Skip to main content

Burgerschapsvorming_9789006952704

Page 1

P&D

Burgerschapsvorming

Burgerschapsvorming. Jong gedaan, oud geleerd is het meest complete boek in Nederland dat uitvoerig ingaat op burgerschapsvorming in het primair onderwijs. Burgerschapsvorming is sinds 2006 een verplicht aandachtsgebied in het basisonderwijs. Dit boek sluit aan op de kerndoelen. Deze herziening bevat nieuwe hoofdstukken over wereldburgerschap. Ook is recente literatuur over burgerschapsvorming toegevoegd. Het boek is geschikt voor Pabo-studenten en teams van basisscholen.

Pedagogiek & Didactiek

Burgerschaps vorming

P&D

Burgerschaps vorming Jong gedaan, oud geleerd

Dit boek behandelt zes aspecten van burgerschapsvorming: de schoolcultuur, de schoolorganisatie, het pedagogisch klimaat, de lesinhoud of de beeldvormers, de schoolomgeving en wereldburgerschap. In zes praktijkhoofdstukken worden de mogelijkheden van burgerschap toegelicht. In elk hoofdstuk staat een meetinstrument, waarmee een school kan nagaan wat ze aan burgerschapsvorming doet en wat nog ontbreekt. Verder behandelt het boek intrigerende visies van pedagogen en filosofen op aspecten als democratisch burgerschap, bezield burgerschap en wereldburgerschap.

Jan de Bas

Op de website www.paboburgerschapsvorming.nl zijn onder meer de opdrachten te vinden.

Jan de Bas


Burgerschaps vorming Jong gedaan, oud geleerd

Jan de Bas


COLOFON Redactie Monique Braam Art direction Ineke de Graaff, Amsterdam Opmaak binnenwerk Deltahage, Den Haag Ontwerp omslag en binnenwerk Studio Fraaj, Rotterdam Foto’s binnenwerk Karin Ligthart Cartoons Cor den Dulk

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 95270 4 Derde druk, eerste oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC­®keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Woord vooraf   7 1 Inleiding: de burgerschapsschool  9 1.1 De pedagogische taak en opdracht van een school   10 1.2 Burgers en burgerschaps­vormen   12 1.3 De zesslag van burgerschapsvorming   14 1.4 Burgerschapsvorming: een plicht   15 1.5 Domeinen van burgerschaps­vorming   17 1.6 Bronnen   18

2 John Dewey: ‘Democracy as a way of life’  19 2.1 Dewey als opvoeder en leraar   19 2.2 De community   20 2.3 Taak van het onderwijs   21 2.4 De democratische leerschool   24 2.5 Een open democratische houding   24

3 De burgerschapsmeter: schoolcultuur en burgerschap  27 3.1 De schoolcultuur  28 3.2 Soorten schoolcultuur  30 3.2.1 Inclusieve of exclusieve schoolcultuur  30 3.2.2 Homogene of heterogene schoolcultuur  31 3.2.3 Open of gesloten school­cultuur  31 3.3 Levensbeschouwing en schoolcultuur   32 3.4 De burgerschapsmeter   33

4 Micha de Winter: de noodzaak van een democratisch offensief  35 4.1 Een democratische achtergrond   35 4.2 De noodzaak tot een demo­cratisch offensief   36 4.3 De vreedzame en demo­cratische school  38 4.4 Burgerschapsvorming thuis   39 4.5 De betekenis van het demo­cratisch offensief   40


5 De burgerschapsbarometer: schoolorganisatie en burgerschaps­ vorming   43 5.1 Open communicatie: benut de instrumenten   44 5.2 Democratische ouders  44 5.3 Regels op een democratische school: de placematmethode  46 5.4 Democratisch leiderschap  49 5.5 De burgerschapsbarometer   50

6 Janusz Korczak en Célestin Freinet: kinderen hebben rechten  53 6.1 Janusz Korczak  53 6.2 Korczaks weeshuis en de rechten van het kind  54 6.3 Célestin Freinet  56 6.4 De ‘Freinettechnieken’  56 6.5 Freinet in Nederland  57 6.6 De betekenis van Korczak en Freinet voor burgerschapsvorming  58

7 De burgerschaps­thermometer: het pedagogisch klimaat van de klas   61 7.1 De leerkracht als regelaar van de pedagogische temperatuur   62 7.2 De organisatie van de klas als leefgemeenschap en als leef- en leeromgeving  63 7.3 De burgerschapsthermometer  73

8 Jan Ligthart: bezield burgerschap en het volle leven  75 8.1 Schoolmeester Jan Ligthart  75 8.2 Leren door zien en doen! Het volle leven   76 8.3 Taalmethoden  78 8.4 Ligthart als pedagoog: kinderen moeten meedoen   79 8.5 Jan Ligthart en burgerschapsvorming   80


9 De burgerschapsweegschaal: burgerschapsvorming, curriculum en beeldvormers  83 9.1 De drie domeinen van de SLO  83 9.2 Democratische beeldvormers   85 9.3 Voorbeelden van democratische beeldvormers  87 9.3.1 De schoolomgeving: een excursie naar het gemeentehuis  87 9.3.2 Dvd’s, cd-roms en sites: de digitale burger   88 9.3.3 Het klassengesprek en de discussie   92 9.3.4 Methoden   93 9.3.5 Tien criteria voor methodekeus  95 9.3.6 Spelen, zingen en dichten  96 9.4 Lesideeën   100 9.4.1 Democratie  100 9.4.2 Participatie   104 9.4.3 Identiteit   106 9.5 De burgerschapsweegschaal   110

10 Kees Boeke en Feitse Boerwinkel: bezield burgerschap en de samenleving 113 10.1 Onderwijsvernieuwer Kees Boeke  114 10.2 Boeke, de samenleving en het burgerschap   115 10.3 Sociocratisch burgerschap  116 10.4 Boerwinkel in het onderwijs   117 10.5 Inclusief denken op school   118 10.6 Dialogisch onderwijs en burgerschapskunde  119 10.7 Boeke, Boerwinkel en burgerschapsvorming  121

11 De burgerschapsatlas: maatschappelijk burgerschap en de schoolomgeving 123 11.1 Maatschappelijk burgerschap in de schoolomgeving  124 11.2 Wat is de burgerschapsatlas?   125 11.3 De participatieladder van Roger Hart   127 11.4 Hoe werkt de burgerschaps­atlas?   129 11.5 De burgerschapsatlas in de praktijk   130 11.6 Voorbeelden van contacten met en activiteiten in de school­ omgeving  131 11.7 De burgerschapskalender  134 11.8 De burgerschapsatlas   134


12 Kwame Anthony Appiah en Lolle Nauta: de wereldburger als sociale democraat   137 12.1 Het kosmopolitisme van Appiah  138 12.2 Appiahs wereldburger is een patriot  139 12.3 Wereldburgerschap: feiten en praktijk   140 12.4 Lolle Nauta: de Nederlander, de wereldburger en de vreemdeling  141 12.5 Nauta: mensenrechten als basis  142 12.6 Appiah en Nauta: de wereldburger is een sociale democraat   144

13 De wereldburgerschap kilometerteller  147 13.1 Wereldburgerschap, het basisonderwijs en de kerndoelen  148 13.2 Wereldburgerschap en inter- en multicultureel onderwijs  150 13.3 De canon van wereldburgerschap: acht thema’s  153 13.4 Wereldburgerschap in de onderwijspraktijk  155 13.4.1 De NCDO en haar materialen  156 13.4.2 Overige organisaties met educatief materiaal  158 13.4.3 Niveaus van praktijkvoorbeelden  161 13.5 De wereldburgerschap­kilometerteller  162

14 Evaluatie: het burgerschapskompas  165 14.1 Visies en instrumenten  165 14.2 Implementatie   167 14.3 Toetsing  169 14.4 School en samenleving  169 14.5 Burgerschap met hoofd en ziel  170

Over de auteur   173 Literatuur 175 Websites   182 Methoden 184 Personenregister   185


Woord vooraf Dagblad Trouw kopte op 21 juni 2012 ‘Scholier zakt voor burgerschap’. In de voorpaginatekst meldde de krant dat Nederlandse scholieren van 14 jaar oud vergeleken bij leeftijdgenoten minder van burgerschap weten. Uit een onderzoek verricht door de International Association for the Evaluation of Educational Achievement werd duidelijk dat Nederlandse kinderen weinig weten van normen en waarden, die nodig zijn om te functioneren als volwaardig burger. Ze scoorden slechter dan alle leeftijdgenoten uit 37 andere landen. Over het onderzoek zijn veel vragen te stellen, feit is dat de Nederlandse regering basisscholen in 2006 verplicht stelde om aan burgerschapsvorming te doen. En scholen doen er aan! Omdat de regering openliet wat scholen er aan moeten doen, weten veel schoolteams echter niet precies wat ze aan burgerschapsvorming kunnen doen. Om hen hierbij te helpen en ook om toekomstige leerkrachten - de huidige PABO-studenten - een repertoire van mogelijkheden voor te leggen, schreef ik dit boek. Ik deed dit niet alleen. Ik werd geassisteerd door de volgende meelezers: mijn moeder Janny de Bas-Erkelens, neerlandicus Arie Bijl, pedagoog Joop Berding en onderwijskundige Geert Peeters. Daarvoor mijn hartelijke dank! Centraal in dit boek staat de zesslag van burgerschap. Dit zijn zes aspecten van burgerschapsvorming: de schoolcultuur, de schoolorganisatie, het pedagogisch klimaat, de lesinhoud en beeldvormers, de schoolomgeving en wereldburgerschap. In zes praktijkhoofdstukken worden de mogelijkheden van burgerschapsvorming toegelicht. Al deze hoofdstukken bevatten meetinstrumenten, waarmee een school kan nagaan wat ze aan burgerschapsvorming doet en wat nog ontbreekt. Studenten kunnen de meetinstrumenten gebruiken om na te gaan hoe hun stageschool met burgerschapsvorming omgaat. Verder staan in dit boek intrigerende visies van pedagogen en filosofen op aspecten van burgerschap, zoals democratisch burgerschap, bezield burgerschap en wereldburgerschap. Burgerschapsvorming is van alle tijden, maar is in Nederland in de 21ste eeuw misschien nog wel harder nodig dan vroeger. Nederlanders bezitten meer dan ooit ervoor een diverse culturele achtergrond, wat de onderlinge omgang niet altijd makkelijker maakt. Terwijl deze diversiteit juist veel culturele mogelijkheden biedt! Nederlanders leven samen, maar ook voor zichzelf. Het is goed als kinderen kennismaken met de voor- en nadelen hiervan. Tenslotte maakt Nederland nadrukkelijk onderdeel uit van Europa en van de digitale wereld. Ook dit heeft betekenis voor de kansen die jonge burgers krijgen en de bedreigingen waar ze aan bloot staan. Ik hoop dat dit boek helpt om lezers wegwijs te maken bij het zoeken naar antwoorden op vragen rond burgerschapsvorming. Ik ben me daarbij bewust van het feit dat dit boek niet alle antwoorden zal geven. Maar is het niet juist een kenmerk van een (goede) burger dat hij zelf op zoek gaat naar het antwoord dat bij hem past? Jan de Bas

7


1 1 Inleiding:de burgerschapsschool

1

Inleiding: de burgerschapsschool

Kinderen van groep 6 van de Statenschool in Dordrecht zitten in een kring. Een jongetje voert het woord. Hij vertelt waarom het goed is dat we in Nederland mogen stemmen. De andere kinderen knikken. Een meisje steekt haar vinger op: ‘Maar het is eigenlijk niet eerlijk dat wij níét mogen stemmen.’ De groep discussieert ruim een half uur over de voordelen van een democratie. Dit gesprek vindt plaats in het kader van burgerschapsvorming. Het thema van de activiteit luidt: filosoferen over burgerschap. Een andere situatie. Leerlingen uit groep 8 van de protestants-christelijke Bethelschool in Waddinxveen zijn onderweg naar het Anne Frankcentrum, een bejaardentehuis. De kinderen hebben zelfgemaakte kerststukjes bij zich. Ze worden ontvangen door de directeur van het centrum. In de hal zingen de kinderen samen met de bejaarden enkele kerstliederen. Daarna overhandigen ze de stukjes. De meester van de groep heeft de kinderen verteld dat het bezoek een voorbeeld is van actief burgerschap. De scholen uit Dordrecht en Waddinxveen besteden aandacht aan burgerschapsvorming. De overheid vindt dit zo belangrijk dat ze in 2006 alle basisscholen heeft verplicht er aandacht aan te besteden. In Burgerschapsvorming: jong gedaan, oud geleerd. Visies en instrumenten maakt u kennis met kenmerken, aspecten, domeinen, vormen, bronnen en mogelijkheden van burgerschapsvorming voor basisschoolkinderen vanaf acht jaar. Daarnaast

9


komen de consequenties van de door de overheid gestelde voorwaarden aan burgerschapsvorming uitvoerig ter sprake. Dit boek is een dikke sandwich, een soort clubsandwich. Na de inleiding wisselen een hoofdstuk over een pedagoog en een praktijkhoofdstuk elkaar af. De pedagogen die de revue passeren, hebben in hun leven en werk een bruikbare visie op en geschikte instrumenten voor burgerschapsvorming ontwikkeld, ook al spraken ze niet allemaal expliciet over burgerschap of burgerschapsvorming. De volgende pedagogen en filosofen komen achtereenvolgens ter sprake: John Dewey, Micha de Winter, Janusz Korczak, Célestin Freinet, Jan Ligthart, Feitse Boerwinkel, Kees Boeke, Kwame Anthony Appiah en Lolle Nauta. Hun werk en ideeën vormen de opmaat van ieder praktijkhoofdstuk.

1.1 De pedagogische taak en

opdracht van een school

Welke opvoedkundige taken hebben scholen en leerkrachten? Wat zijn de pedagogische verantwoordelijkheden van ouders? Waar liggen de grenzen tussen taken voor school en thuis? Een van de pedagogische taken van de leerkracht is kinderen voor te bereiden op hun toekomstige rol als burgers. De leerkracht kan hierbij gebruikmaken van: zijn eigen voorbeeldfunctie, instrumenten om de klas op een democratische wijze te organiseren - zoals de klassenvergadering, de muurkrant en de democratiehoek -, lesmethoden die bijvoorbeeld ingezet kunnen worden bij burgerschapsvorming en organisaties in de schoolomgeving waarmee activiteiten opgezet kunnen worden. In 2008 formuleert de overheid in de Wet op het primair onderwijs (WPO) de taken van een school. Deze taken kunnen gezien worden als opdrachten die een basisschool uit te voeren heeft. Ze markeren tevens de grens van de schooltaken. In artikel 8 van de WPO staat over de betekenis van de school bij de voorbereiding van kinderen op een plaats in de maatschappij: ‘het onderwijs: ❍❍ gaat er mede vanuit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving, ❍❍ is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en ❍❍ is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten’ (WPO, zoals deze geldt op 20 januari 2008). Een school kleurt bovenstaande punten zelf in. Dit gebeurt conform de pedagogische opdracht die ze zichzelf stelt. De vraag is hoe zij vormgeeft aan het begeleiden van kinderen bij hun menswording. Meer dan onderwijs,

10


1 1 Inleiding:de burgerschapsschool

waarin de theorie en de praktijk van het basisonderwijs worden beschreven, vult dit volwassen-worden nader in. Het gaat volgens de auteurs om antwoorden op vragen als: ‘Hoe leer je kinderen meeloper en dwarsligger te worden?’ en ‘Hoe leer je ze betrokken, sociale volwassenen te worden?’ (Alkema e.a. 2006: 13). De pedagogische opdracht vormt de kern van het onderwijs. Bij het uitvoeren van die opdracht dient een school er altijd vanuit te gaan dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. Daarom doet een school er goed aan ouders te betrekken bij het uitvoeren van haar opvoedkundige opdracht. Alle activiteiten rond en aspecten van burgerschapsvorming bieden scholen hiertoe de kans! Voor een school spelen bij het definiëren van haar pedagogische taak met betrekking tot burgerschapsvorming een aantal vragen. De belangrijkste vraag is misschien wel welk soort burgerschap een school voorstaat. Gaat het er vooral om dat je als kind jezelf kan redden in je directe omgeving? Dit leert een kind bijvoorbeeld expliciet bij lessen sociale vaardigheden. Het gaat dan om het bijbrengen van fatsoenlijk gedrag, zoals iemand aankijken als je met hem praat en met twee woorden spreken. Een school kan het accent op sociaal burgerschap leggen, maar kan ook kiezen voor het benadrukken van democratisch burgerschap. Daarbij gaat het erom dat kinderen deelnemen aan besluitvormingsprocessen in de meest brede zin van het woord. Ze leren een grondhouding aan die zich kenmerkt door meedoen vanuit het perspectief van samenleven. Meedoen betekent ook: leren luisteren, met een ander meedenken en iets voor een ander doen. De Amerikaanse pedagoog en filosoof John Dewey omschreef deze grondhouding in Democracy and Education. An introduction to the philosophy of education (1916) als ‘democracy as a way of life’. Het ging hem daarbij feitelijk om waarlijk mens te zijn door deel te nemen aan de gemeenschap (zie ook: Logister 2005: 93). De Nederlandse sociaal-pedagoog Micha de Winter stelt dat er aan het meedoen door kinderen nogal wat competenties verbonden zijn. Hij noemt onder andere: het kunnen debatteren, het verantwoordelijk omgaan met bevoegdheden en situaties, het oefenen en tonen van tolerantie en respect voor de verscheidenheid van identiteiten, meningen en gedragingen, de bereidheid om verantwoordelijkheid te kunnen dragen en om de civil society actief te verdedigen wanneer de principes ervan in het geding zijn (De Winter 1995: 47). Een school moet goed weten waaraan ze begint. Overigens streven veel scholen genoemde competenties al na. Ze doen eigenlijk al meer aan burgerschapsvorming dan ze beseffen. Daarom is het verstandig dat een school inventariseert hoe de vlag erbij hangt aan de hand van wat ze weet over burgerschapsvorming na het lezen van dit boek. Daarna kan ze lacunes vullen en doublures elimineren. De pedagoog Jeroen Onstenk benadrukt dat de omgang met burgerschapsvorming door scholen vrijgelaten moet worden en er dus geen sprake kan zijn van algemeen geldende competenties. Juist deze vrijheid typeert de democratie waarvan we kinderen volwaardig lid willen maken. Wel zullen

11


kinderen door het ontwikkelen van normatief en waardebewust gedrag evenwicht moeten leren vinden tussen enerzijds aanspreekbaar en verantwoordelijk zijn en anderzijds weerbaar zijn en opkomen voor je eigen belang; dus toch enkele competenties (Onstenk 2005: 18-22). De pedagoog Gert Biesta accentueert in diverse publicaties dat kinderen in politiek opzicht geen burger zijn. Ze hebben geen stemrecht en dragen niet dezelfde politieke verantwoordelijkheid die volwassenen (zouden moeten) dragen. Wel zijn ze burger als het gaat om hun participatie in het gezin, op school, in het verenigingsleven en op straat. Ze leren er omgangsvormen en ze trainen in het opkomen voor zichzelf. Ook oefenen ze in het rekening houden met de ander. Dat zijn allemaal vaardigheden die nodig zijn bij het volwaardig uitoefenen van het grotemensenburgerschap (zie: Biesta 2006 en Biesta 2011). De keuze voor een bepaald aspect van burgerschap heeft gevolgen voor onder andere het gebruik van een methode - kies je voor een geschiedenismethode met veel aandacht voor de democratie, een methode voor sociale competentie of voor beide? -, de inrichting van een klas, de houding van een valide leerling tegenover een invalide leerling en vice versa, de rol die ouders spelen op school, de contacten die een school onderhoudt en de manier waarop kinderen met elkaar praten tijdens een kringgesprek. Bij de koers van een school spelen haar visie en inzet om deze gestalte te geven een doorslaggevende rol. Het gaat om weten, willen en kunnen. Daarom dit boek!

1.2 Burgers en burgerschaps­vormen Een school die burgerschapsvorming praktiseert, doet er verstandig aan te formuleren welk type burger ze voorstaat bij het vervullen van haar pedagogische opdracht. Het fenomeen ‘burger’ wordt in de literatuur op verschillende wijzen gedefinieerd. In Burger, dat verscheen onder redactie van de historici Joost Kloek en Karin Tielmans, wordt de geschiedenis van het begrip ‘burger’ beschreven. Deze geschiedenis leert dat de invulling van het begrip evolueerde en flexibel werd ingevuld. Dit gebeurde naar de normen van de tijd. In de huidige samenleving domineert de normatieve betekenis van het individu, dat recht heeft om zichzelf te zijn, maar waarvan ook verwacht wordt dat het zich aanpast aan de spelregels van de Nederlandse samenleving (Kloek en Tielmans 2002: 15-17). Wetenschappers hebben verschillende criteria gebruikt om burgers in te delen. Scholen kunnen hiervan gebruikmaken bij het bepalen van hun visie op burgerschap. Onder leiding van socioloog Herman van Gunsteren verscheen in 1992 Eigentijds burgerschap, een uitgave van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Van Gunsteren schetst in dit document, dat is gaan functioneren als basisstuk voor het huidige denken over burgerschap, vier typen burgerschap. Dit doet hij vanuit het perspectief van de

12


1 1 Inleiding:de burgerschapsschool

relatie tussen het individu en de gemeenschap. Hij noemt: ❍❍ Het calculerend of liberaal-individualistisch burgerschap, waarbij de burger als zelfstandig mens zijn gedrag in vrijheid afstemt op het hoogst mogelijke sociaaleconomische en culturele rendement. ❍❍ Het gemeenschapsburgerschap, waarbij het functioneren van de enkeling volledig afhankelijk is van de relatie die hij met de gemeenschap onderhoudt. ❍❍ Het republikeins burgerschap, waarbij het gaat om de verhouding van de burger tot de publieke, vaak door politiek gedomineerde, gemeenschap. Moed, militaire discipline en staatsmanschap zijn daarbij horende deugden. Individualiteit staat in dienst van de gemeenschap. ❍❍ Het neorepublikeins burgerschap. Bij dit type burgerschap vindt een synthese plaats van de andere vormen. De burger komt op voor zichzelf en bezit tevens een uitgebalanceerde relatie met de gemeenschap, inclusief rechten en plichten (Van Gunsteren 1992: 11-20). Je kunt dit type burgerschap ook het kritisch-democratisch burgerschap noemen. De pedagoog Wiel Veugelers benaderde burgerschap vanuit het perspectief van de waardeontwikkeling. Bij een waarde moeten we denken aan nastrevenswaardig gedrag dat zich onder andere uit in het streven naar gelijkwaardigheid, vrijheid en saamhorigheid. Veugelers onderscheidde drie soorten burgers en bijbehorend burgerschap. Zijn indeling is verwant aan die van Van Gunsteren. Ten eerste onderscheidt hij de aanpassingsgerichte burger. Deze behoort tot een historisch gegroeide gemeenschap en ontleent daaraan zijn identiteit. Het is voor hem belangrijker om waarden te delen en deel uit te maken van de gemeenschap dan om kritisch te reflecteren op collectieve waarden en persoonlijke keuzes te maken. Aanpassingsgericht burgerschap wordt gerealiseerd door de overdracht van waarden. Ten tweede signaleert hij de individualistische burger. Deze burger is een exponent van de liberale traditie en heeft een sterk bewustzijn van zijn individuele rechten. Een belangrijke waarde is persoonlijke autonomie, waarbij ook kritisch denken (reflectievermogen) en onafhankelijke oordeelsvorming belangrijk zijn. De burger bepaalt zelf welke waarden voor hem belangrijk zijn. Ten derde noemt hij de kritisch-democratische burger. Deze burger combineert individuele rechten met sociale plichten. Aanpassing en disciplinering zijn noodzakelijk voor het vertonen van verantwoordelijk gedrag. Zelfstandigheid is van belang daar waar het gaat om kritisch denken en onafhankelijke oordeelsvorming. Tegelijkertijd is de kritisch-democratische burger sociaal betrokken. Dit impliceert loyaliteit aan een aantal gezamenlijk gedragen waarden, gekoppeld aan een democratische houding, zoals gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid (Veugelers 2003). Uiteraard bestaan er nog meer typen burgers en burgerschap. Aan het rijtje van Veugelers kan in elk geval de bezielde burger worden toegevoegd. Het gaat om een burger die gedreven wordt door veelal levensbeschouwelijke

13


idealen. Idealiter wordt dit burgerschap op een positieve wijze ingevuld, waarbij de relatie met de medemens op een opbouwende manier wordt vormgegeven. De cultuurfilosoof Feitse Boerwinkel stond zulk bezield burgerschap voor toen hij een lans brak voor het inclusief denken, dat ervan uitgaat dat het eigen geluk per definitie afhankelijk is van het welbevinden van de ander (Boerwinkel 1966: 27). Politiek econoom Jos Elster signaleert burgers die hij, naar de filosoof Immanuel Kant, ‘kantianen’ noemt. Dit zijn mensen die menen dat je zo moet handelen zoals je zou willen dat anderen handelen. Ze keren zich vooral tegen asociaal gedrag en baseren zich daarbij op wat Kant de ‘categorische imperatief’ noemt. Dit is een buiten de individuele mens om bestaand principe om goed te zijn, een soort hoger geweten of een ethische instelling. Deze burgers kom je volgens Elster in iedere straat tegen (Elster 1989).

1.3 De zesslag van burgerschaps­

vorming

De oproep tot burgerschapsvorming genereerde een fikse hoeveelheid documenten. Educatieve instanties als de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), het Centrum Educatieve Dienstverlening (CED-Groep) en het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC Groep) publiceerden handleidingen, lijsten met tips en suggesties voor methoden. Er ontstond een dusdanige hoeveelheid informatie dat basisscholen door de bomen het bos niet meer zagen. Het is daarom niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk dat scholen inzicht krijgen in deze nieuwe materie. Ze moeten daarbij vooral oog krijgen voor de aard en de bruikbaarheid van de materialen. Om dit beter mogelijk te maken, onderscheid ik zes aspecten van burgerschapsvorming. Deze worden besproken in de praktijkhoofdstukken van dit boek. De zesslag biedt scholen een structuur om de informatie en kennis over burgerschapsvorming praktijkgericht te organiseren. Een school kan inzoomen op een aspect van burgerschap dat bij haar past. Ze kan aan de slag met burgerschapsvorming door iets uit een aspect of segment aan te pakken. Het gaat om de volgende aspecten: ❍❍ De schoolcultuur, waartoe onder andere gerekend kunnen worden: aannames, waarden, normen, burgerschapsconcepten, mensvisies, kindbeelden, symbolen en rituelen. De schoolcultuur kan worden ingezet bij burgerschapsvorming. Dit kan door vanuit het perspectief van meedoen te kijken of rituelen ruimte bieden aan leerlingenparticipatie. ❍❍ De schoolorganisatie, die gebaseerd is op de schoolcultuur. Hiertoe worden gerekend: regels, leiderschapsstijlen en communicatievormen. Zo is open communicatie essentieel bij burgerschapsvorming. ❍❍ Het pedagogisch klimaat en het klassenmanagement. Daarbij moet

14


1 1 Inleiding:de burgerschapsschool

gedacht worden aan zaken als het rooster en de leer- en leefomgeving. De vraag kan gesteld worden of kinderen inbreng hebben bij de totstandkoming van het rooster en de inrichting van de leeromgeving. ❍❍ Het curriculum en de beeldvormers. Hierbij kan gedacht worden aan de kennis die wordt overgedragen via methoden, projecten en incidentele media, zoals de historische canon. Het curriculum levert kennis op die kinderen bij hun burgerschap nodig hebben. Is er op een school bijvoorbeeld aandacht voor staatsburgerschapsvorming en worden in de les democratische beeldvormers gebruikt? ❍❍ De contacten in de schoolomgeving, de civil society rond de school. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan buurtverenigingen, instanties voor kunst, religieuze instellingen en politieke organisaties. De relatie met deze organisaties kan uitstekend worden benut bij het ontwikkelen van het burgerschap van kinderen. Ook de activiteiten die uit deze contacten voortkomen, kunnen hiervoor worden ingezet. ❍❍ Wereldburgerschap. Bij wereldburgerschap kan de school een verbinding leggen met individuele mensen, groepen en organisaties dichtbij en vooral ver weg van de school. Deze verbinding krijgt vorm in correspondentie of het samen organiseren van activiteiten. Het gaat hierbij om de introductie van een kosmopolitische levenshouding.

1.4 Burgerschapsvorming: een

plicht

Diverse keren viel het begrip ‘burgerschapsvorming’. Waar komt het begrip vandaan, waarom werd het zo relevant en waar staat het precies voor? De Nederlandse regering zette in haar zoektocht naar het bevorderen van een gemeenschappelijke Nederlandse identiteit in op burgerschapsvorming. Scholen moeten er aandacht aan besteden en ondertussen doen diverse scholen dat, zoals de Statenschool en de Bethelschool illustreren. Op de Nederlandse basisscholen zitten kinderen van wie de ouders uit ruim 150 landen komen. Ze hebben verschillende geloven en hun ouders zijn afkomstig uit allerlei sociaal-economische klassen. Het zijn leerlingen met uiteenlopende levensstijlen en divers gedrag. Kinderen zijn jonge ‘burgers’. Meedoen aan de samenleving biedt volgens de overheid de kans mensen op elkaar af te stemmen. Ze ziet daarbij een taak weggelegd voor het basisonderwijs. De overheid werkt aan een nationale identiteit. In De verbindende schoolcultuur (2007: 69) stelt de Onderwijsraad: ‘Wat de leden van de school als gemeenschap ook delen is: leven in Nederland en de Nederlandse nationaliteit hebben of willen hebben. Dat betekent dat de school leerlingen moet voorbereiden op het zichzelf in de Nederlandse samenleving kunnen redden. Aandacht voor de maatschappelijke regels en de culturele identiteit van

15


Nederland is daarmee ook een noodzakelijk onderdeel van de socialisatietaak van het onderwijs.’ Op 1 februari 2006 werd in de Wet op het primair onderwijs opgenomen dat een basisschool verplicht aandacht moet besteden aan burgerschapsvorming. De overheid ziet kinderen als volwaardige deelnemers aan de samenleving. Ieder kind moet de mogelijkheid krijgen om kritisch mee te doen, op school, in de wijk, in de stad, in Nederland en in Europa. Een middel om dit te bereiken, is burgerschapsvorming (Onderwijsinspectie 2006: 4). Voor het ontwikkelen en verwoorden van een visie op burgerschap en burgerschapsvorming kunnen in de lijn van wat de overheid bij monde van de onderwijsinspectie aangeeft drie elementen worden onderscheiden: ❍❍ de bijdragen die een school aan burgerschap en burgerschapsvorming levert; ❍❍ de doelen die ze nastreeft; ❍❍ de werkwijze die ze hanteert om haar doelen te realiseren. De SLO heeft de overheidsbedoelingen met betrekking tot burgerschapsvorming gerelateerd aan enkele kerndoelen die voor het Nederlandse basisonderwijs gelden (Bron 2006: 11-12): 36 De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger. 37 Leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen. 38 De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen en ze leren respect op te brengen voor verschillen in opvattingen. 39 De leerlingen leren met zorg omgaan met het milieu. 47 De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen en buitenland, vanuit de perspectieven (…) bestuur, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en ZuidAmerika. 51 De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen zoals aanwezig in ons cultureel erfgoed (...). 53 De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.

Burgerschap wordt door de overheid vooral gezien als actief burgerschap, ‘waarbij leerlingen leren door het te doen, te ervaren wat het is, door sociale

16


1 1 Inleiding:de burgerschapsschool

verbindingen met elkaar aan te gaan zowel binnen de school als met de omgeving van de school, (…) opdat ze met elkaar leren leven in een samenleving die wordt gekenmerkt door etnische, culturele, maatschappelijke en godsdienstige pluriformiteit’ (Ministerie van OCW 2006: 6). De overheid benadrukt dus dat het bij burgerschap gaat om activiteiten van leerlingen en niet alleen om informatieoverdracht. De onderwijsinspectie noemt als ‘stem van de overheid’ vier aandachtspunten waaraan scholen op het gebied van burgerschapsvorming inhoudelijk moeten voldoen. Ten eerste gaat het om sociale competentie: een repertoire aan kennis, houdingen en vaardigheden dat een leerling kan benutten in de omgang met zichzelf en de ander. De school heeft een structureel aanbod gericht op de bevordering van sociale competenties. Ten tweede moeten scholen omgaan met diversiteit in de samenleving. De school brengt de leerlingen in contact met de omgeving en de samenleving brengt de daarvoor noodzakelijke competentie bij en bevordert actieve deelname aan het maatschappelijk proces. Diversiteit kan betrekking hebben op de achtergrond van leeftijdsgenoten, zoals godsdienst, etniciteit en cultuur, opvattingen, leefwijzen en gewoonten. Ten derde heeft een school te maken met basiswaarden en de democratische rechtsstaat. Ze bevordert kennis, houdingen en vaardigheden voor participatie in de democratische rechtsstaat. Ten vierde wordt de school gezien als een oefenplaats. De school brengt burgerschap en integratie ook zelf in de praktijk (Onderwijsinspectie 2006: 8 en 9; zie ook: Admiraal e.a. 2010: 145-155).

1.5 Domeinen van burgerschaps­

vorming

Het is van belang dat een school vaststelt welk type burgerschap en welke burger ze als ideaal ziet. Ze vormt visioenen bij het invullen van burgerschapsvorming en bepaalt de doelen, accenten en ontwikkelingslijnen. De eisen van de overheid en de visie van een school moeten vertaald worden in de praktijk. De SLO koppelt de praktijk van de basisschool aan de eisen van de overheid. De SLO schrijft: ‘Bij het ontwikkelen van een dergelijk overzicht werkt de SLO met drie domeinen die de essentie van burgerschapsvorming duidelijk naar voren brengen: democratie, participatie en identiteit’ (Bron 2006: 33). De SLO werkt de domeinen als volgt uit. Bij democratie gaat het om kennis van hoe een democratie werkt en om houdingen en sociale vaardigheden die nodig zijn voor actieve betrokkenheid bij de samenleving. Bij participatie gaat het om houdingen en vaardigheden om actief mee te doen in sociale verbanden. En bij identiteit gaat het om kennis, houdingen en vaardigheden die van belang zijn bij de identiteitsontwikkeling in een pluri-

17


forme samenleving die zich kenmerkt door verschillende, soms tegenstrijdige waarden en normen (Bron 2006: 33-38). De keus voor een type burger of burgerschap kan eveneens worden ingegeven door ‘gebieden’ (reikwijdtes) van burgerschap. De SLO onderscheidt drie van deze min of meer ‘fysieke terreinen’ van burgerschap (Bron 2006: 22). Het gaat om het klassen- en schoolburgerschap, dat op microniveau binnen de muren van het schoolgebouw en op het schoolplein vorm krijgt. Verder is er het maatschappelijk burgerschap, waarbij op mesoniveau contacten in de schoolomgeving van belang zijn. En ten slotte wordt gesproken van het staatsburgerschap, dat vooral op macroniveau gericht is op het participeren in de Nederlandse en Europese democratie (zie ook: Van der Kooij 1987). Een school doet er verstandig aan haar visie op burgerschap en burgerschapsvorming te onderbouwen. Dit kan door het verwoorden van gemotiveerde keuzes met betrekking tot de in de inleiding behandelde aspecten van burgerschap en burgerschapsvorming. Wanneer een school start met burgerschapsactiviteiten in de onderbouw, zullen kinderen in de bovenbouw burgerschapsvorming heel gewoon vinden. Met een knipoog naar de titel van dit boek zou je kunnen stellen dat ook voor een school geldt: jong gedaan, oud geleerd.

1.6 Bronnen Eerder in deze inleiding schreef ik dat door de grote hoeveelheid informatie over burgerschapsvorming veel basisscholen en studenten door de bomen het bos niet meer zagen. Ook ik moest bij het schrijven van dit boek mijn best doen om op het pad van mijn doelstelling te blijven. Het bos werd gevormd door verschillende bronnen: boeken, artikelen, methoden, incidentele lesmaterialen, internetsites, documenten met good practices, mondelinge bronnen en eigen observaties en onderzoekservaringen. Burgerschapsvorming: jong gedaan, oud geleerd. Visies en instrumenten wil praktisch uitvoerbare ideeën aandragen die het meedoen van kinderen in de samenleving bevorderen. Dit gebeurt vanuit het geloof dat kinderen sociaal, mentaal en cognitief rijker, vaardiger en wijzer worden door te participeren. Een school die serieus koerst op haar burgerschapskompas kan dit realiseren. Actief burgerschap staat voor het onderhouden van ondernemende contacten. Kinderen die in staat zijn om waardevolle relaties aan te gaan, zullen ervaren wat de filosoof Kwame Appiah schrijft over de houding van de wereldburger, die het in relaties gaat om ‘toewijding of compassie, maar ook om intelligentie en nieuwsgierigheid’ (Appiah, 2007: 186). Om de lezer een extra instrument aan te reiken om wegwijs te worden in de wereld van burgerschapsvorming is de site www. paboburgerschapsvorming.nl gemaakt. Deze bevat o.a. opdrachten bij het boek.

18


2 2 John Dewey: Democracy as a way of life

2

John Dewey: ‘Democracy as a way of life’

De Amerikaan John Dewey (1859-1952) was een filosoof en pedagoog die vond dat kinderen vooral moesten meedoen: met een gesprek of onderzoek, met het maken van afspraken, het uitvoeren van een opdracht, het bepalen van regels in de klas, enzovoort. Hij vond deze vaardigheden onmisbaar bij de vorming van het kind tot een volwaardige burger. Dewey was een participatiepedagoog. Zijn motto was: ‘Democracy as a way of life.’ Waarom vond hij het meedoen van kinderen zo belangrijk? En hoe zag hij dit voor zich? En wat kan een school die actief burgerschap wil bevorderen met de ideeën van Dewey?

2.1 Dewey als opvoeder en leraar John Dewey en zijn vrouw Alice Chipman hadden zeven kinderen. Als vader had hij volop te maken met opvoedingssituaties, waarin sprake was van meedoen en uitsluiten. Dewey was daarnaast leraar aan verschillende high schools en universiteiten. Hij werd in 1894 hoogleraar in Chigaco. Hij pleitte voor een professionele opleiding voor leerkrachten. In Chicago was hij van 1896 tot 1904 nauw betrokken bij de experimentele basisschool, de Chicago Laboratory School, die verbonden was aan de universiteit (Berding

19


Over de auteur Jan de Bas (1964) is historicus en opleidingsdocent aan PABO van de Hogeschool Inholland. Hij was adviseur burgerschapsvorming op Rotterdamse basisscholen en deed als lid van de kenniskring ‘Dynamiek van de stad’ (verbonden aan de Hogeschool Inholland) onderzoek naar burgerschap. Jan de Bas schreef onder andere: De muis die even brulde. De Evangelische Volkspartij 1981-1991 (1999, dissertatie), Wereldberoemd in Nederland. Wie is wie in de 20ste eeuw? (2007), De Pabotoets geschiedenis haal je zo (2010) en Lessen in Mediawijsheid. Omgaan met nieuwe media op de basisschool (2011). Hij werkte ook mee aan: Normen en daden. Werken aan veiligheid en sociale competentie op Rotterdamse scholen (2006).

173


P&D

Burgerschapsvorming

Burgerschapsvorming. Jong gedaan, oud geleerd is het meest complete boek in Nederland dat uitvoerig ingaat op burgerschapsvorming in het primair onderwijs. Burgerschapsvorming is sinds 2006 een verplicht aandachtsgebied in het basisonderwijs. Dit boek sluit aan op de kerndoelen. Deze herziening bevat nieuwe hoofdstukken over wereldburgerschap. Ook is recente literatuur over burgerschapsvorming toegevoegd. Het boek is geschikt voor Pabo-studenten en teams van basisscholen.

Pedagogiek & Didactiek

Burgerschaps vorming

P&D

Burgerschaps vorming Jong gedaan, oud geleerd

Dit boek behandelt zes aspecten van burgerschapsvorming: de schoolcultuur, de schoolorganisatie, het pedagogisch klimaat, de lesinhoud of de beeldvormers, de schoolomgeving en wereldburgerschap. In zes praktijkhoofdstukken worden de mogelijkheden van burgerschap toegelicht. In elk hoofdstuk staat een meetinstrument, waarmee een school kan nagaan wat ze aan burgerschapsvorming doet en wat nog ontbreekt. Verder behandelt het boek intrigerende visies van pedagogen en filosofen op aspecten als democratisch burgerschap, bezield burgerschap en wereldburgerschap.

Jan de Bas

Op de website www.paboburgerschapsvorming.nl zijn onder meer de opdrachten te vinden.

Jan de Bas


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Burgerschapsvorming_9789006952704 by ThiemeMeulenhoff - Issuu