Skip to main content

Bouwkunde voor Makelaars deel A 6e druk - 9789006992229 - inkijkexemplaar

Page 1


Algemene Bouwkunde voor makelaars

Deel A

A.H.L.G. Bone
D.J.H. Bone

Algemene Bouwkunde voor makelaars

deel A

A.H.L.G. Bone

Colofon

taalredactie

Mariska Vonk (H1-5)

Tetta van der Vorst, Addenda Tekst & Media (H6-18)

vormgeving binnenwerk

Peter van Dongen

opmaak binnenwerk

PPMP Prepress, Wolvega illustrator

technisch bureau Lindhout architectenbureau Bone tekencoördinator

Jacques Wajon

vormgeving omslag

OudZuid Ontwerp mediavormgevers omslagfoto

Shutterstock / Alishavg

Over ThiemeMeulenhoff

ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Samen leren vernieuwen.

www.thiememeulenhoff.nl

ISBN 978 90 06 99222 9 Editie 1, druk 6, oplage 1, 2025

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2025

Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Illustratieverantwoording Tekeningen

Technisch bureau Lindhout

ThiemeMeulenhoff Architectenbureau Bone

Foto’s

David Bassie

Ad Bone

Centraal Museum

Durisol

Klaps Beton (België)

Koninklijk Verbond voor Baksteenfabrikanten

Marcel van Kerkhoven

Sokkia

Overige bronvermeldingen

EGM Architecten

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichtingpro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.

ClimatePartner certified product climate-id.com/YI43H3

CO2 measure reduce contribute

Het bouwproces is een dynamisch en veelzijdig geheel waarin techniek, regelgeving, duurzaamheid en uitvoering samenkomen in een tastbaar eindproduct: het gebouw. Ontwikkelingen op het gebied van bouwmethoden, constructieleer, technologie, materialen, milieu en digitalisering volgen elkaar in hoog tempo op. Daarom is het van groot belang dat ook het lesmateriaal voor het bouwkundig onderwijs voortdurend wordt aangepast aan de actualiteit.

Voor u ligt de nieuwste editie van het naslagwerk Algemene Bouwkunde voor Makelaars, volledig herzien en afgestemd op de laatste stand van de techniek. Deze uitgave sluit nauw aan bij de actuele praktijk en regelgeving en is toegesneden op het gebruik binnen zowel het mbo- als het hbo-onderwijs.

De inhoud van dit naslagwerk is gebaseerd op de meest recente wet- en regelgeving, waaronder de Omgevingswet, de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Binnen het gehele boek wordt op heldere wijze verwezen naar deze kaders, zodat studenten én professionals inzicht krijgen in de toepassing binnen het vakgebied.

Deze zesde editie biedt niet alleen een geïntegreerde benadering van ontwerp, uitvoering en onderhoudsaspecten, maar besteedt ook uitgebreide en verdiepende aandacht aan de thema’s milieu en duurzaamheid. Onderwerpen als energieprestatie, energieopwekking, circulair- en klimaatadaptief bouwen, materiaalkeuze en milieueffecten komen uitvoerig aan bod — geheel in lijn met de maatschappelijke opgaven waarvoor de bouwsector en het onderwijs zich geplaatst zien.

Onze bijzondere dank gaat uit naar allen die met hun advies, controle en feedback hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze uitgave. In het bijzonder danken wij onze partners in de bouwwereld, evenals fabrikanten en leveranciers van bouw- en installatietechnische producten en diensten. Een speciaal woord van waardering gaat uit naar de voormalige collega’s binnen het mbo en hbo, en mr. P. Wintjes voor hun waardevolle bijdrage aan het juridische deel. Dankzij hun inzet en expertise is dit boek geworden zoals wij het voor ogen hadden.

De inhoud heeft een duidelijke en didactische opbouw en is rijk geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, tekeningen en foto’s. Zo ontstaat voor de lezer een helder en samenhangend beeld van het gehele bouwproces: van initiatief en ontwerp tot en met de oplevering en herontwikkeling.

Opbouwende kritiek en suggesties ter verbetering zijn van harte welkom. Alleen door voortdurende kennisontwikkeling, vakmanschap en betrokkenheid kunnen we samen bijdragen aan een toekomstbestendige en duurzame gebouwde omgeving.

Wij hopen dat dit naslagwerk u de kennis en inspiratie biedt om te groeien als bouwkundig professional.

A.H.L.G. (Ad) Bone

D.J.H. (Dave) Bone Augustus 2025

Inhoud

Woord vooraf III

1 Wet- en regelgeving 1

1.1 Bouwregelgeving 2

1.2 Omgevingswet 2

1.3 Regels voor bouwen volgens het Bbl 4

1.4 Normen 6

1.5 Besluit bouwwerken leefomgeving 6

1.6 Belangrijke begrippen in het Bbl 9

1.7 Verbouw zonder functieverandering 13

1.8 Onderhoud 14

1.9 Slopen 14

2 Milieu en duurzaamheid 15

2.1 Inleiding 16

2.2 Wet- en regelgeving op milieugebied 17

2.3 Milieubeleid 20

2.4 Duurzaam bouwen 21

2.5 Industrieel, flexibel en demontabel bouwen (IFD-bouwen) 24

2.6 Asbest 26

2.7 Energieprestaties van woningen uit de twintigste eeuw 30

2.8 Energiebesparing en duurzame energie 35

2.9 Duurzame bouwtechnieken 36

2.10 Duurzame installaties 38

2.11 Keurmerken, markeringen en certificaten 45

2.12 Labels of logo’s 48

3 Belanghebbenden en bouwdeelnemers 55

3.1 Belanghebbenden en partijen in de bouw 56

4 Tekeningen en bestek 61

4.1 Tekeningen 62

4.2 Normalisatie tekeningen 67

4.3 LACS-methode en NL-SfB-codering 69

4.4 Bestek en voorwaarden 74

4.5 Technische omschrijving appartement 80

5 Prijsvorming 85

5.1 Aanbestedingswet 86

5.2 Aanbesteding volgens ARW 87

5.3 Inhoud van ARW 2016 89

5.4 Van UAR naar ARW – De Ontwikkeling van Aanbestedingsregels voor Werken 90

5.5 Bouwkosten 94

5.6 Prijswijziging 97

6 De organisatie van het bouwproces 101

6.1 Bouwproces 102

6.2 Bouwgrond en inrichting bouwterrein 105

6.3 Volgorde in uitvoering 105

6.4 Opnemen van werk en betalingen 106

6.5 Opleveringsprocedure 107

6.6 Eerste weken na de opname 109

6.7 SWK Garantie- en waarborgregeling 110

7 Bouw- en woonvormen 111

7.1 Bouwvormen 112

7.2 Woonvormen 117

8 Constructieve opbouw en bouwmethode 125

8.1 Grondwerk 126

8.2 Fundering 126

8.3 Draagconstructie of casco 126

8.4 Gevels 126

8.5 Kozijnen 127

8.6 Daken 128

8.7 Afbouw en afwerking 128

8.8 Technische installaties 128

8.9 Bouwmethode en constructie 128

9 Sociale woningbouw, architectuur en bouwstijlen 131

Structuur van het Hoofdstuk 132

9.1 Sociale woningbouw 133

Inleiding tweede deel van dit hoofdstuk 160

9.2 Romaanse bouwstijl (1000-1200) 161

9.3 Gotiek (1150-1500) 163

9.4 Renaissance (1515-1630) 166

9.5 Barok en classicisme (1600-1800) 167

9.6 Neoclassicisme (1800-1870) 169

9.7 Eclecticisme (1850-1900) 170

9.8 Neostijlen (1840-1900) 171

9.9 Chaletstijl (1870-1900) 172

9.10 Art Nouveau (1890-1910) 172

9.11 Art deco (1910-1940) 176

9.12 H.P. Berlage 178

9.13 Expressionisme: Amsterdamse School en Haagse School 180

9.14 De Stijl (1917-1932) 184

9.15 W.M. Dudok 187

9.16 Bauhaus 188

9.17 Het Nieuwe Bouwen: Functionele en Moderne Architectuur 189

9.18 Delftse School (1925-1955) 192

9.19 Geïndustrialiseerde woningbouw 194

9.20 Structuralisme 197

9.21 Postmoderne architectuur 199

9.22 Organische en antroposofische architectuur 201

9.23 Hightecharchitectuur 203

10 Sterkteleer 207

10.1 Normen bouwconstructies 208

10.2 Permanente- en variabele belasting 209

10.3 Sterkte en toelaatbare spanningen 211

10.4 Spanning 212

10.5 Oplegging en overspanning 214

11 Uitzetten en maatvoeren 215

11.1 Inmeten van bouwterreinen 218

12 Grondwerken 219

12.1 Bodem en grond 220

12.2 Grondsoorten in Nederland 220

12.3 Eigenschappen grond 222

12.4 Grondkeringen 223

12.5 Uitlevering en inklinken 226

12.6 Uitvoering grondwerk 226

12.7 Bodemonderzoek 227

12.8 Grondonderzoek 228

12.9 Wettelijke bepalingen met betrekking tot grondwater 234

12.10 Bemaling 234

12.11 Ontwatering 234

13 Funderingen en kelders 239

13.1 Eisen aan fundering 240

13.2 Funderen op staal 240

13.3 Paalfundering 248

13.4 Kruipruimte 258

13.5 Kelder 260

14 Gebakken en niet-gebakken stenen en steenconstructies 263

14.1 Inleiding 264

14.2 Gebakken stenen 264

14.3 Niet-gebakken stenen 285

14.4 Metselwerk 301

14.5 Eigenschappen metselwerk 304

14.6 Muren 307

14.7 Metselverbanden 311

14.8 Muurbeëindiging, muurdam, muuropening, muurverzwaring en muurafdekking 316

14.9 Ontlastingsconstructies 319

14.10 Rook- en ventilatiekanalen 327

14.11 Voegwerk 333

15 Natuursteen en natuursteenconstructies 339

15.1 Eigenschappen en kwaliteit 340

15.2 Soorten natuursteen 342

15.3 Bewerking natuursteen 346

15.4 Toepassingen natuursteen 349

15.5 Vloeren, terrassen en trappen 351

15.6 Gevelbekleding en binnenwanden 354

16 Bindmiddelen en mortels 359

16.1 Bindmiddelen 360

16.2 Mortels 363

17 Beton 365

17.1 Inleiding 366

17.2 Betonspecie 366

17.3 Betonsoorten en grondstoffen 367

17.4 Eisen aan beton en specificaties 369

17.5 Gewapend beton 379

17.6 Betonstaal 381

17.7 Wapening 385

17.8 Bekisting 392

17.9 Beton storten en verwerken 393

17.10 Betonschade 397

17.11 Nieuwe ontwikkelingen in duurzaam beton 401

18 Prefab-betonproducten 403

18.1 Prefab-beton 404

18.2 Prefab-bouwonderdelen 404

18.3 Betonnen bestratingsmaterialen 410

Register 415

1

Wet- en regelgeving

Met de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden, is het omgevingsrecht in Nederland aanzienlijk vereenvoudigd en geïntegreerd. De wet vervangt verschillende eerdere regelingen, zoals de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening, en introduceert een nieuw systeem met instrumenten zoals het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) en de omgevingsvisie (voorheen structuurvisie). Ook landelijke beleidsdocumenten, zoals de Nota Ruimte, zijn vervangen door de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Historisch ontstond regelgeving rond bouwen en ruimtegebruik lokaal, maar de Woningwet van 1901 bracht landelijke normen, wat later leidde tot meer gespecialiseerde regels zoals het Bouwbesluit van 1992. De gefragmenteerde regelgeving creëerde echter de noodzaak voor samenhang, wat resulteerde in de ontwikkeling van de Omgevingswet. Deze wet, voorbereid sinds 2011 en aangenomen in 2016, combi neert regels over bouwen, milieu, infrastructuur en ruimtelijke ordening in één stelsel.

Met de wet hebben gemeenten meer autonomie, onder andere doordat regels over welstand en bouwverordeningen zijn vervallen. Het Bouwbesluit is vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving, en veel bouwwerken zijn vergunningvrij geworden. Tegelijkertijd is de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen (Wkb) ingevoerd, die bouwers meer verantwoordelijkheid geeft voor kwaliteit tijdens en na de bouw. Monumentenzorg is ondergebracht in de Omgevingswet en de Erfgoedwet

De Omgevingswet streeft naar meer duidelijkheid, duurzaamheid en innovatie, en biedt een toegankelijker, flexibeler systeem dat beter aansluit bij de behoeften van burgers, bedrijven en overheden.

1.1 Bouwregelgeving

De Nederlandse bouwregelgeving is gewijzigd van lokale voorschriften naar nationale regels, met als mijlpaal de Woningwet van 1901, gericht op veilige en gezonde woningen. Om belemmeringen in de woningbouw na de Tweede Wereldoorlog te voorkomen, werd in 1956 het Besluit Uniforme Bouwvoorschriften ingevoerd, aangevuld met de Model-Bouwverordening van de VNG. Het Bouwbesluit van 1992 bracht landelijke uniformiteit in eisen voor veiligheid, gezondheid en duurzaamheid.

Fragmentatie van regels leidde tot de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden en alle regels voor de fysieke leefomgeving integreert. Deze wet stimuleert duurzaamheid en innovatie. Tegelijk werd de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen ingevoerd, die de bouwkwaliteit beter waarborgt en meer verantwoordelijkheid bij bouwers legt.

1.2 Omgevingswet

De Omgevingswet is een omvangrijke en vernieuwende wetgeving die tot doel heeft om regels op het gebied van bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening en natuurbeheer te vereenvoudigen en samen te brengen in één samenhangend systeem. Hiermee wordt de aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving efficiënter en toekomstbestendiger.

De belangrijkste aspecten van de wet zijn:

• Integrale benadering: Door de samenvoeging van regelgeving ontstaat één wettelijk kader, waardoor belangen beter kunnen worden afgewogen en beleidskeuzes meer samenhang vertonen.

• Flexibiliteit en maatwerk: Lokale overheden krijgen ruimte om regelgeving aan te passen aan gebiedsspecifieke omstandigheden, wat leidt tot effectiever beleid op lokaal niveau.

• Duurzaamheid en innovatie: Door het verminderen van juridische belemmeringen stimuleert de wet initiatieven die bijdragen aan een duurzame en innovatieve leefomgeving.

• Snellere besluitvorming: Door versimpeling en standaardisering van procedures worden vergunningtrajecten korter en besluitvorming efficiënter.

• Participatie en draagvlak: De wet verplicht tot het betrekken van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij het ontwikkelen van plannen, wat leidt tot betere besluiten en groter draagvlak.

Belangrijke onderdelen van de Omgevingswet:

• Omgevingsvisie: Een strategisch document waarin overheden hun langetermijnvisie vastleggen voor de ontwikkeling, bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving.

• Omgevingsplan: Een juridisch instrument waarin per gemeente regels zijn opgenomen voor het gebruik en de inrichting van de leefomgeving.

• Duurzaamheid en kwaliteit van de leefomgeving: De wet geeft expliciet aandacht aan ecologische, economische en sociale waarden, met als doel een gezonde, veilige en aantrekkelijke omgeving.

• Integratie van regels: De Omgevingswet vervangt en bundelt tientallen bestaande wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen tot één duidelijke structuur.

• Overgangsrecht: Deze bepalingen zorgen voor een soepele overgang van oude naar nieuwe regelgeving, zodat lopende procedures niet worden verstoord.

• Vergunningsvrij bouwen en meldingen: Voor eenvoudige bouwactiviteiten zijn minder vergunningen nodig, wat de administratieve last vermindert.

• Omgevingsvergunning: Eén integrale vergunning dekt meerdere activiteiten in de fysieke leefomgeving, wat duidelijkheid en efficiëntie bevordert.

• Toezicht en handhaving: De wet bevat bepalingen voor nalevingscontrole en het optreden bij overtredingen, om de uitvoerbaarheid van beleid te waarborgen.

• Digitale toegang: Via een centraal digitaal loket kunnen burgers en ondernemers eenvoudig informatie opvragen, aanvragen indienen en de voortgang volgen.

• Participatie en inspraak: De wet verplicht tot het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden, wat de kwaliteit van beleid en uitvoering versterkt.

De Omgevingswet maakt een einde aan de versnippering van regelgeving en introduceert een helder en samenhangend systeem. Dit bevordert bestuurlijke flexibiliteit en maakt het mogelijk om sneller en adequater in te spelen op maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen. Door het accent op duurzaamheid, innovatie en participatie draagt de wet bij aan een hoogwaardige en toekomstgerichte fysieke leefomgeving.

1.2.1 Omgevingsvisie

De omgevingsvisie is een strategisch plan ontwikkeld door de provincie om de fysieke leefomgeving te beheren en te verbeteren. Dit plan kijkt 10 tot 20 jaar vooruit en biedt een algemene richting voor toekomstige ontwikkelingen, zonder specifieke antwoorden te geven. Het doel is om bestaande kwaliteiten te behouden en nieuwe uitdagingen zoals duurzaam bouwen, luchtkwaliteit, waterbeheer en biodiversiteit aan te pakken.

De omgevingsvisie vormt de basis voor gemeentelijke omgevingsplannen en programma’s, waarin de doelen concreet worden uitgewerkt voor een duurzame en leefbare omgeving. De Omgevingswet ondersteunt dit proces door een balans te creëren tussen het gebruik en de bescherming van de leefomgeving, met minder regels en een geïntegreerd Omgevingsloket. Dit loket bundelt plannen en regels van verschillende overheidsniveaus en vereenvoudigt het aanvragen van vergunningen. Hierdoor worden alle bestemmingsplannen samengevoegd tot één gemeentelijk omgevingsplan.

1.2.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan is een beleidsdocument waarin regels voor het gebruik van ruimte binnen een gemeente worden vastgelegd om leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid te bevorderen. Het vervangt oude bestemmingsplannen en gemeentelijke verordeningen. Bij de invoering van de Omgevingswet (1 januari

2024) hebben gemeenten een tijdelijk omgevingsplan gekregen, dat uiterlijk in 2032 volledig moet zijn omgezet. Tot die tijd blijven oude bestemmingsplannen deels geldig.

Voor initiatieven die niet binnen het omgevingsplan passen, zoals bouw- of bedrijfsactiviteiten, is een wijziging van het plan of een vergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) nodig. Voorbeelden hiervan zijn:

• tijdelijke evenementen zoals festivals op ongebruikelijke locaties;

• innovatieve bouwprojecten met duurzame technieken die buiten bestaande voorschriften vallen;

• nieuwe bedrijfsactiviteiten in anders bestemde gebieden.

Procedure voor BOPA-aanvragen:

1 Een initiatiefnemer dient een onderbouwde aanvraag in bij de gemeente, eventueel met een milieueffectrapportage (MER).

2 De gemeente beoordeelt de aanvraag op basis van omgevingsbelangen zoals gezondheid, milieu en duurzaamheid.

3 De gemeenteraad of het college van B&W neemt een besluit, met mogelijke voorwaarden om negatieve effecten te beperken.

4 Bij goedkeuring wordt de wijziging openbaar gemaakt en kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen en beroep aantekenen bij de Raad van State.

5 Toezicht op naleving en handhaving volgt na goedkeuring.

1.2.3 Vier AMvB’s

De Omgevingswet wordt ondersteund door vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s). Deze AMvB’s vervangen eerdere complexe regels en omvatten onderwerpen zoals de kwaliteit van de leefomgeving, bouwwerken, en activiteiten. Ze zorgen ervoor dat de regels van de Omgevingswet goed worden uitgevoerd. De vier AMvB’s zijn:

1 Omgevingsbesluit;

2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

4 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

1.2.3.a Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit, bevat aanvullende regels voor vergunningverlening, toezicht en handhaving door gemeenten, waterschappen, provincies of het Rijk. Het regelt milieueffectenrapportages (MER) voor milieugevoelige of grootschalige projecten, zodat besluiten rekening houden met milieu- en economische belangen. Bij onaanvaardbare milieueffecten kan een project worden afgewezen of goedgekeurd met voorwaarden voor mitigatie. Mitigatievoorwaarden beperken of compenseren negatieve milieueffecten en waarborgen een duurzame uitvoering van projecten.

1.2.3.b Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt regels voor het Rijk en decentrale overheden om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en verbeteren. Het omvat omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en normen op het gebied van milieu, natuur, gezondheid en veiligheid. Hiermee worden milieunormen en eisen voor natuurbeheer concreet ingevuld.

1.2.3.c Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor activiteiten met impact op milieu, natuur en gezondheid. Het regelt ook toezicht en handhaving, zodat naleving wordt gecontroleerd en maatregelen kunnen worden genomen bij overtredingen.

1.2.3.d Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Het Bbl vervangt en bundelt verschillende bestaande bouwregelgevingen om eenvoudiger en overzichtelijker te zijn. Het bevat regels voor het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken. Het doel van het Bbl is om de fysieke leefomgeving veilig, gezond en duurzaam te houden. Het besluit richt zich op diverse aspecten, zoals veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties van bouwwerken.

1.3 Regels voor bouwen volgens het Bbl

In het Bbl worden de regels omschreven met betrekking tot meldingsplichtige activiteiten, vergunningsvrij bouwen en melden, en de omgevingsvergunning. Via het Omgevingsloket kunnen meldingen of vergunningsaanvragen worden gedaan.

1.3.1 Omgevingsloket

Het Omgevingsloket is het digitale platform waar alle informatie over de fysieke leefomgeving in Nederland is verzameld. Via dit loket kunnen burgers en bedrijven vergunningen aanvragen of meldingen doen voor bouw- en andere projecten. Het loket biedt inzicht in de regels en voorschriften van gemeente, provincie, waterschap en het Rijk, en helpt gebruikers bepalen of een vergunning nodig is of dat een melding volstaat. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt de Omgevingswet door het vergunningsproces te vereenvoudigen, samenwerking tussen overheden te bevorderen en omgevingsdata toegankelijk te maken via een gebruiksvriendelijke interface.

1.3.2 Meldingsplichtige activiteiten

Meldingsplichtige activiteiten zoals gevelwijzigingen zichtbaar vanaf de openbare weg en dakkapellen aan de voorzijde, moeten vooraf bij de gemeente worden gemeld om toezicht mogelijk te maken en bezwaren vroegtijdig te signaleren. Zowel voor vergunningvrije als meldingsplichtige bouwactiviteiten gelden regels omtrent afmetingen, perceelafstanden, esthetiek in beschermde gebieden, en technische eisen zoals brandveiligheid en constructieve stabiliteit.

1.3.3 Vergunningsvrij bouwen en melden

De Omgevingswet vereenvoudigt bouwprocedures door vergunningvrij bouwen en meldingsplicht te introduceren, wat administratieve lasten vermindert en processen versnelt. Vergunningvrij bouwen omvat activiteiten zoals uitbouwen, dakkapellen aan de achterzijde, zonnepanelen, en erfafscheidingen, mits voldaan wordt aan de voorwaar-

den van het Besluit omgevingsrecht (Bor) om risico’s en negatieve impact te voorkomen.

1.3.4 Omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning is een centraal onderdeel van de Omgevingswet en vervangt verschillende losse vergunningen door één systeem voor activiteiten zoals bouwen, milieu en waterbeheer. Hoewel veel activiteiten onder algemene regels vallen, blijft een vergunning verplicht voor projecten met grote impact op de fysieke leefomgeving. Gemeenten zijn doorgaans het bevoegd gezag en kunnen via vooroverleg het aanvraagproces versnellen.

De standaard doorlooptijd voor een omgevingsvergunning is acht weken, terwijl milieugerelateerde activiteiten een langere procedure van maximaal zes maanden kennen. De omgevingsvergunning kan digitaal worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Het Omgevingsloket is een digitaal platform waar burgers en bedrijven vergunningen kunnen aanvragen of meldingen kunnen doen voor bouw- en andere projecten. Het loket biedt inzicht in relevante regels van gemeente, provincie, waterschap en Rijk, en helpt bepalen of een vergunning nodig is of een melding volstaat.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt dit proces door het vergunningsproces te vereenvoudigen, samenwerking tussen overheden te bevorderen en omgevingsinformatie toegankelijk te maken. Na goedkeuring van een vergunning mag met werkzaamheden worden gestart, maar voor onomkeerbare activiteiten, zoals het slopen van een gebouw of het kappen van bomen, moet de bezwaarperiode van zes weken worden afgewacht. Bij bezwaar kan de vergunning worden ingetrokken, en moet de oorspronkelijke situatie op eigen kosten worden hersteld. Voor omkeerbare werkzaamheden, zoals een aanbouw, mag direct na bekendmaking van het besluit worden begonnen, maar ook hier bestaat het risico van bezwaar. Bij meldingsplichtige activiteiten geldt doorgaans een wachtperiode van vier weken. Deze aanpak zorgt voor meer duidelijkheid en efficiëntie in de regelgeving rondom bouw- en milieuprojecten.

Zelfs voor vergunningsvrije activiteiten blijven technische eisen verplicht. Indien niet direct aan normen kan worden voldaan, staat de wet gelijkwaardige oplossingen toe, mits bewezen wordt dat ze net zo effectief zijn. Het naleven van deze regels voorkomt juridische en financiele risico’s.

Handhaving kan onder de Omgevingswet eenvoudiger en beter worden georganiseerd. Door verschillende wetten samen te voegen, werken regels en controles nu beter samen, zonder onnodige dubbelingen. Gemeenten krijgen meer taken en kunnen regels beter aanpassen aan wat er lokaal nodig is. Tegelijk werken gemeenten, provincies en landelijke instanties zoals Rijkswaterstaat meer samen, zodat er geen dingen over het hoofd worden gezien. Deze nieuwe aanpak zorgt ervoor dat regels beter worden nageleefd en overtredingen sneller en efficiënter worden aangepakt.

De kwaliteit van bouwen wordt geregeld in de Wet Kwaliteitsborging. De Wet Kwaliteitsborging regelt het toezicht op de kwaliteit van het bouwen door middel van kwaliteitsborgers. Kwaliteitsborgers zijn particuliere partijen die belast zijn met het toezicht op de technische bouwkwaliteit. Zij controleren of bouwwerken voldoen aan het Bbl . De Wet is ingevoerd om de kwaliteit van de bouw te verbeteren en de verantwoordelijkheid voor bouwkwaliteit meer bij de markt te leggen.

Voordat een aanvraag of melding definitief wordt ingediend is het mogelijk een conceptverzoek in te dienen. Door het indienen van het conceptverzoek kan worden gecontroleerd of de aanvraag compleet is en of de juiste informatie is ingevuld, dit voorkomt onnodige vertraging van de vergunning. De wettelijke procedure start pas wanneer de vergunningaanvraag of melding definitief wordt ingediend. Bij de vergunningaanvraag moet worden aangetoond dat aan de normen is voldaan. Als dat niet mogelijk is, kan een gelijkwaardige oplossing worden toegepast, mits deze aantoonbaar voldoet aan de eisen van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

1.3.4.a Participatie

Met het invoeren van de Omgevingswet is participatie verplicht. Participatie volgens de Omgevingswet betekent de actieve betrokkenheid van burgers, bedrijven en andere belanghebbenden bij plannen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden, zoals bouwwerken, natuur en infrastructuur. Het doel is om via dialoog inzicht te krijgen in belangen en bezwaren, zodat plannen verbeterd worden en de weerstand ertegen afneemt. Dit begint met het informeren van de belanghebbenden over de plannen. Afhankelijk van de situatie kan dit via informele gesprekken, bijeenkomsten of schriftelijke communicatie. Het uitwisselen van standpunten staat centraal, zonder dat er consensus vereist is. Onder de Omgevingswet is participatie verplicht, ook zal het bouwwerk moeten voldoen aan de wettelijke eisen en de gestelde normen van de overheid.

1.4 Normen

Normen zijn meestal vrijwillig, maar kunnen door de overheid worden gebruikt om aan wettelijke eisen te voldoen. Bedrijven kunnen ervoor kiezen om normen te volgen of een gelijkwaardige oplossing te gebruiken om aan te tonen dat hun producten veilig zijn. Het gebruik van normen wordt pas verplicht als de wet er expliciet naar verwijst. Voor sommige producten, zoals bouwmaterialen en elektrische installaties, kunnen specifieke normen wettelijk verplicht zijn. Deze verplichtingen worden in de wet aangegeven, en dergelijke normen kunnen kosteloos worden ingezien via het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). Er zijn drie soorten normen: 1 dwingend verwezen normen; 2 geharmoniseerde Europese normen; 3 vrij beschikbare normen.

Dwingende normen worden verplicht als de wet dat voorschrijft, bijvoorbeeld voor specifieke testmethoden. Geharmoniseerde Europese normen worden opgesteld door erkende normalisatie-instituten. Vrij beschikbare normen, verplicht gesteld in de wet, zijn gratis toegankelijk omdat de overheid hiervoor

betaalt. Normgebruik blijft optioneel, tenzij de wet anders bepaalt, en alternatieve oplossingen moeten aantoonbaar gelijkwaardig zijn aan de voorgeschreven norm.

1.5 Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet en regelt de bouw, het gebruik en de instandhouding van bouwwerken in Nederland. Het Bbl bevat algemene rijksregels die bedoeld zijn om de veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken te waarborgen. Dit besluit bundelt en vervangt eerdere bouwregelgevingen om het eenvoudiger en overzichtelijker te maken. Het Bbl is daarmee cruciaal voor het behoud van een veilige en duurzame fysieke leefomgeving.

Bouwen wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als het oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Een bouwwerk wordt omschreven als een constructie van enige omvang, bedoeld om functioneel ter plaatse te blijven, met uitzondering van schepen. Deze definitie vormt de basis voor de regels in het Bbl.

De opzet van het Bbl omvat twaalf hoofdstukken die algemene bepalingen, eisen voor nieuwbouw en bestaande bouw, en specifieke regels voor verbouw, gebruik, en sloopwerkzaamheden beschrijven. Hoofdstuk 2 bevat algemene eisen voor bouwwerken, zoals veiligheid, gezondheid en energiezuinigheid. Hoofdstuk 3 en 4 behandelen specifiek bestaande bouw en nieuwbouw, waarbij de regels voor nieuwbouw strenger zijn vanwege de hogere standaarden op het gebied van duurzaamheid en veiligheid. Andere hoofdstukken behandelen aspecten zoals verbouwing, gebruik van bouwwerken, bouw- en sloopwerkzaamheden, en overgangsrecht bij veranderende regelgeving.

Het Bbl is verder opgedeeld in paragrafen en afdelingen die elk een specifiek beoordelingsaspect behandelen. Voor nieuwbouwwerken zijn

deze onderverdeeld in regels over algemene eisen, veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid, toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties. Deze voorschriften garanderen dat gebouwen niet alleen functioneel zijn, maar ook voldoen aan moderne eisen op het gebied van comfort, energiegebruik en toegankelijkheid voor mensen met beperkingen.

Voor bestaande bouwwerken gelden aparte regels die gericht zijn op het veilig, gezond, duurzaam, bruikbaar en toegankelijk houden van gebouwen na ingebruikname. Dit omvat onderhoud en aanpassingen die nodig zijn om te voldoen aan de eisen van het Bbl.

Het Bbl bevordert een veilige, duurzame en leefbare omgeving door duidelijke, uniforme regels te bieden die aansluiten bij de bredere doelstellingen van de Omgevingswet.

1.5.1

Regels

De regels voor bouwwerken zijn verdeeld in zes afdelingen die elk gericht zijn op specifieke aspecten van de veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid, toegankelijkheid en installaties in gebouwen:

• veiligheid: voorschriften om de structurele en gebruiksveiligheid van bouwwerken te waarborgen. Dit omvat stabiliteit, brandveiligheid (zoals vluchtroutes en brandblusvoorzieningen), en maatregelen tegen valgevaar en inbraak;

• : regels gericht op een gezonde leefomgeving binnen bouwwerken, zoals ventilatie, luchtkwaliteit, bescherming tegen vocht en schimmel, geluidsisolatie en voorkomen van blootstelling aan schadelijke stoffen;

• duurzaamheid: eisen om het energieverbruik en de milieubelasting van gebouwen te beperken. Dit omvat energieprestaties, isolatie, gebruik van hernieuwbare energiebronnen, en efficiënt watergebruik;

• bruikbaarheid: voorschriften die zorgen dat gebouwen functioneel zijn voor het beoogde gebruik, zoals minimale ruimteafmetingen, voldoende daglicht en sanitaire voorzieningen;

• toegankelijkheid: maatregelen om bouwwerken toegankelijk te maken voor mensen met beperkingen. Dit omvat drempelvrije ingangen,

brede deuren, aangepaste voorzieningen en bereikbaarheid vanaf de openbare weg;

• bouwwerkinstallaties: regels voor veilige en duurzame installaties zoals verwarming, elektra, ventilatie en sanitaire systemen. Er wordt ook aandacht besteed aan brandveiligheid en gezondheidsaspecten van installaties.

1.5.2 De opbouw van de voorschriften in het Bbl

De technische eisen in het Bbl kunnen worden onderverdeeld in functionele eisen en prestatie- eisen, waarbij dient te worden opgemerkt dat de prestatie-eis gegeven kan zijn als een aanwezigheidseis of een indieningsbepaling.

• Functionele eisen: Beschrijven het doel van een regel, zoals dat een vluchtroute bruikbaar moet blijven bij brand. Het bevoegd gezag beoordeelt of aan de eis is voldaan.

• Prestatie-eisen: Stellen meetbare grenswaarden, zoals een minimale luchtverversingscapaciteit in stallingruimtes volgens NEN-normen.

• Aanwezigheidseisen: Vereisen de aanwezigheid van specifieke voorzieningen, zoals rookmelders in verblijfs- en vluchtroutes conform NEN 2555.

• Indieningsbepalingen: Stellen aanvullende eisen, zoals brandclassificaties van buitenoppervlakken van hoge bouwwerken.

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden voorschriften georganiseerd rond twaalf hoofdgebruiksfuncties en acht subgebruiksfuncties, weergegeven in aansturingstabellen (Figuur 1.1). Deze tabellen geven per gebruiksfunctie overzichtelijk aan welke eisen en grenswaarden van toepassing zijn, afhankelijk van de gebruiksfunctie van een bouwwerk. Ze zijn belangrijk voor het consistent beoordelen en toepassen van de regels bij verschillende typen gebouwfuncties. Verder onderscheiden we aansturingstabellen en en gebruiksspecifieke eisen.

• Hoofd- en subgebruiksfuncties: Elk bouwwerk heeft minstens één gebruiksfunctie, die afhankelijk is van het gebruiksdoel. Er zijn 11 functies voor gebouwen en 1 voor bouwwerken die geen gebouw zijn.

• Aansturingstabellen: Per hoofdstuk (bestaande bouw, nieuwbouw en verbouw) wordt met aansturingstabellen aangegeven

woonfunctie

bijeenkomstfunctie

a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

b andere kinderopvang

c andere bijeenkomstfunctie

celfunctie

gezondheidszorgfunctie

industriefunctie

kantoorfunctie

logiesfunctie

onderwijsfunctie

a voor basisonderwijs

b andere onderwijsfunctie

sportfunctie

winkelfunctie

overige gebruiksfunctie

bouwwerk geen gebouw zijnde

a voor langzaam verkeer

b ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Figuur 1.1 Hoofdgebruikfuncties en subgebruiksfuncties

gebruiksoppervlakte verblijfsruimte

maximaal verblijfsgebied

verblijfsgebied

Figuur 1.2 Woningplattegrond waarin zijn aangegeven: gebruiksoppervlakte, maximale verblijfsgebied en verblijfsruimte

welke voorschriften gelden. Hierin worden gebruiksfuncties (verticaal) en artikelen of leden daarvan (horizontaal) gekoppeld.

• Gebruiksspecifieke eisen: De eisen voor een bouwwerk of een deel ervan verschillen per gebruiksfunctie. Sommige functies, zoals ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’, kunnen geen specifieke voorschriften hebben.

De definitie van een gebouw is als volgt: Een gebouw wordt gedefinieerd als een bouwwerk dat toegankelijk is voor mensen, overdekt is, en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten. De regels sluiten aan op deze definitie.

1.6 Belangrijke begrippen in het Bbl

In het Bbl wordt een aantal begrippen gebruikt. In figuur 1.2 en figuur 1.3 zijn de belangrijkste begrippen aangegeven.

1.6.1 Gebieden en ruimten

In figuur 1.4 is schematisch de verdeling van het gebouw in gebieden en ruimten weergegeven. In de figuur zijn de ruimten die niet binnen het gebruiksgebied vallen zoals bijvoorbeeld toiletruimten en technische ruimte aangegeven als restgebied. Tevens laat figuur 1.4 zien dat er onbenoemde ruimten

onbenoemde ruimte

verblijfsruimte

verblijfsruimte

ruimte

onbenoemde ruimte

verblijfsruimte

verkeersruimte

verblijfsruimte

verblijfsruimte

Figuur 1.3 Plattegrond eengezinswoning waarin ruimten zijn benoemd

aanwezig kunnen zijn als de verblijfsgebieden en de functiegebieden niet volledig opgedeeld worden in verblijfsruimten en functieruimten. Ook voor onbenoemde ruimten zijn de kwaliteitseisen geborgd, omdat deze zijn gesteld aan het verblijfsgebied of functiegebied waarvan de ruimte deel uitmaakt. Een voorbeeld van onbenoemde ruimte in een in een functie – of verblijfsgebied is een opbergruimte/zolder. In de opbergruimte zijn de eisen ten aanzien van daglicht niet van toepassing. Ook buiten het gebruiksgebied (maar nog wel binnen de gebruiksfunctie) kunnen onbenoemde ruimten voor komen zoals in figuur 1.4 is te zien. Deze ruimten hoeven – zolang ze niet in gebruik genomen worden voor een bepaalde functie – niet te voldoen aan de eisen die gesteld zijn aan verblijfsgebieden of functiegebieden Verder onderscheiden we gemeenschappelijke - gezamenlijke- en onbenoemde ruimten.

Functiegebied

Functieruimten

Onbenoemde ruimte in gebruiksfunctie

Verblijfsgebied

Verblijfsruimten

Bedruimten

Bedgebied

Gebruiksfunctie

Restgebied Gebruiksgebied

Onbenoemde ruimte in functiegebied of verblijfsgebied

Figuur 1.4 Gebruiksgebied: functiegebied en verblijfsgebied

1.6.2 Gemeenschappelijke ruimten

Dit zijn ruimten met verschillende gebruiksfuncties, zoals een centrale hal voor een advocatenkantoor en een tandartsenpraktijk of een gedeelde keuken in een pand met woningen en winkels. Ruimten, zoals een slaapkamer in een woning, worden niet als gemeenschappelijk beschouwd.

1.6.3 Gezamenlijke ruimten

Deze worden binnen dezelfde gebruiksfunctie gedeeld, bijvoorbeeld een keuken en woonkamer in een studentenhuis, een vluchtroute binnen een woning, of gedeelde ruimten in een gevangenis of hotel. Gezamenlijke ruimten hoeven alleen aan de eisen van hun gebruiksfunctie te voldoen.

Wanneer in de praktijk een gebied of een ruimte niet kan voldoen aan een voorschrift uit het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt vaak de krijtstreepmethode figuur 1.5 toegepast. Dit is het geval wanneer een ruimte of gebied niet volledig voldoet aan een voorschrift uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), bijvoorbeeld bij daglichttoetredingseisen. Met deze methode wordt een fictieve scheidingslijn, de zogenoemde “krijtstreep,” in de tekening aangebracht. Dit maakt het mogelijk om de ruimte functioneel op te splitsen zonder dat er fysieke wanden of constructies nodig zijn.

Bij de krijtstreepmethode wordt een onbenoemde ruimte toegevoegd aan een verblijfsgebied, functiegebied, functieruimte of verblijfsruimte, afhankelijk van de situatie. Hierdoor kan worden voldaan aan de bouwregelgeving, zoals de minimale daglichttoetreding zonder dat aanpassingen in de fysieke indeling van de ruimte noodzakelijk zijn.

Verblijfsgebied

Verblijfsruimte

Figuur 1.5 Krijtstreepmethode

Deze methode biedt flexibiliteit binnen de regelgeving, omdat het geen vereiste is dat alle ruimten door daadwerkelijke scheidingsconstructies worden afgebakend.

1.6.4 Meerdere gebruiksfuncties

Figuur 1.6 toont een plattegrond van een gebouw waarin meerdere gebruiksfuncties voorkomen. In de afbeelding is aangegeven hoe verblijfsgebieden kunnen worden ingedeeld in een of meer verblijfsruimten, en een functiegebied in één functieruimte (fietsenstalling). In deze plattegrond kunnen volgens het principe van vrije indeelbaarheid bijvoorbeeld de klaslokalen in het verblijfsgebied vrij (en dus ook gemakkelijk anders) worden ingedeeld.

klaslokaal

gang onbenoemde ruimte klaslokaal

fietsenstalling

= functieruimte

VR = verblijfsruimte

BR = badruimte

TR = toiletruimte

Verblijfsgebied

Verblijfsruimten

Bedruimten voor nietbedgebonden personen Bedgebied voor nietbedgebonden personen

Bedruimten voor bedgebonden personen

Bedgebied voor bedgebonden personen

Figuur 1.7 Verblijfsgebied met bedgebieden

verkeersruimte

toestellenberging onbenoemde ruimte kleedruimte onbenoemde ruimte kleedruimte onbenoemde ruimte

technische ruimte hal

verblijfsgebied voor bijeenkomstfunctie verblijfsgebied voor kantoorfunctie verblijfsgebied voor onderwijsfunctie verblijfsgebied voor spor tfunctie restgebied en onbenoemde ruimten in spor tfunctie functiegebied voor overige gebruiksfunctie gemeenschappelijke ruimten

Figuur 1.6 Plattegrond met verblijfsruimten en functieruimten

en BR

verkeersruimte

1.6.5 Onbenoemde ruimten

Onbenoemde ruimten in een gebouw zijn ruimtes die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen specifieke benaming of functie hebben gekregen. Dit onderscheidt ze van benoemde ruimten, zoals toiletruimten of verblijfsruimten.

Bruto vloeroppervlak (BVO): (100%)

Inclusief:

- opgaande scheidingsconstructies

Exclusief:

- schalmgaten en vides > 4 m2

- incidentele nissen of uitsparingen en incidenteel uitspringende bouwdelen < 0,5 m2

Netto vloeroppervlak (NVO): (90% - 95%)

Gebruiksoppervlak (GO): (83% - 88%)

Verhuurbaar vloeroppervlak (VVO): (85% - 90%)

Onbenoemde ruimten zijn ruimten zonder een bepaalde functie, zoals zolders in woningen. Ze kunnen zowel binnen als buiten het gebruiksgebied voorkomen. Zolang deze ruimten geen specifieke bestemming hebben, hoeven ze niet te voldoen aan eisen zoals daglichttoetreding of ventilatie. De kwaliteit van onbenoemde

Nuttig oppervlak (NO): (68% - 75%)

Primair nuttig oppervlak (PNO): (60% - 70%)

- werkruimte

- vergaderruimten

- kantine

- bijzondere ruimten

- indelingsverliezen

Secundair nuttig oppervlak (SNO): (2% - 4%)

- sanitaire ruimte

- bergruimte

• Tarra oppervlak (10%-5%)

- statische bouwdelen (opgaande scheidingsconstructies

- niet-statische bouwdelen

- oppervlakte van vloeren met een netto hoogte <1,5 m1

- vrijstaande bouwconstructie en niet toegankelijke leidingschacht >0,5 m2

• Trapgat of liftschacht >4 m2

• Niet-statische bouwdelen

- separatiewanden

- scheidingsconstructies tussen gebouwfuncties

• Ruimte onder trappen, hellingsbanen < 1,5m1

• Installatieruimten

• Trappenhuis

• Voorzieningen voor verticaal verkeer, trap en liftschacht

• Ruimte voor parkeren

• Oppervlakte van vloeren met een netto hoogte < 1,5m1

• Glaslijncorrectie

• Installatieruimten

• Trappenhuis

- koffie-/kopieerruimten )

• Voorzieningen voor verticaal verkeer, trap en liftschacht

• Horizontaal verkeersoppervlak

ruimten wordt bepaald door de eisen die gelden voor het grotere verblijfs- of functiegebied waarvan ze deel uitmaken.

1.6.6 Gebruiksoppervlakte

De gebruiksoppervlakte van een gebouw is een maatstaf die aangeeft welk deel van het gebouw geschikt is voor het beoogde gebruik. Deze oppervlakte wordt alleen aangepast als het gebouw wordt vergroot en wordt berekend volgens de NEN 2580-norm. In figuur 1.8 wordt schematisch weergegeven hoe de verschillende oppervlakten worden bepaald.

1.6.7 Gebruiksoppervlakte (GO) van een gebruiksfunctie

De GO van een gebruiksfunctie is de som van de GO van de niet-gemeenschappelijke delen en een evenredig deel van de gemeenschappelijke delen, zoals gangen en trappenhallen. Bij enkele voorschriften gaat het niet om de GO van een gebruiksfunctie of van een gebouw, maar om een specifiek deel van een gebouw, bijvoorbeeld:

• een toegankelijkheidssector;

• een rekenzone volgens NTA 8800;

• een klimatiseringszone volgens NTA 8800;

• een brandcompartiment;

• een subbrandcompartiment.

1.6.8 Gebruiksgebied

Het gebruiksgebied is een verzameling van de volgende ruimten en gebieden:

• verblijfsgebied en verblijfsruimte;

• functiegebied en functieruimte;

• onbenoemde ruimte;

• bedgebied en bedruimte.

Het gebruiksgebied is het deel van een gebruiksfunctie waarbij in de voorschriften is uitgegaan van een zo groot mogelijke vrije indeelbaarheid. Bij een gebruiksgebied gaat het om een vrij indeelbaar gedeelte van een gebruiksfunctie, waarvoor geldt dat:

• deze zich niet over meerdere bouwlagen kan uitstrekken;

• de ruimten binnen dat gebied niet van elkaar worden gescheiden door dragende of brandwerende scheidingsconstructies;

• daarin kenmerkende activiteiten voor de gebruiksfunctie plaatsvinden.

In een gebruiksgebied mag geen technische ruimte, toiletruimte, badruimte of verkeersruimte liggen (tenzij het gebouw alleen toiletruimte, badruimte, verkeersruimte of technische ruimte is).

1.6.9 Functiegebied

Een functiegebied is een gebruiksgebied of een deel daarvan dat bestemd is voor de kenmerkende activiteiten van de gebruiksfunctie. Het is niet bestemd voor het verblijven van mensen, mits het verblijf van korte duur is. Bijvoorbeeld als de ruimte wordt gebruikt voor het opslaan van materialen, waarbij de materialen door personen worden getransporteerd en neergezet.

1.6.10 Functieruimte

Een functieruimte is een ruimte die in een functiegebied ligt. Is het gebied niet ingedeeld, dan is het gebied tevens een functieruimte. In een functiegebied moet minimaal een functieruimte liggen. Voor functiegebieden en functieruimten gelden geen specifieke daglicht- en afmetingseisen.

1.6.11 Verkeersruimte

Een verkeersruimte is een ruimte die wordt gebruikt om mensen binnen een gebouw van de ene plaats naar de andere te verplaatsen, zoals een gang, hal of overloop.

1.7 Verbouw zonder functieverandering

Verbouw zonder functieverandering kan op verschillende manieren:

• geheel vernieuwen. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat een gebouw na een calamiteit tot op de fundering gesloopt moet worden en het gebouw daarna op dezelfde fundering wordt herbouwd.

• gedeeltelijk vernieuwen. Hiervan is sprake als een gebouw tot op het casco gestript wordt en vervolgens wordt herbouwd of als één of meer onderdelen van het gebouw worden vervangen.

• vergroten. Bij het vergroten van een bouwwerk neemt het bouwwerk in omvang toe en worden de contouren dus wel gewijzigd.

Bijvoorbeeld bij het maken van een aan- of uitbouw of het plaatsen van een dakkapel.

• verandering. Een aanpassing van (een gedeelte van) het bouwwerk waarbij de vorm/ het uiterlijk van het bouwwerk niet worden gewijzigd. Denk hierbij aan interne verbouwingen of het herbestemmen van een kantoorgebouw tot woningen.

• verbouwen en herbestemmen. Bij verbouwen en herbestemmen gelden de eisen voor bestaande bouw die passen bij de nieuwe functie. Als aan deze eisen niet wordt voldaan, zijn de eisen voor verbouw van toepassing, vaak gebaseerd op het rechtens verkregen niveau.

Voor nieuwe onderdelen zonder bestaand kwaliteitsniveau wordt meestal het prestatieniveau van bestaande bouw gehanteerd. Veel aspecten van herbestemming kennen vanuit het Bbl lage of geen eisen.

• Een voorbeeld is de herbestemming van een kantoor naar woningen, waarbij voor nieuw te bouwen woningscheidende wanden geen geluidsisolatie-eisen vanuit het Bbl gelden. Privaatrechtelijke afspraken over geluidsisolatie zijn dan gewenst, vergelijkbaar met de aanpak in de utiliteitsbouw.

Herbestemming vereist vaak aanpassingen in het omgevingsplan en aanvullende onderzoeken naar aspecten zoals veiligheid, milieu, en geluid. Geluidbelasting op gevels moet voldoen aan de Wet geluidhinder; bij overschrijding kunnen specifieke eisen zoals een geluidluwe of dove gevel nodig zijn. Sommige gemeenten hanteren aangepast geluidbeleid voor herbestemmingsprojecten.

1.7.1 Bescherming van cultureel erfgoed en monumenten

Sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de Monumentenwet vervallen. De bescherming van cultureel erfgoed, monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten is nu geregeld via de gemeentelijke omgevingsplannen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het behoud van erfgoedwaarden en het historische karakter van deze gebieden. Bouwprojecten en aanpassingen moeten voldoen aan de regels in het omgevingsplan om deze waarden te waarborgen.

1.8 Onderhoud

Voor normaal periodiek onderhoud is volgens het Bbl geen omgevingsvergunning nodig.

1.9 Slopen

Slopen, zoals gedefinieerd in de Omgevingswet, omvat het geheel of gedeeltelijk afbreken of demonteren van een bouwwerk. Gedeeltelijke sloop gaat vaak samen met verbouw. Voor sloopwerkzaamheden kan een sloopmelding of een omgevingsvergunning vereist zijn, afhankelijk van de regelgeving. De voorschriften voor slopen staan vermeld in het Bbl en omvatten onder meer meldingsprocedures, asbestinventarisatie en veiligheidsmaatregelen.

Een sloopmelding is verplicht bij meer dan 10 m³ sloopafval of bij asbestverwijdering, tenzij het gaat om specifieke uitzonderingen zoals seizoensgebonden werk of kleine zakelijke toepassingen. De melding dient meestal vier weken voor aanvang van de werkzaamheden te worden ingediend via het Omgevingsloket. In spoedgevallen, zoals bij onveilige situaties of beperkte oppervlakten van hechtgebonden asbest, kan de termijn worden verkort tot één week.

▶▶  meer over asbest in hoofdstuk 2

Bij een sloopmelding moeten gegevens worden aangeleverd over de eigenaar, de uitvoerder, het bouwwerk, de sloopmethode, en de afvalverwerking. Soms zijn aanvullende rapporten nodig, zoals een asbestinventarisatierapport, een risicomatrix, of veiligheidsplannen. Na goedkeuring van de melding kan met de sloop worden gestart, tenzij er opmerkingen zijn over de volledigheid van de melding.

2

Milieu en duurzaamheid

Duurzaam bouwen en een schoon milieu zijn essentieel, en de overheid speelt hierin een belangrijke rol via milieuwetgeving en handhaving. Hoewel er vooruitgang is geboekt in sectoren zoals vervoer, gebouwen en industrie, blijft Nederland achter op schema om de klimaatdoelen voor CO2-reductie in 2030 te behalen. Vertragingen in projecten zoals windparken en groene waterstof, samen met een groeiende vraag naar elektriciteit, zijn belangrijke oorzaken van deze achterstand.

Hernieuwbare energie, opgewekt uit bronnen zoals zon, wind en water, speelt een sleutelrol in het behalen van deze doelen. De realisatie van hernieuwbare elektriciteit en energie blijft echter uitdagend door projectvertragingen en de toenemende energievraag. Het huidige tempo van uitstootreductie is bovendien te traag om klimaatneutraliteit in 2050 te bereiken. Extra maatregelen zijn noodzakelijk om de transitie naar een duurzame en schone energievoorziening te versnellen en de gestelde doelen te halen.

2.1 Inleiding

Duurzaam bouwen is een breed begrip. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Dat moet dan gebeuren zowel bij het ontwerp van een gebouw of bouwwerk als tijdens de bouw, verbouw, renovatie of sloop. Bij duurzaam bouwen gaat het ook over het gebruik van het gebouw. Bijvoorbeeld over de uitstoot van CO2 door energieverbruik voor verwarming en koeling van een gebouw. Men bekijkt de milieueffecten dus over de hele levensduur van het gebouw of bouwwerk.

Het belang van en de belangstelling voor duurzaam bouwen, efficiënter energiegebruik en het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen is de afgelopen jaren enorm toegenomen, ondanks de crisis die de woningmarkt sinds 2008 beheerst. Alle belanghebbenden – van wetgever tot gebruiker – hebben hun zegje hierover gedaan: geen asbest en minder tropisch hardhout, maar wel duurzaam, energiebesparend en milieuvriendelijk bouwen, met aandacht voor de afvalstromen.

De vier pijlers van duurzaam bouwen zijn:

• verstandig gebruik van de ruimte;

• verstandig gebruik van energie;

• verstandig gebruik van water;

• milieuvriendelijke materialen.

2.1.1 Verstandig gebruik van de ruimte

Duurzaam ruimtegebruik richt zich op efficiënt bouwen met hoge dichtheid, bij voorkeur in of nabij stedelijke gebieden. Dit beleid, dat begon met de Nota Ruimte (2004) en later werd opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), wordt nu voortgezet in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI biedt een integraal kader voor de ruimtelijke inrichting van Nederland, met aandacht voor verstedelijking, infrastructuur en natuurbehoud, en vormt de basis voor toekomstige ontwikkelingen.

2.1.2 Verstandig energiegebruik

Het Bouwbesluit 2012 is per 1 januari 2024 vervangen door het Besluit bouwwerken

leefomgeving (Bbl), onderdeel van de Omgevingswet. Sinds 2021 zijn de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) en bijbehorende indicatoren vervangen door de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen. Deze eisen richten zich op het beperken van energiebehoefte, het minimaliseren van fossiel energiegebruik en het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie. BENG geldt voor nieuwbouw en grote renovaties en heeft als doel de energieprestaties van gebouwen te verbeteren en de CO2-uitstoot te verminderen.

De energieprestatie kan onder andere worden verbeterd door:

• het toepassen van de juiste en voldoende warmte-isolatie en zonwering;

• het toepassen van de juiste technische installaties voor verwarming en ventilatie;

• het toepassen van energiezuinige toestellen;

• het beperken van warmteverliezen door te lange leidingen;

• het toepassen van alternatieve energiebronnen, zoals warmtepompen, windmolens en zonnecollectoren;

• optimaal gebruik van restwarmte, bijvoorbeeld middels warmtekrachtkoppeling;

• het toepassen van zonering van gebouwen en installaties, zodat per ruimte van een gebouw optimaal aan de vraag kan worden voldaan.

2.1.3 Verstandig gebruik van water

Naast het energiegebruik is ook de waterhuishouding een belangrijke pijler van duurzaam bouwen. Het voornaamste doel is beperking van het drinkwaterverbruik. Minder gebruik van drinkwater levert voor het milieu de volgende voordelen op:

• Het voorkomt plaatselijke verdroging als gevolg van het oppompen van grondwater.

• Het vermindert de noodzaak van uitbreiding van bestaande of aanleg van nieuwe waterwingebieden.

Beperking van het gebruik van water kan onder meer worden gerealiseerd door het plaatsen van waterbesparende baden, douchekoppen en toiletpotten. Uiteraard kan het waterverbruik ook op eenvoudige wijze worden beperkt

door het toepassen van hemelwater of gezuiverd afvalwater voor toiletspoeling of wasmachine.

2.1.4 Milieuvriendelijke materialen

Duurzaam bouwen bestaat voor een groot deel uit het juiste gebruik van grondstoffen en materialen. Om hierin een goede keuze te kunnen maken is de Levenscyclusanalyse (LCA) ingevoerd. De LCA is een methode om de totale milieubelasting van een product te bepalen gedurende de gehele levenscyclus, dat wil zeggen van winning van de benodigde grondstoffen, productie, transport en gebruik tot sloop en afvalverwerking (zie ook paragraaf 2.2.1).

2.2 Wet- en regelgeving op milieugebied

De Nederlandse bouwregelgeving veranderde van lokale voorschriften gericht op praktische problemen naar nationale wetten met nadruk op uniformiteit en kwaliteit. Vanaf de Middeleeuwen werden lokale regels vooral opgesteld om stadsbranden en hygiëneproblemen te bestrijden. De industrialisatie in de 19e eeuw bracht een dringende behoefte aan betere huisvesting, wat in 1901 leidde tot de Woningwet, de eerste nationale bouwregelgeving. Deze wet legde de basis voor landelijke voorschriften en lokaal toezicht.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen meer uniforme regels, zoals het Besluit Uniforme Bouwvoorschriften in 1956 en later het Bouwbesluit in 1992, dat lokale verordeningen verving met nationale eisen voor veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en milieu. Het Bouwbesluit werd herhaaldelijk aangepast aan nieuwe technologieën en Europese normen.

De introductie van de Omgevingswet in 2024 integreert alle regels voor de fysieke leefomgeving en biedt een samenhangend kader. Gelijktijdig ging de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen in werking, waarmee bouwers meer verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit tijdens en na de bouw. Deze ontwikkelingen

benadrukken duurzaamheid, innovatie en een gestroomlijnd bouwproces.

2.2.1 Besluit bouwwerken leefomgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat belangrijke voorschriften die gericht zijn op milieubescherming. Een van de centrale thema’s is energiezuinigheid, waaronder de Bijna Energieneutrale Gebouw (BENG)-eisen, die de energieprestaties van nieuwe gebouwen reguleren en de milieubelasting verminderen. Daarnaast bevordert het besluit duurzaamheid door het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en technieken te stimuleren, waardoor de impact van bouwwerken op het milieu wordt beperkt. Ook zijn er regels voor bouw- en sloopwerkzaamheden die gericht zijn op het verminderen van milieubelasting, zoals het minimaliseren van stof- en geluidsoverlast en het verantwoord beheren van bouwafval. Deze voorschriften dragen gezamenlijk bij aan een duurzamere leefomgeving.

2.2.2

Wet milieubeheer

Met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de Wet milieubeheer grotendeels geïntegreerd in de nieuwe wetgeving. Bepaalde onderdelen van de Wet milieubeheer blijven echter van kracht, zoals die over stoffen, afvalbeheer, broeikasgasemissies, openbaarmaking van milieu-informatie en milieuaansprakelijkheid. De Wet milieubeheer is aangepast om overlap met de Omgevingswet te voorkomen en de samenhang te versterken.

2.2.2.a Provinciale milieuverordening

Met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de provinciale milieuverordening vervangen door de omgevingsverordening. Deze nieuwe verordening bundelt alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in één geïntegreerd kader. Onderwerpen zoals milieu, ruimtelijke ordening, waterbeheer, natuur, ontgrondingen en andere aspecten die eerder verspreid waren over verschillende verordeningen zijn nu samengebracht. Dit zorgt voor een overzichtelijk en samenhangend regelgevingskader binnen de provincie.

Daarnaast is de milieuvergunning opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Bedrijven moeten deze vergunning aanvragen als hun activiteiten onder milieuregels vallen, zoals vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Via het Omgevingsloket kunnen ondernemers nagaan welke regels van toepassing zijn en of een vergunning vereist is. Dit geldt voor activiteiten met een potentieel milieueffect, zoals industriële productie, energieopwekking, opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen, afvalbeheer, intensieve veehouderij en grootschalige bouwprojecten.

2.2.2.b

Milieuvergunning

De milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer verving in 1993 de aparte vergunningen van de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Afvalstoffenwet, de Wet geluidhinder en de Wet chemische afvalstoffen. In 2010 is de milieuvergunning onder de Wabo opgegaan in de omgevingsvergunning. Op grond van de Wet milieubeheer kan een milieuvergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

Daaronder verstaat de overheid in ieder geval:

• doelmatige verwijdering afvalstoffen;

• verbetering milieu;

• zuinig gebruik van energie en grondstoffen.

Er zijn verschillende soorten vergunningen:

• oprichtingsvergunning: dit is een vergunning om een bedrijf op te richten en de activiteiten te starten;

• veranderingsvergunning: deze staat uitbreiding of wijziging van een deel van een bestaand bedrijf toe (vroeger ook wel uitbreidings- of wijzigingsvergunning genoemd);

• revisievergunning: dit is een geheel nieuwe vergunning voor een bestaand bedrijf, die alle eerder verleende vergunningen vervangt;

• ambtshalve wijziging: dit is een gedeeltelijke aanpassing van een vergunning op initiatief van de provincie.

Bedrijven met een milieuvergunning hoeven niet voor iedere verandering in het bedrijf een vergunning aan te vragen. Veranderingen die alleen gunstige of geen gevolgen voor

het milieu hebben en binnen de ruimte van de milieuvergunning passen, hoeven alleen gemeld te worden.

2.2.3 Bouwstoffenbesluit

Het Bouwstoffenbesluit is in 2008 vervangen door het Besluit bodemkwaliteit, dat regels stelde voor het gebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie om verontreiniging van bodem en water te voorkomen. Met de invoering van de Omgevingswet zijn de regels verder opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, dat zich richt op directe toepassingen van bouwstoffen, en het aangepaste Besluit bodemkwaliteit, dat ondersteunende activiteiten zoals kwaliteitsborging en handel reguleert. Zo zijn de regels geïntegreerd en aangepast aan de nieuwe wetgeving.

2.2.4 Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming, die van 1987 tot eind 2023 van kracht was, regelde het voorkomen en saneren van bodemverontreiniging. Met de invoering van de Omgevingswet is de wet vervallen en zijn de regels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor lopende saneringen blijven de oude regels in sommige gevallen gelden via overgangsrecht. Het Bal, dat op 1 januari 2024 in werking is getreden onder de Omgevingswet, stelt algemene regels voor activiteiten met impact op de fysieke leefomgeving, zoals milieubelastende en watergerelateerde activiteiten. Het vervangt eerdere regelingen, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer, en biedt uniforme kaders voor vergunningen, algemene regels en bevoegd gezag. Het doel is om procedures te vereenvoudigen en transparantie te vergroten voor een efficiëntere bescherming en benutting van de leefomgeving.

2.2.5 Waterwet

De Waterwet is ingevoerd in 2009, en integreerde wetten voor oppervlakte- en grondwaterbeheer en verbeterde de samenhang met ruimtelijke ordening. Met de komst van de Omgevingswet zijn de regels uit de Waterwet opgenomen in deze nieuwe wet, waardoor waterbeheer onderdeel wordt van een geïntegreerd en eenvoudiger stelsel voor de fysieke

leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat natuurlijke en door mensen gemaakte elementen zoals bodem, water, lucht, gebouwen en natuur. Het is een centraal thema in de Omgevingswet, die zorgt voor een samenhangende aanpak van ruimtelijke ordening, milieubescherming en infrastructuur. Het doel is een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving te waarborgen, met ruimte voor economische en maatschappelijke activiteiten. Waterbeheer in Nederland richt zich op waterveiligheid, waterkwaliteit en voldoende zoetwater, essentieel vanwege de lage ligging van het land. Het omvat bescherming tegen overstromingen, beheersing van vervuiling, en aanpassing aan klimaatverandering. De daarbij behorende taken worden uitgevoerd door waterschappen, Rijkswaterstaat en gemeenten en zijn sinds 2024 geïntegreerd in de Omgevingswet.

2.2.5.a Betrokken partijen

Met de komst van de Omgevingswet is waterbeheer in Nederland geïntegreerd in een groter geheel voor het beheer van de fysieke leefomgeving. De verantwoordelijkheden zijn herverdeeld om samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers te verbeteren en het beheer efficiënter te maken. De rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het nationale waterbeleid, inclusief de normen voor waterveiligheid en het beheer van primaire waterkeringen, zoals dijken en duinen die bescherming bieden tegen de zee en grote rivieren. Provincies vertalen dit beleid naar regionale maatregelen en hebben taken zoals het beheer van grondwaterkwaliteit en de regulering van grondwateronttrekking.

• Waterschappen zijn belangrijk op het gebied van regionaal waterbeheer. Zij zijn verantwoordelijk voor het opstellen van beheerplannen voor de waterkwaliteit in hun gebieden en beheren regionale waterkeringen die bescherming bieden tegen water uit rivieren, kanalen en meren. Gemeenten dragen zorg voor lokaal waterbeheer, waaronder stedelijke grondwaterbeheer, regenwaterafvoer en de aanleg en het onderhoud van riolering. Deze activiteiten worden vaak gecoördineerd met waterschappen om lokaal en regionaal beheer goed op elkaar af te stemmen.

• Bedrijven spelen ook een cruciale rol, vooral in sectoren met een intensief watergebruik, zoals landbouw, industrie en energie. Zij moeten voldoen aan strikte regels met betrekking tot watergebruik en lozingen om milieuschade te voorkomen. Burgers zijn betrokken via waterschapsheffingen en regels die hun rechten en verantwoordelijkheden in het waterbeheer bepalen, zoals bescherming tegen overstromingen en duurzaam gebruik van waterbronnen.

• Milieuorganisaties en belangenverenigingen blijven daarnaast actief betrokken. Zij monitoren en adviseren over de ecologische en maatschappelijke impact van waterbeheer, waarbij ze een belangrijke stem zijn in het bewaken van natuur- en milieubelangen.

De Omgevingswet introduceert een integrale benadering waarbij waterbeheer nauw wordt afgestemd op andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, infrastructuur en milieubeheer. Dit vereist intensieve samenwerking tussen overheden, bedrijven, organisaties en burgers om een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving te waarborgen. Hierdoor wordt waterbeheer niet langer opzichzelfstaand behandeld, maar als een belangrijk onderdeel van een samenhangend systeem dat kijkt naar klimaatverandering, zeespiegelstijging en waterveiligheid.

2.2.5.b Onttrekken en infiltreren

Het is het verboden om zonder vergunning grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Dit verbod geldt tenzij specifieke uitzonderingen van toepassing zijn, zoals vastgelegd in provinciale verordeningen. Zo kan een provincie bepalen dat voor onttrekkingen tot maximaal 10 m³ per uur geen vergunning nodig is. Een vergunning wordt alleen verleend als kan worden aangetoond dat er geen risico is op verontreiniging van het grondwater.

Een vergunning is in ieder geval verplicht bij industriële toepassingen waarbij meer dan 150.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken, evenals bij het onttrekken van grondwater voor drinkwatervoorziening en bij

Algemene bouwkunde voor makelaars, bestaande uit deel A en B, is hét studieboek voor de opleidingen tot makelaar, taxateur of vastgoedkundige. In twee delen bevat Algemene Bouwkunde voor Makelaars alle basiskennis voor het onderdeel Bouwkunde van het examen door de Stichting Vakexamen Makelaardij in Onroerende Goederen SVMNIVO.

Het biedt een heldere en toegankelijke uitleg van alle fasen van het bouwproces, van ontwerp tot en met oplevering en beheer, zowel in theorie als in de praktijk. Weten regelgeving, constructieleer en bouwtechnologie zijn volledig geïntegreerd. Met duidelijke foto’s en 2D- en 3D-tekeningen wordt een helder beeld geschetst van het gehele bouwproces.

De zesde druk is grondig herzien en sluit volledig aan bij de nieuwste ontwikkelingen in de bouw en de vastgoedwereld. Zo wordt uitgebreid aandacht besteed aan de invoering van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Omgevingswet, de Wet kwaliteitsborging en de nieuwe NEN-EN-normen, BRLs’ en BENG-eisen. Daarnaast worden actuele maatschappelijke onderwerpen besproken, waaronder duurzame energieopwekking en het gebruik van biobased materialen. Ook hebben innovatieve bouwvormen zoals natuurinclusief-, klimaatadaptief- en IFD-bouwen een belangrijke rol in de vernieuwde editie van het boek.

Of je nu aan het begin van je carrière staat of je kennis wilt opfrissen: Algemene bouwkunde voor makelaars brengt theorie, praktijk en regelgeving samen tot één helder geheel. Dankzij de modulaire opbouw is het boek uitstekend inzetbaar voor zelfstudie en afstandsonderwijs, en bovendien waardevol als naslagwerk.

A.H.L.G. Bone

D.J.H. Bone

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bouwkunde voor Makelaars deel A 6e druk - 9789006992229 - inkijkexemplaar by ThiemeMeulenhoff - Issuu