren – oogcontact – algemeen voorkomen – lichaamshouding – aanrakingsen nabijheidsgedrag – stemklank en toonhoogte – oogcontact Aan je uiterlijk en aan hoe je je kleedt, kunnen anderen zien wat je wilt uitstralen of hoe je je voelt. De afstand die er is tijdens het contact met de ander, ‘vertelt’ hoe je tegenover de ander staat. Deze kunnen onderstrepen wat je zegt, ze kunnen vervangen wat je zegt, maar ze kunnen ook tegenspreken wat je zegt. Dit zegt iets over de manier waarop je in het leven staat. Het gaat om een erg belangrijke vorm van non-verbale communicatie, je kunt er veel aan aflezen. Teken van aandacht geven aan de ander. Kan uitdrukken dat je je zeker voelt of dat je interesse hebt en is daarom erg belangrijk bij het eerste contact. Heel persoonlijke vorm van non-verbale communicatie. Zegt iets over hoe je je voelt, je kunt er emoties mee uitdrukken. In je latere beroep is het nodig bewust gebruik te maken van deze vorm van non-verbale communicatie.
1 16
Verwerkingsopdrachten
1 8
1 Aspecten van communicatie
b
Wat vind jij de belangrijkste vormen van non-verbale communicatie? Geef je persoonlijke top drie.
c
Bespreek in groepjes van vier welke persoonlijke top drie van vormen van nonverbale communicatie jullie hebben. Zijn er verschillen in hoe jullie hierover denken? En wat zijn de verschillen in de top drie’s?
Non-verbale communicatie heeft verschillende betekenissen in het contact. Zet het juiste voorbeeld van non-verbale communicatie naast de betekenis in het contact. Kies uit: De hand schudden bij een kennismaking. – Met een handgebaar aangeven dat iemand rustig moet doen. – Lachen om de mop die de ander vertelt. – Huilen omdat je verdrietig bent. – Oogcontact maken. Informatie overbrengen Contact leggen Belangstelling tonen Feedback geven Gevoelens uiten
1
9
De nabijheid of afstand die er is tijdens het contact met de ander ‘vertelt’ iets. Vorm groepen van vier studenten en bespreek samen de volgende vragen: 1 Hoe vind jij het om iemand je gevoelens te laten zien door lichamelijk contact?
2
Vind je dit moeilijk of gemakkelijk? Waarom? Bij wie?
3
Hoe vind je het als anderen jou aanraken om bepaalde gevoelens uit te drukken of te onderstrepen?
1 17
THEMA 1 Communicatie
4
Zijn er bepaalde vormen van lichamelijk contact waar jij moeite mee hebt? Welke? Waarom?
5
Welke vormen van lichamelijk contact spreken je meer aan? Waarom?
6
Wat kan in het pedagogisch werk de betekenis zijn van communicatie door aanraking?
7
Bij welke categorieën cliënten speelt communicatie door aanraking een zeer grote rol?
10
Bij non-verbale communicatie gaat het voor een groot deel om lichaamstaal. Welke uitspraken over lichaamstaal zijn juist? Kies de juiste antwoorden. a Non-verbale communicatie is hetzelfde als lichaamstaal. b Mensen gebruiken altijd lichaamstaal. c Mensen uiten vooral hun gevoelens via lichaamstaal. d In lichaamstaal komen vooral bewuste gevoelens tot uiting. e Als mensen het met elkaar eens zijn, kopiëren ze onbewust elkaars lichaamstaal. f De lichaamstaal die je gebruikt, heeft ook invloed op jezelf.
11
Aan communicatie zitten altijd twee kanten: het inhoudelijke aspect en het relationele aspect. a Kies de juiste woorden. Het inhoudsaspect / relatieaspect van de communicatie verwijst naar datgene wat de zender en ontvanger zeggen. Het inhoudsaspect / relatieaspect van de communicatie verwijst naar de verhouding die er bestaat tussen de mensen die met elkaar communiceren. Dit komt tot uiting in de wijze waarop ze de dingen zeggen/verwoorden. Bij het inhoudsaspect gaat het dus om het wat / hoe van de communicatie, bij het relatieaspect om het wat / hoe. b Lees onderstaande dialoog en beantwoord daarna de vraag.
Johan: ‘Hé, hoe is het gisteren afgelopen met Melissa?’ Feyza: ‘Goed; achteraf bleek er natuurlijk weer niets aan de hand te zijn.’
1 18
Verwerkingsopdrachten
1 Aspecten van communicatie
Wat is hier het inhoudsaspect van het gesprek?
12
c
Lees de dialoog eventueel nog een keer en beantwoord daarna de vraag. Maak de volgende zin zo af, dat duidelijk wordt dat het inhoudsaspect van invloed is op het verloop van het gesprek. Het feit dat Johan deze vraag stelt, heeft tot gevolg dat Feyza ...
d
Lees de dialoog eventueel nog een keer en beantwoord daarna de vraag. Waarin komt het relatieaspect van het gesprek tot uiting? Kies de juiste antwoorden. a In de inhoud van het gesprek tussen Johan en Feyza. b In de manier waarop Johan en Feyza met elkaar praten. c In de vriendelijke en serieuze wijze waarop Johan en Feyza met elkaar omgaan. d In de duur van het gesprek.
In hoeverre mensen naar elkaar luisteren, heeft ook met de relatie tussen hen te maken. a Hoe zou jij elk van de volgende personen vragen of ze bij je willen komen? 1 Studiegenoot
b
13
2
Jongere van veertien jaar
3
Jonger broertje of zusje (of neefje/nichtje)
Er is een verschil tussen de manier waarop je verschillende personen vraagt of ze bij je willen komen. Noem de oorzaak/oorzaken.
De afstand die mensen ten opzichte van elkaar bewaren, bepaalt in belangrijke mate met wie je contact hebt. a Vul het juiste woord in. De afstand tot 45 centimeter om iemand heen waarbinnen gevoelscontact mogelijk is en men vertrouwelijk met elkaar omgaat, noemen we de zone. De afstand van 45 centimeter tot 120 cm om iemand heen waarbinnen mensen persoonlijk contact hebben, noemen we de
1 19
zone.
THEMA 1 Communicatie
De afstand van 120 centimeter tot 360 cm om iemand heen waarbinnen verbale communicatie mogelijk is zonder kans op lichamelijk contact, noemen we de zone. De afstand vanaf 360 centimeter om iemand heen waarin wel communicatie mogelijk is, maar interactie een stuk moeilijker is, noemen we de zone. b
Zet de juiste zone naast de beschrijving. Kies uit: intieme zone – sociale zone – publieke zone – persoonlijke zone Afstand bij functionele en formele relaties, zakelijke contacten, in het pedagogisch werk, bijvoorbeeld tijdens overleg met collega’s, en bij contacten met kinderen en jongeren. Afstand tussen spreker en publiek bij formele bijeenkomsten, bijvoorbeeld bij scholingsbijeenkomsten. Afstand tijdens momenten van persoonlijk contact met cliënten en collega’s, bijvoorbeeld even de hand van de cliënt vastpakken. Afstand tijdens de persoonlijke verzorging van baby’s en peuters.
14
Communicatie heeft altijd een context en die heeft een grote invloed op de communicatie. Zet de gespreksopening naast de juiste situatie (context). Kies uit: Hoi, hoi, hoe is-ie? – Zo, Anouk, vertel het eens. Wat is er aan de hand? – MLS, HGHEM? Lfs, – Hoi, hoe gaat het nu met je? – Goedemorgen mevrouw, waarmee kan ik u van dienst zijn? – Anouk, misschien kun je zelf als eerste vertellen hoe jij vindt dat het gaat. WhatsApp Huisartsenpraktijk Schoolplein E-mail Functioneringsgesprek Winkel
1 20
Verwerkingsopdrachten
1 1
15
Alle mensen hebben een eigen manier van communiceren. Voer de volgende stappen uit: 1 Maak drie communicatietesten. Zoek op internet naar communicatietesten of kies uit deze suggesties: Test communicatiestijl (tests.psychologiemagazine.nl), Test je kennis van lichaamstaal (www.lichaamstaal.nl), Doe de ogentest (www.lichaamstaal. nl), Wat zeg je met je lichaamshouding (www.lichaamstaal.nl), Test taal van je stem (mens-en-samenleving.infonu.nl) 2 Noteer op een apart vel papier of op een apart bestand op de computer de uitkomsten. 3 Waren de uitkomsten van de communicatietests die je hebt gemaakt zoals je verwachtte? Vielen ze mee of tegen? Licht je antwoord toe.
16
Alle vormen van communicatie doen uiteindelijk hetzelfde: informatie overbrengen van de een naar de ander. Ga naar YouTube en zoek de video ‘Communicatie – best belangrijk’. (www.youtube. com/watch?v=Mr7BcihX6sM). Bekijk deze video. Wat herken je in de video van de theorie uit dit hoofdstuk? Denk aan: verbale communicatie, non-verbale communicatie en lichaamstaal. Zet waar nodig de video stil en/of bekijk delen opnieuw.
17
Lichaamstaal is er altijd. a Ga naar YouTube en zoek de video’s ‘Gedrag spiegelen’ (www.youtube.com/ watch?v=nNf5O60WIVs) en ‘Lachende baby’s’ (www.youtube.com/watch? v=Ib8TT97783U). Bekijk deze video’s. Wat herken je in de video’s van de theorie in dit hoofdstuk over non-verbale communicatie en lichaamstaal?
1
1
1 Aspecten van communicatie
b
Vind jij wat in de video’s ‘Gedrag spiegelen’ en ‘Lachende baby’s’ naar voren komt van belang voor je latere beroepspraktijk? Waarom wel of niet? Licht je antwoord toe.
1 21
THEMA 1 Communicatie
1
1 1 1
1 1
18
Verschillen in communicatie kun je het beste zelf ervaren. Emotie en mimiek Doe de volgende oefening in tweetallen. 1 Noteer samen zo veel mogelijk emoties die je kunt laten zien via je lichaamstaal. Noteer ze op kaartjes. Op ieder kaartje schrijf je één emotie. 2 Ga daarna tegenover elkaar staan. Leg de stapel kaartjes met de tekst naar beneden, in de buurt. 3 Student A pakt een kaartje van de stapel en past zijn mimiek aan, aan de emotie op het kaartje. Student B neemt deze mimiek zo precies mogelijk over. 4 Laat student B allereerst raden om welke emotie het gaat. 5 Bespreek vervolgens deze vragen: - Wat is het kenmerkende aan de mimiek bij deze emotie? - Is het moeilijk of gemakkelijk deze emotie in je mimiek uit te drukken? - Lukte het de emotie van de ander over te nemen? 6 Laat nu student B een kaartje pakken en doe de oefening opnieuw. Wissel dus telkens van rol en bespreek iedere ronde na. 7 Noteer jullie belangrijkste conclusies op een apart vel papier.
19
Niet iedereen interpreteert lichaamshouding op dezelfde manier. Zoek op internet twee foto’s waarop jij duidelijk iets afleest aan de lichaamshouding van een kind of jongere. Beschrijf de lichaamshouding en schrijf erbij wat jij daaraan afleest. Maak groepjes van vier. Wat zien je klasgenoten aan de lichaamshouding? Bespreek hoe het komt dat jullie bij sommige foto’s een verschillende uitleg hebben gegeven.
20
Niet iedereen interpreteert gebaren op dezelfde manier. Werk in groepjes van vier. Zoek allemaal twee foto’s op van een gebaar. Bedenk apart van elkaar wat elk gebaar op de foto betekent. Bespreek jullie antwoorden met elkaar. Hebben ze volgens iedereen dezelfde betekenis? Zijn er verschillen?
21
Aan de lichaamshouding van kinderen en jongeren kun je vaak veel aflezen. Zoek op internet twee foto’s waarop jij duidelijk iets afleest aan de lichaamshouding van een kind of jongere. Beschrijf de lichaamshouding en schrijf erbij wat jij daaraan afleest.
1 22
Verwerkingsopdrachten
1
22
2 Communicatieproblemen
Communicatie hangt ook samen met de afstand die je tot elkaar bewaart. a Welk voorbeeld vindt plaats in de intieme zone? Kies het juiste antwoord. a Een kleuter helpen bij het aankleden. b Een druk kind tot stilte manen door het even aan te raken (hand op de schouder). c Elkaar aankijken tijdens overleg met collega's. d Samen aan een kleine tafel zitten tijdens scholingsbijeenkomsten. b Welk voorbeeld vindt plaats in de persoonlijke zone? Kies het juiste antwoord. a De persoonlijke verzorging van baby’s en peuters. b Een kind dat om steun vraagt een schouderklopje geven. c Kinderen en jongeren de hand schudden bij binnenkomst of vertrek. c Welk voorbeeld vindt plaats in de sociale zone? Kies het juiste antwoord. a Even de hand van een cliënt vastpakken. b Een druk kind tot stilte manen door het even aan te raken (hand op de schouder). c Elkaar aankijken tijdens overleg met collega's. d De persoonlijke verzorging van baby’s en peuters. d Welk voorbeeld vindt plaats in de publieke zone? Kies het juiste antwoord. a Een scholingsbijeenkomst. b Een druk kind tot stilte manen door het even aan te raken (hand op de schouder). c Iemand die troost nodig heeft een schouderklopje geven. d De persoonlijke verzorging van baby’s en peuters.
1 Communicatieproblemen 2
1
In de communicatie kunnen allerlei soorten problemen optreden. a Zet het probleem naast de juiste beschrijving. Kies uit: ruis – communicatiestoornis – troebel communiceren – communicatieprobleem – tegenstrijdige communicatie
Als je in de communicatie onduidelijk bent in wat je écht wilt, vindt of voelt. Alle factoren bij zender, ontvanger of omgeving die de communicatie bemoeilijken of verstoren. Onvermogen om adequaat informatie te geven en/of te begrijpen als gevolg van een orgaan- of lichaamsfunctie die ontbreekt, afwijkingen vertoont of beschadigd is. Als de verbale communicatie niet overeenkomt met de non-verbale communicatie. Situatie waarin het de zender niet lukt de boodschap goed over te dragen en/of de ontvanger niet lukt de boodschap te begrijpen zoals de zender hem bedoeld heeft.
1 23
THEMA 1 Communicatie
b
Zet het probleem naast het juiste voorbeeld. Kies uit: troebel communiceren – tegenstrijdige communicatie – communicatiestoornis – ruis – communicatieprobleem
De een zegt iets serieus, de ander vat het op als grapje. Door spasticiteit niet goed kunnen communiceren. Hoofdpijn bij de ontvanger. Ja-knikken en tegelijkertijd de wenkbrauwen fronsen. Zeggen: ‘Ik kan niet zo veel met wat je zegt.’
2
Vaak ben je als zender vooral bezig met jezelf, met het onder woorden brengen van wat je denkt, vindt of wilt. Je let dus eigenlijk te weinig op hoe je boodschap bij de ander overkomt. Kies de juiste woorden. Effectief / Empathisch / Helder communiceren is communiceren op een begripvolle manier, waarbij iemand zichzelf en de ander in zijn waarde laat. Je geeft dus geen oordeel of kritiek. Bij effectief / empathisch / helder communiceren gaat het om communicatie waarbij de ontvanger actief betrokken is en de boodschap overkomt zoals de zender bedoelt. Bij effectief / empathisch / helder communiceren gaat het om uitnodigend en duidelijk communiceren. Je bent er niet op uit om gelijk te krijgen of om te winnen. Je beledigt de ander niet en veroordeelt de ander evenmin. Je zet niet de aanval in en maakt de ander geen verwijten.
3
Verschillen in referentiekader zijn nogal eens de oorzaak van communicatieproblemen. a Wat is een referentiekader? Kies het juiste antwoord. a Een vaste, voorspelbare manier waarop mensen op elkaar reageren als ze elkaar al langere tijd kennen. b Geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt. c Informatiedrager, die zorgt voor de overdracht van de boodschap. d Overnemen van de houding en de manier van doen van de persoon met wie iemand het eens is. b Leg uit hoe verschillen in referentiekader tot communicatieproblemen kunnen leiden.
1 24
Verwerkingsopdrachten
2 Communicatieproblemen
c
Door een verschil in referentiekader kan het ook op relatieniveau misgaan. Leg dit uit.
d
Welke woorden in de volgende zinnen kan een ontvanger anders horen dan de zender bedoelt, doordat ze een verschil in referentiekader hebben? Kies de juiste woorden. Zij mag zich best wat flexibeler opstellen.
Ik heb weinig tijd, kun je een beetje opschieten?
Er zijn behoorlijk wat kinderen in groep vijf die flink achterlopen met lezen.
4
5
In de communicatie kan het fout gaan bij het coderen en decoderen. Hoort het begrip bij coderen, bij decoderen of bij allebei? Kies het juiste antwoord.
Betekenis geven aan woorden en gedrag
Coderen / Decoderen
Gedachten en gevoelens omzetten
Coderen / Decoderen
Luisteren
Coderen / Decoderen
Omzetten in betekenis
Coderen / Decoderen
Omzetten in woorden en gedrag
Coderen / Decoderen
Ontvanger
Coderen / Decoderen
Referentiekader
Coderen / Decoderen
Spreker
Coderen / Decoderen
Zender
Coderen / Decoderen
Communicatieproblemen kunnen door verschillende zaken optreden. a Zet de begrippen op de juiste plaats in het communicatieschema. Kies uit: boodschap – feedback – medium – ontvanger – zender
1 25
WERKBOEK NIVEAU 3&4
Communicatie PW
Deze uitgave Communicatie PW maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande kerntaak uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk. B1-K1 Begeleiden van kinderen bij hun ontwikkeling
pedagogisch werk
De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.
PW Communicatie PW WERKBOEK
De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie. De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.
Herz
ien
Auteur: A.C. Verhoef Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde
9 789006 978551
MBO_WB_Welzijn_communicatie_PW_210x297mm.indd All Pages
4/05/18 09:40