HAVO 5
5
V O O R BEEL D HOOFDSTUK
HAVO 5
Beste leerling, Dit boek van Systematische Natuurkunde kun je samen met de digitale leeromgeving gebruiken in de les. Het is van jou Âpersoonlijk, dus je mag er aantekeningen in maken. Na dit schooljaar mag je het boek houden. Wij wensen je veel succes en plezier met het vak natuurkunde. Team Systematische Natuurkunde
COLOFON
Bureauredactie Lineke Pijnappels, Tilburg Beeldresearch Verbaal Visuele Communicatie BV, Velp Technische illustraties Jeannette Steenmeijer / Verbaal Visuele Communicatie BV, Velp Vormgeving basisontwerp Studio Bassa, Culemborg Vormgeving en opmaak Crius Group
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 61793 1 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
HAVO 5
Ton van den Broeck René de Jong Arjan Keurentjes Mark Bosman Maarten Duijnstee Nicole ten Broeke René Hazejager Kees Hooyman Koos Kortland Michel Philippens Mariska van Rijsbergen Hein Vink Eindredactie Harrie Ottink Eindredactie Digitaal Evert-Jan Nijhof
Inhoud 8
Werken met Systematische Natuurkunde
6
Arbeid en energie
9
8.1 Arbeid 8.2 Arbeid en kinetische energie 8.3 Energievormen 8.4 Wet van behoud van energie 8.5 Afsluiting 9
Trillingen en golven
9.1 Trillingen 9.2 Harmonische trilling 9.3 Lopende golven 9.4 Geluid 9.5 Muziekinstrumenten 9.6 Afsluiting 10
Zonnestelsel en heelal
10.1 Zonnestelsel 10.2 Eenparige cirkelbeweging 10.3 Gravitatiekracht 10.4 Kijken naar het heelal 10.5 Afsluiting 11
Medische beeldvorming
11.1 Echografie en MRI 11.2 RÜntgenfoto en CT-scan 11.3 Kernstraling 11.4 Halveringstijd en activiteit 11.5 Risico’s van ioniserende straling 11.6 Afsluiting
10 16 24 31 40 45 46 53 60 68 75 90 93 94 103 108 117 128 133 134 139 145 152 159 166
Register 172 Grootheden en eenheden
176
Lijst van uitkomsten
178
Cadmium
8,65
60
31,5
0,234
92
594
Tabel 1.6
Werken met Systematische natuurkunde De dichtheid van aluminium is dus: kg 3 m−3je = nodig 2,70 ⋅ 10hebt = 2,70 ⋅ 1examen 03 kilogram kubieke meter Daarnaast 2,70 ⋅ 103 kgdie Alle leerstof voor het vindper je in de leerboeken. 3 m gebruik je nog het tabellenboek BINAS. Opmerking Als je dit icoontje in de kantlijn ziet, weet je dat er digitaal oefenmateriaal is: De eenheid van massa is de enige grondeenheid die een voorvoegsel heeft, - Start namelijk de k van kilo. - Oefenen A - Oefenen B Formules - Zelftoets.en afgeleide eenheden
Een formule is een verkorte schrijfwijze van het verband tussen grootheden. Wat kom je verder tegen in een leerboek? Daarbij vervang je vaak woorden door symbolen. Zo is er ook een afkorting voor ‘de eenheid van’. Je gebruikt dan vierkante haken rond de grootheid. In plaats van de eenheid van massa is kilogram schrijf je [m] = kg. Theorie In de theorie hebben belangrijke begrippen een blauwe kleur. Achter in dit boek Een formule geeft het wiskundige verband tussen grootheden. Daarom is er ook staan deze begrippen bij elkaar in het register. Daarmee vind je snel terug waar een een wiskundig verband tussen de bijbehorende eenheden. Die pas je toe om een begrip besproken is. afgeleide eenheid te bepalen. Voorbeeld 1 Voor de oppervlakte van een cirkel geldt: A = πr 2 of A = ▪▪ ▪▪ ▪▪
1 4
πd 2
r is de straal in m. d is de diameter in m. A is de oppervlakte.
De formules die je moet kennen en kunnen gebruiken hebben een achtergrondkleur.
Getallen en de constante π hebben geen eenheid. Dus geldt [A] = [r]2 of [A] = [d]2. Een applet is een nabootsing van een experiment op de computer. Via de methodeIn beide gevallen is het resultaat [A] = m 2. site kun je de applet uitvoeren. De opdrachten bij een applet krijg je via je docent.
Rekening houden met significante cijfers 18
h o ofdstuk ▶▪applet 1 Significante cijfers
9006313048-H01.indd 18
Met meetwaarden bereken je vaak een andere grootheid. De nauwkeurigheid van de uitkomst hangt dan af van de nauwkeurigheid van de meetwaarden. Daarbij gebruik je de volgende twee vuistregels: ▪▪ Bij vermenigvuldigen en delen wint het getal met het kleinste aantal significante cijfers. 19-09-12 13:4 ▪▪ Bij optellen en aftrekken wint het getal met het kleinste aantal cijfers achter de komma.
Voorbeeld 1 Je meet de lengte en de breedte van een tafelblad: ∙ = 153,3 cm en b = 82,5 cm. Bij de berekening van de oppervlakte vind je met behulp van de rekenmachine: A = ∙ × b = 153,3 × 82,5 = 12 647,25 cm 2 Heb je de rekenmachine op de wetenschappelijke notatie ingesteld dan staat op de display 1,264 725 ⋅ 104. Deze uitkomsten hebben te veel significante cijfers. Tabel 1.8 laat zien hoe je het juiste aantal significante cijfers bepaalt. Actie
Toelichting
Antwoord
Figuur 1.14
1.5
Van meting naar diagram
Staat het icoon practicum in de kantlijn, dan is op de docentensite een practicum beschikbaar. Je docent bepaalt op welke manier je een practicum aangeboden krijgt.
Tabel met meetwaarden Je onderzoekt het verband tussen de massa en het volume van een vloeistof. Zie figuur 1.14. Je doet vloeistof in een maatglas, leest het volume af en meet de massa van het maatglas met vloeistof. De meetresultaten van je onderzoek staan in tabel 1.10. De vorm van deze tabel voldoet aan een aantal eisen. Dit noem je de standaardvorm van een tabel: ▪▪ De meetwaarden van een grootheid staan in kolommen. ▪▪ In de eerste kolom zet je de meetwaarden van de grootheid die jij verandert. Opgaven en uitkomsten Deze waarden staan in een logische volgorde, bijvoorbeeld oplopend. ▪▪ De bovenste rij van de tabel heet de kop van de tabel. In de kop staan boven Bij sommige opgaven staat het icoon tekenblad. Dan moet er getekend worden in elke kolom de grootheid en eenheid waarin de meetwaarde is uitgedrukt. een figuur. Tekenbladen vind je in je eigen digitale omgeving. ▪▪ In een kolom staat altijd hetzelfde aantal cijfers achter de komma. Nullen mag je niet weglaten. werkblad 27 Ymke heeft het verband onderzocht tussen de weerstand R van een koperdraad ▶ tekenblad en de doorsnede A vanmaatglas die koperdraad. De resultaten staan in het diagram van Volume (cm3) Massa met vloeistof (g) figuur 1.24. 0,0 158,0 ▶▪practicum Dichtheid van vurenhout
20,1
174,8
40,3
191,1
60,0in stappen duidelijk gemaakt 209,8 hoe je een vraag kunt beantOp het hulpblad wordt woorden. Een hulpblad kun je navragen bij je docent. 79,9 223,6 100,1 Opgaven
244,9
Tabel 1.10 ▶▪hulpblad
28
28 Op de foto in figuur 1.26 zie je een molen. h o oSchat f dstude k 1hoogte vanaf de grond tot de bovenkant van het dak van de molen. Geef het antwoord in twee significante cijfers.
9006313048-H01.indd 28
Achter in dit boek vind je een Lijst van uitkomsten lijst met uitkomsten. Je kunt daarmee Figuur 1.24 controleren of je een vraag goed hebt Hoofdstuk 1 beantwoord. a Laat zien dat de weerstand2Raomgekeerd kwadratisch evenredig is met de I = 1,2 A 13 a 0,343∙10 ms b 30 km F = 80 N 29 b 2 mΩ b 3,43∙10 m s diameter d. Wil je de volledige uitwerking van P = 850 W c 120 mΩ c 1,23∙10 km h b Bepaal de weerstand B bij een diameter van 9,014mm. V = 450 m d 0,01 Ω 0,42 N een vraag inzien, dan krijg je die via je 30 13 m Iris, Jeroen, Ricardo = 97 dB c Bepaal de weerstand C bij een Ldiameter van 1,015mm. docent. 32 neemt toe 16 ρ = 2,7 g cm b ampère De meetonzekerheid bij weerstand B bepaal je door te kijken op welke33manieren je b 29 cm 3 a meter J 17 [c] = _____ = J kg K kg1.26 ∙K 34 a wel b massa de lijn kunt doortrekken. Je bepaalt dan de uitersteFiguur waarden. Het verschil tussen b ms c milli = duizendste 18 a 1,26∙10 kg m 29 deze Er zijn drie werkwoorden maken uiterste waarden deeldie je te door twee. De meetonzekerheid is in dit geval 0,5 mΩ. 4 50 m/s c 324 g 35 a 23 m Lengte massa 19Massa a 75,0 mL(g) bvan 93 mhet hebben met het maken van een5 meetonzekerheden figuur: Hieronder staan drie mogelijke voor weerstand C: 6 a 10 b 75,0 ± 0,2 mL 36 b 72 + 6 V elastiek (cm) Iconstrueer, 0,5 mΩ teken en schets. 20 a 4 c voltmeter 2 b 10 b 3 d U = 120 V c 10 Beatrix massa van II 2 mΩhangt aan een elastiek een 15,2 c 2 10 37 a 1,01 m d 6∙10 10 g.10De lengte van het elastiek is dan d 2 b 3,33∙10 m s e 1,1∙10 III mΩ e 3 60 f massa 6,35∙10 d 1,20 s 15,2 cm. Vervolgens zijmeetonzekerheden een van d Leg uit welke vanhangt de drie hoort bij weerstand C.17,7 3
−1
2
−1
3
−1
3
−3
–1
3
−3
–1
−2
6
−2
−3
7
3
2
3
g 1,54∙104
f 4
−1
4.7
Afsluiting
Afsluiting De Samenvatting Afsluiting is de laatste paragraaf van elk hoofdstuk. De afsluiting begint met wet een van samenvatting vaner degeen theorie. Volgens de eerste Newton werkt resulterende kracht op een voor-
4.7
Afsluiting
werp, als dat voorwerp in rust is of met constante snelheid beweegt. De tweede wet van Newton geeft het verband tussen de resulterende kracht op een Samenvatting voorwerp, de massa van het voorwerp en de versnelling van dat voorwerp. De hefboomwet geldt voor voorwerpen waarin je een draaipunt kunt aanwijzen. Volgens de eerste wet van Newton werkt er geen resulterende kracht opEen een voorkracht op het voorwerp waarvan de werklijn niet door het draaipunt gaat, veroorwerp, als dat voorwerp in rust is of met constante snelheid beweegt. Samenvatting zaakt een De moment. zorgtgeeft voor het de draaiing het de voorwerp. De grootte tweedeHet wetmoment van Newton verbandvan tussen resulterende kracht op een van het moment hangt af van de grootte van de kracht en de arm van de kracht. De massa van werkt het voorwerp en de versnelling van Volgens devoorwerp, eerste wetde van Newton er geen resulterende kracht opdat eenvoorwerp. voorarm is de kleinste afstand tussen de werklijn van de kracht en het draaipunt. Is een De voorwerp hefboomwet geldt voorwerpen waarin jebeweegt. een draaipunt kunt aanwijzen. Een werp, als dat in rust isvoor of met constante snelheid voorwerp in rust,op dan er twee krachtmomenten die door even het groot zijn en zorgenveroorhetwerken voorwerp waarvan detussen werklijn draaipunt De tweedekracht wet van Newton geeft het verband deniet resulterende kracht op gaat, een voor een tegengestelde draaiing. een moment. Het moment zorgt voor de van draaiing van het voorwerp. De grootte voorwerp,zaakt de massa van het voorwerp en de versnelling dat voorwerp. In het menselijk lichaam heeft ieder gewricht een draaipunt. Je spieren zorgen van hetgeldt moment af van de grootte vandraaipunt de kracht en deaanwijzen. arm vanvoor deEen kracht. De De hefboomwet voor hangt voorwerpen waarin je een kunt Verder momenten, vind je in dewaardoor Afsluitingjealle formules diePer in gewricht het hoofdstuk zijn besproken. kunt bewegen. zijn er minstens twee spieren, armvoorwerp is de kleinste afstand tussen deniet werklijn vandraaipunt de kracht gaat, en het draaipunt. Is een kracht op het waarvan de werklijn door het veroorJe ziet een overzicht de BINAS-tabellen die van belangkunt zijn houden. bij de theorie van het hoofdstuk. zodat je jouw van lichaam veeldan standen iner evenwicht in in rust, werken twee krachtmomenten die evenDe groot zijn en zorgen zaakt een voorwerp moment. Het moment zorgt voor de draaiing van het voorwerp. grootte voor een tegengestelde draaiing. van het moment hangt af van de grootte van de kracht en de arm van de kracht. De In het menselijk lichaam gewricht eenen draaipunt. Je spieren zorgen voor arm is dedie kleinste afstand tussen deheeft werklijn de kracht het draaipunt. Is een Gegevens betrekking hebben opieder ditvan hoofdstuk kunt bewegen. Per gewricht zijn er minstens twee spieren, voorwerp momenten, in rust, dan waardoor werken er je twee krachtmomenten die even groot zijn en zorgen De formules die je injouw dit hoofdstuk besproken zijn,in staan hieronder elkaar. zodat lichaam in veel standen evenwicht kuntbijhouden. voor een tegengestelde draaiing. In het menselijk lichaam heeft ieder gewricht een draaipunt. Je spieren zorgen voor Fres = m ∙ a tweede wet van Newton je kunt bewegen. Per momenten, waardoor gewricht zijn er minstens twee spieren, Gegevens die betrekking hebben op dit hoofdstuk zodat je jouw lichaam in veel standen in evenwicht moment M = F · r kunt houden. De formules die in dit hoofdstuk besproken zijn, staan hieronder bij elkaar. hefboomwet F1 ∙ r 1 = F 2 ∙ r 2
4.7
Afsluiting
Gegevens die betrekking hebben op dit hoofdstuk
Fres = m ∙ a tweede wet van Newton De formules kun je terugvinden in BINAS tabel 35 A.Mechanica. De formules die in dit hoofdstuk besproken zijn, staan hieronder bij elkaar. moment M=F·r Opgaven Fres = m ∙ aF ∙ r = F ∙ r tweede wet van Newton hefboomwet 1 1 2 2
De 30 opgaven in de afsluiting gaan over meerdere en zijn op examen niveau. ▶ werkblad In figuur 4.54 zie je een silhouet van een Mhoofdstukken moment =F·r De formules kun je terugvinden in BINAS tabel 35 A. meisje dat op de tenen van één voet balanhefboomwet F1 ∙ r 1 = F 2 ∙ r 2 ceert. Het meisje staat stil. Opgaven In figuur 4.54 zijn de punten A, B, C en D De formules kun je terugvinden in BINAS tabel 35 A. aangegeven. ▶ tekenblad 60 zie je een silhouet van een werkblad 30 In figuur 4.54 a Welke meisje van deze is het van zwaarte▶ Opgaven hulpblad datpunten op de tenen één voet balanpunt? Licht je antwoord toe. ceert. Het meisje staat stil. De beenspieren zijn via pezen botten In figuur 4.54 zijn demet punten A, B, C en D 60 silhouet ▶ werkblad 30 In figuur 4.54 zie je een van een verbonden. De pees waarmee de voorste dij▶ hulpblad meisje dataangegeven. op de tenen van één voet balanspier aan het scheenbeen vastzit, loopt over Welke van deze punten is het zwaarteceert. Het ameisje staat stil. de knieschijf. punt? Daardoor isjehet momenttoe. dat Licht In figuur 4.54 zijn de puntenantwoord A, B, C en D deze spierDe op beenspieren het scheenbeen zijnuitoefent via pezenextra met botten aangegeven. groot. De pees waarmee de voorste dija Welke verbonden. van deze punten is het zwaartespier je aan het scheenbeen vastzit, loopt over punt? Licht antwoord toe. de knieschijf. het moment dat De beenspieren zijn via Daardoor pezen metisbotten 136 h o ofdstuk 4 Figuur 4.54 deze spier op het scheenbeen extra verbonden. De pees waarmee de voorsteuitoefent dijgroot. spier aan het scheenbeen vastzit, loopt over de knieschijf. Daardoor is het moment dat deze spier op het scheenbeen uitoefent extra ▶ hulpblad
11 Medische beeldvorming Voor een juiste diagnose wil een arts graag het inwendige van een lichaam in beeld brengen. Er zijn verschillende methoden om met behulp van straling in het lichaam te kijken. In dit hoofdstuk wordt van een aantal methoden besproken hoe het beeld tot stand komt. Ook lees je over de risico’s bij bestralingen.
Een verloskundige maakt tijdens de zwangerschap een echo om de ontwikkeling van de baby te volgen. Dit is niet schadelijk voor het kind. Hoe werkt echografie?
Figuur 11.1
11.1 Echografie en MRI Medische beeldvorming Als een huisarts een patiënt onderzoekt, kan hij alleen de buitenkant bekijken. Dit komt doordat zichtbaar licht niet in het lichaam doordringt. Er bestaan soorten straling die wel in het lichaam doordringen, zoals röntgenstraling. Met behulp van deze soorten straling worden afbeeldingen van inwendige organen en processen gemaakt. Zichtbaar licht en röntgenstraling zijn voorbeelden van elektromagnetische golven. Echografie maakt gebruik van geluidsgolven. Geluidsgolven dringen wel door in het lichaam, maar behoren niet tot de elektromagnetische golven. In figuur 11.2 zie je een aantal elektromagnetische golven met toepassing. Bij microgolven is een MRI-apparaat afgebeeld, bij röntgenstraling zie je een röntgenfoto. Dit zijn voorbeelden van medische beeldvorming. In BINAS tabel 19B vind je een uitgebreider overzicht. Daarin BINAS tabel 19B staan ook de foton-energieën van de soorten straling. Fotonen van radiostraling hebben weinig energie, de fotonen van ultraviolette, röntgen- en gammastraling hebben veel energie. Van ultraviolette straling weet je dat deze je huid laat verkleuren, en dat je er niet te lang in mag zitten. Röntgen- en gammastraling zijn nog gevaarlijker: dit zijn vormen van ioniserende straling. Hun fotonen hebben genoeg energie om elektronen uit atomen weg te slaan, waardoor deeltjes met andere eigenschappen ontstaan – en dat kan gevaarlijk zijn.
13 4
h o ofdstuk 11
teraHertz-
Figuur 11.2
Echografie Bij ongeboren baby’s moet je voorzichtig zijn met straling. Daarom maakt een verloskundige gebruik van echografie om een beeld van de foetus te maken. De gebruikte geluidsgolven hebben frequenties tussen 1 MHz en 10 MHz. Dit geluid kun je niet horen, omdat je gehoorzintuigen deze hoge frequenties niet kunnen waarnemen. Het is dus ultrasoon geluid. De transducer zendt korte geluidspulsen uit. Het lichaam van de foetus reflecteert een deel van elke puls en de transducer vangt de weerkaatste puls weer op. De transducer zendt pas een nieuwe puls uit nadat de vorige teruggekaatste puls in zijn geheel is ontvangen. Hoe groter de afstand van de foetus tot de transducer, des te langer doet het geluid erover om terug te keren naar de transducer. Met deze gegevens berekent een computer het beeld van de foetus. Zie figuur 11.3.
Figuur 11.3
Tijdens een echografisch onderzoek is de frequentie van de geluidsgolf constant. De snelheid van het geluid hangt af van het soort weefsel waar het geluid doorheen gaat. In BINAS tabel 15A zie je dat de geluidssnelheid in weefsels veel groter is dan in lucht. De golflengte van geluid is in weefsels dus veel groter dan in lucht.
Medische beeldvorming
135
Als een geluidsgolf van het ene medium naar het andere overgaat, reflecteert een deel van de golf. Is het verschil in geluidssnelheid groot, dan is er veel reflectie. De geluidssnelheid is in bot veel groter dan in andere weefsels. Geluidsgolven dringen daardoor nauwelijks door in bot. Ook bij een overgang naar lucht treedt veel reflectie op. Daarom wordt bij echografie een gel gebruikt om te voorkomen dat tussen lichaam en transducer luchtbellen ontstaan die het geluid reflecteren en het echobeeld verstoren. Echografie is een eenvoudige en goedkope techniek, die voor zover bekend onschadelijk is. De techniek wordt gebruikt bij onderzoek aan zachte weefsels en het hart. Omdat de geluidsgolven niet voorbij botten en met lucht gevulde lichaamsholtes komen, is de techniek niet voor elk onderzoek geschikt. Ook is het beeld niet heel scherp, waardoor het soms lastig te interpreteren is.
MRI Bij het maken van een MRI-scan ligt de patiënt in een soort tunnel. Zie figuur 11.3. Het scanapparaat brengt de verdeling van de waterstofatomen in het lichaam in beeld. Waterstof zit onder andere in water. Deze techniek maakt gebruik van het feit dat waterstofkernen kleine magneetjes zijn. Daar merk je normaal gesproken niets van, omdat deze magneetjes allemaal door elkaar liggen. In een MRI-apparaat wordt de richting van de magneetjes veranderd, waardoor je kunt bepalen waar zich waterstofatomen bevinden. Een MRI-scan wordt gemaakt in vier stappen: ▪▪ Een zeer grote elektromagneet zorgt voor een sterk magnetisch veld in de tunnel. De magnetische waterstofkernen die zich in dit veld bevinden, gaan zich richten. Ze kunnen daarbij in de richting van het veld staan, of juist in tegengestelde richting. De meeste kernen gaan in de richting van het veld staan. Dat komt doordat er meer energie nodig is om de kernen in de tegengestelde richting te zetten. ▪▪ Om een MRI-scan te maken, moeten de magneetjes in de tegengestelde richting worden gezet. Bij een constant magnetisch veld kost dat overal evenveel energie, zonder onderscheid Figuur 11.3 tussen verschillende delen van het lichaam. Daarom zorgen elektromagneten ervoor dat de grootte van het magnetisch veld niet overal in de tunnel gelijk is. Hoe groter het magnetisch veld, hoe meer energie het kost om de richting van de magneetjes om te keren. 13 6
h o ofdstuk 11
▪▪
▪▪
Een spoel zendt korte tijd microgolven uit met een frequentie in de orde van grootte van 100 MHz. Als een foton van deze straling precies genoeg energie heeft, kan het de richting van de magneetjes omkeren. Hoeveel energie daarvoor nodig is, hangt af van de sterkte van het magnetisch veld, en die is overal verschillend. Alleen in delen van het lichaam waar het magnetisch veld precies de juiste sterkte heeft nemen waterstofkernen fotonen op, waardoor hun richting omkeert. Deze waterstofkernen zenden de fotonen korte tijd later weer uit, waarbij hun richting weer omkeert. Dan kan de kern opnieuw een foton opnemen, enzovoort. Dit noem je het resoneren van waterstofkernen. De uitgezonden fotonen worden gedetecteerd. Hiermee wordt het MRI-beeld opgebouwd.
Opgaven 1 MRI en echografie maken beide gebruik van golven. a Noem twee verschillen tussen deze golven. Bij echografie ligt de frequentie van de golf tijdens een onderzoek vast. b Leg uit dat bij MRI met meer dan één frequentie wordt gewerkt. MRI en echografie worden gebruikt voor verschillende onderzoeken. Voor onderzoek aan de botten is MRI geschikter dan echografie. c Leg dit uit. 2 Voor het maken van een echo wordt de buik van de moeder ingesmeerd met een gel. Die gel zorgt ervoor dat de geluidspulsen (bijna) zonder reflectie overgaan van de transducer naar de huid op de buik. a Leg uit waarom zonder zo’n gel heel veel reflectie optreedt. b Noem nog een voordeel van het gebruik van een gel tijdens het onderzoek. c Leg uit of de golflengte van het geluid een vaste waarde heeft tijdens een echografie. Echografie is geschikt voor onderzoeken aan organen in de buikholte, maar niet voor een onderzoek aan de longen. d Leg uit waarom niet. ▶ hulpblad
3 Een fysiotherapeut wil met een echo de aderen in een spier waarnemen. De diameter van zo’n ader is ongeveer 1,0 mm. Is de diameter kleiner dan de golflengte, dan is de reflectie van de geluidsgolf onduidelijk. a Bereken de frequentie waarbij een geluidsgolf nog net wordt weerkaatst door een ader met een diameter van 1,0 mm. Noteer je antwoord in twee significante cijfers. b Leg uit of de fysiotherapeut een hogere of een lagere frequentie moet gebruiken om er zeker van te zijn dat de aderen zichtbaar zijn op de echo.
Medische beeldvorming
137
4 Bij het maken van een echo wordt de transducer tegen de buikwand van de moeder geplaatst. De afstand tussen de buikwand en het ongeboren kind is 12 cm. De ultrasone golven worden in pulsen uitgezonden. De duur van een puls is 110 µs. Neem aan dat de gemiddelde geluidssnelheid in het weefsel tussen de buikwand en de ongeboren baby gelijk is aan die in water van 40 °C. a Leg uit waarom dit een redelijke aanname is. b Toon aan dat na 1,6·10 −4 s de transducer het weerkaatste geluid ontvangt. De foetus hoort de geluidsgolven niet, maar merkt wel de frequentie waarmee de geluidspulsen worden uitgezonden. c Toon dit aan. 5 Bij een MRI-onderzoek worden elektromagnetische golven uitgezonden met een frequentie van 53,5 MHz. a Bereken de golflengte. Figuur 11.5 is het beeld van een MRI-scan van het hoofd. b Leg uit waardoor de schedel donker is.
Figuur 11.5
6 Elektromagnetische straling kan gevaarlijk zijn als de energie van de fotonen groot genoeg is om atomen te ioniseren. De ionisatie-energie verschilt per atoom, maar is op zijn minst enkele elektronvolts. De ultraviolette straling van de zon bestaat uit uv-A, uv-B, en uv-C. Uv-A heeft de grootste golflengtes, uv-C de kleinste. Door te lang in de zon zitten kunnen moleculen in de huid beschadigd raken. a Leg uit welk soort uv-straling het gevaarlijkst is. Bij MRI wordt straling met een frequentie van ongeveer 50 MHz gebruikt. b Leg met behulp van een berekening uit of de energie van fotonen in MRI-straling groot genoeg is om atomen te ioniseren. Bij een medisch onderzoek wordt gebruik gemaakt van technetium. Het technetium zendt fotonen uit met een energie van 141 keV. c Bereken de frequentie van de straling. d Zoek in tabel 19B op wat voor soort straling dit is. 13 8
h o ofdstuk 11
Röntgenstraling is schadelijk. Tijdens een onderzoek draagt de radiologisch laborant een schildklierbeschermer en een loodschort. Op welke manier beschermt zo’n schort tegen röntgenstraling?
Figuur 11.6
11.2 Röntgenfoto en CT-scan Röntgenfoto In figuur 11.7 wordt een röntgenfoto van het bovenlichaam gemaakt. Een röntgenbron zendt gedurende een korte periode röntgenstraling uit die op het lichaam valt. Een detector aan de andere kant van het lichaam registreert hoeveel straling het lichaam heeft gepasseerd. Waar veel röntgenstraling is doorgelaten, is de foto donker. Zie figuur 11.8. De longen vallen erg op. Dat komt doordat ze de straling grotendeels doorlaten. Je ziet de ribben vaag, omdat die een deel van de straling tegenhouden. De ruggengraat houdt de straling bijna volledig tegen, en is daarom wit op de foto.
Figuur 11.7
Figuur 11.8
Medische beeldvorming
139
Halveringsdikte Tijdens een meting valt een hoeveelheid straling op een oppervlak. De hoeveelheid straling op een oppervlakte van 1 m 2 heet de intensiteit met symbool I. Hoeveel röntgenstraling een materiaal tegenhoudt, hangt af van de dikte van het materiaal. In figuur 11.9 zie je hoe de intensiteit van de doorgelaten straling afhangt van de dikte van een plaat lood. De beginintensiteit noem je 100%. De grafiek die de intensiteit van doorgelaten straling weergeeft als functie van de dikte van het materiaal, noem je een doorlatingskromme.
Figuur 11.9
Je ziet dat bij een dikte van 0,1 mm de helft van de straling is tegengehouden: 50%. Je zegt dat de halveringsdikte van lood in dit geval gelijk is aan 0,1 mm. Is de dikte 0,2 mm, dan wordt de helft van de helft doorgelaten: 25%. De intensiteit van de straling die wordt doorgelaten bereken je met: d 1 met n = _ I = I0 ∙ ( _ 2) d_ 1 n
2
▪▪ ▪▪ ▪▪ ▪▪
I is de intensiteit die wordt doorgelaten in W m−2. I0 is de intensiteit die op het materiaal valt in W m−2. d is de dikte van het materiaal tussen de bron en de ontvanger in m. d_ 1 is de halveringsdikte in m. 2
Opmerking De verhouding _ I tussen de doorgelaten straling en de opvallende straling kun je I0 uitdrukken als een percentage, zoals in figuur 11.9. De halveringsdikte hangt niet alleen af van het materiaal, maar ook van de energie van de straling. Dit geldt niet alleen voor röntgenstraling, maar voor alle soorten
14 0
h o ofdstuk 11
elektromagnetische straling. In BINAS tabel 28F staat een overzicht van de halveringsdikte van enkele stoffen bij verschillende energie van het foton. Het contrast op röntgenfoto’s wordt veroorzaakt door de verschillende halveringsdikten van weefsels. Bot houdt röntgenstraling beter tegen dan spierweefsel. Dat betekent dat bot een kleinere halveringsdikte heeft dan spierweefsel. Voorbeeld Van een arm wordt een röntgenfoto gemaakt. De arm is 9,0 cm dik. De halveringsdikte van het spierweefsel is 3,0 cm. Bot heeft voor deze straling een halveringsdikte van 1,0 cm. a Maak een schatting van de fotonenergie van de gebruikte straling. Gebruik BINAS tabel 28F. Op een stuk arm vallen 1,00∙105 fotonen. b Bereken hoeveel fotonen de arm passeren als de arm uitsluitend bestaat uit 9,0 cm spierweefsel. c Bereken hoeveel fotonen de arm passeren als er midden in de arm een bot van 3,0 cm dik zit. Uitwerking a Volgens BINAS 28F is voor bot bij een halveringsdikte van 1,08 cm de energie van de fotonen gelijk aan 0,05 MeV. De halveringsdikte neemt toe als de fotonenergie toeneemt. De fotonenergie is dus iets kleiner dan 0,05 MeV. b De doorgelaten straling bereken je met: I = I0 ∙ (_ 1 ) 2 d met d = 9,0 cm en d n = _ _ 1 = 3,0 cm d_ 1 2 n
2
9,0 n = _ = 3,0
3,0 De opvallende straling I0 bestaat uit 1,00∙105 fotonen.
I = 1,00∙10 5 ∙ (_ 1 ) = 1,25∙10 4 2 3
Er worden 1,3∙104 fotonen doorgelaten. Afgerond 1,3∙104 fotonen. c De straling gaat eerst door 3,0 cm spierweefsel, dan door 3,0 cm bot en vervolgens weer door 3,0 cm spierweefsel. Beide lagen spierweefsel zijn precies een halveringsdikte dik, en laten dus elk 50% door van het aantal fotonen dat op die laag valt. 3 1 van 3,0 cm bot komt overeen met drie halveringsdiktes. Het bot laat dus ( _ 1 ) = _ 2 8 de fotonen door. 3 De drie lagen weefsel op een rij laten dan I = 1,00∙10 5 ∙ (_ 1 ) ∙ (_ 1 ) ∙ (_ 1 ) = 3,125∙10 3 2 2 2 fotonen door. Afgerond: 3,1∙103 fotonen.
Medische beeldvorming
141
Bij het maken van een röntgenfoto is een radiologisch laborant aanwezig. Hij moet zichzelf beschermen tegen weerkaatste röntgenstraling ofwel strooistraling. Tijdens het maken van een röntgenfoto gaat hij achter loodglas staan. Loodglas is net als gewoon glas transparant voor zichtbaar licht, maar heeft voor röntgenstraling een kleinere halveringsdikte. Daardoor houdt het röntgenstraling veel beter tegen dan gewoon glas. Als de radiologisch laborant niet achter loodglas kan staan, moet hij een loodschort en een schildklierbeschermer dragen.
Doorlichting en CT-scan Je kunt met röntgenstraling een filmpje maken van bewegende lichaamsdelen. Dit heet doorlichting. Deze techniek kun je gebruiken om een beeld te krijgen van de werking van maag, darmen en bloedvaten. Omdat deze organen zelf niet goed zichtbaar zijn op een röntgenfoto, krijgt de patiënt een contrastmiddel toegediend. Hierin zitten stoffen die röntgenstraling beter tegenhouden. Tijdens sommige operaties wordt op deze manier een beeld gemaakt van het operatiegebied. De chirurg weet dan beter hoe hij te werk moet gaan. Doordat er meerdere röntgenopnamen worden gemaakt, is de hoeveelheid straling die de patiënt ontvangt groter dan bij een enkele röntgenfoto. Een röntgenfoto maakt een tweedimensionaal beeld: de longen, ribben en ruggengraat zijn over elkaar afgebeeld. Een driedimensionaal beeld is mogelijk met behulp van een CT-scan. De afkorting CT betekent Computed Tomography oftewel ‘berekende doorsnede’. In figuur 11.10 zie je een CT-scanner. De röntgenbron draait om de patiënt heen om opnamen onder verschillende hoeken te maken. Een computer berekent met die opnamen hoe het driedimensionale beeld van de patiënt eruitziet. Zie figuur 11.10 linksboven. Voor één CT-scan zijn veel röntgenopnamen nodig. Daardoor ontvangt een patiënt veel meer straling dan bij een enkelvoudige röntgenopname.
Figuur 11.10
14 2
h o ofdstuk 11
Opgaven 7 Bij de productie van ijzeren platen meet een werknemer de dikte van een plaat met behulp van gammastraling. Deze straling heeft een energie van 1,0 MeV. De plaat houdt 87,5% van de gammastraling tegen. Bereken de dikte van die plaat. 8 Een laborant moet een bron die gammastraling uitzendt, veilig opbergen. De straling die de bron afgeeft, heeft een energie van 2,0 MeV. Hij kan kiezen uit drie verschillende verpakkingen. Zie tabel 11.1. Leg met behulp van BINAS tabel 28F uit welke verpakking het veiligst is. Verpakking
Materiaal
Wanddikte
1
ijzer
3,0 cm
2
aluminium
6,0 cm
3
beton
6,0 cm
Tabel 11.1
9 In figuur 11.11 zie je röntgenfoto’s van een knie. De halveringsdikte van zacht weefsel, zoals spieren, vet en beenmerg, is gelijk aan de halveringsdikte van water. In figuur 11.12 zie je een dwarsdoorsnede van een bovenbeen. a Is de intensiteit van de röntgenstraling op plaats A groter of kleiner dan op plaats B? Licht je antwoord toe. b Leg uit hoe uit figuur 11.11 blijkt dat er beenmerg in het bot zit.
Figuur 11.11
Figuur 11.12
Medische beeldvorming
143
10 In figuur 11.13 zie je een röntgenfoto van de romp van een patiënt. De darmen vallen extra op als gevolg van het contrastmiddel bariumpap, dat de patiënt heeft binnengekregen voordat de foto werd gemaakt. Leg uit of bariumpap een grote of een kleine halveringsdikte heeft.
Figuur 11.13
11 Victor, Max en Tom doen een experiment waarbij ze röntgenstraling afschermen met behulp van een plaatje aluminium. Een plaatje aluminium van 1,0 cm houdt ongeveer 30% van de opvallende röntgenstraling tegen. Ze hebben ook nog een plaatje aluminium van 2,0 cm. Max voorspelt dat dit niet dik genoeg is om de helft van de straling tegen te houden. Victor denkt dat 2,0 cm juist veel meer dan de helft van de straling tegenhoudt. Tom denkt dat 2,0 cm ongeveer de halveringsdikte is voor dit soort straling. Beredeneer wie er gelijk heeft. 12 Een aluminium cilinder met gesloten uiteinden is van binnen hol. Zowel de hoogte als de diameter van de cilinder is 7,0 cm. Zie figuur 11.14a. De dikte van het aluminium is 7,0 mm. Niels maakt twee röntgenfoto’s van deze cilinder. De fotonen van de straling hebben een energie van 50 keV. Voor de eerste foto laat Niels de röntgenstraling vallen op het cirkelvormige bovenvlak van de cilinder. De foto is opgebouwd uit drie delen met een verschillende kleur. De grenzen tussen de delen zijn scherp zichtbaar. Zie figuur 11.14b. a Voer de volgende opdrachten uit: ▪▪ Zoek de halveringsdikte op voor aluminium voor röntgenstraling van 50 keV. ▪▪ Bereken voor elk deel hoeveel procent van de opvallende straling is doorgelaten door de cilinder. ▪▪ Geef de kleur van elk deel aan. Kies uit wit, grijs en zwart. Daarna maakt Niels een röntgenfoto vanaf de zijkant van de cilinder. Op deze foto is de grens tussen de buitenkant en de holte binnenin niet scherp. b Leg uit hoe dat komt.
A
Figuur 11.14
14 4
h o ofdstuk 11
B
C
Op deze foto zie je de schildklier van een patiënt. Voor deze foto moest de patiënt radioactief jodium innemen. Wat is radioactiviteit?
Figuur 11.15
11.3 Kernstraling Stralingsbronnen Röntgenstraling wordt opgewekt met een röntgenbuis. Dat apparaat zet elektrische energie om in röntgenstraling. Een röntgenbuis is een voorbeeld van een kunstmatige stralingsbron. Bepaalde atoomsoorten, zoals uranium en radium, zenden van nature straling uit. In de aardkorst komen stoffen met deze atoomsoorten voor. Deze stoffen noem je radioactieve stoffen. Het zijn voorbeelden van natuurlijke stralingsbronnen. In het heelal vind je vele natuurlijke stralingsbronnen, die ook richting de aarde stralen. Straling afkomstig uit de ruimte noem je kosmische straling. Door deze bronnen is er overal op aarde straling aanwezig. De altijd aanwezige staling noem je achtergrondstraling.
Atoombouw Een atoom is opgebouwd uit een kern en daaromheen een elektronenwolk. De kern is opgebouwd uit twee soorten deeltjes: protonen en neutronen. In BINAS tabel 7B zie je dat de massa van een proton en een neutron ongeveer gelijk is, maar de massa van een elektron veel kleiner. Protonen hebben een positieve lading en neutronen zijn neutraal. De lading van een proton is positief en de waarde is gelijk aan die van een elektron: 1,602∙10 −19 C. Een atoom is elektrisch neutraal. Een atoom heeft dus evenveel elektronen in de elektronenwolk als protonen in de kern. Een deeltje waarvan de totale lading ongelijk aan nul is noem je een ion. Bij een ion is het aantal elektronen niet gelijk aan het aantal protonen.
Medische beeldvorming
145
Het aantal protonen in de kern van een atoom is het atoomnummer met symbool Z. Het atoomnummer geeft de atoomsoort. Iedere atoomsoort heeft een eigen symbool. Je kunt deze vinden in BINAS in tabel 40 en 99. Omdat een atoom elektrisch neutraal is, geeft het atoomnummer ook het aantal elektronen in de elektronenwolk aan. De som van het aantal protonen en neutronen in de kern noem je het massagetal met symbool A. Geef je het aantal neutronen in de kern weer met symbool N, dan geldt: A=N+Z ▪▪ ▪▪ ▪▪
A is het aantal kerndeeltjes. N is het aantal neutronen. Z is het aantal protonen.
Met het atoomnummer en het massagetal ligt de samenstelling van de kern vast. Omdat neutronen niet bijdragen aan de lading, geeft het atoomnummer Z ook de lading van de kern. Protonen en neutronen zijn ongeveer even zwaar, dus het massagetal bepaalt bij benadering de massa van de kern. Een kern kun je schematisch weergeven met: X
A Z
▪▪ ▪▪ ▪▪
A is de som van het aantal protonen en neutronen. Z is het atoomnummer, dus het aantal protonen. X is het symbool van het atoomsoort.
Een koolstofatoom met zes protonen en acht neutronen geef je dus weer met 14 C. 6 De 6 is eigenlijk overbodig, omdat het atoomnummer van koolstof altijd 6 is. In plaats van 14 Ckun je dus ook 14C of C-14 of koolstof-14 schrijven. 6 Figuur 11.16 is een schematische tekening van een atoom koolstof-12 en een atoom koolstof-14. Beide atomen bevatten zes protonen en zes elektronen. De atomen verschillen echter in het aantal neutronen: het koolstof-12 atoom bevat zes neutronen, en het koolstof-14 atoom bevat acht neutronen. Het atoomnummer is dus bij beide atomen gelijk, maar het massagetal is verschillend. Atomen met hetzelfde atoomnummer maar een verschillend massagetal noem je isotopen. Isotopen hebben een verschillend aantal neutronen, maar de chemische eigenschappen zijn gelijk.
Figuur 11.16
14 6
h o ofdstuk 11
Kernstraling De kernen van sommige isotopen zijn instabiel en zenden spontaan straling uit. Je noemt deze isotopen radioactief. Radioactief betekent dat er straling wordt uitgezonden. Omdat de straling afkomstig is uit de atoomkern spreek je van kernstraling. Door het uitzenden van kernstraling veranderen de energie, de lading en/of de massa van de atoomkern. Dit noem je radioactief verval. Er zijn drie soorten kernstraling, die worden aangegeven met een Griekse letter: alfa-, bèta- en gammastraling. ▪▪ α-straling bestaat uit geladen deeltjes opgebouwd uit twee protonen en twee neutronen. Zo’n deeltje is dus de kern van de isotoop He-4. Je noteert een alfadeeltje met 42 He of 42 α. ▪▪ β-straling bestaat ook uit deeltjes, namelijk snel bewegende elektronen. Je kunt β-straling ook weergeven met een atoomnummer en een massagetal. Je noteert dan −1 0 e of −1 0 β. Het massagetal is 0 omdat de massa van een elektron zeer klein is in vergelijking met de massa van een proton of een neutron. Hier staat de −1 niet voor het atoomnummer, maar voor de lading van het elektron. ▪▪ γ-straling bestaat uit fotonen. Deze straling heeft geen lading en geen massa, want een foton is alleen maar een pakketje energie. Je geeft γ-straling daarom weer met 00 γ. In BINAS tabel 25 staat in de laatste kolom welke soorten straling ontstaan tijdens het verval van verschillende isotopen. Je ziet dat koolstof-12 stabiel is doordat er in de laatste kolom een streepje staat. Koolstof-14 is instabiel: bij het verval komt een elektron vrij. Bij het verval van B-12 ontstaat zowel β-straling als γ-straling. De getallen in de laatste kolom geven aan hoe groot de kinetische energie van het deeltje is, uitgedrukt in MeV. Opmerking In de laatste kolom staan ook andere soorten verval. Die behoren niet tot de stof van het CE van de havo.
Vervalvergelijking Verval van kernen geef je weer met een schema waarin de instabiele kern links van de pijl staat en de vervalproducten rechts. Bij het β-verval van koolstof-14 ontstaan een stikstof-14 atoom en een elektron. Zie figuur 11.17. Kijk je naar de samenstelling van de kern, dan verandert bij β-verval een neutron in een proton en een elektron. Het elektron gaat als β-straling de kern uit.
Figuur 11.17
Medische beeldvorming
147
Polonium-209 is een instabiele isotoop van polonium. Deze isotoop vertoont alfaverval. Zie figuur 11.18. Kijk je naar de samenstelling van de kern, dan vormen twee protonen en twee neutronen een heliumkern. Dit deeltje gaat als α-straling de kern uit.
Figuur 11.18
Verval kun je ook weergeven met een vervalvergelijking. De deeltjes geef je dan schematisch weer met een massagetal en een atoomnummer. De vervalvergelijkingen van de figuren 11.17 en 11.18 zijn: 14 6 C → 147 N + −10 e 209 84 Po → 205 Pb + 42 He 82 Vergelijk in beide vervalreacties de getallen met elkaar dan zie je dat het volgende geldt: ▪▪ De som van de massagetallen rechts van de pijl is gelijk aan het massagetal links van de pijl. ▪▪ De som van de atoomnummers rechts van de pijl is gelijk aan het atoomnummer links van de pijl. Voorbeeld Als de isotoop boor-12 vervalt, komen een β-deeltje en γ-foton vrij. Geef de vervalvergelijking. Uitwerking Het γ-foton zet je ook in de vervalvergelijking. De vergelijking van de vervalreactie van B-12 is: 12 5 B → 126 C + −10 e + 00 γ
Dracht en doordringend vermogen Kernstraling heeft, net als röntgen- en ultraviolette straling, voldoende energie om atomen te ioniseren. Het is dus ioniserende straling. Ook kan kernstraling in stoffen doordringen, maar niet elk soort straling doet dat even goed. Alfastraling dringt maar enkele centimeters in de lucht door, terwijl bètastraling enkele meters haalt. Je zegt dat bètastraling een groter doordringend vermogen heeft. De afstand die de deeltjes afleggen in een bepaalde stof, noem je de dracht . Voor gammastraling geldt, net als voor röntgenstraling, dat de fotonen willekeurig ver kunnen komen. Maar hoe dikker de laag tussen bron en ontvanger, hoe minder fotonen erdoorheen komen. Ook bij gammastraling is dus sprake van een halveringsdikte.
14 8
h o ofdstuk 11
In figuur 11.19 zie je voor alfa-, bèta- en gammastraling schematisch weergegeven hoe ze door een stof heendringen.
Figuur 11.19
Als straling in een stof doordringt, worden er atomen geïoniseerd. Voor alfa- en bètadeeltjes geldt dat ze bij elke ionisatie energie verliezen. Alfadeeltjes ioniseren door hun grotere massa en energie efficiënter dan bètadeeltjes. Je zegt dat het ioniserend vermogen van alfastraling groter is dan dat van bètastraling. Maar door dat grote ioniserende vermogen zijn alfadeeltjes ook sneller hun energie kwijt, en dat maakt hun doordringend vermogen een stuk kleiner. Gammastraling en röntgenstraling hebben allebei een groot doordringend vermogen maar een klein ioniserend vermogen.
Scintigrafie en tracers Bij sommige vervalreacties komt gammastraling vrij. Als je een patiënt een radioactieve stof toedient, kun je de vrijkomende gammastraling buiten het lichaam detecteren en gebruiken om dat deel van het lichaam in beeld te brengen. Dit heet nucleaire diagnostiek. Bij scintigrafie krijgt een patiënt een radioactieve stof toegediend die zich ophoopt in het lichaamsdeel dat de radioloog wil onderzoeken. Met een gammacamera wordt een foto van de straling gemaakt. Zo’n foto noem je een scintigram. Schildklieronderzoek met radioactief jodium is een voorbeeld daarvan. In figuur 11.20 op de volgende pagina zie je een scintigram van de voor- en achterkant van een patiënt. Aan de hand van zo’n scintigram beoordeelt een radioloog of er plaatsen met botkanker zijn.
Medische beeldvorming
149
Figuur 11.20
Met radioactieve preparaten kun je ook onderzoeken hoe delen van het lichaam werken. De werking van de nieren kun je onderzoeken door een radioactief preparaat in te brengen bij een patiÍnt. Vervolgens volg je hoe snel dit preparaat wordt uitgescheiden. Het radioactieve preparaat in zo’n onderzoek noem je een tracer. Opgaven 13 Een atoomkern bestaat uit 30 protonen en 36 neutronen. a Geef de notatie van de kern met daarin het atoomnummer en het massagetal. b Hoeveel isotopen van deze atoomsoort zenden geen straling uit? c Hoeveel isotopen zenden elektromagnetische straling uit? d Hoeveel isotopen van deze atoomsoort zenden γ-straling uit? 14 Geef met behulp van BINAS tabel 25 aan of de volgende isotopen stabiel of instabiel zijn. Als een isotoop instabiel is, geef dan de vergelijking van de vervalreactie. a Lithium-6 b Nikkel-63 c Zuurstof-19 d Plutonium-244 e Lood-206 f Lood-212 15 In de bergen is de achtergrondstraling meestal sterker dan in laaggelegen gebieden zoals Nederland. Noem hiervoor twee redenen.
15 0
h o ofdstuk 11
16 Uranium-238 vervalt in een aantal stappen tot lood-206. Deze combinatie van stappen noem je een vervalreeks. Tijdens het verval van uranium-238 naar lood-206 worden er zowel α-deeltjes als β-deeltjes uitgezonden. a Hoe groot is het verschil in massagetal tussen U-238 en Pb-206? b Wordt de afname van het massagetal veroorzaakt door het uitzenden van α-deeltjes of van β-deeltjes? Licht je antwoord toe. Bij elke stap in de vervalreeks wordt of een α-deeltje of een β-deeltje uitgezonden. c Beredeneer bij hoeveel stappen van deze vervalreeks een α-deeltje wordt uitgezonden. 17 Om de kransslagaderen van het hart te onderzoeken, wordt een patiënt geïnjecteerd met een technetium-preparaat op basis van het isotoop Tc-99m. Dit isotoop vervalt onder uitzending van een gammafoton tot de isotoop Tc-99. Vervolgens vervalt dit isotoop onder uitzending van een elektron. a Geef de vervalvergelijking van Tc-99m. b Geef de vervalvergelijking van Tc-99. c Leg uit dat er wel fotonen, maar geen elektronen worden uitgezonden door het lichaam van de patiënt. 18 Een α-deeltje met een energie van enkele MeV dringt een blok grafiet binnen. Door interactie van het α-deeltje met de koolstofatomen kunnen atomen worden geïoniseerd. Om een atoom te ioniseren is ongeveer 10 eV nodig. Het α-deeltje komt niet verder dan enkele mm diep in het koolstof. Daarna worden er geen koolstofatomen meer geïoniseerd. a Leg uit hoe dat komt. Een β-deeltje met dezelfde energie heeft een hogere snelheid. b Leg dit uit. De snelheid en lading van het β-deeltje zijn nadelig voor het ioniserend vermogen. c Leg dit uit. Door het kleinere ioniserende vermogen slaagt het β-deeltje er minder vaak in een atoom te ioniseren. d Leg uit dat de dracht van het β-deeltje groter is dan die van het α-deeltje. Fotonen worden bij ionisatie geabsorbeerd. Na één geslaagde ionisatie is het foton dus verdwenen. Stel dat een foton dat een atoom passeert een kans heeft van 0,01% om het atoom te ioniseren. e Laat zien dat de halveringsdikte ongeveer overeenkomt met een rij van 7000 atomen.
Medische beeldvorming
151
In een casino weet je nooit of je de jackpot wint. Dit is afhankelijk van toeval. De eigenaar weet wel hoe vaak de jackpot gemiddeld valt. Ook bij het vervallen van kernen heb je te maken met toeval. Hoe zit dat precies?
Figuur 11.21
11.4 Halveringstijd en activiteit Radioactiviteit is een toevalsproces Radon-220 is een radioactief edelgas. Het komt vrij uit bouwmaterialen, en is in alle gebouwen aanwezig. Radon-220 vervalt onder uitzending van een alfadeeltje. De vergelijking van de vervalreactie is 220 R n → 216 Po + 42 α. 86 84 Je kunt niet voorspellen wanneer een bepaalde kern vervalt: de ene radonkern vervalt binnen een microseconde, een andere radonkern blijft misschien meer dan duizend jaar bestaan. Over één enkele kern kun je dus niets zeggen. Bestudeer je echter een grote groep van radon-220-kernen, dan blijkt dat de helft daarvan binnen 55,6 s is vervallen. Welke kernen vervallen weet je niet van tevoren, alleen dat na 55,6 s nog maar de helft van het radon-220 over is.
Halveringstijd ▶ applet halveringstijd en activiteit
15 2
De tijdsduur waarin de helft van de radioactieve isotopen vervalt, noem je de halveringstijd met symbool t _ 1 . Na 55,6 s is de helft van radon-220 vervallen. Daarna 2 kunnen de overgebleven radonkernen nog steeds vervallen. Na nog eens 55,6 s is ook van deze kernen de helft vervallen, en dit gaat zo door. In figuur 11.22 zie je de grafiek die het verband geeft tussen het aantal kernen radon-220 en de tijd. Zo’n grafiek noem je een vervalkromme.
h o ofdstuk 11
Figuur 11.22
Na 55,6 s is de hoeveelheid radon-220 gehalveerd. Na 111,2 s is de hoeveelheid twee keer gehalveerd: er is dan nog maar _ 1 deel oftewel 25% over. Na 166,8 s is er nog 4 1 _ maar deel oftewel 12,5% van de oorspronkelijke hoeveelheid over. 8 Het aantal isotopen dat na een bepaalde tijd nog niet is vervallen, bereken je met: t N = N0 ∙ (_ 1 ) met n = _ t _ 1 2 n
2
▪▪ ▪▪ ▪▪ ▪▪
N is het aantal nog niet vervallen isotopen op een bepaald tijdstip. N0 is aantal isotopen in de beginsituatie. t is de tijd die verstreken is vanaf het begin in s. t _ 1 is de halveringstijd in s. 2
In BINAS tabel 25 staat in de zesde kolom de halveringstijd vermeld. Erg instabiele isotopen vervallen snel. Deze hebben een kleine halveringstijd: het duurt kort voordat de helft vervallen is. Voorbeeld Een radioactieve stof bevat de isotoop jood-131. Op het tijdstip t = 0 s zijn er 2,8·1013 atoomkernen van deze isotoop aanwezig. De halveringstijd van I-131 is 8,0 dagen. a Bereken hoeveel atoomkernen I-131 nog aanwezig zijn na 24,0 dagen. b Bereken na hoeveel dagen 93,75% van de kernen is vervallen. Uitwerking a Het aantal atoomkernen dat nog over is, bereken je met: n 24,0 t = _ N = N0 ∙ (_ 1 ) met N0 = 2,8∙10 13 en n = _ = 3,0 t _ 1 8,0 2 N = 2,8∙10 13 × (_ 1 ) 2 12 N = 3,5∙10 kernen 3
2
Medische beeldvorming
153
1 = _ b Er is nog 100 − 93,75 = 6,25% over. Dat is hetzelfde als _ 1 . De hoeveelheid is 16 ( 2 ) dus vier keer gehalveerd. Dat komt overeen met 4 × 8,0 = 32 dagen. 4
Activiteit In figuur 11.22 zie je dat gedurende de eerste halveringstijd 4,0·1019 kernen vervallen. Tijdens de tweede halveringstijd maar de helft: 2,0·1019. In dezelfde tijd vervallen er dus minder kernen. Bij het verval van één kern radon-220 komt één alfadeeltje vrij. Tijdens de tweede halveringstijd komen dus in dezelfde tijd minder alfadeeltjes vrij. Het aantal deeltjes dat per seconde vrijkomt noem je de activiteit . De eenheid van activiteit is becquerel met symbool Bq. De gemiddelde activiteit bereken je met: ΔN Agem = − _ Δt ▪▪ ▪▪ ▪▪
Agem is de gemiddelde activiteit in Bq. ΔN is de verandering van het aantal deeltjes. Δt is de tijdsduur in s.
Het aantal deeltjes dat nog radioactief is neemt door verval af. Daarom is in de formule een minteken nodig om de activiteit een positieve waarde te geven. In een (N,t)-diagram volgt de gemiddelde activiteit uit de steilheid van een snijlijn. Voorbeeld In figuur 11.23 is de snijlijn getekend voor het interval t = 40 s en t = 80 s. a Bepaal de steilheid van de snijlijn. b Bepaal de gemiddelde activiteit tussen t = 40 s en t = 80 s. Uitwerking ΔN a steilheid = ( _ Δt ) 0 − 7,0∙10 19 steilheid = ____________ 140 − 0 steilheid = − 5,0∙10 17 s −1 ΔN b A gem = − _ Δt Dus Agem = 5,0∙1017 Bq.
15 4
h o ofdstuk 11
Figuur 11.23
Agem = 5,0∙1017 Bq betekent dat er gedurende 40 s gemiddeld 5,0∙1017 kernen per seconde vervallen. Tegelijkertijd zijn er gemiddeld 5,0·1017 alfadeeltjes per seconde ontstaan. Wil je de activiteit op een tijdstip bepalen, dan gebruik je de raaklijnmethode. Er geldt: ΔN A = − ( _ Δt ) raaklijn Voorbeeld Bepaal met behulp van figuur 11.22 op pagina @@ de activiteit op t = 80 s. Uitwerking De activiteit volgt uit de steilheid van de raaklijn aan de (N,t)-grafiek op t = 80 s. Zie figuur 11.24. ΔN A = − ( _ Δt ) raaklijn 0 − 6,0∙10 19 A = − ____________ 160 − 0 A = 3,75∙1017 Bq Afgerond: A = 3,8∙1017 Bq.
Figuur 11.24
Is de activiteit op t = 80 s gelijk aan 3,8·1017 Bq, dan komen 3,8·1017 alfadeeltjes per seconde vrij. Op een later tijdstip zal de activiteit echter lager zijn: er zijn dan minder kernen over die kunnen vervallen. Als het aantal kernen halveert na één halveringstijd, halveert ook de activiteit na één halveringstijd. Er geldt dus: t A = A0 ∙ ( _ 1 ) met n = _ t _ 1 2 n
2
▪▪ ▪▪ ▪▪ ▪▪
A is de activiteit op een bepaald tijdstip in Bq. A0 is de activiteit in de beginsituatie in Bq. t is de tijd die verstreken is vanaf het begin in s. t _ 1 is de halveringstijd in s. 2
Deze formule heeft dezelfde vorm als die voor het aantal overgebleven deeltjes, met de A van activiteit op de plaats van de N.
Medische beeldvorming
155
Opgaven 19 De schildklier gebruikt jood om een bepaald hormoon te produceren. Een radioloog wil een scintigram van de schildklier laten maken. In de patiënteninformatie van een ziekenhuis staat: ‘Bij dit onderzoek krijgt u een injectie met een licht radioactieve stof in uw arm. De radioactieve stof gaat via uw bloed naar het te onderzoeken orgaan of lichaamsdeel. (…) De stof verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen uit uw lichaam. 24 uur na de injectie maakt de medisch nucleair werker met behulp van een gammacamera en een computer opnamen van uw schildklier. (…)’ De patiënt werd geïnjecteerd met een I-123-preparaat op maandagochtend om 9:10 uur. Op dinsdagochtend om 11:34 uur werd het scintigram gemaakt. a Leg uit dat de activiteit van het gehele preparaat 4,0 keer zo klein is geworden. b Leg uit waarom er 24 uur gewacht moet worden voordat de opname gemaakt kan worden. c Noem twee manieren waarop de stof vanzelf uit het lichaam van de patiënt verdwijnt. 20 Eén gram radioactief jodium-131 heeft een activiteit van 6,0·1015 Bq. a Is de halveringstijd van twee gram I-131 groter dan die van één gram? Licht je antwoord toe. b Is de activiteit van twee gram I-131 groter dan die van één gram? Licht je antwoord toe. c Bereken na hoeveel dagen de activiteit van één gram I-131 is gedaald tot 1,5·1015 Bq. ▶ tekenblad
15 6
22 Een laborant onderzoekt twee radioactieve preparaten. Preparaat I bevat een andere radioactieve isotoop dan preparaat II. Beide isotopen vervallen tot stabiele stoffen door het uitzenden van alfastraling. Op een tijdstip t = 0 h bevatten beide preparaten 5,0·1014 radioactieve atomen. In figuur 11.25 is voor beide preparaten het aantal radioactieve kernen N weergegeven als functie van de tijd t. a Leg aan de hand van figuur 11.27 uit van welk preparaat de atomen het meest stabiel zijn. b Toon aan dat de halveringstijd van preparaat I gelijk is aan 2,8 h. c Toon aan dat de activiteit van preparaat I op het tijdstip t = 0 h gelijk is aan 3,4·1010 Bq. d Toon aan dat de activiteit van preparaat I op tijdstip t = 2,8 h gelijk is aan 1,7·1010 Bq. Vergelijk je de activiteiten van de vragen c en d, dan blijkt dat de activiteit op t = 2,8 h is gehalveerd. e Leg uit dat je dat ook had kunnen voorspellen. f Toon aan dat de gemiddelde activiteit van preparaat II tussen t = 0 h en t = 5,0 h gelijk is aan 2,4·1010 Bq. g Bereken hoeveel alfadeeltjes preparaat II in die periode heeft uitgezonden.
h o ofdstuk 11
Figuur 11.27
22 In een kerncentrale wordt splijtstof gebruikt. In deze splijtstof komen verschillende radioactieve stoffen voor, zoals yttrium-88, cesium-137 en uranium-235. In figuur 11.25 zie je een grafiek van het aantal radioactieve atomen in een staaf splijtstof. De halveringstijd van Y-88 is volgens BINAS tabel 25A gelijk aan 107 d. a Toon aan dat dit overeenkomt met figuur 11.25. b Leg uit waarom de hoeveelheid U-235 niet merkbaar afneemt. Een splijtstofstaaf is ongeveer een jaar in gebruik. Daarna wordt hij als afval afgevoerd. Afval met een hoge activiteit moet veilig worden opgeborgen. c Leg uit waarom Cs-137 meer problemen geeft dan U-235. d Leg uit waarom Cs-137 meer problemen geeft dan Y-88. 10,0.1019
8,0.1019
U-235
aantal kernen
6,0.1019
Cs-137 4,0.1019
2,0.1019
Y-88 0,0.1019 0
5
10
15
20
25
30
t (jaar) Figuur 11.25
Medische beeldvorming
157
▶ tekenblad ▶ hulpblad
23 Een laborant heeft een monster met daarin I-125 en I-131. In figuur 11.26 zie je de vervalkromme van het monster.
Figuur 11.26
a Toon aan dat op t = 56 dagen minder dan 1% van de oorspronkelijke hoeveelheid I-131 aanwezig is in het monster. Omdat de hoeveelheid I-131 zo laag is na 56 dagen, mag je aannemen dat de activiteit op t = 59 dagen uitsluitend veroorzaakt wordt door I-125. b Toon aan dat de activiteit van de I-125 kernen op t = 59 dagen gelijk is aan 8,7·10−4 Bq. c Bepaal de activiteit van de I-131 op t = 0 dagen. 24 In 1986 vond in Tsjernobyl een ontploffing plaats in een kernreactor. Hierdoor kwamen radioactieve stoffen in de atmosfeer terecht, waaronder cesium. Een groot gebied werd daardoor radioactief besmet. Pas in 2076 zal het aantal vrijgekomen cesiumatomen afgenomen zijn tot 12,5% van de oorspronkelijke hoeveelheid. a Toon aan dat het om cesium-137 gaat. Naast cesium-137 is ook de isotoop strontium-90 vrijgekomen. b Toon aan dat het eeuwen duurt voordat minder dan 1% van de oorspronkelijke hoeveelheid strontium-90 over is. Van een andere bij dit ongeluk ontsnapte radioactieve stof bleek de activiteit na 6,0 uur te zijn afgenomen met 75%. c Beredeneer hoe groot de halveringstijd van deze atoomsoort is.
15 8
h o ofdstuk 11
Bij de ramp met de kerncentrale in Fukushima kwamen radioactieve stoffen vrij. Een onderzoeker meet met een geiger-müllerteller of het kind is besmet. Hoe werkt zo’n apparaat?
Figuur 11.28
11.5 Risico’s van ioniserende straling Bestraling en besmetting Wanneer een tandarts een röntgenfoto maakt van je gebit, absorbeert je kaak een deel van de straling. Je spreekt dan van bestraling. Een manier om je te beschermen tegen bestraling is door afstand te nemen van stralingsbronnen. Daarom staat de tandarts tijdens het maken van de röntgenfoto op grote afstand van het röntgenapparaat en achter een muur. Krijg je een radioactieve stof op of in je je lichaam, dan is het niet mogelijk om afstand te houden tot de bron. Je spreekt dan van besmetting. De bron zal je continu bestralen, totdat hij wordt verwijderd. Ioniserende straling kan elektronen losslaan uit atomen. Daardoor kunnen weefsels en DNA beschadigd raken. Bij grote hoeveelheden straling krijg je stralingsziekte. Stralingsziekte is dodelijk, er raken dan zoveel lichaamsprocessen ontregeld dat je niet meer herstelt. Maar de hoeveelheid straling is zelden groot genoeg om stralingsziekte te veroorzaken. Kleine hoeveelheden straling zijn niet fataal. Als cellen beschadigd raken, zorgt het lichaam er zelf voor dat deze cellen worden vervangen. Er is echter een kleine kans dat een cel met beschadigd DNA zich ontwikkelt tot een tumorcel. Hoe vaker je wordt bestraald, hoe groter dit risico. Dit risico is nog groter bij cellen die zich vaak delen, zoals cellen in het bloed. De risico’s zijn dus ook afhankelijk van welk deel van het lichaam bestraald wordt. Opgroeiende kinderen zijn gevoeliger voor straling dan volwassenen. Dit komt doordat cellen van kinderen zich veel sneller delen dan cellen van volwassenen.
Medische beeldvorming
159
Stralingsdosis De gevolgen van ioniserende straling hangen onder andere af van de hoeveelheid energie die een deel van je lichaam ontvangt. Hoe meer energie, des te meer schade kan er ontstaan. Er ontstaat ook meer schade als dezelfde hoeveelheid energie op een kleiner deel van je lichaam valt. De stralingsdosis met symbool D is een maat voor de schade die kan ontstaan. Stralingsdosis druk je uit in gray met symbool Gy. Je berekent de stralingsdosis met: E D = _ m ▪▪ ▪▪ ▪▪
D is de stralingsdosis in Gy. E is de geabsorbeerde energie in J. m is de bestraalde massa in kg.
Voorbeeld Een patiënt laat een röntgenfoto maken van zijn bovenbeen. De massa van zijn bovenbeen is 5,0 kg. Op zijn been vallen per seconde 5,2·1010 röntgenfotonen, elk met een energie van 4,0·104 eV. Er wordt 40% van de energie geabsorbeerd. Het maken van de foto duurt 0,60 s. Bereken de stralingsdosis. Uitwerking De geabsorbeerde hoeveelheid energie is een percentage van de totale hoeveelheid ontvangen energie. De totale hoeveelheid ontvangen energie bereken je met het totale aantal fotonen en de energie per foton. Het totale aantal fotonen bereken je met de tijd en het aantal fotonen per seconde. Er vallen 0,60 × 5,2·1010 = 3,12·1010 fotonen op zijn bovenbeen. De totale hoeveelheid energie van die fotonen is gelijk aan: 3,12·1010 × 42,0·104 eV = 1,248·1015 eV Dit komt overeen met 1,248·1015 × 1,602·10 −19 J = 2,0·10 −4 J. Van deze hoeveelheid energie wordt 40% geabsorbeerd door 5,0 kg weefsel. De geabsorbeerde hoeveelheid energie is 0,40 × 2,0·10 −4 = 8,0·10 −5 J. E D = _ m 8,0∙10 −5 D = _ 5,0 D = 1,6∙10 −5 Gy Een stralingsdosis van 1,6·10 −5 Gy is zeer klein en nauwelijks gevaarlijk. Dat blijkt ook uit BINAS tabel 27D1. In het linker gedeelte staan de effecten van grote doses ioniserende straling op enkele organen.
16 0
h o ofdstuk 11
Effectieve dosis Alfastraling heeft een veel groter ioniserend vermogen dan andere soorten straling. Om de stralingsdoses van verschillende soorten straling goed te kunnen vergelijken, moet je er rekening mee houden dat alfastraling tot maximaal 20× schadelijker is dan alle andere soorten straling. Je zegt dat de weegfactor w R van alfastraling gelijk is aan 20. De effectieve dosis of equivalente dosis houdt rekening met de weegfactor. Het symbool van effectieve dosis is H. De eenheid is sievert met symbool Sv. Er geldt: H = wR · D ▪▪ ▪▪ ▪▪
H is de effectieve dosis in Sv. w R is de weegfactor. D is de stralingsdosis in Gy.
Weegfactoren staan in BINAS tabel 27D3. Voor β-straling, γ-straling en röntgenstraling is de weegfactor 1. Voor alfastraling is de weegfactor 20.
Stralingsnormen In BINAS tabel 27D1 staan in het rechter gedeelte de effecten van een grote effectieve lichaamsdosis. Je ziet dat bij een effectieve dosis van 100 mSv er een tijdelijk effect optreedt. Normaal gesproken herstelt het lichaam zichzelf. Maar er kan altijd een cel zo beschadigd raken dat er tumorvorming optreedt. Om de kans op schadelijke effecten zo klein mogelijk te houden, zijn er stralingsbeschermingsnormen vastgesteld, ook wel dosislimieten genoemd. Zo’n norm betreft de effectieve dosis gedurende een jaar. Zie BINAS tabel 27D2. Daar zie je dat de dosislimiet voor iemand die vanwege zijn beroep in aanraking komt met straling gelijk is aan 20 mSv per jaar. Voorbeeld Tijdens een vliegreis van Nederland naar de Verenigde Staten ontvang je extra kosmische straling van ongeveer 0,05 mSv per enkele reis. Een beroemde dj maakt voor optredens maandelijks een retourvlucht van Nederland naar de Verenigde Staten. Bepaal met behulp van BINAS of de hoeveelheid ontvangen straling de stralingsbeschermingsnormen overschrijdt. Uitwerking De dj maakt per jaar 12 × 2 = 24 enkele reizen. Hij ontvangt dan 24 × 0,05 = 1,2 mSv extra kosmische straling. Een dj is niet iemand die beroepshalve met straling werkt. Volgens BINAS tabel 27D2 is zijn dosislimiet dan 1 mSv per jaar. De hoeveelheid straling die de dj ontvangt overschrijdt dus de stralingsbeschermingsnormen.
Medische beeldvorming
161
Bij de dosislimieten wordt blootstelling om medische redenen niet meegeteld. Zie de voetnoot bij BINAS tabel 27D2. Anders zou volgens BINAS tabel 29 één CT-scan al een forse overschrijding van de dosislimiet geven. Ook natuurlijke stralingsbronnen worden niet meegerekend. Door achtergrondstraling ontvang je ongeveer 2 mSv per jaar. Hoe dan ook moet de blootstelling aan straling verder zo laag mogelijk zijn. Dit heet het ALARA-principe: ‘As low as reasonably achievable’.
Radiotherapie Patiënten met een tumor worden in sommige gevallen bestraald. Dit noem je radiotherapie. De straling beschadigt de cellen in de tumor, zodat die cellen afsterven. Een nadeel is dat de straling ook gezond weefsel kan aantasten. Het effect van bestraling is het grootst op snel delende celen, zoals de cellen die in een tumor aanwezig zijn. Bij een bestraling worden de stralingsnormen ruim overschreden. Er is dan sprake van een afweging: de gevolgen van niet behandelen zijn groter dan de gevolgen van de straling. Als de stralingsbron zich buiten het lichaam bevindt, spreek je van uitwendige bestraling. De tumor wordt dan door de huid heen bestraald. Daarbij raakt de huid beschadigd, vergelijkbaar met een eerstegraadsverbranding. Bij inwendige bestraling wordt een radioactieve stof in de buurt van de tumor gebracht. Dat kan met een injectie in een bloedvat, waarna de radioactieve stof zich aan de tumor hecht. De radioactieve stof kan ook in een gesloten capsule in de buurt van de tumor worden gebracht. De radioactieve stof verspreidt zich dan niet eerst door het lichaam. Het nadeel van deze methode is dat er een operatie nodig is.
Dosimeter Een radioverpleegkundige werkt de hele dag met radioactieve bronnen. Om te bepalen hoeveel straling hij oploopt, beschikt hij over een dosimeter. Dat is een apparaatje dat de hoeveelheid geabsorbeerde straling meet. Een voorbeeld van een dosimeter is een badge die je op je kleding draagt. In figuur 11.29 zie je een schematische dwarsdoorsnede van zo’n badge. De badge is opgebouwd uit een fotografische film met daaroverheen drie stukjes materiaal. Het laagje mica laat vrijwel alle straling door. Het laagje karton houdt alleen alfastraling tegen. Het laagje lood laat alleen gammastraling door. Bij A meet je dus de totale hoeveelheid straling, bij B de hoeveelheid bèta- en gammastraling en bij C alleen de gammastraling. Door de verkleuring van de drie delen van de film te onderzoeken, wordt het soort straling en de intensiteit ervan bepaald.
Figuur 11.29
16 2
h o ofdstuk 11
Geiger-müllerteller De geiger-müllerteller (GM-teller) is een van de meest gebruikte stralingsdetectoren bij radioactieve stoffen. De schematische opbouw van een GM-teller zie je in figuur 11.30. Een buis is afgesloten met een micavenster M. In de buis bevindt zich een gas. Als ioniserende straling via het micavenster in de buis komt, worden enkele moleculen van het gas geïoniseerd. Door de spanning over de wand van de buis en de pin P worden de vrijgemaakte elektronen versneld richting de pin. Bij een botsing van deze elektronen tegen moleculen van het gas ontstaan nog meer vrije elektronen. De vrijgemaakte elektronen gaan in de pin P. Daardoor ontstaat er korte tijd een kleine stroom door de weerstand R. Die geeft een spanningspuls over de weerstand. Elke puls wordt geteld door de teller T. Doordat er een luidspreker op de teller is aangesloten, hoor je bij elk puls een korte tik. Wordt er veel ioniserende straling gemeten, dan hoor je veel tikken achter elkaar. De GM-teller gaat dan ‘ratelen’.
Figuur 11.30
Opgaven 25 Een verpleegkundige in het ziekenhuis is blootgesteld aan ioniserende straling. Dit blijkt uit de badge op de kleding. In figuur 11.31 is het ontwikkelde filmpje van de badge te zien. Een filmpje dat niet bestraald is met ioniserende straling is wit. De Figuur 11.31 linkerkant van het filmpje zat onder het micavenster. Uit het filmpje blijkt dat de verpleegkundige is blootgesteld aan alfa- en gammastraling. a Leg uit dat de verpleegkundige niet aan bètastraling is blootgesteld. b Als er geen alfastraling was geweest, was de linkerkant van het filmpje dan wit geweest? c Leg uit dat de intensiteit van de alfastraling groter was dan de intensiteit van de gammastraling.
Medische beeldvorming
163
26 Op 11 maart 2011 werd de kerncentrale in Fukushima getroffen door een zeebeving, gevolgd door explosies waarbij veel radioactief materiaal vrijkwam. Een onderzoeker bepaalt met een stralingsmeter of een kind besmet is. a Leg uit dat je met een stralingsmeter wel kunt meten of iemand is besmet, maar niet of hij is bestraald. De onderzoeker draagt een mondkapje, handschoenen en een speciaal pak. b Leg uit dat deze voorzorgsmaatregelen hem beschermen tegen besmetting. c Leg uit dat deze voorzorgsmaatregelen hem beschermen tegen bestraling. 27 Een patiënt wordt in een ziekenhuis bestraald met gammastraling. In plaats van één enkele bron worden in dit ziekenhuis drie bronnen gebruikt. Zie figuur 11.32. Daardoor krijgt de tumor een stralingsdosis toegediend die 1,5× zo groot is als bij bestraling met één bron. a Leg uit hoe groot de intensiteit is van de straling uit een van de drie bronnen vergeleken met de straling uit de enkele bron. b Leg uit wat de voordelen zijn van bestraling vanuit drie bronnen in plaats van één. Gebruik het begrip stralingsdosis in je antwoord. c Zal deze methode eerder gebruikt worden bij diepliggende tumoren of juist bij tumoren die zich dicht onder de huid bevinden? Licht je antwoord toe.
Figuur 11.32
28 Bij het uitwendig bestralen van een tumor worden vooral röntgenstraling en gammastraling gebruikt. Bij inwendige bestraling komt zowel een alfastraler als een bètastraler in aanmerking. Een gammastraler is bij inwendige bestraling minder geschikt dan een alfa-of bètastraler. a Leg dit uit. De stralingsbron wordt in een gesloten capsule bij de tumor geplaatst. b Wordt er dan een alfastraler of een bètastraler gebruikt. Licht je antwoord toe.
16 4
h o ofdstuk 11
29 Bij het maken van een röntgenfoto van de borstkas ontvangt een patiënt een effectieve dosis van 7,2 μSv. De massa van het bestraalde weefsel is 17 kg en de gemiddelde energie van de röntgenfotonen is 12 keV. De patiënt absorbeert 60% van de röntgenfotonen. a Leg uit dat de stralingsdosis gelijk is aan de effectieve dosis. b Bereken hoeveel röntgenfotonen er in totaal op de patiënt vallen. 30 Een banaan bevat ongeveer 0,50 g kalium. Een klein deel van dat kalium is K-40, een radioactieve isotoop. Als gevolg hiervan zijn bananen ook radioactief. Bij het verval van K-40 ontstaat β-straling. a Geef de vervalreactie van K-40. Als je een banaan eet, raak je besmet. Pim adviseert om een banaan niet vers te eten, zodat de radioactiviteit kleiner is. b Leg uit dat Pims advies niet zo veel zin heeft. Als je een banaan eet, neemt de hoeveelheid kalium in je lichaam toe. Na enkele dagen is de extra hoeveelheid K-40 het lichaam alweer uit. Een gram kalium heeft een activiteit van 31 Bq. De effectieve dosis is 6,2 nSv per Bq gedurende de tijd dat het extra kalium in het lichaam verblijft. c Bereken hoeveel bananen je per dag moet eten om de stralingsbeschermingsnorm van BINAS tabel 27D2 te overschrijden. Kalium is een belangrijke stof in je lichaam. In een volwassen man van 70 kg geeft het aanwezige kalium permanent een activiteit van 5,4 kBq. Het elektron dat vrijkomt bij het verval van K-40 heeft gemiddeld een energie van 7,1∙10 −14 J. d Bereken de jaarlijkse effectieve stralingsdosis als gevolg van de aanwezigheid van kalium in het lichaam van een volwassen man van 70 kg.
Medische beeldvorming
165
11.6 Afsluiting Samenvatting Echografie maakt gebruik van ultrasone geluidspulsen. Uit de reflectie van die pulsen berekent een computer het beeld. Bij een MRI-scan wordt de verdeling van de waterstofatomen in het lichaam in beeld gebracht. MRI is gebaseerd op het feit dat waterstofkernen kleine magneetjes zijn. Waterstofkernen resoneren bij een frequentie die afhangt van de sterkte van het magnetisch veld. De waterstofkern neemt dan een foton op en zendt iets later weer een foton uit. Uit de plek waar de fotonen uitgezonden worden, en uit de tijd die nodig is voordat ze worden uitgezonden, berekent een computer een dwarsdoorsnede van het lichaam. Je kunt in aanraking komen met ioniserende straling via natuurlijke en kunstmatige stralingsbronnen. Natuurlijke stralingsbronnen zorgen voor achtergrondstraling. Dit is de som van de straling die radioactieve stoffen in de aarde uitzenden en de kosmische straling uit het heelal. Het röntgenapparaat is een voorbeeld van een kunstmatige stralingsbron. Een radioactieve stof vervalt uiteindelijk. Daarbij kunnen alfastraling, bètastraling en gammastraling ontstaan. Bij alfaverval stoot de kern twee protonen en twee neutronen uit: een heliumkern. Bij bètaverval zendt de kern een elektron uit terwijl in de kern een neutron in een proton verandert. Gammastraling is elektromagnetische straling en bestaat uit fotonen. Bij gammaverval veranderen de soort en het aantal deeltjes in de kern niet. Alfastraling heeft het kleinste doordringende vermogen en het grootste ioniserende vermogen. Gammastraling heeft het grootste doordringende vermogen en het kleinste ioniserende vermogen. De halveringstijd is de tijd waarin de helft van de isotopen is vervallen. Uit een vervalkromme leid je de gemiddelde activiteit en de activiteit op een tijdstip af. De gemiddelde activiteit is de steilheid van de snijlijn van de (N,t)-grafiek. De activiteit op een tijdstip bepaal je met behulp van de raaklijnmethode. De halveringsdikte is de dikte van een materiaal dat je nodig hebt om de helft van de straling tegen te houden. Röntgenfotografie en de CT-scan maken gebruik van het verschil in halveringsdikte tussen verschillende soorten weefsels. Een CT-scan bestaat uit een aantal röntgenfoto’s, die onder verschillende hoeken worden gemaakt. Hieruit berekent een computer een doorsnede van het lichaam. Bij scintigrafie wordt een radioactieve stof in het lichaam gebracht. Een gammacamera detecteert vervolgens waar de straling uit het lichaam vandaan komt. Bij radiotherapie wordt een deel van het lichaam bestraald om de cellen van een tumor te doden. Radiotherapie kan zowel inwendig als uitwendig toegepast worden.
16 6
h o ofdstuk 11
De stralingsdosis is een maat voor het risico dat je loopt na bestraling. Voor alfastraling moet de stralingsdosis gecorrigeerd worden met de weegfactor. Op die manier verkrijg je de effectieve dosis of equivalente dosis. Twee apparaten waarmee je straling kunt detecteren zijn de dosimeter en de geigermüllerteller. De dosimeter geeft informatie over het soort en de totale hoeveelheid opgelopen straling. De geiger-müllerteller geeft informatie over de activiteit van een bron.
Gegevens die betrekking hebben op dit hoofdstuk De formules die in dit hoofdstuk besproken zijn, staan hieronder bij elkaar. verzwakking γ-straling
d I = I0 ∙ (_ 1 ) met n = _ 2 d_ 1
vervallen van kernen
t N = N0 ∙ (_ 1 ) met n = _ t _ 1 2
activiteit
t A = A0 ∙ (_ 1 ) met n = _ t _ 1 2
gemiddelde activiteit
ΔN Agem = − _ Δt
activiteit op een tijdstip
ΔN A = − ( _ Δt )raaklijn
(geabsorbeerde stralings)dosis
E D = _ m
equivalente dosis (dosisequivalent)
H = wR ∙ D
n
2
n
2
n
2
De formules kun je terugvinden in BINAS tabel 35E3 Kernfysica en Radioactiviteit. In BINAS tabellen 25A, 27D en 28F vind je de gegevens die van belang zijn voor dit hoofdstuk. BINAS tabel 29 is een overzicht met de technieken voor medische beeldvorming. Opgaven ▶ tekenblad
31 In de Radon Health Mine in de Amerikaanse staat Montana kunnen mensen radontherapie ondergaan. Zie figuur 11.33.
Figuur 11.33
Medische beeldvorming
167
Tien dagen lang verblijven ze enkele uren per dag in een ondergrondse mijntunnel waar de lucht een hoge concentratie aan radioactief radon bevat. De straling waaraan de mensen worden blootgesteld heeft een heilzame werking, zo wordt beweerd. Het radon in de mijn is de isotoop radon-222. In figuur 11.34 is het verval van Rn-222 in een (A,Z)-diagram weergegeven met een pijl.
Figuur 11.34
a Leg uit hoe uit figuur 11.34 blijkt dat bij het verval van Rn-222 een α-deeltje vrijkomt. De kern die bij dit verval ontstaat, is ook instabiel en vervalt korte tijd later. Dit proces herhaalt zich een aantal malen. Bij een mogelijke vervalreeks van deze kern komen zo achtereenvolgens een α-deeltje, een β-deeltje, een β-deeltje en een α-deeltje vrij. b Bepaal met figuur 11.34 welke isotoop ontstaat door deze vervalreeks. Geef daartoe de vervalreeks weer met pijlen. De activiteit van het Rn-222 in de Amerikaanse mijn bedraagt 65 Bq per liter lucht. De α-straling wordt vooral door het longweefsel geabsorbeerd. In de longen van een bepaald persoon bevindt zich (gemiddeld) 6,0 L lucht. Als gevolg van het verval van één Rn-222-kern absorbeert het longweefsel 3,1·10 −12 J stralingsenergie. c Toon met een berekening aan dat het longweefsel per uur 4,4·10 −6 J stralingsenergie absorbeert. Iemand verblijft tijdens zijn therapie 32 uur in de mijn. De massa van zijn longen is 9,5·102 g. De stralingsweegfactor van de α-deeltjes is gelijk aan 20. d Bereken de equivalente dosis die zijn longen hierdoor ontvangen.
16 8
h o ofdstuk 11
Speciaal voor mijnwerkers is al vijftig jaar geleden voor het stralingsniveau ten gevolge van radon en zijn vervalproducten de eenheid WL (working level) ingevoerd. Een stralingsniveau van 1,0 WL wordt acceptabel geacht voor mijnwerkers. 1,0 WL komt overeen met een radonactiviteit van 2,0·10 −9 curie per m3 lucht. De curie is een verouderde eenheid van activiteit. Zie tabel 5 van BINAS. e Bereken het stralingsniveau in WL van de Radon Health Mine. ▶ tekenblad
32 Bij patiënten met gewrichtsklachten wordt soms een CT-scan gemaakt. a Van welke eigenschap van röntgenstraling wordt gebruik gemaakt bij een CT-scan? A van de dracht B van de lading C van de snelheid D van het doordringend vermogen Als een CT-scan onvoldoende informatie geeft, kan de scan gecombineerd worden met een SPECT-scan. SPECT betekent: Single Photon Emission Computed Tomography. De patiënt krijgt een injectie met een fosfaatverbinding die radioactief technetium-99m bevat. Het fosfaat hoopt zich vooral op in de zieke botdelen, waarbij het technetium-99m vervalt naar technetium-99 onder uitzending van γ-fotonen. Technetium-99m ontstaat bij het verval van molybdeen-99. b Geef de vervalreactie van molybdeen-99. Voor medisch onderzoek is de isotoop technetium-99m zeer geschikt. c Leg uit waarom technetium-99m zeer geschikt is. Bereken daartoe eerst hoeveel procent van de ingespoten hoeveelheid technetium-99m nog over is na een etmaal. Als het radioactieve fosfaat zich heeft opgehoopt in het zieke botdeel, worden vanaf deze plaats veel γ-fotonen uitgezonden. De γ-fotonen vallen op een kristal K dat een lichtflitsje geeft als een γ-foton het kristal treft. De γ-fotonen die schuin richting kristal K gaan, mogen niet op het kristal terechtkomen. Er wordt daarom een loden plaat P tussen de patiënt en het kristal K geplaatst. In de loden plaat zijn smalle kanaaltjes geboord. Zie figuur 11.35. d Leg uit waarom de kanaaltjes smal moeten zijn.
Figuur 11.35
Medische beeldvorming
169
Een detector meet het aantal γ-fotonen dat uit een bepaalde richting komt. Het resultaat is een grafiekje, waarin verticaal het aantal γ-fotonen staat en horizontaal de plaats in het kristal. Zie figuur 11.36.
Figuur 11.36
De meting wordt een aantal malen rondom het pijnlijke botdeel herhaald, in hetzelfde vlak onder verschillende richtingen. In figuur 11.37 zijn vier grafiekjes gegeven die bij vier verschillende richtingen horen. Het zieke botdeel bevindt zich in het gebied dat door alle vier de detectoren wordt geregistreerd. e Geef in figuur 11.37 aan waar het zieke botdeel zich bevindt.
Figuur 11.37
Bij deze patiënt zijn 2,2·1013 kernen technetium-99m geïnjecteerd. De stralingsenergie die deze kernen uitzenden, wordt voor 40% door het lichaam van de patiënt opgenomen. De energie van een γ-foton is 0,14 MeV. De patiënt heeft een massa van 80 kg. Jaarlijks ontvangt iemand in Nederland een equivalente dosis van ongeveer 2 mSv als gevolg van achtergrondstraling. f Ga met een berekening na of de equivalente dosis ten gevolge van de SPECT-scan lager of hoger is dan de jaarlijkse equivalente dosis ten gevolge van de achtergrondstraling.
17 0
h o ofdstuk 11