Skip to main content

9789006994988_MIXED_DP_Multimediale_producten_inkijk

Page 1


HET LEERWERKBOEK VOOR DE THEORIE

• In het leerwerkboek dat je nu in je handen hebt, staat de theorie die je moet kennen. Misschien behandelt jouw docent eerst de theorie, voordat je aan de slag gaat met een praktische opdracht. Je kunt ook zelf de theorie erbij pakken als je die nodig hebt.

• Bij de tekstbronnen die je kunt lezen staan ook opdrachten. Deze maak je om na te gaan of je de theorie goed begrijpt.

Er zijn ook herhalingsopdrachten en verdiepingsopdrachten. Jouw docent vertelt je welke je moet maken.

• In de theorie staan gekleurde begrippen. Deze begrippen moet je kennen voor een toets en voor je examen. Tip: gebruik de begrippenlijst achter in het leerwerkboek bij het leren.

• Het leerwerkboek bestaat uit twee blokken. Na elk blok maak je een samenvattingsopdracht. Zo leer je ook voor je toets en voor het examen!

WERKEN OP PAPIER OF ONLINE

Bij dit leerwerkboek hoort een online omgeving. In het schema hierna zie je wat je op papier kunt doen en wat er online te vinden is.

Op papier Online

• Praktische opdrachten (geprint)

• Tekstbronnen (in het leerwerkboek)

• Theorieopdrachten (in het leerwerkboek)

• Begrippenlijst (in het leerwerkboek)

• Praktische opdrachten

• Tekstbronnen

• Theorieopdrachten

• Begrippenlijst

• Werkbronnen

• Oefentoets begrippen

Module Multimediale producten maken

HET GROTE PLAATJE

MULTIMEDIALE PRODUCTENMAKEN

EENPRODUCTMAKENEN

VERBETEREN

WELKE VERBANDEN ZIJN ER?

PRESENTEREN,PROMOTENENVERKOPEN

In het profiel Dienstverlening & Producten (D&P) maak je kennis met verschillende werkvelden, zoals evenementen, techniek, media en verkoop. Je organiseert een activiteit, maakt een product, ontwerpt iets digitaals of presenteert en promoot een idee. Zo ontdek je waar jouw talenten liggen en wat bij je past!

Vier modules

Het profiel Dienstverlening & Producten bestaat uit vier verschillende modules. In elke module werk je aan een ander onderdeel van het vakgebied. In de beroepspraktijk lopen die onderdelen door elkaar. Bij een opdracht moet je vaak organiseren, communiceren, ontwerpen én uitvoeren. Alles hangt met elkaar samen. Door die samenhang te zien, ontdek je het grote plaatje van Dienstverlening & Producten.

✖ MULTIMEDIALE PRODUCTEN MAKEN

In deze module leer je alles over films maken en ga je een website en andere digitale middelen ontwerpen en maken die passen bij de wensen van een opdrachtgever.

Relatie met de andere modules

De multimediale producten die je leert maken, zijn super nuttig voor de dingen die je leert in de andere modules:

✖ ORGANISEREN VAN EEN ACTIVITEIT VOOR EEN OPDRACHTGEVER

Bij een activiteit of evenement horen vaak uitnodigingen, een website, filmpjes of een aftermovie. In Organiseren van een activiteit voor een opdrachtgever ontdek je hoe je zo’n activiteit organiseert.

✖ PRESENTEREN, PROMOTEN EN VERKOPEN

In Presenteren, promoten en verkopen leer je hoe je een product of dienst promoot. Daarbij komen digitale middelen goed van pas! Denk aan een promotievideo, een animatie of een website.

✖ EEN PRODUCT MAKEN EN VERBETEREN

In Een product maken en verbeteren ontwerp en maak je zelf een product. Daarbij kan een instructievideo of reclamefilmpje heel handig zijn!

WAT LEER JE IN DEZE MODULE?

BLOK 1

Film maken

Je oefent met het schrijven van een script, filmen, monteren en exporteren. Ook leer je hoe beeld, geluid en effecten samen een verhaal vertellen.

BLOK 2

Website en digitaal ontwerp maken

Je leert hoe je een goede website ontwerpt en maakt, en hoe je informatie digitaal vormgeeft in bijvoorbeeld een flyer of poster.

INHOUD

1.1 Genres in beeldmateriaal

Films en video's (beeldmateriaal) zijn er in verschillende soorten. Dat noemen we ook wel genres. Je leert hier vijf veelgebruikte genres kennen: animatie, reportage, documentaire, instructiefilm en bedrijfsvideo. Elk genre heeft een eigen doel en een eigen manier van filmen. Als je ziet welk genre een film heeft, weet je meteen wat je ongeveer kunt verwachten.

Een animatie is een film waarin tekeningen, foto’s of objecten beeld voor beeld worden bewogen. Als de beelden snel achter elkaar worden afgespeeld, lijkt het alsof ze echt bewegen. Bekende voorbeelden zijn tekenfilms en stop-motion met klei of Lego.

Een reportage laat zien wat er ergens gebeurt. Vaak gaat het om nieuws of een gebeurtenis die net heeft plaatsgevonden. Er wordt gewerkt met korte beelden en interviews. Vaak is een verslaggever in beeld of hoor je de stem van een voice-over. Voorbeelden zijn reportages over een ongeluk, een sportwedstrijd of een belangrijke gebeurtenis.

Een documentaire is een langere film waarin een echt onderwerp wordt onderzocht of uitgelegd. Het doel is vaak om informatie te geven, iets te laten zien uit de werkelijkheid of een mening te laten vormen. Voorbeelden zijn documentaires over natuur, geschiedenis of bekende personen.

Een instructiefilm legt stap voor stap uit hoe je iets moet doen. Er wordt duidelijk beeld gebruikt en een duidelijke uitleg gegeven. Voorbeelden zijn een kookvideo waarin een recept wordt gemaakt, een video waarin je leert hoe je een apparaat gebruikt of hoe je een game speelt.

Een bedrijfsvideo wordt gemaakt in opdracht van een bedrijf of organisatie. Het doel is meestal promotie of uitleg. Een bedrijfsvideo kan gaan over de geschiedenis van een bedrijf, over nieuwe producten of over hoe er gewerkt wordt.

voorbeeld

Een school kan een korte bedrijfsvideo maken om nieuwe leerlingen te werven. In de video zie je beelden van de lokalen, docenten en leerlingen, met een voice-over die de school aanprijst.

Opdrachten

1 Begrippen kennen

Welke uitleg hoort bij het begrip?

Animatie • • Korte film die een gebeurtenis of nieuws laat zien.

Reportage • • Film waarin stap voor stap wordt uitgelegd hoe iets moet.

Documentaire • • Film met tekeningen of objecten die beeld voor beeld worden bewogen.

Instructiefilm • • Film die in opdracht van een bedrijf of organisatie is gemaakt.

Bedrijfsvideo

2 Genres herkennen

Lees de zinnen.

Over welk genre gaat het in de zin?

• Film waarin echte gebeurtenissen of personen onderzocht of uitgelegd worden.

Kies uit: Animatie | Bedrijfsvideo | Documentaire | Instructiefilm | Reportage

1. Een filmpje op YouTube waarin je leert hoe je een fietsband plakt.

2. Een film over de Tweede Wereldoorlog met oude beelden en interviews.

3. Een kort item op het journaal over een brand in een fabriek.

4. Een filmpje waarin speelgoedpoppetjes bewegen door stop-motion.

5. Een promotiefilm van een supermarkt over hun nieuwe service.

3

Genre kiezen

Bekijk de afbeeldingen. Welk genre past het best bij de wens van de klant?

Ik wil uitleggen hoe onze nieuwe app werkt.

Wij mogen filmen hoe onze lokale voetbalploeg zich voorbereidt op de kampioenswedstrijd van morgen.

Ik wil laten zien hoe dieren leven in de jungle.

Ik heb een kinderboek gemaakt en wil daar nu filmpjes van maken.

Instructiefilm

Reportage

Animatie

Documentaire

Herhalingsopdrachten

4

Juist of onjuist?

Zijn de stellingen juist of onjuist?

Een animatie bestaat altijd uit echte videobeelden.

Een documentaire kan informatie geven of een mening vormen.

Een reportage is vaak een kort en actueel verslag.

Een instructiefilm wordt gemaakt om te amuseren, niet om iets uit te leggen.

5 Match het genre

Welk genre zie je op de foto's?

Vul de tabel in.

Kies uit: Animatie | Bedrijfsvideo | Documentaire | Instructiefilm | Reportage.

Kookvideo

Journaalitem

Promotiefilm

Natuurdocumentaire

Tekenfilm

Juist Onjuist

Verdiepingsopdrachten

6 De gezonde kantine

Een school wil een filmpje maken over de gezonde kantine. Welk genre past hier het best?

Leg in één zin uit waarom dit genre geschikt is.

7 Zelf ontwerpen

Ontwerp een idee voor een filmpje.

Beantwoord de vragen.

1. Welk genre kies je?

2. Wat is het doel van je filmpje?

3. Wat komt er in beeld?

4. Waarom past dit genre bij het doel?

1.2 Van idee tot script

Als je een film of video wilt maken, begin je vaak met een idee. Dat idee kan heel simpel zijn: een grappig filmpje voor TikTok, een reportage over een schoolfeest of een instructievideo. Om van dat idee een echte film te maken, heb je een script nodig.

Wat is een script?

Een script is een plan voor een film of video. In het script staat precies wat er in beeld komt en wat er wordt gezegd. Een script helpt de maker om stap voor stap te bedenken hoe de film eruit moet zien. Ook voor andere mensen in het team, zoals cameramensen en acteurs, is het handig. Zij weten dan wat ze moeten doen.

voorbeeld

Beeld (wat zie je?)

Scène 1 Leerling loopt de klas in en gaat zitten.

Geluid / Tekst (wat hoor je?)

Docent zegt: ‘Goedemorgen allemaal.’

Scène 2 Close-up van het schoolbord. Krijt schrijft: ‘Hoofdstuk 3.’

Scène 3 Leerlingen pakken boeken uit hun tas.

Opbouw in scènes

Geen dialoog, geluid van tassen en stoelen.

Een film bestaat uit scènes. Een scène is een stukje van de film dat zich op één plek en in één tijd afspeelt. Elke scène beschrijft wat er gebeurt en wie er te zien zijn. Door scènes achter elkaar te zetten, ontstaat een logisch verhaal.

voorbeeld

Onderdeel

Beschrijving

Plaats In een klaslokaal

Tijd ’s Ochtends, eerste lesuur

Actie Leerling loopt binnen en gaat zitten

Personages Leerling en docent

Tekst in het script

In een script schrijf je op wat de personages zeggen (dialoog) en wat er in beeld gebeurt. Dit kan heel precies zijn, bijvoorbeeld: ‘De leraar loopt het lokaal binnen en zegt: ‘Goedemorgen klas’. Zo weten de spelers wat ze moeten zeggen en doen.

voorbeeld

Een dialoog wordt vaak apart genoteerd, zodat meteen duidelijk is wie iets zegt.

Bijvoorbeeld:

✖ Docent: ‘Goedemorgen klas, pak allemaal je boeken.’

✖ Leerling: ‘Moeten we ook ons schrift erbij pakken?’

✖ Docent: ‘Ja, schrijf de titel alvast op.’

Beeldschetsen

Soms gebruik je naast tekst ook beeldschetsen. Dit zijn kleine tekeningen die laten zien hoe de beelden eruitzien. Zo’n schets helpt om duidelijk te maken hoe de camerahoek is of wat er in beeld moet komen. Een serie beeldschetsen heet ook wel een storyboard

voorbeeld

Je maakt een korte instructiefilm over handen wassen.

✖ Idee: uitleg geven over goed handen wassen.

✖ Script: beschrijft dat iemand naar de kraan loopt, de kraan openzet, zeep pakt, de handen inzeept en afspoelt.

✖ Beeldschets: een tekening van de kraan en de handen met zeep.

Opdrachten

1 Begrippen kennen

Welk begrip hoort bij de zin?

Een plan waarin staat wat er in beeld komt en wat er gezegd wordt.

Een stukje van de film dat op één plaats en tijd afspeelt.

Het gesprek tussen personages.

Een serie tekeningen die laat zien hoe de film eruitziet.

2

Waar begin je mee?

Je krijgt van school de opdracht om een instructiefilm te maken. Waar begin je mee?

Geef met nummers de juiste volgorde aan.

Script schrijven

Film opnemen

Idee bedenken

Beeldschetsen maken

Storyboard

Script

Scène

Dialoog

3

Script aanvullen

Het script voor de film over de voetbalwedstrijd is nog niet af. Wat zou op de open plekken van dit script kunnen staan?

Beeld (wat zie je?)

Scène 1

Scène 2 Close-up van een bal op de grond

Scène 3 Vrienden beginnen te voetballen

Scène 4

Scène 5 Scheidsrechter geeft penalty

Herhalingsopdrachten

4

Juist of onjuist?

Zijn de stellingen juist of onjuist?

Geluid / Tekst (wat hoor je?)

Geluid van voetstappen op gras

Harde schreeuw van pijn

Juist Onjuist

Een scène speelt zich altijd op meerdere plekken tegelijk af.

Een storyboard bestaat uit tekeningen.

In een script staat alleen wat er gezegd wordt.

Beeldschetsen maken een script duidelijker.

5 Scène invullen

Je maakt een scène voor een film waarbij een leerling ’s ochtends de straat oversteekt bij een zebrapad.

Vul het schema van de scène in.

Je mag er zelf details bij bedenken.

Onderdeel Beschrijving

Plaats

Tijd

Actie

Personages

Verdiepingsopdrachten

6

7

Script uitbreiden

Bekijk het begin van een script over een klant die brood koopt bij de bakker.

Vul het script verder in.

✖ Scène 2: Vul in welk geluid of korte tekst je logisch vindt.

✖ Scène 3: Bedenk een dialoog tussen de klant en de bakker (minimaal twee zinnen).

✖ Scène 4: Vul in welk geluid of welke tekst hier past.

Beeld (wat zie je?)

Geluid / Tekst (wat hoor je?)

Scène 1 Een klant loopt de bakkerij binnen De deurbel rinkelt

Scène 2 De klant kijkt rond bij de broodafdeling

Scène 3 De klant praat met de bakker achter de toonbank

Scène 4 De klant betaalt en loopt weg

Mini-script maken

Een leerling vergeet zijn gymtas en moet dit aan de docent vertellen.

Maak een script van drie scènes.

✖ Zet bij elke scène wat er in beeld te zien is.

✖ Schrijf minimaal één zin van een dialoog in scène 2 of 3.

✖ Sluit je mini-script af met een logische afloop.

Beeld (wat zie je?)

Scène 1

Scène 2

Scène 3

Geluid / Tekst (wat hoor je?)

1.3 Een storyboard maken

Een storyboard is een plan voor een film of video in de vorm van tekeningen. Elke tekening stelt één shot voor. Onder of naast de tekening staat korte informatie, zoals wat er gezegd wordt of welk geluid je hoort. Een storyboard lijkt een beetje op een stripboek, maar het doel is om een film goed voor te bereiden.

Een storyboard helpt de maker om:

✖ te bedenken welke beelden nodig zijn;

✖ te plannen welke shots gemaakt moeten worden;

✖ duidelijk uit te leggen aan anderen hoe de film eruit moet zien.

Zo kunnen cameramensen, acteurs en de regisseur precies zien wat er moet gebeuren.

Een storyboard voor een Bollywood-film.

Compositie

Met compositie wordt bedoeld hoe alles in het beeld is geplaatst. Je kijkt niet alleen wat je filmt, maar ook waar personen en voorwerpen in beeld staan. Met een goede compositie zorg je ervoor dat de kijker meteen ziet wat belangrijk is.

Bij compositie let je bijvoorbeeld op:

✖ waar het onderwerp in beeld staat (in het midden, links of rechts);

✖ wat de kijker als eerste ziet;

✖ of de achtergrond rustig is en niet afleidt;

✖ of het beeld overzichtelijk en in balans is.

Een goede compositie helpt om het verhaal duidelijk te vertellen. Het voorkomt dat het beeld rommelig wordt of dat belangrijke dingen buiten beeld vallen.

Beeldkaders

Met een beeldkader bedoelen we hoeveel van iemand of iets in beeld komt. De vijf belangrijkste soorten beeldkaders zijn:

Panoramashot: je ziet een heel breed uitgestrekt overzicht, vaak van een landschap of een hele stad.

Totaalshot: je ziet de hele omgeving. Bijvoorbeeld: een sporthal met alle spelers.

Mediumshot: je ziet een persoon vanaf ongeveer het middel tot en met het hoofd. Dit wordt vaak gebruikt bij gesprekken.

Close-up: je ziet een deel van het lichaam of een voorwerp van dichtbij. Bijvoorbeeld: een gezicht dat emoties laat zien.

Detailshot: je ziet een heel klein stukje, zoals een sleutel die in een slot wordt gestoken.

Camerabewegingen

Een camera kan tijdens het filmen bewegen. Met deze camerabewegingen kun je extra informatie geven of spanning opbouwen. De meest gebruikte bewegingen zijn:

Pan: de camera draait horizontaal van links naar rechts of andersom.

Tilt: de camera beweegt verticaal van boven naar beneden of andersom.

Zoom-in: de camera komt dichterbij zonder dat hij beweegt. Je ziet steeds meer details.

Zoom-out: de camera gaat verder weg. Je ziet steeds meer van de omgeving.

Standpunten

Met een camerastandpunt bedoelen we de positie van de camera ten opzichte van het onderwerp. De vijf belangrijkste standpunten zijn:

Neutraalperspectief (ooghoogte): de camera staat op dezelfde hoogte als de ogen van de persoon. Dit voelt natuurlijk en neutraal.

Kikvorsperspectief (kikkerperspectief): de camera staat laag en kijkt omhoog. Hierdoor lijkt de persoon of het voorwerp groot en machtig.

Vogelperspectief: de camera staat hoog en kijkt omlaag. Hierdoor lijkt de persoon of het voorwerp juist klein en zwak.

Over-the-shoulder: de camera staat achter de schouder van een persoon. Je kijkt over zijn schouder mee, bijvoorbeeld naar een ander personage, alsof je hun gesprek observeert.

Point of view (POV): de camera staat zo dat het lijkt alsof je door de ogen van een persoon kijkt en de wereld door zijn ogen ziet. Het voelt alsof je die persoon zelf bent.

Stel, je maakt een reportage over een sportwedstrijd.

✖ Met een panoramashot laat je de sporthal zien in het landschap eromheen.

✖ Met een totaalshot laat je de hele sporthal zien.

✖ Met een mediumshot film je de coach die aanwijzingen geeft.

✖ Met een close-up laat je de spanning op het gezicht van een speler zien.

✖ Met een detailshot laat je de bal zien die op de lijn valt.

✖ Met een pan volg je hoe de bal over het veld gaat.

✖ Met een tilt film je van de voeten van de speler naar zijn gezicht.

voorbeeld

✖ Met een kikvorsperspectief laat je de speler groot en krachtig lijken als hij springt.

✖ Met een vogelperspectief film je het hele veld van bovenaf.

✖ Met een over-the-shoulderperspectief kijk je over zijn schouder mee hoe de speler naar een tegenstander kijkt.

✖ Met een point-of-viewperspectief kijk je door de ogen van de speler naar zijn omgeving.

✖ Met een goede compositie zorg je dat de speler duidelijk in beeld staat en de achtergrond niet afleidt.

Een storyboard combineert dus tekeningen met korte beschrijvingen van compositie, beeldkaders, camerabewegingen en standpunten. Zo kun je de film al helemaal voor je zien voordat je hem maakt.

Opdrachten

1

Begrippen kennen

Je hebt in deze paragraaf weer veel nieuwe woorden geleerd. a Kies het juiste begrip bij de uitleg.

Een plan in tekeningen van alle shots in een film.

De camera draait van links naar rechts.

Een shot waarin je een gezicht of voorwerp van dichtbij ziet.

De camera staat laag en kijkt omhoog.

Pan

Kikvorsperspectief

Close-up

Storyboard

b Wat wordt bedoeld met compositie bij het maken van een storyboard?

◯ De beweging die de camera maakt tijdens het filmen.

◯ De manier waarop personen en voorwerpen in het beeld zijn geplaatst.

◯ De plek waar de camera staat ten opzichte van het onderwerp.

◯ Het aantal shots in een scène.

2 Beeldkaders

Welk beeldkader zie je op de afbeelding?

1.

3

Camerabewegingen

Welke camerabeweging hoort bij de situatie?

1. Je volgt een hardloper die over de baan rent.

2. Je laat zien hoe een gebouw van beneden naar boven steeds hoger wordt.

3. Je begint van dichtbij bij een bloem en laat daarna de hele tuin zien.

4. Je begint met een breed landschap en komt steeds dichter bij een persoon die in een weiland staat.

Herhalingsopdrachten

4 Juist of onjuist?

Zijn de stellingen juist of onjuist?

Een vogelperspectief maakt iemand groter en sterker.

Een mediumshot wordt vaak gebruikt bij gesprekken.

Zoom-in betekent dat de camera dichterbij beweegt.

Een storyboard helpt om de film vooraf te plannen.

Bij een point-of-viewperspectief kijk je over iemands schouder mee.

5 Welk beeldkader?

Je filmt een leerling die een spreekbeurt geeft in de klas.

Welk beeldkader hoort bij het shot?

Wat zie je?

Shot 1 De hele klas en het lokaal

Shot 2 De hand die een bladzijde omslaat

Shot 3 Het gezicht van de leerling

Shot 4 De leerling achter de tafel

Beeldkader

Verdiepingsopdrachten

6

Storyboard

Je maakt een korte film van drie shots over iemand die een treinkaartje koopt. Welk beeldkader en welke camerabeweging en/of standpunt hoort bij het shot?

Wat zie je?

Shot 1

Shot 2

Shot 3

Beeldkader Camerabeweging/ standpunt

7

Storyboard

Je tekent een storyboard voor een film waarin een leerling iets bestelt in de schoolkantine. a Maak drie tekeningen voor het storyboard.

Maak er korte aantekeningen bij. Noteer wat je ziet en welk geluid of welke tekst je hoort.

Tekenkader

Wat zie je?

Welk geluid of welke tekst hoor je?

Met MIXED ga je praktisch aan de slag, zodat je kunt ontdekken wat jij écht leuk vindt en waar jij goed in bent. Geen saaie boeken, maar vooral praktische opdrachten waarbij je trots kunt zijn op de prestaties die je neerzet en de producten die je maakt. Door te doen ontdek je ook welke beroepen en beroepscontexten bij jouw interesses en kwaliteiten passen. We wensen jou veel succes, maar vooral ook veel plezier bij het uitvoeren van de opdrachten!

Team MIXED

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789006994988_MIXED_DP_Multimediale_producten_inkijk by ThiemeMeulenhoff - Issuu