Skip to main content

Bijbel als basis leerwerkboek 1 vmbo-t havo vwo

Page 1

Bijbel als Basis

1

vmbo-t havo vwo


3

Vrienden van Jezus

3 Vrienden van Jezus

© Getty Images / iStockphoto / Giulio Fornasar

Je zit nu een tijdje in jouw nieuwe klas en je hebt misschien al een paar nieuwe vrienden gekregen. Het kan zijn dat je je afvraagt wannéér je nu iemand je vriend mag noemen. Bij vriendschap vertrouw je de ander. Je merkt dat je dezelfde interesses hebt of dat je dezelfde soort humor hebt. En je neemt elkaar zoals je bent. Jezus had ook vrienden, dat waren zijn discipelen. Hij trok met ze op en deelde lief en leed met ze. Hij gaf ze ook een opdracht, een opdracht die nog steeds voortduurt. Zelfs nu nog kun je een vriend van Jezus zijn.

In dit hoofdstuk leer je: • • • • • • • 2

nadenken over vriendschap; met wie Jezus omging; onder woorden brengen wat Jezus bedoelt als hij zijn leerlingen vrienden noemt; onder woorden brengen wat Jezus bedoelt als hij alle gelovigen zijn broers en zussen noemt; uitleggen welke opdracht Jezus zijn leerlingen meegaf; ontdekken dat je zelf ook een leerling van Jezus kunt zijn; wat het betekent om leerling van Jezus te zijn.


3.1 Vriendschap

3.1

Vriendschap Je leert: • nadenken over vriendschap; • onder woorden brengen wat Jezus bedoelt als Hij zijn leerlingen vrienden noemt.

1

Om te beginnen - Jij en je vrienden Als je leuke vrienden hebt, weet je vast wel waarom je hen zo leuk vindt. Bijvoorbeeld omdat je goed met hen kan sporten, winkelen of gamen. Maar het is ook belangrijk hoe je vriend of vriendin in elkaar steekt. a Noem vijf eigenschappen die een vriend of vriendin volgens jou moet hebben

Bijvoorbeeld: trouw, eerlijk, lief, stoer, christelijk. b Stel dat je beste vrienden jou moeten omschrijven. Welke eigenschappen noemen ze dan, denk je? Noem drie goede en twee slechte eigenschappen. Goede eigenschappen: luistert goed, grappig, eerlijk Slechte eigenschappen: beetje druk, rommelig

c Lees de volgende stelling: Goede vrienden accepteren alles van elkaar. Ben je het eens of oneens met deze stelling? Leg ook uit waarom.

Bijvoorbeeld: Ik ben het er wel mee eens omdat je bij een echte vriendschap elkaar neemt zoals je bent. d Waardoor kan een vriendschap stuk gaan? Noem twee mogelijke oorzaken. 1 Doordat iemand heeft gelogen. 2 Doordat iemand slecht over een vriend heeft gepraat.

e Wat vriendschap kan betekenen wordt ook in liedjes bezongen. Luister naar het lied Vrienden voor het leven van Jan Smit. Welke zes kenmerken van vriendschap noemt Jan Smit?

Steun, lachen, pijn verzachten, elkaar begrijpen, vertrouwen, je hebt geen woorden nodig. f Hoe belangrijk vind jij de kenmerken die Jan Smit noemt? Zet de verschillende eigenschappen in volgorde van belangrijk naar onbelangrijk. 1 vertrouwen 2 elkaar begrijpen 3 je hebt geen woorden nodig 4 lachen 5 steun 6 pijn verzachten 3


3

Vrienden van Jezus

Jezus, een bijzondere vriend Jezus had ook vrienden. Dat waren zijn twaalf leerlingen met wie Hij het land doortrok. Jezus leerde hun veel. Hij leerde hun wie God is en wie Hij zelf is. Hij leerde hoe ze met elkaar moesten omgaan en hoe ze het beste konden leven. Jezus bereidde hen voor op de toekomst, wanneer Hij naar de hemel zou gaan. Hij wilde dat zij dan zijn taak zouden overnemen. Daarom was Jezus bijna elk moment van de dag bij zijn leerlingen. Hij was een perfect voorbeeld voor hen. In de drie jaar dat ze met elkaar reisden, leerden zij elkaar heel goed kennen.

Een vriend met gezag Jezus was niet alleen hun vriend, maar ook hun leraar. Zijn leerlingen noemden Hem 'meester' en 'Heer' (Johannes 13:13). Waarom noemde Jezus zijn leerlingen dan vrienden en geen slaven of knechten? Je zou verwachten dat zijn leerlingen Hem blindelings moesten gehoorzamen. Jezus zegt letterlijk in Johannes 15: 14,15: 'Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat Ik zeg. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb.' Jezus noemde zelfs zijn naderende kruisdood een zelfopofferende daad van vriendschap. Letterlijk zegt Hij in Johannes 15: 13: 'Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.'

2

Een bijzondere vriendschap Als je leuke vrienden hebt, weet je vast wel waarom je hen zo leuk vindt. Bijvoorbeeld omdat je goed met hen kan sporten, winkelen of gamen. Maar het is ook belangrijk hoe je vriend of vriendin in elkaar steekt. a In de tekst Jezus, een bijzondere vriend lees je hoe Jezus een vriend was voor zijn leerlingen. Noem twee kenmerken van de vriendschap van Jezus met zijn leerlingen. 1 Hij vertelt ze alles wat Hij van zijn Vader heeft gehoord. 2 Hij geeft zijn leven voor hen. Hij wil voor hen sterven.

b Lees Johannes 15:9-17. Welke kenmerken van Jezus' vriendschap vind je hier nog meer? Noem er vijf.

liefhebben, gehoorzamen, alles delen, Jezus wil graag dat ze net zo blij zijn als Hij en Jezus heeft hen uitgekozen. c Wat maakt de vriendschap van Jezus zo bijzonder in vergelijking met hoe jij over vriendschap denkt?

Bijvoorbeeld: Jezus gaf zijn leven voor zijn vrienden. Dat zou ik niet zo snel doen. d Wat vind jij ervan als Jezus jou ook als vriend zou aanspreken? Bijvoorbeeld: Dat lijkt me heel bijzonder. Ik zou me vereerd voelen.

De vrienden van Jezus De vrienden die Jezus uitkoos, waren heel gewone mensen. Ze waren verschillend van karakter en hadden vaak ook een andere achtergrond. Deze mannen hadden niet vanaf het eerste moment een groot geloof.

4


3.1 Vriendschap

In Matteüs 10:2-4 worden de namen genoemd van de twaalf leerlingen: 'Als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, Simon Kananeüs en ten slotte Judas Iskariot, die Hem zou uitleveren.' Ondanks al die verschillen koos Jezus deze mannen uit als vriend. Voor Hem was vriendschap de ander waardevol vinden. Het belangrijkste wat de vrienden met elkaar deelden, was hun geloof in Jezus en hun liefde voor Hem.

3

De vrienden van Jezus De leerlingen van Jezus hadden verschillende beroepen. a Zoek in de Bijbel op wat de achtergrond was van een paar vrienden van Jezus. 1 Simon (Petrus) en Andreas waren visser (Matteüs 4:18-22) 2 Jakobus en Johannes waren visser (Matteüs 4:18-22) 3 Levi (Matteüs) was tollenaar (Marcus 2:14) 4 In Betsaïda vond Jezus Filippus. (Johannes 1:44) 5 Natanaël geloofde toen Jezus zei dat hij hem onder de vijgenboom had zien zitten. (Johannes 1:45) Hij heeft als bijnaam Bartolomeüs. 6 Judas beheerde de kas. Hij heeft later Jezus verraden. (Johannes: 13:29)

b Wie is wie? Zet in de tekening de namen bij de mannen. Kies uit: Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes, Matteüs, Natanaël, Filippus, Jezus en Judas.

Jakobus en Johannes

Natanaël

Andreas en Petrus

Fillipus

Judas

Matteüs

Jezus

c Naast zijn leerlingen had Jezus nog meer vrienden. Er waren verschillende mensen met wie Jezus een bijzondere band had. Lees de Bijbelteksten en vul hun namen in. Lucas 8:1-3: Maria, Johanna en Susanna

Johannes 11:1-5: Lazarus, Maria en Marta

5


3

Vrienden van Jezus

4

Leef je in - Leerlingen a In de volgende puzzel staat over elke discipel iets bijzonders. Vul de antwoorden op de volgende vragen in de puzzel in. 1 Wie zag Jezus bij het tolhuis zitten? Marcus 2:14 Hij kreeg als bijnaam Matteüs. 2 Wie zei: 'U bent de Messias, de Zoon van de levende God.'? (Matteüs 16:16) 3 Aan wie vroeg Jezus: 'Waar kunnen we eten kopen voor al deze mensen?' (Johannes 6:5) 4 Hoe worden de twaalf leerlingen ook wel genoemd? (Lucas 6:13) 5 De naam van de broer van Jakobus. Zij hadden de bijnaam 'de donderaars' of 'zonen van de donder'. (Marcus 3:17) 6 Aan wie vroeg Jezus: 'Verraad je de Mensenzoon met een kus?' (Lucas 22:48) 7 Wat is de naam van de broer van Simon Petrus? (Johannes 1:40) 8 Tegen wie zei Jezus: 'Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.'? (Johannes 1:47) 9 Hoe noemt Natanaël Jezus? (Johannes 1:49) 10 Tegen wie zei Jezus na zijn opstanding: 'Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen en leg je hand in mijn zij.'? (Johannes 20:27) 11 Je hebt het Oude Testament en het … 12 De naam van de zoon van Jakobus. (Lucas 6:16) 13 Hoe noemt Petrus Jezus? (Matteüs 16:16). 14 Jakobus was de … van Alfeüs. (Lucas 6:15) 15 De naam van de eerste martelaar onder de apostelen. (Handelingen 12:2) 16 Wie nam de plaats in van Judas en werd aan de elf apostelen toegevoegd? (Handelingen 1:26) 1 2

S

i m o n

P F A p o 5 J o 3

4

6

A n N a 9 Z o o 10 T T e s t a 7

8

11

N i

e u w e

L e i s h J d t n o m

e t l t a u r a m e 12

13

M 14

J a k o b M a t t i a 15

16

v r i e n d e n v a n J e z u s

i u p l n a a a a s t u s o s

s p e e s s ë n

u s n s

l G o d

d a s s i a s o n

b Welke drie woorden ontstaan in de middelste kolom? Vrienden van Jezus

6


3.2  Familie van Jezus

3.2 Familie van Jezus Je leert: • uitleggen wat de relatie van Jezus was met zijn familie en zijn vrienden; • uitleggen waarom Jezus alle gelovigen zijn broers en zussen noemt.

5

Om te beginnen - Familiefoto Voor veel mensen is familie erg belangrijk. Soms op een positieve manier, dan zijn je familieleden een soort vrienden voor je. Soms ook op een negatieve manier, wanneer je het niet goed met hen kunt vinden. Soms verandert je familie, als je ouders scheiden en je halfbroers en -zussen krijgt. Of als je onderdeel uitmaakt van een adoptie- of pleeggezin. Je hebt je familie niet zelf uitgekozen, je hoort er gewoon bij. a Neem een vel papier en teken een fotolijst. Teken daarbinnen jouw gezin of plak een foto van jouw gezin op. Teken ook iedereen waarvan jij vindt dat die er bijhoort. b Wat betekent familie voor jou? Beschrijf hoe je het vindt om bij een familie te horen.

© iStock / JohnnyGreig

Bijvoorbeeld: Soms vind ik het heel fijn. Dan voel ik me veilig en is het gezellig. Er is altijd wel iemand waar ik mee kan praten. Maar soms vind ik het ook wel vervelend. Ze bemoeien zich dan allemaal met mij.

Jezus als kind Jezus groeide op in Nazaret, een kleine plaats in het noorden van Israël. Omdat Jozef niet de biologische vader van de Here Jezus was, was hun gezin anders dan de andere gezinnen in Nazaret. Toen Jezus jong was woonde Hij gewoon thuis, samen met zijn broertjes en zusjes. Zijn vader Jozef was timmerman en leerde Hem het timmermansvak. Behalve van timmeren had Jezus veel verstand van de joodse godsdienst. Zo wist Hij heel wat af van de Tora, de heilige joodse boeken. Jezus was totaal anders dan de anderen: Hij deed nooit iets dat verkeerd was. In hoofdstuk 2 van dit boek heb je gelezen dat Jezus al als twaalfjarige in de tempel kwam. Niet gewoon om die te bezoeken, maar om te discussiëren met de schriftgeleerden, de joodse wijze mannen. Toen Maria en Jozef later vroegen wat Hij daar deed, legde Hij hun uit dat Hij in de tempel wilde praten met zijn hemelse Vader. © Shutterstock / travelfoto

In de buurt van Nazaret

7


3

Vrienden van Jezus

6

Jezus, een bijzondere broer Lees Matteüs 13: 55-58. Daarin staat iets over de familie van Jezus.

a Het gezin bestond uit vader en moeder en ten minste zeven kinderen. Wie zijn de broers van Jezus?

Jakobus, Jozef, Simon en Judas b Zijn broers geloofden eerst niet in Jezus, maar later zijn zij belangrijke leiders geworden in de kerk. Twee daarvan hebben een brief geschreven die in de Bijbel staat. Welke brieven zijn dit? □ Jakobus □ Jozef □ Simon

□ Judas

c Zou Jezus een leuke broer zijn geweest? Waarom wel/niet? Bijvoorbeeld: Ik denk het wel, omdat hij geen ruzie maakte en geen lelijke dingen zei. d In de tekst staat ook iets over de bewoners van Nazaret. Hoe reageren zij op Jezus?

Zij begrepen niet waar Hij al die wijsheid vandaan haalde en hoe Hij die wonderen kon doen. Ze vonden dat hij een gewone buurjongen was en ergerden zich aan hem, ze wilden niets met hem te maken hebben.

Jezus en zijn Hemelse Vader Toen Jezus ongeveer dertig jaar oud was, maakte Hij zich in het openbaar bekend als de zoon van God. Hij liet zich ook dopen door Johannes de Doper. Vanaf dat moment begon Hij de boodschap van God, zijn Hemelse Vader, aan iedereen uit te leggen. Jezus onderhield altijd de band met zijn hemelse Vader. Heel vaak ging Jezus alleen naar een stille plaats om met Hem te praten. Dan bad Hij.

7

Jezus en zijn Hemelse Vader Maak groepjes van vier. Neem allemaal twee teksten. • Lucas 5:16 en 6:12 • Marcus 1:35 en 6:46 • Matteüs 14:13 en Matteüs 14:23 • Marcus 14:32 en 14:39

a Lees om de beurt de teksten die jullie hebben gekregen voor. Wat deed de Here Jezus? bidden b Op welke momenten neemt Jezus hier de tijd voor? Noem twee momenten. 1 Wanneer Hij heel druk is. (Matteüs 14:13 en 14:23) 2 Wanneer Hij bang is. (Marcus 14:32 en 39) c Wat doe jij als je het heel erg druk hebt?

Bijvoorbeeld: Voetballen, dan krijg ik rust in mijn hoofd. d Neem jij wel eens de tijd om alleen te zijn? Hoe vul jij je tijd dan in?

Bijvoorbeeld: Ja, dan ga ik naar muziek luisteren met mijn koptelefoon op. 8


3.2 Familie van Jezus

Broers en zussen Op een dag was Jezus thuis in Kafarnaüm. Er kwamen heel veel mensen naar Hem toe om te luisteren naar wat Hij zei. Ook zijn familie kwam. Zij wilden Hem mee naar huis nemen, omdat ze dachten dat Hij gek geworden was. Maar omdat er zo veel mensen om Jezus heen stonden, konden ze niet bij Hem komen en moesten ze buiten wachten. Toen iemand dat aan Jezus vertelde, zei Jezus iets merkwaardigs: 'Wie zijn mijn moeder en mijn broers?' Hij keek de mensen aan die in een kring om Hem heen zaten en zei: 'Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.' (Marcus 3:33-35) In de kerk spreken de mensen elkaar daarom nog steeds aan met broeder en zuster. Wilde Hij soms het contact met zijn familieleden verbreken? Nee! Uit andere verhalen in de Bijbel blijkt dat Hij echt wel om hen gaf. Met deze woorden wilde Hij vooral duidelijk maken hoe bijzonder de band is tussen Hem en de mensen die geloven. Hun band met elkaar is zo hecht, dat ze eigenlijk een familie vormen.

Van familie houden Jezus heeft gelukkig nooit gezegd dat je niet van je eigen familie mag houden. Hij zei wel: 'Zorg ervoor dat je altijd méér van Mij houdt.' Het zal Hem wel verdriet hebben gedaan dat Hij thuis en in zijn eigen stad niet werd geloofd. Maar dat kwam later gelukkig weer goed.

8

Broers en zussen In veel kerken en christelijke gemeenten spreken de mensen elkaar aan met broeder en zuster. Ze zien de kerkelijke gemeente als Gods gezin. Leg uit waarom het elkaar aanspreken als 'broeder' en 'zuster' past bij wat je net hebt gelezen over Jezus.

Jezus noemt iedereen die in God gelooft Zijn broer of zus. De gelovigen hebben zo dus dezelfde Vader in de hemel en zijn één familie.

9

Leef je in - Familieband a Lees de volgende stellingen: 1 2 3 4

Ik heb ook buiten mijn familie 'broers' en 'zussen'. Een familieband is sterker dan de band tussen gelovigen. Zonder vriendschap kan er geen band tussen gelovigen bestaan. Vroeger was familie veel belangrijker dan tegenwoordig. Iedereen moet in deze tijd veel meer voor zichzelf zorgen.

Ben je het met de stellingen eens? Waarom wel/niet? Bespreek je antwoord met elkaar.

b Hoe was jouw rol in de discussie? Ik heb actief meegedaan aan de discussie. Ik kan mijn mening goed verwoorden. Ik kan mijn mening goed onderbouwen met argumenten. Ik kan goed luisteren naar de mening van anderen. 9


3

Vrienden van Jezus

3.3

De leerlingen van Jezus Je leert: • onder woorden brengen hoe Jezus als leraar was; • uitleggen welke opdracht Jezus zijn leerlingen meegaf.

10

Om te beginnen - De trainer en zijn spelers De trainer van het Nederlandse elftal heeft zorgvuldig de beste spelers van het land uitgezocht. Hij wil wínnen met zijn team, en dagelijks traint en coacht hij de spelers. Hij is zelf ook lange tijd profvoetballer geweest en weet dus uit eigen ervaring wat dit betekent. De spelers luisteren goed naar hun trainer en laten zich niet afleiden van het strakke trainingsschema. © Shutterstock / Vlad1988

a Denk aan een trainer. Bedenk met de klas zoveel mogelijk dingen die sporters van hun trainer leren. Beantwoord samen de volgende vragen. • Wat leren spelers van hun trainer? • Hoe moeten de spelers zich opstellen? • Welke vergelijking kun je maken met Jezus en zijn discipelen? • Wat leren de discipelen van Hem? • Wat moeten de discipelen hiervoor doen?

b Wat mag je wel of niet doen als jij je voorbereidt op een belangrijke wedstrijd? Wel: concentreren, tactiek bespreken, gezond eten, vroeg naar bed. Niet: te laat naar bed, ongezond en vet eten, jezelf te moe maken, ruzie maken. c Wat vind je het belangrijkste voor een trainer en zijn spelers? Noem twee doelen.

• •

Succes hebben De manier waarop dat bereikt wordt, bijvoorbeeld samenwerken

Jezus als leraar Jezus was geen trainer van een sportclub, maar een leraar van een 'school van geloof'. In de tijd van Jezus werd zo'n leraar een rabbi genoemd. Ook Jezus werd door zijn leerlingen rabbi genoemd. Zij hadden veel respect voor Jezus, die anders met zijn leerlingen omging dan de andere rabbi's in die tijd. De meeste rabbi's behandelden hun leerlingen als onderdanige knechten, terwijl Jezus hen beschouwde als zijn vrienden.

Rabbi Een rabbi was een religieuze geleerde die veel afwist van de joodse godsdienst en de Heilige boeken, zoals de Tora. De mensen keken erg op tegen zo iemand en groetten hem eerbiedig. De rabbi moest in alles het goede voorbeeld geven aan de mensen. Hij kon natuurlijk niet het ene 10

© Image Select / Album / Oronoz

Rabbi met Tora-rol (schilderij van Marc Chagall, 1930)


3.3  De leerlingen van Jezus

leren aan de mensen en dan zelf iets anders doen. Een rabbi was ook een leraar en had leerlingen om zich heen. Zij werden discipelen genoemd. De discipelen letten goed op wat de meester leerde en deed, zodat ze zelf later ook rabbi konden worden.

Schriftgeleerden Schriftgeleerden werden ook wel wetsleraren genoemd. Ze hadden veel kennis van de wet. Ze kopieerden de Heilige boeken en hadden ook juridische taken, zoals het opstellen van contracten.

Farizeeën De farizeeën waren een belangrijke religieuze groepering in de tijd van Jezus. Ze hielden zich keurig aan de wet. Ze waren een voorbeeld voor de mensen, die aan hen konden zien hoe je als goede jood moest leven. Jezus beschuldigde hen ervan schijnheilig te zijn. Ze keken vooral naar het streng naleven van allerlei zelfverzonnen regels. Ze vergaten daarbij God te dienen met hun hart en goed te doen voor de mensen om hen heen.

11

Jezus als leraar Jezus was een rabbi, maar wel een speciale rabbi die anders met zijn leerlingen omging dan andere rabbi's. Welke dingen horen bij Jezus als rabbi? Maak een groepje van vier. Teken op een vel papier een cirkel met in het midden de woorden: Jezus als rabbi. Zet daaromheen de volgende teksten: - Johannes 1 :38 - Matteüs 7:28 - Matteüs 10:2 - Johannes 13:13-15 - Johannes 15:12-15 Noteer nu minstens vijf dingen over Jezus als rabbi die je uit deze teksten kan halen en die jullie belangrijk vinden.

12

Schriftgeleerden en farizeeën Lees Matteüs 23:1-10. De Here Jezus is hier heel kritisch over de schriftgeleerden, die zich ook rabbi noemen. a Kijk in het fragment hoe gebedsriemen en kwastjes worden gebruikt. Wat zegt Jezus over de schriftgeleerden? □ Volg hun goede voorbeeld. □ Ze maken de band om hun voorhoofd smaller om minder op te vallen. □ Ze maken de kwastjes aan hun kleren groter om beter op te vallen. □ Ze willen geen roem en eer en zijn bescheiden. □ Ze willen graag rabbi genoemd worden en in het middelpunt van de belangstelling staan.

b Welk advies zou jij geven aan iemand die zichzelf op de borst klopt omdat hij/zij veel geld aan goede doelen geeft? Bijvoorbeeld: Schep niet op. c Jezus zegt in Matteüs 23:8-10 tegen zijn leerlingen dat ze zich geen rabbi (meester) of leraar mogen laten noemen. Waarom zegt Hij dat? Alleen Jezus, de Messias, zelf is hun leraar. (vers 10) 11


3

Vrienden van Jezus

Vissers van mensen De eerste leerlingen van Jezus waren vissers: Simon, zijn broer Andreas en zijn helpers Jakobus en Johannes (Lucas 5:1-10). Jezus ontmoet hen als ze net terugkomen van de visvangst. Hij zegt hen voortaan vissers van mensen te zijn. Verteller

Jacobus en Johannes Simon Jacobus Johannes Simon Verteller

Jezus

Simon Verteller Jezus Simon

Verteller Jezus Verteller

Jacobus en Johannes varen met hun vissersscheepje op het meer. Ze varen vlak bij Simon.

'Wat gevangen?' 'Nee, niets. En jullie?' 'Wij ook niet.' 'Laten we maar naar de haven varen.' 'Is goed.'

Vissers op het meer van Galilea

Jezus was op het land in gesprek met een heleboel mensen. Het was geweldig om naar Jezus te luisteren. Simon, Jacobus en Johannes luisterden ook mee. Ze waren tegelijkertijd hun netten aan het schoonmaken. 'Kan Ik misschien jullie schip gebruiken? Ik wil de mensen graag vanaf het schip toespreken. Nu kan niet iedereen Mij horen.' 'Dat is goed, komt U maar aan boord.' Jezus vertelde prachtig. Heel veel mensen luisterden naar Hem. Na een poos was Hij klaar. 'Simon, vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.' 'Meester, we hebben de hele nacht gewerkt en niets gevangen … Maar als U het zegt zal ik de netten uitgooien.' Er kwam zo veel vis in de netten, dat Simon er van schrok. 'Wees niet bang, van nu aan zul je mensen vangen.' Toen trokken de vissers de boten aan land. Ze lieten alles achter en gingen met Jezus mee.

Bekijk hier de video van dit verhaal.

12

© Shutterstock / ary malemdiwa


3.3  De leerlingen van Jezus

13

Vissers van mensen a Gebruik de tekst Vissers van mensen. Verdeel de rollen: verteller, Jezus, Simon, Jakobus en Johannes. Lees samen hoe de leerlingen elkaar hebben ontmoet. b Wat bedoelt Jezus met de uitspraak dat de discipelen 'voortaan mensen zullen vangen'?

Bijvoorbeeld: Jezus bedoelt hiermee dat de discipelen aan alle mensen het evangelie gingen vertellen en zo de mensen voor Gods woord kunnen vangen. c De reddingsbrigade (KNRM) vist mensen, die in nood zijn, uit het water. Kun je de uitspraak van Jezus vergelijken met de reddingsbrigade? Leg je antwoord uit. Bijvoorbeeld: Ja, de discipelen moeten mensen op Jezus en

het evangelie wijzen en hen zo redden.

Het evangelie Jezus wilde dat zijn leerlingen Hem gingen helpen om het evangelie te vertellen. Dit is de boodschap dat God van alle mensen houdt. Evangelie betekent letterlijk 'de goede boodschap' of 'het goede nieuws'. Dit nieuws houdt in dat God zijn Zoon, Jezus, naar de wereld gestuurd heeft om de mensen te redden van de ondergang en om eeuwig leven te geven. Eerst moest het volk Israël dat te weten komen en daarna de rest van de wereld (zie Matteüs 28:16-20). Jezus coachte en trainde zijn discipelen om met dat nieuws de wereld in te gaan.

Goede boodschap In het Romeinse Rijk brachten boodschappers van de keizer een goede boodschap over aan het volk. Bijvoorbeeld over de geboorte van een zoon van de keizer of over een belangrijke politieke gebeurtenis. Zo'n goede boodschap werd 'evangelie' genoemd. De christelijke kerk heeft later het woord Evangelie gebruikt voor het goede nieuws over de boodschap van Jezus Christus.

Discipel en apostel In de Bijbel worden twee namen voor de leerlingen van Jezus gebruikt: • discipel: dat betekent leerling; • apostel: dat is iemand die gezonden is. Toen Jezus op aarde was, werden zijn leerlingen discipelen genoemd. Nadat Jezus naar de hemel gegaan was en de leerlingen de wereld in trokken, noemde men hen apostelen.

Steeds meer mensen horen het goede nieuws De discipelen waren onder de indruk van Jezus. Toen ze zijn boodschap eenmaal begrepen waren ze er zo vol van, dat ze alles los wilden laten om Hem te volgen. Ze vertelden iedereen die het horen wilde wie Jezus was en wat Hij kwam doen. Die mensen vertelden dat weer aan anderen, enzovoort. Op die manier is het evangelie ook bij ons gekomen. Wat met twaalf discipelen begon, is nu uitgegroeid tot een groep volgelingen van zo'n twee miljard mensen.

13


3

Vrienden van Jezus

14

Leef je in - Van discipel tot apostel a Kies een van de twaalf discipelen. Schrijf een tekst van een pagina over het leven van de discipel. Gebruik Wikipedia. 1 Schrijf in je tekst iets over: a de afkomst van de discipel; b hoe hij Jezus heeft ontmoet; c wat opvalt aan hem; d zijn leven na de opstanding van Jezus. 5 Zoek een afbeelding van de discipel. 6 Maak je tekst met de afbeelding mooi op. Beoordeel je werk. Ik heb de afkomst van de discipel duidelijk beschreven. Ik heb goed omschreven hoe deze discipel Jezus heeft ontmoet. Ik heb verteld wat er opvalt aan de discipel en hoe zijn leven er na de opstanding van Jezus was. Ik heb een afbeelding gebruikt die goed bij de tekst past en mooi is. Ik heb de tekst met de afbeelding mooi opgemaakt.

b Bedenk een vraag die je de discipel graag zou willen stellen. Hoe zou de discipel je vraag beantwoorden?

Bijvoorbeeld: Vind je het niet eng om aan vreemde mensen over Jezus te vertellen? Ja, dat is wel heel spannend. Maar ik doe het niet alleen. Ik voel dat Jezus bij mij is.

3.4

Kun je zelf een leerling van Jezus zijn? Je leert: • ontdekken dat je zelf ook een leerling van Jezus kunt zijn; • wat het betekent om leerling van Jezus te zijn.

15

Om te beginnen - Ik vertrek In tv-programma’s zie je wel eens mensen die alles verkopen wat ze hebben, hun familie en vrienden gedag zeggen en vertrekken naar een ander land. Ze willen hun eigen droom waarmaken. Zo’n stap verandert natuurlijk veel in je leven, en voor de meeste mensen gaat dit dan ook echt te ver. Je vrienden opgeven, je sport, je kamer en je familie achterlaten en dan een totaal nieuwe weg in slaan, dat doe je niet zomaar. Stel je voor dat je gaat emigreren naar een ander land om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Wat zou er allemaal veranderen in je leven? a Wat moet je van tevoren doen? Schrijf Doen: op het bord en zet jullie acties erachter. Welke acties zijn voor jou belangrijk?

14

© Getty Images / Jo McRyan


3.4  Kun je zelf een leerling van Jezus zijn?

Doen: bijvoorbeeld: afscheid nemen - adressen verzamelen - foto's nemen -

een afscheidsfeest geven - informatie verzamelen - spullen kopen b Wat zou je denken en voelen? Schrijf Denken: en Voelen: onder elkaar op het bord en zet erachter wat jullie bedacht hebben. Welke dingen zijn voor jou belangrijk? Denken: ik zie jullie niet meer – we blijven toch altijd vrienden – ik krijg vast nieuwe

vrienden – ik word heel eenzaam – ik zal iedereen missen Voelen: spanning – verdriet – geluk – blijdschap - ontspanning: een nieuwe start

c Erik emigreerde naar Noorwegen. Bekijk het fragment Emigreren. Welke veranderingen in het leven van Erik lijken jou wel leuk en welke niet? Leuk: in een andere omgeving leven en nieuwe dingen doen. Niet leuk: al mijn vrienden en familie achterlaten.

Jezus volgen Zoals je ziet heeft de beslissing om iets heel anders te gaan doen grote gevolgen voor je leven. Dat geldt ook voor de discipelen. Ze lieten alles achter om Jezus te volgen. Ze gaven hun huis en hun baan op en hadden daardoor geen inkomen meer. Jezus gaf de discipelen op drie momenten een opdracht. Het was een opdracht die zich steeds verder uitbreidde. Eerder las je dat de discipelen hun vissersboten verlieten en Jezus gingen volgen. Dat was de eerste opdracht.

16

Jezus volgen Jezus gaf de discipelen op drie momenten een verschillende opdracht. Lees Matteüs 4: 19-20. a Welke opdracht geeft Jezus in Matteüs 4:19?

'Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.' b Wat laten ze achter volgens Matteüs 4:20? netten c Lees Matteüs 10:6-10. Welke opdrachten krijgen de discipelen in Matteüs 10: 6-10?

• Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk Israël en verkondig hun dat het koninkrijk van de hemel nabij is.

• Genees de zieken. • Neem niets mee. d De discipelen mochten niets meenemen voor onderweg. Geen geld, rugzak en kleding. Waarom mogen ze bij deze bijzondere opdracht geen spullen meenemen?

Ze moeten vertrouwen in God hebben en niet in hun eigen goede voorbereiding. e Lees Matteüs 28:16-20. Wat moeten de elf leerlingen doen na de Hemelvaart van Jezus?

Ze moeten alle volken over Jezus vertellen. 15


3

Vrienden van Jezus

f De titel van deze paragraaf is Kun je zelf leerling van Jezus zijn? Wat heeft de titel met Matteüs 28:19 te maken?

De discipelen zijn op weg gegaan om alle volken tot leerlingen van Jezus te maken. Ze zijn dus leerling van Jezus geworden. Je kunt deze vraag ook aan jezelf stellen.

Zendingsbevel De discipelen waren onder de indruk van Jezus. Zijn boodschap was geweldig, daarom wilden ze alles opgeven om Hem te volgen. Ze vertelden iedereen wie Jezus was en wat Hij kwam doen. Sommige mensen vertelden dat weer verder aan anderen, en die weer aan anderen. Jezus begon met twaalf leerlingen, nu zijn er ongeveer twee miljard mensen die Jezus volgen.

Ga op weg ... De discipelen kregen vlak voordat de Here Jezus naar de hemel zou gaan een heel belangrijke opdracht. Dit wordt het zendingsbevel, of de Grote Opdracht genoemd. Het staat in Matteüs 28:19: 'Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader, en de Zoon en de heilige Geest'. Jezus belooft de discipelen dat Hij bij hen zal blijven tot aan het eind van deze wereld.

© Getty Images / iStockphoto / Fabrice Peresse

Op weg vanuit Jeruzalem

17

Leef je in - Vriend van Jezus zijn a Stel je voor dat je een dag zou kunnen meelopen met Jezus en zijn leerlingen. Welke drie vragen zou je willen stellen aan Jezus? 1 Voel je je wel eens alleen? 2 Heb je wel eens geen zin om het Goede Woord te vertellen? 3 Zou je niet willen trouwen en kinderen krijgen?

b Zie jij jezelf als vriend van Jezus? Leg je antwoord uit.

Bijvoorbeeld: Ja, ik voel wel een band met hem. Hij luistert altijd naar me. Nee, ik voel geen band met hem. Voor mij is het iemand van vroeger. c Op welke manieren zou je tegenwoordig mensen op een vriendschappelijke manier over het evangelie kunnen vertellen? Noem drie voorbeelden.

Bijvoorbeeld: met je vrienden als je uit bent, met de buren, op vakantie d Er zijn allerlei organisaties die zich inzetten om het goede nieuws verder te vertellen. In dit fragment zie je een voorbeeld. Bekijk het fragment als inspiratie. 16


3.5 Tot slot

3.5

Tot slot Je leert: • nadenken over vriendschap.

18

Eindopdracht - Vriendschap Vorm een groep van vier leerlingen. Maak een poster waarop duidelijk wordt wat vriendschap in dit hoofdstuk betekent. 1 Verdeel de poster in drie vakken. 2 Zet in het eerste vak de kenmerken van vriendschap die jullie het belangrijkst vinden. 3 Zet in het tweede vak de kenmerken die Jezus belangrijk vindt als vriend. 4 Zet in het derde vak zaken die belangrijk zijn als je een vriend en leerling van Jezus wilt zijn. 5 Zet in elke vak een Bijbeltekst die erbij past. 6 Voor jullie poster kunnen jullie afbeeldingen, tekeningen, teksten en gedichten gebruiken. 7 Zorg dat het een mooi geheel wordt. Iemand die de poster ziet, moet meteen kunnen zien wat vriendschap voor jullie betekent. Beoordeel je poster. Ik heb duidelijk gemaakt wat mijn gedachten over vriendschap zijn. Ik heb duidelijk gemaakt wat Jezus over vriendschap zegt. Ik heb goed passende Bijbelteksten gebruikt. Ik heb afbeeldingen en teksten gebruikt die bij de poster passen. Ik heb de poster zo opmaken dat hij de aandacht trekt en duidelijk is. Ik heb goed bepaald wat ik wil overbrengen met mijn poster. Ik houd rekening met de mensen voor wie mijn poster is bedoeld. Ga naar eDition voor de samenvattende opdracht. Scan de QR-code voor een overzicht met begrippen bij dit hoofdstuk.

17


4

Woorden van Jezus

4 Woorden van Jezus

© Shutterstock / Antonio Guillem

Woorden doen iets! Wat je zegt, kan kleine of grote gevolgen hebben. Dat kunnen goede dingen zijn, bijvoorbeeld als je een compliment geeft. Het kunnen ook minder goede dingen zijn, zelfs al bedoelde je het goed. En soms zou je ‘je tong willen afbijten’, omdat je spijt hebt van wat je hebt gezegd. In dit hoofdstuk ontdek je belangrijke woorden van Jezus. Je leert dat Jezus ook laat zien hoe je doet wat je zegt.

In dit hoofdstuk leer je: • • • • • • • • 2

beseffen welk effect woorden op een ander kunnen hebben; zien dat de woorden van Jezus een bijzondere kracht hebben; onder woorden brengen wat geluk voor jou betekent; onder woorden brengen wat geluk is volgens Jezus; samenvatten hoe God wil dat je leeft; bidden zoals Jezus het voordeed; nadenken over hoe je kunt vergeven; uitleggen dat het volgen van Jezus niet alleen om woorden maar ook om daden gaat.


4.1  Woorden hebben kracht

4.1

Woorden hebben kracht Je leert: • beseffen welk effect woorden op een ander kunnen hebben; • zien dat de woorden van Jezus een bijzondere kracht hebben.

1

Om te beginnen - Spreken of zwijgen? Soms flap je er zomaar wat uit. Vooral online gebeurt dat gemakkelijk. Op andere momenten wil je wel iets zeggen, maar slik je je woorden toch maar in. Soms komen woorden te snel, soms te laat. Vaak denk je er niet zo bij na, maar je spreken of zwijgen kan grote gevolgen hebben. a Geef aan of je het wel of niet mee eens bent met de volgende stellingen. mee eens

niet mee eens

1 Als mijn woorden jou kwetsen, dan is dat jouw probleem.

◯

◯

2 Ik mag altijd zeggen wat ik vind.

◯

◯

3 Nare berichten op sociale media raken mij nooit.

◯

◯

4 Ik geef vaker een compliment dan kritiek.

◯

◯

5 Kritiek krijgen vind ik prima, daar leer ik juist van.

◯

◯

6 Wat je doet is veel belangrijker dan wat je zegt.

◯

◯

7 Voor ik iets zeg, denk ik na of God het goed vindt.

◯

◯

b Bespreek de stellingen met je klasgenoten.

2

Adviezen uit de Bijbel In de Bijbel kun je veel goede adviezen vinden over spreken en zwijgen.

a Zoek vijf teksten uit het Oude Testament op in het boek Spreuken. 1  Spreuken 15:1 2  Spreuken 15:4 3  Spreuken 15:32 4  Spreuken 17:27 5  Spreuken 18:13 Neem de spreuk die jij het mooist vindt helemaal over. Leg uit waarom deze spreuk de mooiste is. Bijvoorbeeld: Spreuken 15:32 Wie zich niet laat

terechtwijzen, doet zichzelf tekort, wie berispingen ter harte neemt, wint daarbij. Ik vind het zelf niet fijn om naar kritiek te luisteren. b Het Oude Testament, de Tenach (zie pagina 00), bestaat uit drie delen. In welk deel van de Tenach staat Spreuken? ◯ Tora ◯ Nebiïm ◯ Chetubim

3


4

Woorden van Jezus

c In het laatste deel van de Tenach staan liederen, gedichten, spreuken en verhalen. Het zijn dus geen wetten, zoals in de Tora. Vind je dat je de adviezen uit Spreuken net zo moet opvolgen als de wet? Leg in één of meer zinnen uit waarom je dat vindt. Bijvoorbeeld: Nee, het is verstandig om te

doen, maar als je het niet doet is dat nog niet meteen verkeerd. d Lees ook een advies uit het Nieuwe Testament, in Jakobus 3:8-12. Schrijf in je eigen woorden op wat er in deze tekst staat. Bijvoorbeeld: Het is moeilijk om je tong

onder controle te houden. Je zegt soms mooie woorden, maar soms ook afschuwelijke woorden. Dat klopt niet. Je moet je best doen om alleen maar goede dingen te zeggen. e Zeg in één zin welk advies je krijgt. Gebruik je eigen woorden. Zorg ervoor dat uit jouw mond alleen maar goede woorden komen. f

Wat vind je ervan dat dit zo in de Bijbel staat?

Bijvoorbeeld: Ik vind het lastig, want het is heel moeilijk om je hieraan te houden.

Jezus is het Woord van God Woorden van mensen zijn krachtig. Woorden van God zijn nog veel krachtiger. Jezus vertelde vaak aan de mensen over God. Hij sprak in het open veld, op een plein, in de tempel of in een synagoge. Mensen merkten dat zijn woorden bijzonder waren. Je kunt dat nog altijd merken als je Jezus' woorden in de Bijbel leest. Er zijn een paar redenen waarom Jezus' woorden zo krachtig zijn. 1 Jezus is zelf het Woord van God. In Johannes 1:14 staat: 'Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.' In een andere vertaling staat: 'Gods Zoon is een mens geworden. Hij heeft bij ons gewoond.' De Bijbel noemt Jezus dus 'Het Woord'. 2 Jezus spreekt namens God. ‘Wat ik onderwijs heb Ik niet van mijzelf, maar van Hem die Mij gezonden heeft.’ (Johannes 7:16) 3 Jezus spreekt met gezag. Zijn woorden maken diepe indruk, niet alleen op mensen, maar op de hele schepping. 4 Jezus doet altijd wat Hij zegt en Hij zegt alleen maar wat waar is. Hij liegt nooit, draait er niet omheen en is altijd eerlijk. Jezus is de enige die zijn tong altijd in bedwang kon houden!

Synagoge Synagogen zijn ontstaan vanaf ongeveer 450 voor Christus. Een synagoge is een gebouw waar joden samenkomen om te bidden en de Tenach te bestuderen. Volgens een rooster werd de Tenach voorgelezen, waarna er discussie was over de uitleg van de tekst. Ook Jezus ging vaak naar een synagoge, bijvoorbeeld in Kafarnaüm. Bezoekers werden uitgenodigd om voor te lezen, te spreken en mee te doen aan de bespreking.

4

© Shutterstock / Dmitriy Feldman svarshik

Ruïne van een synagoge in Israël


4.1  Woorden hebben kracht

3

De kracht van Jezus' woorden Op verschillende manieren merkten de discipelen en de toehoorders hoe krachtig Jezus' woorden waren. a Lees Marcus 1:21-22. Wat is het effect van Jezus' woorden? Noem ook de twee verklaringen in de tekst hiervoor.

Ze waren diep onder de indruk. Verklaringen: Jezus sprak hen toe als iemand met gezag. Jezus sprak niet zoals de schriftgeleerden. b Verderop in Marcus staat nog een verhaal waarin de kracht van Jezus' woorden duidelijk wordt. Lees Marcus 4:35-41. Omschrijf in een paar zinnen wat er in dit verhaal gebeurt. Bijvoorbeeld: Jezus gaat met zijn

discipelen het meer op. Er steekt een gevaarlijke storm op en de boot loopt vol en zinkt bijna. Jezus ligt te slapen, de discipelen maken Hem in paniek wakker. Jezus bestraft de wind en de storm gaat liggen. De discipelen vragen zich af wie Jezus is. c Hoe reageren de leerlingen op wat Jezus doet? Ze schrikken (zijn angstig) en zijn diep onder de indruk (verbaasd). d De woorden van Jezus hebben niet alleen uitwerking op mensen. Welke conclusie trekken de discipelen uit de woorden van Jezus?

Ook de wind en het water gehoorzamen Hem.

4

Alleen maar aardige woorden Jezus kon als enige zijn tong in bedwang houden. Hij hield zich aan de regel: zeg alleen maar goede dingen. Toch zei Hij niet alleen maar aardige dingen. a Zoek hiervan een voorbeeld uit het Bijbelboek Matteüs. Neem de tekst over en schrijf het hoofdstuk- en versnummer erbij.

Bijvoorbeeld Matteüs 23:27, 21:12-13 of 16:23. b Waarom mocht Jezus dit soort dingen zeggen? Als Jezus onaardige woorden gebruikte, was zijn kritiek altijd terecht, want Hij wist ook hoe mensen van binnen waren. c In welke situatie is het terecht dat je kwaad wordt? Bijvoorbeeld: Als er onrecht wordt gedaan. d Wat is jouw eigen reactie als je ergens boos om wordt? Bijvoorbeeld: Ik ga schelden of slaan

e Wat zou je willen verbeteren aan je eigen reactie? Bijvoorbeeld: Ik zou rustiger willen reageren en nadenken voor ik iets zeg.

5


4

Woorden van Jezus

5

Leef je in - Jouw woorden a Heb jij wel eens iets gezegd waar je spijt van had? Beschrijf een voorbeeld van iets wat je eruit flapte. Vertel hoe dat zo kwam en wat de gevolgen waren.

Bijvoorbeeld: Ik was een keer heel boos op mijn moeder, omdat ik 's avonds niet weg mocht. Toen heb ik een heel lelijk woord tegen haar geschreeuwd. Ik zag meteen dat ze heel erg gekwetst was. Het duurde een paar dagen voor het weer helemaal goed was tussen ons. Ik had veel spijt. b Denk aan een keer dat je iets had willen zeggen, maar het niet deed. Beschrijf een voorbeeld van iets wat je niet zei. • Hoe kwam het dat je je mond hield? • Wat had je willen of moeten zeggen? • Wat was het gevolg van jouw zwijgen?

Bijvoorbeeld: Ik had een keer ruzie met mijn beste vriend. Hij vond dat ik te vaak mijn zin doordreef. Hij had eigenlijk wel gelijk, maar ik had geen zin om dat toe te geven. Ik had moeten zeggen: Je hebt gelijk, we gaan vaker doen wat jij wilt. Doordat ik dat niet zei, hebben we een hele tijd niet met elkaar gepraat. c Zoek opnieuw de tekst op uit het Bijbelboek Spreuken die je hebt gekozen bij opdracht 2. Zoek of maak een mooie foto die erbij past. Maak van de tekst en de foto een mooi geheel.

d Bedenk welke persoon uit jouw omgeving wel een opbouwend woord of een compliment kan gebruiken. Wat zou je tegen hem of haar willen zeggen? Ga naar hem of haar toe en zeg wat je bedacht hebt. Noteer hier hoe het ging. Kun je er niet heen? Stuur dan een kaartje of berichtje.

Bijvoorbeeld: Mijn oma is ziek. Ik heb tegen haar gezegd dat ik blij ben dat ze mijn oma is. Toen ik dat zei, gaf ze mij een knuffel.

4.2

De woorden van Jezus op de berg Je leert: • onder woorden brengen wat geluk voor jou betekent; • onder woorden brengen wat geluk is volgens Jezus.

6

Om te beginnen - Hoe word je gelukkig? a Er zijn veel dingen die ons gelukkig kunnen maken. Wat is volgens jou het belangrijkste?

6


4.2  De woorden van Jezus op de berg

Geef jouw volgorde aan.

1 familie en vrienden hebben 5 genoeg geld en spullen hebben 3 gezond zijn 4 in een vrij land leven 2 in God geloven 6 leuke dingen doen, zoals vakantie, feestjes en uitstapjes 8 mensen helpen die het minder hebben 7 succes hebben of beroemd zijn b Bespreek met elkaar wat je het belangrijkst en het minst belangrijk vindt. Leg uit aan je klasgenoten waarom je dit bovenaan of onderaan hebt gezet.

De Bergrede Jezus sprak het vaakst met zijn discipelen. Soms was er een grotere groep leerlingen bij. En soms hield Jezus een toespraak voor een grote menigte. In de tijd van Jezus bestonden er geen microfoons of luidsprekers. Maar door vanaf de helling van een berg te spreken, kon Jezus toch verstaanbaar zijn voor een grote groep mensen. Een ander woord voor toespraak is rede. De beroemde toespraak van Jezus op de berg heet daarom ook wel de Bergrede. Hij staat in Matteüs 5-7 en wat korter in Lucas 6. Jezus is niet de eerste in de Bijbel die zo’n rede hield. In het Oude Testament kun je lezen over de Bergrede van Mozes. Deze hield hij nadat hij op de berg Sinaï de Tien Geboden van God had ontvangen; de regels waaraan het volk Israël zich moest houden. Vanaf de berghelling legde Mozes uit wat die regels inhielden. Jezus kun je zien als een soort tweede Mozes. Jezus legt uit wat de wetten zijn van Gods nieuwe wereld.

© Shutterstock / JekLi

Het meer van Genezareth waar Jezus de Bergrede hield.

Koninkrijk van de hemel Jezus spreekt vaak over het koninkrijk van de hemel of het 'koninkrijk van God'. Hiermee bedoelt Jezus geen zichtbaar koninkrijk, maar dat mensen leven zoals God dat wil. Jezus laat in zijn eigen leven zien hoe dat eruitziet. In Gods koninkrijk is de liefde voor God en de ander het belangrijkste. Deze liefde brengt echte vrede en geluk.

7


4

Woorden van Jezus

7

De bekendste toespraak a Sommige beroemde uitspraken van bekende mensen kent bijna iedereen. Ze komen vaak uit een toespraak. Over welke onderwerpen gaan deze beroemde uitspraken? Martin Luther King, 1963: 'I have a dream!'

•

•

een beter en eerlijker land worden

Barack Obama, 2008: 'Yes, we can!'

•

•

een leven leiden waarin liefde voorop staat

Greta Thunberg, 2019: 'How dare you!'

•

•

een eind maken aan discriminatie van zwarte mensen

Jezus Christus: 'Behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden.'

•

•

een oplossing vinden voor de klimaatcrisis

b Ook Jezus hield een beroemde toespraak, de Bergrede. Vul de juiste woorden in. De toespraak van Jezus wordt de Bergrede genoemd omdat hij deze toespraak hield op een berghelling Ook Mozes

.

hield ooit zo'n toespraak.

Hij deed dat op de berg Sinaï na het ontvangen van de Tien Geboden

.

c Lees Matteüs 5 en 6 zoekend door. Welke onderwerpen komen voor in Jezus' toespraak? □ wat je wel of niet mag eten □ bidden □ rijk zijn □ de wet van Mozes □ vriendschap □ geld geven

© Michel de Boer / De Boer illustraties, Almere

d Een aantal uitspraken uit de Bergrede kun je nog altijd herkennen in uitdrukkingen. Welke Bijbeltekst hoort bij de uitdrukking? Let op, deze uitdrukkingen worden al heel lang gebruikt. Ze komen uit een oudere Bijbelvertaling dan die we nu gebruiken. Soms verschilt de tekst dus iets van de uitdrukking.

8

Je moet geen parels voor de zwijnen gooien.

•

•

Matteüs 6:24

Oog om oog, tand om tand

•

•

Matteüs 5:37

Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

•

•

Matteüs 5:39

Laat uw ja ja zijn en uw nee nee.

•

•

Matteüs 5:38

Iemand de andere wang toekeren.

•

•

Matteüs 7:12

Je kunt niet twee heren dienen.

•

•

Matteüs 7:6


4.2  De woorden van Jezus op de berg

8

Jezus spreekt over geluk a Vul aan wat jij denkt dat Jezus zou zeggen. Leg uit waarom. Je kunt pas echt gelukkig worden als je Bijvoorbeeld: ... van God houdt; ... mij volgt, ...

net zoveel van anderen houdt als van jezelf. b Lees wat Jezus in de Bergrede zegt over het echte geluk. In oudere Bijbelvertalingen beginnen deze regels met 'Zalig zijn ...'. Dit gedeelte van de Bergrede wordt daarom ook wel 'de zaligsprekingen' genoemd. Zalig is een ander woord voor gelukkig. Onderstreep de woorden die zeggen wanneer je volgens dit gedeelte gelukkig bent. Bij iedere gelukwens staat ook een beloning. Onderstreep die met een andere kleur.

Zaligsprekingen Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 4 Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. 5 Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten. 6 Gelukkig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. 8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. 9 Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. 10 Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12 Verheug je en juich, want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten. 3

© De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2021

c Welke uitspraak van Jezus over het echte geluk verbaast jou het meest? Leg uit waardoor dat komt.

Bijvoorbeeld: Dat het echte geluk is voor mensen die verdrietig zijn. Zelf voel ik me niet gelukkig als ik verdriet heb, verdriet en geluk horen niet bij elkaar. d De uitspraken over geluk lijken niet te kloppen met hoe we tegenwoordig over geluk denken. Veel mensen menen dat je gelukkig bent als je machtig of beroemd bent. Of als je veel geld hebt en een succesvol leven hebt. Of als je gezond bent. Waarom denk je dat Jezus hier heel andere dingen over geluk vertelt?

Bijvoorbeeld: Jezus weet dat macht of rijkdom of succes of gezondheid niet blijven. Je hebt er uiteindelijk niets aan als je sterft. Eigenlijk weet iedereen wel dat liefde en vriendschap en goede dingen doen veel belangrijker zijn.

9


4

Woorden van Jezus

9

Leef je in - De Bergrede in de praktijk Werk in een groep van drie klasgenoten.

a De volgende teksten komen uit de Bergrede. Kies ieder een tekst. 1 Matteüs 5:38-41

2 Matteüs 5:43-48

3 Matteüs 6:28-32

Bedenk bij deze tekst een situatie waarin jij iets anders gedaan zou hebben als je dit advies had opgevolgd. Noteer voor jezelf wat er gebeurde. Bijvoorbeeld: Matteüs 5:38-41, verzet je niet

tegen wie kwaad doet - Een klasgenoot haalde zo onvoorzichtig zijn fiets uit het fietsenrek, dat mijn fiets daardoor omviel. Mijn nieuwe fiets was beschadigd! De volgende dag heb ik bij de ander de ventielen uit zijn beide banden gedraaid. b Vertel elkaar de situatie. Bedenk samen hoe je in zo'n situatie meer zou kunnen doen wat Jezus zegt. Bespreek ook: 1 Hoe belangrijk is doen wat Jezus zegt voor jou? 2 Zou je gelukkiger worden, als je echt zou doen wat jullie samen bedacht hebben?

c Denk na over jouw rol in de discussie. Ik denk na over wat ik doe en hoe ik overkom. Ik denk na over mijn gedrag en hoe ik dat kan verbeteren. Ik kan mijn gevoelens en emoties met anderen delen. Ik ga netjes om met de gevoelens en emoties van anderen.

4.3

Jezus over de wet en het gebed Je leert: • samenvatten hoe God wil dat je leeft; • bidden zoals Jezus het voordeed; • nadenken over hoe je kunt vergeven.

10

Om te beginnen - Dezelfde regels anders Toen jij een peuter was, moest je je aan andere regels houden dan nu je ouder bent. Je mocht bijvoorbeeld met je fietsje nooit van de stoep af. Nu mag je juist nooit op de stoep fietsen! Dat de regels veranderen, komt doordat achter zulke regels eigenlijk een andere regel zit. Bijvoorbeeld: Zorg dat iedereen veilig is op straat. Dit zijn nog twee voorbeelden van regels toen je kleiner was: 1 Je moet elke avond om zeven uur naar bed. 2 Je krijgt elke week 50 cent zakgeld.

10


4.3  Jezus over de wet en het gebed

Hoe veranderen deze regels? a Noteer hoe deze regel is nu je ouder bent. b Noteer welke regel achter deze regel zit. Bijvoorbeeld 1 a. Je moet doordeweeks om negen uur naar bed, op vrijdag en zaterdag mag je zelf

weten hoe laat je gaat slapen. b. Zorg dat je genoeg slaap krijgt. 2 a. Je krijgt elke week tien euro zakgeld, maar zodra je zelf geld verdient met een

bijbaantje krijg je geen zakgeld meer. b. Leer goed omgaan met geld. / Leer je eigen geld te verdienen.

Jezus' uitleg van de wet In de Bergrede geeft Jezus allemaal voorbeelden uit de Wet in de Tora, het Oude Testament. Jezus laat zien dat deze wetten nog steeds belangrijk zijn. Hij maakt ook duidelijk wat er achter de regels zit: liefde voor God en je medemens. Het heeft geen zin om je 'aan de buitenkant' aan de regels te houden, als je er vanbinnen heel anders over denkt. Het gaat om je hart. Anders is die mooie buitenkant alleen maar schijn.

Tora In de Tora staat dat de sabbat (zaterdag) een rustdag is. Je mag uitrusten, ontspannen en tijd nemen voor God en mensen om je heen. Je mag niet werken. Misschien stop je met werken omdat het moet. Je baalt dat je niks mag doen en denkt de hele dag aan de toets van maandag. Je neemt geen tijd voor ontspanning en voor God. Op deze manier ziet de buitenkant er prima uit, maar doe je niet wat God wil.

Nieuwe Bijbelvertaling Lees je de Nieuwe Bijbelvertaling? Dan kom je een paar moeilijke woorden tegen in Matteüs 5:22. • Sanhedrin: de vergadering van de hoogste rechters in Israël. • Gehenna: een ander woord voor hel.

11

Jezus over de wet Gebruik Matteüs 5:17-37. Lees dit gedeelte zoekend door bij het maken van de vragen.

a Twee zinnen met daarin het werkwoord 'zeggen' komen een paar keer voor. Neem deze zinnen over.

Jullie hebben gehoord dat gezegd werd ... - Dit zeg Ik erover ... b Jezus zegt: 'Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd ...' Jezus verwijst hier naar de wet (de Tien Geboden) die Mozes kreeg op de berg Sinaï. (Exodus 19 en 20) De Joden kenden die wet uit hun hoofd. Lees Matteüs 5:17 en Jezus' uitleg van de wet. Wat is Jezus' bedoeling met dit 'Jullie hebben gehoord... Dit zeg Ik erover...' ◯ Jezus herinnert zijn leerlingen aan de wet uit het Oude Testament. ◯ Jezus laat de bedoeling zien van de wet uit het Oude Testament. ◯ Jezus schaft de wet uit het Oude Testament af. ◯ Jezus verandert de wet uit het Oude Testament. 11


4

Woorden van Jezus

c Het eerste voorbeeld dat Jezus noemt is: 'Pleeg geen moord' ( Matteüs 5:21 en 22) Denk nog eens aan de 'regel achter de regel' uit de opdracht Om te beginnen. Welke regel zit er achter de regel dat je geen moord mag plegen?

Elk mensenleven is waardevol. d Stel, je hebt een hekel aan een klasgenoot. Diep in je hart kun je hem wel wat aandoen, maar natuurlijk doe je niets. Hoogstens scheld je hem een keer uit. Volgens de wetten van ons land is dat niet strafbaar. Maar Jezus leert iets anders. Ook al heb je met je handen de ander niet aangeraakt, tóch heb je in de ogen van Jezus in zo’n geval de wet overtreden. Is het niet iets té streng om schelden helemaal te verbieden? Leg uit waarom wel of niet.

Bijvoorbeeld: Ja, dat is te streng, want schelden is veel minder slecht dan iemand vermoorden. e Volgens de regels van Gods nieuwe wereld is iemand uitschelden te vergelijken met iemand vermoorden! Leg uit waarom Jezus schelden net zo erg vindt als moorden.

Achter schelden en moorden kan in je hart hetzelfde gevoel zitten: je hebt geen respect of liefde voor de ander, maar haat. f Lees Matteüs 5:23-26. Welke oplossing geeft Jezus om te voorkomen dat je de wet overtreedt?

Probeer het zo snel mogelijk op te lossen als iemand boos op je is. Dan voorkom je dat het erger wordt en dat die ander jou zo erg gaat haten dat hij verkeerde dingen gaat doen.

Jezus vat de wet samen Als mensen aan Jezus vragen welke regel uit de wet de belangrijkste is, zegt Hij: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. ' (Matteüs 22:37-39) Dit heet ook wel: het grote gebod. In de Bergrede legt Jezus het laatste stukje verder uit. Hij zegt dat je niet alleen van je vrienden, maar ook van je vijanden moet houden. Hij zegt verder dat je moet bidden voor mensen die jou vervolgen, die jou in moeilijkheden brengen. (Matteüs 5:43-48) Liefde en respect tonen is niet zo moeilijk bij mensen die aardig tegen jou doen. Veel lastiger is het, als de ander niet aardig doet of zich gedraagt als een vijand. Twee bekende uitspraken van Jezus maken duidelijk hoe je dan toch respectvol kunt blijven: 1 Matteüs 5:39: '...keer degene die je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe.' 'De andere wang toekeren' is nog altijd een bekende uitdrukking. Dit kan betekenen dat je nog een keer geslagen wordt. Het kan ook betekenen dat je doet zoals bij een vriend, die jou een kus wil geven. Jij blijft je gedragen als een vriend, ook als de ander zich gedraagt als een vijand. Je hoeft dus niet alles maar over je heen te laten komen, maar je doet je best om op een goede manier met de ander te blijven omgaan. 2 Matteüs 7:12: 'Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.' Jezus zegt dat dit de regel is die achter alle regels in de wet zit. Dit wordt ook wel de 'gouden regel' genoemd. Bedenk altijd hoe je zelf behandeld zou willen worden, voordat je iets doet naar mensen om je heen, of het nu vrienden of 'vijanden' zijn. En bedenk ook: wat je zelf doet, krijg je vaak terug. Behandel jij anderen met respect, dan krijg je respect terug.

12


4.3  Jezus over de wet en het gebed

De Tien Geboden De wet die Jezus samenvat, staat in het Oude Testament in de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Ook daar vind je een samenvatting: de Tien Geboden. Deze staan in Exodus 20 en Deuteronomium 5.

12

De andere wang toekeren a Lees Matteüs 22:36-40. Wat zijn volgens deze tekst de 'regels achter de regels' van de wet? Regel 1: Heb de Heer uw God lief met heel uw hart en heel uw ziel en heel uw verstand. Regel 2: Heb uw naaste lief als uzelf.

b Lees Matteüs 5:43-48. Hoe kun je als volgeling van Jezus laten zien dat je anders bent dan mensen die Jezus niet volgen?

Door respect te geven, ook aan mensen van wie jij geen respect krijgt. c Je vijand liefhebben is heel moeilijk! De 'tip' van Jezus is: keer je andere wang toe. Wat denk je dat Jezus hiermee bedoelt?

Je laat je wang zien, zodat de ander die als vriend kan kussen.

13

Als vrienden zijn moeilijk is Bekijk de video. Hierin vertelt Rikko wat hem is overkomen. a Rikko zegt: 'Je schat in of je die ander aankunt, dan durf je iets. Maar is hij sterker, dan hou je je koest.' Herken je dit? Geef een voorbeeld bij je antwoord.

Bijvoorbeeld: Ja, ik herken dit. Ik durf bijvoorbeeld wel een grote mond te geven aan mijn jongere zusje, maar niet aan een docent. b Let op de drie mogelijkheden die Rikko noemt als je wordt aangevallen. Wat hoort bij elkaar? vechten vluchten een nieuw ding

• • •

• • •

de ander recht in de ogen kijken de strijd aangaan in een hoekje wegkruipen

c Luister naar wat Rikko vijf jaar geleden meemaakte. Beschrijf het verhaal van Rikko. Vertel hierin de volgende dingen: 1 Wat overkwam Rikko? Hij werd door een onbekende op straat zomaar op zijn kaak geslagen.

Daarna kreeg hij nog een tweede klap en had hij zijn kaak gebroken. 2 Hoe had hij willen reageren als hij de kans had gekregen? Hij had die gast willen 'slopen' (hij

had hem flink willen raken met een karatetrap van zijn kisten (stevige schoenen) met stalen neuzen). 13


4

Woorden van Jezus

3 Wat kreeg Rikko in de rechtszaal te horen? Hij kreeg te horen hoe verrot het leven van die

jongen was geweest: altijd buiten de groep, stoere dingen doen om zich te bewijzen, drank en drugs gebruiken. 4 Wat deed dat met Rikko? Hij begon iets te begrijpen van die jongen. 5 Wat gebeurde er na de rechtszaak buiten? De dader zei 'sorry' tegen Rikko, maar dat was

al niet meer nodig, want Rikko was niet meer boos op hem. 6 Wat vind jij van dit verhaal? Schrijf een reactie in een paar zinnen. Je eigen reactie op dit verhaal.

Bijvoorbeeld: Ik vind het indrukwekkend om te horen dat Rikko achteraf blij is dat hij hij de dader niet in elkaar heeft geschopt. Ik vind het moedig dat hij hem een hand kon kon geven na de rechtszaak. d Een andere tip van Jezus is: gebruik de gouden regel. Leg in je eigen woorden uit hoe deze regel werkt. Geef een voorbeeld bij je uitleg.

Voordat je iets doet, denk je na of je zou willen dat een ander dit bij jou doet. Bijvoorbeeld: Je leent iemand geld voor een kop koffie, want als jij om geld zou vragen, zou je het fijn vinden als de ander je wat wil lenen.

Jezus leert ons bidden Jezus leerde zijn discipelen hoe ze kunnen bidden. Hij gaf hun een voorbeeldgebed. Dat gebed noemen wij het ‘Onze Vader’. In kerkdiensten zeggen gelovigen dit gebed vaak samen op. Daardoor kennen veel mensen het uit hun hoofd. Het 'Onze Vader' staat in Matteüs 6:9-13 en een kortere vorm in Lucas 11:2-4. Je kunt het ‘Onze Vader’ gebruiken als je zelf wilt bidden. Je kunt het precies nazeggen, maar je kunt ook de onderdelen van dit gebed in andere woorden zeggen. Maar iets anders bidden mag natuurlijk ook! Het gaat bij bidden niet om je uiterlijk en om 'mooie woorden', maar om jouw hart. Eerlijk bidden dus!

© Shutterstock / Jim Lopes (bewerking) / De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2021

14


4.3  Jezus over de wet en het gebed

14

Eerlijk bidden Lees in Matteüs 6:5-8 wat Jezus over bidden zegt.

a Op welke plek kun je het beste bidden? Leg uit waarom dat volgens Jezus de beste plek is. Thuis, dan ziet alleen God jou en bidt je niet om goed over te komen bij anderen. b Welke aanwijzing geeft Jezus nog meer? Leg uit waarom je dat niet hoeft te doen. Je moet niet te veel woorden gebruiken, God weet al wat je nodig hebt. c Jezus zegt: 'Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het Hem vragen.' (Matteüs 6:8) Waarom zou je nog moeten bidden, als God alles toch al weet?

Bidden is praten met God en tijd doorbrengen met God. Je kunt het vergelijken met een vriendschap. Je praat niet alleen met elkaar als je iets nodig hebt. d Lees Jezus leert ons bidden. Welke omschrijving past bij de vijf delen van het Onze Vader? Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen, laat uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.

•

•

Vragen om vergeving.

Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.

•

•

Vertellen hoe groot God is, God aanbidden.

Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven wie ons iets schuldig is.

•

•

Vragen om hulp als je het moeilijk hebt.

En breng ons niet in beproeving, maar red ons van het kwaad

•

•

Verlangen dat alleen gebeurt wat God wil.

Want aan U behoort het koningschap, de macht en de majesteit, in eeuwigheid. Amen.

•

•

Vragen om dingen die je nodig hebt.

e Jezus zegt in het Onze Vader dat we aan God moeten vragen 'Laat uw koninkrijk komen'. Leg uit waar je om vraagt als je dit bidt.

Je vraagt dat de tijd mag komen dat God helemaal regeert en alles goed zal zijn. f Bekijk de poster van Visje. Bespreek met je klasgenoot waarom de uitspraak wel of niet past bij het 'Onze Vader'.

Een gebed is meer dan

112

Bijvoorbeeld: Ik vind het er niet bij passen omdat 112 gaat om je lichamelijke veiligheid, een gebed gaat om je geest. WWW.VISJEPOSTERS.NL

© Visjeposters / www.visjeposters.nl

15


4

Woorden van Jezus

15

Leef je in - De gouden regel gebruiken Denk nog eens aan de gouden regel.

a Bedenk een situatie waarin jij iets gedaan hebt tegen een ander, wat je zelf liever niet zou willen meemaken. Beschrijf kort wat er gebeurd was en hoe jij reageerde.

Bijvoorbeeld: Door het gedrag van je teamgenoot hebben jullie de wedstrijd verloren. In de kleedkamer heb je je teamgenoot uitgescholden. b Kies één van de vijf delen van het 'Onze Vader'. Schrijf in jouw eigen woorden een kort gebed op dat past bij dit deel. Het is een gebed voor jouzelf. Het past bij de situatie die je beschreven hebt.

Bijvoorbeeld: Je kiest het deel 'Vragen om dingen die je nodig hebt': Here God, wilt U mij geduld geven als ik boos ben, in plaats van meteen te schelden? Amen. c Misschien had je in deze situatie ook 'de andere wang kunnen toekeren'. Hoe had je dat kunnen doen?

Bijvoorbeeld: Ik had kunnen zeggen: 'Ik vond het niet leuk dat je mij de bal niet gaf, terwijl ik wel vrij stond. Wil je uitleggen waarom je dat deed?'

4.4 Jij en de woorden van Jezus Je leert: • uitleggen dat het volgen van Jezus niet alleen om woorden maar ook om daden gaat; • uitleggen wat 'goede vruchten' zijn.

16

Om te beginnen - Beloofd is beloofd a Heb jij weleens iets aan iemand beloofd en het niet gedaan? Hoe voelde jij je toen? Bijvoorbeeld: Ik voelde me rot en ik voelde me schuldig.

b En andersom? Heeft iemand weleens iets aan jou beloofd en het niet gedaan? Hoe voelde jij je toen? Bijvoorbeeld: Ik voelde me verdrietig en teleurgesteld.

c Wissel de antwoorden uit met je klas. Wat is erger: een belofte aan een ander niet nakomen of dat een ander een belofte aan jou niet nakomt? Bijvoorbeeld: Een belofte aan een ander niet nakomen is

erger, want daar kun je je lang schuldig over voelen.

Afsluiting van de Bergrede Jezus sluit de Bergrede af met twee vergelijkingen: 1 Matteüs 7:15-20 Een boom en zijn vruchten. Aan de vruchten zie je wat voor soort boom het is. De daden van mensen kun je vergelijken met vruchten. Als je Jezus volgt, is dat te zien aan jouw 'vruchten', je daden. 16


4.4 Jij en de woorden van Jezus

2 Matteüs 7:24-27 Een huis op een rots bouwen. Als je luistert naar wat Jezus zegt en daarna doet wat Jezus zegt, lijk je op iemand die een huis bouwt op een rots. Dat is een stevig fundament, zo'n huis kan storm en regen doorstaan. Luister je naar Jezus, maar doe je er niets mee, dan bouw je een huis op zand. Zo'n huis heeft geen fundament. Bij storm en regen zakt het weg en stort uiteindelijk in. Jezus zegt dus: ‘Laat wat Ik jullie vertel goed tot je doordringen. Denk erover na. Maar vooral: pas het toe in je eigen leven.’ Anders gezegd: denk na over je leefregels en leef dan ook echt volgens die leefregels.

17

Goede vruchten Lees Matteüs 7:15-20 en Afsluiting van de Bergrede.

a Noteer in je eigen woorden wat Jezus wil zeggen met de vergelijking van de boom en zijn vruchten. Bijvoorbeeld: Met de vruchten worden onze daden bedoeld. Aan de daden

kun je zien wat voor mens iemand is. b Goede mensen zouden alleen maar goede dingen moeten doen. Maar iedereen weet dat dat lang niet altijd lukt. Denk nog maar eens aan die belofte waar jij je niet aan hield ... Wat doe jij als er een 'slechte vrucht' aan jouw 'boom' groeit? Wat zegt Jezus hierover? Ik denk: 'Volgende keer beter.' of: 'Ik wordt er somber van, ik doe

het toch nooit goed.' Jezus bedoelt dat je je best moet doen om goede dingen te doen. Maar als dat niet altijd lukt, mag je om vergeving vragen, aan God en de ander. Daarmee laat je ook zien dat je Jezus volgt. m

d

g

f

e

a

k

m

r

r

a

a

e

i

a

c

a

g

l

e

t

i

a

r

t

a

h

o

a

s

l

r

d

z

z

s

b

e

a

p

t

i

o

g

p

l

u

d

i

e

g

v

r

u

i

l

a

r

c

c

n

o

w

j

w

g

u

l

o

t

z

g

i

d

e

o

m

h

s

o

e

e

r

l

i

j

k

o

e

r

g

e

d

u

l

d

d

e

n

b

• • • • • • • • • • • • • •

aardig beheerst behulpzaam blij eerlijk geduld goed hul lief netjes respect rustig trouw zorgzaam

© EMK Cartografie, Deventer

Maak de woordzoeker.

c Bekijk de ingevulde woordzoeker. Zet de letters die overblijven achter elkaar.

De kracht van woorden 17


4

Woorden van Jezus

18

Leef je in - Een goed fundament Lees Matteüs 7:24-27.

a Schrijf bij de onderdelen van de afbeelding wat Jezus ermee bedoelt. de storm en regen

het huis

op het zand

op de rots

© Michel de Boer / De Boer illustraties, Almere

leefregels hebben, maar er niets mee doen leefregels hebben en ernaar leven lastige momenten in het leven b Hoe zou je het huis van jouw leven op dit moment tekenen? 1 Denk bijvoorbeeld aan: • Heb jij leefregels waar je je aan wilt houden of weet je dat nog niet? • Als je leefregels hebt, welke zijn dat dan? • Staat jouw huis op een rots, op zand of een beetje op allebei? • Is het huis al af, is het bijna af of nog lang niet? 2 Teken hoe jouw huis eruitziet. 3 Maak een foto van de tekening.

c Praat samen over de tekening die je gemaakt hebt van je 'levenshuis'. 1 2 3 4

18

Vertel waarom jij jouw huis zo getekend hebt. Aan welke leefregels wil jij je houden? Waar komen jouw leefregels vandaan? Wie is een voorbeeld voor jou als het gaat om leefregels?


4.5 Tot slot

4.5 Tot slot Je leert: • nadenken over vergeven.

19

Ik vergeef je In deze opdracht verdiep je je in het leven van iemand die in de praktijk bracht wat Jezus leerde. Je bekijkt een aantal video's over Corrie ten Boom, die leefde van 1892-1983. Zij maakte de Tweede Wereldoorlog mee. Je ontdekt wat Corrie in de oorlog beleefde en hoe ze daarmee omging na de oorlog. Beantwoord de vragen en verwerk ze in een kort verslag. a Toen de Tweede Wereldoorlog begon, was Corrie 48 jaar oud. Ze was single en woonde met haar zus Betsie en haar vader Casper in Haarlem. Corrie en haar vader waren klokkenmakers. Ze woonden in het centrum van de stad boven hun eigen klokkenwinkel. Al snel begonnen ze Joden te helpen. Ze hielpen Joodse mensen om een onderduikadres te vinden en namen zelf ook onderduikers in huis. In de slaapkamer van Corrie maakten ze een geheime schuilplaats. De ingang zat verstopt in een kast. Op 28 februari 1944 werden ze verraden en vielen de Nazi's het huis binnen. Start de virtuele tour door het huis van Corrie en ga naar deel 12 De slaapkamer van Corrie. Klik linksboven op het menu om naar het deel te gaan. Schrijf in je eigen woorden op welke dingen, die je in dit hoofdstuk geleerd hebt, je herkent in dit deel van het verhaal van Corrie ten Boom.

Bijvoorbeeld: Als Corrie keer op keer geslagen wordt en haar bewustzijn verliest, vraagt ze Jezus om haar te beschermen ook al werd haar gezegd dat ze dat niet mocht. In God blijven vertrouwen ook al wordt je dat verboden (Vrees God en eer de koning.) Vader Casper blijft goed doen ook al wordt hij met gevangenisstraf en erger bedreigd. b Vader Casper ten Boom sterft in de gevangenis in Scheveningen. Corrie en Betsie worden naar een concentratiekamp gestuurd. In de video zie je wat daar met hen gebeurt. Schrijf op wat op jou de meeste indruk maakt uit dit deel van het verhaal

Bijvoorbeeld: Ik vond het heel erg bijzonder dat Corrie op het moment dat ze dacht dat ze dood zou gaan, zoveel op God vertrouwde dat ze zei dat ze er klaar voor was. Hoe bijzonder dat zij dan juist vrijgelaten wordt. c Bekijk nu deel 17 Interieur St. Bavo van de virtuele tour. Welke drie personen vergeeft Corrie? a Vertel bij alle drie wat ze Corrie hebben aangedaan. Jan Vogel, de man die Corrie verraden

heeft, een Duitse bewaker en de wrede verpleegster van haar zus in Ravensbrück. b Denk je dat Corrie deze drie mensen echt heeft kunnen vergeven? Leg uit waarom je dat denkt.

Ik denk het wel, want ze heeft er heel erg goed over nagedacht en bijvoorbeeld echt een briefje gestuurd. c Vertel in je eigen woorden welke 'goede vruchten' Corrie laat zien en hoe je ziet dat haar woorden kracht hebben. Corrie kan heel goed vergeven. En dat zorgt er ook weer voor dat

mensen die eerst heel erg fout waren, toch op het goede pad komen. Dat is kracht. 19


4

Woorden van Jezus

d Als je wilt, kun je nog meer delen van de virtuele rondleiding door het Corrie ten Boomhuis bekijken. Maak een persoonlijk verslag van ongeveer 600 woorden of twee pagina's over jouw 'museumbezoek'. • Gebruik je antwoorden op de vorige vragen. • Gebruik ongeveer 600 woorden. • Geef het verslag een mooi titel. • Zet er een paar passende afbeeldingen bij.

e Beoordeel je verslag. Ik kan een verband leggen tussen het verhaal van Corrie ten Boom en dat wat ik in dit hoofdstuk heb geleerd. Ik kan uitleggen wat me het meest raakt in de video over het concentratiekamp. Ik kan uitleggen waarom ik denk dat Corrie de mensen wel of niet echt heeft vergeven. Ik kan onder woorden brengen waarom de woorden van Corrie kracht hebben. De afbeeldingen en de titel passen bij de tekst. Mijn tekst ziet er netjes uit; het is goed opgebouwd en leest vlot. Ga naar eDition voor de samenvattende opdracht. Scan de QR-code voor een overzicht met begrippen bij dit hoofdstuk.

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bijbel als basis leerwerkboek 1 vmbo-t havo vwo by ThiemeMeulenhoff - Issuu